Categorie archief: sociale driegeleding

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-8)

.

Het is al weer enkele jaren dat we als mensheid te maken kregen met een pandemie door het zgn. coronavirus.
Er werd veel over gesproken, geschreven, gediscussieerd. 
Als je ergens middenin zit, is het moeilijk afstand te nemen.

In 2020 schreef John Hogervorst er in Driegonaal ook een artikel over aan de hand van gezichtspunten van Steiner. Als een overkoepelende gedacht!

John Hogervorst, Driegonaal, maart 2020

Een ongenode gast


Gedachten bij het coronavirus

In deze dagen, [2020]waarin de ontwikkelingen rondom het coronavirus alle aandacht vragen, is het moeilijk om níet stil te staan bij dit virus en zijn wereldwijde gevolgen.

Op 7 april 1920 hield Rudolf Steiner een voordracht met als titel ‘Hygiëne als sociaal vraagstuk’.1) Een mogelijk verbazing wekkende titel. Hoe zou hygiëne een sociaal vraagstuk kunnen zijn? Dat is daar waar het individuele raakt aan het algemene.

Rudolf Steiner: “Dit gebrek aan sociale zienswijze merkt men het duidelijkst wanneer men zijn aandacht op één bepaald gebied richt, bijvoorbeeld op het gebied van de hygiëne, dat misschien nog meer dan andere, zich leent om aan een sociale beschouwing onderworpen te worden, namelijk voor zover hygiëne een openbare aangelegenheid is, die niet de enkele mens, maar de gehele mensengemeenschap aangaat.”

Dat laatste is momenteel onmiskenbaar het geval, zodat naast een medische benadering van het coronavirus (die u op deze plaats niet zal aantreffen) een ‘sociale beschouwing’ relevant kan zijn.

Een beperkt zicht op de werkelijkheid

Het eerste deel van deze voordracht is gewijd aan het materialisme: aan de materialistische beschouwing van de wereld, en voor wie dit ver weg klinkt: ook aan het materialisme in ons eigen denken en bewustzijn. Hier ligt al direct een raakvlak met de huidige situatie.
Bijvoorbeeld: in de media zien we een reeks van deskundigen langs trekken: virologen, specialisten, epidemiologen, onderzoekers in allerlei specifieke vakgebieden die hun licht op het coronavirus laten schijnen. Zij praten ons bij over de verspreiding van het virus, de aard en werking ervan, over de oorsprong, preventie en bestrijding. – 

In zijn voordracht karakteriseert Rudolf Steiner het materialisme, en, heel verhelderend, zegt daar onder meer dat niet wat, maar hoe een mens denkt, aangeeft of hij (al dan niet bewust) een materialistische denkwijze heeft. Dat betekent bijvoorbeeld dat een mens oprecht overtuigd kan zijn van het bestaan van de menselijke ziel en de menselijke geest, maar desondanks, door hoe hij denkt, tóch materialistisch denkt.
Vervolgens geeft Rudolf Steiner een betekenisvolle illustratie van de beperktheid van elke materialistische benadering. Stel je voor, zegt hij, dat je een mens helemaal bedekt, zodanig dat je alleen nog de vingers van één hand van die mens ziet. En stel je voor dat je die vingers met alle mogelijke middelen en technieken onderzoekt. Dan is alles wat je zo te weten komt uiteindelijk van zeer beperkte betekenis: met alles dat je nu van de vingers weet, weet je niets over de gehele mens, niets over het organisme waarvan de vingers deel zijn, ben je niets wijzer over wat de mens is.
Om iets zinnigs te leren over en van het coronavirus, zouden we veel verder moeten kijken dan naar het virus zelf. Alle specifieke invalshoeken van waaruit de deskundigen ons over het virus informeren, zijn te vergelijken met een grootschalig maar minutieus onderzoek van ‘de hand’. Het coronavirus, deze ongenode gast, nodigt ons dus uit tot een verruiming van onze blik – feitelijk tot een verandering van ons denken, ons mens- en wereldbeeld, en daarmee ook van ons handelen in de ruimste zin. Dat begint met het inzicht dat we het virus niet geïsoleerd, als op zichzelf staand verschijnsel moeten onderzoeken, maar als deel van een groter geheel.

Vragen naar het grotere geheel

Dat grotere geheel kunnen we exploreren aan de hand van vragen, bijvoorbeeld:
– Ligt de oorsprong van het virus inderdaad, zoals ons gezegd wordt, op de markten in China waar een bonte stoet van dieren, al dan niet levend, verkocht wordt? Als dat zo is, wat betekent het dan dat er in de dierenwereld een dergelijk virus ontstaat, en hoe ontstaat het daar dan? Zegt dit iets, en zo ja wat, over de ‘gezondheid’ van het ecosysteem waarin deze dieren leven – en dat ook gewoon óns ecosysteem is? Ligt er een verband tussen menselijk handelen, dit ecosysteem en het ontstaan van dit virus? Als ja, wat zou daaruit moeten volgen?
– Waarom heeft dit virus potentieel zulke gevaarlijke gevolgen voor de mens?2) En wat zegt dit over de conditie van het menselijk immuunsysteem? Een gezond immuunsysteem ‘kan heel wat hebben’ – en overwint in de loop van een mensenleven menig virus. Staat ons immuunsysteem mogelijk onder druk, en wordt het verzwakt door andere factoren? Uit wetenschappelijk onderzoek is (al lang) bekend dat het immuunsysteem van mensen die veel aan stress bloot staan, of die last hebben van depressieve gevoelens, verzwakt. Ook is bekend dat het immuunsysteem zich ‘oefent en sterkt’ wanneer wij tijdens het opgroeien met van alles in aanraking komen: met van alles dat er in de natuur is, met vuil en allerlei ‘stofjes’, met kinderziekten, met infecties. Welk effect hebben allerlei vaccinaties op de gezondheid van ons afweersysteem? Wat is het effect van allerlei vormen van straling die ons tegenwoordig dag en nacht omgeeft? Is er een relatie tussen ons immuunsysteem en de kwaliteit van industrieel vervaardigde voedingsmiddelen?
Ja, we zouden er heel veel aan kunnen hebben wanneer wij het coronavirus als deel van een groot geheel zouden opvatten.
Daarmee is nog lang niet alles gezegd dat over de gevolgen van het virus opgemerkt kan worden. Ik ga nog even verder, maar vrees niet: niet alles kan en zal hier aan bod komen.

Een nóg groter geheel

In de afgelopen week maakte ik, op een vliegveld in Boston in de VS., een voorval mee dat mij een glimp toonde van een mogelijke wereld in wording, in het kielzog van de coronacrisis. Omdat mijn retourvlucht naar Schiphol door de luchtvaartmaatschappij was geannuleerd, zoals, naar bleek, alle vluchten van deze maatschappij van Boston naar Nederland, was ik blij dat ik toch nog, met een andere vliegmaatschappij, terug kon reizen door eerst naar Lissabon en vervolgens naar Amsterdam te vliegen. Bij de gate, met een paar dozijn andere passagiers, wachtte ik op het moment dat wij het vliegtuig zouden kunnen betreden. Bij de balie van de Portugese vliegmaatschappij meldde zich een Spaanse vrouw die, zo bleek in het vervolg, diezelfde dag dezelfde vlucht naar Lissabon had geboekt, omdat haar vlucht naar Spanje ook geannuleerd was. Omdat de Spaanse regering diezelfde middag de landsgrenzen gesloten had, mocht deze vrouw, die vanuit Lissabon zou doorvliegen naar Spanje, niet mee. Ondanks de elkaar opvolgende woede en wanhoop die zich van haar meester maakten, werd haar de toegang tot het vliegtuig geweigerd. De ene na de andere medewerker van de vliegtuigmaatschappij beriep zich op het besluit van de boven hen gestelde machten en maakte de vrouw duidelijk dat zij niets voor haar konden doen. Na verloop van tijd verschenen twee gewapende politiefunctionarissen die zich over de Spaanse ‘ontfermden’…
Op de gezichten van de andere wachtenden herkende ik: verbazing, ongeloof, onbegrip, stil protest, schaamte én het besef: “Het heeft geen zin dat ik mij hiermee bemoei (en ik wil ook niet het gevaar lopen dat ik straks zelfs ook niet mee vlieg).

Een glimp van een mogelijke wereld in wording, schreef ik hierboven. – De maatregelen die overal ter wereld genomen worden in het kader van de coronacrisis, vormen een ongekende inperking van grondrechten en menselijke vrijheid, en laten tegelijkertijd zien welke ‘kale structuren’ onder onze alledaagse werkelijkheid schuilgaan. Het zijn koude, onaanraakbare structuren waarop mensen nog maar beperkt invloed kunnen uitoefenen en die aan ‘menselijkheid’ ook geen ruimte geven.
Mogelijk komen deze maatregelen voort uit niets anders dan de wil om de gevolgen van het coronavirus zoveel mogelijk in te dammen.
Mogelijk wordt er ook nauwkeurig waargenomen hoe ‘men’ op deze maatregelen reageert, en ontstaat bij deze of gene de gedachte dat de ene of de andere maatregel ook voor andere doeleinden te gebruiken is.
Zéker is het zo, dat wij er goed aan doen nauwgezet te volgen wat er op dit vlak gebeurt en er op toe te zien dat tijdelijke maatregelen niet stilzwijgend een permanent karakter krijgen.

Ook op het vlak van de ‘publieke opinie’ past het om wakker te blijven, of te worden. Niet alleen om niet besmet te worden met allerlei gevoelens van angst of hysterie. Ook om waar te nemen hoe stemmen die een andere (een zogenoemde ‘afwijkende’) mening over aspecten van het coronavirus vertegenwoordigen, geen podium krijgen, en om op te merken dat allerlei wezenlijke vragen niet gesteld worden. De publieke opinie heeft in onze dagen absolutistische, dictatoriale en radicaal onverdraagzame trekken gekregen.

Te midden van dit alles is het goed om te beseffen dat het beter en vruchtbaarder is onze aandacht te richten op het gezonde dan op datgene wat ziek is. – Voor de duidelijkheid: ik spreek nu niet over gezonde of zieke mensen, maar over gezonde of ziekmakende ontwikkelingen in de samenleving. –
Wanneer wij het coronavirus opnemen als dringende aansporing om te doorzien wat het eigenlijk betekent dat onze samenleving (het heersende mens- en wereldbeeld, de hoofdstroom van de wetenschap, de invulling van de media) gevangen zijn in een materialistische mens- en wereldbeschouwing, zien wij van daaruit ook wat het gezonde is, wat onze aandacht verdient en ons denken kan verlevendigen: de vrijheid die in onze cultuur moet heersen – en die daar alleen voet aan de grond krijgt wanneer wij haar in onszelf veroveren.
Daar aangekomen, zouden in vrijheid gewonnen inzichten leiden tot een andere praktijk in alle gebieden: die van het cultuurleven, de politiek en van de economie.

Noten:
1) Rudolf Steiner uit GA 314.
Vertaald
2) De medische vragen met betrekking tot de werking, betekenis en ‘gezondheid’ van het immuunsysteem ontleen ik aan een tekst van Hans-Ulrich Albonico, antroposofisch arts in Zwitserland, in de vorm van een kleine brochure bij uitgeverij Nearchus verschenen onder de titel: Is ons afweersysteem nog gezond? – Vragen van een huisarts.
.

Meer van John Hogervorst

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3476-3273

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De actualiteit van de driegeleding (1-4-2)

.

In 1920 al sprak Rudolf Steiner deze woorden:

 

Driegonaal Nieuwsbrief jan. 2020

Rudolf Steiner:

Een nieuwjaarsgedachte

“(… ) Wat onze tijd nodig heeft, is dat we het geestesleven volledig ernstig nemen. Hierover heb ik u vandaag (…) op Nieuwjaarsdag nog eens willen vertellen en ik heb als diepe wens dat in onze kringen een Nieuwjaarswens wordt opgenomen die ieder slechts zelf ter hand kan nemen: dat in de zielen en harten van onze vrienden de ogen geopend worden voor datgene wat zo nodig is, voor datgene wat alleen en uitsluitend vanuit de geest afkomstig is en de mensheid verder helpen kan.
Uit de regelingen of organisaties die de samenleving kent, kan niets gevormd worden dat een gezonde bijdrage voor de toekomst biedt. In de ontwikkeling van de mensheid moet iets nieuws worden binnen gebracht. Dat moeten we beseffen. Dit besef is de meest waardige nieuwjaarsgedachte die vandaag, in het begin van het jaar 1920, in uw hart kan ontstaan. Dit nieuwe jaar zal belangrijke beslissingen brengen wanneer er mensen zullen zijn die datgene wat voor de mensheid het noodzakelijke is (…) doorzien. We moeten inzien dat het nieuwe jaar nood en ellende zal brengen wanneer niet opgepakt wordt wat werkelijk nodig is en wanneer slechts de mensen die met het oude en bestaande verder willen, de toon aangeven.”
[Rudolf Steiner in een voordracht van 1 januari 1920, GA 195, vertaling jh

John Hogervorst schreef er een commentaar bij. Nu, weer zoveel jaar later, is het met allerlei recente gebeurtenissen in ons bewustzijn, uiterst actueel.

Steiner doet ook, m.n. op de pedagogen, een beroep ‘om daadwerkelijk in de wereld te staan; voor alles in de wereld een levendige interesse tonen.
GA 310/165
Vertaald/171


Vasthouden aan het oude en bestaande…?

Wie houdt er níet vast aan het bestaande?
De politiek lijkt bevolkt door politici die zich vooral lijken te laten leiden door de belangen van lobbymachten, hun partij en hun persoonlijke carrière. Het bedrijfsleven is nog nagenoeg stelselmatig bezig de eigen positie eindeloos uit te bouwen en de winst te maximaliseren – en zet daartoe alles in om de consument in een steeds sterkere greep te nemen. En het geestesleven – de wereld van o.a. onderwijs, kunst, wetenschap en zorg – is gekneveld door de economie, of danst als een oude beer naar de pijpen van de subsidiegever.
Dit wordt hier niet gesignaleerd om eens lekker uit te halen naar ‘de anderen’ die alles verkeerd doen. Want de vraag laat zich stellen in hoeverre wij zelf niet ook aan het bestaande vastkleven. In onze hang naar gemak en comfort; onze behoefte aan zekerheid; onze weerzin om in beweging te komen; de angst om los te laten wat wij kennen; ons gebrek aan vertrouwen in ‘de anderen’, in hún goede wil en gezonde inzicht…
Het is anno 2020 niet wezenlijk anders dan Rudolf Steiner 100 jaar geleden in bovenstaande woorden uitsprak: de toon wordt aangegeven door “de mensen die met het oude en bestaande verder willen”.

Wellicht denkt u nu aan andere geluiden die ook klinken en die de boventoon ‘verstoren’ of zelfs nieuwe tonen laten horen. Het maatschappelijk protest tegen het bestaande maakt zich immers luidruchtig kenbaar? Tja. Maar de geluiden van de afgelopen maanden van boeren en bouwers zijn steunbetuiging aan het behoud van het bestaande. Mogelijk dat het verzet van leerkrachten, verpleegkundigen of jeugdzorgwerkers deels ook de behoefte aan vernieuwing in zich sluit. Mij bekruipt echter het bange vermoeden dat als de overheid maar voldoend financiële middelen ter beschikking stelt – voor loonsverhoging, verbetering van arbeidsvoorwaarden, verhoging van de capaciteit – elke echte vernieuwing weer kundig weggemoffeld wordt.

De radicale roep van (vooral) jongeren om het behoud van de aarde en drastische ingrepen ter wille van het klimaat – zal die uitmonden in een ‘afscheid van het bestaande’? Wanneer wij onder dat laatste niet het einde van de menselijke beschaving verstaan, maar een werkelijke systeemverandering, lijkt mij de kans groter dat de huidige problemen met het milieu niet zozeer worden opgelost maar wel beheersbaar gemaakt door technologie. En dat zou betekenen dat het bestaande zich gewoon voortzet: die inzet van technologie zal gewoon big business worden en naadloos aansluiten op het huidige economische bestel.

“Uit de regelingen of organisaties die de samenleving kent, kan niets gevormd worden dat een gezonde bijdrage voor de toekomst biedt.” Wat zou het fijn zijn wanneer Rudolf Steiner zich hierin had vergist, of wanneer het nu anders zou zijn.
Zodoende zit er niets anders op dan “dat we het geestesleven volledig ernstig nemen” en overgaan tot wat “ieder slechts zelf ter hand kan nemen”.  Het vrije geestesleven, de broedplaats voor alles dat écht nieuw is en werkelijke vooruitgang zou kunnen betekenen, zal pas een maatschappelijke realiteit zijn wanneer het eerst in óns denken geboren wordt en opgroeit. Nieuw denken!
De oerbeelden van vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn nog grotendeels
ongedacht. Zij wachten erop door ons in ons denken opgenomen en in beweging gebracht te worden, zozeer dat zij in ons bewustzijn tot levensvanzelfsprekendheid worden.

Dit waar te maken in ons denken, en gevolg geven aan de handelingen die daaruit volgen is het meest vruchtbare dat wij nu kunnen doen.
(John Hogervorst)

.

Meer van John Hogervorst

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3472-3269

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Voor de aarde, voor de toekomst, voor onze kinderen

.

 Nieuwsbrief Samen voor Grond

We kregen de grootste donatie in onze geschiedenis: grond voor ruim 4,2 miljoen euro van Jeroen van Steen. En dat is enorm bijzonder!

Jeroen, vroeger was hij gangbaar melkveehouder, die waarschijnlijk tegen zijn versie van vandaag zou zeggen: ‘Die is gek’. Toch voelt Jeroen zich vandaag de dag vrijer dan ooit, dat maakte dat hij 19 hectare grond aan BD Grondbeheer doneert. Want, stelt Jeroen; ‘Deze grond verkreeg ik omdat ik geluk heb gehad in het leven. Dat geluk wil ik delen.’ 

Jeroen maakt de grond vrij, hij verandert het systeem door het anders te doen. Dat doet hij voor ons allemaal! 
Elke 100 euro haalt 1.400 euro uit het systeem
Een donatie aan Thuishaven is er een met een enorm rendement. Niet alleen bescherm je de natuur, de grond en de natuurvriendelijke boer maar ook haal je enorm veel geld uit het systeem. 

Reken maar uit, voor €4,2 miljoen aan grond hebben we €3 ton nodig. Dat betekent dus dat elke €100 ruim 14x keer meer waard is!
Doneer 100 euro
 
De grootste donatie in onze geschiedenis!
Op zaterdag 21 juni, de eerste dag van de zomer, heeft Jeroen van Steen 19 hectare landbouwgrond in Zeewolde officieel aan BD Grondbeheer overgedragen. BD Grondbeheer garandeert dat de grond nooit meer verkocht wordt en eeuwigdurend in handen blijft van biodynamische boeren. De grond heeft een waarde van 4,2 miljoen euro. Het is daarmee de grootste donatie die BD Grondbeheer in haar bestaan (anno 1978) heeft ontvangen.

Gek genoeg zijn we er nog niet, we moeten nog wel een sommetje af rekenen bij de fiscus: namelijk € 300.000,-. Daarom zijn we in actie, in actie om dit bedrag op te halen!

Henry Mentink als inspiratiebron
Wat als grond geen eigendom meer is, maar van ons allemaal? Activist Henry Mentink zet zich in voor vrije grond als basis voor een rechtvaardige en betaalbare wereld. 

Zijn gedachtegoed inspireerde boer Jeroen van Steen om 19 hectare landbouwgrond te schenken aan BD Grondbeheer. Samen laten ze zien hoe je met een daad verschil maakt: voor de Aarde, voor toekomstige boeren, en voor wereldvrede.

www.aardpeer.nl
http://www.bdgrondbeheer.nl

.

Algemene menskundede wereld is waar

Sociale driegeledingalle artikelen

7e klas: voedingsleer

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3461-3258

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vrijheid en onderwijs (2-10)

.

Het kan een kwelling zijn de sociale driegeleding te kennen. Die laat immers keer op keer zien dat de vragen waarmee de samenleving worstelt alleen vruchtbaar behandeld kunnen worden wanneer wij de zaken fundamenteel aanpakken. Géén noodverbandjes, géén gelegenheidsoplossinkjes, géén lobbyvoorstelletjes, géén gemillimeter achter de komma, géén…
Maar in de actualiteit doet zich geen vraagstuk voor of men ontvlucht de kern van de zaak, maakt mist en misbaar – en zet de praktijk van pappen-en-nat-houden onverdroten voort.
Wie zich, zoals schrijver dezes, zó wel eens gekweld voelt kan maar één ding doen: de kiem van de driegeleding in zichzelf laten groeien en groeien, en groeien en…

Aldus John Hogervorst in ‘Driegonaal’ nieuwsbrief, dec. 2019.
.

30% Vrijheid
.

Sinterklaas heeft zich net weer uit de voeten gemaakt, de kerstman is onderweg. ‘Al het goede komt in drieën’, zal Arie Slob [toen minister van onderwijs] gedacht hebben, die hier een window-of-opportunity zag om het onderwijs met een cadeau te verblijden, namelijk: 30% vrijheid.

In het onderwijsveld toont men zich verbaasd en in verwarring.
“30% Vrijheid, wat is dat en hoe ziet het eruit?”

“Gaat het om les- of leerinhoud die wel of niet verplicht aan bod moet komen?”
Leuk zo’n cadeautje waarvan je niet weet wat het is. Is het om op te hangen en naar te kijken; is het om aan te trekken; is het om op te eten? Kan het nog geruild worden?

Eén ding is wel duidelijk. De minister, en het geldt ook voor de meeste mensen die bij het onderwijs betrokken zijn, hebben geen flauw benul van ‘vrijheid’.  Het moge voor hen een schrale troost zijn: de volle betekenis van het begrip vrijheid gaat de meesten van ons boven de pet.

30% Vrijheid, dat is net zoiets als ‘een beetje zwanger’ zijn. Ik heb het, in het gekrakeel van de afgelopen dagen nog niemand horen opmerken.
30% Vrijheid, dat is net zoiets als de kraaltjes en spiegeltjes waarmee naar verluid, in het verleden vreemde volken werden blij gemaakt. Maar er is niemand die dát opmerkt. Het gesprek gaat alleen maar over de spiegeltjes en de kraaltjes.

“Het rekenen en de wiskunde, die moeten er wel in gebeiteld worden.”
“Die 30% vrijheid, die moet wel strikt bewaakt worden opdat de vrijheid niet misbruikt wordt.”
“Als ik in die 70% met mijn klas niet voor elkaar heb wat daar zou moeten gebeuren, gaat dat dan ten koste van die 30%?”
“Die 30% kan mooi gebruikt worden om iets te doen aan de dramatisch dalende leesvaardigheid.”
Het zijn een paar uitspraken die ik in de media opving.

In 1919 schreef Rudolf Steiner (In De kernpunten van het sociale vraagstuk) dat in de samenleving algemeen het beeld leeft dat leerkrachten onpraktisch en wereldvreemd zijn. Wat er ook de afgelopen jaren in of met het onderwijs gebeurd is, dit beeld van de leerkracht is nog niet echt veranderd.
Door de overheid wordt hij behandeld als een onbekwaam mens die van a tot z moet worden voorgeschreven wat hij hoe en wanneer moet doen. Om er zeker van te zijn dat dat ook gebeurt, moet de leerkracht alles wat hij doet vastleggen, zodat anderen hem daarover ter verantwoording kunnen roepen. En wanneer er in het maatschappelijk debat, of in de waan van de dag, een probleem is (bijvoorbeeld: ontlezing, agressie, loverboys, verslaving, vandalisme, obesitas, homohaat, …), dan wordt het probleem ‘afgehandeld’ door te roepen: “Daar moet het onderwijs aandacht aan besteden!”

Leerkrachten en schoolleiders laten het allemaal gebeuren. Af en toe sputteren zij wat, maar morgen gaat het weer op de oude voet verder (en overmorgen is er de burnout). Verdienen zij medelijden? Niet per se. Want waarom laten zij toe dat zij als onpraktisch en wereldvreemd behandeld worden? – Zij willen de kinderen niet de dupe laten worden van hun protest? Leuk is dat, voor die kinderen. Hun leerkrachten blijven bij hen, al zitten zij samen op een glijbaan en bewegen zij zich in een snelle afdaling naar beneden – naar een toestand waarin elk besef van vrijheid, van een autonoom en zelfstandig denken, van verantwoording dragen en nemen voor wat je doet of nalaat, oplost in het grote collectieve niets. – Nee, als leerkracht kun je niet de barricade op, anders missen de kinderen hun dagelijks onderwijs…

Veel mensen vinden dit soort sombere en kritische bespiegelingen niet leuk. Ik ga daarom ook niet door op de rol en verantwoordelijkheid van de ouders in dit verhaal. En ook niet over uw en mijn verantwoordelijkheid. Maar ik kan wel aanduiden: daarvoor heb ik ook geen positieve of opbeurende woorden beschikbaar.
Voor wie toch een lichtpuntje zoekt: het enige dat ik nu even kan bedenken is dat wij serieus en met nieuwe ogen proberen te zien en begrijpen wat vrijheid is – en daar naar te leven. 

.

Meer van John Hogervorst

.

‘SOCIALE DRIEGELEDING’

website

Nummers van tijdschrift Driegonaal

Agenda van activiteiten

.

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Sociale driegeleding: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3434-3232

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (4-9)

.

De ‘sociale driegeleding’ van Rudolf Steiner is vanaf het begin onderwerp van discussie geweest. De mensen die zich sinds de jaren 1919, 1920 en 1921 voor de realisatie ervan hebben ingezet, schreven er boekenplanken over vol. In de praktijk van het maatschappelijk leven echter zijn de ideeën, en daarmee de door Steiner gegeven mogelijkheid tot sociale hervormingen, niet blijvend opgepakt. Guido Walraven ziet nu* opnieuw kansen om vanuit de sociale driegeleding mee te doen aan het maatschappelijke debat.
.

*Guido Walraven, Motief mei 1999
.

In de jaren 1919-1921 zette Rudolf Steiner zich zeer actief in voor het verspreiden van zijn ideeën over ‘driegeleding van het sociale organisme’. Dat had te maken met de kansen die er toen waren om gehoor te vinden voor die politiek-maatschappelijke ideeën: in brede kring werd er na de Eerste Wereldoorlog gediscussieerd over een betere maatschappelijke ordening. Steiner publiceerde er veel over, met name een oproep An das deutsche Volk und an die Kulturwelt (aan het Duitse volk en de cultuurwereld/blz. 129), zijn hoofdwerk over dit thema Die Kernpunkte der sozialen Frage (GA 23  De kernpunten van het sociale vraagstuk) en artikelen in het tijdschrift van de driegeledingsbeweging dat toen bestond. Daarnaast hield hij er talloze lezingen over voor zeer uiteenlopende groepen belangstellenden, zowel binnen als buiten antroposofische kring.

Steiner noemt driegeleding ‘ein soziales Ergebnis der Geisteswissenschaft’ (een sociaal resultaat van de geesteswetenschap). Over de ‘geesteswetenschappelijke’ achtergronden van zijn voorstel voor een maatschappijstructuur heeft hij vooral gesproken in antroposofische kring.

In dit artikel vat ik enkele van die achtergronden samen, vooral omdat er naar mijn idee meer discussie gewenst is over de actualiteit daarvan. Er lijken nu (opnieuw) kansen te bestaan voor een bredere discussie over driegeleding en andere ideeën over sociaal-maatschappelijke vernieuwing. Bijvoorbeeld het debat over een ‘derde weg’ getuigt daarvan. Deelname aan dat maatschappelijke debat kan pas goed worden gerealiseerd, wanneer geesteswetenschappers bereid en in staat zijn om na te denken over de wijze waarop driegeleding anno 1999 in Nederland vorm zou kunnen krijgen.

Ik zie zeker drie taken voor degenen die zich voor driegeleding willen inzetten, en die hebben te maken met denken, voelen en willen. De mogelijkheden van het idee in Nederland anno 1999 moeten worden doordacht, nagegaan moet worden welke maatschappelijke activiteiten er kunnen plaatsvinden en tegelijkertijd zal er veel gecommuniceerd en gedebatteerd moeten worden. Dit artikel is ook een oproep tot een dergelijke discussie.

Achtergronden en vragen

Steiner heeft zich op verschillende momenten beziggehouden met wat in die tijd de sociale kwestie heette. Daarbij probeerde hij inzicht te krijgen in de wetmatigheden van het menselijke samenleven en van de mensheidsont-wikkeling. Hij deed dat door middel van de geesteswetenschap en vanuit de overtuiging, dat kennis van die wetmatigheden deel zou moeten worden van wat hij noemde ‘het sociale willen’ van mensen om het sociale vraagstuk echt op te lossen.

Hij zag geen oplossing voor alle tijden en plaatsen, maar gaf aan dat het sociale vraagstuk steeds opnieuw door de betrokkenen in een bepaalde tijd of op een bepaalde plaats opgelost zou moeten worden. Daarom is het gepast en relevant om tachtig jaar na publicatie van Die Kempunkte na te gaan, hoe wij in onze tijd en in Nederland kunnen handelen vanuit de kennis over maatschappelijke wetmatigheden die Steiner heeft aangereikt. Bijvoorbeeld: Steiner schrijft rond 1920 dat ‘das Wollen der Zeit nach Dreigliederung drangt’ (het willen van de tijd naar driegeleding neigt) – hoe zit dat rond 1999? Is driegeleding nog steeds het beste antwoord op de sociaal-maatschappelijke problemen van nu? Wat is er nu anders dan toen? Wat is er vergelijkbaar gebleven? En wat is er vanuit geesteswetenschappelijke analyse over de actuele problemen te zeggen?

Driegeleding in mens en maatschappij

Voordat naar de huidige maatschappelijke problemen gekeken wordt vanuit driegeleding, is het goed eerst te bekijken hoe Steiner daar in 1919-1921 naar keek. Belangrijk uitgangspunt van zijn analyse is dat het sociale vraagstuk niet alleen een economisch en politiek vraagstuk is, maar bovenal een geestelijk. Het heeft te maken met de cultuur van een tijd en met de visie op de mens, als ook met een geestelijk wezen. Steiner wijst in dat verband op de ideologisering van het geestelijk-culturele leven en op het doorschieten van de emancipatie van het individu in het egoïstisch najagen van eigenbelang (in een strijd om het bestaan). Om dat geestelijke aspect samen met de andere aspecten van het sociale vraagstuk te kunnen onderzoeken, moeten de kenvermogens van de mens worden uitgebreid door het ontwikkelen van imaginatie, inspiratie en intuïtie. Antroposofie is immers ook een scholingsweg. Met behulp van deze drie voor Steiner cruciale kenvermogens kunnen de ontwikkelingstendensen en wetmatigheden worden begrepen. Voor een goed begrip van economische ordening is de kracht van imaginatie nodig, voor het geestelijke gebied inspiratie en voor het rechtsgebied intuïtie. Deze en andere verbanden tussen geestelijke vermogens en verschijnselen enerzijds en de sociale verschijnselen van mens en maatschappij anderzijds, zijn samengevat in schema 1 (door Steiner zelf overigens).

GA 199   Ged.vertaald, maar niet de betreffende voordracht

Om de ideeën over driegeleding te begrijpen, hoeft iemand niet zelf over de genoemde vermogens tot kennis en tot het vormen van voorstellingen te beschikken. De juistheid van driegeleding is volgens Rudolf Steiner door iedereen in eigen waarnemingen en studie te verifiëren. Dat klinkt open en sympathiek, maar voordat mensen aan de studie gaan willen ze graag overtuigd worden van het nut en de noodzaak ervan. Daarom moeten driegeleders ook aan niet-antroposofen kunnen uitleggen waar het bij driegeleding om gaat. Bijvoorbeeld waarom er drie maatschappelijke gebieden worden onderscheiden, en waarom specifiek die drie gebieden. Daarbij stuiten we op een interessant en paradoxaal probleem. Enerzijds is Steiners beantwoording van die vraag de verwijzing naar de driegelede mens, maar anderzijds benadrukt hij keer op keer dat het daarbij slechts om een analogie gaat, om een voorbeeld ter verduidelijking. Op zoek naar de argumentatie van Steiner ga ik iets nader in op die analogie.

Uitgangspunt is de driegelede mens. Deze is in trefwoorden samengevat in schema 2 (opnieuw door Steiner zelf).

GA 202/35    Niet vertaald

Vervolgens maakt Steiner de stap om datgene wat vanuit de geesteswetenschap over de driegelede mens is ontwikkeld, toe te passen op het gebied van het menselijke sociale leven. Met andere woorden, Steiner legt een relatie tussen schema 1 en 2.

Mag ik u als lezer uitnodigen nu even actief mee te denken en een gedachte-experiment te doen? Probeer dan de inhoud van schema 2 over de driegelede mens op een voor u begrijpelijke manier te verbinden met de inhoud van schema 1 over het driegelede sociale organisme. Er zijn geen ‘foute’ antwoorden, het gaat om uw leerervaring.

Als u dat hebt gedaan kunt u verder lezen over enkele verbindingen die Steiner legt.

Laat ik voorop stellen dat Steiner vanuit verschillende invalshoeken in de loop der tijd ook verschillende verbanden heeft gelegd. Dat wil zeggen dat er meerdere ‘goede’ antwoorden zijn. Volgens sommigen is het ook de vraag of de antwoorden niet naar tijd en plaats kunnen of moeten verschillen. Dat alles wijst erop dat we zelf speels en flexibel kunnen onderzoeken welke verbanden in onze situatie van toepassing zijn, gebruikmakend van wat de geesteswetenschap ons aanreikt.

Nu dat gezegd is, kan worden ingegaan op verbanden die Steiner heeft gelegd tussen mens en maatschappij. In een veel gebruikte toelichting begint Steiner bij de driegelede mens, en wel bij de menselijke geest (‘die het uiterlijke leven wil bekijken met voorstellingen, vanuit het hoofd en wakend’: kolom 2 uit schema 2), en verbindt dat alles met het geestesleven van het sociale organisme. Daarna verbindt hij het gevoelsleven van de ziel en het droomleven van de geest (kolom 3 in schema 2) met het rechtsleven van het sociale organisme. Ten slotte geeft hij aan dat het slaapleven (kolom 4 van schema 2) samenhangt met het onbewuste en met associaties van mensen, hetgeen hij verbindt met het economisch leven.

Op die manier ‘stroomt datgene wat in de mens is, verder in het sociale leven’. Wat vanuit de individuele mens in het sociale leven stroomt, dat maakt het sociale leven begrijpelijk, aldus Steiner: sociaal waken – > geestesleven, sociaal dromen – > rechtsleven, en sociaal slapen – > economisch leven (vgl. schema 1).

Heeft u als lezer tijdens het gedachte-experiment dezelfde verbindingen gelegd tussen mens en maatschappij? Zo ja, dan zal voor u de driegelede mens waarschijnlijk inderdaad een driegeleding van het sociale organisme ‘begrijpelijk’ maken. Maar als u (deels) andere verbindingen hebt bedacht, dan is de analogie tussen mens en maatschappij voor u onvoldoende behulpzaam geweest. Het probleem is nu dat deze analogie de belangrijkste handreiking is die Steiner eigenlijk biedt op dit punt. Weliswaar zegt hij in zijn Oproep aan het Duitse Volk en de Cultuurwereld dat zijn ideeën vanuit verschillende wetenschappen ondersteund zouden kunnen worden, maar helaas heeft hij die ondersteuning nergens uitgewerkt. Over het waarom kunnen we alleen speculeren. Omdat hij weinig tijd had en andere prioriteiten stelde? Misschien omdat hij wilde dat anderen dat zouden doen? En/of omdat hij vond dat mensen de aangedragen ideeën tot iets van zichzelf zouden moeten maken, ze moesten omzetten in hun eigen denken? Steiner wilde mensen in beweging brengen, en het lijkt erop dat hij dat soms ook deed door ze enigszins in verwarring te brengen, althans door uiteenlopende antwoorden op eenzelfde vraag te geven. Zo legt hij ook nog andere verbanden tussen driegelede mens en driegelede maatschappij. Een voorbeeld daarvan is de aanduiding van de mens als een ‘omgekeerde plant’: de wortels zetelen in het hoofd, waar rust en wetmatigheid heerst, terwijl de bloemen bloeien bij de ledematen, waar activiteiten plaatsvinden. Die bloei heeft te maken met het maatschappelijke geestelijk-culturele leven, de wortels met het economisch leven, en het rechtsleven bevindt zich zoals steeds tussen deze twee polen in.

De relatie tussen mens en maatschappij mag dan ‘slechts’ een analogie zijn, voor andere argumenten ter ondersteuning van het idee driegeleding en voor het doordenken ervan zijn wij in belangrijke mate op onszelf en elkaar aangewezen. Dat geldt nog sterker bij het bepalen van mogelijke toepassingen van het idee in onze tijd en in ons land. Steiner wilde mensen in beweging brengen, niet alleen met hun denken, maar ook met hun voelen en willen. Uiteindelijk moesten de ideeën over driegeleding tot handelingen van mensen leiden, zoals ook het citaat in het kadertje aangeeft.

1919-1999

Het werkelijk begrijpen en toepassen van de idee driegeleding vergt, zo blijkt ook uit het bovenstaande, actieve inzet. Steiner zei medio 1922 in Wenen bij een terugblik op zijn publicaties over driegeleding, dat hij in het debat uiteindelijk van alle kanten verkeerd was begrepen. De voorbeelden die hij had gegeven als mogelijke concrete uitwerkingen, had men voor de hoofdzaak aangezien, terwijl hij vooral wilde aangeven hoe de mensheid kon komen tot sociaal denken, voelen en willen. Voor hem was de hoofdzaak na te gaan onder welke maatschappelijke verhoudingen de mensen in staat zijn om hun sociale mening en wil tot uitdrukking te brengen. De kloof tussen standen en klassen vormt daarvoor een van de hindernissen, evenals het geloof in de almacht van de eenheidsstaat. Steiner zei op een historisch punt te staan, waarop het sociale leven op zijn fundamenten bekeken moest worden (en niet op zijn oppervlakkige verschijningen). Dat wilde voor hem zeggen: bekeken vanuit de drie takken van het sociale organisme. Die drie geledingen zouden samengehouden moeten worden door ‘een hogere band’ dan de staat zoals die tot dan toe bestond (want die staat zou moeten barsten).

Steiner was zich ervan bewust dat ook de term ‘organisme’ een analogie is, zag de gevaren van het spel van analogieën, maar gebruikte die toch ter verduidelijking. Bijvoorbeeld om aan te geven dat er opwaartse en neerwaartse ontwikkelingen plaatsvinden in het sociale leven, en dat de neerwaartse door het samenwerken van de drie gebieden weer ‘genezen’ kunnen worden. De eenheid van het sociale organisme ontstaat vanuit de mens die de drie geledingen met elkaar verbindt, omdat hij of zij immers aan alle drie deelneemt.

Gelet op de ontwikkelingen in ‘het sociale organisme’ moet het sociale leven steeds veranderen. Wat het juiste is in de jaren twintig van een eeuw, is in de jaren veertig al zo veranderd dat het ondergangskrachten in zich heeft, aldus Steiner. Die zienswijze maakt het des te noodzakelijker om in 1999 na te gaan wat de kern van het sociale vraagstuk nu is en wat er vanuit geesteswetenschappelijke achtergronden over meer concrete oplossingen kan worden gezegd.

Over de richting van die oplossingen was Steiner optimistisch. De drie idealen of impulsen die sinds de Franse Revolutie van 1789 werkzaam zijn, maakten hem duidelijk dat de Europese mensheidsontwikkeling een driegeleding ‘vereisen’ en dat die zal komen ‘auch wenn die Menschen sie bewusst nicht wollen werden’ (ook als mensen die bewust niet zullen willen). Het zou interessant zijn om na te gaan welke mogelijke aanwijzingen er in de laatste tachtig jaar zijn te onderscheiden voor ontwikkelingen in de richting van driegeleding. Daarbij kan ook betrokken worden wat Steiner heeft gezegd over spirituele achtergronden van het sociale vraagstuk (zoals het Michaëltijdperk, de verbinding met Christus en de ‘ernster Hüter der Schwelle’, of 1789 als advent en 1919 als de dertien dagen vanaf Kerstmis tot en met Driekoningen).

Behalve van ontwikkelingen in de tijd moeten we ons bij de idee driegeleding ook rekenschap geven van de geografische plaats. Driegeleding is ontwikkeld voor Midden-Europa. Door bij de idealen Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap uit de achttiende eeuw in West-Europa aan te sluiten, zou Midden-Europa volgens Steiner kunnen zeggen: vrijheid in het geestesleven, gelijkheid in het staatsrechtelijk leven, en broederschap in het economisch leven. De inhoudelijke en idealistische rol van Midden-Europa had Steiner vanaf het begin van zijn driegeledingswerk beziggehouden, want het was in antwoord op verzoeken van Duitstalige politici dat hij aan het einde van de Eerste Wereldoorlog zijn idee van driegeleding ontwikkelde. Midden-Europa zou de spirituele wijsheid van het Oosten kunnen verenigen met de wetenschap van het Westen.

De vraag wat toen onder Midden-Europa werd verstaan is zodoende van belang, want indien Nederland daar toen niet toe gerekend werd, moet worden nagegaan of dat consequenties heeft voor driegelede oplossingen die wij voor Nederland anno 1999 willen bedenken.

Drie taken

Wanneer mensen ervan overtuigd zijn of raken dat driegeleding in onze tijd een perspectiefrijke oplossingsrichting biedt, dan is de vraag hoe zij zich daarvoor kunnen inzetten. Steiner wilde met zijn geesteswetenschappelijke visie op mens en maatschappij immers ook een richting aangeven voor het handelen, voor het ingrijpen in de praktijk, zodat de ontwikkelingswetmatigheden zich zouden kunnen verwerkelijken. Dat kan op uiteenlopende manieren worden vormgegeven. Een van de mogelijkheden daartoe is verwant aan de denkwereld van eind jaren zestig: het vormen van gemeenschappen of groepen waarin de deelnemers hun sociale idealen en impulsen kunnen verwezenlijken, die zich richten op bepaalde sociale terreinen als oefengebied. In de jaren negentig zouden we misschien eerder een eigen bedrijf oprichten op zo’n sociaal terrein, of dienstverlenende arrangementen ontwikkelen. Op al dergelijke manieren kan een weg uit het egoïsme worden gevonden tot vreedzaam samenleven en broederlijk wederzijds hulpbetoon in werken voor elkaar. Dat zijn overigens ook manieren waarop de antroposofische beweging kan bijdragen aan haar doel een broederschap der mensheid te vormen, namelijk door ‘Neugestaltung des gesellschaftlichen Organismus’ (vernieuwing van het maatschappelijk organisme). Tegelijkertijd kan worden gewerkt aan de geesteswetenschappelijke ontwikkeling van de ziel, een scholingsweg om in onszelf die broederschap te ontwikkelen als sociaal gevoel voor de omgeving. Spitta (1985) spreekt in dat verband van een tweevoudige weg van de antroposofie om bij te dragen aan het oplossen van het sociale vraagstuk.

Zie ik het goed, dan heeft de antroposofische beweging in het algemeen (en ook bijvoorbeeld die in Nederland in haar 75-jarig bestaan) de nadruk tot nu toe sterk gelegd op de individuele kant van de tweevoudige weg. Om ook de maatschappelijke kant van die weg meer te ontwikkelen en zo tot meer evenwicht in de aanpak te komen, is activiteit geboden.

Er zijn zeker drie taken of verantwoordelijkheden in dit verband: het doordenken van driegeleding als idee, het bepalen van de toepassingen van de idee in onze tijd en in ons land, en ten slotte het open communiceren over driegeleding met buitenstaanders of niet-antroposofen op manieren die voor hen ook helder en van betekenis zijn. De eerste twee activiteiten vergen ‘geesteswetenschappelijke’ studie, de tweede ook de nodige historisch-politieke kennis en vaardigheden. Voor de derde activiteit zijn weer heel andere vaardigheden en houdingen noodzakelijk, gericht op communicatie in eigentijds en doelgroep-specifiek taalgebruik. Het is niet waarschijnlijk dat al die kwaliteiten voorkomen bij dezelfde (groep) mensen, het zal eerder zo zijn dat bij verschillende taken deels een beroep moet worden gedaan op steeds andere mensen.

Hoewel de drie taken een zekere volgorde hebben, hoeft bijvoorbeeld niet met interne en openbare discussies te worden gewacht tot de eerste taken zijn uitgevoerd. Ten eerste omdat je in interactie veel sneller en dieper leert, ook van je fouten. En ten tweede omdat je voor deelname aan publieke discussies voornamelijk afhankelijk bent van de kansen die zich daarvoor voordoen, en het zou onverstandig zijn om mogelijkheden voorbij te laten gaan omdat de interne gedachtevorming nog niet helemaal is afgerond. Momenteel doen zich in Nederland zeker op drie gebieden kansen voor om driegeleding in te brengen. Daarbij gaat het om een zoeken naar een menswaardiger samenleving, een begrip waar ook Steiner regelmatig naar verwijst als het gaat om driegeleding.

Een eerste kans bieden de politieke debatten over een mogelijke ‘derde weg’ naast het ongebreidelde kapitalisme van de vrije markt en het failliete communisme. Men is op zoek naar een werkbare en adequate combinatie van verschillende idealen en politieke stromingen, en misschien dat het geven van een functionele plaats aan vrijheid, gelijkheid en broederschap daarbij als optie in overweging gegeven kan worden.

Een tweede kans biedt de nog steeds groeiende belangstelling voor vrijescholen en andere werkgebieden van de antroposofie. Wanneer daar de ‘geesteswetenschap’ serieus wordt genomen, dan zal ook naar de sociaal-maatschappelijke consequenties ervan gekeken moeten worden en zal men ook voor de idee van driegeleding moeten opkomen.

En een derde kans is de doorgroeiende belangstelling voor de geestelijke/spiri-tuele wereld, bijvoorbeeld in wat samenvattend de New-Agebeweging wordt genoemd. Daarbij staat de persoonlijke innerlijke groei meestal voorop, maar vanuit de geesteswetenschap zou op de sociale en maatschappelijke consequenties gewezen kunnen worden.

Volgens Steiner is driegeleding ‘ein soziales Ergebnis der Geisteswissenschaft’ en kan je tegenover geesteswetenschap niet de houding aannemen dat het iets is wat naast andere dingen kan staan, je moet er besluiten over nemen. Geesteswetenschap is fundamenteel, vereist kracht en energiek aanpakken. Driegeleding gaat ook over de sociale consequenties van de geesteswetenschap en antroposofen zouden zich daarom met moed en kracht voor driegeleding moeten inzetten, aldus Steiner. In dit artikel is ingegaan op de geesteswetenschappelijke achtergronden van driegeleding en zijn vragen geformuleerd over het verkrijgen van zicht op de bruikbaarheid van dat idee voor de situatie in Nederland anno 1999.

Ik heb ook bepleit om de discussies over driegeleding niet alleen in de eigen groep te houden, maar om ook deel te nemen aan het publieke debat. Wat dat eerste betreft sta ik persoonlijk uiteraard open voor reacties, en kan er onder meer in Motief een debat plaatsvinden. Wanneer driegeleders deelnemen aan het publieke debat, dan speelt daarbij het probleem van het vinden van een ‘zeitgemässer Sprache’ (eigentijdse taal), een taal die ook door de groepen waarop de boodschap wordt gericht helder wordt begrepen. Als het echter lukt om over dit thema te communiceren met niet-antroposofen op een manier die enerzijds recht doet aan de antroposofie en anderzijds aan een open dialoog, dan kan die ervaring ook voor discussies over andere thema’s worden gebruikt en is er bijzonder veel gewonnen.

.

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

.

3428-3226

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding

.

In onderstaand artikel uit 1992 wordt al volop gesproken over ‘een landbouwcrisis’.
De afgelopen 30 jaar is die alleen maar groter geworden en zichtbaarder.

Inmiddels is overduidelijk dat er een samenhang bestaat tussen ‘landbouw’, ‘stikstof’, ‘verdwijnen van biodiversiteit’ enz.

Wat vertellen we onze leerlingen in de bovenbouw over de wereld waarin ze straks als volwassenen komen  te leven.
Kunnen we hun een visie meegeven om de problemen te kunnen overwinnen.

Dan moeten we zelf wel op de hoogte zijn van een andere visie.
Die staat in onderstaand artikel.

Als inleiding op het artikel:

wie thuis is in wat sociale driegeleding is, heeft een instrument in handen om actuele vraagstukken grondig te doorzien en inzichten te ontwikkelen die naar wezenlijke oplossingen kunnen leiden;
– wie actuele vraagstukken werkelijk wil aanpakken moet voorbij de waan van de dag op zoek naar het onderliggend fundament.
Het huidige ‘stikstofprobleem’ illustreert dat.
Wat is hier eigenlijk het probleem? Dat de overheid in strijd met haar eigen wetten en regels handelt? Dat boeren zich in een onmogelijke situatie geplaatst weten? Dat de landbouw in Nederland tot een ware industrie is uitgegroeid die een regelrechte aantasting van de aarde met zich meebrengt? Dat een groot deel van de boeren aan het krediet-infuus van de bank ligt? Dat de consument weigert om voor zijn voeding een billijke prijs te betalen?

Hieronder een (deel van een) artikel van oud-redacteur Mouringh Boeke. Het verscheen in het voorjaar van 1992 en bevat een aantal gedachten die meer dan krasjes in het stof aan de oppervlakte zijn.
Driegonaal, okt. 2019

“Hoe kunnen we de landbouw bevrijden uit de wurggreep van de economie?”

Het economisch leven nader beschouwd

Het huidige economische leven berust op concurrentie en op zogenaamde winstmaximalisatie en wordt door degenen die erin staan beschreven als een slagveld. Bij de industriële productie geldt dat de kapitaalgoederen – de productiemiddelen – een zeer begrensde levensduur hebben: in betrekkelijk korte tijd zijn investeringen technisch achterhaald en moeten de productiemiddelen door nieuwe vervangen worden. Een productiemiddel wordt dus kort intensief gebruikt en dan: weg ermee! Ze zijn tenslotte ook door mensen gemaakt en vervangbaar. Waar de landbouw van het economisch leven slechts een zeer klein deel uitmaakt en niet vanuit een andere denkwijze wordt beoefend, is het onvermijdelijk dat de landbouw steeds meer industrie wordt en de aarde, het productiemiddel dat reeds eeuwenoud is en nog eeuwen mee moet,  wordt uitgebuit. Roofbouw is thans systeem. Zo zeer zelfs dat steeds duidelijker wordt dat de aarde als zodanig gevaar loopt verwoest te worden en dat ingrijpen noodzakelijk is. Dat kan alleen vanuit zuivere begrippen. De begrippen landbouw en alternatieve landbouw zijn dat niet. Wat thans landbouw heet zou consequent “pseudo-landbouw” of “industriële roofbouw ter verkrijging van pseudo-voedsel” genoemd moeten worden; wat thans alternatieve landbouw genoemd wordt zal ik eenvoudig landbouw noemen. Daarmee begint namelijk pas (weer) wat werkelijke landbouw is. De eerste vraag is dan: hoe roepen wij een situatie in het leven die de boer in staat stelt landbouwer te worden; dat wil zeggen dat hij landbouw kan beoefenen zonder enige druk vanuit de economie. Met als uitsluitende maatstaf wat de aarde aan bewerking vraagt. De tweede vraag is dan hoe wij ons de handel in landbouwproducten kunnen voorstellen binnen de huidige economie? Het is per slot duidelijk dat alle landbouwproducten geconsumeerd moeten kunnen worden wanneer er ook maar ergens een vraag naar is.

Landbouwers

Bij boeren hoort een erf en grond waarvoor de boer verantwoordelijk is en waarover hij zeggenschap heeft. Die zeggenschap mag niet berusten op het klassieke particuliere eigendomsrecht. Integendeel: de (bloot)eigendom van grond – van alle landbouwgrond – zou geneutraliseerd moeten worden; dat wil zeggen dat grond niet verkocht of bezwaard kan worden en in “eigendom” is bij een instelling die er zelf niet mee kan/mag werken, die er uitsluitend op kan toezien en waarborgt dat de juiste procedures gevolgd worden bij het toekennen van grond aan boeren. Men kan zich een of meer stichtingen voorstellen die in de statuten opgenomen hebben dat de grond plus erf en boerderij aan boeren ter beschikking wordt gesteld (vrij van pacht) waarbij de grond ogenblikkelijk terug genomen wordt wanneer kunstmest of bestrijdingsmiddelen gebruikt worden, niet in de eigen mestbehoefte voorzien wordt of monoculturen ontstaan. Houdt iemand zich daar niet aan dan wordt het vertrouwen opgezegd. Hoe komt de boer aan zeggenschap op grond van vertrouwen? Het mogen beslist niet de beheerders van de grond zijn (de stichtingsbesturen of de ambtelijke instellingen), die bepalen wie als boer een stuk land toegewezen krijgt. Een onafhankelijk orgaan (of meerdere regionale onafhankelijke organen), bestaande uit boeren die allen om hun vakkennis geacht worden, dient daarover te beslissen. Een dergelijk orgaan van vrije boeren kan op persoonlijke titel met gezag oordelen over de capaciteiten van de gegadigden en kan beslissingen nemen. Bij gebleken onvermogen of gebrek aan inzet kan datzelfde orgaan ook besluiten iemand “zijn” grond en erf weer te ontzeggen. Is het dan niet terecht zowel ten opzichte van de aarde zelf als ten aanzien van de mensengemeenschap dat grond alleen aan diegenen toevertrouwd wordt die zich daartoe waardig tonen? Bij dit alles kan men zich goed voorstellen dat een boer die ermee wil ophouden zelf zijn opvolgers aanwijst; hij is immers zelf ook ter zake kundig en zal “zijn” bedrijf een goed hart toedragen en graag in goede handen zien. In een dergelijk geval zal hij ook een eigen zoon of dochter kunnen aanwijzen; bij de genoemde door de stichting of staat gestelde voorwaarden en bij de competentie van het genoemde beroepsorgaan en onder de nog te beschrijven andere voorwaarden zullen daardoor geen misbruik of wantoestanden ontstaan.
Tot zover hebben we wel de grond veilig gesteld maar nog geenszins de boer verlost uit de klauwen van de economie; in tegendeel: wanneer wij alleen deze maatregelen zouden nemen zouden de producten wellicht niet kunnen concurreren met die uit de pseudolandbouw elders.

De handel

De volgende radicale stap is nu te bepalen – in het gebruikerscontract met de grondbeheerstichting – dat de producten van het bedrijf geen eigendom van de individuele boer zijn maar van een speciaal daartoe op te richten handelsorganisatie die zich verplicht alle producten op afroep op te halen (het is overigens zaak vervoer en handel afzonderlijk te laten opereren) en die ze vervolgens onder vermelding van de herkomst in de handel brengt, dat wil zeggen zo duur mogelijk verkoopt. In het “zo duur mogelijk” zit de concurrentie met andere prijzen. Landbouwproducten zijn derhalve, omdat ze geen inkoopsprijs kennen, altijd concurrerend. (Zowel met pseudolandbouwproducten als met landbouwproducten van elders die “gedumpt” worden. Hier liggen nog vragen en wel omdat de handelaar geen inkoopsprijs heeft moeten betalen en daardoor alleen zijn eigen onkosten en inkomen – terug – te verdienen heeft.) En worden derhalve altijd geconsumeerd! Wanneer nu die handelsorganisatie zo opgezet wordt dat de handeldrijvenden en vervoerders een inkomensbegrenzing kennen (zij stellen van tevoren hun inkomen vast en strijken niet automatisch de winst op – in overleg met de boerenorganisaties) zal allicht een overschot ontstaan en dat overschot is nodig omdat de boeren nog geen inkomen hebben en nog geen (on)kostenvergoeding (voor investeringen, machines, preparaten, etc.) hebben genoten. Het zou bovendien niet terecht zijn de handel het volle voordeel te gunnen van een inkoopprijs van nihil.

Terug naar de landbouwers

De landbouwers zorgen voor een orgaan dat met de handel de inkomensbegrenzing en andere voorwaarden afspreekt. En dat de “overschotten” opvangt. Uit die overschotten moet in ieder geval een deel van het inkomen en de bedrijfskosten van de boer komen. Het is duidelijk dat de gemeenschap niet tolereert dat niet iedere boer een goed inkomen – een inkomen dat past bij dit uiterst verantwoordelijke en intensieve beroep – heeft.

De gemeenschap

Indien – en dat zal in de huidige toestand zeker het geval zijn – de overschotten te weinig opleveren, past de gemeenschap bij uit algemene middelen. Wat erop toegelegd zal moeten worden zal in ieder geval niet meer dan een fractie zijn van wat ons aan kosten te wachten staat als de huidige systematische vergiftiging en verwoesting van de aarde doorgaat. Sterker nog: onderwijs en volksgezondheid zullen al op korte termijn vergeleken met de huidige situatie dusdanige besparingen boeken dat de inkomensverschaffing aan de landbouwers uit algemene middelen zijn gewicht in goud waard zal blijken. (Op kleinere schaal kunnen het consumentengemeenschappen zijn die langs de weg van de fiscale aftrekbare giften ditzelfde kunnen bewerken.) Het is om dezelfde reden onjuist te stellen dat wie een landbouwproduct verkiest boven een pseudolandbouwproduct daarvoor dan maar meer betalen moet. Het pseudolandbouwproduct is namelijk “goedkoper” omdat kosten op de gemeenschap afgewenteld worden.

Wat zo bewerkt wordt

Door de voorgestelde opzet is een definitieve scheiding tussen landbouw en handel bewerkstelligd enerzijds en anderzijds gegarandeerd dat de grond als productiemiddel een totaal andere behandeling krijgt dan de door mensen gemaakte productiemiddelen. De boer kan zich bij zijn beroepsuitoefening volledig richten op de aarde en daarbij weten dat zijn producten hun afzet zullen vinden. Hij zal in zekere zin afstand moeten doen van het ondernemerschap – zou men hem dit ondernemerschap in concurrerende zin willen laten, dan zou daarmee de dwang vanuit de economie in stand blijven en daarmee het motief om oneigenlijk te handelen.

.

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeleding: alle artikelen

Driegonaal
.

Help mee grond vrij te maken. Draag bij aan herstel van landschap en biodiversiteit                         Land van ons  

.

3417-3215

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-10)

.

In de jaren eind vorige eeuw was er binnen de vrijeschoolbeweging een streven om zoveel mogelijk (bestuurlijk) te werken vanuit de gedachte van de sociale driegeleding.
Dat lijkt in het eerste kwart van deze eeuw flink verwaterd.

Als archiefstuk, en wellicht weer als toekomstige kiem, hier een aantal gezichtspunten, zoals daar destijds naar werd gezocht.

.

organisatorische situatie
.

In een bestaande school liggen zaken veelal vast. Het principe van het zelfbestuur door de leraren is daar gemeengoed.

Daar zijn in het algemeen drie organisatorische niveaus te onderscheiden:

-leraren.

-mandatarissen.

-beleidsgroep of “intern deel” van het lerarencollege.

De leraren zijn verantwoordelijk voor de klassen.

De mandatarissen zijn bovendien nog verantwoordelijk voor onderdelen van de schoolorganisatie. Er zijn er slechts enkele in de school. Het vraagstuk van de mandaten is nog niet in voldoende mate verwerkt en speelt in dit stadium nog geen concrete=feitelijke rol.

De beleidsvergadering of het interne deel van het lerarencollege

De leraren die als een dragende groep in de school willen staan, zijn verantwoordelijk voor de totale school. Aan de deelname en taakstelling hiervan worden in zekere zin hogere eisen gesteld dan aan het functioneren in andere schoolorganen. Slecht diegenen die zich niet alleen kunnen, maar ook willen inzetten voor de totale existentie van de school, maken hiervan deel uit. Zo ergens, dan is hier het hart van de school aanwezig.

De beleidsgroep of intern deel kennen we nog in het geheel niet. Wel zijn de onderwerpen die aan de orde komen in de bestuursvergaderingen de onderwerpen die aan de orde zouden zijn, wanneer er een intern deel zou functioneren.

Duidelijk is dat alle organisatorische niveaus in de bestaande grotere scholen door leerkrachten worden gevuld.

Tot zover de beschouwing over de schoolorganisatie op zich.

Los hiervan speelt het vraagstuk van de sociale organisatie.
Dus welk orgaan is er dat de verschillende groepen de gelegenheid biedt zich in de omgang met elkaar te verstaan.

In dit kader moet ook de medezeggenschap worden beleefd.
De medezeggenschap is een probleem dat in alle scholen nieuw is, in die zin dat er niet bewust organen voor zijn gevormd met als uitgangspunt de medezeggenschap. Veeleer is de bevordering van het gemeenschaps(be)leven het uitgangspunt geweest voor de vorming van bepaalde organen.

Een visie vanuit het mensbeeld van de antroposofie is in deze zaak in ontwikkeling. Dat is het proces waar wij als school ook volop in zitten.

Voorstel zoveel mogelijk op basis van hetgeen tot nog toe bewust is geworden:

-In principe ligt de besluitvorming bij de leerkrachten.

Of deze nu in de leerkrachtenvergadering pedagogische zaken bespreken of persoonlijk een mandaat uitoefenen of dat dit gebeurt in de beleidsvergadering of intern deel.

Het pedagogische is niet in discussie.

-De leerkrachten vormen een intern deel/kerngroep waarin inhoudelijk zaken aan de orde komen. De voortgang wordt bewaakt.
Ook praktische zaken komen aan de orde.
Dit is vergelijkbaar met de huidige bestuursvergadering.
De samenstelling hiervan zal moeten veranderen.
Steeds zullen meer leerkrachten die de school in zijn totaliteit willen dragen hiervan deel gaan uitmaken.
Deze vergadering heeft in principe een oordeelsvormend karakter. Beeldvorming is voor oordeelsvorming onmisbaar.

De leerkrachten verstrekken voor bepaalde taken mandaten aan individuen of groepen.
Wanneer een mandaat wordt verstrekt zullen leraren geen besluitvorming meer kunnen plegen m.b.t. die taken.

Beeldvorming en oordeelsvorming hebben hier een grote waarde.
Daar waar beeldvorming aan de orde is zal in zoveel mogelijk gevallen de beeldvormende vergadering ingeschakeld worden. Nu dus nog ‘algemene vergadering’ genoemd. Hierin kan ook aan evaluatie van besluitvormingsprocessen worden gedaan.

.

Sociale driegeledingsamenwerking

Sociale driegeleding: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3408-3206

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-9)

.
In de jaren eind vorige eeuw was er binnen de vrijeschoolbeweging een streven om zoveel mogelijk (bestuurlijk) te werken vanuit de gedachte van de sociale driegeleding.
Dat lijkt in het eerste kwart van deze eeuw flink verwaterd.

Als archiefstuk, en wellicht weer als toekomstige kiem, hier een aantal gezichtspunten.
Die zijn ook vandaag nog actueel: wat stralen we uit naar on ze leerlingen, hoe gaan we met elkaar om? Enz.
.

Verslag van de tweede studiebijeenkomst “Vrije School en sociale driegeleding”, d.d. 29 maart 1983 op de Reehorst te Driebergen.
.

Vrij geestesleven als scholingsweg voor de sociale omgang in de school.

Inleider: Jack Moens

Aan het begin van de avond stelde JM de vraag wat er gedaan was met de ervaringen van de vorige bijeenkomst, in de concrete situatie op school. De meeste aanwezigen hadden de avond ervaren als stimulerend, krachtgevend en inspirerend; het toen gezegde was voor iedereen herkenbaar en toepasbaar in de eigen situatie. Over het algemeen werden de ervaringen, zowel schriftelijk (via mededelingenbladen) als mondeling doorgegeven aan ouders, colleges en besturen. Veel concrete initiatieven waren er echter nog niet uit voortgekomen.

Aanhakend aan de opmerkingen over de heersende onzekerheid bij de drie geledingen binnen de school, over eigen doel, status, verantwoordelijkheden en onderlinge werkwijze, merkte JM op, dat we in een ik-gerichte tijd leven. Men is daarbij zeer sterk op zichzelf betrokken, zoekende naar de werkelijkheid, de werkelijke waarde van dat “ik”. In die onzekerheid over het eigene ligt de oorzaak van veel storingen in het omgangsleven. Maar in diezelfde onzekerheid ligt ook de bron, de aanzet tot nieuwe ontwikkelingen. Want het is onze opdracht om onszelf te vinden, te zoeken naar onze wezenlijke kern, de geestelijke mens. Onder de druk der omstandigheden (economische recessie, staatsbemoeienis etc) worden we echter steeds meer gebonden aan aardse materialistische krachten en steeds weer afgehouden van een opstijging naar de geestelijke wereld. Willen we krachten ontwikkelen, die ons in staat stellen uit onszelf te komen, die ons in staat stellen de juiste sociale inrichtingen te scheppen, dan moeten we teruggaan naar de bron, waaruit ons die krachten toestromen, het geestesleven.
Ook Steiners beginpunt om te komen tot maatschappelijke hervormingen was.- (en is) het vrijmaken van het geestesleven uit de omklemming van economie en staat (zie  GA 23     De kernpunten van het sociale vraagstuk

Geestesleven

Wat is dat nu: geestesleven? We zijn vanavond bijeen in een gezamenlijke zorg voor de Vrije School. In die zorg ontmoeten we elkaar. Willen we echter verder komen, dan moeten we ons ervan bewust zijn dat we ons niet ten bate van onszelf, maar voor de ander moeten ontwikkelen. Wij moeten leren in onszelf ruimte te laten ontstaan opdat we de ander innerlijk kunnen ontvangen, die ander wezenlijk, als geestelijke realiteit, kunnen ontmoeten.

We moeten leren de ander te zien in zijn geestelijke kern, daarbij onze eigen gevoelens, begeertes, sympathieën en antipathieën terughoudend. Deze oefenweg brengt ons geleidelijk tot het erkennen van de geestelijke wereld als realiteit. Het gaat er daarbij niet om antroposofische literatuur van buiten te leren, want dan begrijp je nog niets van de geestelijke wereld. Verdiep je daarom eerst in de mens tegenover je, in diens karakteristieken, zijn biografie, en leer zijn wezenskern kennen. We zijn echter nog zo sterk met onszelf, onze groep, onze school bezig, dat we te weinig open staan voor de ander en geen wezenlijke interesse hebben. Volgen we echter de oefenweg, dan worden we wakker aan die ander, want we zien het geestelijke altijd eerst bij de ander, en dan pas bij onszelf.

Wij herkennen dan ook wat ons bindt, onze gemeenschappelijke idealen, onze oergedachten, de wezenlijke ideeën die ons drijven, die ons de vraag voorleggen: waarom zijn we hier, wat doen we hier, waarom ben jij leerkracht, ouder etc? Dan zien we de mens werkelijk als geestdrager, dan ervaren we de geestelijke wereld, (zie ook GA 257/104   De antroposofische beweging, voordracht VI).

Wij leven in het ik-tijdperk, dat is al vaker geconstateerd. Dat “ik” is kwetsbaar en uit onzekerheid overschreeuwt het zichzelf: ik heb niks te maken met een ander,.. dat is mijn goed recht, wie doet me wat, etc. etc.

Dat begrip van wat vrijheid is, was niet datgene wat Rudolf Steiner met Vrij Geestesleven bedoelde. Het was niet de vrijheid maar te doen wat je wilt; integendeel, het is de vrijheid dat te doen wat in je diepste wil ligt, niet voor jezelf, maar voor de ander. Die onbaatzuchtigheid moeten we in onszelf wekken. En met die onbaatzuchtigheid moeten we dan onze scholen zó inrichten dat we onze oergedachten kunnen verwezenlijken tussen de mensen, zodat de jonge mens tot werkelijk mens kan uitgroeien, uitgroeien tot een mens die zich zelf bewust is geworden, een wezenlijk “ik” heeft. Dat “ik” is dan geen illusie, geen product van de omgeving, het is een kracht, een directe ervaring van het Vrije Geestesleven.

Het zal duidelijk zijn dat in een vrij geestesleven zich allerlei verschillende “ik-ken” manifesteren. Leidt dat nu niet tot versplintering? Tot desintegratie?

Om deze vragen te beantwoorden moeten – we wederom – teruggaan tot de voorgeboortelijke, geestelijke wereld. Vanuit die spirituele wereld komen impulsen op aarde, incarneren de mensen. Op een ogenschijnlijk willekeurig moment komen een aantal mensen bijeen en willen iets: ze nemen het initiatief tot het stichten van een school.
In de eerste fase van zo’n geestelijke impuls komt tot uiting dat het initiatief gedragen wordt door een aantal individuen, “ik-ken”, die verbonden zijn in een groot enthousiasme, een grote werkkracht, een persoonlijke lotsverbondenheid.

In de daarop volgende fase merkt men dat die geestelijke impuls dan ook werkelijk op aarde gekomen is, en onderworpen raakt aan aardse beperkingen. Men moet onderkennnen dat de mens steeds meer gekluisterd is aan de aarde, aan de materie, en dat de opening naar boven, naar het geestelijke zich sluit. Op dat moment openbaren zich binnen de scholen de grootste problemen. Er ontstaan organen (colleges, ouderraden etc.) die als het ware los staan van het ‘lichaam’ van de school. Ieder orgaan meent dan dat het belangrijker is dan een ander. Die versplintering is alom te zien. Zoals ook in een menselijk lichaam het ene orgaan niet boven het andere staat (dan word je ziek), zo ook geldt dat voor de Vrije School: ook die kan ziek worden. Dit ziekteproces kan in twee richtingen uitgroeien:

1. Naar een creatieve chaos, waarin angst om zich vast te leggen, uit te spreken, afspraken te maken, hoogtij viert.

2. Naar een over-georganiseerd geheel, een super-structuur, die door een overmaat aan bureaucratie zichzelf verstikt.

Daartussenin ligt de derde weg: een levend organisme, dat de ontwikkelingen van het kind ten goede komt; een orgaan heeft daarbinnen alleen een functie in het geheel van het lichaam. 

In deze tweede fase moeten we dus trachten een levende schoolorganisatie op te bouwen, waarin het zgn. functie-organisme geen kans krijgt.

In de derde fase moet de school, eenmaal volgroeid, zich bewust worden van haar culturele opgave, en maatschappij-vernieuwend naar buiten treden. De school moet daartoe aan de wereld laten zien een levende impuls op spiritueel gebied te zijn.

Dit gebeurt nu nog te weinig; voor de toekomst echter is dit van groot belang. Concluderend kunnen we zeggen dat ook de school een levensweg doormaakt: een initiatief komt op aarde en zaait zich uit onder de mensen; nieuw leven ontstaat voor weer nieuw zaad in de toekomst. Juist in deze tijd is dat nieuwe leven zichtbaar in de Christus-figuur: Christus als ware mens, die zich voortdurend openbaart tussen mensen die elkaar wezenlijk ontmoeten.

Na de pauze
waarin in kleine groepen werd gediscussieerd over de consequenties van het hierboven gestelde in de eigen concrete schoolsituatie, kwamen direct een aantal vragen en opmerkingen naar voren die door JM en passant werden behandeld.

Over de werkelijkheid van het geestesleven

Het geestesleven moet absoluut merkbaar, voelbaar zijn. Alleen een zoeken, een streven ernaar kan niet voldoende zijn. De spirituele ‘substantie’ moet aanwezig zijn, anders kan het niet stimulerend werken, pakkend zijn voor jonge leerkrachten en jonge ouders, onervaren bestuursleden.

De enige overlevingskans voor de VS is het opbouwen en in standhouden van die innerlijke kracht. Dat geestesleven moet dus concreet zijn, sterker nog, je kan je afvragen wat dat wezen wil, welke richting het wil gaan. Dat proces kun je beschrijven in een beeld, bv. in een biografie van de school. Dat is dan ook helemaal niet abstract, dat beeld leeft vanuit de offerkracht van de mensen die de school dragen: daar wordt de geestelijke wereld tot realiteit.

Over de ‘ik-cultuur’ en de persoonlijke tegenstellingen

Wij moeten af van de illusie dat het op een VS altijd harmonieus zou moeten toegaan.
In onze tijd geldt dat harmonie-model niet meer. De individualiteit van de mens is nu eenmaal geboren, oude normen en waarden vallen daarmee weg. Tegelijkertijd ontstaan echter nieuwe gemeenschappen op grond van wat mensen gemeenschappelijk willen. We zijn natuurlijk wel verschillend, uniek, eigen persoonlijkheden, maar we zijn ook direct afhankelijk van elkaar. Niets kan er gebeuren zonder de ander, en je kunt alleen verder komen als je je spiegelt aan de wil van de ander, daarna ruimte maakt om de individualiteit van de ander zichtbaar te maken in jezelf. Op deze wijze kunnen individuen toch samen iets nieuws maken. Men moet dus a.h.w. die verschillen productief maken, vruchtbaar maken t.o.v. het geheel.

We moeten ervoor oppassen echter niet te zeer aardse krachten (scheidende krachten) te laten overwinnen: dat leidt tot verharding, eigenliefde, specialisatie en eenzijdigheid. Daarom ook moeten we de zin van het anders-zijn leren begrijpen, zodat we met al die verschillende krachten iets kunnen opbouwen. Dit nu kan alleen als er ondanks verschillen een werkelijk onderling vertrouwen heerst. Want dan pas kunnen we in een structuur werken die we uit eigen vrije wil scheppen, en die toch hiërarchisch is. Dit kan ook, nl. in een mandaat-organisatie, als tussenweg tussen de verlammende beperkingen van aristocratie en democratie. Ontbreekt dat vertrouwen dan is het dodelijk, dan is er geen basis voor een gemeenschap die een school draagt. Ook in dat vertrouwen moeten wij ons oefenen, leren onbaatzuchtig te zijn. We moeten leren verantwoordelijkheden te delegeren, verantwoordelijkheden op ons te nemen, en ieder de gelegenheden te geven fouten te maken.

Over besluitvorming en menselijke omgang

Het zal van steeds groter belang zijn tot een zuivere besluitvorming te komen. We zullen tot een goede wederzijdse informatie-verzorging moeten komen, vooral moeten leren goed te luisteren, en af te tasten of een besluit wel door alle geledingen van de school gedragen wordt. In een besluit moet datgene gezaaid worden, wat in alle geledingen kan ontkiemen tot heilzame impulsen voor de toekomst. Besluiten moeten zó genomen worden dat de gehele gemeenschap ze kan dragen, ook al zijn individuen het er niet mee eens.

Het omgangsleven, dat uitgaat van de realiteit van het vrije geestesleven, overbrugt de spanningen tussen het individuele ‘ik’ en het geheel (school of maatschappij).

In de gelijkwaardigheid van de ontmoeting van mens met mens manifesteert zich het geestesleven dat als bron van kracht en inspiratie onuitputtelijk is.

Verslag: Rob Zijlma

.

Sociale driegeledingsamenwerking

Sociale driegeleding: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3404-3202

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-8)

.

Omdat het om nieuwe vormen van samenwerking ging, ontwikkelde het NEDERLANDS PEDAGOGISCH INSTITUUT allerlei gezichtspunten.

Dat deed ze vooral voor het bedrijfsleven, maar ook (vrije)scholen kunnen er allerlei vruchtbare ideeën uithalen om de samenwerking zo ‘sociaal mogelijk’ te laten verlopen.

.
Kenmerk 1387.733
HS/LG
.

VAARDIGHEID IN SAMENWERKEN

.

Samen-werken

In elk bedrijf en in elke maatschappelijke instelling doet zich de noodzaak tot samenwerking voor. In een klein bedrijf, waar iedereen zich nog direct bij de onderneming betrokken voelt, spreekt dit voor de medewerkers nog vanzelf. Naarmate de organisatie groter wordt en de werkzaamheden van de medewerkers onderling meer verschillen gaan vertonen, wordt de behoefte duidelijker gevoeld om tot een meer bewuste samenwerking te komen.

Van samen-werken is sprake, waar een aantal mensen met verschillende inbreng (kennis, kunde) en verschillende taken aan eenzelfde doel werken. Deze taken moeten zo samengevoegd worden, dat een gemeenschappelijk resultaat het gevolg is.

Meer van buiten gezien geschiedt deze samenvoeging door “organisatie”, d.w.z. afgrenzing en onderlinge afstemming van taken, meer van binnen gezien door samenwerking, d.w.z. hetgeen de medewerkers van zich uit moeten doen om het vereiste samenspel in wisselende omstandigheden tot stand te brengen.

Organisatie en samenwerking zijn dus het noodzakelijke complement van de arbeids(ver)deling (splitsing van taken en specialisatie ).

Kunnen samen-werken

Het werken in een organisatie vraagt van elke medewerker:

– bereidheid tot samenwerken
– kunnen samenwerken

Wat houdt dit kunnen eigenlijk in en is het leerbaar?

Om de aard van dit kunnen beter te begrijpen willen wij drie soorten vaardigheden onderscheiden en met elkaar vergelijken. Er is een belangrijk verschil tussen:

– het werken met dingen
– het werken met mensen
– het werken met ideeën.

De daartoe benodigde vaardigheden duiden wij als volgt aan:

– technische vaardigheden
– sociale vaardigheden
– conceptuele vaardigheden.

Technische vaardigheden

Wanneer ik een werk in de wereld van de materie tot stand wil brengen hangt het resultaat af van mijn eigen kundigheid en inspanning.

Immers het materiaal, de middelen en de fysieke omgeving willen niets en doen niets uit zichzelf. Ze wachten om zo te zeggen af, hoe ik hen zal gaan gebruiken. Mijn verhouding tot de dingen is dan een “instrumentele”, ze worden als middelen gezien, om een door mensen gesteld doel te bereiken.
De doelmatigheid van het werk en de waarde van het resultaat hangen af van een reeks van “kundigheden”, die we als technische vaardigheden aanduiden. Het woord “technisch” is hier in de wijdere betekenis gebruikt, ook bv. de boekhouder, de huisvrouw of de kunstenaar heeft technische vaardigheden nodig om het werk te kunnen doen.
Dit houdt in, dat ik over enig “technisch inzicht” moet beschikken, d.w.z. de mogelijkheden en begrenzingen van materialen, gereedschappen, natuurwetten enz. ken, zodat ik weet waarom en hoe ze te gebruiken zijn. Een algemene (theoretische) kennis is echter niet voldoende, de genoemde eigenschappen en mogelijkheden moeten ook in de praktische situatie waargenomen en herkend worden om tot een juiste aanpak te komen. Voorts is nodig een ontwerp en een plan (volgorde van bewerkingen bv,.); dat vereist voorstellingsvermogen en fantasie. Tenslotte moet ik over bepaalde praktische vaardigheden (zoals handigheid) beschikken om het werk goed, eventueel in een zeker tempo, uit te voeren.

Sociale vaardigheden 

Zodra echter een werk tezamen met andere mensen tot stand moet worden gebracht – zodat verschillende, maar met elkaar samenhangende verrichtingen tot één resultaat leiden – wordt nog op een ander vermogen een beroep gedaan.
De andere mensen zijn geen passieve gegevens, maar denken, menen, waarderen, voelen en willen zelf. Om te kunnen samenwerken moeten gemeenschappelijke doelen worden vastgesteld, informatie uitgewisseld en meningen en wensen op elkaar afgestemd. Dit gebeurt door het “gesprek”. De “interactie” van mensen.

Of het nu een simpele mededeling is of een diepgaand overleg, of men om de tafel zit, schriftelijk communiceert of door middel van tekens – er is steeds sprake van een gesprek. De kraanmachinist en de man in het ruim van een schip zijn tijdens het werk ook in gesprek met elkaar.

Voor een vruchtbaar gesprek is nodig:

– bereidheid tot communicatie, d.w.z. uitwisseling van informatie, “openheid” en het elkaar willen verstaan;
– bereidheid tot ontmoeting. Dit veronderstelt aanvaarding van de anderen als medespelers, ook als zij verschillende meningen, geaardheid en behoeften hebben;
– bereidheid tot interactie, d.w.z. om “op elkaar in te gaan”, wederzijdse beïnvloeding mogelijk te maken, nieuwe inzichten op te doen, eigen meningen te wijzigen of niet passende eigen doelen op te geven. Dit berust op het vertrouwen, dat verschillen te overbruggen zijn*.

De resultaten van een samenwerkende groep hangen niet alleen af van de technische vaardigheden van de afzonderlijke leden, maar ook van de mate, waarin een vruchtbaar gesprek tussen hen plaatsvindt. Dat is zelfs bij een autoritair geleide groep het geval, al treedt het daarbij niet zo duidelijk in verschijning.
Een bevredigende en vruchtbare samenwerking berust dus op de bereidheid én het vermogen van de leden om met elkaar in gesprek te treden. Wij spreken i.v.m. dit vermogen van sociale vaardigheden.

Van de sociale vaardigheid willen we een aantal aspecten onderscheiden.

Wanneer ik mijn vaardigheid in het samenwerken op een hoger peil wil brengen zal ik, in de eerste plaats behoefte hebben aan algemene inzichten omtrent verschijnselen van interactie, groepsvorming enz. Een wetenschappelijke benadering daarvan vindt men in de sociale psychologie. Is deze niet alleen als uiterlijke kennis opgenomen, maar door ervaring verdiept, dan ontstaat sociaal inzicht, waardoor ik de mogelijkheden en begrenzingen van sociale situaties kan zien en kan begrijpen waarom bepaalde verschijnselen zich in de samenwerking voordoen.

In de tweede plaats moet men sociale verschijnselen kunnen waarnemen in de concrete situatie. Het opmerken van wat zich nu in de groep afspeelt, berust op een zekere gevoeligheid (sensitiviteit), die kan worden ontwikkeld. Het gaat daarbij bv. om waar te nemen:

– wat de ander eigenlijk bedoelt, uit welke “betekeniswereld”, achtergronden, ervaringen hij spreekt. Op grond daarvan kan men bv. misverstanden in een- gesprek signaleren;
– hoe datgene wat iemand zegt of’ doet (ook ik zelf!) door anderen wordt beleefd en gewaardeerd. Op grond daarvan kan een houding worden herzien of een mening worden gerelativeerd; 
– hoe datgene wat mensen doen  of laten op het groepsproces werkt. 
Een bepaalde opmerking bv. kan het gesprek een geheel ander verloop geven, dan wanneeer dat niet gebeurd was. Niet alleen de inhoud van de opmerking, ook de wijze waarop de persoon de opmerking maakte, kan daartoe aanleiding zijn.

Veel van deze dingen worden in het gewone leven niet of niet tijdig waargenomen.

Waarneming en inzicht tezamen geven de mogelijkheid om gebeurtenissen in de concrete situatie te doorzien, dus te begrijpen wat deze betekenen en hoe ze tot stand kwamen (“diagnostische vaardigheid”).

Het begrip sociale vaardigheid houdt echter ook in dat men – op grond van het bewust worden van het groepsproces – iets doet om de groep verder te helpen.

Wanneer ik als groepslid bepaalde verschijnselen waarneem en begrijp, dan komt de vraag op hoe ik (hetzij als discussieleider of als groepslid) in het proces moet ingrijpen. De op dit moment juiste bijdrage volgt niet alleen uit het inzicht in wat zich heeft voorgedaan, maar vraagt om het vinden van het passende antwoord, dat in deze situatie mogelijk is. Wanneer deze diagnostische vaardigheid niet ontwikkeld is, tracht men met “recepten” te volstaan (zoals men deze in diverse geschriften over discussieleiding ook kan vinden. Bv. “Val niet in de rede!”. Soms zal dat laatste echter de enig juiste handeling kunnen zijn).

Het vinden van het juiste antwoord veronderstelt ook een zekere gevoeligheid. Doe ik dat meer bewust, dan is er sprake van beoordeling van de situatie i.v.m. het doel van het gesprek.
Men moet zich daarbij voorstellen hoe een bepaalde bijdrage zal gaan werken. In ruimere zin gaat het erom hoe men het gesprek als geheel gestalte moet geven. Daarvoor is dus fantasie nodig, zoals elke opvoeder die ook moet kunnen opbrengen.

Ten slotte is het van belang, dat de actie die ik onderneem in de groep ook de gewenste uitwerking heeft (niet “verkeerd aankomt” e.d.). Het gaat daarbij om tact, kiezen van het juiste tijdstip, zich duidelijk kunnen uitdrukken e.d. In ruimere zin gaat het om methoden (technieken) om een gesprek tot een zo goed mogelijk resultaat te leiden. We kunnen hier spreken van “sociale techniek” of groepshantering.

Sociale vaardigheid is dus een geheel van:

1. sociaal inzicht
2. sociaal waarnemingsvermogen
3. sociale fantasie
4. sociale techniek

Een dergelijke onderscheiding is van belang om sociale vaardigheid leerbaar te maken en tevens om een aantal eenzijdigheden te begrijpen.

Houdt iemand zich bv. alleen bezig met sociaal inzicht, dan zal hij niet veel anders doen dan theoretiseren over samenwerking en gesprek. Inzicht in combinatie met sensitiviteit doet de “psycholoog-toeschouwer” ontstaan, de man die situaties doorziet en beoordeelt, maar er nooit “inspringt” noch verantwoordelijkheid op zich neemt.
Degeen die de sociale fantasie tot op zekere hoogte bezit, zal allerlei op zichzelf zinvolle dingen voorstellen en proberen, maar daarmee in de groep weinig effect hebben.
Tenslotte neigt diegene die vooral sociale technieken heeft geoefend ertoe te menen, dat het volgen van een bepaalde procedure en het toepassen van allerlei “techniekjes” een goed gesprek waarborgt (“zó moet je een discussie leiden; zó moet je met mensen omgaan!”).

Het geheel van de genoemde aspecten maakt pas de sociale vaardigheid uit.
Sociale vaardigheid is echter niet mogelijk zonder een sociale instelling (bereidheid tot samenwerken).

Samen willen werken

De sociale instelling hebben we boven al gekarakteriseerd als bereidheid tot communicatie (openheid), tot ontmoeting (aanvaarding van de ander) en interactie (op grond van vertrouwen) , die een vruchtbaar gesprek mogelijk maken.

Sociale vaardigheid zonder sociale instelling leidt tot het manipuleren van mensen of groepen, om daardoor iets voor zichzelf (of een eigen groepering) te bereiken (gelding, specifiek belang, macht).

Sociale instelling zonder sociale vaardigheid daarentegen leidt ertoe dat men niet verder komt, dan het verkondigen van morele waarden of een sentimentele benadering van sociale verhoudingen.

Veel sociaal werk is ondernomen op grond van een sociale instelling, maar dat in de praktijk is gestrand. Dit gebeurde dan vaak op een “bevaderende” wijze (welwillend autocratisch) of een “bemoederende” wijze (liefdadigheidsstijl). Zolang de mensen afhankelijk zijn, werkt dit schijnbaar, zodra zij zich echter meer onafhankelijk voelen, worden de negatieve reacties tot ontsteltenis der “sociaal voelende” leiders zichtbaar. De beweging tot bevordering der “human relations” is veelal misverstaan en in paternalistische of sentimentele stromingen terecht gekomen. De ontwikkeling van sociaal inzicht en sociale vaardigheid is er echter een wezenlijk aspect van.

Het belang van sociale vaardigheid is dat “het sociale” en “het werk” geïntegreerd worden tot samenwerken. Veelal is het nog zo, dat naast de werkorganisatie “iets voor de mensen gedaan wordt”.

Sociale vaardigheden kan men ook benutten om groepen te manipuleren. Daarmee is bedoeld, dat een groepslid zich gedraagt alsof hij als gelijkwaardige deelnemer aan de oplossing van een probleem meewerkt, maar ongemerkt de groep tracht te sturen in een richting die met zijn belangen overeenkomt.
Degene, die de groep manipuleert, zal in een ‘groep capabele mensen verzet oproepen. In een groep, die dit niet “door heeft” of die het “neemt” ontstaan gewoonlijk achteraf gevoelens van onbehagen, die een verdere positieve samenwerking belemmeren. Om misverstand te voorkomen: manipuleren is niet hetzelfde als directief leiding geven. Dit laatste zal noodzakelijk zijn bij een niet voldoende kundige of rijpe groep en zal, wanneer “sociaal-vaardig” gehanteerd, door de groep ook geaccepteerd worden.

De manipulator echter probeert de groep ongemerkt voor eigen doelen te gebruiken, hij treedt niet werkelijk in gesprek met de anderen.

Door het manipuleren worden de anderen tot object gemaakt, men gaat hen, naar analogie van de technische vaardigheden, instrumenteel behandelen.

Tenslotte nog iets over

Conceptuele vaardigheden

Elk werk is gericht op de bevrediging van bepaalde behoeften door producten of diensten (ook ten behoeve van andere organen in het bedrijf). De behoefte bepaalt hoe het resultaat van het werk eruit moet zien. Om dat resultaat te kunnen bereiken is dus altijd een vooruitzien nodig, een idee wat men zal gaan doen en hoe.

Het stellen van een doel, het vormen van een beleid, het ontwerpen van plannen en het vinden van ideeën om een concreet probleem tot oplossing te brengen – al deze geestelijke activiteiten veronderstellen de aanwezigheid van een conceptuele vaardigheid. Daarbij gaat het dus om het onderkennen van behoeften, mogelijkheden, gelegenheden, aan de gang zijnde ontwikkelingen en het concipiëren van ideeën, die daaraan tegemoet zouden kunnen komen.

Men moet een perspectief zien, een weg voor zich zien, gevolgen van handelingen anticiperen, kortom “omgaan met iets wat er nog niet is”. Dat ligt natuurlijk in de eerste plaats opgesloten in de taak van de leidinggevenden. Naarmate echter bij alle medewerkers iets van de conceptuele vaardigheid tot ontwikkeling is gekomen, wordt het meedenken en intelligent handelen in de zin van het geheel door een brede groep van medewerkers mogelijk.

Voor de uitvoerenden (technische, administratieve werkers, specialisten enz.) zal het accent blijven vallen op de aanwezigheid van technische vaardigheden. Bij de leidinggevenden op de conceptuele vaardigheid – des te meer naarmate zij voor een groter gebied verantwoordelijk zijn – terwijl de sociale vaardigheid eigenlijk bij allen ontwikkeld zou moeten zijn, maar misschien het meest uitgesproken voor het middenkader van belang is.

.
Sociale driegeleding: samenwerking

Sociale driegeleding: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3397-3195

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar….(2)

.

Om invulling te kunnen geven aan ‘de wereld is waar..’ moet je goed op de hoogte zijn van de ideeën die tot een veranderend denken kunnen leiden, dan het gangbare dat ons een wereld heeft opgeleverd waarin de waarheid ver weg lijkt.

Een studieartikel voor de leraar economie, maatschappijleer

Hier gaat het over de huidige landbouw(crisis)
.

Meino Smit in Driegonaal jrg.39 nr. 5/6 dec. 2024
.

De ontwikkeling van de landbouw
.

Hoe duurzaam is de landbouw in Nederland? De sector zelf geeft aan dat er steeds duurzamer wordt gewerkt. Is dat werkelijk het geval?
Op basis van welke criteria meent men dit te kunnen beweren?

Niet hernieuwbare energie en niet hernieuwbare grondstoffen zijn niet oneindig beschikbaar. Het gebruik ervan heeft negatieve effecten op de omgeving. Lange tijd is er gehandeld alsof energie en grondstoffen onbeperkt aanwezig zijn en werden de schadelijke gevolgen van hun toepassing veronachtzaamd. Lucht en water werden als ‘vrije goederen’ beschouwd. Zij hadden geen prijs en konden dus onbeperkt en gratis worden gebruikt.

In de periode 1950-2000 is de inzet van menselijke arbeid in de landbouw sterk afgenomen en vervangen door allerlei hulpmiddelen. Vroeger werkten er in Nederland veel meer mensen op het land dan tegenwoordig. Veel werkzaamheden werden uitsluitend met handkracht uitgevoerd, waarbij eenvoudige gereedschappen werden gebruikt. Voor zwaarder werk, bijvoorbeeld het bewerken van de grond, werden paarden ingezet, die ook wel voor transportdoeleinden werden gebruikt. De input voor het uitvoeren van werkzaamheden bestond dus voornamelijk uit menskracht, paardenkracht, eenvoudige machines en (hand)gereedschappen. Die input kwam deels van buiten het bedrijf. De werktuigen en gereedschappen werden door de dorpssmid gemaakt en onderhouden en/of in kleine fabriekjes geproduceerd. De smid en de veearts zorgden voor de instandhouding van de paardenkracht. De dorpstimmerman was behulpzaam bij het bouwen en onderhouden van de bedrijfsgebouwen. Daarbij werden natuurlijke materialen gebruikt: hout, riet, stenen, leem. Deze werden meestal lokaal/regionaal verkregen. De boerenbedrijven produceerden deels voor eigen gebruik en deels voor de markt. Zo leefden toen veel meer mensen dan nu op en van het landbouwbedrijf.

In het verleden waren de meeste bedrijven gemengde bedrijven, waar men zelf voor de mest op het land zorgde! Er was sprake van kringlopen op het bedrijf zelf. Er was ruimte gereserveerd voor het houden van de paarden en het verbouwen van paardenvoer en veevoer. Er was bouwland en grasland voor het melkvee en daarnaast werden kleine aantallen varkens, kippen en schapen gehouden. Daarmee was er sprake van een cascade-gebruik: voer dat niet geschikt was voor de koeien ging naar de varkens en de kippen. Een deel van de landbouwgrond werd van nature bemest met vruchtbaar slib door regelmatige overstromingen. Tot in de tweede helft van de negentiende eeuw werd geen kunstmest gebruikt. Naast de mest van het eigen vee en groenbemesting met vlinderbloemigen, werden meststoffen van buiten aangevoerd: compost gewonnen uit huisvuil, straatmest en diverse soorten slib. Nog een kringloop dus, zij het op een schaal boven die van het landbouwbedrijf. De producten gingen ook naar degenen die het huisvuil produceerden. Het verzorgen van de infrastructuur, het waterbeheer en de wegen, was op kleine schaal geregeld via de toen kleine gemeenten en waterschappen.

Kenmerken van de input in die situatie:

• deels op het eigen landbouwbedrijf geproduceerd;

• deels van buiten het bedrijf betrokken, vaak wel lokaal/regionaal;

• bijna geen gebruik van fossiele brandstoffen, kleine hoeveelheden kolen en turf, die voornamelijk in de huishouding werden gebruikt;

• geen/weinig negatieve effecten op de omgeving;

• instandhouding van de bodemstructuur en de bodemvruchtbaarheid;

• lokale/regionale kringloop;

• veel menskracht op het landbouwbedrijf;

• lokaal/regionaal menskracht betrokken bij het produceren/verzorgen van de input;

• korte transportafstanden;

landgebruik op het landbouwbedrijf zelf voor het leveren van input door het eigen bedrijf en voor het eigen bedrijf;

• weinig landgebruik buiten het landbouwbedrijf voor het leveren van de input.

Tegen het einde van de negentiende eeuw begon de input van buiten het landbouwbedrijf toe te nemen. Bijvoorbeeld de aanvoer van guano (organische meststof) uit Chili en Peru en de aanvoer van terpaarde. Hier begon ook het kunstmesttijdperk en kwam de mechanisatie op.

Bij de landbouw van nu is het beeld ten aanzien van output en input geheel anders:

• de bedrijven zijn ontmengd (plantaardige en dierlijke productie zijn gescheiden, steeds meer specialisatie), waardoor er nauwelijks nog sprake is van een kringloop binnen het bedrijf;

• een deel van de landbouw produceert los van de grond: bijvoorbeeld substraatteelt in de glastuinbouw en veel dieren bij elkaar, die niet meer buiten komen, in de intensieve veehouderij;

• meer specialisatie, waardoor meer leveringen van buiten het bedrijf nodig zijn en dus ook meer transport; de opbrengsten per ha zijn gestegen. Met minder mensen wordt meer geproduceerd. Door de inzet van ‘high tech’ zou de landbouw nog efficiënter kunnen worden.

Deze ontwikkeling heeft zich mede kunnen voltrekken omdat arbeid in Nederland steeds duurder is geworden, terwijl energie en grondstoffen relatief gezien goedkoper zijn geworden. Daardoor werd het economisch aantrekkelijk om dure arbeid te vervangen door machines en andere input. Werd vroeger de input op het eigen bedrijf geproduceerd en/of dicht bij het bedrijf, nu komt de input van over de hele wereld. Daarbij wordt ook gebruik gemaakt van arbeid, maar die is vaak goedkoper dan in ons land. Niet zelden gaat het hierbij om arbeid die wordt verricht onder beroerde arbeidsomstandigheden.

Arbeid, grondstoffen en energie – de input van onze landbouw- komen nu van over de hele wereld. Het toepassen van arbeidsbesparende technieken in de landbouw en het stijgende gebruik van energie en grondstoffen van elders gaan hand in hand. Gelet op de groeiende geopolitieke instabiliteit en het klimaatprobleem, lijkt het meer dan verstandig om stappen te zetten naar een landbouwsysteem dat minder afhankelijk is van de input in de vorm van energie, grondstoffen en arbeid van elders.

In de Nederlandse landbouw is in de periode 1950-2020 veel veranderd. De opbrengsten per hectare, de arbeidsproductiviteit en het gebruik van energie en grondstoffen zijn aanzienlijk gestegen. Een hoge opbrengst per hectare wordt gezien als efficiënt en nuttig; daardoor blijft meer ruimte over voor een ander gebruik van de grond, zoals natuur, recreatie en verstedelijking. Kijken we alleen naar het directe landgebruik van de Nederlandse landbouw dan is er zeker sprake van een hogere opbrengst per hectare. Echter, activiteiten ter ondersteuning van de landbouw vergen ook het nodige landgebruik, denk bijvoorbeeld aan:

het verbouwen van veevoer ten behoeve van de Nederlandse landbouw in andere landen;

• het afgraven van grote gebieden ten behoeve van het winnen van allerlei grondstoffen, met als gevolg diepe kraters en grote bergen afval. Hierbij gaan grote oppervlaktes bos en landbouwgrond verloren en worden boeren van hun grond verdreven;

• de infrastructuur die nodig is voor energiewinning en transport;

• de oppervlaktes benodigd voor fabrieksterreinen, gebouwen, kantoren, silo’s, pakhuizen en opslagterreinen;

• de transportinfrastructuur: wegen, vaarwegen, spoorverbindingen, havens en overslagterreinen.

Dit indirecte landgebruik van de Nederlandse landbouw zou ook in beschouwing moeten worden genomen bij het beoordelen van de productie per hectare in Nederland. Dat het indirecte landgebruik van de Nederlandse landbouw zelfs tot een verlies van landbouwgrond elders op de wereld leidt, moet daarin ook meegenomen worden.

Naast het (vanouds) gebruiken van zonne-energie in de landbouw (ten behoeve van de fotosynthese) is men steeds meer gebruik gaan maken van fossiele brandstoffen. Dit gebeurt zowel direct – in trekkers, machines, verwarmingsinstallaties en verlichting – als indirect, voor het maken van de input. De toepassing van hernieuwbare energie (biomassa, wind, water, zon) is niet gratis. Om deze vormen van energie te kunnen gebruiken zijn er allerlei organisaties, fabrieken en installaties nodig en dat vergt weer energie en grondstoffen.

Wereldwijd neemt het gebruik van energie en grondstoffen toe. Het winnen van energiegrondstoffen kost steeds meer energie. Van de nog resterende voorraden aardolie is een groot deel niet meer zo eenvoudig te winnen als lang het geval is geweest. Er is steeds meer inspanning nodig om de olie te winnen, bijvoorbeeld het injecteren van stoom en het afgraven van teerzanden. Oliemaatschappijen moeten op steeds moeilijker bereikbare plaatsen (bijvoorbeeld de Noordpool) steeds dieper boren (tot kilometers onder de oceaanbodem) en daarbij steeds kostbaarder technieken gebruiken om de olie omhoog te krijgen. Het kost steeds meer energie en grondstoffen om energie uit aardolie te winnen. Dezelfde tendens zien we bij de grondstofwinning. De ertsen met de hoogste gehaltes aan metalen en mineralen zijn al gewonnen. Er moet steeds dieper en steeds meer worden gegraven om nog iets te kunnen winnen. Daarna moeten dan ook nog grotere hoeveelheden materialen worden gesorteerd, gescheiden, behandeld en getransporteerd.

In fabrieken is steeds meer gemechaniseerd. Handkracht is vervangen door machines. Deze machines werden eerst door mensen bediend, nu worden zij vaak via computers aangestuurd. De meeste energie gaat dan niet meer zitten in het hoofdproces (bijvoorbeeld de bewerking van metalen doorsnijden, boren, etc.) maar in de hulpprocessen er omheen, die nodig zijn om het hoofdproces te kunnen aansturen. Verdere automatisering en robotisering zullen de tendens tot een toename van het energiegebruik alleen maar versterken. In gebouwen zijn grote hoeveelheden energie opgeslagen, namelijk de energie die is gebruikt in mijnbouw, bouwstoffenproductie, transport, energie en het bouwproces zelf. De levensduur van gebouwen lijkt steeds korter te worden. De ligboxenstallen uit de jaren 1970 – 1980 worden nu als verouderd beschouwd. Vaak vindt vervangende nieuwbouw plaats en worden deze stallen al weer gesloopt. Ook in de glastuinbouw vindt veel vervangende nieuwbouw plaats. De kassen zijn steeds hoger geworden en het plat glas wordt bijna niet meer bedrijfsmatig toegepast. Dit, gevoegd bij het verwarmen en verlichten van kassen, maakt dat het energiegebruik is gestegen.

In de besluitvorming van overheidswege lijken deze ontwikkelingen geen rol te spelen. Niet alleen in de landbouw is deze tendens naar meer energiegebruik aanwezig. Bij bedrijfsgebouwen, kantoorpanden, sportvoorzieningen, openbare gebouwen en woningen wordt relatief gemakkelijk toestemming verkregen voor het slopen van gebouwen. Dat daarmee grote hoeveelheden energie verloren gaan blijft buiten beschouwing.

De verdergaande toepassing van arbeidsbesparende technieken met behulp van automatiseringen robotisering verhoogt het gebruik van energie en grondstoffen. Bij het toepassen van elektronica lijkt tot nu toe weinig oog te zijn voor deze effecten. Als je de landbouwbladen mag geloven ben je pas een moderne boer als je op een trekker rijdt die vol hangt met beeldschermen, je grond is vol gestopt met sensoren en er de hele tijd een drone boven je land vliegt. Op basis van allerlei gegevens van sensoren in het veld, drones en satellieten worden gegevens over de gewasgroei verkregen. Een koppeling van deze gegevens met die over de bodem, de hoeveelheden regen, de gedane bespuitingen en de gegeven hoeveelheden kunstmest maken dat de boer niet meer in het veld hoeft te kijken, maar op basis van al deze gegevens in staat is het laatste restje biodiversiteit uit zijn akkers te laten verdwijnen. Dit vergt wel heel wat hardware (grondstoffen), software en energie. Gewoon goed naar de bodem en het gewas kijken kan ook. Het toepassen van elektronica begint groteske vormen aan te nemen. Er is nu ook al een robot (op wieltjes) om de koeien op te halen. En een virtuele weide-afrastering door middel van een halsband met zender en een elektronisch signaal. Elektronica wordt overal toegepast: in stallen, op trekkers en machines, in de administratie, iPhones, tablets, laptops, allerlei sensoren, processoren, microchips. Het produceren van al deze spullen kost veel energie. Ook veroudert het snel, zodat het weer vervangen moet worden. Bij een gedeelte van deze toepassingen speelt het in de mode zijn een grote rol, waardoor de levensduur nog korter wordt. Hier is sprake van een levensduurverkorting, niet vanwege slijtage of niet meer functioneren, maar vanwege het op de markt brengen van nieuwe mogelijkheden en van kortstondige modetrends. Hierdoor neemt het energiegebruik nog meer toe. Dit is een bedrieglijke ontwikkeling, omdat de inzet van al deze spullen mede wordt gepropageerd onder het mom dat het de duurzaamheid ten goede zou komen (precisielandbouw). Zou het niet beter zijn deze technieken te reserveren voor toepassingen die echt een meerwaarde opleveren?

In het energieverbruik en het landgebruik van de landbouw zien we een verschuiving van direct naar indirect: de graanoogst duurt maar kort, maar er zijn wel combines geproduceerd, silo’s en fabrieken gebouwd, havens aangelegd, enz.;

• het landgebruik van de trekkracht telde vroeger mee in het directe landgebruik: het paard liep in de eigen weide, het terrein van de machinefabriek is ver weg;

• de ruimte nodig voor het winnen van ijzererts, de hoogovens, de trekkerfabriek, distributie, wegen-, of energie-infrastructuur telt niet mee bij het directe landgebruik, maar het is er wel in de vorm van indirect landgebruik ten behoeve van de landbouw;

• de energie werd vroeger op het eigen bedrijf gewonnen: verbouw van paardenvoer voor de trekkracht; veevoer werd niet van elders aangevoerd en hoorde bij het directe landgebruik van de landbouw;

• de energie die nodig is voor het verbouwen van veevoer in andere landen vergt ruimte voor de verbouw van het veevoer zelf en voor allerlei infrastructuur;

• de landbouw gebruikt naast directe energie ook grote hoeveelheden indirecte energie:

Het huidige westerse landbouwsysteem heeft geleid tot grote negatieve gevolgen voor de omgeving die het gevolg zijn van het toegenomen directe en indirecte energie- en grondstoffengebruik. De maatschappelijke kosten die dit heeft veroorzaakt zijn tot nu toe niet aan de landbouw doorberekend. Na de energiecrises in de jaren zeventig van de twintigste eeuw was er veel belangstelling voor energie en energiebesparing. Het Instituut voor Mechanisatie Arbeid en Gebouwen (IMAG) besteedde er toen veel aandacht aan. In het buitenland werd veel onderzoek gedaan naar het energiegebruik in de landbouw. Het IMAG is inmiddels opgeheven en de aandacht voor het onderwerp energie is in de loop van de tijd weer minder geworden. Hoewel er nu veel aandacht is voor de uitstoot van broeikasgassen en de noodzaak deze te verminderen, lijkt het beeld van de landbouw meer te worden overheerst door andere problemen (mestproblematiek, ziekte-uitbraken, voedselschandalen, fraude met mest en vee, fosfaatproblemen, stikstofproblemen).

De verschuiving van lokaal naar mondiaal heeft ook gezorgd voor grote transportstromen, want alle energie- en overige grondstoffen en alle producten moeten worden vervoerd. De toename van het energie- en grondstoffengebruik heeft geleid tot negatieve effecten op bodem, water, lucht, biodiversiteit, landschap en ecosystemen in het algemeen. Dit is een kostenverhoging voor de samenleving, omdat deze negatieve effecten om compenserende maatregelen vragen. Deze maatregelen worden niet of maar gedeeltelijk door de producenten betaald en worden zo grotendeels op de samenleving of op de toekomst afgewenteld; deze maatschappelijke of externe kosten worden niet geïnternaliseerd.

Tot nu toe is het steeds gelukt om de keuze voor een economisch systeem met een veel lager energie- en grondstoffengebruik te ontlopen. Dit komt omdat er nog een verschuiving mogelijk was naar lagelonenlanden en door de mogelijkheid energie en grondstoffen op grote schaal van elders aan te voeren. Dit is een weg die niet begaanbaar blijft en uiteindelijk tot grote problemen zal leiden. Het zal van cruciaal belang zijn of de politiek in staat zal zijn deze ontwikkeling tijdig en op een vreedzame wijze bij te sturen. Een politieke partij die naar de noodzakelijke maatregelen op de wat langere termijn kijkt en in haar programma opneemt dat onze materiële welvaart drastisch moet afnemen, zal waarschijnlijk niet veel stemmen krijgen. En daarmee houdt dit systeem zichzelf gevangen en kan het niet tot het treffen van de benodigde maatregelen komen. Uitvluchten als “groene groei”, “de technologie zal ons redden”, “ze vinden wel wat uit”, zullen het probleem maskeren, maar niet oplossen. Het feit dat energie en grondstoffen opraken en dat we een klimaatprobleem hebben veroorzaakt, heeft tot nu toe bijna geen rol gespeeld in de besluitvorming over de landbouw. In het kader van het Akkoord van Parijs moet een opwarming van de aarde met meer dan twee graden worden voorkomen. Op basis van deze tweegradendoelstelling dient de emissie van broeikasgassen in 2050 met 90% te zijn verminderd ten opzichte van 1990 (voor Nederland betekent dit een reductie van 50% per 2030). Maar tussen 1990 en 2020 is het energiegebruik nog gestegen, zodat de reductie nog groter moet zijn. Om deze doelstelling te kunnen realiseren is een drastische reductie van het energie- en grondstoffengebruik nodig. Men denkt de gewenste reductie te kunnen bereiken door een energietransitie van fossiele energie naar hernieuwbare energie. Maar dat is op grote schaal niet mogelijk omdat de daarvoor benodigde hoeveelheden materialen immens groot zijn.

De techniek kan niet alles oplossen. Tot nu toe is gebleken dat elke nieuwe techniek ook weer nieuwe nadelig effecten veroorzaakt. In de afgelopen 70 jaar zijn talloze nieuwe zaken bedacht. Organisaties en processen zijn voortdurend verbeterd. Er is veel gedaan aan energiebesparing. Sla een technisch tijdschrift er maar op na: het staat vol met artikelen over zaken die leiden tot efficiencyverbetering en energiebesparing. Men vergeet echter dat elke maatregel die is bedoeld om een bepaald negatief effect op te heffen weer nieuwe voorzieningen vraagt, waarvoor ook weer energie en grondstoffen nodig zijn. Het resultaat van dit alles is dan ook dat het energie- en grondstoffengebruik voortdurend is gestegen.

De voortdurende stijging van het gebruik van energie en grondstoffen is een treffende illustratie van de wet van behoud van ellende. Tot aan het begin van de twintigste eeuw (en ook nog wel enigszins tot 1950) kenden wij een landbouwsysteem dat zich bijna zonder hulpbronnen van elders kon handhaven en dat geen grote nadelige effecten op de omgeving veroorzaakte.

Het landbouwsysteem dat wij nu kennen is niet toekomstbestendig. De trek naar goedkope energiebronnen en grondstoffen loopt dood omdat deze eindig zijn; de trek naar goedkope arbeid strookt niet met een rechtvaardiger verdeling van de welvaart, en de gedachte dat de technologie met de oplossing komt is illusionair.

Het is noodzakelijk om ons productiesysteem aan te passen aan de draagkracht van de aarde. Dat betekent dat processen van aanpassing van het huidige productiesysteem tijdig op gang gebracht moeten worden. Zijn we hier toe in staat of laten we het er op aan komen en zullen veranderingen worden afgedwongen door de omstandigheden? Voor de landbouw is dit des te dringender, omdat de landbouw een onmisbare bedrijfstak is. Er moet immers altijd voedsel worden geproduceerd. Het is dan temeer van belang om in ieder geval ons landbouwsysteem op tijd aan te passen aan de randvoorwaarden van de toekomst. Wachten we op de klap of gaan we tijdig anticiperen?

Deze tekst is afkomstig uit: Meino Smit Naar een duurzame landbouw in 2040.
Een nieuw perspectief
Nearchus / Kolisko, 2e druk 2024
ISBN 9789o83466644

.

Dit artikel verscheen in ‘Driegonaal
Publicatie op deze blog met toestemming

Voor een abonnement: Sociale driegeleding
.

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeledingalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3393-3191

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – De wereld is waar…en de landbouwcrisis (1)

.

Om invulling te kunnen geven aan ‘de wereld is waar..’ moet je goed op de hoogte zijn van de ideeën die tot een veranderend denken kunnen leiden, dan het gangbare dat ons een wereld heeft opgeleverd waarin de waarheid ver weg lijkt.

Een studieartikel voor de leraar economie, maatschappijleer

Hier gaat het over de huidige landbouw(crisis)
.

Manfred Klett in Driegonaal*

.

De productieomstandigheden in industrie en landbouw
.


Aan het begin van het proces waardoor in de industrie toegevoegde waarde wordt gecreëerd, staat de inventieve geest van de mens. Natuurwetten, stoffen en krachten van de levenloze natuur worden losgemaakt uit hun natuurlijk verband en door menselijke werkzaamheid met elkaar in wisselwerking gebracht. Dit resulteert in producten die in de geschapen natuur niet voorkomen, zoals machines, kunstmest of bestrijdingsmiddelen.

Deze producten vinden vervolgens als koopwaar ingang in de economische kringloop. De verwachting dat een uitvinding een succes wordt, geeft een bank aanleiding een krediet beschikbaar te stellen voor de inrichting van een fabriek. Dat wil zeggen, de geest van de mens – de idee – creëert kapitaal, en dit stolt door arbeid tot gebouwen, productiemiddelen, grondstoffen, energie enzovoorts. Max Weber – Duitse econoom en socioloog (1864-1920) – stelde vast: “Een levenloze machine is gestolde geest.”[1]

1 Max Weber: Wirtschaft und Gesellschaft, Tübingen 1980, p. 834.

De geest nu streeft verder naar de verwezenlijking van de uitvinding; hij zet aan tot arbeid. Pas door arbeid ontstaat de fabrieksinstallatie en daarin, in verschillende werkfasen, het uiteindelijke product. Kenmerk van het industriële productieproces is het creëren van waarde enkel doordat de inventieve geest het verloop van de menselijke arbeid bepaalt en deze op allerlei manieren modificeert. De uitwendige uitdrukking van deze geest moet in de gevarieerde constellaties van het kapitaal worden gezocht.[2]

2.Rudolf Steiner: Nationalökonomischer Kurs, GA 340, Dornach 2002, voordracht van 25 juli 1922, p. 33; in het Nederlands: Economie. De wereld als één economie, Nearchus 2016.

De natuur in de vorm van grondstoffen en energie verschuift daarbij verder naar de achtergrond naarmate meer menselijke intelligentie aan het productieproces te pas komt, dus naarmate een grotere arbeidsdeling optreedt. Door arbeidsdeling wordt bovendien de productie goedkoper, wat de expansiedrift van industrie en nijverheid verder in de hand werkt, totdat ook de laatste dienst gecommercialiseerd is. Kapitaal heeft enerzijds zijn ontstaan te danken aan de vindingrijkheid van de mens en aan de arbeidsdeling, anderzijds zorgt het ervoor dat de arbeidsdeling mateloos wordt doorgedreven. Hierdoor dreigt het industriële productieproces volledig van de natuur en, via de digitalisering, van de werkende mens losgekoppeld te worden. De industrie wordt zo tot oppermachtige tegenpool van de landbouw en dreigt de perken te buiten te gaan die het industriële proces van twee kanten zouden moeten beteugelen: de natuur en de rechtsorde.

Het productieproces eindigt met de voortbrenging van waren waar het basisidee van de uitvinder en de kennis en vaardigheden van een groot aantal mensen in een tegenwoordig wereldwijde arbeidsdeling aan hebben bijgedragen. De door het kapitaal, dat wil zeggen, de gestolde idee, aangestuurde arbeid heeft zich in het eindproduct gematerialiseerd en daar een waarde aan verleend. Bij de ruil van waarden op de markt wordt hier vervolgens een prijs op geplakt. Als je naar de waardescheppende factoren kijkt – uiteindelijk is dat de geestgeleide arbeid – valt de prijs niet te berekenen. Bij zijn totstandkoming spelen onweegbare factoren en drogbeelden mee die met name het gevolg zijn van het feit dat grond, kapitaal en menselijke arbeid als verhandelbare waar worden beschouwd en zodoende als kostenfactor in de prijsvorming worden opgenomen. Het lijkt echter alsof de prijzen – volledig afwijkend van de werkelijke waarde van de producten – berekend kunnen worden doordat alles wat betrokken is bij de productie, als koopwaar wordt voorgesteld en daarmee tot een kostenfactor wordt gemaakt die in geldwaarde uitgedrukt kan worden. Zo zijn in de prijs van een industrieel product alle productiekosten opgenomen, inclusief de arbeidskosten en een reserve, het afschrijvingspercentage, waardoor de verbruikte productiemiddelen (slijtage van machines en dergelijke) geherfinancierd en gemoderniseerd kunnen worden.

Voor de industrie geldt dat een productiemiddel zichzelf niet vernieuwt. De plaats waar het gemaakt wordt, is gescheiden van de plaats waar het wordt ingezet. In het industriële productieproces worden eindige hulpbronnen verbruikt in de vorm van grondstoffen en energie. Er wordt afval geproduceerd, en de productiemiddelen zelf zijn onderhevig aan slijtage en verval. Hierdoor ontstaat vuil dat zich als hypotheek op een verre toekomst op de aarde ophoopt, bijvoorbeeld kernafval. Dit vormt een belasting voor water en lucht en verstoort de warmtehuishouding, voor zover het niet tegen hoge kosten opnieuw in de energie- en grondstofkringloop opgenomen kan worden. De groei van de industriële productie heeft zijn grenzen; de energie- en grondstofbalans ervan is negatief. Hoe kleiner het aandeel van de natuur aan de industriële productie is, dus hoe sterker menselijke intelligentie het productieproces domineert, bijvoorbeeld in het geval van de productie van computerchips, des te verder gaat de arbeidsdeling en des te minder plaatsgebonden wordt de productie. Hoogtechnologische producten kunnen op een willekeurige plaats op aarde geproduceerd worden om van hieruit aan de wereldwijde vraag naar deze producten te voldoen.

De landbouw is, in tegenstelling tot de industrie, ingebed in de hele huishouding van de natuur, de oikos. De toegevoegde waarde wordt tot stand gebracht door de natuur. Uit de wederzijdse relatie tussen levenloze (fysische), levende en bezielde natuur en onder de invloed die de kosmos heeft op alle ritmische processen, ontstaat als voortbrengsel van de natuur de graankorrel, de wortel, de melk enzovoorts. Dat gebeurt strikt plaatsgebonden. De natuur is degene die produceert; de mens komt erbij en stuurt door zijn werk haar scheppende kracht. De productiemiddelen zijn niet de machines, de tractor, de maaidorser enzovoorts – deze vervangen en verhogen alleen de prestaties van de menselijke hand en de dierlijke trekkracht – maar de vruchtbare bodem, de vruchtvormende, voedsel voortbrengende planten en de huisdieren, die elk hun eigen bijdrage tot de productie leveren. In figuurlijke zin vormen deze het productie-kapitaal in de landbouw. Ze zijn productiever, kwantitatief en kwalitatief, naarmate ze op iedere bedrijfslocatie in een inniger, elkaar wederzijds versterkende relatie staan. Ze verenigen zich op natuurlijke wijze tot levensgemeenschappen, tot kleinere en grotere biotopen.

Het is aan de arbeid en aan de geestelijke inspanning van de mens voorbehouden om hetgeen door de natuur is aangelegd, tot een hoger geheel, tot een zo mogelijk in zich gesloten organisme te vormen – het landbouwbedrijf. Gezien de kosmisch-aardse productieomstandigheden in de landbouw kan het vormgevend principe alleen een veelzijdig gestructureerd organisme zijn. Dit vormt in zijn geheel het productiemiddel van de landbouw en staat daarmee lijnrecht tegenover het productiemiddel van de industrie, het mechanisme. Het mechanisme is op eenzijdigheid gebaseerd, het organisme op alzijdigheid.

Onderken je en erken je ten volle de betekenis van de polariteit van de productieomstandigheden in de industrie, die uit de geest van de mens voortkomen, en die in de landbouw, die door de natuur gegeven zijn, dan kan in de landbouw strikt genomen geen kapitaal worden gevormd. Want de arbeid die door de geestelijke kracht van de mens aan de natuur besteed wordt, stolt niet tot een productiemiddel dat zich zoals de machine naast de natuur plaatst; er worden geen grondstoffen, energieën en natuurwetten uit hun natuurlijk verband geïsoleerd en nieuw gecombineerd. Integendeel, het geestelijke werk bestaat erin het begrip van de geslotenheid van het organisme als geheel te doordenken, en het fysieke werk is erop gericht de in de natuur werkzame productieve krachten daarin hun plaats te geven en ze met elkaar in wisselwerking te brengen. Als een landbouwbedrijf vorm krijgt overeenkomstig zijn productieomstandigheden, is het een totaliteit die continu in wording is, die de handelende mens insluit en die zich in het productieproces zelf reproduceert. De kapitaalvorming in de landbouw, in figuurlijke zin gesproken, moeten we derhalve vooral zoeken in een proces in de tijd, namelijk in de instandhouding en ontwikkeling van de productiemiddelen – de cultuurbodems, de gewassen en de huisdieren – in de context van het hoger geheel van het bedrijfsorganisme.

Industrie en landbouw verhouden zich tot elkaar zoals technologie tot kunst. De puur technologische aanpak streeft naar regeltechniek, naar automatisering. De mens staat buiten het productieproces of maakt zichzelf helemaal overbodig. De landbouw is, naar zijn diepste wezen, een kunst juist doordat de werkende mens zichzelf als hele mens met al de kracht van zijn geestelijke ziel in dienst stelt van de productieve krachten van de natuur. De landbouw heeft de werkende hand nodig, vele handen zelfs. De industrie heeft de inventieve geest en het kapitaal nodig dat de menselijke werkkracht tot een arbeidsdeling dwingt of geheel overbodig maakt.

De landbouw brengt producten voort, met name levensmiddelen, waar iedere mens dagelijks behoefte aan heeft. Deze treden op de markt met de industrieproducten, dus onder arbeidsdeling geproduceerde waren, in een waardeverhouding die haar neerslag vindt in de prijzen. De prijs van het industrieproduct wordt door verdergaande arbeidsdeling steeds lager. De prijs van een landbouwproduct is alleen al door de wisselende milieuomstandigheden, het optreden van plagen enzovoorts niet te berekenen. Het proces van prijsvorming bij landbouwproducten blijft volledig in het duister. De voortbrengingskracht van elk agrarisch bedrijfsorganisme is immers verschillend. Zonder een prijscompensatie in het kader van economische samenwerkingsverbanden waarin “de waarde van de waren door hun wederzijdse verhouding wordt bepaald”, [3] zou dan elk bedrijf zijn eigen marktprijzen moeten hebben.

3 Zo liet Rudolf Steiner zich uit in de zogenaamde eerste Hochschulkurs op 10 oktober 1920. Geciteerd naar Roman Boos: Landwirtschaft und Industrie, Darmstadt 1957, p. 110-111.

In de CSA-beweging wordt dit inderdaad bij benadering in praktijk gebracht. [4]

4 CSA: community-supported agriculture, ook gemeenschapslandbouw of pergola-landbouw genoemd. Zie hierover onder andere: Trauger Groh, Steven Mc Fadden: Höfe der Zukunft, gemeinschaftsgetragene/solidarische Landwirtschaft (CSA), Darmstadt 2013,276 pp.

In beginsel geldt dat de landbouw vergeleken met een industrieel bedrijf noodzakelijkerwijs duurder produceert omdat het prijsdrukkende principe van de arbeidsdeling onverenigbaar is met de productieomstandigheden in de landbouw, die je zou kunnen omschrijven als ‘diversiteit in een totaliteit’. Men probeert de productiekosten te verlagen door over te gaan op een meer industriële manier van produceren. De heelheid van het bedrijfsorganisme wordt hiervoor verbroken, de onderdelen worden uit elkaar gehaald. Elk afzonderlijk deel wordt door een aanzienlijke inzet van kapitaal tot een eigen agro-industriële onderneming, die onder schijnbaar calculeerbare randvoorwaarden met een hooggespecialiseerde massaproductie zonder concurrentie op goedkope wijze de markt beheerst. Deze prijsverlaging is echter een illusie omdat de rekening voor de hieruit voortvloeiende kosten buiten de markt om bij de gemeenschap wordt gelegd. Hierbij gaat het om kosten die ontstaan door de vernieling van het milieu en door de vermindering van de voedingswaarde van de producten, en de kosten van de subsidies – het gesubsidieerde onbenul. Als deze verborgen kosten bij de producentenprijs van de industriële landbouw opgeteld zouden worden, zou deze zijn hegemonie op de markt verliezen. Het zou duidelijk worden dat de geproduceerde waarde slechts schijn is.

Hoe een prijs in de landbouw tot stand komt, is een enigszins verborgen verschijnsel. [er stond hier ‘occult’, maar dat lijkt me te zwaar aangezet]. Door initiatieven zoals fair trade of producenten- en consumentengemeenschappen begint er een beetje licht in te komen. Berekenen kun je de prijs van de primaire landbouwproductie als zodanig niet. De waardebepalende factoren voor deze prijzen zijn:

• de natuurgegeven mogelijkheden met betrekking tot de wisselwerkingen tussen de lokale factoren aarde, water, lucht en warmte en de geomorfologische landschapsvorm

• de natuurgegeven mogelijkheden met betrekking tot de scheppende krachten van de levende wezens in de natuur (planten, dieren enzovoorts) en hun activiteiten in de ritmes van het jaarverloop

• de door ideeën geleide arbeid van de mens

• de harmonische afstemming van alle organen van het bedrijf tot het geheel van het bedrijfsorganisme.

Door het samenwerken van deze factoren ontstaat, tegengesteld aan de waardevorming in de industrie, een objectieve waarde van de producten, zoals die van tarwe, melk, brood, kaas enzovoorts. De prijs zou rechtvaardig zijn als hij met deze objectieve waarde zou overeenkomen of er tenminste in de buurt zou komen. Maar hoe kun je deze prijs bepalen?

Daarnaast wordt de waardevorming van de primaire landbouwproductie door twee kenmerken bepaald: ten eerste, het vermogen om in het productieproces zichzelf te reproduceren, en ten tweede, de mogelijkheid om tot voedingsmiddel voor mens en dier te worden. De tarwekorrel bijvoorbeeld is samen met de bodem waarin hij gezaaid wordt, productiemiddel voor de volgende oogst, maar hij is ook broodgraan. De koe reproduceert zichzelf in het kalf, en verbonden met dit proces heef ze het vermogen om meer melk te geven dan voor het grootbrengen van het kalf nodig is. De productiemiddelen in de landbouw hebben de eigenschap dat ze in het productieproces zichzelf kunnen voortbrengen en tegelijk tot voedingsmiddel voor mens en dier kunnen worden. De taak van de boer bestaat erin de omstandigheden van plantenteelt en veehouderij zodanig vorm te geven dat beide vermogens in het productieproces op een hoog niveau duurzaam met elkaar in evenwicht zijn. Dat wil zeggen, hij moet hier en nu de tarwe zo verbouwen, de koe zo houden, voeren, verzorgen en fokken dat deze levende productiemiddelen tot in de verre toekomst hun bijzondere eigenschappen kunnen behouden of zelfs nieuwe eigenschappen kunnen verkrijgen naarmate de voedingsbehoeften van de mens veranderen.

Het is met name dit feit dat ten grondslag ligt aan de principiële tegenstelling in de manier van produceren tussen industrie en landbouw. Deze komt ook tot uitdrukking in het gegeven dat de agrarische productiemiddelen – bodem, planten, dieren – dankzij hun vermogen tot zelfvernieuwing niet afgeschreven hoeven te worden. Wat de afschrijving als kapitaalreserve in de industrie is, is in de landbouw de waarde-behoudende en -ontwikkelende kracht van het bedrijfsorganisme als geheel. De vervanging van menselijke werkkracht en dierlijke trekkracht door machines heeft voor de landbouw evenwel hoge afschrijvingen met zich meegebracht, die echter geen betrekking hebben op het productiemiddel als zodanig. Het is niet de maaidorser die het graan voortbrengt, en niet de melkmachine die de melk produceert, maar het leven, de verbanden scheppende krachtenwereld die in plant en dier werkzaam is. De prijs van landbouwproducten zou dan ook pas redelijk zijn als hij overeen zou komen met hun objectieve waarde. Een criterium hiervoor zou kunnen zijn of de prijsstructuur van de primaire productie van het agrarisch bedrijfsorganisme – dus zonder verdere verwerking – de bedrijfskosten en het levensonderhoud van alle medewerkers en hun families van een oogstperiode tot de volgende dekt. [5]

5 Rudolf Steiner formuleerde voor deze prijsbepaling de volgende gedachte: de prijsstelling moet zodanig zijn “Het welzijn van een geheel van samenwerkende mensen is des te groter naarmate het individu minder aanspraak maakt op het resultaat van zijn prestaties, dat wil zeggen naarmate hij deze opbrengsten meer aan zijn collega’s laat en naarmate zijn eigen behoeften niet vanuit zijn eigen prestaties maar vanuit de prestaties van de anderen bevredigd worden.” (Kernpunkte der sozialen Frage, GA 23, Dornach 1976, p. 132; in het Nederlands: De kernpunten van het sociale vraagstuk, Steinervertalingen 2004, p. 107).

Hiervoor zijn marktstructuren vereist waarbij landbouwers, verwerkers, groot- en detailhandelaren en ook consumenten die hier mee gestalte aan willen geven, in een regionale kring bij elkaar komen. In tegenstelling tot de industrie is de landbouw op een regionale economie georiënteerd. Afhankelijk van de productieomstandigheden vindt landbouwproductie in alle verscheidenheid overal plaats waar mensen leven en waar de vereiste omstandigheden gegeven zijn. Het is alleen maar logisch dat de kortste weg van de producent naar de consument de goedkoopste is, waarbij tegelijkertijd de kwaliteit het beste behouden blijft.

Ook de landbouw produceert in de loop van het kosmisch-aardse productieproces afval, maar geen vuil. Het afval is afkomstig uit de levende en bezielde natuur. Het zijn plantaardige en dierlijke resten die in de schoot van de natuur terugkeren en zich omvormen tot humus, de vruchtbaarheidsdrager van de bodem. In een bedrijf dat beheerd wordt in overeenstemming met het organisme-principe, regenereert de stof- en krachtenhuishouding zich grotendeels zelf. Tegenover het verbruik van energie en grondstoffen in de industrie staat de opbouw door de zelf geproduceerde mest en de nieuwvorming van humus. De zuivere primaire landbouwproductie heeft, als je rekening houdt met alle bodemopbouwende maatregelen (bemesting, vruchtwisseling, grondbewerking), een positieve energiebalans. Dit gegeven wordt tegenwoordig door het hoge kapitaalgebruik in de vorm van stikstofmeststoffen, bestrijdingsmiddelen, van buiten aangevoerde voedermiddelen en energie in zijn tegendeel veranderd. Ook het verlies van bodem door erosie moet hier worden genoemd, dat in de industriële landbouw al op licht hellende terreinen optreedt, met name bij verbouw van maïs. Met het oog op de gehele economie en op de toekomst van de aarde heeft de landbouw echter de taak om de negatieve energiebalans van de industrie te compenseren.

Het is duidelijk dat we de polariteit van industrie en landbouw radicaal moeten doordenken en de consequenties hiervan voor onze hele cultuur rigoureus moeten overwegen. Zonder een overbrugging van dit geweldige spanningsveld kunnen we niet tot een gezond economisch leven komen. Eerst moeten de prijzen van de agrarische producten worden vastgesteld, en wel in het regionale kader van de markt en van de samenwerkingsverbanden met verwerking en handel. Deze kunnen vervolgens als oriëntatie dienen voor de prijsvorming in de op arbeidsdeling gebaseerde economie. De proportionaliteit van de prijzen in industrie en nijverheid moet in de toekomst worden bepaald aan de hand van de primaire landbouwproductie.

Je hoeft alleen maar naar de ongelijkheid in productieomstandigheden in industrie en landbouw te kijken om te beseffen dat het vormgevende principe voor het creëren van toegevoegde waarde dat bij het wezen van de landbouw past, in eerste instantie het organisme is. Het organismeprincipe behoorde altijd onlosmakelijk bij de ontwikkeling van de landbouw, zij het onder steeds wisselende culturele omstandigheden. Wat nu een wetenschappelijk gefundeerd, bewust inzicht moet worden, was in vroegere tijden het resultaat van een uit het volksinstinct voortkomende, wijsheidsvolle handelwijze. De bewustzijnsontwikkeling van de mensheid en daarmee de geschiedenis van de landbouw weerspiegelen zich in grote lijnen in de manier waarop de mensen  vanuit een steeds bewustere beleving van hun eigen fysiek organisme het in de natuur werkzame organismeprincipe geleidelijk aan tot het fundament van een ware landbouwkunst hebben gemaakt.

De biologisch-dynamische landbouw wordt toegepast in 58 landen, op 268.000 hectare.
In Nederland zijn er 50 gecertificeerde BD-boeren die samen 10.000 hectare bewerken (dat is 0,4% van het landbouwareaal).

Uit langlopend onderzoek blijkt dat biologische en biologische landlandbouw in verhouding tot de gangbare landbouw enerzijds minder opbrengst per hectare realiseren (85% maar anderzijds aanmerkelijk minder kosten met zich meebrengen: 8% van de kosten van gewasbescherming; 57% van de kosten van bemesting; 62% van de kosten van energie.

Uit hetzelfde onderzoek blijkt: ten opzichte van de gangbare landbouw scoort de BD-landbouw beter op verschillende landbouwkundige aspecten, zoals de bodemvruchtbaarheid, gemeten in humus (+18%); bodemactiviteit (+83%); mineralendynamiek (+37%). Het onderzoek toont ook aan dat het gebruik van BD-preparaten een positief effect heeft op de bodem en op de voedingswaarde van de gewassen.

Deze tekst is afkomstig uit:

Manfred Klett: Van agro-industrie naar landbouwkunst.
Karaktertrekken van de biologisch-dynamische landbouw. Een landbouw voor de toekomst.
Nearchus / Kolisko ISBN 9789492326935

Dit artikel verscheen in ‘Driegonaal
Publicatie op deze blog met toestemming

Voor een abonnement: Sociale driegeleding

De wereld is waar: alle artikelen via [9-5]

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeledingalle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle artikelen

.

3387-3185

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (6-7)

.

Arjen Nijeboer, John Hogervorst, Driegonaal maart 2019

.

Over de zin en onzin van aandelen

.

Wanneer een bedrijf van start gaat is daar altijd kapitaal voor nodig: het geld waarmee de eerste investeringen gedaan kunnen worden. Ook een bestaand bedrijf dat wil uitbreiden heeft meestal extra kapitaal nodig.
Ondernemen zonder kapitaal is onmogelijk. Je zou kunnen zeggen dat kapitaal het gereedschap is waarmee een ondernemer werkt en zonder dit gereedschap kan hij niet aan de slag.
Een van de manieren waarop een onderneming aan kapitaal kan komen is door aandelen uit te geven. Degenen die een aandeel kopen worden voor een deel eigenaar van de onderneming. Bovendien helpen zij de onderneming aan het benodigde kapitaal.
Wie een aandeel koopt om daarmee de onderneming aan kapitaal te helpen, draagt bij aan de ontwikkeling van de onderneming. Hij of zij neemt deel aan die ontwikkeling. Wanneer die ontwikkeling positief verloopt ontvangt de aandeelhouder mogelijk jaarlijks een bescheiden dividend: een winstuitkering per aandeel. En als het met de onderneming minder goed gaat is er geen winstuitkering.
Tot zover is er geen vuiltje aan de lucht: aandeelhouders helpen een onderneming aan het benodigde kapitaal, verbinden zich met de ontwikkeling van die onderneming en ontvangen daarvoor een kleine vergoeding als die ontwikkeling goed verloopt.

De andere kant van aandelen

We zien in de werkelijkheid echter met of via aandelen ook andere dingen gebeuren. Aandeelhouders van een goed renderend bedrijf dringen aan op reorganisatie waardoor duizenden medewerkers op straat komen te staan. Aandeelhouders verwerven een onderneming om deze bijvoorbeeld op te splitsen, te herfinancieren en met grote schulden (‘geplukt’) weer los te laten. Aandeelhouders eisen voortdurend het hoogste rendement op hun investering zodat ondernemingen hun productie overhevelen naar landen met miserabele arbeidsomstandigheden.
Dergelijke dingen zijn mogelijk omdat aandeelhouders, als mede-eigenaren, ook zeggenschap over de koers van een onderneming hebben.
Dat wordt in de hand gewerkt door het feit dat aandelen verhandeld kunnen worden. Dat gebeurt op de beurs: de ‘markt’ voor aandelen. Wie een aandeel bezit kan dat weer verkopen. Bij dit ‘door-verkopen’ van aandelen heeft de onderneming zelf geen direct belang. De handel in aandelen dient het belang van degenen die er aandelen kopen of verkopen. Zij proberen er allebei voordeel uit te halen.
Dat maakt dat degene die een aandeel bezit, belang heeft bij een stijgende koers van de prijs van het aandeel. Want alleen wanneer die koers stijgt maakt hij winst.
De handel in aandelen verleidt aandeelhouders ertoe om zich niet zozeer te verbinden met een onderneming en met de ontwikkeling van die onderneming, maar om snel in te spelen op de ontwikkelingen op de aandelenmarkt. Wie 5% rendement haalt in een periode van één maand, verdient immers aanzienlijk meer dan wie hetzelfde rendement haalt over een periode van een jaar. We hebben al vele malen meegemaakt hoe aandelenkoersen onwaarschijnlijk hoog stegen (‘bubbels’), gevolgd door periodes waarin aandelen onwaarschijnlijk laag daalden (depressies). Dat geeft aan dat de handel in aandelen sterk afhankelijk is van irrationele verwachtingen en inschattingen.

Aandelen vruchtbaar inzetten

De grote maatschappelijke nadelen van de  manier waarop we met aandelen omgaan, liggen in het feit dat aandelen verhandeld kunnen worden, in combinatie met de zeggenschap over de onderneming die met het bezit van aandelen verbonden is.
Het is mogelijk deze nadelen te omzeilen en zó met aandelen om te gaan dat zij werken zoals ze bedoeld zijn: het verschaffen van het benodigde kapitaal. Bijvoorbeeld door het eigendom van aandelen in een stichting onder te brengen, door certificaten van aandelen uit te geven, de zeggenschap over de onderneming te beperken en de aandelen niet op de beurs verhandelbaar te maken.
Daarbij zijn er natuurlijk naast het uitgeven van aandelen nog  andere mogelijkheden voor een onderneming om kapitaal aan te trekken: door leningen van banken of investeerders, crowd funding, financiering door consumenten, enzovoort.
Juist ondernemingen die zich werkelijk maatschappelijk willen verankeren zouden geen genoegen moeten nemen met de gebruikelijke manier van het werken met aandelen.

.

Meer van John Hogervorst

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog, w.o.  bij [6..] over geld

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3236-3046

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar…..(6)

.

In dit artikel (o.a.) kwam ter sprake hoe ‘vrije grond’ kan meehelpen aan een oplossing voor de landbouwcrisis.
Hoe wij voor zo’n idee als opvoeders enthousiast kunnen worden; er (financieel – ieder naar draagkracht) aan kunnen bijdragen en hoe we aan de jonge opgroeiende mens toekomstperspectief kunnen bieden in een tijd die er op allerlei gebied niet zo hoopvol uitziet.

Nog een artikel over ‘vrije grond’.
.

Annelijn Steenbruggen**, Motief 204, juli/aug. 2016*

.

landbouwgrond vrijmaken

Hoe vrijgemaakte landbouwgrond kan helpen om vrij mens te worden

.

Twee ons groente en twee stuks fruit. Met onze voeding staan we dagelijks in contact met de aarde. In Europa zorgt de aarde goed voor ons. Elke dag kunnen wij genieten van gevarieerd eten. Helaas zorgen wij niet zo goed voor haar: uitputting van bodems, dierenleed en klimaatverandering zijn het gevolg.

Hoe kunnen we het tij keren? De oplossing begint met bewuste dankbaarheid en vervolgens de wil om iets terug te schenken.

Tijdens het congres van Eosta, Celebrating Soil! Celebrating Life!, vorig jaar* juni in Amsterdam – waar ik** voor Stichting Grondbeheer was – spraken diverse sprekers vanuit de hele wereld over de urgentie van duurzaam bodembeheer. De titel van het congres spreekt boekdelen: de bodem is de basis van het leven op aarde. Daar hebben we dus goed voor te zorgen, maar hoe doe je dat?

Een van de sprekers was NikoIai Fuchs, directeur van GLS Treuhand in Duitsland. Halverwege zijn speech hoorde ik hem opeens zeggen: “Het vrij maken van landbouwgrond draagt bij aan het vrij maken van onszelf.”

Ik veerde op. Sloeg hij hier een brug tussen de sociale driegeleding en De filosofie van de vrijheid? Maar had ik hem wel goed verstaan? De speech was in het Engels en de akoestiek vervormde het geluid op de eerste rij waar ik zat. Hoe dan ook: ik had het zo gehoord en de gedachte liet mij niet meer los. Ik ging onderzoeken of deze stelling waar was. Het bood namelijk een prachtige invalshoek voor Stichting Grondbeheer om nieuwe donateurs te werven: een vrij mens worden, dat wil toch iedereen?

Geld van burgers

Eerst wilde ik achterhalen of Nikolai Fuchs überhaupt bekend was met de antroposofie. Op internet zag ik dat hij landbouwwetenschappen in Bonn had gestudeerd en op directieniveau had gewerkt voor de Duitse Demeter Associatie en landbouwsectie van het Goetheanum. Ook is Nikolai Fuchs oprichter van coöperatie BioBoden. Vergelijkbaar met Stichting Grondbeheer koopt BioBoden landbouwgrond aan met geld van burgers. Vervolgens stellen ze deze grond beschikbaar aan biologische en biodynamische boeren. Het idee achter de coöperatie is dat elke bewoner op aarde de verantwoordelijkheid neemt voor het stukje landbouwgrond dat hij nodig heeft voor zijn eigen voedselproductie. Oftewel: elke burger maakt tweeduizend vierkante meter landbouwgrond vrij. In Nederland – waar landbouwgrond gemiddeld 6 euro per vierkante meter kost – [art. uit 2016] zou dat om een som van 12.000 euro per persoon gaan.

[2024: 8 euro  80.000 per ha]

Nikolai Fuchs is dus bekend met de antroposofie – gezien zijn CV kan dat niet anders – maar of hij in zijn speech de relatie had gelegd tussen vrije grond en de vrijheid van mensen, wist ik nog niet. Toen liep ik toevallig tegen het boek van Lex Bos op: Schenken en danken. Verwaarloosde kwaliteiten in een wereld vol commercie. Bos, medeoprichter van Triodos Bank, vertelt in dit boek dat wij als mensheid uit een tijd komen waarin schenken en danken vanzelfsprekende maar onbewuste kwaliteiten waren. De innerlijke houding die bij schenken en danken hoort, is echter verkommerd door de commercie. “Materialisme en zelfzucht maken de ziel leeg en kooien de geest,” aldus Bos. Met andere woorden: als je alles voor jezelf houdt, word je onvrij. Bovendien gaat het werven van materiële zaken voor jezelf vaak ten koste van iets of iemand anders: de samenleving loopt erop vast en onze bronnen raken uitgeput. Gelukkig laat Bos ook zien hoe we onze gekooide geest kunnen bevrijden door – je raadt het al – opnieuw te leren schenken en danken. Wanneer het ons lukt om die kwaliteiten te herwinnen, zullen we de samenleving en de aarde door de crisis heen helpen. Sterker nog: we komen er beter uit. Volgens Bos is een periode van commercie zelfs nodig om van onbewust naar bewust schenken en danken te kunnen komen. En die transitie naar bewustzijn helpt ons dus om vrije mensen te worden.

Taal van dankbaarheid

Hoe kunnen wij weer dankbaar zijn? Die vraag heeft ook buitengewoon hoogleraar ethiek Paul van Tongeren onderzocht in zijn essay Dankbaarheid. Hij vertelt dat zijn ouders ruim 65 jaar geleden op zijn geboortekaartje hadden gezet: ‘Met grote dankbaarheid ontvingen wij van God een zoon.’
Toen hij zelf vader werd, schreven hij en zijn vrouw op het kaartje: ‘Vol verwondering en blij, melden wij de geboorte van onze dochter.’ Het eerste kind van de volgende generatie werd aangekondigd met een kaartje waarop stond: ‘Geboren’ en vervolgens werden, behalve naam, nog het precieze tijdstip van de geboorte, het geboortegewicht en de lengte van de boreling vermeld.

Volgens Van Tongeren is door het verdwijnen van ons geloof in God ook de taal van dankbaarheid verdwenen. Zonder de taal van dankbaarheid, blijft alleen het materialisme over en wordt zelfs de geboorteaankondiging van een baby verpakt in weegbare en meetbare feiten. Volgens Van Tongeren kunnen we ook zonder geloof in God weer dankbaar leren zijn door de werkelijkheid als een geschenk te ervaren. Wat er dan gebeurt, is magisch: het gevoel van dankbaarheid roept namelijk de wil op om te gaan schenken. Kortom, dankbaarheid genereert een schenkstroom. Opeens doorgrondde ik het plaatje van de sociale driegeleding uit het boek van Lex Bos: 

De cyclische schenkstromen tussen het economische leven en geestesleven worden blijkbaar aangedreven door dankbaarheid. En als we die schenkstromen eenmaal aan de praat krijgen, komen we als samenleving in een opwaartse spiraal terecht.

Er bestaan veel publicaties van Lex Bos, ook op deze blog [1]

Opwaartse spiraal

Maar hoe ziet zo’n opwaartse spiraal eruit in de landbouw? En welke rol speelt vrije grond daarin? De tijd is rijp om Nikolai Fuchs te raadplegen. Ik trek mijn stoute schoenen aan en stuur hem een e-mail. Binnen een dag krijg ik een antwoord. Hij had op het congres ‘free by heart’ gesproken en kan zijn speech niet meer precies reconstrueren. “Waarschijnlijk heb ik het volgende gezegd,” aldus Fuchs. “Als je landbouwgrond beschikbaar stelt aan biologische en biodynamische boeren dan maak je complexere landbouwsystemen mogelijk. En in een complex systeem ontstaan er meer gradaties van vrijheid.”

Met vrijheid bedoelt Fuchs de mogelijkheid om te evolueren. Oftewel: hoe meer gradaties van vrijheid er zijn hoe beter het systeem zich duurzaam kan handhaven en ontwikkelen. Fuchs: “De praktijk wijst uit dat er op boerderijen, die het eigendom van de gemeenschap zijn, vaak een grotere diversiteit en complexiteit wordt ontwikkeld. In die zin genereert vrije grond meer vrijheid in het systeem.”

De relatie die Fuchs in zijn speech heeft gelegd is die van vrije grond en complexe landbouw. En dat is eigenlijk een nog veel mooiere reden om donateur te worden van Stichting Grondbeheer. Want een ander woord voor complexe landbouw is herstellende landbouw, oftewel: agrarische ecosystemen die voedsel produceren en tegelijkertijd de natuurlijke balans van grond en omgeving herstellen. Kortom, door met winst uit het economische leven landbouwgrond vrij te maken, krijgen we een schenkstroom van schone lucht, schoon drinkwater, een rijke biodiversiteit en mooi landschap terug. En als we dat uit bewuste dankbaarheid voor ons dagelijkse brood kunnen schenken, dan is het einde van de crisis en het begin van onze vrijheid als mens nabij. ||

Meer info: www.bdgrondbeheer.nl

Nieuwe ontwikkeling: eeuwigdurende obligaties aan toonder

Sinds haar oprichting heeft Stichting Grondbeheer een heldere missie: vruchtbare landbouwgrond veiligstellen voor huidige en toekomstige generaties. In de afgelopen decennia is Grondbeheer gestaag gegroeid: ze beheert inmiddels [2024] 612 hectare landbouwgrond verspreid over 31 (erf)pachtbedrijven. Tot nu toe werden de hectares aangekocht met schenkgelden en legaten. Landbouwgrond is extreem duur waardoor de groei traag verloopt. Tegelijkertijd is landbouwgrond extreem waardevast. De stichting is sinds haar oprichting dus een financieel stabiele en gezonde organisatie. Echter, de tijd heeft ons ingehaald. De vraag naar gezonde voeding heeft een hoge vlucht genomen en op de Warmonderhof, de opleiding voor biodynamische landbouw, studeert een groeiend aantal boeren en tuinders af. De vraag naar biodynamische landbouwgrond zal op de korte termijn ook toenemen. Stichting Grondbeheer heeft hierin een taak: zorgen dat die landbouwgrond beschikbaar komt. Het werven van schenkgelden blijft onverminderd urgent. Om meer slagkracht te krijgen, heeft Grondbeheer op 24 juni 2016  een nieuw financieel product gelanceerd: eeuwigdurende obligaties aan toonder. Met dit product wil Grondbeheer de interesse wekken van investeerders die hun spaargeld aan het werk willen zetten voor een waardevolle wereld.

.

Waarom landbouwgrond geen handelswaar is volgens de sociale driegeleding

Stichting Grondbeheer is in 1978 opgericht. Het idee voor een grondbank met biodynamische landbouwgrond is destijds uitgewerkt door de Studiegroep Economie van de Antroposofische Vereniging. Die studiegroep wilde de sociale driegeleding naar de praktijk vertalen. Steiner maakt daarin onderscheid tussen drie soorten geld: koopgeld, schenkgeld en leengeld. Koopgeld rolt heen en weer tussen handelaren, producenten en consumenten. Schenkgeld maakt nieuwe ontwikkelingen mogelijk zoals wetenschap, onderwijs en kunst. En leengeld zit er tussenin en stimuleert vernieuwingen in het productiesysteem. “Grond is essentieel anders dan een machine of een gebouw”, redeneerden de leden van de studiegroep. “Want grond is niet door mensen geproduceerd. Daarom past het niet bij de aard van grond om die te bezitten of te verhandelen.” Volgens hen was de productiedruk in de landbouw, die ten koste gaat van het milieu, alleen op te lossen wanneer landbouwgrond met schenkgeld en leengeld uit het economische verkeer gehaald zou worden. Om dat ideaal te realiseren is Stichting Grondbeheer in het leven geroepen.

.

[1] Sociale driegeledingalle artikelen

Algemene menskunde voordracht 9: v.a. [9-5] alle artikelen over ‘de wereld is waar’

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeld:  alle artikelen

.

3199-3011

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – De wereld is waar……(5)

.

Algemene menskunde voordracht 9 [9-5-3-4]*

.

DE WERELD IS WAAR…..

Voor de verschillende leeftijdsfasen: 0 -7; 7 – 14 en 14 – 21, gaf Steiner een soort ‘overkoepelend motief’ aan:

In de 1e fase zou door opvoeding en onderwijs heen moeten klinken dat ‘de wereld goed is;
voor de 2e, dat ‘de wereld mooi is’,
voor de 3e, dat ‘de wereld waar is’.

We worden ‘als wereld’ al geruime tijd geconfronteerd met het feit dat het allemaal niet zo ‘goed, mooi en waar’ is.

En dat ervaren onze kinderen ook en naarmate ze ouder worden steeds meer.

En hoe kan je de puber, de adolescent, de jong volwassene als opvoeder laten ervaren dat er – juist op de gebieden waar het niet goed gaat – ook idealen kunnen zijn om het beter te maken.

Idealen koesteren is niet genoeg

N.a.v. een publicatie van Jesse Mulder Antroposofie doen?heb ik Steiners opmerkingen over het ‘imponderabele’ weergegeven.
Overduidelijk blijkt daaruit dat het niet om de woorden gaat, maar om de stemming, beleving die daaraan ten grondslag liggen. 

Dat is niet iets exclusiefs van Steiner: we weten allemaal dat het niet aankomt op woorden, maar op daden.
Ofwel: hoe worden idealen ‘wil’.

En hoe komen we aan idealen?
Door ideeën te bestuderen die je inzicht kunnen geven in een andere aanpak, van b.v. de grote problemen in de landbouw.

Opgegroeid in agrarisch gebied heb ik als jong mens gezien hoe de kleinschaligheid verdween ten gunste van almaar groter, intensiever.
Kunstmest, gif: aanvankelijk beleefden we dat als vooruitgang, maar nu weten we dat het een ernstig averechtse werking heeft: wat het ‘leven’ betreft: de biodiversiteit lijdt zwaar: steeds minder soorten overleven.

Wanneer ik de gezichtspunten lees die John Hogervorst hier over ‘eigendom van grond’ toelicht, 

Als alle dingen de juiste prijs hebben, komt niemand tekort. Waarom is dat nu nog niet zo? Dat komt door prijsvervuiling en prijsvervalsing. Die komen voort uit de manier waarop wij met eigendom omgaan. Grond en kapitaal zijn zaken die geen eigendom zouden moeten kunnen zijn: ze moeten onverhandelbaar worden gemaakt. In de huidige economie vormt het feit dat ze wél eigendom zijn het vehikel van eigenbelang. Onze omgang met eigendom geeft egoïsme (in de vorm van deelbelangen en groepsbelangen) in de economie ruim baan, met desastreuse gevolgen. Dat dit niet langer kan gebeuren, zou te regelen zijn met andere wetgeving. Dan zorg je ervoor dat een onderneming geen eigendom meer kan zijn: grond en kapitaal kun je niet meer bezitten en verkopen – je kunt alleen het recht krijgen ze tijdelijk te gebruiken. Daarmee wordt het egoïsme in de economie aan banden gelegd.

kan ik daar enthousiast voor worden: stel je voor dat een boer niet meer het kapitaal nodig heeft voor grond – toen ik in Drenthe woonde en de schaalvergroting nog volop doorging, doopte een boer de naam van zijn boerderij om in RABO-hoeve….- dan kunnen er – ten gunste van het leven: dieren, planten en aarde – veel gezondere dingen gebeuren.

En met Steiners idee dat er bij een bepaalde hoeveelheid grond een bepaalde hoeveelheid dieren hoort die – zonder dat er mest overblijft – die grond kunnen bemesten, zou als boeren in staat gesteld zouden worden met zo’n bedrijfsvoering te kunnen werken, het mestoverschot niet bestaan.
(Exacter daarover inVruchtbare aarde, voordracht 2)’.

En om de daad bij het ideaal te voegen: via de stichting Grondbeheer kan dat.

Stel je voor dat de 8000 leden van Facebook vrijeschool en de 1800 van Facebook groep Antroposofie, jaarlijks gemiddeld 10 euro zouden geven, dan kan er jaarlijks door deze groepen alleen al, voor ca 100.000 euro aan grond worden aangekocht.

Je kan donateur worden, maar ook een eenmalige bijdrage leveren.

Op weg naarde hoogste kwaliteit, voor de eerlijkste prijs

Was ik bovenbouwleraar: ik zou er mijn leerlingen graag over vertellen!

.
Meer nog overvrije grond

Vanaf klas 7 biedt de voedingsleerperiode aanknopingspunten. Hier een reeks artikelen.

Sociale driegeledingalle artikelen

Algemene menskunde voordracht 9: v.a. [9-5]* alle artikelen over ‘de wereld is waar’

Algemene menskundealle artikelen

Vrijeschool in beeld:  alle artikelen

.

3193-3005

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (9-9/3)

.

Een reactie op het artikel van Loek Dullaart.

.

John Hogervorst, Motief 238 december 2019
.

Hoe ontkoppel je arbeid echt van inkomen?
.

Het idee van het basisinkomen jaagt veel mensen het hoofd op hol, zozeer dat zij werkelijk lijken te menen dat ‘gratis geld voor iedereen’ maatschappelijk gezien een stap in de goede richting is. Toch, zou je denken, hoef je geen economische of andere specifieke deskundigheid te bezitten om te weten: gratis geld bestaat niet, vroeg of laat wordt het ‘in rekening gebracht’.

In zijn artikel Basisinkomen: een goede start (Motief 236 van oktober) verwijst Loek Dullaart meerdere malen naar een artikel over het basisinkomen dat ik voor Antroposofie Magazine (juni 2019) schreef. Ik reageer daar graag op en geef er maar meteen bij aan: dat doe ik op basis van wat ik heb kunnen begrijpen van de sociale driegeleding, en in het bijzonder van Rudolf Steiners economische inzichten. Steil in de leer als ik ben, baseer ik mij ook liever op Rudolf Steiner ‘als econoom’ dan op de ‘goede en degelijke economen’, zij blijven verder zonder naam, op wie Loek Dullaart zijn vertrouwen richt.

Steiners economie begrijpen is geen makkelijke aangelegenheid. Maar zijn in meerdere varianten uitgesproken stelling dat de economische wetenschap ver achterloopt bij de werkelijkheid van de economie, kunnen we allemaal begrijpen. Al is het maar door te kijken naar wat de moderne economie (ook) teweegbrengt: een perverse verdeling van welvaart; uitbuiting van miljoenen arbeiders en de dreigende onleefbaarheid van de aarde. Voor wat betreft de hoofdstroom van de economische wetenschap mogen we concluderen: déze stelling van Steiner is helaas nog niet achterhaald.

Wie de wereldwijde situatie werkelijk in zijn bewustzijn op kan nemen, zou tot de gedachte kunnen komen dat we ons denken en ons willen misschien op andere zaken dan het basisinkomen zouden kunnen richten. Niet alleen omdat in de sociale driegeleding en Steiners economische inzichten de aanknopingspunten liggen om tot echte oplossingen te komen. Ook omdat datgene waar het, naar ik meen, de voorstanders van het basisinkomen om te doen is, haast als vanzelfsprekend bewerkstelligd zou worden als we ernst zouden maken met dit deel van Steiners impuls.

Over de ontkoppeling van arbeid en inkomen die Rudolf Steiner bepleitte, bestaan veel misverstanden. Loek Dullaart stelt dat invoering van het basisinkomen in die ontkoppeling een eerste stap is, die ook nog eens in lijn zou zijn met de zogenaamde ‘sociale hoofdwet’, die Rudolf Steiner in 1905 formuleerde. Ik denk niet dat Rudolf Steiner het daarmee eens zou zijn. Bijvoorbeeld niet, omdat de sociale hoofdwet over een geheel van samenwerkende mensen handelt en Steiner in de artikelen waarin hij die wet introduceerde, eenduidig aangeeft dat het voor zo’n geheel van samenwerkende mensen noodzakelijk is dat zij verenigd zijn in een gezamenlijke spirituele missie. Waar wij mogelijk in kleine kringen al hebben gemerkt hoe moeilijk het is om een gezamenlijke spirituele missie ‘te leven’, laat zich de vraag stellen hoe dat dan in het geheel van de samenleving moet, en wat dan die gezamenlijke spirituele missie zou zijn.

De sociale hoofdwet gaat over het handelen en leven vanuit altruïsme (liefde, zo men wil). Een regeling, zoals de invoering van het basisinkomen, brengt deze wenselijke werkelijkheid niet dichterbij.

Vanaf 1919 – in de zogenaamde ‘driegeledingstijd’ – was ‘de ontkoppeling van arbeid en inkomen’ een thema waarop Rudolf Steiner herhaaldelijk terugkwam, zonder dat hij daarbij de sociale hoofdwet betrok (want die gaat in essentie over iets anders). Het werken in loondienst is in Steiners ogen een restant van wat wij kennen als slavernij. ‘Arbeid is geen koopwaar’, stelt Steiner, en waar sprake is van een loondienstverband is dat toch het geval. Veel mensen moeten dat kunnen of hebben ervaren: de huidige omstandigheden dwingen hen hun capaciteiten op de ‘arbeidsmarkt’ aan te bieden, waar hun arbeid speelbal is van de wetten van vraag en aanbod. Eenmaal aan het werk zijnde, zijn er vele situaties waarin de loondienstwerker kan ervaren hoe hij, in het groot en in het klein, gedwongen is zijn arbeid te ‘verkopen’ – en daarmee een stukje van zichzelf Dat moet anders, betoogde Steiner – steil in de leer als hij was – en terecht.

En hoezeer het wellicht maatschappelijk gezien moeilijk is om de ontkoppeling van arbeid en inkomen te realiseren, deze ontkoppeling te begrijpen is eigenlijk niet zo heel moeilijk: niet de arbeid zelf (en daarmee een deel van de werkende mens) maar het resultaat van arbeid kan betaald (verhandeld) worden. Dat betekent dat inkomen – als tegenprestatie voor het resultaat van de arbeid van de werkende mens – in de sfeer van het rechtsleven, waar ieder mens een gelijkwaardige stem heeft – verdeeld moet worden in verhouding tot het aandeel in het gezamenlijke geheel van ieders individuele prestatie (overigens staat het deze samenwerkenden dan vrij om bij de verdeling van inkomen nog andere criteria aan te leggen).

Je kunt je dat bijvoorbeeld voorstellen in een context waarin nationale wetgeving bestaat over een toegestane bandbreedte van inkomensverschillen, waarbij op de concrete plekken waar mensen samenwerken op basis van gelijkwaardigheid en gemeenschappelijk inzicht wordt bepaald hoe het voor inkomen beschikbare bedrag verdeeld wordt. Het feit dat iedere betrokkene daarin in gelijkwaardigheid meespreekt en besluit, maakt een einde aan ‘het verkopen van arbeid’ en betekent de ontkoppeling van arbeid en inkomen zoals Rudolf Steiner bedoelde. Wie het basisinkomen propageert, mag dat rustig doen – maar doet dat met ondeugdelijke middelen wanneer hij zich daarbij beroept op de sociale hoofdwet of Steiners idee over de loskoppeling van arbeid en inkomen.

Het idee van het basisinkomen gaat, ook in het betoog van Loek Dullaart, vaak gepaard met het beeld dat de individuele mens ‘vrij’ moet zijn om dat te kunnen doen wat hem/haar bevalt of wat hij/zij op basis van een persoonlijke afweging nodig vindt. Dat klinkt heel aantrekkelijk, maar is weinig sociaal.

Wie wil en kan werken moet zich laten leiden door wat nodig is – en dat wat nodig is wordt aangegeven door de behoeften van de anderen. Die hebben behoefte aan welvaart (daarmee bedoel ik hier: de producten die in de economie worden gemaakt) of welzijn (hier opgevat als al het andere dan welvaart waaraan de mens, als lid van de samenleving, óók behoefte heeft, zoals: een stelsel van wetten en regels dat ook bewaakt wordt, veiligheid, de vruchten van gezondheidszorg, onderwijs, kunst, wetenschap, religie enzovoort).

Het sociale bestaat hierin: dat je je capaciteiten inzet om aan de vervulling van de behoeften van anderen te werken. Wie slechts zijn eigen behoeften ‘leeft’… zou hij/zij van de samenleving mogen verwachten dat deze hem/haar daartoe in staat stelt door middel van een basisinkomen? Wat is daar sociaal aan?’

Op dit punt moeten we de vraag stellen wat ‘arbeid’ eigenlijk is. Wanneer ik het kort door de bocht formuleer, zou ik zeggen: arbeid is een manier om – in heel ernstige zin – betekenis te geven aan mijn bestaan. Arbeid is namelijk iets dat ik niet voor mijzelf, niet voor mijn eigen kringetje, maar voor ‘de ander’ doe. Het is ‘de ander’ die consumeert wat ik in de economie maak; het is ‘de ander’ aan wiens welzijn ik bijdraag wanneer ik in de zorg, het onderwijs of elders buiten de economie werkzaam ben. -Dat de ander werkelijk behoefte heeft aan het resultaat van mijn inspanning, blijkt uit het feit dat hij een tegenprestatie levert voor wat ik deed: in de vorm van (een deel van mijn) inkomen.

In één ding geef ik Loek Dullaart gelijk: ik ben geen voorstander van de invoering van het basisinkomen. Enthousiasme, goede wil of naïviteit maken van een slecht idee nog geen beter idee. En inderdaad, in mijn ogen is het basisinkomen, indien verwerkelijkt, niets anders dan ‘dweilen met de kraan open’.

Die kraan blijft openstaan zolang we niet tot de kern van de problemen van deze tijd doordringen en bijvoorbeeld zien hoe de manier waarop we met het eigendom van grond en kapitaal en bedrijven omgaan direct en desastreus inwerkt op de drie hierboven genoemde grote wereldwijde problemen. Langs die weg kan een einde worden gemaakt aan de volstrekt scheve verdeling van bedrijfsresultaten tussen ‘kapitaal’ (eigenaren/aandeelhouders) en ‘arbeid’ (de werkers); aan de dolgedraaide zucht naar winstmaximalisatie (en daarmee aan het vernietigen van de aarde) en aan de gesel die de speculatieve financiële praktijken vandaag de dag feitelijk zijn.

En doordat voor de werkenden (vrij fors) meer inkomen beschikbaar is, zijn daarmee zaken als verkorting van arbeidstijd én versterking van sectoren als de zorg en het onderwijs direct mogelijk. Dit laatste zou de voorstanders van het basisinkomen kunnen aanspreken. De weg daarnaartoe is echter een andere dan zij menen. 

.

Sociale driegeledingalle artikelen  op deze blog, w.o.  bij [9..] over (basis)inkomen

Vrijheid van onderwijsalle artikelen

100 jaar vrijeschoolalle artikelen

.

3190-3002

.

.

.

.