Categorie archief: Rudolf Steiner

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over de leerkracht (GA 298)

.

Rudolf Steiner over de leerkracht
.

“En dat is de positie van de Vrije Schoolleraar: hij wordt niet bedolven onder voorschriften, maar krijgt alleen goede raad mee. Hij moet zelf, elke leraar naar zijn eigen aard, kijken hoe hij die goede raad uitwerkt. Want elke leraar is toch een ander mens? En als men nu tot in de details voorschrijft wat de leraar moet doen, dan denkt men blijkbaar dat alle leraren hetzelfde zijn. Probeert u zich eens in te denken tot welke consequenties dat leidt. Als men ernst maakt met het strikt doorvoeren van allerlei voorschriften – als goedbedoelde pedagogisch abstracte beginselen van mensen die menen dat er maar één manier is om kinderen op te voeden, daadwerkelijk worden ingevoerd – dan valt de ene leraar niet meer van de andere te onderscheiden. Men zou alle leraren met elkaar kunnen verwisselen, omdat ze dan allemaal volgens dezelfde abstracte beginselen opvoeden en onderwijzen. Maar een leraar is een mens. Een individualiteit. En hij kan alleen werken als hij zich als mens kan inzetten, met de volledige zelfstandigheid van zijn wezen Alleen dan kan hij werkelijk werken.”
GA 298/216 e.v
Op deze blog vertaald/216 e.v.


Een fragment uit: VRIJ om te worden wie je bent, Rudolf Steiner (Minibrochure, € 3,00)

‘SOCIALE DRIEGELEDING’

website

Nummers van tijdschrift Driegonaal

Agenda van activiteiten

Sociale driegeledingalle artikelen op deze blog

Vrijheid van onderwijs: alle artikelen

.

3435-3233

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner † 30-03-1925 (4)

.

In een paar artikelen besteedde ik aandacht aan de vele uitspraken van Steiner die kunnen helpen je leven te verrijken met inzichten voor de pedagogie, maar ook door de vele filosofische, dan wel psychologische of die ook blijk geven van een diepe mensenkennis. 

Bepaalde uitspraken kunnen veel warmte oproepen in je ‘lerarenziel’:

De wordende mens, de zich ontwikkelende mens is een van de grootste raadsels van het leven en een goede opvoeder moet in de praktische vorming van de wordende mens degene zijn die het raadsel oplost.

De leerkracht moet een ongekende eerbied voor het kind hebben en weten: iets uit de goddelijk-geestelijke wereld is naar de aarde gekomen. Dat wij dit weten, tot ons hart laten doordringen en van daaruit opvoeder worden, daar komt het op aan.

Binnen in het kind werkt de god in de mens, en die werkt door het levend-fysieke heen.

.

is het hier alles goud wat er blinkt?
.

Al dit soort uitspraken zijn gedaan in pedagogische voordrachten!
In de jaren dat die worden gehouden: 1919-1924 spreekt Steiner ook in de vergaderingen met de leerkrachten van de eerste vrijeschool.

Dan kun je ineens uitspraken tegenkomen die ik althans, heb ervaren als tegenstrijdig met die andere.

We weten niet precies in welke context die zijn gesproken, of er goed genotuleerd is, maar feit is wel dat ze van Steiner afkomstig te boek staan.

Hoe schril is de tegenstelling tussen ‘het uit de goddelijke wereld’ en bv. kwalificaties n.a.v. kinderbesprekingen: kinderen die Steiner dan zelf had waargenomen:

‘een zielsmatige regenworm [1] ; een uitgesproken misdadigertype [2]; denkt op het niveau van een kalf [3] ; een Bolsjewiek [4] ; van nature zeer dom [5] ; dit zijn van die gevallen die veel vaker voorkomen: er worden kinderen geboren die eigenlijk wat het hoogste Ik betreft, geen mens zijn, maar die vervuld worden door een soort natuurdemon, voor demonen kan je geen school oprichten. [6]

Hoe het ook zij: het is niet aan ons, leerkrachten, om dergelijke of soortgelijke uitspraken over kinderen te doen. 
Onze oordelen over hen zouden we met de grootst mogelijke zorg moeten formuleren; open, met als ondertoon altijd de vraag of ‘we goed zitten’. 
Geen quasi wijze uitspraken in de trant van ‘het is goed voor zijn incarnatie’, want laten we eerlijk zijn, dat weten we gewoon niet. Tenzij we die incarnatie helderziend zouden kunnen waarnemen. Maar wie durft van zichzelf te beweren dat je daartoe in staat bent.

Een herdenking van een sterfdag kan ook weer tot een nieuwe impuls leiden:

Wat hebben we aan Steiner op pedagogisch gebied veel te danken.
Waar moeten we nog hard aan werken: om het te begrijpen en in pedagogie/methodiek om te zetten.
Waar spreken we hem met een bepaalde zekerheid na, terwijl we die zekerheid niet hebben: dat wordt vooral gevoeld door oudere bovenbouwleerlingen die ‘in de jaren des onderscheids’ steeds meer gaan inzien welke welke leraren ‘echt’ waren en welke met veel antroposofische know-how echt leken, maar het niet waren in de relatie met de leerlingen.

Enthousiast kunnen worden voor ‘behapbare’ ideeën, er warm van en voor worden en ze in je handelen omzetten: genoeg te doen op weg naar zijn 150e sterfdagherdenking.

[1] GA 300a/117
Op deze blog vertaald/117
[2] GA 300a/152
[3] GA 300b  /154
[4] GA 300a/96
Op deze blog vertaald/96
[5] GA 300b/154
[6] GA 300c/70

.

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Algemene menskunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3426-3224

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner † 30-03-1925 (3)

.

Over enkele dagen zal er bij vele gelegenheden worden stilgestaan bij de 100e sterfdag van Rudolf Steiner.

Er zal worden nagegaan wat zijn invloed was, is of nog zou kunnen zijn.

Er zal ook wel klinken dat veel is ‘achterhaald’, immers 100 jaar….

En, met name in Duitsland, zal er weer ‘kritisch worden gekeken’.

Zo was er een uitzending van SWR waarin Steiner o.a. een ‘gevaarlijke denker‘ wordt genoemd.
(Wat er dan zo gevaarlijk zou aan zijn gezichtspunten zoals deze hier en hier, wordt niet besproken).

En natuurlijk, altijd weer ‘Steiner als racist‘.

Dat is, voor wie kritiek wil leveren, ook meestal de ‘binnenkomer’ en een makkelijke, want
wie wil er in deze tijd nog geassocieerd worden met ‘racistisch gedachtegoed.’

De critici [hier] en [hier] leggen graag het verband van ‘Steiners racisme’ met de vrijeschool.

Immers: in 1996 – bijna een generatie geleden – kwam in het nieuws dat er op een aantal vrijescholen ‘rassenkunde’ werd gegeven. 
De leerkrachten die dit gaven, deden dat – dat blijkt uit hoe ze de inhoud beschreven – niet om het ene ras als beter, als superieur af te schilderen of het andere als inferieur, ze wilden een verklaring geven over de verschillende rassen op aarde en waarom ze er zo uitzien als ze eruit zien en, over hun aard. 

Ze gaven daarmee ‘antroposofische inhouden’ en ze hadden kunnen weten dat dat nu beslist door Steiner werd afgewezen. In vele passages in zijn voordrachten: ‘geen antroposofische, c.q. wereldbeschouwelijke school.’

Door Steiner is er in zijn pedagogische voordrachten als basis voor de vrijeschoolpedagogie, -didactiek en -methodiek nooit over een vak ‘rassenkunde’ gesproken. 

Zelf ben ik eens door een – bijna haatdragende – criticaster beschuldigd een racist te zijn, want ‘als je zo enthousiast bent over Steiner kan het niet anders of je moet ook enthousiast zijn over die gezichtspunten.’

Maar – en dat is meestal het geval met de critici: – ze hebben zich zo weinig echt verdiept dat ze alleen gefocust blijven op hun (enige?) zekerheid: hun punt van kritiek. 

In een voordracht in GA 94 over de ingewijde leraar (Steiner spreekt het niet uit, maar het is tussen de regels duidelijk dat hij zich ook onder hen rekent) 

In der abendländischen Einweihung bleibt der Einzuweihende unabhängig, und der Lehrer ist nur ein Erwecker. Der abendländische Lehrer will weder herrschen noch bekehren, sondern allein erzählen, was er geschaut hat. Welches ist nun die Art und Weise, wie man auf ihn zu hören hat? – Es gibt in Wirklichkeit drei Arten zu hören: hören, indem man sich dem Wort als einer unfehlbaren Autorität unterwirft; hören, indem man sich auflehnt gegen das, was man hört; schließlich das einfache Hinhören ohne knechtischen und blinden Glauben, gewissermaßen ohne systematische Opposition, indem man einfach die Ideen auf sich wirken läßt und ihre Wirkungen beobachtet. So muß in der abendländischen Einweihung die Haltung des Schülers seinem Lehrer gegenüber sein. Was nun den Lehrer betrifft, so weiß er, daß er, um der Meister zu sein, der Diener sein muß. Es handelt sich für ihn nicht darum, die Seele seines Schülers nach seinem Bilde zu modeln, sondern ihr Rätselvolles zu ahnen und aufzulösen. Was er lehrt, ist nicht eine Glaubenslehre, oder vielmehr, es ist eine Lehre, die aber nur Wert hat, indem sie der inneren Entwickelung dient. Jede Wahrheit, die nicht gleichzeitig eine Lebenskraft ist, ist eine unfruchtbare Wahrheit. Deshalb ist es notwendig, daß jeder Gedanke Zugang zur Seele finde. Er tut dies nicht, wenn er nicht vom Gefühl durchströmt ist; sonst ist er ein totgeborener Gedanke.

In de inwijding in het Avondland blijft de in te wijden persoon onafhankelijk en is de leraar slechts iemand die wakker maakt. De leraar in het Avondland wil noch heersen noch bekeren, maar enkel vertellen wat hij gezien heeft.
Dus wat is de manier om naar hem te luisteren? –

Er zijn eigenlijk drie manieren van luisteren:

=luisteren door zich te onderwerpen aan het woord als een onfeilbare autoriteit;
=luisteren door in opstand te komen tegen wat men hoort;

=gewoon luisteren zonder slaafs en blind geloof, zonder systematische oppositie, om zo te zeggen, door de ideeën gewoon toe te laten en hun effecten te observeren.

Dit moet de houding zijn van de leerling ten opzichte van zijn leraar bij de inwijding in het Avondland.

Wat de leraar betreft, hij weet dat hij, om de meester te zijn, de dienaar moet zijn.
Voor hem is het geen kwestie van de ziel van zijn leerling te modelleren naar zijn eigen beeld, maar van het doorgronden en oplossen van haar mysterie. Wat hij onderwijst is geen geloofsleer, of liever, het is een leer die alleen waarde heeft als het de innerlijke ontwikkeling dient. Elke waarheid die niet tegelijkertijd een levenskracht is, is een onvruchtbare waarheid. Daarom is het noodzakelijk dat elke gedachte toegang vindt tot de ziel. Dat lukt niet als ze niet doortrokken is van gevoel; anders is het een doodgeboren gedachte.
GA 94/41-42
Niet vertaald

‘gewoon luisteren zonder slaafs en blind geloof, zonder systematische oppositie, om zo te zeggen, door de ideeën gewoon toe te laten en naar de uitwerking ervan te kijken.’

En dus, voor mij is het niet interessant of aan de orde, of we Steiner een racist kunnen of moeten noemen. Dat is a.h.w. verleden tijd.
Wat voor mij telt is, of IK racist genoemd kan worden, wat mijn gezichtspunten zijn (geworden) door Steiner te bestuderen.
En dan gaat het voor mij niet om een verleden, maar om de toekomst.

En dat geldt bij Steiner eveneens!

De critici die weer met ‘dat racist’ aan komen zeulen, vermelden nooit:

( ) ein Mensch, der heute von dem Ideal von Rassen und Nationen und Stammeszusammengehörigkeiten spricht, der spricht von Niedergangsimpulsen der Menschheit. Und wenn er in diesen sogenannten Idealen glaubt, fortschrittliche Ideale vor die Menschheit hinzustellen, so ist das die Unwahrheit, denn durch nichts wird sich die Menschheit mehr in den Niedergang hineinbringen, als wenn sich die Rassen-, Volks- und Blutsideale fortpflanzen.( ) 

Wie het tegenwoordig heeft over rassen, naties en stamverbanden als idealen, die spreekt vanuit impulsen die de mensheid ontredderen. En als hij meent met deze zogenaamde idealen de mensheid te dienen, dan is dat onwaar. Want niets zal de neergang van de mensheid meer bevorderen, niets de vooruitgang meer belemmeren, dan het zich beroepen op en het vasthouden aan idealen van ras, volk en bloed.
GA 177/blz.220.
Niet vertaald

Spreekt Steiner over ‘de mens’ of over de mensheid, dan is nergens uit op te maken dat het om de ‘witte mens’ gaat of de Europese mensheid. Het betreft alle mensen.

Aber gerade das will anthroposophische Weltan­schauung, daß die Menschen die Möglichkeit gewinnen, sich über die Erde hin zu verständigen.

Dit wil de antropo­sofische wereldbeschouwing: dat de mensen de mogelijk­heid ontwikkelen overal op aarde begrip voor elkaar te hebben.
GA 303/297
Vertaald/331

Denn das ist ja einer der Hauptschäden unserer gegenwärtigen sozialen Zustände, daß der eine Mensch so wenig versteht, was der andere tut. Wir müssen tatsächlich dazu kommen, nicht als abgesonderte einzelne Menschen oder Gruppen dazustehen, sondern mit vollem Verständnis der eine dem anderen gegenüberzustehen.

Een van de belangrijkste gebreken van onze huidige sociale toestan­den is, dat de ene mens zo weinig begrijpt van wat de ander doet. We moeten zover komen dat we niet als geïso­leerde, afzonderlijke mensen of groepen komen te staan, maar vol begrip voor elkaar.
GA 307/228
Vertaald/294

Anthroposophie ist absolut das Gegenteil von jedem Fanatismus.

Antroposofie is absoluut het tegendeel van elke vorm van fanatisme.
GA 297/274
Op deze blog vertaald

Anthroposophie ist nirgends dazu da, fanatisch oder sektenhaft aufzutreten, sondern nur, um zu sagen, wie die Dinge sind.

Antroposofie wil op geen enkel gebied een fanatieke of sektarische rol spelen op, ze wil alleen zeggen hoe de dingen zijn. 
GA 354/107
Niet vertaald

Er is door Steiner heel veel gebracht aan inzichten op allerlei gebied. 
Je kan een keus maken van wat jou interesseert. Dan nog is het veel en soms moeilijk te begrijpen, tot – voor mij – onbegrijpelijk.

Maar wat ik meen te begrijpen, die inzichten van Steiner hebben mijn leven verrijkt.
Ik ben het lot dankbaar dat zijn ideeën mijn denken, voelen en willen zijn gaan inspireren.

.

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3423-3221

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner † 30-03-1925 (2)

.

.
Over enkele dagen zal er bij vele gelegenheden worden stilgestaan bij de 100e sterfdag van Rudolf Steiner.

Er zal worden nagegaan wat zijn invloed was, is of nog zou kunnen zijn.

Er zal ook wel klinken dat veel is ‘achterhaald’, immers 100 jaar….

Hier wat uitspraken op filosofisch-psychologisch gebied die m.i. de komende 100 jaar zeker niet aan inhoud zullen inboeten.

Dit is maar een klein deel van wat in Steiners nalatenschap is te vinden.

2
Vooroordelen ruïneren altijd het diepere inzicht.

3
We moeten ons bewust zijn van de achtergronden, de fundamenten van ons handelen.

7
Alle zielenroerselen drukken zich uit, openbaren zich in het lichaam.

U moet de hele mens leren begrijpen: naar geest, ziel en lichaam.

14
Het lichamelijke kan slechts begrepen worden wanneer men het beschouwt als een openbaring van de geest en ook van de ziel.

17
Door feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.

18
We moeten loskomen van de woorden en we moeten de geest der dingen zoeken. Wanneer we iets willen begrijpen, moeten we niet dadelijk aan het woord denken, maar zoeken naar de feitelijke verbanden.

20
De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.

24
Men moet altijd het een met het ander verweven, want in het leven is alles met elkaar verweven.

25
U kunt overal de uiterlijke verschijningsvormen beschouwen als openbaringen van het innerlijk. En u begrijpt de uiterlijke vormen slechts, wanneer u ze ook als openbaringen van het innerlijk ziet.

36
Al de uiterlijke processen zijn eigenlijk altijd een uiterlijke

manifestatie van innerlijke processen, hoe vreemd dit ook moge klinken voor een slechts op het uiterlijk gerichte wereldbeschouwing.

37
U moet proberen door te dringen tot in alle aspecten van het wezen van de mens.

39
Het ergste is deel uit te maken van een door mensen gemaakte wereld, zonder dat men met deze wereld te maken wil hebben.

43
U moet er in de allereerste plaats van uitgaan, dat de mens een wezen is dat voortdurend in wording is. En dat is iets wat we in ons bewustzijn als opvoeder ons steeds eigen moeten maken, dat de mens voortdurend in wording is, dat hij in de loop van zijn leven metamorfosen ondergaat.

45
Goethe heeft vanuit zijn wereldbeeld immers de fraaie gedachte gevormd dat het normale bestudeerd kan worden aan de hand van het abnormale.

46
Het is noodzakelijk om de blik te richten op het gehele zielenleven.

60
Juist wat binnen bepaalde grenzen gerechtvaardigd is, leidt tot onheil wanneer het buiten die grenzen toegepast wordt.

61
Zich ontwikkelen is slechts de omvorming van onze groeikrachten.

66
Je kunt de mens niet leren kennen, zonder hem als wordend te leren kennen.

67
De mens is niet alleen maar het uiterlijk fysieke organisme waarover de natuurwetenschap ons grootse, geweldige verklaringen geeft die niet hooglijk genoeg kunnen worden gewaardeerd. De mens is ook ziel en geest.

87
Je leert de dingen pas in hun realiteit kennen, wanneer je ze in de wereld reëel met elkaar in verband kan brengen.

91
Gewoonlijk is het in het leven niet zo dat een streng gescheiden of – of juist is, maar een en – en. Zowel het een als het ander speelt in het leven een rol.

96
Het leven verdraagt niet dat men alles indeelt in typen. Het leven vraagt dat alles in beweging is.

98
Men ziet niet in hoe al het stoffelijke vanuit de geest gevormd wordt en hoe al het geestelijke eigenlijk zich gelijktijdig manifesteert als iets fysieks.

99
Je moet overal  naar alle verschijnselen zoeken waarin een zaak zich voordoet. Je kunt niet alleen maar rekening houden met wat meteen voor de hand ligt.

117
Je moet, als je voor de mensheid op de aarde überhaupt begrip wilt krijgen met betrekking tot haar ethisch-religieuze doelstellingen, je enerzijds de onbevangen­heid eigen maken om niet het ene ideaal op zich als waarde­voller te beschouwen dan het andere, maar beide te willen begrijpen. 

118
Dit wil de antropo­sofische wereldbeschouwing: dat de mensen de mogelijk­heid ontwikkelen overal op aarde begrip voor elkaar te hebben.

122
Een absoluut ideaal laat zich nergens in het leven realiseren. Het gaat er steeds om: wat is in relatieve zin het beste?

124
Je moet overal reële, echte begrippen hanteren, niet die je jezelf aanpraat. 

128
Men moet alles met alles in verband zien.

138
In de ontwikkeling van de mensheid heb je niet het recht je een individualiteit te voelen, wanneer je niet tegelijkertijd voelt, dat je ook deel uit maakt van de hele mensheid.

145
En zo is het in het leven steeds – de dingen in het leven moeten overal vanuit de meest verschillende kanten bekeken worden.

147
Het leven bestaat niet uit bewijzen en weerleggen, leven bestaat uit beweging, uit verandering, uit metamorfose.

149
Wat in de ene situatie juist is, is in een andere situatie verkeerd en omgekeerd. Het leven moet in al zijn beweeglijkheid worden beschouwd.

150
Abstracte eisen dragen het kenmerk dat zij in hun abstractheid geen realiteit worden.

151
Wie in het leven 
werkelijk iets bereiken wil, moet geen abstracte, verheven idealen koesteren waarover hij z’n benen breekt of waaraan hij z’n hoofd stoot, maar die probeert steeds het leven te nemen zoals het is.

153
Voor de mens die sociaal wil zijn, zijn er twee dingen
 belangrijk: liefdevol achter je eigen doen en laten staan en begripsvol ingaan op het doen en laten van de ander.

154
Want als je overeenkomstig de realiteit denkt, dan kom je tot volkomen andere oordelen, ook over de zintuiglijke werkelijkheid, dan door middel van abstracties.

159
De welvaart van de mensen is des te groter, naarmate het egoïsme kleiner is
.

160
Levensecht de wereld begrijpen is totaal iets anders dan deze met dode begrippen omvatten.

183
Pas op het ogenblik dat de mens leert begrijpen: de wereld zelf is een kunstwerk, dat de mens leert zo naar de hele natuur te kijken dat hij in die natuur een scheppend kun­stenares ziet, op dat ogenblik pas is de mens op weg zich religieus te verdiepen.

186
Een van de belangrijkste gebreken van onze huidige sociale toestan­den is, dat de ene mens zo weinig begrijpt van wat de ander doet. We moeten zover komen dat we niet als geïso­leerde, afzonderlijke mensen of groepen komen te staan, maar vol begrip voor elkaar.

187
De idee is niet een begrip, de idee is een plastische vorm.

206
Iets is nog niet waar, wanneer het waargenomen en logisch is. Wat op zich logisch is, is nog geen waarheid. Waarheid wordt het pas, wanneer iets logisch is én in overeenstemming met de werkelijkheid.

208
Kritiek leveren is immers altijd makkelijker dan opbouwen.

229
Het leven is van ’s morgens tot ’s avonds op elk gebied  interessant. De kleinste dingen zijn interessant.

237
De wereld komt er niet door vooruit als je altijd het midden houdt; het midden is terecht aanwezig, als ook de afzonderlijke zijden aanwezig zijn en je deze als krachten in aanmerking neemt.

239
In het formuleren van onze zinnen moeten we meteen zo gewetensvol zijn dat we naar waarheid streven.

243
[ ]  het is onmogelijk de wetmatigheden die zich in de wereld voordoen, maar op één manier te vinden. Zolang je van mening bent dat alles opgehangen kan worden aan de werking van oorzaak en gevolg, sta je open voor tragische vergissingen.

245
Je bent erg verkeerd bezig wanneer je uit een geheel een deel neemt en dat gaat bekijken als iets wat op zich staat.

246
In plaats van naar het allerkleinste te kijken, zou je de blik moeten richten op het allergrootste, want daarin is te vinden wat in het kleinste zit. 

249
De mens is als fysiek wezen geen werkelijkheid op zich, maar hij is een fysiek wezen samen met de hele aarde

250
Wat werkelijkheid is, is meer dan waar het beperkte aardse mensenverstand in eerste instantie toegang toe heeft.

258
Onze manier van beschouwen is zeer zeker kijken met een bepaalde bril op, zodat we onze alledaagse bezigheden verrichten zonder de innerlijke samenhangen in de wereld daadwerkelijk te kennen.

259
Alles wat niet in de richting gaat van het begrijpen van de totale werkelijkheid, behoort eigenlijk al bij het leven dat in verval is.

260
Op het vlak van de kennis is het net zo noodzakelijk dat de mensen zich nu verdiepen in wat de opvattingen over de natuur kunnen bieden, als dat het ook noodzakelijk is dat zij zich verdiepen in wat geesteswetenschap kan bieden. Noch het een noch het ander omvat de volle waarheid, alleen het samengaan van beide in de menselijke ziel heeft de volle waarheid als resultaat.

266
Routine is de mechanisering van het leven.

273
Hoe materialistischer een mens wordt, hoe meer hij van de werkelijkheid vervreemdt.

274
Iets kan in hoge mate logisch zijn, geestrijk, maar dan hoeft het nog niet in overeenstemming te zijn met de werkelijkheid. In deze tijd hebben we juist een denken nodig dat realistisch is.

275
Het abstracte denken brengt ons er uiteindelijk toe dat we door louter abstracties de werkelijkheid niet meer zien.

280
Om de werkelijkheid te kennen, mag je nooit schematiseren, nooit ideeën zomaar naast elkaar zetten.

281
Je moet goed in de gaten hebben dat in de realiteit alles alleen maar zo bekeken kan worden dat als iets zich ergens als het belangrijkste voordoet, daar ook andere elementen van de werkelijkheid bijhoren en dat wat anders op de achtergrond blijft, in een andere situatie van de realiteit, het belangrijkste is en dat dat andere dan weer op de achtergrond staat.

284
We moeten tot heldere begrippen komen, geen vage. We moeten inzien dat uitgaan van begrippen, van definities, helemaal niets betekent, wél het waarnemen van de feiten zonder vooroordelen.

285
Je moet niet op de een of andere manier benepen tégen iets zijn.

286
Alleen door niet in schema’s te denken, kom je dichter bij de werkelijkheid.

288
Het leven ontwikkelt zich in tegenstellingen.

294
Antroposofie is absoluut het tegendeel van elke vorm van fanatisme.

299
Als het om het begrijpen van de dingen gaat, blijft ons intellect oppervlakkig. Het dringt niet in de diepere laag door, waar de waarheid te vinden is.

310
Bij antroposofische geesteswetenschap moet je innerlijk actief zijn, anders hoor je alleen woorden die je naar eigen goeddunken voor fantasterij kan houden. 

315
In deze tijd waarin we geloven met beide benen op de grond te staan, gaat het erom in te zien dat we met abstracte begrippen niet tot de werkelijkheid komen.

320
Niemand kan onbevangen over iets spreken waarvoor hij een bijzondere interesse heeft.

322
Leven betekent: voortdurend leren.

324
De taak van de geesteswetenschap is om in alle mogelijke theorieën het wezenlijke op te zoeken.

325
Je mag nooit een afgerond oordeel hebben over iets.

326
In de mensheid is een oeroude wet werkzaam: vermogens verwerven op het ene gebied gaat alleen wanneer er vermogens op een ander gebied minder worden.

328
Menselijk weten moet er altijd op uit zijn om tot de meest uiteenlopende filosofieën en wereldbeschouwingen, tot de geheimen van het leven door te dringen en de oerbronnen van het leven te vinden.

329
Alles wat de mens om zich heen ziet, is in ontwikkeling.

330
Wat naar de ene kant hoog is, is naar de andere kant laag en omgekeerd. Steeds heeft een ding in de werkelijkheid van het leven twee kanten. Steeds bepaalt het ene het andere.

332
Je mag geen oordeel geven dat je bevalt, maar je bent verplicht in je oordeel weer te geven wat overeenkomt met de werkelijkheid.

333
Elke tijd is een overgangstijd van het verleden naar de toekomst.

334
Iedereen kan zich inbeelden dat wat hij denkt, het juiste is. Hoe minder realiteitszin iemand heeft, des te meer zal hij zich meestal inbeelden dat wat hij denkt, het juiste is.

335
We geven ons aan illusies over wanneer we aan het uiterlijke leven blijven hangen.

338
De mens is een levend wezen dat zich in de tijd ontwikkelt. Een wordend wezen dat met iedere levensfase iets nieuws in zijn totale ontwikkeling in zich opneemt.

339
Wie de dingen verinnerlijkt begrepen heeft, kan tot een juist eigen oordeel komen.

340
Wat er eigenlijk van de antroposofie moet uitgaan is: wakker zijn, enthousiast zijn, haar kennis in activiteit, in de daad omzetten, zodat de mens niet alleen maar wat weet, maar iets door de antroposofie wordt.

342
Alles zou opgebouwd moeten worden met de ontwikkeling van de mens als uitgangspunt.

343
De grote wetmatigheden zijn overal aanwezig, maar op ieder gebied op een eigen manier.

345
Nu is het vooral nodig dat de mensen bij alles leren met de grootst mogelijke eerlijkheid in de eerste plaats naar waarachtige zelfkennis te zoeken en in de tweede plaats naar waarachtige kennis over de wereld.

351
Antroposofie wil op geen enkel gebied fanatiek of sektarisch optreden, ze wil alleen zeggen hoe de dingen zijn. 

364
Wil men de werkelijkheid benaderen, met name de werkelijkheid van de menselijke natuur, dan moet het duidelijk zijn dat iedere onderverdeling een onderverdeling is van een eenheid. Zou men zich alleen richten op die abstracte eenheid, dan zou men niets leren kennen. Zou men nooit indelen, dan zou de wereld altijd in het vage blijven.

De cijfers verwijzen naar ‘Rudolf Steiner wegwijzers‘ daar vind je de bron van de opmerkingen.

.

Rudolf Steineralle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3422-3220

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over sprookjes, mythen, sagen (GA 55)

.

Zie de inleiding bij GA 34 en  GA 57

Rudolf Steiner spreekt in de hieronder genoemde voordracht over ‘geestelijke ontwikkeling’.
In de inleiding bij GA 34 geef ik een triviaal voorbeeld van hoe de ene mens meer van een bepaald onderwerp weet dan een ander.
Nu gaat het bij ‘ingewijd zijn’ niet om een bepaald ‘weten’ dat je door studie je zou kunnen eigen maken.
Je gaat ‘anders’ en ‘iets anders’ waarnemen.

Als Steiner bij verschillende gelegenheden eenzelfde onderwerp bespreekt, voegt hij meestal weer iets nieuws toe; hij belicht e.e.a. weer vanuit een andere hoek, enz.

In deze voordracht staat hij langer stil bij hoe het bewustzijn van de mensheid zich ontwikkelde en veranderde. 

GA 55

Die Erkenntnis des Übersinnlichen in unserer Zeit und deren Bedeutung für das heutige Leben

Het weten van het bovenzintuiglijke in onze tijd en de betekenis voor het tegenwoordige leven

Voordracht 2 Berlijn, 25 oktober 1906 

Blut ist ein ganz besonderer Saft 

                                     Bloed is een heel bijzonder sap

Blz.37

Alle diejenigen Dinge, welche aus den Sagen und Mythen des Volkes uns überkommen sind und sich auf das Menschenleben beziehen, werden in unserer Zeit in bezug auf die ganze Anschauung und Auffassung des Menschen einer
besonderen Umwandlung unterliegen. Dasjenige Zeitalter liegt hinter uns, in dem man auf Sagen, Märchen und Mythen so geblickt hat, als ob in ihnen nur kindliche Volksphantasie sich ausspräche. Ja, selbst die Zeit liegt hinter uns,
in der man in einer kindlich gelehrtenhaften Weise davon gesprochen hat, daß in der Sage die dichtende Volksseele zum Ausdruck komme. Die dichtende Volksseele ist nichts anderes als ein Erzeugnis des grünen Gelehrtentisches, denn es gibt ebenso einen grünen Gelehrtentisch, wie es einen grünen Bürokratentisch gibt. Wer einen Blick hineingetan hat in die Volksseele, der weiß sehr gut, daß es sich im Volke nicht um Erdichtungen und dergleichen Dinge handelt, sondern um etwas viel Tieferes, das in seinen Sagen
und Märchen von wunderbaren Mächten und wunderbaren
Ereignissen zum Ausdruck kommt.
Wenn wir uns von dem neuen Standpunkte der Geistesforschung aus wieder in die Sagen und Mythen vertiefen,

Al die dingen die uit legendes en mythen van een volk tot ons zijn gekomen en betrekking hebben op het menselijk leven, zijn in onze tijd in relatie tot de hele  perceptie en opvatting van de mens onderhevig aan speciale transformatie.
Het tijdperk ligt achter ons, waarin zo naar legendes, sprookjes en mythen
werd gekeken alsof ze slechts de uiting waren van kinderlijke volksfantasieën. Ja, zelfs de tijd ligt achter ons, waarin men op een kinderlijk geleerde manier spreekt over dat in de sage de poëtische ziel van het volk tot uiting komt. De poëtische ziel van het volk is niets anders dan een product van de groene geleerdentafel; er bestaat een groene geleerdentafel, evenals een groene bureaucratische tafel. Iedereen die in de ziel van het volk heeft gekeken, weet heel goed dat het in een volk niet gaat om verdichtsels e.d., maar om iets veel diepers dat tot uitdrukking komt in de sagen en sprookjes over wonderbaarlijke krachten en wonderbaarlijke gebeurtenissen.
Als we ons vanuit het nieuwe standpunt van spiritueel onderzoek opnieuw verdiepen in de sagen en mythen,

Blz. 38

wenn wir jene großartigen und gewaltigen Bilder, die uns aus der Urzeit überkommen sind, auf uns wirken lassen, nachdem wir mit geisteswissenschaftlichen Forschungsmethoden ausgerüstet sind, so erscheinen uns diese Mythen und Sagen so, daß sie uns zum Ausdruck einer tiefsinnigen
Urweisheit werden.
Wahr ist es, daß der Mensch sich zunächst fragt, wie es komme, da wir es doch ursprünglich mit primitiven Volksstufen, primitiven Volksanschauungen zu tun haben, daß der naive Mensch sich die Welträtsel bildlich veranschaulichen konnte in diesen Sagen und Märchen und daß, wenn wir uns heute in diese Sagen und Märchen vertiefen, wir im Bilde dasjenige erblicken, was uns die Geistesforschung heute klar enthüllt. Zunächst muß das unsere Verwunderung erregen. Wer sich aber tiefer und tiefer einläßt in die Art und Weise, wie diese Märchen und Mythen zustande gekommen sind, dem schwindet jedes Erstaunen, jeder Zweifel und er wird nicht nur das, was man naive Anschauung nennt, in diesen Sagen und Märchen finden, sondern den weisheitsvollen Ausdruck einer uralten, wahren Weisheits-Anschauung der Welt erkennen.

wanneer we die grootse en krachtige beelden die zijn overgeërfd uit de prehistorie, op ons laten inwerken, nadat we zijn uitgerust met de onderzoeksmethoden van de geesteswetenschap, verschijnen deze mythen en sagen aan ons op zo’n manier dat ze voor ons de uitdrukking worden van een diepgaande oerwijsheid.
Het is waar dat de mens zich eerst afvraagt ​​hoe het komt, aangezien we toch te maken hebben met primitieve volkeren, de opvattingen van primitieve volkeren, dat de naïeve mens zich de raadsels van de wereld in deze sagen en sprookjes in beelden kon zien en dat wanneer wij ons vandaag verdiepen in deze sagen en sprookjes, wij in beelden zien wat het spiritueel onderzoek ons ​​vandaag de dag duidelijk onthult. Dit moet allereerst wel onze verbazing wekken. Maar als je je steeds dieper verdiept in de manier waarop deze sprookjes en mythen tot stand kwamen, verdwijnt alle verbazing, alle twijfel en je zal in deze sagen en sprookjes niet alleen vinden wat men een naïeve opvatting noemt, maar de wijze uitdrukking van een oude, ware wijsheidsopvatting over de wereld.
GA 55/38-39
Vertaald
Dit is een eigen vertaling.

Blz. 61

Vóór deze passage heeft Steiner uiteengezet hoe het bewustzijn van de vroegere mens veel meer helderziend was dan het onze en hoe dit ging veranderen.
We kennen de uitdrukking: ‘zo oud als Methusalem’, wiens leeftijd in de Bijbel op 969 jaar werd bepaald. Dit ongelooflijk aantal jaren zou hier een verklaring vinden (zonder met name te worden genoemd).

Weil der Mensch dieses Bewußtsein hatte, weil er nicht bloß in seiner persönlichen Welt lebte, sondern weil in seinem Innern das Bewußtsein seiner vorhergehenden Generation auflebte, deshalb bezeichnete er auch nicht bloß seine Person mit einem Namen, sondern eine ganze Generationenreihe. Der Sohn, der Enkel und so weiter bezeichneten das Gemeinsame, das durch sie alle hindurchging, mit einem Namen. Der Mensch empfand sich als ein Glied der ganzen Generationsreihe. Das war eine wirkliche und wahre Empfindung. Und wodurch wurde diese Bewußtseinsform in eine andere verwandelt? Sie wurde es durch ein Ereignis, das die geheimwissenschaftliche Geschichte gut kennt. Wenn Sie in der Geschichte zurückgehen, dann tritt für alle Völker des Erdkreises ein Moment auf, der Ihnen ganz genau bei jedem einzelnen Volke bezeichnet werden kann. Das ist der Moment, wo das Volk in einen neuen Kulturzustand eintritt, in dem es aufhört, alte Traditionen zu haben, wo es aufhört, Urweisheit zu besitzen, jene Weisheit, die durch das Blut der Generationen hindurchgerollt ist.

Omdat de mens dit bewustzijn had, omdat hij niet alleen in zijn persoonlijke wereld leefde, maar omdat het bewustzijn van zijn vorige generatie in hem leefde, gaf hij niet alleen zijn eigen persoon een naam, maar een hele reeks generaties. De zoon, de kleinzoon, enzovoort, gaven het gemeenschappelijke element dat in hen allen terugkwam een ​​naam. De mens voelde zich lid van de gehele generatieketen. Dat was een echt en waar gevoel. En hoe werd deze vorm van bewustzijn getransformeerd in een andere? Dit gebeurde door een gebeurtenis die bekend is in de verborgen wetenschap. Als je teruggaat in de geschiedenis, dan is er een moment dat voor alle volkeren ter wereld geldt en dat heel precies voor ieder afzonderlijk volk beschreven kan worden. Dit is het moment waarop de mensen een nieuwe culturele staat bereiken, waarop ze ophouden met het hebben van oude tradities, als ze niet langer de oeroude wijsheid bezitten, de wijsheid die door het bloed van de generaties stroomt.

Die Völker haben ein Bewußtsein davon, und dieses Bewußtsein finden wir ausgedrückt in den alten Sagen der Völker. Die Stämme blieben nämlich in früherer Zeit in sich abgeschlossen, die einzelnen Mitglieder der Familien heirateten untereinander. Das finden Sie ursprünglich bei allen Rassen und Völkern. Und ein wichtiger Moment für die Menschheit ist der, als dieses Prinzip durchbrochen wird, sich fremdes Blut mit fremdem Blute mischt, wo die Nah-Ehe in die Fern-Ehe übergeht. Die Nah-Ehe bewahrt das Blut der Generationen, sie läßt dasselbe Blut durch die einzelnen Glieder rinnen, das seit Generationen den Stamm, die Nation durchfloß. Die Fern-Ehe gießt neues Blut dem Menschen ein, und diese Durchbrechung des Stammesprinzipes, diese Mischung des Blutes, die bei allen Völkern sich findet und früher oder

De volkeren zijn zich hiervan bewust en we vinden dit besef terug in de oude sagen van de volkeren. Vroeger leefden de stammen afgesloten in zichzelf, de individuele familieleden trouwden met elkaar. Je vindt dit oorspronkelijk bij alle rassen en volkeren. En een belangrijk moment voor de mensheid is wanneer dit principe wordt doorbroken, wanneer vreemd bloed zich vermengt met vreemd bloed, wanneer een huwelijk in eigen kring verandert in een huwelijk buiten deze kring. Een huwelijk in eigen kring zorgt ervoor dat het bloed van de generaties behouden blijft. Het zorgt ervoor dat hetzelfde bloed door de individuele leden stroomt dat al generaties lang door de stam, door het volk stroomt. Het huwelijk buiten de kring brengt nieuw bloed in de mens, en dit doorbreken van het stamprincipe, deze vermenging van bloed, die in alle volkeren voorkomt en vroeger of later 

später auftritt, bedeutet die Geburt des äußeren Verstandes, die Geburt des Intellektes.
Das ist eben das Wichtige, daß in alten Zeiten eine Art dämmerhaften Hellsehens vorhanden war und daß Mythen und Sagen aus diesem hellseherischen Vermögen heraus entstanden sind, welches sich in dem verwandtschaftlichen Blute ausleben kann wie in dem vermischten Blute das gegenwärtige Bewußtsein. Mit dem Eintritt der Fern-Ehe fällt auch die Geburt des logischen Denkens, die Geburt des Intellektes zusammen. So überraschend das ist, so wahr ist es.

plaatsvindt, betekent de geboorte van het uiterlijke verstand, de geboorte van het intellect.
Belangrijk is dat er in de oudheid een soort vage helderziendheid bestond en dat uit dit helderziende vermogen mythen en sagen zijn ontstaan, die zich door het verwantschapsbloed kunnen manifesteren, net zoals het huidige bewustzijn zich door het gemengde bloed kan uiten. Het ontstaan ​​van huwelijken buiten de eigen kring valt ook samen met de geboorte van het logisch denken, de geboorte van het intellect. Hoe verrassend dit ook klinkt, het is waar.
GA 55/61-62
Vertaald
Dit is een eigen vertaling.

.
Rudolf Steiner over mythen e.d.: alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3411-3209

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 303)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij. 

.

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 303       vertaald

Voordracht 11, Dornach 2 januari 1922

Blz. 211

Das­jenige, was die historischen Ideen sind, die Impulse, die durch das ge­schichtliche Leben durchgehen, die in soziale Gestaltungen eingreifen, die sind, obwohl sie wiederum etwas ganz anderes sind auf geschicht­lichem Gebiete, dennoch gleichsam das Skelett der Geschichte, während das Fleisch, während die Muskeln die lebendigen Menschen sind mit ihren Biographien und die unmittelbaren konkreten Ereignisse im Ge­schichtlichen. Daher müssen wir in der Geschichtsbehandlung, die wir auch schon zwischen dem zehnten und zwölften Lebensjahre einfügen müssen, so vorgehen, daß wir abgeschlossene Bilder, an denen sich das Gefühl erwärmen kann, zu denen das Gefühl hinaufschauen kann, er­zählen, Biographisches, Charakteristiken abgeschlossener Ereignisse, nicht abstrakte durchgehende Impulse. Die kommen an das Kind her­an, wenn das zwölfte Jahr herangekommen ist, wo dasjenige eintritt, was eben dann durch das Stehen des Menschen in der Außenwelt be­dingt ist – er geht ja ganz von innen nach außen; nun kann er auch dasjenige erfassen lernen, was als geschichtliche Impulse von außen her die einzelnen Menschen ergreift.

Wat de historische ideeën zijn, de impulsen die door het historische leven gaan, die in de sociale ontwikkelingen ingrijpen, die zijn, hoewel ze weer iets heel anders zijn op historisch gebied, toch als het ware het skelet van de geschiedenis, terwijl het vlees, terwijl de spieren de levende mensen zijn met hun biografieën en de direct concrete gebeurtenissen in de geschiedenis. Vandaar dat we met de behandeling van de geschiedenis, die we ook al tussen het tiende en twaalfde levensjaar moeten invoegen, zo moeten omgaan dat we in vastomlijnde beelden vertellen waaraan het gevoel zich kan verwarmen, waarnaar het gevoel kan opzien, biografische verhalen, karakteristieken van afgesloten gebeurtenissen, geen abstracte doorlopende impulsen. Die pakt het kind pas op wanneer het twaalf geworden is, wanneer datgene optreedt wat bepaald wordt door het feit dat de mens in de buitenwereld komt te staan — hij gaat immers helemaal van binnen naar buiten. Nu kan hij ook leren begrijpen wat als historische impulsen van buitenaf de individuele mensen aangrijpt.
GA 303/211
Vertaald/238

Voordracht 12, Dornach 3 januari 1922

Blz. 227

Und ebenso wird man das Geschichtliche, wie ich schon er­wähnt habe, in diesem Lebensabschnitte (9-10) so behandeln, daß man abge­schlossene Bilder von menschlichen Ereignissen hinstellt.

En evenzo, zoals ik al gezegd heb, zul je ook de geschiedenis in deze levensfase (9-10) zo behandelen dat je afgesloten beelden van menselijke gebeurtenissen aangeeft.
GA 303/227
Vertaald/256

Voordracht 4, Dornach 4 januari 1922

Blz. 251    vert. 282/283

Was ich eben anzudeuten versuchte, das wird man so stark gewahr, wenn man genotigt ist, sowohl für den Jüngling wie für die Jungfrau nach dem Eintritt in die Geschlechtsreife – ich will heute nur ein Bei­spiel herausheben – zum Beispiel Geschichte vorzuführen. Im wirk­lichen Gang der menschlichen Geschichtsentwicklung fielen, wenn auch in anderer Form, männliche und weibliche Kräfte durcheinander. Unsere Geschichtsdarstellungen, die uns einzig und allein für das ge­schlechtsreife Alter zur Verfügung stehen, sind aber durchaus männi­scher Natur, wie wenn sie bloß von Epimetheus dargestellt worden wä­ren. Dafür bringen zum Beispiel die Mädchen, die geschlechtsreif ge­worden sind, gar kein Verständnis entgegen. Den Jungen wird es etwas langweilig, aber es ist noch eher mit ihnen auszukommen mit dem Epi­metheischen, mit demjenigen, was vorzugsweise mit dem Urteilen, mit dem unmittelbar Feststellbaren sich befaßt.

Wat ik zojuist geprobeerd heb aan te duiden, dat word je zo sterk gewaar wanneer je genoodzaakt bent zowel voor de jongeman als voor de jongedame na het betreden van de geslachtsrijpheid – ik wil vandaag slechts een voorbeeld noemen — bijvoorbeeld geschiedenis te geven. In de werkelijke gang van de menselijke historische ontwikkeling liepen, zij het in een andere vorm, mannelijke en vrouwelijke krachten door elkaar heen. Onze geschiedenisthema’s, die ons enkel en alleen voor de geslachtsrijpe leeftijd ter beschikking staan, hebben echter een volledig mannelijke aard, alsof zij alleen door Epimetheus zouden zijn beschreven. Daarvoor kunnen bijvoorbeeld de meisjes, die geslachtsrijp geworden zijn, helemaal geen begrip opbrengen. De jongens zullen het wat saai gaan vinden, maar bij hen kun je nog eerder met Epimetheus-achtige dingen aankomen, met wat zich vooral met het oordelen, met het direct vaststelbare bezighoudt.

Es gibt auch eine Prometheusartige Darstellung der Geschichte, wo nicht nur dasjenige gezeigt wird, was geschehen ist, sondern, wo das­jenige, was von Ideen in der Gegenwart dasteht, in seiner Metamor­phose aus Vorangegangenem gezeigt wird, aber so gezeigt wird, wie Impulse da waren, um die Gegenwart weiterzuführen, wie die Gegen­wart wieder weitergeführt wird durch Impulse. Dieses Wirken eines Prometheus-Elementes in der Geschichte, das ist dasjenige. was das Frauenelement besonders anzieht.
Es würde durchaus einseitig werden, wenn man die Geschichte in einer Frauenschule in einer Prometheusartigen Weise, für die Männer in einer Epimetheusartigen Weise darstellen wollte. Die Männer wür­den ganz in die Vergangenheit zurückfließen und da noch mehr erstar­ren als sie es heute sind. Die Mädchen in den Mädchenschulen würden gerade bei den für sie geeigneten Geschichtsdarstellungen gewisserma­ßen der Zukunft nur entgegenfliegen wollen. Sie würden überall die Impulse empfinden, die durchaus ihrem Verständnisse besonders nahe­liegen. Aber wir gewinnen ein richtiges Wirken für das soziale Zu­sammenleben nur dann, wenn wir eben zu dem, was wir heute fast

Er bestaat ook een Prometheus-achtige weergave van de geschiedenis, waarbij niet alleen wordt getoond wat er gebeurd is, maar waar dat wat vanuit ideeën in de tegenwoordige tijd aanwezig is, in zijn metamorfose vanuit het voorafgaande wordt getoond, maar op zo’n manier wordt getoond dat er impulsen zijn geweest om de tegenwoordige tijd verder te brengen, dat de tegenwoordige tijd weer verder wordt gebracht door bepaalde impulsen. Dit werken van een Prometheus-element in de geschiedenis, dat is iets wat vooral het vrouwelijke element aantrekt.

Het zou volstrekt eenzijdig worden als je de geschiedenis op een meisjesschool op een Prometheus-achtige wijze, voor de jongens Epimetheus-achtig zouden willen behandelen. De jongens zouden helemaal in het verleden terugstromen en daar nog meer verstarren dan nu al het geval is. De meisjes op de meisjesscholen zouden juist bij de voor hen geschikte geschiedenisbeschrijving in zekere zin alleen maar de toekomst tegemoet willen vliegen. Zij zouden overal de impulsen voelen die zeker heel dicht bij hun begripsvermogen liggen. Maar we krijgen pas dan een juiste werking voor het sociale samenleven als we nu aan dat wat we nu bijna

Blz. 252   vert. 283

einzig und allein zur Verfügung haben, zu der Epimetheusartigen Ge­schichte, die von Prometheus geschriebene hinzufügen. Dann, wenn beide Elemente in der Geschichtsdarstellung wirken, werden wir tat­sächlich für das geschlechtsreife Alter geschichtliche Darstellungen ha­ben, beziehungsweise solche zustande bringen, wenn uns die entspre­chende Aufgabe zugefallen ist.

uitsluitend ter beschikking hebben, aan de Epimetheus-achtige geschiedenis, de door Prometheus geschreven geschiedenis toevoegen. Wanneer dan beide elementen in de behandeling van de geschiedenis werkzaam zijn, zullen we, als we deze taak hebben gekregen, voor de geslachtsrijpe leeftijd werkelijk historische beschrijvingen ter beschikking hebben, respectievelijk tot stand kunnen brengen.
GA 303/251-252
Vertaald/282-283

.

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3409-3207

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-4-2)

.

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst
Vertaling

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken bij alle voordrachten.
De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Wanneer je je verdiept in Steiners werk, zal je bepaalde onderwerpen steeds weer tegenkomen. Maar – dat vond ik wel verrassend toen ik het ontdekte – telkens wordt zo’n onderwerp weer verschillend bekeken; er wordt iets aan toegevoegd, enz. Kortom, Steiner maakt zijn woorden ‘dat karakteriseren meer oplevert aan kennis dan definiëren’ elke keer waar.

In de 2e voordracht van de ‘Algemene menskunde’ komt de tegenstelling voorstelling – wil aan de orde vanuit verschillende invalshoeken.
Kernbegrippen zijn vaak: ‘het oude t.o. het nieuwe’.
Hier wordt ook ‘het nieuwe’ verbonden aan de kunst en de moraliteit.
Voor de pedagogie geeft dit weer een ondersteuning voor het inzicht dat we, als we kunstzinnig werken, aan, met de wil werken; met het toekomstige!
Hij legt hier een kort verband naar waar de mens vrij is.
.

GA 93A

Grundelemente der Esoterik
Basiselementen van het bovenzintuiglijk weten

Voordracht 16, Berlijn 11 oktober 1905

Blz. 122

Alles dasjenige, was der Mensch gewöhnlich denkt, denkt er über die Dinge, über das Gewordene. Er kann aber auch über solche Verhältnisse denken, über etwas, das nicht durch die Wirkung von früher herbeigeführt ist, sondern erst in der Gegenwart eintritt. Das geschieht aber sehr selten, denn die Menschen hängen am alten, an dem, was um sie aufgeschichtet ist. Verhältnisse, die als etwas ganz Neues auftreten, werden sehr wenig den Inhalt menschlicher Gedanken bilden. Derjenige, der an der Zukunft mitarbeiten will, muß aber solche Gedanken haben, die neue Verhältnisse zwischen den Dingen ergeben. Nur Gedanken über Verhältnisse zwischen den Dingen können etwas Neues sein. Am besten sieht man das in der Kunst. Was der Künstler macht, ist in Wirklichkeit gar nicht da. Die bloße Form, die der Plastiker ausarbeitet, ist gar nicht wirklich da; sie ist kein Naturprodukt. In der Natur gibt es nur die vom Leben durchpulste Form. Die bloße Form würde den Naturgesetzen widersprechen.

Alles wat de mens gewoonlijk denkt, denkt hij over dingen, over wat geworden is. Maar hij kan ook denken aan een bepaalde samenhang van dingen*, aan iets dat niet voortkomt als werking vanuit het verleden, maar alleen in het heden gebeurt. Dit komt echter maar zelden voor, omdat mensen zich vastklampen aan het oude, aan wat zich om hen heen heeft opgestapeld. Omstandigheden* die zich voordoen als iets volkomen nieuws zullen zeer zelden de inhoud van menselijke gedachten vormen.
Wie echter aan de toekomst wil werken, moet gedachten hebben die resulteren in nieuwe relaties* tussen dingen. Alleen gedachten over relaties* tussen dingen kunnen iets nieuws zijn. Dit is het beste te zien in de kunst. Wat de kunstenaar creëert is er niet echt. De loutere vorm die de beeldhouwer uitwerkt is er niet echt; het is geen natuurlijk product. In de natuur is er alleen de vorm die pulseert met leven. De loutere vorm zou in tegenspraak zijn met de natuurwetten.

Blz. 123

Der Künstler baut aus Verhältnissen etwas Neues auf. Der Maler malt, was durch die Verhältnisse eintritt: Licht und Schatten; er malt gar nicht, was wirklich da ist. Er malt nicht den Baum, sondern eine Impression, die hervorgerufen ist dadurch, daß er alle Beziehungen zum Baum darstellt. Auch im praktischen Handeln merkt man, daß der Mensch gewöhnlich nichts Neues schafft. Die Mehrzahl der Menschen tut nur dasjenige, was schon geschehen ist. Nur einige Menschen schaffen aus moralischer Intuition heraus, indem sie neue Pflichten, neue Taten in die Welt hineinbringen.
Das Neue kommt in die Welt hinein durch Verhältnisse. Daher hat man oftmals gesagt, daß das elementare moralische Handeln überhaupt in Verhältnissen liegt. Solch moralisches Handeln besteht zum Beispiel in Taten, die durch das Verhältnis des Wohlwollens herbeigeführt werden. Bei den meisten Handlungen findet man, daß sie auf Altem fußen; selbst bei Handlungen und Geschehnissen, wo Neues eintritt, fußt man gewöhnlich noch auf Altem. Bei genauer Untersuchung stellt sich das meistens heraus. Nur solche Handlungen sind frei, bei denen der Mensch gar nicht auf Grund der Vergangenheit arbeiten würde, sondern bei denen er nur dem gegenübersteht, was durch die kombinierende und produktive Tätigkeit seiner Vernunft an Handlungen in die Welt hineinkommen kann.

De kunstenaar bouwt iets nieuws op uit de omstandigheden*. De schilder schildert wat zich voordoet door de omstandigheden*: licht en schaduw; hij schildert niet wat er werkelijk is. Hij schildert niet de boom, maar een indruk die ontstaat doordat hij alle relaties* tot de boom weergeeft.
Ook in praktisch handelen realiseer je je dat de mens meestal niets nieuws creëert. De meerderheid van de mensen doet alleen wat al gedaan is. Alleen sommige mensen creëren uit morele intuïtie door nieuwe plichten, nieuwe daden in de wereld te brengen.
Het nieuwe komt de wereld binnen via relaties*. Daarom wordt vaak gezegd dat elementair moreel gedrag in relaties* ligt. Zulk moreel handelen bestaat bijvoorbeeld uit daden die teweeggebracht worden door de relatie* van welwillendheid. In de meeste handelingen zie je dat ze gebaseerd zijn op het oude; zelfs in handelingen en gebeurtenissen waar iets nieuws gebeurt, is men meestal nog steeds gebaseerd op het oude. Een nader onderzoek onthult dit meestal. Alleen die handelingen zijn vrij waarin de mens helemaal niet handelt op basis van het verleden, maar waarin hij alleen geconfronteerd wordt met wat in de wereld kan komen door de combinerende en productieve activiteit van zijn verstand bij het handelen.
GA 93a/122-123
Niet vertaald

Het Duits heeft vrijwel steeds ‘Verhältnisse’ een woord met een uitgebreidere betekenis: pepalende (externe) toestanden, omstandigheden of beïnvloedende factoren, voorwaarden; wederkerig verband tussen verschillende, elkaar wederzijds beïnvloedende aspecten, sferen, gebieden.

.

GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3402-3200

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 301)

.

GA=Gesamt Ausgabede genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.
.

Beknopte inhoudsopgave:

Belang van de kennismaking met de wereld tussen het 9e en 12e jaar om geschiedenis te kunnen begrijpen; einde 12e jaar pas oordelen. <1>
Idem: het belang van de plantkunde. <2>
Hoe zit het met causaliteit? <3>
Geschiedenis en wat er aan de wording van de mens ten grondslag ligt <4>
Het ‘vroegere’ is soms in onze tijd nog zichtbaar. De Griekse tijd, over het Griekse drama, Griekse kunst, wat is er bij de Grieken ontstaan wat we nu nog hebben; <5>
Geschiedenis moet op gevoel en wil werken (nog steeds gaat het ook over de Grieken, gevolgd door het christendom) <6>
Het geheel en de delen. <7>
Het niet afkrijgen van de leerstof, met een uitstapje naar het onderwijzersexamen: wanneer ben je een goed leerkracht. <8
Over universele menswaardigheid, Avondmaal van Leonardo <9
Rome, verbreiding christendom; Europa, ontdekkingsreizen. <10>
Causaliteitsgeschiedenis maakt star, belangrijker symptomatologische geschiedenis, van concreet naar abstract, boekdrukkunst, verdieping van geschiedenis naar religie <11>

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 301

Voordracht 8, Bazel 3 mei 1920

Blz. 133

Kann man mit einer lebendigen Charakteristik von Erde, Pflanzen­reich, Tierheit und Menschentum in dem Kinde das, was sonst nur tot empfunden wird, einfach und elementar beleben – und zwar nament­lich in der Zeit vom 9. bis gegen das 12. Jahr hin, wo das Kind beson­ders veranlagt ist, sich nach und nach von der Welt zu unterscheiden und doch begierig ist, im Unbewußten aufzunehmen auf der einen Seite den Zusammenhang des Menschen mit dem Tierreich, auf der andern Seite das, was absondert vom Menschen, was Erde und Erdenleben ist -, dann wächst mit dem Menschen etwas heran, was ihn auch in das richtige Verhältnis zum geschichtlichen Leben der Menschheit auf der Erde bringt. Dann erst entwickeln sich die Empfindungen, die dann in der richtigen Weise die Geschichte aufnehmen. Vor dem 10., 11. Jahr wird man selbstverständlich die Geschichte nur in der Form der Erzählung, des Biographischen getrieben haben. Im 10., 11. Jahr wird man die Geschichte durchaus so zum naturgeschichtlichen Unter­richt hinzunehmen, daß man überall das, was man im Menschen heran­zieht an Empfindungen, die aus dem naturgeschichtlichen Unterricht kommen, gewissermaßen intensiv zusammenhält mit dem, was nun auch die Begriffe, die Ideen, die Empfindungen des geschichtlichen Unterrichts beleben kann. Erst im 12. Jahr ist eigentlich die Möglichkeit gegeben, überzugehen zu dem, was das eigentliche Urteil ist.

<1>Kun je met een levendige karakteristiek van aarde, plant, dier en mens in het kind eenvoudig en elementair tot leven wekken wat anders maar als iets doods beleefd wordt – en met name in de tijd van het 9e tot het 12e jaar waarin het kind de bijzondere aanleg heeft zich van de wereld los te maken en toch verlangt onbewust enerzijds de samenhang tussen de mens en de dieren te leren kennen, anderzijds de afzondering van de mens van de aarde en het aardeleven-, dan ontwikkelt zich met de mens iets wat hem in een goede relatie brengt tot het historische leven van de mens op aarde. Dan pas ontwikkelen zich de gevoelens waarmee op een goede manier geschiedenis wordt begrepen. Vóór het 10e, 11e jaar zal je vanzelfsprekend alleen maar geschiedenis gegeven hebben in de vorm van vertellen, iets biografisch. In het 10e, 11e jaar zal je geschiedenis ook bij plant- en dierkunde betrekken, dat je overal bij wat je in de mens ontwikkelt aan gevoelens die door het biologieonderwijs ontstaan, intensief samenneemt met wat de begrippen, ideeën, ervaringen van de geschiedenisles kan verlevendigen.
Pas aan het einde van het 12e jaar is het in feite  mogelijk over te gaan tot het eigenlijke oordelen.<1>
GA 301/133
Op deze blog vertaald/133
.

Voordracht 12, Bazel 7 mei 1920

Blz. 184

Zum Auffassen des Geschichtlichen der Menschheit ist ja das Kind tatsächlich nicht früher reif als so gegen das 12. Jahr hin. In erzählen­der Form, in umrissenen biographischen Bildern, sogar in einer ge­wissen Art von moralischem Erzählen kann man aber das Geschicht­liche durchaus vorbereiten.
Zum eigentlichen Geschichtlichen aber wird das Kind gerade durch die Art des botanischen, des zoologischen Unter­richtes reif, wie ich es charakterisiert habe. Im Geschichtlichen kann man außerordentlich viel erreichen, wenn man durch das Botanische gewissermaßen die Erde als Einheit dargestellt hat, die über ihre Ober­fläche hin und durch die verschiedenen Jahreszeiten die verschiedenen Pflanzen hervorbringt, und wenn man den Menschen aufgefaßt hat als eine Synthese, wie ich es dargestellt habe, der verschiedenen Tiergruppen, die jeweilen dasjenige, was dann beim Menschen harmonisch vereint ist, als Einseitigkeiten darstellen. Durch das Sich-Bewegen in solchen Vorstellungen wird das Kind für den geschichtlichen Unterricht reif.

Wenn wir mit der Geschichte an das Kind herankommen, handelt es sich nun aber darum, diesen geschichtlichen Unterricht auch dazu zu verwenden, gewisse Kräfte aus der menschlichen Natur herauszuholen, ihnen entgegenzukommen, gewissermaßen das zu erfüllen, was die

<2>Voor het echt begrijpen van de geschiedenis van de mensheid is het kind in feite niet eerder rijp dan zo tegen het 12e jaar. Op een vertellende manier, in concrete biografische beelden, zelfs op een enigszins moralistische verteltrant kun je het geschiedenisonderwijs echter zeker voorbereiden.
Voor de eigenlijke geschiedenis echter wordt het kind rijp door de manier van plant- en dierkundeles zoals ik het gekarakteriseerd heb. Bij geschiedenis kan je buitengewoon veel bereiken, wanneer je door de plantkunde in zekere zin de aarde als een geheel hebt gepresenteerd die over haar oppervlak verspreid door de verschillende jaargetijden de verschillende planten voortbrengt en wanneer je de mens beschouwd hebt als een synthese van de verschillende diergroepen die telkens, wat bij de mens tot harmonie gekomen is, als eenzijdigheid vertegenwoordigen. Door zich in deze voorstellingen te bewegen wordt het kind rijp voor geschiedenisles.<2>
<3> Wanneer we het kind geschiedenis geven, dan gaat het er echter om deze geschiedenis ook te gebruiken om bepaalde krachten uit de menselijke natuur naar boven te halen, die tegemoet te komen door in zekere zin mogelijk te maken, wat

blz. 185

menschliche Natur in dieser Lebensepoche will. Da aber stoßen wir bei dem, was uns gewöhnlich selbst als Geschichte dargeboten wird, auf einen kräftigen Widerstand. Denn was uns heute als Geschichte dar­geboten wird, ist doch eigentlich im Grunde genommen die Erzählung von Ereignissen, oder aber es ist das Zusammenfassen von Ereignissen oder kulturhistorischen Erscheinungen unter einem gewissen kausalen Gesichtspunkt. Es ist dasjenige, was im Grunde genommen doch an der Äußerlichkeit des Geschehens hängenbleibt. Sie werden, wenn Sie un­befangen sind, nicht das Gefühl haben, daß Sie von dem, was eigent­lich dem Menschenwerden zugrunde liegt, durch diese Geschichte eine richtige Vorstellung bekommen können. Wir haben ja in der neueren Zeit viel davon gehört, daß die Geschichte davon absehen soll, Kriege zu erzählen oder sonstige Ereignisse mehr äußerlicher Art zu erzählen, daß sie darauf gehen soll, den Kausalzusammenhang der Kultur-erscheinungen darzustellen. Allein da ist denn doch noch stark die Frage, ob das unbedingt berechtigt ist, einen solchen Kausalzusammen­hang anzunehmen, daß man zum Beispiel das, was in der zweiten Hälfte des 19. Jahrhunderts geschieht, mehr oder weniger zurückführt auf das, was in der ersten Hälfte des 19. Jahrhunderts geschehen ist, und so weiter zurück.

de menselijke natuur in deze levensfase wil. Daarbij echter stoten we bij wat gewoonlijk zelf als geschiedenis aangeboden wordt, op heftige weerstand. Want wat ons vandaag als geschiedenis aangeboden wordt, is eigenlijk in de grond van de zaak het verhaal van gebeurtenissen of is het samenvatten van gebeurtenissen of cultuurhistorische verschijnselen onder een bepaald causaal gezichtspunt. Het is in de aard der zaak iets wat bij de uiterlijkheden van wat er gebeurt, blijft steken. U zal, als u onbevooroordeeld bent, niet het gevoel hebben dat u door deze geschiedenis een juiste voorstelling kan krijgen van wat eigenlijk ten grondslag ligt aan de wording van de mens. We hebben de laatste tijd veel gehoord dat geschiedenis ervan af moet zien, over oorlogen te vertellen of  te vertellen over andere gebeurtenissen met een meer uiterlijke karakter, dat ze zich moet richten op het geven van causale samenhangen van de cultuurverschijnselen. Maar dan is daar toch nog sterk de vraag aanwezig of het zonder meer te rechtvaardigen valt zo’n causale samenhang aan te nemen, bijv. dat men wat in de tweede helft van de 19e eeuw gebeurt, min of meer terugleidt naar wat in de eerste helft van de 19e eeuw gebeurd is, en dan zo verder terug. <3>

Es könnte ja doch dasjenige, was dem Menschen-werden zugrunde liegt, sich in einer ganz anderen Weise in der Ge­schichte äußern. Und da handelt es sich wirklich beim Geschichtsunter­richt darum, daß wir uns sozusagen nicht gehen lassen, daß wir nicht in irgendeiner Klasse es unternehmen, Geschichtsunterricht etwa so zu erteilen, daß wir selbst nur ein eng begrenztes Pensum zunächst unmit­telbar beherrschen. Selbstverständlich legen wir die seminaristischen Vorbereitungen zugrunde, und das ist ganz richtig, und wir kennen die ganze Geschichte sozusagen, aber das meine ich jetzt nicht, sondern ich meine, wenn wir den Geschichtsunterricht beginnen für irgendeine Klasse, so beginnen wir gewöhnlich irgendwo irgendwomit, und wir überlassen es dann den späteren Zeiten, das Folgende selbst erst in der richtigen Weise aufzunehmen und dergleichen. Das ist dann die Ursache, daß wir den Geschichtsunterricht gewissermaßen bloß in der Zeitenfolge behandeln.
Diese Art, die rechnet eigentlich nicht mit den aus der Menschen-natur heraus uns entgegenkommenden Kräften. Wir müssen da auf anderes Rücksicht nehmen. Wir müssen uns zum Beispiel klar sein dar­über, daß das Wesentliche zunächst das ist, was wir Menschen, die wir 

<4> Wat er aan de wording van de mens ten grondslag ligt, zou toch nog op een heel andere manier uit de geschiedenis kunnen blijken. Het gaat er werkelijk om dat we ons bij geschiedenisonderwijs niet laten gaan, dat we in een of andere klas geschiedenis niet zo gaan geven en dat we zelf rechtstreeks maar een klein deel beheersen. Natuurlijk nemen we de voorbereidingen van onze opleiding ter hand, dat is heel goed en we kennen zogezegd de hele geschiedenis, maar dat bedoel ik nu niet, ik bedoel wanneer we in een klas met geschiedenis beginnen, beginnen we gewoonlijk ergens met iets en we laten wat er nog gaat volgen maar voor later om dat eerst op een goede manier in ons op te nemen en dergelijke. Dat is de oorzaak ervan dat we het geschiedenisonderwijs in zekere zin alleen maar als tijdverloop behandelen.
Die manier houdt eigenlijk geen rekening met de krachten die uit de menselijke natuur op ons af komen. We moeten hier met iets anders rekening houden. We moeten duidelijk weten dat het wezenlijke is, wat wij mensen, in het heden staand,

blz. 186

in der unmittelbaren Gegenwart stehen, als »Geschichte« eigentlich noch erleben. Wenn wir so abstrakt einfach die Kinder zurückführen in die griechische Geschichte, selbst wenn die Kinder schon Gymnasia­sten sind, so ist das eben ein abstraktes Zurückversetzen in einen frü­heren Zeitraum. Man versteht nicht konkret, warum man aus der Gegenwart heraus irgendwie nötig hat, die griechische Zeit zu verstehen. Man begreift aber sofort, um was es sich handelt, wenn man davon ausgeht, daß wir ja in der Gegenwart noch unmittelbare, lebendige Kräfte aus der griechischen Zeit darinnen haben. Davon müssen wir zunächst den Kindern eine Vorstellung geben. Wir können es auf ver­schiedenen Gebieten tun. Wir können es auch schon früher vorbereitet haben, aber wir müssen beim Geschichtsunterricht von dem ausgehen, was wir von einer bestimmten geschichtlichen Epoche noch in der Ge­genwart darinnen haben.
Nun wird Ihnen ja ein unbefangener Überblick über unsere Kultur sehr leicht das Folgende ergeben. Wollte ich es im einzelnen ausführen, was ich skizzenhaft andeuten will, so wären dazu viele Stunden not­wendig; aber das kann ja jeder selbst machen. Ich will nur die Leit­linien hier andeuten. 

eigenlijk nog als ‘geschiedenis’ beleven.<4>
<5> Wanneer we zo abstract de kinderen terugbrengen naar de Griekse geschiedenis, zelfs wanneer de kinderen al gymnasiasten zijn, is het toch een abstract teruggaan naar een vroegere tijdsfase. Men begrijpt niet concreet waarom men vanuit het heden op de een of andere manier iets nodig heeft om de Griekse tijd te begrijpen. Je begrijpt echter meteen waarom het gaat als je ervan uitgaat dat de Griekse tijd in de huidige tijd nog rechtstreeks, actief van invloed is. Daarvan moeten we de kinderen allereerst een voorstelling geven. We kunnen dat op verschillende manieren doen. We kunnen dat al eerder voorbereid hebben, maar we moeten in de geschiedenisles uitgaan van wat wij uit een bepaalde geschiedkundige episode nog hebben in de huidige tijd.
Nu zal voor u wel door een onbevangen blik op onze cultuur makkelijk het volgende blijken. Zou ik het in detail willen uitwerken, wat ik nu schetsmatig wil aanduiden, dan waren daar vele uren voor nodig; maar dat kan ieder voor zich wel doen. Ik wil alleen de grote lijnen aangeven.

Sehen Sie, alles, was wir an umfassenderen uni­versellen Vorstellungen haben, wovon wir eigentlich vorstellungsgemäß als Menschen leben, das haben wir im Grunde genommen als Erbschaft des griechischen Zeitalters angetreten. Wir haben auch gewisse Kunst-empfindungen, mit denen unsere Seele heute noch arbeitet, rein als Erbschaft des griechischen Zeitalters angetreten. Nehmen Sie die ge­wöhnlichsten Begriffe, die uns gang und gäbe sind, wie zum Beispiel der Begriff der Ursache, der Begriff der Wirkung, der Begriff nament­lich des Menschen selber. Alles dasjenige, was unsere universellen Be­griffe sind – die Griechen haben sich zu diesen Begriffen hingearbeitet. Nehmen Sie den Begriff der Geschichte selbst, die Griechen haben zu­erst diesen Begriff der Geschichte aufgestellt. Also unser ganzes Vor­stellungsleben, wir können es überblicken, und wir werden finden, es ist eine Erbschaft des griechischen Zeitalters. So können wir in einer ganz elementaren Weise uns zunächst mit den Schülern unterhalten über unseren universellen Vorstellungsschatz und gar nicht dabei Rücksicht darauf nehmen, daß das in Griechenland entstanden ist. Wir können uns durchaus von der Gegenwart mit unseren Schülern unter­halten und zunächst dabei stehen bleiben; dann versuchen wir irgend­wie etwas Dramatisches, etwas Lyrisches mit den Kindern so durchzunehmen,

Kijk, alles wat wij aan meer omvattende universele voorstellingen hebben, waaruit wij eigenlijk volgens onze voorstellingen als mens leven, hebben we in de grond van de zaak beschouwd, als erfenis van de Griekse tijd overgenomen. Ook hebben we bepaalde kunstervaringen waarmee onze ziel nu nog werkt, puur als erfenis van de Griekse tijd overgenomen. Neem de gewoonste begrippen die voor ons gemeengoed zijn, zoals bijv. het begrip oorzaak, het begrip gevolg, met name het begrip mens zelf. Alles wat universele begrippen zijn – de Grieken hebben naar deze begrippen toegewerkt. Neem het begrip geschiedenis zelf, de Grieken hebben voor het eerst dit begrip omschreven. Dus heel ons voorstellingsleven, we kunnen het overzien en we zullen vinden dat het een erfenis is van de Griekse tijd. Wel kunnen we op een heel elementaire manier met de leerlingen spreken over onze universele begrippenschat en er dan helemaal geen rekening houden dat dat in Griekenland is ontstaan. We kunnen ook met onze leerlingen over de tegenwoordige tijd spreken en daar eerst bij stilstaan; dan proberen we op de een of andere manier iets van drama, iets van lyriek zo met de kinderen door te nemen

blz. 187

daß wir zum Beispiel beim Dramatischen aufmerksam ma­chen, wie ein Drama in Akte eingeteilt ist, wie ein Drama aufgebaut ist, wie es zu einer Verwicklung führt, wie bei ihm eine Lösung herbei­geführt wird. Wir können dabei in ganz elementarer Weise den Begriff der Katharsis entwickeln. Wir brauchen ja wahrhaftig dabei nicht komplizierte philosophische Vorstellungen in den Kindern zu ent­wickeln, aber wir können den Begriff der Katharsis entwickeln, indem wir dem Kinde zeigen, wie im Drama unsere Gefühle angespannt wer­den, wie wir wirklich in eine Art von Mitleid und Furcht versetzt werden, und wie wir dadurch lernen, ein gewisses Gleichmaß des Füh­lens gegenüber Furcht und Mitleid zu bekommen, wie ja das von den Griechen als das Wesentliche der dramatischen Kunst angesehen wor­den ist. Das taugt dann durchaus, wenn wir die Kinder schon für das 11., 12., 13. Lebensjahr ordentlich vorbereitet haben. Wir können dann irgend etwas von einem griechischen Kunstwerke, irgendeine Aphro­dite-Gestalt oder dergleichen vor die Kinder bringen, können ihnen erklären, wie das Schöne in dieser Darstellung sich offenbart und so weiter. Wir können sogar so weit gehen, daß wir den Unterschied er­klären zwischen dem Ruhenden der Kunst in der einzelnen Darstel­lung, zwischen dem Bewegten in der Kunst und so weiter. 

dat we bijv. bij de dramatiek erop wijzen, hoe een drama in akten is verdeeld, hoe een drama opgebouwd is, hoe die leidt naar een verwikkeling, hoe een oplossing gevonden wordt. Daarbij kunnen we op een heel elementaire manier het begrip catharsis ontwikkelen. We hoeven wis en waarachtig zeker geen gecompliceerde filosofische voorstellingen in de kinderen te ontwikkelen, maar we kunnen het begrip catharsis ontwikkelen door het kind te laten zien, hoe in het drama onze gevoelens aangesproken worden, hoe wij werkelijk in een soort medelijden en angst verplaatst worden en hoe we daardoor leren een zeker evenwicht te krijgen tussen ons gevoel en angst en medelijden, hoe dat door de Grieken als het meest wezenlijke van de dramatische kunst gezien werd. Het is het zeer zeker waard als we de kinderen daar al goed op voorbereid hebben als ze zo 11, 12, 13 jaar zijn. Dan kunnen we iets van een Grieks kunstwerk aan de kinderen laten zien, een of andere Afrodite-gestalte o.i.d., we kunnen hun dan uitleggen hoe de schoonheid in de gestalte zich vertoont, enz. We kunnen zelfs zo ver gaan, dat we het verschil uitleggen tussen wat in een individuele gestalte het rustende principe in de kunst is en het bewegende, enz.

Wir können dann gewisse Vorstellungen über das öffentliche Leben, sagen wir, anknüpfend an dasjenige, was jetzt noch im öffentlichen Leben ist, und was schon in der griechischen Zeit da war als politische Grundbegriffe, mit den Kindern besprechen. Und dann, wenn wir uns über so etwas unterhalten haben, dann versuchen wir, dasjenige, was der Grund-charakter der ganzen griechischen Geschichte ist, vor die Kinder wie einen großen Kreis zunächst hinzustellen, klarzumachen den Kindern, wie in Griechenland Menschen von einem gewissen Charakter gelebt haben, wie die Städte-Einrichtungen bei den Griechen waren. Dann aber haben wir hauptsächlich darauf hinzuweisen, wie dasjenige, wor­über wir uns zuerst unterhalten haben, was heute noch lebendig ist, bei den Griechen entstanden ist; wie, sagen wir, bei den Griechen ent­standen ist so etwas, wie eben die plastische Kunst, wie bei den Grie­chen entstanden ist die Einrichtung der Städte und so weiter. Also aus­gehen von dem, was heute noch lebt, müssen wir und übergehen dazu, den Kindern zu zeigen, wie dies in dem griechischen Zeitalter zuerst in der Menschheitsentwickelung Fuß gefaßt hat, so daß das Kind einen ganz bestimmten Begriff erhält von dem Beitrag, den das griechische

We kunnen dan bepaalde voorstellingen met de kinderen bespreken over het openbare leven – laten we zeggen – aanknopend bij wat er nu nog in het openbare leven aanwezig is, van wat er ten tijde van de Grieken al was aan politieke grondbegrippen. En dan, wanneer we daarover hebben gesproken, proberen we voor de kinderen eerst als een grote cirkel neer te zetten wat het grondkarakter van de hele Griekse geschiedenis is, de kinderen duidelijk te maken hoe er in Griekenland mensen geleefd hebben met een bepaald karakter; hoe de steden bij de Grieken waren georganiseerd. Dan hoeven we er echter hoofdzakelijk op te wijzen hoe hetgeen waarover we eerst hebben gesproken, wat nu nog leeft, bij de Grieken is ontstaan; zoals – laten we zeggen – bij de Grieken de beeldhouwkunst is ontstaan, de inrichting van de steden enz. Dus we moeten uitgaan van wat we er tegenwoordig nog van hebben en ertoe overgaan de kinderen te laten zien hoe dit voor het eerst in de mensheidsgeschiedenis in de Griekse tijd is begonnen, zodat het kind een heel bepaald begrip krijgt van de bijdrage die de Griekse

blz. 188

Zeitalter als einen ewigen Beitrag für die Menschheitsentwickelung ge­leistet hat.
Das Kind muß durch eine solche Darstellung eine Idee davon be­kommen, daß das geschichtliche Leben nicht eine ewige Wiederholung ist, sondern daß etwas ganz Bestimmtes in einem bestimmten Zeitalter für die Menschheit geleistet wird, was dann bleibt; wie spätere Zeit­alter etwas anderes leisten, was dann wiederum bleibt. Dann bekommt das Kind auch eine gewisse feste Stellung in der Gegenwart. Es sagt sich: Unser Zeitalter hat auch etwas ganz Bestimmtes für die Ewigkeit zu leisten. Solch eine Geschichtsdarstellung, die wirkt dann wirklich auf das Gemüt, die wirkt dann begeisternd auch auf den Willen; und auf das Wie einer solchen Darstellung kommt eben außerordentlich viel an. Wir werden dabei Gelegenheit haben, an das Kind eine ganze Summe von Vorstellungen, eine ganze Summe von Eindrücken heran-zubringen, von denen wir ihm dann zeigen: die Griechen waren es, die das eingeführt haben in den Schatz des Menschenlebens. Und wir haben Gelegenheit, eine längere Zeit aus jetzt noch Lebendigem heraus mit den Kindern zu sprechen so, daß in all dem, was wir darstellen, nichts Christliches noch liegt.

tijd als een eeuwige bijdrage voor de ontwikkeling van de mensheid heeft geleverd.
Het kind moet er door een dergelijke schets een idee van krijgen dat het geschiedkundige leven niet een eeuwige herhaling is, maar dat iets heel speciaals in een bepaalde tijd voor de mensheid tot stand wordt gebracht, wat dan blijvend is; hoe andere tijdperken weer iets anders tot stand brengen, wat dan ook blijft. Dan krijgt het kind ook een bepaalde vaste positie in het heden. Het zegt: ook onze tijd moet iets heel bijzonders voor de eeuwigheid presteren. <5>
<6>Een dergelijke voorstelling van geschiedenis werkt dan echt op het gevoel, werkt ook enthousiasmerend op de wil; en op het ‘hoe’ van zo’n voorstelling komt buitengewoon veel aan. Daarbij zullen we de gelegenheid hebben het kind heel wat voorstellingen, heel wat indrukken te geven, waarvan we hem dan laten zien: het waren de Grieken die dit ingebracht hebben als iets kostbaars in het mensenleven. En we hebben de gelegenheid wat langer met de kinderen te spreken over wat nu nog leeft, zodanig dat daar nog niets christelijks in voorkomt.

Denn indem wir über das Griechentum so sprechen, und so sprechen, daß das Griechentum als lebendig emp­funden wird, ergehen wir uns in einer Materie, in der noch nichts Christliches drinnen liegt. Aber gerade dadurch, daß wir längere Zeit in dem Kinde Vorstellungen lebendig erhalten, die dem Christentum gegenüber noch ganz neutral sind, dadurch erringen wir uns die Mög­lichkeit, den Einschlag des Ereignisses von Golgatha, den Einschlag der Entstehung des Christentums mit aller Schärfe dann vor die Kin­der hinzustellen. Und wir werden, wenn wir auf eine solche Art die griechische Geschichte geben, von einer Art Charakteristik des ganzen Griechentums dann übergehen zu den Einzelheiten. Wenn wir in dieser Weise die griechische Geschichte durchnehmen, werden wir gerade die richtige Vorbereitung für eine Empfindung des Christentums in den Kindern hervorrufen.
Nun wird ja mancher von Ihnen mit einem gewissen Recht zunächst das Folgende sagen: Ja, aber da regst du uns ja an, über die Einzel­heiten der Geschichte zunächst zu schweigen und in Bausch und Bogen, im Großen das ganze Griechentum zu charakterisieren, das ist doch nicht eine richtige Methode, denn da geht man nicht aus von den ein­zelnen konkreten Ereignissen, um dann zusammenzusetzen die griechische

Want wanneer we over het Griekendom zo spreken dat dit levendig wordt ervaren, begeven we ons in een materie waarin nog niets christelijks aanwezig is. Maar juist omdat we een langere tijd in het kind de voorstellingen levend houden die t.o.v. het christendom nog heel neutraal zijn, maken we het mogelijk de impuls van de gebeurtenis op Golgotha, de impuls van het ontstaan van het christendom in alle scherpte voor het kind neer te zetten. En we zullen, wanneer we op een dergelijke manier de Griekse geschiedenis geven vanuit een soort karakteristiek van het hele Griekendom, overgaan tot de details. Wanneer we op deze manier de Griekse geschiedenis doornemen, zullen we bij de kinderen juist een goede voorbereiding voor het invoelen van het christendom oproepen. <6>
<7> Nu zullen sommigen van u zeggen: ‘Ja, maar nu spoor je ons aan eerst het niet te hebben over de details van de geschiedenis, en in grote trekken het hele Griekendom in het groot te karakteriseren, dan is dat toch geen goede methode, want daarbij ga je niet uit van aparte concrete gebeurtenissen om dan de Griekse

blz. 189

Geschichte in ihrer Ganzheit aus den einzelnen Ereignissen und so weiter.
Ja, da berühren wir eine bedeutsame methodische Frage, die nicht aus Eigensinn und Vorurteil heraus beantwortet werden sollte, son­dern die beantwortet werden sollte aus einer vollen unbefangenen Er­fassung des Lebens. Ich frage Sie: Ist denn das Leben so, daß es immer das Ganze aus dem Einzelnen zusammensetzt? Bedenken Sie einmal, wenn Sie diese Anforderung an das gewöhnliche Wahrnehmungsleben stellen wollten, so müßten Sie den Menschen anleiten, einen mensch­lichen Kopf, ein menschliches Haupt aus den einzelnen Teilen des Ge­hirns und so weiter, zusammenzusetzen. Wir schauen ja im Leben Ganzheiten unmittelbar an. Wir gewinnen nur dadurch ein lebendiges Verhältnis zum Leben, daß wir Ganzheiten unmittelbar anschauen, und es handelt sich niemals darum, daß wir in willkürlicher Weise von dem Teile zu den Ganzheiten übergehen, sondern daß man dasjenige, was im Leben als eine Ganzheit auftritt, auch als eine Ganzheit charak­terisiert. Ja, für den Griechen selber, da war es so, daß er in irgend­einem Jahrzehnt lebte, und daß er die Eindrücke, die dieses Jahrzehnt geben konnte, als einzelner Mensch erlebte.

in totaliteit uit de aparte gebeurtenissen samen te stellen enz.
Ja, hier raken we een belangrijke methodische vraag die niet eigenzinnig en bevooroordeeld beantwoord moet worden, maar vanuit een volledig onbevangen opvatting over het leven. Ik vraag u: is het dan zo in het leven dat het geheel altijd vanuit de delen gevormd wordt? Denk eens wanneer u deze eis aan het gewone waarnemingsleven zou willen stellen, dan zou je de mens aansporen een menselijk hoofd uit de losse delen van de hersenen enz. samen te stellen. In het leven zien we direct het geheel. We krijgen alleen een levende verhouding tot het leven doordat we meteen totaliteiten waarnemen en het gaat er nooit om op een willekeurige manier van de delen naar het geheel te gaan, maar om wat er in het leven zich als totaliteit voordoet, ook als totaliteit te karakteriseren. Ja, voor de Griek zelf was het zo, dat hij in een of ander decennium leefde en dat hij de indrukken die dit op hem maakte, meebeleefde.

Dasjenige aber, was heute noch lebendig ist vom Griechentum, das hat sich zusammengefaßt, das bildet ein Ganzes, und über das schauen wir hinweg, wenn wir nicht, ausgehend von diesem Lebendigen, den ganzen Kreis des Griechentums vor das Kind charakterisierend hinstellen.
Und noch eine mehr praktische Frage erledigt sich dadurch. Ich habe es immer wieder und wiederum erleben müssen, was es wirklich im einzelnen heißt: der Lehrer wird mit seinem Unterrichtsstoff im Jahre nicht fertig. Das ist eigentlich etwas, was in doppelter Hinsicht zu einem Unfug führt, denn erstens wird man eben nicht fertig, das ist der eine Unfug; zweitens aber wird oftmals, damit man fertig wird, in den letzten Wochen so überhudelt, daß das ganz vergebliche Arbeit ist, daß das überhaupt gar nichts heißt, was man in den letzten Wochen macht. Hat man aber zuerst einen großen Kreis umfaßt, hat man den Zeitraum, den man für die betreffende Klasse nehmen will – die Klassenabteilungen, den Lehrplan und die Lehrziele werden wir noch besprechen -, vor die Kinder hingestellt, dann schadet es gar nicht so viel, wenn man in der Betrachtung der Einzelheiten da oder dort über manches hinweggehen muß und dergleichen. Denn wie leicht ist es dem Menschen im Leben, wenn er einen Überblick über eine Sache

Maar wat tegenwoordig nog van het Griekendom leeft, is één geheel geworden, het vormt een totaliteit en daar kijken we overheen wanneer we niet uitgaand van dit levende, het hele domein van het Griekendom, karakteriserend voor het kind neerzetten. <7>
<8> En daardoor wordt nog een meer praktische vraag beantwoord. Ik heb het steeds weer meegemaakt, wat het concreet betekent: de leraar komt met de onderwijsstof in het jaar niet klaar. Dat is eigenlijk iets wat in dubbel opzicht tot iets onbehoorlijks leidt, ten eerste krijg je de lesstof niet af, dat deugt niet; ten tweede echter wordt er om het wél af te krijgen, de laatste weken zo afgeraffeld, dat dat werk voor niks is, dat het geen naam mag hebben, wat daar de laatste weken gebeurt. Heb je echter eerst het grote overzicht in de gaten, heb je de tijdsduur voor de betreffende klas bepaald – de klassen, het leerplan en de leerdoelen zullen we nog bespreken – en dat de kinderen meegedeeld, dan is het niet zo erg wanneer je bij het beschouwen van de details hier of daar eens iets moet weglaten en dergelijke. Want hoe gemakkelijk is het niet voor de mens, wanneer hij overzicht over een zaak

blz. 190

hat, sich besonders in unserer Zeit in den Konversationslexika das ein­zelne nachzusehen. Keinen Überblick bekommen zu haben, das ist unter Umständen ein bleibender Verlust für das Leben. Denn einen rechten Überblick bekommt man nur unter der Anleitung einer leben­digen Persönlichkeit. Einzelheiten aufnehmen kann man auch aus einem Buche.
Dies muß man doch als ein sehr Wichtiges in der pädagogischen Kunst berücksichtigen. Das ist sogar etwas, was bei den Lehrerprüfun­gen im ausgesprochensten Maße berücksichtigt werden sollte. Würde mit Bezug auf die Lehrerprüfungen dasjenige durchgeführt, was ich versuchte – es ist ja natürlich das im Anfange – für die Waldorfschule in Stuttgart geltend sein zu lassen, so würde man eben sagen: Bei der Lehrerprüfung sollte es eben darauf ankommen, sich von der Gesamt-verfassung des Lehrers in bezug auf ein Weltbild zu überzeugen und im übrigen die einzelnen Kenntnisse dem überlassen, was er für nötig findet für den einzelnen Unterricht von Stunde zu Stunde, von Tag zu Tag vorbereitend durchzunehmen. Daß man bei Lehrerprüfungen Ein­zelheiten verlangt, das ist überhaupt ein Unfug. Es kommt darauf an, den Gesamteindruck zu bekommen, ob irgend jemand als Lehrer ge­eignet ist oder nicht.

heeft, speciaal wanneer hij in deze tijd in de encyclopedie de details wil zien. Wanneer je geen overzicht hebt gekregen, is dat onder bepaalde omstandigheden een blijvend manco in het leven. Want een goed overzicht krijg je alleen onder leiding van een levendige persoonlijkheid. Details kun je ook uit een boek halen.
Dat moet je toch als een heel belangrijk punt in de pedagogische kunst beschouwen. Het is zelfs iets, wat bij de lerarenexamens zeer uitgesproken in acht zou moeten worden genomen. Zou wat betreft die lerarenexamens doorgevoerd zijn wat ik probeerde – het staat nog maar aan het begin – voor de vrijeschool in Stuttgart te laten gelden, dan zou men zeggen: ‘Bij het lerarenexamen komt het erop aan zich ervan te overtuigen wat de totale grondhouding van de leraar is m.b.t. een wereldbeeld en voor de rest de feitenkennis over te laten aan wat hij nodig vindt om voor iedere les, van uur tot uur, van dag tot dag, als voorbereiding door te werken.’  Dat men bij lerarenexamens feiten wil, is zeer zeker iets wat niet klopt. Het komt erop aan een totaalindruk te krijgen of iemand als leerkracht geschikt is of niet.

Natürlich darf man diese Dinge auch nicht pres­sen. Man darf selbstverständlich nicht glauben, daß man alle diese Dinge bis ins Extreme treiben darf. Aber im wesentlichen gilt das, was ich gesagt habe.
Nun wird man all das, was ich charakterisiert habe, als heute noch lebendig, gewissermaßen als einen Übergangsimpuls zum Griechentum betrachten können. Dann aber wird man übergehen können zu dem, was auch heute lebendig ist, was aber im Griechentum noch nicht lebendig war. Man wird vor allen Dingen nun sich lebendig unter­halten können mit dem Schüler über einen solchen Begriff wie all­gemeine Menschenwürde. Man wird sich unterhalten können über einen solchen Begriff wie individuelles Bewußtsein des Menschen, na­türlich alles in elementarer Weise. Den Begriff der allgemeinen Men­schenwürde, den hatten die Griechen nicht. Sie hatten den Begriff der Polis, den Begriff einer Gemeinschaft, der der Einzelne angehörte. Darnach waren die einzelnen eingeteilt: Herren, Sklaven. Den eigent­lichen Fundamentalbegriff des Menschen hatten sie nicht. Darüber unterhält man sich nun mit den Schülern. Man unterhält sich ferner mit den Schülern über den Begriff des allgemein Menschlichen, de

Natuurlijk moet je deze dingen niet dwingen. Je moet vanzelfsprekend ook niet geloven dat je al deze dingen tot in het extreme moet doen. Maar in wezen geldt, wat ik heb gezegd.
Alles wat ik nu gekarakteriseerd heb, moet je als iets wat tegenwoordig nog levend, in zekere zin als een overgangsimpuls naar het Griekendom, kunnen beschouwen.<8>
<9> Dan zou je over kunnen stappen naar iets wat tegenwoordig ook nog leeft, maar wat bij de Grieken nog niet leefde. Je zou vooral op een levendige manier met de leerlingen kunnen spreken over zo’n begrip als universele menswaardigheid. Je kunt over zo’n begrip als individueel bewustzijn van de mens spreken, natuurlijk allemaal op een elementaire manier. Het begrip van de universele menswaardigheid kenden de Grieken niet. Ze hadden het begrip van de polis, het begrip van de gemeenschap waartoe de enkeling behoorde. Daar waren de enkelingen bij ingedeeld: meesters, slaven. Het eigenlijke fundamentele mensbegrip hadden ze niet. Daarover praat je nu met de leerlingen. Verder ook met het algemeen menselijke, dat

blz. 191

weil wir wirklich in der heutigen Zeit nicht genug christlich sind, gar nicht so sehr in dem Menschen lebendig ist, aber, ich möchte sagen, durch die Naturgeschichte, die Geschichte sehr wohl in den Kindern lebendig werden kann. Dieser Begriff des allgemein Menschlichen kann etwa so erweckt werden: Man stellt vor die Kinder hin das Abendmahl des Leonardo – es ist ja eigentlich nur noch seinem Sinne nach da, es sind einige Farbflächen noch vorhanden in Mailand davon -, dasje­nige, was Leonardo mit diesem Bilde einmal gewollt hat, davon kann man sich heute, ich möchte sagen, nur hellsichtig noch einen Begriff machen, aber der Gedanke des Bildes, er ist noch da. Er ist lebendig zu machen, indem man das Bild vor die Kinder hinstellt. Hat man da diese zwölf Apostel mit dem Herrn in der Mitte, dann ist man in der Lage, tatsächlich an diesem Bilde klarzumachen, daß zwölf Menschen da sind, zwölf Menschen, die vom Künstler selbst schon in ihren Stel­lungen mit den verschiedensten Gesinnungen dargestellt worden sind, vom hingebungsvollen Johannes bis zum verräterischen Judas. Man kann gewissermaßen alle menschlichen Charaktere an diesen zwölf Bildern entwickeln.

omdat we tegenwoordig niet christelijk genoeg meer zijn, helemaal niet zo in de mens leeft, maar door de biologie, de geschiedenis wel levend kan worden in de kinderen. Het begrip voor het algemeen menselijke kan bijv. zo gewekt worden: je laat de kinderen Het Avondmaal van Leonardo zien – het is er eigenlijk alleen nog maar als idee, er zijn nog wat schildervlakken van in Milaan* – van wat Leonardo eens met dit beeld wilde, kun je je alleen tegenwoordig maar helderziend een begrip vormen, maar de idee van het beeld is er nog. Je kunt het levend maken als je de kinderen het beeld laat zien. Wanneer je de twaalf apostelen hebt, met de Heer in het midden, dan ben je in staat, aan dit beeld daadwerkelijk duidelijk te maken dat er twaalf mensen zijn, twaalf mensen die door de kunstenaar zelf al in hun houdingen en met de meest verschillende stemmingen afgebeeld zijn, van Johannes, vol overgave tot de verraderlijke Judas. Je kan in zekere zin alle menselijke karaktertrekken aan deze twaalf beelden ontwikkelen.

Man kann den Kindern zeigen, wie die Menschen-charaktere verschieden sind, und man weist dann darauf hin, wie in der Mitte der Herr sich verhält zu jedem einzelnen, und man wird den Kindern sagen können: Nehmt meinetwillen irgend jemanden, der aus einem fremden Himmelskörper herunterkommt – man braucht es nicht in der Weise zu sagen, aber man kann es so klarmachen -, nehmt irgend jemanden, der von einem fremden Himmelskörper herunterkommt und alle Bilder auf der Erde sieht – ein solches Wesen braucht nur die zwölf Menschen anzuschauen, und dann das verklärte Antlitz in der Mitte, und es weiß als ein ganz erdenfremdes Wesen: Das hat etwas zu tun mit dem, was der Erde Sinn gibt. Daß einmal eine Zeit da war in der Erdentwickelung, die Vorbereitung war, daß dann eine andere Zeit kam, auf die gewartet wurde, und die gegenüber der Vorbereitung eine Art Erfüllung gibt, daß mit der ganzen irdischen Menschheits­entwickelung dieses Ereignis von Golgatha zusammenhängt, daß die Erde keinen Sinn hätte in ihrer Entwickelung, wenn dieses Ereignis nicht eingetreten wäre, das ist etwas, was man klarmachen kann. Das ist also, was auch heute noch lebendig ist, was sehr leicht belebt werden kann, insofern es in unserer halb heidnischen Zeit wiederum erstorben ist. Kurz, darum handelt es sich, daß man jetzt gewissermaßen das zweite Zeitalter des Menschen klarmacht. Das ist das Zeitalter, das im

Je kan de kinderen laten zien, hoe verschillend mensen in hun karakter zijn en dan wijs je erop hoe de Heer in het midden t.o.v. ieder individu staat en je kan tegen de kinderen zeggen: ‘Neem wat mij betreft een of ander persoon die vanaf een vreemd hemellichaam naar beneden komt – je hoeft het niet zo te zeggen, maar zo kun je het duidelijk maken – neem iemand die van een andere planeet komt en alle beelden van de aarde ziet – zo’n wezen hoeft maar naar die twaalf mensen te kijken en dan naar het bezielde gezicht in het midden en als wezen dat niet thuis is op aarde, weet het: dat heeft te maken met wat zin aan de aarde geeft. Dat er eens een tijd was in de aardeontwikkeling als voorbereidingstijd, dat er dan een andere tijd kwam waarop werd gewacht en die t.o.v. de voorbereiding een soort vervulling gaf, die met de hele aardse mensheidsontwikkeling van deze gebeurtenis op Golgotha samenhangt, dat het voor de aarde in haar ontwikkeling geen zin zou hebben gehad als deze gebeurtenis niet zou hebben plaatsgevonden, dat is iets wat je duidelijk kunt maken. Dat leeft ook nu nog, dat kan heel makkelijk weer gaan leven, voor zoverre het in onze halve heidense tijd niet gestorven is. Kortom, het gaat erom dat je in zekere zin het tweede tijdperk van de mens duidelijk maakt. Dat is het tijdperk dat in

blz. 192

Gegensatz zu dem Schaffen von Begriffen, von künstlerischem Emp­finden zu alle dem, was eigentlich nur entstehen konnte, indem eine Aristokratie der Menschheit es ausbrütete, das im Gegensatze zu dem, was eben als Erbschaft geblieben ist, auftrat mit der Entstehung des Christentums: das allgemein Menschliche.
Nun kann man zeigen, indem man jetzt erst die römische Geschichte nachholt, wie die römische Geschichte nach irgend etwas hin tendiert, was eigentlich in sich selbst kaum eine Bedeutung hat; denn es wird dem unbefangenen Betrachter der römischen Geschichte klarwerden, wie groß eigentlich der Abstand dieses römischen Volkes von dem griechischen Volke ist. Das griechische Volk hat uns und den Römern
– denn die Römer waren die Schüler der Griechen in wirklich allem bedeutenden Menschlichen -, das Griechentum hat uns und den Rö­mern dasjenige gegeben, was geblieben ist. Die Römer für sich, sie waren ein phantasieloses Volk, ein Volk, welches eigentlich nur sich vorbereitet hat durch den Bürgerbegriff zum christlichen Menschen-begriff. Den Einschlag des Christentums in das Römertum kann man dem Kind in diesem Lebensalter durchaus schon beibringen und damit auch zeigen, wie die alte Welt Stück für Stück zugrunde geht und das Christentum Stück für Stück sich im Abendlande verbreitet.

tegenstelling tot het creëren van begrippen, van kunstzinnig gevoel voor alles wat eigenlijk alleen maar kon ontstaan wanneer een aristocratie van de mensheid het uitdacht, dat in tegenstelling tot wat als erfenis gebleven is, optrad met het ontstaan van het christendom: het algemeen menselijke. <9>
<10>Nu kun je laten zien, wanneer je nu de Romeinse geschiedenis er nog bijhaalt, hoe deze naar iets neigt wat eigenlijk op zich nauwelijks betekenis heeft; want het zal de onbevangen onderzoeker van de Romeinse geschiedenis duidelijk worden, hoe groot eigenlijk de afstand van dit Romeinse volk tot het Griekse volk is. Het Griekse volk heeft ons en de Romeinen – want de Romeinen waren de leerlingen van de Grieken van werkelijk alles wat voor de mens van betekenis is – het Griekendom heeft ons en de Romeinen datgene gegeven wat gebleven is. De Romeinen op zich, het was een fantasieloos volk, een volk dat zich eigenlijk slechts voorbereid had door het begrip van burger tot het christelijke begrip van mens. De impuls van het christendom bij de Romeinen kan je een kind op deze leeftijd al wel bijbrengen en daarmee ook laten zien, hoe de oude wereld geleidelijk ten onder gaat en het christendom zich geleidelijk in het Avondland verbreidt.

Ich möchte sagen: Das erste Jahrtausend des Christentums gewinnt dadurch einen gewissen einheitlichen Charakter. Es ist die Verbreitung des allgemei­nen Menschenbegriffes. Und wenn man einen so lebendigen, einen so intensiven Begriff von dem Einschlag des Christentums in die Mensch­heitsentwickelung an die Kinder heranbringt, dann bekommt man auch die Möglichkeit, das ganze neue Zeitalter nun für die Menschen­kinder zu charakterisieren.
Nachdem das erste Jahrtausend christlicher europäischer Entwicke­lung vorüber ist, beginnt doch wiederum etwas ganzNeues. Dieses ganz Neue bereitet sich langsam vor. Dasjenige tritt klar in die Menschheits­entwickelung ein, was, ich möchte sagen, das Allerprosaischste ist für uns. Für unsere Nachkommen in Jahrtausenden wird die Sache anders liegen, aber wir müssen selbstverständlich heute »Geschichte« für unsere Zeit lehren. Wir blicken also zurück ins Griechentum, in dasjenige, was heidnisch sein darf, künstlerisches Leben, Vorstellungsleben und so weiter, wir blicken zurück in das erste Jahrtausend christlicher Ent­wickelung und finden das europäische Gefühlsleben gerade darin ent­wickelt; und wir finden dann in dem, was nach dem ersten Jahrtausend

Het eerste millennium van het christendom krijgt daardoor het karakter van een zekere eenheid. Het is de verbreiding van het algemene begrip mens. En wanneer je een zo levend, een zo intensief begrip van de impuls van het christendom in de ontwikkeling van de mensheid aan de kinderen leert, krijg je ook de mogelijkheid het geheel nieuwe tijdperk voor de kinderen te karakteriseren.
Nadat het eerste millennium van de christelijke Europese ontwikkeling voorbij is, begint totaal weer iets heel nieuws. Dit bereidt zich langzaam voor. Het verschijnt duidelijk in de mensheidsontwikkeling als het meest prozaïsche voor ons. Voor onze nakomelingen in duizenden jaren zullen de zaken anders liggen, maar wij moeten vanzelfsprekend vandaag ‘geschiedenis’ voor onze tijd leren. Wij kijken dus terug naar de Grieken, naar wat niet-christelijk mag zijn, kunstzinnig leven, voorstellingsleven enz., we blikken terug naar  het eerste millennium van christelijke ontwikkeling en vinden de ontwikkeling van het Europese gevoelsleven juist daar; en we vinden dan in wat na het eerste millennium

blz. 193

christlicher Entwickelung eintritt, das europäische Willensleben, vor allen Dingen zunächst dadurch herankommend, daß die wirtschaft­lichen Angelegenheiten für die Menschen Gegenstand eines ausgebilde­ten Nachdenkens werden, Gegenstand von Schwierigkeiten werden. Sie wurden früher in viel naiverer Weise besorgt, als sie nachher be­sorgt werden. Und mit dem zusammenhängend dann versucht man gerade zu schildern, wie die Erde ein einheitlicher Schauplatz wird für die Menschen, wie sie es wird durch die Entdeckungsfahrten, wie sie es wird durch die Buchdruckerkunst, und man versucht, diesen letzten Zeitraum als denjenigen zu erfassen, in dem wir eben noch drinnen-stehen. Da wird man nicht mehr in einer solchen Weise große Gesichts­punkte, wie für die griechische Zeit und für die christlich-römische Zeit mit einer Nachwirkung in das mitteleuropäische Leben herein darstel­len können; da wird man dann mehr oder weniger zerfallen lassen müssen dasjenige, was vom 11., 12., 13.Jahrhundert an und so weiter geschehen ist, in Einzelheiten. Aber gerade dadurch wird man von dem in dieser Zeit in die Geschichte eintretenden Völkerwillensleben die richtige Empfindung in dem Kinde erwecken.

van christelijke ontwikkeling optreedt, het Europese wilsleven, vooral eerst opkomend doordat de handelszaken voor de mensen onderwerp worden om uitgebreid over na te denken, onderwerp worden van problemen. Die werden vroeger op een veel naïevere manier afgehandeld dan later. En daarmee samenhangend probeer je dan te schetsen hoe de wereld een meer eenheid vertonend toneel wordt voor de mensen, hoe dat komt door de ontdekkingsreizen, door de boekdrukkunst en je probeert dit laatste tijdperk op te vatten als het tijdperk waar we nu nog in zitten. Dan zal je niet meer op zo’n manier grote gezichtspunten neer kunnen zetten zoals je kon doen voor de Griekse tijd, voor de christelijk-Romeinse tijd met de nawerking in het Midden-Europese leven; dan zal je daar min of meer, wat er vanaf de 11e, 12e, 13e eeuw enz. gebeurd is, dat in details moeten opsplitsen. Maar juist daardoor zal je voor wat er vanaf deze tijd in de geschiedenis als verschijnend wilsleven van de volkeren begint te leven, bij het kind het juiste gevoel wekken.<10>

Was erreicht man dadurch, daß man dieses tut? Sehen Sie, dadurch treibt man nicht Kausalgeschichte und auch nicht pragmatische Ge­schichte, all die schönen Dinge, die zeitweilig so bewundert worden sind. Was heißt denn Kausalgeschichte? Ich sagte es schon, es setzt vor­aus, daß immer das Folgende als die Wirkung des Vorhergehenden entstanden ist. Aber wenn man eine Wasseroberfläche hat, und man sieht aufeinanderfolgende Wellen – wird man denn jede folgende Welle als die Wirkung der vorhergehenden ansehen dürfen? Wird man denn da nicht in den Tiefen des Wassers die Ursache suchen müssen, die gemeinsame Ursache für die Folgen der Wellen? In der Geschichte ist es nicht anders. Man übersieht das Wichtigste, wenn man nur nach dem Zusammenhange von Ursache und Wirkung sieht. Man übersieht dasjenige, was in den Tiefen der Menschheitswerdenskräfte waltet, welche die einzelnen Erscheinungen im Laufe der Zeit an die Ober­fläche bringen, so daß sie sich nicht bloß darstellen unter dem Gesichts­punkt von Ursache und Wirkung. Dasjenige, was in einem Jahrhun­dert geschieht, ist nicht bloß die Wirkung desjenigen, was im früheren Jahrhunderte geschehen ist, sondern es ist selbständig – nebenbei, daß es Wirkung ist -, es ist selbständig, ich möchte sagen, aus den Tiefen des Menschenwerdestromes an die Oberfläche getragen.

<11> Wat bereik je ermee dit zo te doen? Kijk, daardoor geef je geen causaliteitsgeschiedenis en ook geen pragmatische geschiedenis, al dat moois, wat tijdelijk zo werd bewonderd. Wat is dan causaliteitsgeschiedenis? Ik zei al, het gaat ervan uit, dat steeds het volgende als de werking van het voorafgaande ontstaan is. Maar wanneer je een wateroppervlak hebt en je ziet de na elkaar aankomende golven, mag je dan iedere volgende golf als de werking van de voorafgaande beschouwen? Moet je de oorzaak dan niet in de diepte van het water zoeken, de gemeenschappelijke oorzaak voor de golven die volgen? In de geschiedenis is het niet anders. Je kijkt over het belangrijkste heen, wanneer je alleen kijkt naar de samenhang van oorzaak en gevolg. Je kijkt over datgene heen wat in de diepte van de krachten bij het worden van de mensheid gaande is, die de afzonderlijke verschijnselen in de loop van de tijd aan de oppervlakte brengen, zodat die zich niet alleen maar vertonen onder het gezichtspunt van oorzaak en gevolg. Wat in de ene eeuw gebeurt, is niet alleen maar het gevolg van wat in een eerdere eeuw gebeurd is, maar staat op zich, laat staan dat het een gevolg is – , het staat op zich en is op zich staand, uit de diepten van de stroom van de menswording aan de oppervlakte gebracht.

blz. 194

Davon kann man im kindlichen Lebensalter einen Eindruck hervor­rufen. Und man muß ihn in dieser Zeit hervorrufen. Denn wenn man Lhn nicht in diesem Alter hervorruft, dann bleibt der Mensch eigen­sinnig, bleibt bei seiner pragmatischen oder kausalen Geschichte. Er er­starrt dann in seiner Auffassung des geschichtlichen Werdens und ist später eigentlich wenig mehr geneigt, etwas aufzunehmen von dem, was eigentlich Zukunft hat, und was ich im Gegensatz zu aller übri­gen Geschichtsdarstellung nennen möchte die symptomatologische Ge­schichte. Wer symptomatologische Geschichtsbetrachtungen treibt, wird nicht glauben, man müsse an die geschichtlichen Ereignisse unmittelbar herangehen und sie schildern um ihrer selbst willen, sondern er wird sie als Symptome eines tieferen Werdens betrachten und sich sagen:
Wenn in einem bestimmten Zeitalter, sagen wir, der Gutenberg auf-tritt und die Buchdruckerkunst findet, so hängt das zusammen mit etwas, was in den Tiefen der Menschheit geschieht. Und die Auf­findung der Buchdruckerkunst ist nur ein Symptom dafür, daß die Menschheit in dieser Zeit reif geworden ist, von gewissen bloß kon­kreten Vorstellungen zu abstrakten überzugehen. 

Daarvan kun je in de kinderleeftijd een indruk oproepen. En die moet je in deze tijd oproepen. Want doe je dat op deze leeftijd niet, dan blijft de mens eigenzinnig, blijft bij zijn pragmatische of causale geschiedenis. Hij wordt dan star in zijn opvattingen over de geschiedkundige wording en is later eigenlijk weinig meer genegen iets op te nemen van iets wat eigenlijk toekomst heeft en wat ik in tegenstelling tot alle andere geschiedschrijving de symptomatologische geschiedenis noem. Wie geschiedenis symptomatologisch bekijkt, zal niet geloven dat je meteen de geschiedkundige gebeurtenissen moet nemen en die schetsten om ze te schetsen, maar die zal ze als symptomen van een dieper worden bekijken en zeggen: wanneer er in een bepaalde tijd – laten we zeggen – sprake is van Gutenberg die de boekdrukkunst ontdekt, dan hangt dat samen met iets wat in een diepere laag van de mensheid gebeurt. En de uitvinding van de boekdrukkunst is er maar een symptoom van, dat de mensheid in deze tijd rijp geworden is van bepaalde enkel concrete voorstellingen over te gaan tot abstracte.

 Indem man dasjenige Leben antritt im Laufe der Zeit, das zusammengehalten wird mehr durch den Druck, als durch die unmittelbar gründlichen Inhalte, wird das Leben wesentlich verabstrahiert oder ins Abstrakte getrieben.
Wie im Verlaufe des geschichtlichen Werdens das Leben verabstra­hiert, ins Abstrakte getrieben wird, davon machen wir uns in der Regel überhaupt keine Vorstellung. Denken Sie doch nur einmal, um ein kleines zu sagen, ich kann sagen: Mein Rock ist schäbig. Darüber hat heute jeder eine Vorstellung, wenn ich sage: Mein Rock ist schäbig. Aber er wird nicht sich klarwerden darüber, was das eigentlich heißt. Es heißt, daß das, was ich da meine, ursprünglich etwas mit den Scha­ben, mit den kleinen Insekten zu tun hat. Röcke hat man hängen-lassen in Schränken, hat sie nicht ordentlich gebürstet, und da sind diese kleinen Insekten, diese Schaben, gekommen und haben den Rock zerfressen. Man hat Löcher. Und aus dem Zerstören von Röcken durch Schaben ist das Wort »schäbig« entstanden. Das ist der Übergang vom Konkreten zum Abstrakten. Dieser Übergang vom Konkreten zum Abstrakten vollzieht sich in der Menschheit immerfort, und auf den sollten wir eigentlich aufmerksam sein. Sehen Sie, in meiner Gegend, wo ich aufgewachsen bin, in dieser österreichischen Gegend, da redeten die Bauern sehr konkret vom Nachtschlaf. Der Nachtschlaf war für sie

Wanneer men in de loop van de tijd het leven binnenstapt waarin er meer verband is door de drukpers dan door zonder omwegen iets zeer inhoudelijks, dan wordt het leven in belangrijke mate abstracter of tot abstracties geforceerd.
Hoe in de loop van de geschiedkundige wording het leven geabstraheerd is, tot abstracties geforceerd is, daarvan maken wij ons in de regel helemaal geen voorstelling. Bedenk eens, om een klein voorbeeld te geven: mijn jas is mottig. Als ik dat zeg, heeft iedereen daar wel een voorstelling van. Maar het wordt hem niet duidelijk, wat dat eigenlijk betekent. Het betekent dat wat ik daar zeg, oorspronkelijk met motten, met die kleine insecten te maken heeft. Jassen heeft men in kasten laten hangen, ze niet naar behoren geborsteld en toen zijn deze kleine insecten, de motten, gekomen en hebben de jas aangevreten. Er zitten gaatjes in. En door het beschadigen van jassen door motten is het woord ‘mottig’ ontstaan. Dat is de overgang van concreet naar abstract. Deze overgang voltrekt zich in de mensheid steeds weer en daar moeten we eigenlijk op letten. In de omgeving waarin ik ben opgegroeid, in deze Oostenrijkse omgeving, spraken de boeren zeer concreet over de “nachtslaap”. De nachtslaap was voor hen

blz. 195

nicht jenes Abstraktum, an das wir heute denken, wenn wir sagen: der Nachtschlaf; sondern der Bauer rieb sich die Augen aus und das, was da in den Augenecken am Morgen drinnen war, was er herausrieb, diese konkrete Absonderung, die nennt er den Nachtschlaf, und einen anderen Begriff von dem Nachtschlaf hat er nicht, er muß erst auf den abstrakten Begriff des Nachtschlafes gebracht werden. Allerdings, diese Dinge sterben aus. Wir Älteren erinnern uns, wenn wir gerade unsere Jugend nicht in der Stadt zugebracht haben, sondern auf dem Lande, wie alles konkret war. Aber es ist sozusagen mit dem 19. Jahrhundert mehr oder weniger ausgestorben. Ich könnte Ihnen eine ganze Anzahl solcher Beispiele vorbringen, und Sie wirden kaum glauben, daß in solch konkreter Weise auf dem Lande gedacht wird. Man kann sehr Merkwürdiges erleben. Es gibt einen österreichischen Dialektdichter, der sehr schöne Dinge gemacht hat, die die Stadtleute alle bewundert haben, aber eben nur die Stadtleute, denn die Landleute verstehen sie nicht, weil er alle Worte so gebraucht, wie sie die abstrakten Stadtleute gebrauchen. Das versteht der auf dem Lande aber gar nicht, weil der konkrete Dinge im Auge hat, so daß alles für ihn etwas ganz, ganz anderes bedeutet.

niet zo’n abstractie waaraan wij nu denken als we zeggen: de nachtslaap; maar de boer wreef in zijn ogen en wat er ’s morgens in zijn ooghoeken zat, wat hij eruit wreef, wat daar concreet uitgescheiden was, noemde hij nachtslaap en een ander begrip van nachtslaap had hij niet, tot het abstracte begrip nachtslaap moest hij eerst gebracht worden. Maar ja, deze dingen sterven uit. Wij ouderen weten het nog, als we dus niet onze jeugd in de stad hebben doorgebracht, maar op het platteland, waar alles concreter was. Maar dat is met de 19e eeuw min of meer uitgestorven. Ik zou u heel wat van dergelijke voorbeelden kunnen geven en u zou het nauwelijks geloven dat er op zo’n concrete manier op het platteland gedacht werd. Je kunt er veel opmerkelijks aan beleven. Er is een Oostenrijkse dialectdichter, die veel mooie dingen heeft gemaakt, die de mensen uit de stad alle bewonderden, maar alleen de mensen uit de stad, want de mensen van het land begrijpen ze niet, omdat hij alle woorden zo gebruikt als de abstracte stadsmens doet. Die van het boerenland begrijpt dat helemaal niet, omdat hij concrete dingen voor ogen heeft, zodat voor hem alles iets heel, heel anders betekent.

Ich will nur daran erinnern, daß zum Beispiel, wenn dieser österreichische Dialektdichter in seinem Gedichte von der Natur spricht, er für den Bauern ganz unverständlich ist, weil der Bauer die­sen Begriff der Natur, den der gebildete Mensch hat, überhaupt nicht hat, sondern unter Natur etwas sehr, sehr Konkretes versteht. So könnte man überall Beispiele anführen, welche zeigen würden, wie der Übergang vom Konkreten zum Abstrakten im ganzen Werdegang der Menschheit bedingt ist, und wie über die ganze Menschheit eine Welle von Abstraktionsneigung sich ergießt mit der Buchdruckerkunst. Die Menschen filtrieren gewissermaßen unter demEinfluß der Buchdrucker-kunst ihre Begriffe.
Dann wäre es nicht schlecht, wenn man den Kindern aus der neueren Geschichte heraus gewisse Begriffe beibringen würde, die eigentlich dem Leben gegenüber objektiv machen. Es würde zum Beispiel viel weniger deklamiert werden von Bekämpfung des Kapitalismus und so weiter, wenn nicht die Menschen, die heute diese Dinge reden, so redeten, als wenn sie über diese Dinge gar nichts gehört hätten und gar keine Vor­stellung davon hätten, daß es eigentlich gar nichts heißt, wenn man einfach wütend loszieht über den Kapitalismus; denn es hat gar nichts zu tun mit dem, was die Leute eigentlich wollen. Es beruht bloß darauf

Ik wil er alleen maar aan herinneren, dat bijv. wanneer deze dichter over de natuur spreekt, hij voor de boeren totaal niet te begrijpen is, omdat de boer dit begrip van de natuur die de geschoolde mens heeft, echt niet heeft, maar onder natuur iets heel, heel concreets verstaat. Zo zou je overal voorbeelden kunnen aangeven die zouden laten zien hoe de overgang van het concrete naar het abstracte in de gehele wording van de mensheid veroorzaakt is en hoe de hele mensheid door de boekdrukkunst overspoeld wordt met een golf van een hang naar abstractie. De mensen filteren in zekere zin onder invloed van de boekdrukkunst hun begrippen.
Dan zou het niet verkeerd zijn, wanneer je aan de kinderen over de nieuwere geschiedenis bepaalde begrippen leert die eigenlijk wat het leven betreft, objectief maken. Er zou bijv. veel minder pathetisch over de bestrijding van het kapitalisme gepraat worden enz., wanneer de mensen die tegenwoordig over deze dingen spreken, dat zo zouden doen, alsof zij van deze dingen helemaal niets hadden gehoord en er helemaal geen voorstelling van hadden, dat het eigenlijk helemaal niets betekent wanneer je woedend tegen het kapitalisme tekeergaat, want het heeft helemaal niets van doen met wat men eigenlijk wil. Het berust alleen maar

blz. 196

daß die Leute über die Bedeutung von Kapitalismus und so weiter bloß keine ordentliche Vorstellung bekommen haben. Daher werden auch meine Bücher, wie »Die Kernpunkte der sozialen Frage«, so un­verständlich gefunden, weil die aus dem Leben heraus geschrieben sind, nicht aus den phantastischen Einbildungen der heutigen Agitatoren.
Für eine lebensvolle Betrachtung des Geschichtlichen ist es so not­wendig, daß man wirklich die äußeren Ereignisse so faßt, daß sie Sym­ptome für ein verborgenes Inneres sind, auf das man aber ahnend immer niehr und mehr kommt, wenn man diese Symptome betrachtet. Betrachtet man die Geschichte einmal symptomatologisch, dann kommt man schon nach und nach darauf, daß zuerst ein Aufstieg, dann ein höchster Gipfel mit Bezug auf gewisse Ereignisse erreicht wird, dann wiederum ein Abstieg. Und hier ist das Ereignis von Golgatha. Wenn man die Geschichte so betrachtet, daß die äußeren Ereignisse Zeugen sind für innere Vorgänge, dann steigt man aus dem Geschichtlichen nach und nach in das Religiöse hinein, dann vertieft sich in der Tat die Geschichte von selbst in das Religiöse hinein. 

op het feit dat de mensen over de betekenis van het kapitalisme enz. helemaal geen juiste voorstelling hebben gekregen. Daarom worden ook mijn boeken ‘De kernpunten van het sociale vraagstuk’ [1] zo onbegrijpelijk gevonden, omdat die vanuit het leven geschreven zijn, niet vanuit de onwerkelijke hersenschimmen van de tegenwoordige opruiers.
Voor een levensecht beschouwen van de geschiedenis is het zo nodig, dat je werkelijk de uiterlijke gebeurtenissen zo opvat, dat ze symptomen zijn voor iets wat innerlijk verborgen aanwezig is, waarop je echter voorvoelend steeds meer komt, als je naar deze symptomen kijkt. Als je eenmaal de geschiedenis symptomatologisch beschouwt, kom je er langzamerhand achter dat er eerst een toenemende ontwikkeling is, dan wordt m.b.t. verschillende gebeurtenissen een hoogtepunt bereikt, dan loopt het weer af. En neem de gebeurtenis op Golgotha. Wanneer je de geschiedenis zo beschouwt, dat de uiterlijke gebeurtenissen getuigen zijn van innerlijke processen, kom je vanuit het historische langzamerhand tot het religieuze, dan vindt er inderdaad vanzelf een verdieping plaats van geschiedenis naar religie.

Und dann bekommt man schon einen Weg, der gefühlsmäßig zum Verständnisse führt desjeni­gen, was man ja schon früher an das Kind heranbringen kann, sagen wir die Evangelien oder das Alte Testament. Aber man kann es nicht früher zum inneren Verständnis bringen. Das ist auch gar nicht nötig. Man bringt es in erzählender Form vor das Kind, und wenn das Kind dann den lebendigen Geschichtsbegriff erhält, dann bekommt auch wiederum der biblische Stoff ein neues Leben. Und das ist gut, daß die Dinge in Etappen ihr volles Leben erst erreichen. Aber vor allen Dingen wird der religiöse Trieb, das religiöse Empfinden vertieft durch Geschichtsbetrachtung in Symptomen.

En dan vind je al een weg die gevoelsmatig tot het begrijpen leidt van wat je al eerder aan het kind kan leren – de evangeliën of het Oude Testament. Maar eerder kun je het kind niet tot een innerlijk begrip brengen. Dat is ook helemaal niet nodig. Je geeft het aan het kind in de vertelvorm en wanneer het kind dan het levende geschiedenisbegrip krijgt, dan krijgt ook de Bijbelse stof weer nieuw leven ingeblazen. En het is goed dat de dingen in fasen pas hun volle leven bereiken. Met name wordt de hang naar het religieuze, het religieuze gevoel verdiept door geschiedenisbeschouwing in symptomen. <11>
GA 301/184-196  
Op deze blog vertaald/184-196

.

Rudolf Steiner over geschiedenisalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3391-3189

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 300A)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

Beknopte inhoudsopgave:

Enerzijds gaat het om ‘aanloopproblemen: wat doe je in nieuw gevormde klassen, daarbij opmerkingen over Griekenland, Perzische oorlogen; grondwet; Sparta-Athene; wetten bij Romeinen; Etrusken; Baäl <1>
De grote verbanden schetsen; ook hier over Athene; de generatieketting; humor. <2>


RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 300A

In de vergaderingen met de leerkrachten gaat het regelmatig over ‘geschiedenis’. Leerkrachten hebben vragen en Steiner geeft antwoord.

Vergadering van 25 september 1919

Blz. 82

X.: Wo soll man anfangen mit der Geschichte?

<1> X.: Waar moet je beginnen met geschiedenis?

Dr. Steiner: Sie werden fast bei jeder Klasse mit der Geschichte von vorne anfangen müssen. Beschränken Sie einfach den Unterricht nach Bedarf. Wenn Sie zum Beispiel im 8. Schuljahr genötigt sind, von Anfang an zu beginnen, dann nehmen Sie eben wenig, aber versuchen doch, ein Gesamtbild zu geben über die ganze Entwickelung der Menschheit, nur kürzer. Also man müßte schon im 8. Schuljahr die ganze Weltgeschichte durchmachen in unserem Sinn. Das trifft auch zu für Physik. In der Naturgeschichte wird es sich sehr leicht machen lassen, daß die Kinder das, was sie gelernt haben, benützen und beleben. Es sind nur diejenigen Fächer, die diesem Mangel unterliegen werden, von denen wir gesagt haben, daß sie nach dem zwölften Jahre anfangen, wo die Urteilskraft beginnt. In den beschreibenden Disziplinen wird man manches benützen können, was die Kinder, wenn auch vertrackt, gelernt haben.

In bijna iedere klas zal je met geschiedenis weer bij het begin moeten beginnen. Beperk gewoon de lessen naar behoefte. Als je bijvoorbeeld gedwongen wordt in klas 8 vanaf het begin te beginnen, neem dan gewoon een beetje, maar probeer dan toch een overzicht te geven van de gehele ontwikkeling van de mensheid, alleen korter. Je zou dus in klas 8 de hele wereldgeschiedenis in onze opvatting moeten doorlopen. Dit geldt ook voor de natuurkunde. Bij biologie is het heel makkelijk om wat de kinderen geleerd hebben, te laten gebruiken en te verlevendigen. Het zullen alleen de vakken zijn waarbij dit tekort optreedt, vakken waarvan we zeggen dat ze na het twaalfde jaar moeten beginnen, wanneer de oordeelskracht ontstaat. Je zult een aantal dingen kunnen gebruiken in beschrijvende vorm wat de kinderen hebben geleerd, zij het op een ingewikkelde manier .

X.: In der griechischen Geschichte kann man wohl mehr auf die Kulturgeschichte und die Sagen eingehen und das Politische weglassen; die Perserkriege zum Beispiel.

X.: In de Griekse geschiedenis kun je je waarschijnlijk meer concentreren op de culturele geschiedenis en de legenden en de politieke zaken achterwege laten; de Perzische oorlogen bijvoorbeeld.

Dr. Steiner: Die Perserkriege kann man schon so behandeln, daß man sie kulturgeschichtlich gestaltet. In älteren Zeiten kann man die Kriege noch kulturgeschichtlich behandeln; bis zu unserer Gegenwart sind sie ja immer unerfreulicher geworden. Man kann die Perserkriege schon wie ein Symptom betrachten der kulturgeschichtlichen Züge.

De Perzische oorlogen kunnen op zo’n manier worden behandeld dat je ze cultuurhistorisch brengt. In oudere tijden kan je de oorlogen nog vanuit een cultuurhistorisch perspectief behandelen; tot in onze huidige tijd zijn ze steeds onverdragelijker geworden. Je kunt de Perzische oorlogen zien als een symptoom van de cultuurgeschiedkundige aard.

Blz.83

X.: Das Innenpolitische ist doch weniger wichtig?

X.: Binnenlandse politiek is minder belangrijk, toch?

Dr. Steiner: Doch, zum Beispiel, wie das Geld entstanden ist.  

Jawel, maar hoe het geld er kwam, bijvoorbeeld.

X.: Die Verfassungen kann man wohl kurz behandeln?

X.: De grondwetten kunnen waarschijnlijk kort worden behandeld?

Dr. Steiner: Ja, aber den Geist der Lykurgischen Verfassung muß man schon schildern, zum Beispiel auch den Unterschied zwischen dem Athenertum und dem Spartanertum.

Ja, maar de geest van de Lycurgische grondwet moet je zo beschrijven, dat bv. ook het verschil tussen Athene en Sparta duidelijk wordt.

X.: Bei den Römern ist das Verfassungswesen so breit dargestellt in den Lehrbüchern.

X.: Het constitutionele systeem van de Romeinen wordt in de leerboeken breed uitgemeten.

Dr. Steiner: In den Lehrbüchern ist es breit und oftmals sehr falsch behandelt. Der Römer kannte keine Verfassung, aber er wußte auswendig nicht nur die Zwölf-Tafel-Gesetze, sondern eine große Anzahl von Rechtsbüchern. Man bekommt eine falsche Vorstellung vom Römertum, wenn man nicht durchnimmt mit den Kindern, daß der Römer ein Rechtsmensch war, und daß das gewußt worden ist. In den Lehrbüchern ist das langweilig dargestellt, aber man muß schon für das Römertum die Vorstellung erwecken, daß jeder Römer ein Rechtsknüppel war und die Gesetze an den Fingern herzählen konnte. Die Zwölf-Tafel-Gesetze sind dort so gelehrt worden, wie bei uns das Einmaleins.

In de leerboeken is het uitgebreid en vaak heel verkeerd behandeld. De Romein kende geen grondwet, maar hij kende niet alleen de Twaalf Tafelwetten uit zijn hoofd, maar ook een groot aantal juridische boeken. Je krijgt het verkeerde idee over Rome als je met de kinderen niet doorneemt dat de Romein een man van het recht was en dat men het kende. Het wordt op een saaie manier gepresenteerd in de leerboeken, maar voor Rome moet je al wel de voorstelling wekken dat iedere Romein voor het recht ging en op z’n duimpje de wetten kende. De Twaalf Tafelwetten werden daar zo aangeleerd als bij ons de tafels van vermenigvuldiging.
GA 300A/82
Vertaald/82

Vergadering van 23 december 1919

Blz. 115

X. berichtet über die humanistischen Fächer in der 7. und 8. Klasse, die er seit dem Herbst übernommen hat.

X rapporteert over de humanistische vakken in de 7e en 8e klas, die hij sinds het najaar overgenomen heeft.

Dr. Steiner: Römische Geschichte, da muß man die Hauptlinien entwickeln und dann erst, vom Hauptcharakter ausgehend, die Einzelheiten. Es liegt gar kein besonderer Grund vor, alles zu behandeln, zum Beispiel die Geschichte von der Lukretia. Es geschah in Rom viel mehr, als überliefert ist, und es hat keinen Sinn, die zufällig überlieferten Einzelheiten alle zu erzählen.

In de Romeinse geschiedenis moet je de hoofdlijnen uitwerken en vervolgens, beginnend bij de hoofdpersoon, de details. Er is geen specifieke reden om alles te behandelen, bijvoorbeeld het verhaal van Lucretia. Er gebeurde in Rome veel meer dan er overgeleverd werd en het heeft geen zin om de toevallig overgeleverde details te vertellen.

X.: Was sind die Etrusker?

X.: Wat zijn de Etrusken?

Dr. Steiner: Die Etrusker sind ein südliches keltisches Element, ein nach Süden verpflanzter Zweig der Kelten.

De Etrusken zijn een Zuid-Keltisch element, een tak van de Kelten die naar het zuiden kwam.

X. fragt nach kulturhistorischen Schriften zur orientalischen Geschichte.

X. vraagt ​​naar cultuurhistorische geschriften over de oosterse geschiedenis.

Dr. Steiner weist hin auf die Abschnitte über Geschichte Babyloniens und Assyriens von Stahl und Hugo Winkler und auf die Schriften von Friedrich Delitzsch. In Helmolts „Weltgeschichte”. Zum Beispiel „Geschichte Babyloniens und Assyriens”. Stuttgart, 3. Auflage 1891.

Dr. Steiner verwijst naar de hoofdstukken over de geschiedenis van Babylonië en Assyrië door Stahl en Hugo Winkler en naar de geschriften van Friedrich Delitzsch. In Helmolts “Wereldgeschiedenis”. Bijvoorbeeld ‘Geschiedenis van Babylonië en Assyrië’ Stuttgart, 3e editie 1891.

X.: Was ist Baal?

X: Wat is Baäl?

Dr. Steiner: Baal ist ursprünglich eine Sonnengottheit.

Baal is van oorsprong een zonnegod. 
GA 300A/115
Vertaald/115

Vergadering van 1 januari 1920

Blz. 118

X.: Wie weit soll ich die Geschichte weiterfuhren, ehe ich zu etwas anderem übergehe? Ich bin in der 7. Klasse mit der römischen Geschichte bis zum Ende der Königszeit und in der 8. bis zu den punischen Kriegen gekommen.
X.: Hoe ver moet ik doorgaan met geschiedenis voordat ik verder ga met iets anders? Ik ben in klas 7 met Romeinse geschiedenis tot en met het einde van de koningentijd gekomen en in de 8e eeuw tot de Punische oorlogen.

Met een grote boog tot het christendom komen en daarna twee maanden Duits; [bedoeld wordt geschiedenis, denk ik] Goethe en Schiller in de 8e klas. <1>
GA 300A/118
Vertaald/118

Vergadering van 26 juni 1921

Blz. 280

Het gaat ervoor over aardrijkskunde. Daar wijst Steiner naar het belang van grote verbanden.
De vraag werd gesteld n.a.v. ‘het geheugen, wat onthouden de kinderen. Steiner was waarschijnlijk op bezoek in die klas:

Die Kinder waren interessiert. Sie haben alles verstanden, waren enthusiasmiert. Sie haben sich aber
nichts gemerkt, weil er die Dinge heraushob und nicht größere Zusammenhänge gab. Größere Zusammenhänge herstellen, das ist eine gute Art von Gedächtnispflege.
Das gilt in der verschiedensten Weise für verschiedene Unterrichtszweige. Es gilt vor allem für solche Dinge wie Geographie, es gilt auch für gewisse naturgeschichtliche Dinge. Für Geschichte, natürlich, da
gilt es ganz besonders. Bei der Geschichte ist es wichtig, daß auf jede mögliche Weise gesucht werden muß, den Kindern konkrete Vorstellungen zu geben.
Wenn man so etwas bespricht wie die Perserkriege, würde ich niemals versäumen, wenigstens wo wichtige Knotenpunkte sind, irgend jemand herauszuheben. Heute haben Sie den athenischen Läufer
gehabt: ich würde niemals versäumen, den Kindern eine recht anschauliche Vorstellung zu verschaffen, wie lange es her ist, daß ein solcher Mensch gelebt hat, zum Beispiel die Generationen nachrechnen zu lassen: Großvater und Sohn und so weiter. Ich würde die Reihe konstruieren bis herauf zum athenischen Läufer. Es würden sich ergeben 55 bis 56 hintereinanderstehende Menschen. Die Kinder bekommen dadurch eine Vorstellung, wie lange die Zeitlinie hinaufgeht. Ich würde fragen, welcher ist Zeitgenosse des Mysteriums von Golgatha? Solche Vorstellungen zu Hilfe nehmen, und darauf ruhen lassen die Kinder. Man redet von Ägypten und will ihnen beibringen, wie sie von Stuttgart nach Ägypten kommen. Man
hält in Venedig, dann versucht man ein bißchen abzurücken vom

<2>De kinderen waren geïnteresseerd. Ze begrepen alles en waren enthousiast. Maar ze hebben niet iets opgemerkt omdat hij (de leerkracht) dingen benadrukte en niet het grotere plaatje schetste. Grotere verbanden leggen is een goede manier om het geheugen te verzorgen.
Dit geldt op verschillende manieren voor verschillende vakken. Dat geldt vooral voor onderwerpen als geografie, maar ook voor bepaalde aspecten van de biologie. En m.n. bij geschiedenis is het belangrijk.
Bij geschiedenis is het belangrijk dat op alle mogelijke manieren gezocht wordt om de kinderen concrete voorstellingen te geven.
Wanneer bv. de Perzische oorlogen besproken worden, zou ik nooit achterwege laten om bij belangrijke knooppunten, iemand extra aandacht te geven. Nu waren bv. de Atheense lopers aan de beurt. Hier zou ik nooit achterwege laten om bv. de kinderen een heel concrete voorstelling te geven van hoe lang het is geleden dat zo iemand leefde, bv. door de generaties na te tellen: vader en zoon enz. Die rij zou ik samenstellen tot aan de Atheense lopers.  Er zou uitkomen 55 of 56 achter elkaar staande mensen.
Zo krijgen de kinderen een idee van hoe lang de tijdlijn oploopt. Ik zou willen vragen: wie is een tijdgenoot van het Mysterie van Golgotha? Gebruik zulke ideeën en laat de kinderen erover nadenken. Je vertelt over Egypte en wil ze leren hoe ze van Stuttgart naar Egypte kunnen reizen. Je stopt in Venetië, dan probeer je een beetje afstand te nemen van het

Blz. 281

Thema und einen Witz zu machen, was auf Venedig Bezug hat. Es muß Humor in den Unterricht hinein, sonst leidet auch das Gedächtnis.

van het thema en een grap te vertellen die over Venetië gaat. Er moet humor in de les zitten, anders lijdt het geheugen daaronder. <2>

Rudolf Steiner over geschiedenisalle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3383-3181

.

.

.

.

VRIJESCHOOL Rudolf Steiner over geschiedenis – alle artikelen

.

Een kleine inhoudsopgave bij de opmerkingen die Rudolf Steiner in de pedagogische voordrachten maakte over geschiedenis. Toevoegingen in blauw zijn van mij. 

GA 294    vertaling: Opvoedkunst
8e voordracht        vertaling op deze blog    
Overgang leeftijd kind van 12 naar 13jr; dan open voor historische verbanden; noodzaak voor leerkracht om zich kennis van de historische impulsen eigen te maken.

GA 295    vertaling: Praktijk van het lesgeven
Artikel met de betreffende passages
Geschiedenisfeiten ordenen; oordelen en drijvende krachten; oordelen van nationale of confessionele oorsprong moeten overwonnen worden; iets over achtergrondliteratuur uit die tijd voor ons niet meer interessant; over de kruistochten; 1e, 2e, 3e; belangrijke personen daarbij; rol van de Grieken; belangrijk om beeldend te vertellen, ondersteund door schilderijen; gevolgen: wat kwam er mee terug: o.a. voorwerpen met nieuwe woorden; de tijd: lang geleden; over steden; met de nieuwe tijd veranderen denken, voelen en willen; iets over Egypte; perspectief; piramide; evt. mythologie; vakken met elkaar verbinden; volksverhuizing; Karel de Grote; Germanen en christendom.

GA 300A     (nog) niet vertaald
Artikel met de betreffende passages
Enerzijds gaat het om ‘aanloopproblemen: wat doe je in nieuw gevormde klassen, daarbij opmerkingen over Griekenland, Perzische oorlogen; grondwet; Sparta-Athene; wetten bij Romeinen; Etrusken; Baäl
De grote verbanden schetsen; ook hier over Athene; de generatieketting; humor. 

GA 301    op deze blog vertaald
Artikel met betreffende passages
Belang van de kennismaking met de wereld tussen het 9e en 12e jaar om geschiedenis te kunnen begrijpen; einde 12e jaar pas oordelen. Idem: het belang van de plantkunde. Hoe zit het met causaliteit? Geschiedenis en wat er aan de wording van de mens ten grondslag ligt. Het ‘vroegere’ is soms in onze tijd nog zichtbaar. De Griekse tijd, over het Griekse drama, Griekse kunst, wat is er bij de Grieken ontstaan wat we nu nog hebben; geschiedenis moet op gevoel en wil werken (nog steeds gaat het ook over de Grieken, gevolgd door het christendom); het geheel en de delen; het niet afkrijgen van de leerstof, met een uitstapje naar het onderwijzersexamen: wanneer ben je een goed leerkracht; over universele menswaardigheid, Avondmaal van Leonardo, Rome, verbreiding christendom; Europa, ontdekkingsreizen; causaliteitsgeschiedenis maakt star, belangrijker symptomatologische geschiedenis, van concreet naar abstract, boekdrukkunst, verdieping van geschiedenis naar religie.

in opbouw

.

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3381-3179

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 295)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.
.

Beknopte inhoudsopgave:

Geschiedenisfeiten ordenen; oordelen en drijvende krachten; oordelen van nationale of confessionele oorsprong moeten overwonnen worden  <1>
Iets over achtergrondliteratuur uit die tijd  <2>  en  <4>   <9> voor ons niet meer interessant
Over de kruistochten; 1e, 2e, 3e; belangrijke personen daarbij; rol van de Grieken; belangrijk om beeldend te vertellen <7>, ondersteund door schilderijen; gevolgen: wat kwam er mee terug: o.a. voorwerpen met nieuwe woorden; <3>
De tijd: lang geleden <5>  en  <7>
Over steden <6>
Met de nieuwe tijd veranderen denken, voelen en willen <8>
Iets over Egypte; perspectief; piramide; evt. mythologie <10>
Vakken met elkaar verbinden <11>
Volksverhuizing <12>
Karel de Grote <13>
Germanen en christendom <14>

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 295  

.

Werkbespreking 7, Stuttgart 28 augustus 1919

In deze werkbespreking behandelt Steiner o.a. ‘cultuurgeschiedenis’. Het is interessant dat hij het over ‘meningen’ heeft. Standpunten.
Al vele jaren is er in de didactiek van de geschiedenis de tendens om geschiedkundige gebeurtenissen niet alleen te bespreken vanuit het gezichtspunt van – in geval van oorlog bv. – de overwinnaar, maar ook ‘in de huid te kruipen’ van de overwonnenen.
De geschiedenis bekeken vanuit ‘Europa’ werd als te eenzijdig gezien. Dit ‘eurocentrisme’ moet niet de leidraad zijn bij geschiedenisbeschouwing.

Steiner:

Blz. 74  vert. 69

So möchte ich mit Ihnen besprechen, was mit der Kulturentwickelung Europas, so vom 11. bis 17. Jahrhundert, zusammenhängt. Sie werden nicht aus den Augen verlieren dürfen, daß das Durchnehmen geschichtlicher Dinge mit Kindern, und auch schließlich mehr oder weniger mit Erwachsenen, immer ein subjektives Element in sich haben muß. Man hat leicht sagen, man soll bei Geschichtsdarstellungen nicht Meinungen und subjektive Ideen in die Geschichte hineintragen. Verlangen kann man es, aber erfüllt werden kann es nicht. Denn nehmen Sie irgendeine Partie der Geschichte auf irgendeinem Gebiete; Sie werden mindestens die Tatsachen gruppieren müssen, entweder
selbst, oder wenn die Tatsachen weiter zurückliegen, so sind sie schon
gruppiert, dann haben andere sie gruppiert.

<1>Zo zou ik allerlei dingen met u willen bespreken die verband houden met de culturele ontwikkeling van Europa, ongeveer van de elfde tot de zeventiende eeuw. U moet goed voor ogen houden dat de behandeling van historische dingen voor kinderen, en voor volwassenen uiteindelijk in meerdere of mindere mate ook, altijd een subjectief element in zich moet hebben. Het is wel heel gemakkelijk om te zeggen dat men bij historische beschrijvingen geen meningen en subjectieve ideeën in de geschiedenis mag leggen. Eisen kan men het wel, maar vervuld kan het niet worden. Want neemt u maar een of ander gedeelte van de geschiedenis, op wat voor gebied dan ook; u zult op zijn minst de feiten moeten ordenen. Of u doet het zelf, of de feiten liggen verder terug en zijn al geordend, dan hebben anderen dat gedaan. <1>

<2> Nu volgen er voorbeelden van schrijvers die destijds zeker achtergronden vormden voor de leerkrachten van toen, in Duitsland.
Welke boeken gebruikten de leerkrachten van de eerste vrijescholen in Nederland? Daar heb ik geen zicht op. 
En welke gebruikte ik zelf in 1975, 1976 toen ik voor het eerst geschiedenis gaf in klas 5 en 6. Om gedegen monografieën te lezen, van bv. Le Goff e.a. ontbrak simpelweg de tijd. Waar ik uit putte, staat voor een groot gedeelte bij de artikelen over geschiedenis klas 5 en 6.
Als voorbeeld hoe dat in Steiners tijd toeging, geef ik wel zijn woorden uit deze werkbespreking weer:

Nehmen Sie an, Sie schildern den Geist der alten Germanen, so werden Sie die «Germania» des Tacitus heranziehen. Aber der Tacitus war gar sehr ein subjektiver Geist; er hat das, was er herangebracht hat, schon gar sehr gruppiert. Sie dürfen nicht hoffen, daß Sie anders zurechtkommen, als eine subjektive Gruppierung von Tatsachen entweder selbst aufzustellen oder von anderen zu übernehmen.
Sie brauchen sich ja das nur an Beispielen klarzulegen. Sehen Sie einige Literaturbeispiele an:
Treitschke hat eine mehrbändige «Deutsche Geschichte des 19. Jahrhunderts» geschrieben. Sie hat das Entzücken Herman Grimms, der doch auch ein fähiger Beobachter war, hervorgerufen; sie hat das Entsetzen hervorgerufen vieler Angehöriger der Entente. Aber wenn Sie Treitschke durchlesen, so werden Sie gleich das Gefühl haben, daß gerade seine Vorzüge auf seiner stark subjektiven Färbung in der Grup-

Neemt u eens aan, u schetst de cultuur van de oude Germanen, dan zult u de Germania van Tacitus raadplegen.* Maar Tacitus was een uiterst subjectieve geest. Hij heeft zijn materiaal op een wel heel eigen wijze geordend. U mag niet hopen dat er een andere mogelijkheid is dan een subjectieve ordening – hetzij van uzelf, hetzij overgenomen van anderen. Dat wordt aan de hand van een paar voorbeelden onmiddellijk duidelijk. Kijkt u eens naar een paar voorbeelden uit de literatuur.

*Publius Cornelius Tacitus, ca. 55-120, Romeins geschiedschrijver. Schreef o.a. Germania.

 Treitschke heeft een ‘Duitse geschiedenis van de negentiende eeuw’ geschreven.*

*Heinrich von Treitschke, 1834-1896, schreef een Deutsche Geschichle im 19. Jahrhundert in 5 delen. 

 Hermann Grimm, die zelf toch ook een getalenteerd waarnemer was, was er zeer over te spreken, maar vele leden van de Entente waren ontzet. Als u Treitschke echter doorleest, zult u onmiddellijk het gevoel hebben dat juist zijn sterke kanten liggen in een heel subjectieve hand in de ordening van de feiten.

Blz. 75  vert. 70

pierung der Tatsachen beruhen. Es kommt ja in der Geschichte darauf an, daß man ein Urteil hat über die in der Geschichte treibenden Kräfte und Mächte. Nun handelt es sich darum, daß bei dem einen das Urteil reifer, beim anderen weniger reif ist, und der also gar nichts urteilen sollte, weil er gar nichts versteht von den treibenden Kräften. Der andere wird gerade, wenn er gute subjektive Urteile hat, den geschichtlichen Fortgang sehr gut schildern.
Herman Grimm hat Friedrich den Großen geschildert, Macaulay hat auch Friedrich den Großen geschildert. Aber man bekommt ein vollständig verändertes Bild von Friedrich dem Großen durch Macaulay. Herman Grimm hat seinen Artikel sogar als eine Art Rezension des Macaulayschen Artikels verfaßt und hat von seinem Gesichtspunkte aus gesagt: Der Friedrich der Große des Macaulay «ist ein verzwicktes englisches Lordsgesicht mit Schnupftabak an der Nase.»
Der Unterschied ist nur der, daß Herman Grimm ein Deutscher des 19. Jahrhunderts ist, und Macaulay ein Engländer des 19. Jahrhunderts. Und derjenige, der als Dritter beides beurteilt, würde eigentlich sehr engherzig sein, wenn er das eine richtig, das andere falsch findet.

In de geschiedenis gaat het erom dat men een oordeel heeft over de drijvende krachten en machten in de geschiedenis. En nu is het zo dat het oordeel bij de een rijper is en bij de ander minder rijp – die dan ook geen oordeel zou moeten vellen, omdat hij volstrekt niets begrijpt van de drijvende krachten. De eerste zal juist wanneer hij goede subjectieve oordelen heeft de loop van de geschiedenis heel goed beschrijven.
Hermann Grimm heeft een beeld gegeven van Frederik de Grote, en ook Macaulay heeft dat gedaan.*

*Hermann Grimm, 1828-1901: ‘Friedrich der Grosse und Macaulay’ in Fünfzehn Essays. Erste Folge, 3e druk Berlijn 1884.
Lord Thomas Babington Macaulay, 1800-1859.

Maar door Macaulay krijgt men een volstrekt ander beeld van Frederik de Grote. Hermann Grimm heeft zijn artikel zelfs als een soort recensie over het artikel van Macaulay geschreven. Vanuit zijn gezichtspunt zei hij: de Frederik de Grote van Macaulay ‘is een gecompliceerde Engelse lord met snuiftabak aan zijn neus.’ Maar het enige verschil is dat Hermann Grimm een Duitser van de negentiende eeuw is en Macaulay een Engelsman van de negentiende eeuw. En degene die als derde beiden beoordeelt, zou eigenlijk heel bekrompen zijn wanneer hij het ene beeld als juist en het andere als fout zou beoordelen. 

So konnte man noch viel drastischere Beispiele auswählen. Viele von Ihnen kennen die Schilderung Martin Luthers aus den gewöhnlichen Geschichtsbüchern. Machen Sie nur einmal das Experiment und lesen Sie dasselbe in katholischen Geschichtsbüchern durch, da werden Sie einen Martin Luther kennenlernen, den Sie bisher noch nicht gekannt haben! Wenn Sie es durchgelesen haben, da werden Sie in Verlegenheit sein, zu sagen, daß der Unterschied ein anderer ist, als der, der sich aus verschiedenen Gesichtspunkten ergibt. Nun werden solche Gesichtspunkte, wie sie aus dem Nationalen oder aus dem Konfessionellen stammen, eben gerade von der Lehrerschaft der Zukunft überwunden werden müssen. Deshalb muß man so sehr anstreben, die Lehrerschaft weitherzig zu bekommen, die Lehrerschaft auf den Standpunkt zu stellen, eine weitherzige Weltanschauung zu haben. Von diesem Gesichtspunkte aus wird sich auch ein freier Ausblick bieten über die geschichtlichen Tatsachen, und man wird sie so gruppieren, daß man dem Schüler die Geheimnisse des Menschheitswerdens überträgt.

Zo zou men nog veel sprekender voorbeelden kunnen uitkiezen. Velen van u kennen het beeld van Maarten Luther uit de gewone geschiedenisboeken. Maar neemt u eens de proef op de som en leest u hetzelfde in katholieke geschiedenisboeken, dan zult u een Maarten Luther leren kennen zoals u hem tot nu toe niet kende! Als u dat gelezen hebt, dan zult u wel moeten zeggen dat het verschil niets anders is dan het resultaat van verschillende gezichtspunten. Maar zulke gezichtspunten die ontstaan vanuit een nationale of confessionele benadering, zullen nu juist door de leraren van de toekomst overwonnen moeten worden.

Wat veel later m.n. in Europa een gedachte werd voor het geschiedenisonderwijs, spreekt Steiner hier in 1919 al uit. En als we met ‘de leraren van de toekomst’ alle leerkrachten ter wereld bedoelen, zijn er nog veel gebieden (totalitaire staten bv.) waar deze gedachte niet welkom is, laat staan praktijk!

Daarom moet men werkelijk proberen te bereiken dat de leraren ruimdenkende mensen zijn, dat de leraren een standpunt vinden dat tot een ruimdenkende wereldbeschouwing leidt. Van dit gezichtspunt uit is het ook mogelijk een vrije blik te werpen op de historische feiten en we zullen deze zo ordenen dat we aan de leerlingen de geheimen van de ontwikkeling van de mensheid overbrengen. <2>

Blz. 76  vert. 71

Wenn Sie nun etwas über die Kultur vom 11. bis 17. Jahrhundert an Ihre Schüler übertragen sollten, so würden Sie da in erster Linie schildern, was zu den Kreuzzügen geführt hat. Sie würden schildern den Verlauf des ersten, zweiten, dritten Kreuzzuges. Wie die Kreuzzüge allmählich versumpft sind und nicht dasjenige erreicht haben, was durch sie hätte erreicht werden sollen. Sie würden schildern den Geist der Askese, der dazumal durch einen großen Teil von Europa ging; wie überall aus der Verweltlichung der Kirche, oder doch im Zusammenhang mit dieser Kirchenverweltlichung, Naturen hervorgingen wie
Bernhard von Clairvaux, die voll inniger Frömmigkeit waren, von einer solchen Frömmigkeit, daß sie den Eindruck von Wunderwirkern auf ihre Umgebung machten. Sie würden versuchen, aus einem Handbuch solche Gestalten biographisch kennenzulernen und sie lebendig vor Ihre Schüler hinzustellen, und würden versuchen, solchen lebendigen Geist aufwirbeln zu lassen, aus dem sich die für die damalige Zeit mächtigen Züge nach dem Orient entwickelt haben. Sie würden zu schildern haben, wie damals die Züge zustande gekommen sind durch Peter von Amiens und Walter von Habenichts; dann der Zug von Gottfried von Bouillon und einigen anderen.

<3>Moet u de leerlingen nu iets vertellen over de cultuur van de elfde tot de zeventiende eeuw, dan zou u in eerste instantie beschrijven hoe de kruistochten tot stand zijn gekomen. U zou het verloop schetsen van de eerste, de tweede en de derde kruistocht. Hoe de kruistochten geleidelijk aan in het slop raakten en niet datgene bereikten wat erdoor bereikt moest worden. U zou de geest van ascese schetsen die toentertijd door een groot gedeelte van Europa voer; hoe overal vanuit de verwereldlijking van de kerk of althans in verband met deze verwereldlijking figuren als Bernard van Clairvaux opstonden, die een innig geloof hadden. Ze hadden zo’n krachtig geloof dat ze op hun omgeving de indruk maakten wonderen te kunnen verrichten. U zou proberen om via een handboek de biografieën van zulke figuren te leren kennen en ze zo levendig te beschrijven dat de leerlingen ze helemaal voor zich zouden zien. U zou proberen net zo’n levendige geest te laten opbruisen als die waaruit de voor die tijd machtige tochten naar het Oosten zijn voortgesproten. U zou moeten beschrijven hoe toentertijd de tochten door Peter van Amiens en Walter von Habenichts tot stand zijn gekomen, en verder de tocht van Godfried van Bouillon en enkele anderen. 

Sie werden dann schildern, wie diese Züge sich nach dem Orient inBewegung gesetzt haben und wie ungeheure Mengen von Menschen umgekommen sind, oftmals ehe sie den Orient erreicht haben. Sie werden durchaus dreizehn- bis vierzehnjährigen Jungen und Mädchen schildern können, wie diese Züge sich zusammensetzten, wie sie sich in Bewegung setzten und sich ungeordnet nach dem Orient zu bewegten, und wie durch die Ungunst der Verhältnisse, aber auch im Durchdrängen durch fremde Völker viele Menschen zugrunde gingen.
Sie werden dann auch zu schildern haben, wie diejenigen, die im Orient ankommen, erst ein Weniges erreichen. Sie werden die Erfolge des Gottfried von Bouillon schildern, werden dann aber zeigen, wie sich ein Gegensatz ergibt zwischen den Kreuzfahrern der folgenden Kreuzzüge und der griechischen Politik. Wie die griechischen Völker eifersüchtig werden auf die Taten der Kreuzfahrer und den Gegensatz fühlen zwischen dem, was diese wollten, und dem, was die Griechen vorhatten mit dem Orient; wie die Griechen im Grunde genommen

Dan zult u schetsen dat men naar het Oosten trok en dat er ontzettende massa’s mensen omkwamen, vaak nog voor ze het Oosten bereikten. U zult voor jongens en meisjes van dertien, veertien jaar heel goed kunnen beschrijven wie er deel uitmaakten van die kruistochten, hoe ze in beweging kwamen en ongeordend richting Oosten trokken, en hoe er velen zijn omgekomen door ongunstige omstandigheden, maar ook doordat men zich door vreemde volkeren een weg moest banen.
Dan moet u beschrijven dat degenen die in het Oosten aankomen eerst maar weinig bereiken. U zult de successen van Godfried van Bouillon beschrijven, maar dan zult u ook vertellen dat er een tegenstelling ontstaat tussen de kruisvaarders van de volgende kruistochten en de Griekse politiek. Dat de Griekse volkeren jaloers worden op de daden van de kruisvaarders en de tegenstelling voelen tussen wat deze willen en wat de Grieken zelf van plan zijn met het Oosten; dat de Grieken in feite de oriëntaalse belangen net zozeer

Blz. 77   vert. 72

ebenso die orientalischen Interessen einbeziehen wollten in ihre Interessensphäre wie die Kreuzfahrer in die ihrige. Ich würde Sie bitten»
recht anschaulich zu schildern, wie der Gegensatz der Griechen aufgerufen wird gegen das Wollen der Kreuzfahrer.
Dann würde ich meinen, daß Sie schildern sollten, wie im Orient die kämpfenden Kreuzfahrer, statt die orientalischen Völker in Westasien zu bekämpfen, sich untereinander bekämpfen; wie die europäischen Völker selber sich aufeinanderhetzen, wie namentlich die Franken und ihre Nachbarvölker durch die Ansprüche, die sie erheben an das, was erobert worden war, wiederum hintereinanderkommen und sich untereinander bekämpfen. Die Kreuzzüge sind aus feurigem Enthusiasmus zustande gekommen, aber der Geist der Zwietracht ergriff die Teilnehmer der Kreuzzüge, und dann kam auch noch der Gegensatz zwischen Griechen und Kreuzfahrern herauf.

in hun belangensfeer willen inlijven als de kruisvaarders. Ik zou u willen vragen er een heel aanschouwelijk beeld van te geven hoe deze tegenstelling is ontstaan tussen de Grieken en het streven van de kruisvaarders.
Dan, zou ik denken, schetst u hoe de strijdende kruisvaarders, in plaats van de oosterse volkeren in Klein-Azië te bestrijden, elkaar onderling bestrijden; dat de Europese volkeren elkaar ophitsen en met name de Franken en de naburige volkeren hun recht doen gelden op de gebieden die veroverd zijn en dat zij elkaar daarom weer in de haren vliegen en onderling bestrijden. De kruistochten zijn ontstaan uit een vurig enthousiasme, maar de geest van de tweedracht maakte zich van de kruisvaarders meester. Daarbij kwam dan de tegenstelling tussen de Grieken en de kruisvaarders. 

Zu alldem kam dazu der Gegensatz, der sich immer mehr und mehr geltend machte, zwischen der Kirche und den weltlichen Mächten, gerade im Zeitalter der Kreuzzüge. Und es ist vielleicht nicht unnötig, schon den Kindern etwas zum Bewußtsein zu bringen, was wahr ist, was aber durch die tendenziöse Geschichtsschreibung in allen wesentlichen Punkten verhüllt worden ist. Gottfried von Bouillon, der Führer des ersten Kreuzzuges, hatte eigentlich die Absicht, Jerusalem aus dem Grunde zu erobern, um ein Gegengewicht gegen Rom aufzurichten. Das sagten er und seine Begleiter den anderen nicht öffentlich; aber im Herzen trugen sie den Kampfruf: «Jerusalem gegen Rom!» Sie sagten sich: Bringen wir Jerusalem in die Höhe, damit es werden könne
der Mittelpunkt des Christentums, damit nicht mehr Rom das sei. –
Sie werden den Kindern diese Grundstimmung der ersten führenden
Kreuzfahrer in taktvoller Weise übertragen, das wird wichtig sein.
Große Aufgaben waren es, die die Kreuzfahrer sich gestellt hatten, und auch diejenigen Aufgaben waren große, die sich nach und nach aus den Verhältnissen selber herausstellten für die Kreuzfahrer. Und die Menschen waren nach und nach zu klein, um diese Aufgaben ohne Schaden auf sich geladen zu sehen. Dadurch kam es, daß unter den Kreuzfahrern während der heftigsten Kämpfe allmählich Sittenlosigkeit und Unmoralität ausbrach.

Bovendien kwam daar juist in de tijd van de kruistochten ook nog de tegenstelling bij tussen de kerk en de wereldlijke machten, die steeds nadrukkelijker werd. En het is misschien niet nutteloos om de kinderen al iets te vertellen van iets wat waar is maar door een tendentieuze geschiedschrijving op alle essentiële punten verborgen is gehouden. Godfried van Bouillon, de aanvoerder van de eerste kruistocht, had eigenlijk de bedoeling Jeruzalem te veroveren om een tegenwicht te vormen tegen Rome. Dat zeiden hij en zijn metgezellen niet openlijk, maar in hun hart droegen ze de strijdkreet Jeruzalem tegen Rome!’ Ze zeiden bij zichzelf: laten we Jeruzalem sterk maken, opdat het het middelpunt kan worden van het christendom en Rome dat niet meer is. U zult de kinderen deze grondstemming van de eerste belangrijke kruisvaarders op tactvolle wijze overbrengen, dat zal belangrijk zijn. Het waren grote opdrachten die de kruisvaarders zich gesteld hadden, en ook de taken die geleidelijk aan uit de omstandigheden voor de kruisvaarders ontstonden waren groot. En langzamerhand bleken de mensen te klein om die taken zonder schade op hun schouders te nemen. Daardoor kwam het dat onder de kruisvaarders tijdens de hevigste gevechten langzamerhand zedeloosheid en immoraliteit ontstond. 

Blz. 78  vert. 73

Nehmen Sie irgendein Handbuch, damit Sie die Tatsachen wie illustrierend in diesen allgemeinen Gang der Ereignisse hineinstellen können. Sie werden bemerken, daß ich heute, indem ich gruppiere, wahrhaft nicht tendenziös schildere. Und auch weiterhin werde ich versuchen, rein kulturhistorisch zu schildern, was sich vom 11. bis 17. Jahrhundert in Europa zutrug.
Nehmen wir einmal an – was ja eine Hypothese ist, aber manchmal kann man sich gerade durch Hypothesen den Gang der Geschichte klarmachen -, die Franken hätten Syrien erobert und hätten in Syrien eine fränkische Herrschaft aufgerichtet, hätten sich mit den Griechen verständigt, hätten den Griechen Raum gelassen und ihnen mehr die Herrschaft im vorderen Teil von Kleinasien überlassen. Dann hätten sich alte Traditionen der Griechen erfüllt und Nordafrika wäre griechisch geworden. Ein Gegengewicht wäre geschaffen gewesen gegen dasjenige, was nachher geschah. Es hätten die Griechen eine Herrschaft ausgeübt über Nordafrika, die Franken über Syrien. So wären sie nicht alle untereinander in Streit gekommen und dadurch verlustig gegangen dieser Herrschaft.

Dan neemt u een handboek, onverschillig welk, om de feiten als het ware ter illustratie in te voegen in deze globale loop van de gebeurtenissen. U zult merken dat ik vandaag werkelijk niet tendentieus ben in mijn ordening en beschrijving van de feiten. En ook verder zal ik zuiver cultuurhistorisch proberen te schetsen wat er in Europa van de elfde tot de zeventiende eeuw gebeurde.
Laten we er eens van uitgaan — het is een hypothese, maar soms kan men juist door hypothesen de loop van de geschiedenis gaan begrijpen – dat de Franken Syrië veroverd hadden en onder Frankische heerschappij hadden gebracht; dat ze met de Grieken tot een overeenkomst waren gekomen en aan hen meer de heerschappij over het voorste deel van Klein-Azië hadden overgelaten. Dan zouden oude tradities van de Grieken in vervulling zijn gegaan en was Noord-Afrika Grieks geworden. Er zou een tegenwicht zijn gecreëerd tegen de latere gebeurtenissen. De Grieken zouden de heerschappij hebben gehad in Noord-Afrika en de Franken in Syrië. Dan waren ze niet allemaal met elkaar slaags geraakt en hadden ze die heerschappij niet verloren.

Dann wäre verhindert worden, daß gerade vorgebrochen wären die schlimmsten asiatischen Völker, die Mongolen, die Mamelucken und die türkischen Osmanen. Durch das Unmoralischsein und dadurch, daß zuletzt die Kreuzfahrer ihren Aufgaben nicht gewachsen waren, kam es, daß sich die Mongolen, Mamelucken und Osmanen gerade auf den Gebieten ausgebreitet haben, welche die Kreuzfahrer versuchten zu europäisieren. Und so sehen wir, wie auf den großen, weite Volksgebiete umfassenden Enthusiasmus, der zu den Kreuzzügen geführt hat, der Gegenstoß von der anderen Seite kommt:
der muselmanisch-mongolische Vorstoß, der Militärdespotien errichtet und der durch lange Zeit der Schrecken Europas und der dunkle Schatten der Kreuzzugszeit bleibt.
Sehen Sie, während Sie solche Dinge schildern, indem Sie sich aus den Handbüchern die Bilder verschaffen, die Sie dazu brauchen, erwecken Sie in den Kindern selber Bilder über die Kulturentwickelung, die bleibend sind. Und daß die Kinder Bilder bekommen, das ist das Wichtige. Die Bilder werden sie bekommen zunächst durch anschauliche Schilderung. Können Sie dann dahin kommen, irgendwie beträcht-

Dan zou verhinderd zijn dat juist de meest geduchte Aziatische volkeren, de Mongolen, de Mamelukken en de Turkse Osmanen, waren opgerukt. Door de immoraliteit van de kruisvaarders en doordat ze tenslotte niet meer tegen hun taken waren opgewassen, kwam het dat de Mongolen, de Mamelukken en de Osmanen zich juist over die gebieden verspreidden die de kruisvaarders Europees hadden willen maken. En zo zien we hoe na het grote, volkeren omvattende enthousiasme dat tot de kruistochten leidde, de tegenaanval van de andere kant komt: de opmars van de muzelmannen en Mongolen, die militaire dictaturen doen ontstaan en die lange tijd de schrik van Europa en de donkere schaduwkant van de kruistochten blijven.
Ziet u, als u de beelden die u nodig heeft uit handboeken haalt en zulke dingen aan de leerlingen vertelt, dan wekt u in hen beelden over de culturele ontwikkeling die blijvend zijn. En dat de kinderen beelden krijgen, dat is zo belangrijk. Beelden zullen ze in eerste instantie krijgen door aanschouwelijke beschrijvingen. Kunt u er verder toe komen om

Blz. 79 vert. 74

liche malerische Darstellungen aus dieser Zeit auch als Kunstwerke darzubieten, so werden Sie das gesprochene Wort gern durch so etwas unterstützen.
Nun haben Sie den Kindern klargemacht zunächst dasjenige, was in den Kreuzzügen geschehen war. Und Sie haben die Kinder dazu gebracht, innerlich Bilder davon aufzunehmen. Jetzt wird es gut sein, daß Sie zu dem Schattenbild des mongolisch-mohammedanischen Schreckens hinzufügen das Gegenbild, das Gute, das sich entwickelt hat.
Schildern Sie anschaulich, wie die Pilger, die nach dem Orient gezogen sind, noch ganz anderes, viel Neues kennengelernt haben. In Europa war die Landwirtschaft damals noch sehr weit zurück. Im Orient konnte man eine sehr viel bessere Bewirtschaftung der Ländereien kennenlernen. Die Pilger, die nach dem Orient gekommen sind und nachher wieder nach Europa zurückkehrten – es kamen ja noch viele zurück -, die haben eine ausgebildete Kenntnis landwirtschaftlichen Betriebswesens mitgebracht, und es kam wirklich ein Aufschwung der landwirtschaftlichen Produktion. Den verdankt man in Europa den Erfahrungen, welche die Pilger nach Europa mitbrachten.

op een of andere wijze belangrijke schilderijen uit die tijd ook als kunstwerken te presenteren, dan zult u het gesproken woord graag door zoiets ondersteunen.
Nu heeft u de kinderen allereerst duidelijk gemaakt wat er tijdens de kruistochten gebeurd is. En u heeft de kinderen ertoe gebracht om beelden daarvan in zich op te nemen. Dan is het goed om naast het schaduwbeeld van de Mongools-mohammedaanse schrik ook het positieve beeld te geven, het goede dat zich heeft ontwikkeld.
Schetst u aanschouwelijk dat de pelgrims die naar het Oosten zijn getrokken ook heel wat anders, ook nieuwe dingen hebben leren kennen. In Europa was de landbouw in die tijd nog een achtergebleven gebied. In het Oosten kon men zeer veel betere landbouwmethoden leren kennen. De pelgrims die naar het Oosten gingen en later weer naar Europa terugkeerden — velen kwamen immers nog terug — brachten een omvangrijke kennis van landbouwtechnieken mee terug en de landbouwproductie nam werkelijk een hoge vlucht. Dat heeft men in Europa te danken aan de ervaringen die de pelgrims meebrachten naar Europa. 

So anschaulich, daß es das Kind förmlich sieht, schildern Sie, wie der Weizen und das Korn schlechter gewachsen sind vor den Kreuzzügen, wie sie niedriger waren, wie sie schütterer waren, weniger voll waren, und wie sie nach den Kreuzzügen voller waren – das alles in Bildern! Dann schildern Sie, wie die Pilger wirklich auch kennengelernt haben, was der Orient damals hatte an Industriellem, was Europa damals noch nicht hatte. Es war der Okzident um vieles hinter dem Orient zurück. Was sich dann so schön herausbildet an industrieller Tätigkeit in den Städten Italiens, auch in den mehr nördlich gelegenen Städten, das ward den Kreuzzügen verdankt. Und auch Künstlerisches wird den Kreuzzügen verdankt. Da können Sie also Bilder hervorrufen von dem geistigen Kulturfortschritt in dieser Zeit.
Aber Sie können den Kindern auch schildern und sagen: «Seht ihr, Kinder, da haben die Europäer zuerst die Griechen kennengelernt; die sind schon im ersten Jahrtausend abgefallen von Rom, sind aber Christen geblieben. In allen westlichen Gegenden hat man geglaubt, daß

Zo aanschouwelijk dat het kind het werkelijk voor zich ziet, schetst u dat de tarwe en de rogge slechter groeiden voor de kruistochten, dat ze korter waren, dat niet al het zaad opkwam, dat de aren minder vol waren en dat ze na de kruistochten voller waren – alles in beelden! En dan beschrijft u dat de pelgrims werkelijk ook de industriële mogelijkheden hebben leren kennen die het Oosten toen had en die in Europa nog niet bestonden. Het Westen was in vele opzichten achter bij het Oosten. De industriële activiteit die zich zo fraai in de steden van Italië ontplooide, ook in de wat noordelijker gelegen steden, die was te danken aan de kruistochten. En ook kunstzinnige impulsen zijn te danken aan de kruistochten. U kunt dus beelden oproepen van de geestelijke en culturele vooruitgang in deze tijd.
Maar u kunt de kinderen ook iets anders schetsen: ‘Kijk, toen hebben de mensen uit Europa voor het eerst de Grieken leren kennen; die zijn al in de eerste duizend jaar afgevallen van Rome, maar ze zijn wel christelijk gebleven. In alle westelijke gebieden

Blz. 80 vert. 75

man überhaupt kein Christ sein kann, ohne zu dem Papst als oberstem Haupt der Kirche emporzuschauen.» Jetzt mache man den Kindern klar, wie die Kreuzfahrer kennengelernt haben, zu ihrer großen Überraschung und Belehrung, daß es auch Christen gibt, die nicht den römischen Papst anerkennen. Dieses Loslösen der geistigen Seite des Christentums von der weltlichen Kircheneinrichtung, das war etwas ganz Neues damals. Das mache man den Kindern klar.
Dann, daß unter den Muselmanen, die ja wenig erfreuliche Erdenbürger waren, es aber doch auch edle, freigebige, tapfere Menschen gab.
Und dadurch haben die Pilger Menschen kennengelernt, die sogar tapfer und freigebig sein konnten, ohne Christen zu sein. Man konnte also sogar ein guter, tapferer Mensch sein, ohne Christ zu sein. Das war eine große Lehre, die für die damaligen Menschen Europas durch die Kreuzfahrer nach Europa zurückgebracht worden ist.
Also eine ganze Menge haben die Kreuzfahrer sich erobert im Orient,
was sie für die geistige Kultur nach Europa gebracht haben.

heeft men geloofd dat men op geen enkele manier christen kan zijn zonder de paus als hoogste autoriteit van de kerk te eerbiedigen.’ En dan maakt men de kinderen duidelijk dat de kruisvaarders tot hun grote verbazing moesten leren dat er ook christenen bestaan die niet de Roomse paus erkennen. Dit scheiden van de geestelijke kant van het christendom en de wereldlijke organisatie van de kerk, dat was toen iets heel nieuws. Dat moet men de kinderen duidelijk maken.
En dan dat er onder de muzelmannen, die immers niet zulke aangename aardeburgers waren, toch ook edele, vrijgevige, moedige mensen bestonden. Daardoor hebben de pelgrims mensen ontmoet die zelfs dapper en vrijgevig konden zijn zonder christen te zijn. Het was dus zelfs mogelijk om een goed en dapper mens te zijn zonder christen te zijn. Dat was een grote les die de kruisvaarders voor de Europeanen van toen meebrachten naar Europa.
De kruisvaarders hebben dus een heleboel veroverd in het Oosten wat ze voor de geestelijke cultuur naar Europa hebben gebracht. 

Man macht den Kindern klar: «Seht, die Europäer, sie hätten nicht einmal Kattun, ja sie hatten nicht einmal ein Wort dafür. Sie hätten kein Musselin, auch das ist ein orientalisches Wort. Sie könnten sich nicht niederlegen, zurückräkeln auf ein Sofa, denn das Sofa haben die Kreuzfahrer, mit dem Ausdruck Sofa, erst mitgebracht. Sie hatten auch keine Matratze, auch Matratze ist ein orientalisches Wort. Auch der Bazar gehört hierher, was gleich auf eine ganze Gesinnung gegenüber dem öffentlichen Schaustellen von Erzeugnissen hinweist, was Schaustellungen im großen produziert. Bazare haben die Orientalen nach ihrer Gesinnung im weiten Umfange gemacht. In Europa gab es früher nicht etwas Ähnliches, bevor die Europäer die Kreuzzüge unternommen haben. Sogar das Wort Magazin ist kein europäisches, so sehr es mit Handeln und so weiter zusammenhängt. Diese Art, Magazine zu brauchen wegen des Umfangreichen des Handelns, das haben die Europäer erst von den Orientalen gelernt. – Man kann sich vorstellen», sagt man zu den Kindern, «wie eingeschränkt das Leben in Europa war, daß sie nicht einmal Magazine gebraucht haben. Auch das Wort Arsenal gehört hierher. Aber seht, etwas anderes haben die Europäer auch gelernt bei den Orientalen; das haben sie sich mitgebracht in dem Wort

Men vertelt de kinderen: ‘Kijk, de Europeanen hadden niet eens katoen, ja, ze hadden niet eens een woord daarvoor. Ze hadden geen mousseline, ook dat is een oosters woord. Ze konden niet gaan liggen, zich neervlijen op een sofa, want de sofa – en ook het woord sofa -hebben de kruisvaarders pas meegebracht. Ze hadden ook geen matras. Ook matras is een oosters woord. Hetzelfde geldt voor de bazar.’ De bazar wijst ons direct op een heel andere instelling tegenover het publiekelijk uitstallen van produkten, waardoor uitstallingen in het groot worden opgezet. De oosterlingen hielden vanuit hun instelling op grote schaal bazars, markten. In Europa bestond zoiets vroeger niet, althans niet voor de kruistochten. Zelfs het woord magazijn is niet Europees, hoezeer het ook samenhangt met handel en dergelijke. Die aanpak die magazijnen nodig heeft wegens de omvang van de handel, die hebben de Europeanen pas geleerd van de oosterse volkeren. ‘Je kunt je wel voorstellen,’ zegt men tegen de kinderen, ‘hoe beperkt het leven in Europa was, dat ze niet eens magazijnen nodig hadden. Ook het woord arsenaal hoort hier thuis. Maar er is ook iets anders wat de Europeanen geleerd hebben van de oosterlingen; dat hebben ze meegebracht in het woord tarief.

Blz. 81  vert. 76

Tarif. Steuerzahlen, das kannten die europäischen Völker bis zum 13.
Jahrhundert sehr wenig. Aber tarifmäßig Steuer bezahlen, allerlei Abgaben bezahlen, das wurde erst eingeführt in Europa, als die Kreuzfahrer es bei den Orientalen kennenlernten.»
Also man sieht schon, es ist vieles, vieles anders geworden in Europa durch die Kreuzzüge. Von dem hat sich nicht viel erfüllt, was die Kreuzfahrer gewollt haben. Es hat sich aber anderes, Vielfaches an Umgestaltung von Europa vollzogen durch das, was man im Orient kennengelernt hatte. Das alles verband sich dann noch mit der Anschauung der orientalischen Staatswesen, denn das Staatswesen hat sich im Orient schon viel früher ausgebildet als in Europa. In Europa waren die Gebilde der Verwaltung viel loser vor den Kreuzzügen, als sie nach den Kreuzzügen waren. Daß man dann weite Territorien unter staatlichen Gesichtspunkten zusammenfaßte, das ist schließlich auch erst durch die Kreuzzüge gekommen.

Belastingen kenden de Europese volkeren tot de dertiende eeuw zeer weinig. Maar belastingen betalen volgens tarieven, allerlei heffingen betalen, dat werd pas in Europa ingevoerd nadat de kruisvaarders het bij de oosterse volkeren hadden leren kennen.’
Men ziet wel dat er door de kruistochten heel veel veranderd is in Europa. Van wat de kruisvaarders wilden is niet veel in vervulling gegaan. Maar er zijn andere dingen gebeurd: talloze veranderingen zijn in Europa tot stand gekomen door de dingen die men in het Oosten had leren kennen. Daar kwam nog bij dat men kennis maakte met de staatsinrichting in het Oosten. Want het besturen van een staat was in het Oosten al veel vroeger ontwikkeld dan in Europa. In Europa waren de vormen van bestuur vóór de kruistochten veel losser dan daarna. Dat men toen grote gebieden als één staat ging beschouwen, is uiteindelijk ook pas door de kruistochten gekomen. 

Nun kann man aber auch – ich setze immer voraus, daß die Kinder das Alter haben, das ich angedeutet habe – sie mit folgendem bekanntmachen: «Seht, Kinder, ihr habt früher durch geschichtliche Erzählung erfahren, daß die Römer früher einmal ihre Herrschaft ausgebreitet haben. Damals, als die Römer ihre Herrschaft ausgebreitet haben im Beginne der christlichen Zeitrechnung, da wurde Europa sehr arm, immer ärmer. Wodurch kam dieses Arm werden? Man mußte sein Geld hergeben an andere. Mitteleuropa wird jetzt auch wieder arm werden, weil es sein Geld abgeben muß an andere. Damals mußten die Europäer ihr Geld an die Asiaten abgeben. An die Grenzen des Römerreiches wanderten die Geldmassen. Dadurch kam immer mehr die Naturalwirtschaft auf. Das ist etwas, was wieder passieren könnte, so traurig es wäre, wenn die Menschen sich nicht zum Geistigen aufraffen. Allerdings, in dieser Armut, da entwickelte sich der asketische, hingebungsvolle Geist der Kreuzzüge.
Jetzt aber lernten die Europäer durch die Kreuzzüge in Asien drüben allerlei Neues kennen, industrielles Produzieren, Landwirtschaft.
Dadurch konnten sie wiederum Dinge hervorbringen, die ihnen die Asiaten abkaufen konnten. Das Geld wanderte wieder zurück. Europa wurde immer reicher, gerade während der Kreuzzüge. Diese Bereiche-

Maar nu kan men ze ook – ik ga er nog steeds van uit dat de kinderen dertien, veertien jaar oud zijn — het volgende vertellen: ‘Jullie hebben vroeger in de geschiedenisles geleerd dat de Romeinen ooit hun heerschappij over grote gebieden hebben uitgebreid. In die tijd, toen de Romeinen in het begin van de christelijke jaartelling hun heerschappij uitbreidden, toen werd Europa heel arm, steeds armer. Hoe kwam dat? Men moest zijn geld aan anderen afgeven. Midden-Europa zal nu ook weer arm worden omdat het zijn geld aan anderen moet geven.*

* Het is de tijd direct na de eerste wereldoorlog. 

In die tijd moesten de Europeanen hun geld aan de Aziaten afdragen. Aan de grenzen van het Romeinse rijk rolden massa’s geld. Daardoor beperkte men zich steeds meer tot ruilhandel. Dat zou weer kunnen gebeuren, hoe treurig het ook zou zijn, als de mensen zich niet tot een spirituele leefwijze zouden zetten. Maar hoe het ook zij, in deze armoede ontwikkelde zich de ascetische, toegewijde geest van de kruistochten. 

Maar nu leerden de Europeanen door de kruistochten ginds in Azië allerlei nieuwe dingen kennen: industriële productie, landbouwmethoden. En daardoor konden zij weer dingen produceren die de Aziaten van hen konden kopen. Het geld rolde weer terug. Europa werd steeds rijker, juist tijdens de kruistochten. Dat Europa steeds rijker werd,

Blz. 82  vert. 77

rung Europas kam dadurch, daß es seine eigene Produktion erhöhte.
Das ist eine weitere Folge. Die Kreuzzüge sind wahre Völkerwanderungen nach Asien. Nach Europa kam wieder zurück ein gewisses Können. Nur durch dieses Können ist Florenz möglich und zu dem geworden, was es eben nachher war. Nur dadurch konnten sich Gestalten entwickeln wie Dante und änderte.»
Sehen Sie, es wäre notwendig, daß man die geschichtliche Darstellung von solchen Impulsen durchzogen sein ließe. Wenn heute gesagt wird, man soll mehr Kulturgeschichte treiben, dann denken die Leute, sie müssen recht trocken schildern, wie das eine aus dem anderen folgt.
Geschichte sollte aber auch schon auf diesen unteren Schulstufen so geschildert werden, daß man subjektiv dabei ist, daß man Bilder entwickelt, daß die Zeit wirklich aufersteht. Daß aufersteht das arme, nur mit schwachbesetzten Feldern überdeckte Europa, wo keine Städte waren, wo die Leute ihre Landwirtschaft betrieben, die aber spärlich war. Wie aber gerade aus diesem armen Europa hervorgeht die Begeisterung für die Kreuzzüge. Wie dann die Leute ihrer Aufgabe doch nicht gewachsen sind, wie sie in Streit kommen, wie Unmoral um sich greift, wie sie dann in Europa selber in Streit geraten.

kwam doordat het zijn eigen productie verhoogde. Dat is ook een gevolg. De-kruistochten zijn ware volksverhuizingen naar Azië. Naar Europa terug kwam een zeker kunnen. Alleen door dit kunnen was het mogelijk dat Florence ontstond en werd tot wat het later is geworden. Alleen daardoor konden figuren als Dante opstaan.’
Ziet u, het is eigenlijk noodzakelijk dat men zulke impulsen vervlecht in de historische beschrijving. Als er tegenwoordig gezegd wordt dat men meer aan cultuurgeschiedenis moet doen, dan denken de mensen dat ze heel droog moeten beschrijven hoe het een uit het ander volgt. Maar geschiedenis moet ook al in deze lagere klassen zo beschreven worden dat men subjectief is, dat men beelden oproept, dat de tijd werkelijk weer gaat leven. Dat het arme Europa weer gaat leven: bedekt met karige velden, zonder steden, waar de mensen hun schamele landbouw bedreven. Maar dan ontstaat juist in dit arme Europa het enthousiasme voor de kruistochten. En dan zijn de mensen toch niet opgewassen tegen hun opdracht, ze raken in strijd verwikkeld, zedeloosheid grijpt om zich heen. En dan raken ze zelfs in Europa slaags met elkaar.

Wie gerade dasjenige nicht erreicht wird, was durch die Kreuzzüge angestrebt
wird, sondern im Gegenteil, wie Boden geschaffen wird für die Muselmanen. Wie aber der Europäer vieles lernte im Orient; wie Städte, blühende Städte entstehen und in den Städten eine reiche geistige Kultur. Aber auch wie die Landwirtschaft sich hebt, wie die Felder fruchtbarer werden, wie die Industrie aufblüht, wie auch die geistige Kultur sich hebt.
Das alles versuche man in anschaulichen Bildern vor die Kinder hinzustellen und ihnen klarzumachen, wie sich die Menschen vor den Kreuzzügen nicht hingeräkelt haben auf Sofas, wie sich Spießbürgerlichkeit noch nicht geltend machen konnte in den Familien auf Sofas in den guten Stuben. Versuchen Sie anschaulich diese Geschichte zu schildern, dann werden Sie eine wahrere Geschichte geben. Zeigen Sie, wie Europa arm geworden ist bis zur Naturalwirtschaft und wieder reich geworden ist durch das, was man gelernt hat. Das wird die Geschichte beleben!

U vertelt dat datgene wat beoogd wordt met de kruistochten juist niet wordt bereikt, in tegendeel, dat het bedje gespreid wordt voor de muzelmannen. Maar dat de Europeanen veel in het Oosten leren; dat er steden, bloeiende steden ontstaan en in de steden een rijke geestelijke cultuur. Maar dat ook de landbouw een opbloei kent, dat de velden vruchtbaarder worden, de industrie opbloeit en ook de geestelijke cultuur tot bloei komt.
Dat probeert men allemaal in aanschouwelijke beelden weer te geven en men legt de kinderen uit dat de mensen zich vóór de kruistochten niet op sofa’s neervlijden en dat er nog geen burgerlijke behaaglijkheid kon ontstaan bij de families op hun sofa’s in de mooie kamer. Probeer deze geschiedenis beeldend te vertellen, dan zal het waarheidsgehalte groter zijn. Laat zien dat Europa arm werd en over moest gaan op ruilhandel, en weer rijk is geworden door datgene wat men geleerd had. Dan gaat de geschiedenis leven!
<3>

<4> Na deze uitgebreide schets over de kruistochten gaat het weer even over de achtergrondliteratuur (van toen):

Man wird oftmals heute gefragt: Was soll man lesen, welche Geschichtsdarstellung ist die beste? – Man kann immer nur sagen: schließlich ist jede die beste und jede die schlechteste; es ist schon einerlei, welchen geschichtlichen Autor man zur Hand nimmt. Lesen Sie nicht in den Zeilen, sondern zwischen den Zeilen. Suchen Sie sich erahnend inspirieren zu lassen, den wahren Gang der Handlung kennenzulernen.
Suchen Sie sich ein Gefühl dafür zu verschaffen, was geschichtliche Darstellung ist. An der Art werden Sie erkennen, welcher Geschichtsschreiber in die Wirklichkeit eingedrungen ist, welcher nicht.
Sie werden das eine oder andere bei Ranke lesen. Wenn Sie Ihre Geschichtslektüre bei Ranke mit dem durchdringen, was wir hier von Wirklichkeitsgeist in uns lebendig machen, werden Sie sagen: Ranke ist sehr fleißig, aber er schildert die Charaktere so, daß sie nur Schatten sind. Man kann überall durchgreifen; sie sind nicht Fleisch und Blut. Und Sie können sagen: Ich mag ja die Geschichte nicht nur als Schattenspiel haben.

Vaak vragen mensen tegenwoordig: wat moet ik lezen, welke geschiedschrijving is het beste? Het antwoord kan alleen maar luiden: uiteindelijk is elk boek het beste en elk boek het slechtste. Het doet er werkelijk niet toe welke historicus men raadpleegt. Maar lees niet de regels, lees tussen de regels. Probeer dingen aan te voelen en u te laten inspireren om de ware loop van de handeling te weten te komen. Probeer er een gevoel voor te krijgen wat historische beschrijving is. Aan de manier van vertellen zult u herkennen welke historicus tot de werkelijkheid is doorgedrongen en welke niet. U zult wel eens iets van Ranke lezen.*

*Leopold von Ranke, 1795-1886, vooraanstaand Duits historicus die veel heeft gepubliceerd. Zie over hem Renate Riemeck, Op zoek naar Midden-Europa, Zeist 1988.

Wanneer u Rankes historische beschrijvingen doordringt met de werkelijkheidszin die wij hier in ons oproepen, dan zult u zeggen: Ranke is heel ijverig, maar hij beschrijft de karakters zo dat het maar schimmen zijn. Je prikt er zo doorheen, ze zijn niet van vlees en bloed. En u kunt dan zeggen: ik wil de geschiedenis niet als een schimmenspel voor me zien.

Einer der Kursteilnehmer rät zu Lamprecht.

Een van de deelnemers raadt Lamprecht aan. 

Rudolf Steiner: Aber man kann da schon das Gefühl haben, Lamprecht schildert Kulturgeschichte, nicht Menschen, sondern angestrichene Pappfiguren, die er nur mit möglichst vollen Tönen anstreicht. Es sind nicht Menschen; sie schauen aus wie körperliche Menschen, sind aber nur angestrichene Pappendeckelfiguren. Da muß man schon sagen: Treitschke mag tendenziös sein, aber die Treitschke-Persönlichkeiten, die stehen doch auf ihren Beinen! Er stellt die Menschen doch auf die Beine, und sie haben Fleisch und Blut. Sie sind nicht Pappendeckel wie bei Lamprecht, und sie sind nicht bloß Schattenfiguren wie bei Ranke.
Leider gibt es von Treitschke nur die Geschichte des 19. Jahrhunderts.
Wollen Sie sich ein Gefühl aneignen von wirklich guter Geschichtsschreibung und für den Geist eines Geschichtserzählers, dann lesen Sie den Tacitus. Wenn Sie den Tacitus lesen, dann wird alles bis ins Wort hinein ganz lebendig. Dann steht die Zeit und die Menschen und die Menschengruppen, die der Tacitus schildert, die stehen, wenn Sie das alles auf Ihren Wirklichkeitssinn wirken lassen, da wie das Leben selber! Von da aus versuchen Sie, darauf zu kommen, wie man sich in eine andere Darstellung hineinlebt.

Maar bij Lamprecht kan men het gevoel hebben dat hij cultuurgeschiedenis beschrijft — geen mensen, maar alleen beschilderde kartonnen poppen, weliswaar met zo vol mogelijke kleuren beschilderd.*

*Karl Lamprecht, 1856-1915, schreef een Deutsche Geschichte in 19 delen. 

 Het zijn geen mensen, ze zien eruit als lijfelijke mensen, maar het zijn maar beschilderde poppen. En dan kan men niet anders zeggen dan dat Treitschke dan misschien wel tendentieus is, maar dat zijn persoonlijkheden stevig op hun benen staan. Zijn mensen staan en ze zijn van vlees en bloed. Het zijn geen papieren poppen als bij Lamprecht en niet enkel schimmen als bij Ranke. Jammer genoeg is er van Treitschke alleen een geschiedenis van de negentiende eeuw.
Wilt u een gevoel krijgen voor werkelijk goede geschiedschrijving en voor de geest van een geschiedenisverteller, leest u dan Tacitus. Bij Tacitus wordt alles levendig – tot in het woord. Als u alles wat Tacitus beschrijft laat inwerken op uw gevoel voor realiteit, dan staat de tijd en staan de mensen voor u als het leven zelf! Van daaruit probeert u te ontdekken hoe men zich kan inleven in een andere weergave. 

Blz. 84  vert. 78

Ganz Veraltetes kann man doch nicht lesen, sonst würde der feurige Rotteck noch immer etwas sehr Gutes sein. Aber er ist veraltet, nicht nur den Tatsachen nach, sondern der Gesinnung nach. Denn er betrachtet als Evangelium die damalige badische Staatsverfassung und den Liberalismus, er interpretiert sie hinein schon in das persische und ägyptische und griechische Leben. Aber alles mit Feuer, so daß man wünschen möchte, daß es auch in unserer Zeit noch viele solche Geschichtsdarsteller gäbe wie Rotteck.
Wenn Sie nun versuchen, die gebräuchlichen Darstellungen zu lesen, und sich anstrengen, Ihr Augenmerk zu richten auf das, was dort oftmals fallengelassen wurde, dann werden Sie sich geeignet machen, lebendige Bilder über die Geschichtsentwickelung vom 11. bis 17. Jahrhundert hinzustellen. Und Sie werden Ihrerseits fallenlassen vieles, was da erzählt wird über Friedrich Barbarossa, über Richard Löwenherz, über Friedrich IL Es ist ja manches interessant, aber für die wirkliche Erkenntnis der Geschichte nicht besonders wichtig. Viel wichtiger ist es, den Kindern die großen Impulse der Geschichte zu vermitteln.

Werkelijk verouderde dingen kan men echt niet lezen, anders zou de vurige Rotteck altijd nog heel goed zijn.*

*Karl von Rotteck, 1775-1840, schreef een 9-delige Allgemeine Geschichte en een 4-delige Allgemeine Welt geschichte

Maar hij is verouderd, niet wat de feiten betreft, maar wat zijn instelling betreft. Want hij beschouwt de grondwet van Baden en het liberalisme als een soort evangelie en hij meent dat hij ze al in het Perzische, Egyptische en Griekse leven aantreft. Maar alles met vuur, zodat men mocht wensen dat er ook in onze tijd nog veel van zulke historici als Rotteck zouden zijn.
Wanneer u nu de gebruikelijke beschrijvingen probeert te lezen en u zich inspant om uw aandacht te richten op wat daar dikwijls achterwege is gelaten, dan zult u het vermogen ontwikkelen om levende beelden van de historische ontwikkeling van de elfde tot de zeventiende eeuw te geven. En van uw kant zult u veel achterwege laten van wat er wordt verteld over Frederik Barbarossa, Richard Leeuwenhart en Frederik de Tweede. Er zijn heel veel interessante dingen over te melden, maar voor het werkelijk inzicht in de geschiedenis zijn ze niet bijzonder belangrijk. Veel belangrijker is het om de kinderen de grote impulsen van de geschiedenis over te dragen.
<4>
GA 295/74-84
Praktijk van het lesgeven/69-78

Werkbespreking 14, Stuttgart 5 september 1919

Blz. 147 vert. 136

<5> Er is sprake van ‘hoe leg je aan een kind het begrip ‘tijd’ uit. Voor de geschiedenis: ‘lang geleden’.
In dit artikel vind je de opmerkingen uit GA 295. <5>

Daarna gaat het in de werkbespreking verder met een opmerking van een deelnemer:

Blz. 148  vert. 136

E. schildert weiter, wie Heinrich aus der Erkenntnis heraus, daß er in dem befestigten Goslar den Magyaren habe widerstehen können, den Entschluß zur Gründung befestigter Städte gefaßt habe, und daß es auf diese Weise zu zahlreichen Städtegründungen gekommen sei.

<6> E. vertelt verder dat Hendrik, vanuit de wetenschap dat hij in het versterkte Goslar de Magyaren heeft kunnen weerstaan, besluit om versterkte steden te stichten en dat het op die manier is gekomen tot talrijke stichtingen van steden.

Rudolf Steiner: Könnten Sie diese Darstellung nicht noch einmal
kulturhistorisch bringen? Denn das ist etwas monarchisch auffrisierte
Geschichtslegende, daß Heinrich diese Städte gegründet habe. Alle diese
Städte des 10. Jahrhunderts waren ja in ihrer Grundanlage, in den Märkten, schon da. Sie wurden nur in ihrem Ausbau dadurch gefördert, daß Leute, die in der Nachbarschaft dieser Städte wohnten, sich anschlössen, um eine leichtere Verteidigungsmöglichkeit zu gewinnen gegen die anstürmenden Magyaren, und so diese Orte stärkten. Es waren mehr wirtschaftliche Gründe, die da wirkten und die zur Städtebildung führten. Heinrich hat nicht gar viel dazu getan.

 Zou u dit betoog niet nog een keer cultuurhistorisch kunnen brengen? Want dat Hendrik deze steden gesticht zou hebben, dat is een ietwat monarchaal gekleurde historische legende. Al die steden van de tiende eeuw waren immers in aanzet al aanwezig in de markten. Alleen werd de verdere uitbouw ervan bevorderd doordat mensen die in de omgeving van deze steden woonden, zich aaneensloten om een betere mogelijkheid tot verdediging te vinden tegen de aanstormende Magyaren. Zij versterkten deze plaatsen. Het waren meer economische redenen die doorslaggevend waren en die leidden tot de vorming van de steden. Hendrik heeft er niet zo heel veel toe bijgedragen. <6>

Ich würde Sie nur bitten, recht anschaulich das alles zu bringen, recht lebendig zu verfahren, damit die Kinder innerlich anschauliche Bilder bekommen, so daß die Kinder förmlich alles greifen können.
Sie müssen die Phantasie in Anspruch nehmen und solche Dinge benützen, wie ich sie Ihnen gezeigt habe bei dem Konkretmachen der Zeit. Man hat tatsächlich nichts davon, zu wissen, in welchem Jahre zum Beispiel die Schlacht bei Zama gewesen ist und so weiter, aber wenn man sich vorstellt, wenn man weiß, daß Karl der Große zum dreißigsten Vorfahren hinaufreicht, wenn man sich durch die Generationen hindurch die Hände reichen würde, dann erhält man dadurch
eine anschauliche, konkrete Vorstellung von der Zeit. Da rückt diese Zeit viel näher – ja freilich, sie rückt viel näher! -, wenn man weiß, daß Karl der Große bis zum dreißigsten Vorfahren hinauf zu finden ist.

<7> Ik zou u wel willen vragen om alles heel aanschouwelijk te vertellen, om heel levendig te werk te gaan, opdat de kinderen innerlijk aanschouwelijke beelden krijgen en ze alles als het ware tastbaar voor zich zien. U moet fantasie gebruiken en van die dingen gebruik maken die ik heb laten zien bij het concreet maken van de tijd. Men heeft er werkelijk niets aan om te weten in welk jaar de slag bij Zama is geweest enzovoort, maar als men zich voorstelt, als men weet dat Karel de Grote de dertigste voorouder is wanneer ze allemaal in een rij zouden staan en elkaar de hand zouden geven, dan krijgt men daardoor een aanschouwelijk, concreet idee van de tijd. Die tijd komt dan veel dichterbij – ja zeker, ze komt dichterbij! – wanneer men weet dat Karel de Grote te vinden is in de tijd van de dertigste voorouder. <7>

T.: Wäre es nicht gut, bei solchen Kulturbeschreibungen auch auf das ganz andere Denken und Fühlen der Menschen in diesen Perioden hinzuweisen?

<8>T.: Zou het niet goed zijn om bij zulke culturele beschrijvingen ook te wijzen op het heel andere denken en voelen van de mensen in die tijd? 

Rudolf Steiner: Ja, darauf habe ich ja immer in meinen Vorträgen
und auch sonst hingewiesen. Vor allem auch, daß Sie namentlich den
großen Umschwung um das 15. Jahrhundert, das ganz andere Emp-

Ja, daar heb ik immers altijd op gewezen in mijn voordrachten en ook elders. En vooral ook dat u met name de grote ommezwaai omstreeks de vijftiende eeuw, het volstrekt andere gewaarworden, voelen en denken van de mensen voor en na die tijd heel aanschouwelijk maakt. Ook Lamprecht bijvoorbeeld – die ik daarmee echter niet bij- 

Blz. 149   vert. 138

finden, Fühlen und Denken der Menschen vor und nach dieser Zeit
recht anschaulich machen. Zum Beispiel auch schon Lamprecht, den ich
aber damit nicht besonders empfehlen will, ist bemüht, ein ganz anderes Denken, Empfinden und Fühlen der Menschen vor dieser Zeitperiode zu konstatieren. – Die Dokumente sind daraufhin noch gar nicht benützt worden.
Wenn Sie sich ein bißchen hineinfinden wollen in die kulturgeschichtliche Betrachtung, so müssen Sie vor allem entwickeln können einen gewissen Spürsinn, und wenn Sie diesen haben für Weiteres und Engeres, was die Autoren erzählen, für Spießigeres und etwas Weitherzigeres, dann können Sie richtigere Vorstellungen gewinnen für Kulturgeschichtliches.

zonder wil aanbevelen – streeft ernaar om te constateren dat de mensen voor die tijd heel anders dachten, gewaarwerden en voelden. De documenten zijn nog helemaal niet in dit perspectief onderzocht. Als u enigszins wilt thuisraken in de cultuurhistorische beschouwingswijze, dan moet u in de allereerste plaats een zekere speurzin ontwikkelen voor het bredere en engere wat de auteurs vertellen, voor het bekrompene en het ruimere, en als u die hebt, dan kunt u juistere voorstellingen krijgen van cultuurhistorische dingen. <8>

<9> Nu volgen nog opmerkingen over allerlei achtergrondboeken.
In onze Nederlandse situatie zo’n 100 jaar later hebben we daar niets meer aan.
Wel kunnen de karakteriseringen je misschien van dienst zijn als je voor onze situatie boeken zoekt.
Ik geef die passages dus weer, te meer omdat de Nederlandse uitgave van de vertaling uitverkocht is.

Rudolf Steiner empfiehlt auf eine Anfrage hin zur Anschaffung für
die Lehrerbibliothek:
Buckle, Geschichte der Zivilisation in England.
Lecky, Geschichte der Aufklärung in Europa.
An diesen kann man die Methode schulen für die kulturgeschichtlichen
Betrachtungen. Von Lamprecht kämen in Frage die älteren Teile, aber
es ist vieles schief und subjektiv.
Wenn Sie sich diesen Instinkt für die wirklichen treibenden kulturgeschichtlichen Kräfte nicht angeeignet haben, dann werden Sie Gefahr laufen, mit wahrhaft Wildenbruchscher Blödigkeit, mit Wildenbruchscher Dilettantenhaftigkeit zum Beispiel die Kaiser- und Königsdramen und solche Familienkatzbalgereien wie zwischen Ludwig dem Frommen und seinen Söhnen für wesentliche kulturgeschichtliche Ereignisse zu halten.
Gustav Freytags «Bilder aus der deutschen Vergangenheit» sind
ganz gut, aber man darf sich nicht zu sehr beschmieren lassen von
dieser Gemütlichkeit einer für Tanten geschriebenen Geschichtsbetrachtung. Wir müssen gerade heute herauskommen aus dem Denk- und
Empfindungsstil, der so bei diesen Leuten der Grenzbotenliteratur der
Mitte des 19. Jahrhunderts da war, bei Gustav Freytag, Julian Schmidt
und so weiter. Lassalle nannte ihn «Schmulian Jüd»; bei Lassalle klang
das nicht antisemitisch.

Rudolf Steiner wordt gevraagd wat men kan aanschaffen voor de lerarenbibliotheek en hij beveelt aan: 

Buckle, Geschichte der Zivilisation in England.
Lecky, Geschichte der Aufklärung in Europa.
Met behulp van deze boeken kan men de methode voor cultuurhistorische beschrijvingen ontwikkelen. Van Lamprecht zouden de oudere delen in aanmerking kunnen komen, maar veel is er scheef en subjectief.
Als u zich dat instinct voor de werkelijke drijvende krachten in de cultuurgeschiedenis niet eigen heeft gemaakt, zult u gevaar lopen om met het onbenul, het dilettantisme van een Wildenbruch de keizer-en koningsdrama’s en bijvoorbeeld zulk familiegebakkelei als tussen Lodewijk de Vrome en zijn zoons aan te zien voor essentiële cultuurhistorische gebeurtenissen.
Gustav Freytags Bilder aus der deutschen Vergangenheit zijn heel goed, maar men mag zich niet al te zeer om de tuin laten leiden door deze gemoedelijke, oubollige geschiedschrijving. Wij moeten, nu meer dan ooit, uit zien te komen boven deze stijl van denken en voelen die bestond bij die mensen van de ‘Grenzbotenliteratur’ uit het midden van de negentiende eeuw, bij Gustav Freytag, Julian Schmidt enzovoort. Lassalle noemde hem ‘Schmulian Jüd’; bij Lassalle klonk dat niet antisemitisch.

Karl Lamprecht, Moderne Geisteswissenschaft, Freiburg i.Br. 1905.
H.Th. Buckle, 1821-1862: History of Civilisation in England, 1857.
E. H. Lecky, 1838-1903: History of the Rise and Influence of the Spirit of Rationalism in Europe, 2 delen, Londen 1865.
Ernst von Wildenbruch, 1845-1909, schreef o.a. Die Karolinger.
Gustav Freytag, 1816-1895: Bilder aus der deutschen Vergangenheil, 5 delen, Leipzig 1859 e.v.
Heinrich Julian Schmidt, 1818-1886, literatuurhistoricus. (Wat betreft de bijnaam die Lassalle hem gaf: in bepaalde dialecten klinkt ‘Jüd’ als ‘Jied’, wat rijmt op Schmidt.)
Ferdinand Lassalle, 1825-1864, grondlegger van de sociaal-democratie in Duitsland. 

Blz. 150  vert. 138

Es wird gefragt, nach Houston Stewart Chamberlains «Grundlagen des 19. Jahrhunderts».

Er wordt een vraag gesteld over het boek ‘Grundlagen des 12. Jahrhunderts’ van Houston Stewart Chamberlain.

Rudolf Steiner: Auch bei Chamberlain muß man erst recht einen guten Instinkt entwickeln, denn ein Viertel bei ihm ist geistreich, und drei Viertel ist wüstes, ungesundes Zeug. Es steht sehr viel sehr Gutes bei ihm, aber man muß alles selber übersehen und selber ein Urteil entwickeln. Die kulturgeschichtlichen Schilderungen sind besser bei Buckle und Lecky. Chamberlain ist mehr so ein Smokingträger. Er ist doch ein etwas eitler Herr, der nicht gerade als Autorität zu gelten hat, der aber doch manches richtig bemerkt hat. Es ist ja auch sein Ende kein schönes gewesen, ich meine den Prozeß mit der «Frankfurter Zeitung».

Ook en met name bij Chamberlain moet men een goed instinct ontwikkelen, want bij hem is een kwart geestrijk, en driekwart is chaotisch en ongezond. Er staat heel veel goeds bij hem, maar men moet alles zelf overzien en er zelf een oordeel over vormen. De cultuurhistorische beschrijvingen zijn beter bij Buckle en Lecky. Chamberlain is meer zo’n smokingdrager, een toch wat ijdel heerschap, die niet bepaald een autoriteit genoemd kan worden, maar die toch heel wat juiste dingen heeft opgemerkt. Zijn einde was nu ook niet bepaald fraai, ik bedoel het proces met de Frankfurter Zeitung.

Es werden Kantskys Schriften erwähnt.

Het werk van Kautsky wordt genoemd.

Rudolf Steiner: Ja, wenn man in der Regel das Gegenteil von dem
annimmt, das er da zeigt. Man bekommt von modernen Sozialisten ein
gutes und interessantes Tatsachenmaterial, wenn man sich nicht betäuben läßt von den Theorien, die ihre Schilderungen durchziehen.
Ein eigentümliches Bild bietet auch Mehring, wie er erst in seinem
Buch, in seiner Geschichte der Sozialdemokratie, auf die Sozialdemokraten schimpft, so lange er Freisinniger war; dann nachher, als er zu den Sozialdemokraten übergetreten war, ändert er das nur um auf die
Freisinnigen.

Ja, als men tenminste als regel het tegendeel aanneemt van wat hij laat zien. Men krijgt van de moderne socialisten goed en interessant feitenmateriaal, wanneer men zich niet laat verdoven door de theorieën waarmee hun beschrijvingen doorspekt zijn.
Een merkwaardig beeld biedt ook Mehring, zoals hij eerst in zijn boek, in zijn geschiedenis van de sociaal-democratie, op de sociaaldemocraten scheldt zolang hij nog liberaal is en dan later, wanneer hij is overgestapt naar de sociaal-democraten, gewoon doorscheldt, maar dan op de liberalen.

Karl Johann Kautsky, 1854-1938, publiceerde over de geschiedenis van het socialisme en over algemene geschiedenis.
Franz Mehring, 1846-1919: Geschichte der deutschen Sozialdemokratie, 4 delen, 1897. <9>
GA 295/146-150
Praktijk van het lesgeven/136-138

<10> Iemand vertelt iets over de Egyptische cultuur:

Blz. 152  vert. 140

B. gibt eine Darstellung aus der altägyptischen Kultur.

B. geeft een beschrijving van de oud-Egyptische cultuur. 

Rudolf Steiner: Vor allem müßte man dazu übergehen, das vorzubringen, was das ganz andere Prinzip der Nachbildung ist. Es besteht bei den alten Ägyptern der Mangel, daß sie unperspektivisch sehen. Es malt der alte Ägypter das Gesicht im Profil und den übrigen Körper en face. Diese Eigentümlichkeit der Auffassung müßte man den Kindern schon beibringen.
Dann müßte man herstellen den Zusammenhang des ägyptischen
Zeichnens und Malens mit dem naturgeschichtlichen Prinzip, das sie
hatten, daß sie die Menschen mit Tierköpfen machten und so weiter.
Schon in alten Zeiten ist die Vergleichung des Menschen mit den Tieren
sehr weit getrieben worden. Man könnte dann dem Kinde dasjenige
beibringen, was veranlagt ist in jedem menschlichen Kopf und was zum
Teil das Kind heute noch sieht. Die Ägypter haben noch diese Verwandtschaft der Menschenphysiognomie mit den Tieren wahrgenommen. Sie waren noch auf dieser kindlichen Stufe der Anschauung.

Men zou vooral naar voren moeten brengen welk geheel ander principe van nabootsing zij hadden. De oude Egyptenaren hebben het gebrek dat ze niet perspectivisch kijken. De oude Egyptenaar tekent het gezicht in profiel en de rest van het lichaam en face. Deze kenmerkende manier van kijken moet men de leerlingen eigenlijk bijbrengen.
Dan zou men het verband moeten leggen tussen het Egyptische tekenen en schilderen en het principe dat hun natuurbeschouwing kenmerkt, namelijk dat ze mensen met dierenkoppen afbeeldden, enzovoort. Al in oude tijden werd de vergelijking van de mens met de dieren heel ver gevoerd. Men zou het kind dan kunnen bijbrengen wat er in het hoofd van ieder mens in aanleg aanwezig is en wat het kind tegenwoordig gedeeltelijk nog ziet*

*Algemene menskunde 12e voordracht.

De Egyptenaren namen deze verwantschap van de menselijke fysionomie met de dieren nog waar. Zij bevonden zich nog in deze kinderlijke fase van waarnemen. 

B. fragt bei der Besprechung der Pyramiden, was man eigentlich den Kindern
darüber sagen solle

B. vraagt bij de bespreking van de piramiden wat men de kinderen daar eigenlijk over zou moeten zeggen.

Rudolf Steiner: Es ist natürlich außerordentlich wichtig, allmählich zu versuchen, auch für die Kinder das Richtige an die Stelle des Falschen zu setzen. Tatsächlich waren die Pyramiden ja Einweihungsstätten. Und da kommt man ja nun dahin, daß man den Kindern den Begriff des höheren ägyptischen Unterrichts, der zu gleicher Zeit eine Einweihung war, beibringt. Man muß etwas erzählen davon, was da vorgegangen ist. Es sind da religiöse Handlungen ausgeführt worden, wie sie heute in den Kirchen ausgeführt werden, die aber zugleich dazu führten, daß das Weltall erkannt werden konnte. Der alte Ägypter
hat eben so gelernt, daß ihm vorgezeigt worden ist in feierlichen Handlungen, was sich im Weltall und in der Menschheitsentwickelung vollzieht. Es war religiöse Übung und Unterricht eines. Es war so, daß Unterricht und religiöse Handlung eigentlich zusammenfielen.

Het is natuurlijk buitengewoon belangrijk om ook tegenover de kinderen stapje voor stapje te proberen het onware te vervangen door het juiste. In feite waren de piramiden immers inwijdingsplaatsen. En dan komt men ertoe om de kinderen een begrip van het hogere Egyptische onderwijs, dat tegelijkertijd een inwijding was, bij te brengen. Men moet iets vertellen van wat zich daar afspeelde. Daar werden religieuze handelingen uitgevoerd, zoals die tegenwoordig in de kerken uitgevoerd worden, maar die er tegelijkertijd ook toe leidden dat men inzicht kon krijgen in de kosmos. Het leren van de oude Egyptenaar hield in, dat hem in plechtige handelingen getoond werd wat zich in de kosmos en in de mensheidsontwikkeling voltrekt. Religieuze oefening en onderwijs waren één. Het was zo, dat onderwijs en religieuze handeling eigenlijk samenvielen. 

B. beschreibt die Arbeit an den Pyramiden und Obelisken und sagt, daß man
annehmen müsse, daß zum Herbeischaffen, Bearbeiten und Einbauen der riesigen

Blz. 153  vert. 141

Blöcke mehrere Millionen Menschen benötigt sein müßten. Man müsse sich fragen, wie es überhaupt möglich gewesen sei, mit den damaligen technischen Hilfsmitteln die großen, schweren Kalk- und Granitblöcke zu bewegen und aufzuschichten.

blokken aan te voeren, te bewerken en op hun plaats te brengen. Men moet zich afvragen hoe het eigenlijk mogelijk was om met de technische hulpmiddelen van
die tijd de grote, zware kalk- en granietblokken te verplaatsen en op te stapelen.

Rudolf Steiner: Ja, aber ganz richtige Vorstellungen werden Sie bei den Kindern nur hervorrufen, wenn Sie ihnen sagen, daß, wenn die Menschen mit der heutigen Körperkraft arbeiten würden, man zweieinhalbmal soviel Menschen brauchen würde. Aber in Wahrheit haben die Ägypter ja zweieinhalbmal soviel Körperkräfte gehabt wie unsere heutigen Menschen, wenigstens die, die an den Pyramiden und so weiter gearbeitet haben. Es gab natürlich auch schwächere Menschen.

Ja, maar helemaal juiste voorstellingen zult u alleen oproepen bij de kinderen, wanneer u hun vertelt dat als de mensen met de lichaamskracht van tegenwoordig zouden hebben gewerkt, dat men dan tweeëneenhalf keer zo veel mensen nodig zou hebben gehad. Maar in werkelijkheid hadden de Egyptenaren tweeëneenhalf maal zo veel lichaamskracht als de mensen van onze tijd, althans diegenen die aan de piramiden en dergelijke gewerkt hebben. Er bestonden natuurlijk ook zwakkere mensen. 

B. fragt, ob auch auf die Mythologie einzugehen wäre.

B. vraagt of men ook in kan gaan op de mythologie.

Rudolf Steiner: Nicht wahr, wenn man die ägyptische Mythologie
nicht in ihrer wahren Gestalt darstellen kann, so muß man sie eben
weglassen. Kann man aber die ägyptische Mythologie in der wahren
Gestalt darstellen, dann soll man es tun. In der Waldorfschule wird es
ganz gut sein, die richtigen Begriffe von der ägyptischen Mythologie,
die Sie ja ganz gut kennen, schon den Kindern beizubringen, wenn man
überhaupt darauf eingehen will.

Ja, als men de Egyptische mythologie niet in haar ware gedaante kan weergeven, dan moet men het weglaten. Maar kan men de Egyptische mythologie in een ware gedaante behandelen, dan moet men het doen. In de Waldorfschool zal het heel goed zijn dat men de juiste begrippen van de Egyptische mythologie, die u immers heel goed kent, de kinderen wel bijbrengt, als men daar tenminste op in wil gaan. 
GA 295/152
Praktijk van het lesgeven/141

1e leerplanvoordracht, Stuttgart 6 september 1919

<11> Dan volgt er op een aanwijzing om vakken met elkaar te verbinden, w.o. ook geschiedenis:

Blz. 154   vert. 143

Und so werden wir denn immer darauf bedacht sein, daß der Unterricht soviel als möglich zusammengefaßt werden soll in der Art, wie ich es Ihnen gezeigt habe, daß man das Mineralogische in das Geographische hinüberführen kann,
daß man in der geistigen Behandlung der Kulturgeschichte durch Völkercharakteristiken Geschichte und Geographie verknüpfen kann. 

En zo zullen we er steeds op letten dat het onderwijs zo veel mogelijk samengevat wordt op de wijze die ik u getoond heb, dat men de mineralogie over kan laten gaan in de geografie, dat men bij een spirituele behandeling van de cultuurgeschiedenis geschiedenis en geografie met elkaar kan verbinden door volkeren te karakteriseren. <11>
GA 295/154
Praktijk van het lesgeven/143

Blz. 162   vert. 149

Geschiedenis in klas 5: zie leerplan

Geschiedenis in klas 6: zie leerplan

Blz. 163  vert. 150

Geschiedenis klas 7: zie leerplan

Geschiedenis klas 8: zie leerplan
GA 295/162
Praktijk van het lesgeven/149

Werkbespreking 15 en 3e leerplanvoordracht, Stuttgart 6 september 1919

Blz. 178  vert. 162

D. spricht über ein geschichtliches Thema, über die Völkerwanderung.

<12> D. spreekt over een historisch thema, over de volksverhuizing. Rudolf Steiner maakt hierbij verscheidene opmerkingen tussendoor:

Rudolf Steiner macht dazu mehrere Zwischenbemerkungen: Was als Gründe für die Völkerwanderung angeführt wird, beruht sehr häufig auf geschichtlichen Konstruktionen. Das Wesentliche ist, wenn man den Dingen zu Leibe geht, bei der eigentlichen Völkerwanderung, wo die Goten und so weiter vorrücken, daß die Römer das Geld haben, und die Germanen kein Geld haben, und daß die Tendenz besteht, daß überall da, wo eine Grenze ist, die Germanen in irgendeiner Weise sich das römische Geld aneignen wollen. Daher werden sie Söldner und alles mögliche. Es sind ja ganze Legionen von Germanen in den römischen Sold eingetreten. Es ist die Völkerwanderung eine wirtschaftlich-finanzielle Frage. Erst auf dieser Grundlage konnte dann die Ausbreitung
des Christentums vor sich gehen. Die Völkerwanderung als solche rührt aber von der Habgier der Germanen her, die das Geld der Römer haben wollten. Die Römer wurden auch arm dabei! Auch schon beim Cimbernzug war es so. Den Cimbern wurde gesagt: Die Römer haben Gold! – während sie selbst arm waren. Das wirkte auf die Cimbern sehr stark. Sie wollen Gold holen. Römisches Gold!
Es sind verschiedene Völkerschichten da, auch noch keltische Überreste. Sie finden heute noch deutliche Sprachanklänge an die keltische Sprache, zum Beispiel bei den Quellflüssen der Donau, Brig und Breg, Brigach und Brege. Dann überall, wo in den Ortsnamen «-ach» vorhanden ist, zum Beispiel Unterach, Dornach und so weiter. «Ach» kommt von Wässerchen her, von aqua, weist auf Keltisches zurück. Auch «111» und dergleichen erinnert ans alte Keltische. Über das Keltische schichtet sich dann das Germanische. – Gegensatz von Arianern und Athanasianern.
Sehr wichtig ist, daß Sie den Kindern klarmachen müssen, daß ein großer Unterschied besteht – das ist gerade an der Völkerwanderung

De oorzaken die voor de volksverhuizing worden aangegeven berusten heel dikwijls op historische constructies. Als men deze dingen grondig onderzoekt, dan is de essentie bij de eigenlijke volksverhuizing — waarbij de Goten enzovoort oprukken — dat de Romeinen het geld hebben en de Germanen geen geld hebben, en dat de tendens bestaat dat de Germanen zich overal waar een grens is op een of andere wijze meester willen maken van het Romeinse geld. Daarom worden ze huurlingen en wat niet al. Er zijn immers hele legioenen Germanen in Romeinse dienst getreden. De volksverhuizing is een economisch-financiële kwestie. Pas op basis daarvan kon de uitbreiding van het christendom plaatsvinden. Maar de volksverhuizing als zodanig is gekomen door de hebzucht van de Germanen, die het geld van de Romeinen wilden hebben. De Romeinen werden daardoor ook arm! Ook bij de tocht van de Kimbren was dat al zo. Tegen de Kimbren werd gezegd: de Romeinen hebben goud! – terwijl ze zelf arm waren. Dat had een enorme werking op de Kimbren. Ze wilden goud halen, Romeins goud.
Er bestaan bevolkingslagen afkomstig van verschillende volkeren, ook nog Keltische overblijfselen. U vindt tegenwoordig nog duidelijke resten van het Keltisch in de Duitse taal, bijvoorbeeld bij de namen van de rivieren die de Donau vormen: Brig en Breg, Brigach en Brege. En verder overal waar ‘ach’ voorkomt in plaatsnamen, bijvoorbeeld Unterach, Dornach enzovoort. ‘Ach’ komt van watertje, van aqua, en verwijst naar het Keltisch. Ook ‘ill’ en dergelijke vormen herinneren aan het oude Keltisch. Boven die Keltische laag ligt dan de Germaanse. – De tegenstelling tussen de aanhangers van Arianus en die van Athanasius. Het is heel belangrijk om de kinderen duidelijk te maken dat het een groot verschil maakt – dat kan men juist bij de volksverhuizing

Blz. 179  vert. 163

ersichtlich -, ob, wie zum Beispiel in Spanien und Italien, die germanischen Völker, wie die Goten, in schon der Agrikultur nach völlig in Anspruch genommene Gebiete einziehen. Hier wurde alles besessen.
Da ziehen die gotischen und andere Völker ein. Die verschwinden. Die
gehen also auf in den anderen Völkern, die schon da waren. – Nach
Westen ziehen die Franken vor. Die kommen in Gegenden, die der Agrikultur nach noch nicht vollständig besetzt sind. Die erhalten sich.
Daher hat sich von den Goten nichts erhalten, die eben in Gegenden
eingezogen sind, wo der Boden schon ganz in Besitz genommen war.
Von den Franken hat sich alles erhalten, weil sie in noch brachliegende
Gegenden eingezogen sind. Das ist ein geschichtliches Gesetz, das sehr
wichtig ist. Später kann der Hinweis wiederholt werden bei der Konfiguration von Nordamerika, wo allerdings die Indianer ausgerottet worden sind, aber doch das bestand, daß in Brachgegenden eingewandert werden konnte.

goed zien — of de Germaanse volkeren zoals de Goten gebieden binnentrekken als bijvoorbeeld Spanje en Italië, die al volledig als landbouwgronden in gebruik zijn. Hier had men alles in bezit. Dan vallen de Gotische en andere volkeren binnen. Ze verdwijnen. Ze gaan dus op in de volkeren die daar al waren. — De Franken trekken naar het westen. Die komen in gebieden die nog niet volledig in cultuur zijn gebracht. Zij handhaven zich. Daarom is er van de Goten, die gebieden zijn binnengetrokken waar de bodem al geheel in bezit was genomen, niets overgebleven. De Franken hebben zich volledig gehandhaafd omdat ze nog braakliggende gebieden zijn binnengetrokken. Dat is een historische wet die heel belangrijk is. Later kan men hier ook weer op wijzen bij de configuratie van Noord-Amerika, waar weliswaar de Indianen zijn uitgeroeid, maar waar toch ook de situatie bestond dat men braakliggende gebieden kon binnentrekken. <12>

Es handelt sich auch darum, daß Sie dann klarmachen, welches der Unterschied ist zwischen so etwas, wie zum Beispiel das Frankenreich Karls des Großen war, und einem späteren Staat. Wenn Sie diesen Unterschied nicht kennen, kommen Sie nicht über den Rubikon des 15. Jahrhunderts hinweg. Das Reich Karls des Großen ist noch kein Staat. Wie ist es bei den Merowingern? Sie sind eigentlich zunächst nichts anderes als Großgrundbesitzer. Und bei ihnen gilt lediglich nur das Privatrecht.
Und immer mehr geht dann dasjenige, was aus den alten germanischen
Großgrundbesitz-Verhältnissen stammt, über in das römische Recht, wo derjenige, der bloß die Ämter verwaltet, nach und nach die Macht bekommt. So geht allmählich der Besitz über an die Verwaltung, an die Beamten, und indem dann später die Verwaltung die eigentliche Herrschermacht wird, entsteht erst der Staat. Der Staat entsteht also durch die Inanspruchnahme der Verwaltung. Es entsteht der Grafenadel im Gegensatz zum Fürstenadel. «Graf» hat denselben Ursprung wie Graphologe: es kommt her von graphein, schreiben. «Graf» heißt Schreiber. Der Graf ist der römische Schreiber, der Verwalter, während der Fürstenadel als alter Kriegeradel noch mit Tapferkeit und Heldenmut und dergleichen zusammenhängt. Der «Fürst» ist der Erste, der Vorderste. So ist also mit dem Übergang vom Fürsten zum Grafen

<13>Dan moet u ook uitleggen wat het verschil is tussen iets als het Frankenrijk van Karel de Grote en een latere staat. Kent u dit verschil niet, dan komt u niet voorbij het keerpunt van de vijftiende eeuw. Het rijk van Karel de Grote is nog geen staat. Hoe is dat bij de Merovingers? Ze zijn in eerste instantie eigenlijk niets anders dan grootgrondbezitters. En het enige wat bij hen geldt is het privaatrecht. En vervolgens gaat datgene wat uit de verhoudingen van het oude Germaanse grootgrondbezit stamt, steeds meer over in het Romeinse recht, waarbij degene die enkel ambtsdrager is steeds meer macht krijgt. Zo gaat het bezit geleidelijk over aan het administratieve apparaat, aan de ambtenaren, en wanneer de administratie later de eigenlijke heersende macht wordt ontstaat pas de staat. De staat ontstaat dus door de machtsvergroting van de administratie. De gravenadel ontstaat – in tegenstelling tot de vorstenadel. ‘Graaf’ heeft dezelfde oorsprong als ‘grafoloog’: het komt van ‘grafein’, schrijven. ‘Graaf’ wil zeggen ‘schrijver’. De graaf is de Romeinse schrijver, de ambtenaar, terwijl de vorstenadel als oude krijgsadel nog te maken heeft met dapperheid en heldenmoed en dergelijke. De ‘vorst’ is de eerste, de voorste. Zo is dus met de overgang van vorst naar graaf het

Blz. 180  vert. 164

das staatliche Prinzip entstanden. Das kann man natürlich an diesen
Dingen ganz gut anschaulich machen.

principe van de staat ontstaan. Dat kan men natuurlijk aan de hand van deze dingen heel goed aanschouwelijk maken. <13>

L. führt aus, wie er die Ausbreitung des Christentums bei den Germanen an die
Kinder heranbringen würde.

<14> L. vertelt hoe hij de kinderen zou vertellen over de uitbreiding van het christendom bij de Germanen.

Rudolf Steiner: Das arianische Christentum hat im praktischen Ausleben etwas sehr stark dem späteren Protestantismus ähnliches, es war aber weniger abstrakt, war noch konkreter.
Im 1. und 2. Jahrhundert war unter den römischen Soldaten an Rhein und Donau sehr stark der Mithrasdienst verbreitet, namentlich unter den Offizieren. – Thor, Wotan, Saxnot wurden im heutigen Elsaß und überall bis ins 6., 7., 8. Jahrhundert als die alten germanischen Volksgötter, als die drei wesentlichen  Hauptgötter verehrt mit germanischen religiösen Gebräuchen.
Man kann zahlreiche Szenen schildern, wie im Elsaß, im Schwarzwald die Kirchlein durch die römischen Kleriker gebaut werden. «Wir wollen dem Wotan das und das tun», sangen die Männer. Die Frauen sangen: «Der Christus ist für die gekommen, die nichts tun von sich aus.» Dieser Trick wurde schon benützt bei der Ausbreitung des Christentums, daß man nichts zu tun hatte, um selig zu werden.

Het arianische christendom lijkt in de praktijk heel sterk op het latere protestantisme, het was alleen minder abstract, het was nog concreter.
In de eerste en tweede eeuw was onder de Romeinse soldaten aan de Rijn en de Donau heel sterk de Mithrasdienst verbreid, met name onder de officieren.
Thor, Wodan, Saxnot werden in de huidige Elzas en overal tot in de zesde, zevende, achtste eeuw met Germaanse religieuze gebruiken vereerd als de oude Germaanse volksgoden, de drie voornaamste goden.
Men kan in talloze scènes beschrijven hoe in de Elzas, in het Zwarte Woud kerkjes werden gebouwd door Romeinse priesters. ‘Wij willen dat en dat doen voor Wodan,’ zongen de mannen. De vrouwen zongen: ‘Christus is voor hen gekomen die van zichzelf uit niets doen.’ Deze truc werd wis en waarachtig gebruikt bij de uitbreiding van het christendom, dat men niets hoefde te doen om zalig te worden. 

«Eiche» ist in der altgermanischen Kultsprache die Bezeichnung für den Priester des Donar. In der Zeit, als Bonifatius wirkte, kam noch stark in Betracht, ob man noch die Formeln wußte. Bonifatius wußte sich in Besitz gewisser Formeln zu setzen. Er wußte das Zauberwort, der Donarpriester wußte es nicht mehr. Bonifatius hat durch seine höhere Macht, durch die «Axt», das Zauberwort, den Priester des Donar, die «Donar-Eiche», gefällt. Der Priester starb vor Gram; er ging zugrunde «durch das Feuer des Himmels». Das sind Imaginationsbilder! Nach einigen Generationen ist das in das bekannte Bild umgeformt worden.
Solche imaginativen Bilder müssen Sie lesen lernen. Und so lernend lehren, lehrend lernen.
Bonifatius hat das germanische Christentum verromischt.
Karls des Großen Leben hat Eginhard beschrieben. Eginhard ist ein
Schmeichler.

Eik’ is in de Oudgermaanse cultustaal de aanduiding voor de priester van Donar. In de tijd van Bonifatius was het nog zeer belangrijk of men de formules nog kende. Bonifatius wist zich meester te maken van bepaalde formules. Hij kende het toverwoord, de priester van Donar niet meer. Bonifatius heeft door zijn hogere macht, door de ‘bijl’, het toverwoord, de priester van Donar, de ‘Donar-eik’, geveld. De priester stierf van verdriet; hij ging te gronde ‘door het vuur van de hemel’. Dat zijn imaginatieve beelden! Na enkele generaties is dat omgevormd tot het bekende beeld.
Zulke imaginatieve beelden moet u leren lezen. En zo al lerend de kinderen leren, al onderwijzend zelf wijzer worden.
Bonifatius heeft het Germaanse christendom verroomst.
Het leven van Karel de Grote is beschreven door Eginhard. Eginhard is een vleier.
(Vaak vermeld als Einhard) <14>
GA 295/178-180
Praktijk van het lesgeven/162

Van GA 295 heb ik een scan die je kan opvragen via vspedagogie  apenstaartje gmail punt com

.

Rudolf Steiner over geschiedenis: alle artikelen

Geschiedenisalle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3379-3178

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) GA 300A – De 6 schooljaren (2)

.

In de uitgave is een hoofdstuk opgenomen met een soort geschiedenis van de 6 schooljaren in het begin van de Waldorfschool in Stuttgart.
De tijd waarin Steiner de school van tijd t0t tijd bezocht en dan de lerarenvergadering voorzat en allerlei onderwerpen besprak, vaak n.a.v. vragen.

2. Schuljahr September 1920 bis Juni 1921
2e Schooljaar september 1920 tot juni 1921  

Blz. 48/49

11 Klassen
19 Lehrer
420 Schüler

In den Konferenzen des zweiten Schuljahres herrscht überwiegend noch, ungeachtet gelegentlich aufziehender Wolken, die gleiche freudige, kraftvolle Stimmung wie im Vorjahr, vielleicht bei den Lehrern etwas weniger draufgängerisch. Es werden im ganzen auch dieselben Probleme behandelt; sie werden ausgearbeitet und vertieft.
Hauptsächlich an drei Stellen zeigt sich aber charakteristisch die Eigenart dieses zweiten Schuljahres: bei der Besprechung der neuen 9. Klasse; dann als die Frage nach der wirtschaftlichen Grundlage und nach der geistigen Selbständigkeit der Schule gestellt wird; und endlich, als Rudolf Steiner spricht über seine eigene Stellung als Leiter der Waldorfschule.
Die Schule wächst auch dieses Jahr kräftig weiter. Für die neue 1. und für die 6. Stufe müssen Parallelklassen eingerichtet werden (1/169, 178). Besonders ausgestaltet werden die praktischen Fächer: Handwerk und Gartenbau (1/193—196, 270) sowie Handarbeit (1/199, 224, 225, 241, 249, 269, 270). Bei Anstandsunterricht (1/268) und sozialer Erkenntnis (1/286, 287) wird festgestellt, daß sie jetzt aufhören; beim Kindergarten und der Fortbildungsschule (1/276—277), daß sie wieder zunächst nicht durchgeführt
werden können. Die Art der Zeugnisgebung (1/284, 285) und der
Versetzung (1/285) finden ihre endgültige Gestalt.

11 klassen
19 leerkrachten
420 leerlingen

In de vergaderingen van het tweede jaar heerst er overwegend, ondanks af en toe een wolkje aan de hemel, nog steeds dezelfde vrolijke, krachtige stemming als het jaar daarvoor, misschien onder de leraren iets minder fanatiek. Over het geheel genomen werden dezelfde problemen behandeld; ze werden uitgewerkt en verdiept.
Het karakteristieke kenmerk van dit tweede schooljaar is echter hoofdzakelijk op drie plaatsen te vinden: bij de bespreking van de nieuwe 9e klas; als vraag naar de economische basis en naar de geestelijke zelfstandigheid van de school; en ten slotte, wanneer Rudolf Steiner spreekt over zijn eigen positie als
leider van de Waldorfschool.
De school blijft dit jaar sterk groeien. Voor de nieuwe 1e en voor de 6e klas moeten parallelklassen worden opgezet (1/169, 178). In het bijzonder werden de praktische vakken vormgegeven: handwerken en tuinbouw (1/193—196, 270) en handenarbeid (1/199, 224, 225, 241, 249, 269, 270). In het geval van ‘omgangsonderwijs’ (1/268) en sociale kennis (1/286, 287) wordt gesteld dat
dit beëindigd wordt; en dat de kleuterschool en de vervolgschool (1/276—277), nu niet verder kunnen gaan. Het getuigschrift (1/284, 285) en welke kinderen waar worden geplaatst, (1/285) vinden hun uiteindelijke vorm.

Für die neuen Klassen und für den praktischen Unterricht, aber auch weil einige Kollegen fortgegangen sind, müssen neue Lehrer eingestellt werden (1/199, 225, 226, 268, 274, 285). Bei dieser Gelegenheit wird auch festgelegt, wer zum Lehrerkollegium gehören soll und wer nicht (1/198, 199).
Beim neusprachlichen Unterricht taucht die Frage auf, die dann nie zur Ruhe kommen will: ob und wie in diesen Fächern die Schüler, ungeachtet ihres Klassenzusammenhanges und ihres Alters, rein nach dem Stande von Wissen und Fähigkeit zusammengefaßt werden sollen (1/171, 284; vgl. auch Sachwortverzeichnis).
Das Problem eines eigenen Schularztes (1/263) und das der Heileurythmie (1/284) treten auf.
Das Wichtige aber ist, daß auf die acht Volksschulklassen jetzt eine 9. Klasse, eine Oberklasse, aufgebaut wird (Einleitung S. 28 und 1/119). Freilich klingen die damit berührten Probleme vorerst nur leise an. Zunächst sollen die 8. und 9. Klasse von zwei Klassenlehrern ebenso abwechselnd weitergeführt werden wie bisher die 7. und 8. Klasse (1/200).
Auch bei dem Lehrplan für das 9. Schuljahr, der jetzt aufgestellt wird (1/191, 219—226), verbirgt sich das grundsätzlich Neue zunächst noch unter dem Scheine, als ob in der 9. Klasse nur das in der 8. Klasse Besprochene „noch einmal” durchzunehmen sei. Aber

Voor de nieuwe klassen en voor de praktijklessen, maar ook omdat er enkele collega’s zijn vertrokken, moeten er nieuwe docenten worden aangenomen (1/199, 225, 226, 268, 274, 285). Bij deze gelegenheid wordt ook bepaald wie tot het onderwijzend personeel behoort en wie niet (1/198, 199).
Bij het onderwijzen van moderne talen komt de vraag ter sprake die maar nooit afdoende beantwoord lijkt te worden: of en hoe de leerlingen in deze vakken,
ongeacht hun plaats in de klas en hun leeftijd, puur op basis van het kennis- en vaardigheidsniveau, bij elkaar zouden moeten (1/171, 284; zie ook verklarende woordenlijst).
Het probleem van het hebben van een eigen schoolarts (1/263) en dat van de euritmietherapie (1/284) doet zich voor.
Maar het belangrijkste is dat er nu na de acht basisschoolklassen een 9e klas, een bovenbouwklas bijkomt  (inleiding p. 28 en 1/119). Wel dienen zich al voorzichtig bepaalde problemen aan. In eerste instantie moeten 8 en 9 afwisselend door twee klassenleraren worden geleid zoals de 7e en de 8e
klas tot nu toe. (1/200).
Ook met het leerplan voor het 9e schooljaar dat nu wordt opgesteld
(1/191, 219-226), wordt wat fundamenteel nieuw is aanvankelijk nog bedekt
onder de schijn, alsof in de 9e klas alleen dat wat in klas 8 besproken is, “nog een keer” doorgenomen moet worden. Maar

Blz. 50

gerade in dem, wie dies ,,noch einmal” geschehen soll, steckt ja die
entscheidende Änderung der Unterrichtsart, die diesem Lebensalter
entsprechend und notwendig ist. Das wird dann bei den folgenden
Klassen immer deutlicher. Hier schauen diese Fragen nur gleichsam
wie zum Fenster herein.
Aber schon als jetzt die Frage aufkommt, warum denn die Arbeiterkinder, die proletarischen Kinder, lieber sofort ins Berufsleben gesteckt werden, statt in die 9. Klasse weiterzugehen (1/260, 261), klingt schon das Problem des Abituriums an (1/260) und damit die Sorge, daß die heranwachsenden Oberklassen zu sehr in die Nachbarschaft der üblichen ,,höheren Lehranstalt” geraten könnten, so daß dadurch „irgendwelche Dinge” verhindert würden (1/260).,,Irgendwelche Dinge”, das wären nach den „Volkspädagogischen Vorträgen” (Liste Nr. 3) diejenigen Unterrichtsgegenstände, durch die der junge Mensch so, wie es unserer Zeit entspricht, ins wirklich praktisch-tätige Leben hineingestellt werden sollte. Diese Frage steht von nun an, ob ausgesprochen oder unausgesprochen, hinter allem, was über die Oberstufe noch verhandelt wird. Es ist ein schwerer Verzicht, daß diese Ziele der „Volkspädagogischen Vorträge” für die Oberklassen aufgegeben werden müssen.

juist in de manier waarop dit “opnieuw” zou moeten gebeuren, ligt de
beslissende verandering in het type onderwijs dat op deze leeftijd passend en noodzakelijk is. Dat zal bij de volgende klassen  steeds duidelijker het geval worden. Hier lijken deze vragen alleen maar op het raam te kloppen.
Maar nu rijst de vraag waarom de kinderen van de arbeiders, de proletarische kinderen, liever meteen in het werkende leven zouden moeten worden geplaatst in plaats van door te gaan naar de 9e klas (1/260, 261) en daarmee dient het probleem van het examen zich aan (1/260) en daarmee de bezorgdheid dat de hogere klassen die erbij komen te dicht bij de gebruikelijke ‘hogere onderwijsinstellingen’ zouden kunnen komen te liggen, zodat “sommige dingen” verhinderd zouden worden. ‘Sommige dingen’ waren volgens de
voordrachten over volkspedagogie’ [GA 192] die vakken waarmee de jonge mens, behorend bij de huidige tijd, een plaats zou kunnen vinden in het praktische werkzame leven. Deze vraag staat vanaf nu, uitgesproken of onuitgesproken, achter alles wat over de bovenbouw nog wordt besproken wordt. Het is moeilijk om van deze doelstellingen van de ‘voordrachten over volkspedagogie’ voor de bovenbouw af te moeten zien.

Und ein großer Verzicht liegt auch in dem Fazit, das Rudolf Steiner
am 26. Mai 1921 aus der sozialen Entwicklung der letzten Zeit ziehen muß. Die Stuttgarter Schule kann nicht mehr als der Anfang einer weit über Deutschland hinausgreifenden Bewegung der Schulerneuerung gelten. Sie kann nur noch „Modell” sein. „Eine zweite Schule werden wir nicht mehr errichten können” (1/289). Tatsächlich wurden die unvermeidbaren Kompromisse den Behörden gegenüber ständig einschneidender,, nicht nur bei allen später gegründeten
Waldorfschulen, sondern auch bei der Stuttgarter Schule selbst.
Ein zweites Charakteristikum dieses Schuljahres ist die Frage nach der wirtschaftlichen Grundlage der Waldorfschule. Als sie zwischen den Schuljahren, bei den Konferenzen vom 29. und 31. Juli und 21. September 1920 zur Verhandlung kommt, da lodert das Feuer hell auf, das lange schwelte.
Aber in Wahrheit ist gar nicht das Materielle der Grund dafür. Die
Finanzierung bleibt in allen folgenden Jahren eine schwere Sorge. Es ist ja auch im Frühjahr 1920 der Waldorfschulverein begründet (1/183, Einleitung S. 22), dessen damals gegebene Form in den Hauptzügen heute noch besteht. Der Weltschulverein freilich, um den Rudolf Steiner sich so sehr mühte (1/183-186, 189, 201, 202, 228—233, 289), kam weder damals noch je später zustande.

En ook de conclusie van Rudolf Steiner die hij op 26 mei 1921 moest trekken  door recente maatschappelijke ontwikkelingen in de laatste tijd, betekende een groot afzien. De Stuttgarter school kan niet meer gelden als het begin van een schoolvernieuwingsbeweging die zich tot ver buiten Duitsland uitstrekt. Ze kan alleen maar een “model” zijn. “Een tweede school zullen we niet meer kunnen oprichten’  (1/289). In feite werden de onvermijdelijke compromissen met de autoriteiten steeds drastischer, niet alleen voor alle scholen die later werden opgericht, maar ook voor de school in Stuttgart zelf.
Een tweede kenmerk van dit schooljaar is de vraag over de economische basis van de Waldorfschool. Als deze tussen de schooljaren op de vergaderingen van 29 en 31 juli en 21 september 1920 behandeld wordt, laait het vuur op dat al lang lag te smeulen.
Maar in werkelijkheid zijn materiële dingen niet de reden hiervoor. De
financiering blijft de komende jaren een ernstig probleem. In het voorjaar van 1920 werd de Waldorfschoolvereniging opgericht (1/183, inleiding p. 22), waarvan de vorm die destijds werd gegeven in hoofdzaak nu [1975] nog steeds zo bestaat . En dan de Wereldschoolvereniging natuurlijk, waarvoor Rudolf Steiner zich zo inzette (1/183-186, 189, 201, 202, kwam toen niet, maar ook later niet van de grond.

Blz. 51

In Wahrheit ging die Auseinandersetzung um zweierlei: um die geistige Selbständigkeit der Schule, das heißt praktisch um ihre Unabhängigkeit von der Waldorf-Astoria-Fabrik, und dann um das richtige Verhältnis zur Person von Emil Molt.
Jetzt macht Rudolf Steiner klar, daß in Wirklichkeit die Gründung der Schule auch finanziell das Werk von Emil Molt ist. „Die Schule ist Ihr Verdienst” (1/213).
Gerade dadurch aber wird Emil Molts Stellung zur Schule richtig. Er ist gleichsam als Privatmann „Protektor der Schule” und „Schulvater”, so wie Bertha Molt „Schulmutter” ist. Damit sind beide vollgültige Mitglieder des Lehrerkollegiums (1/199). Dies Kollegium wird „jederzeit . . . mit Herrn Molt gehen, will aber nichts mit der Waldorf-Astoria zu tun haben” (1/209). Die Fabrik wird auch weiterhin Beiträge geben und für die Kinder ihrer Werkangehörigen das Schulgeld bezahlen. Aber die Schule wird von ihr völlig frei und unabhängig sein.
Damit ist auch das dritte und wesentlichste Element dieser Konferenzen innerlich auf das engste verbunden. Rudolf Steiner spricht es aus in seiner Ansprache vor den Lehrern beim Beginn des zweiten Schuljahres am 22. September 1920 (1/214-217), daß seine Stellung als Leiter der Schule nie anders aufgefaßt werden dürfe als die des Esoterikers. Sie dürfe niemals auf Suggestion oder äußerer Macht beruhen, stets nur auf dem freien Willen und Vertrauen der Lehrer.
Damit wird — und das ist die innerste Lebensquelle der Schule — deren Zusammenhang mit Rudolf Steiner und also mit der Anthroposophie auf das genaueste umschrieben und dargestellt.

In werkelijkheid ging het geschil over twee dingen: om de geestelijke onafhankelijkheid van de school, dat wil zeggen praktisch over haar onafhankelijkheid van de Waldorf-Astoriafabriek, en vervolgens over de juiste relatie met de persoon van Emil Molt.
Nu maakt Rudolf Steiner duidelijk dat de ​​stichting van de school, ook financieel het werk van Emil Molt is. “De school is uw verdienste” (1/213).
Dit is precies wat Emil Molts positie ten opzichte van school in een juist daglicht stelt. Hij is als particulier als het ware ‘beschermer van de school’ en ‘schoolvader’, net zoals Bertha Molt ‘schoolmoeder’ is. Daarom zijn beiden volwaardige leden van het onderwijzend personeel (1/199). Dit college
zal “op elk moment” samen gaan met meneer Molt, maar wil niets met de
Waldorf-Astoria” van doen hebben (1/209). De fabriek zal bijdragen blijven geven voor de kinderen van haar werknemers en schoolgeld betalen. Maar de school is volledig vrij en onafhankelijk van haar.
Het derde en meest essentiële element van deze vergaderingen is hier ook intern zeer nauw mee verbonden. Rudolf Steiner spreekt in zijn toespraak tot de leraren aan het begin van de tweede schooljaar op 22 september 1920 (1/214-217) uit, dat zijn positie als leider van de school nooit als iets anders mag worden opgevat dan die van een esotericus . Die mag nooit op suggestie of externe macht berusten, altijd uitsluitend gebaseerd op de vrije wil en het vertrouwen van de leraren.

Dit betekent – ​​en dit is de diepste levensbron van de school – dat haar verbintenis met Rudolf Steiner en dus met de antroposofie op de meest precieze manier beschreven en gepresenteerd wordt.
GA 300A/48-51 

.

GA 300A  inhoudsopgave

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3378-3177

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over geschiedenis (GA 294)

.

GA=Gesamt Ausgabe, de genummerde boeken en voordrachten van Rudolf Steiner.

Na de tekst in groen, volgt steeds de vertaling; opmerkingen in blauw van mij.

Beknopte inhoudsopgave:

Overgang 12e – 13e jaar; verbinding astaal- en etherlichaam; kind open voor historische impulsen. <1>
Wél verhalen en biografieën, nog geen historische verbanden vóór 12e jaar; deze omvormen naar historische impulsen;  <2> en <4>
Het belang om de historische impulsen als mens te leren kennen <3>

RUDOLF STEINER OVER geschiedenis

GA 294   

Stuttgart, 29 augustus 1919, voordracht 8. 

Blz. 112

Dann aber liegt wieder ein wichtiger Punkt in der Entwiklung
des Kindes da, wo der Mensch zwischen dem 12. und 13. Jahre steht.
In dieser Zeit verstärkt und erkraftet sich das Geistig-Seelenhafte des
Menschen, insofern dieses Geistig-Seelenhafte weniger vom Ich abhängig ist. Es durchkraftet und verbindet sich das, was wir gewohnt sind in der Geisteswissenschaft den astralischen Leib zu nennen, mit dem Ätherleib. Geboren wird ja der astralische Leib als selbständige Wesenheit erst richtig mit der Geschlechtsreife, aber er tritt durch den Ätherleib in einer eigentümlichen Weise auf, indem er diesen in der Zeit zwischen dem 12. und 13. Lebensjahre durchkraftet und durchsetzt. Da liegt also wieder ein wichtiger Punkt der Entwickelung. Er äußert sich so, daß der Mensch, wenn wir richtig behandeln, was in ihm steckt, dann anfängt, Verständnis zu entwickeln für das, was in
der äußeren Welt an Impulsen wirkt, die ähnlich sind den geistig-seelischen Impulsen, wie sie also zum Beispiel in der Außenwelt als geschichtliche Kräfte wirken. Ich habe Ihnen an einem Probebeispiel das Walten solcher geschichtlicher Kräfte so dargelegt, wie man sie verwenden kann im Volksschulunterricht.

<1>Maar nu is er opnieuw een belangrijk moment in de ontwikkeling van het kind, het moment namelijk waarop de mens de overgang maakt van het twaalfde naar het dertiende jaar.
In die tijd wordt het geest-zielenaspect van de mens sterker, krachtiger, voor zover dit aspect minder afhankelijk is van het ik. Dat wat wij in de geesteswetenschap gewoon zijn het astrale lichaam te noemen, doordringt en verbindt zich met het etherlichaam.° Het astrale lichaam wordt als zelfstandige entiteit weliswaar pas echt geboren met de geslachtsrijpheid, maar het manifesteert zich op specifieke wijze via het etherlichaam tussen het twaalfde en dertiende levensjaar, doordat de krachten van het astrale lichaam dan sterk in het etherlichaam doordringen en werkzaam zijn. Daar ligt dus weer een belangrijk punt in de ontwikkeling. Het manifesteert zich zo dat de mens – mits we goed omgaan met wat er in hem leeft – begrip gaat krijgen voor de impulsen in de wereld om hem heen, impulsen die gelijkenis vertonen met de geestelijke en psychische impulsen die zich in de wereld om ons heen bijvoorbeeld als historische krachten manifesteren.
Ik heb u aan de hand van een voorbeeld de werking van dergelijke historische krachten laten zien, op een manier die te gebruiken is voor de basisschool.° <1>

°etherlichaam: Steiner onderscheidt aan de mens behalve een fysiek
lichaam ook een ‘etherlichaam’, een ‘astraal lichaam’ en een ‘ik’. Het
etherlichaam of etherisch lichaam is de drager van alle levensprocessen
in het organisme; mensen hebben dit dus gemeen met planten en dieren.
Het astrale lichaam is de drager van innerlijke aandoeningen (gewaarwordingen, emoties, gevoelens), kortweg van de ziel; dit lichaam heeft de mens gemeen met de dieren. Het ‘ik’ tenslotte is uniek voor de mens; het is de organiserende en sturende factor in het samenstel van de lichamen.
Zie b
v. Theosofie [GA 9, vertaald] en De wetenschap van de geheimen der ziel
GA 13, vertaald]

Meer over het etherlijf  en het astraallijf.

°°voorbeeld … historische krachten … voor de basisschool: Zie Erziehungskunst.
Seminarbesprechungen (vertaling: GA 295)
Praktijk van het lesgeven, de werkbespreking van 28 augustus 1919) 

Aber obgleich Sie das, was ich für Sie auseinandergesetzt habe, in eine kindliche Sprache überführen müssen, so würden Sie, wenn Sie noch so kindlich sprechen
würden, doch nicht das richtige Verständnis für historische, für geschichtliche Impulse im Kinde erwecken können, wenn Sie vor dem vollendeten 12. Lebensjahre mit der Geschichtsbetrachtung an das Kind herankommen würden. Sie können Geschichte dem Kinde vorher in Form von Geschichten erzählen, können ihm Biographien erzählen.
Das wird es fassen. Aber geschichtliche Zusammenhänge wird es vor dem vollendeten 12. Jahre nicht fassen. Daher werden Sie ein Unheil anrichten, wenn Sie die Einhaltung dieses Zeitpunktes nicht beachten.
In diesem Zeitpunkte beginnt der Mensch eine Sehnsucht zu entwickeln,
dasjenige, was er früher als Geschichten aufgenommen hat, nun wirklich auch als Geschichte dargestellt zu bekommen. Und wenn Sie dem Kinde vorher Geschichten zum Beispiel von dem oder jenem Kreuzfahrer oder von andern erzählt haben, so müssen Sie nun versuchen, dies umzugestalten, so daß das Kind in diesem Umgestalteten die geschichtlichen Impulse, die geschichtlichen Zusammenhänge wahrnimmt.

<2>Maar hoewel u mijn woorden voor de kinderen moet vereenvoudigen, zou u, hoe eenvoudig u het ook zou vertellen, toch niet het juiste begrip voor historische impulsen kunnen wekken als u kinderen, voordat ze echt twaalf zijn geworden, historische beschouwingen zou voorzetten. U kunt voor die tijd over geschiedenis vertellen in de vorm van verhalen, u kunt biografieën vertellen. Dat zal het kind begrijpen. Maar historische verbanden zal het voordat het twaalf jaar is niet begrijpen. Daarom zult u onheil aanrichten als u hier geen rekening mee houdt.
Rond deze tijd begint de mens ernaar te verlangen om de verhalen die hij voordien heeft opgenomen nu ook echt als geschiedenis te horen te krijgen. En als u het kind voor die tijd verhalen hebt verteld bijvoorbeeld over een of andere kruisvaarder of over anderen, dan moet u die nu zo proberen om te vormen dat het kind in die nieuwe vorm de historische impulsen, de historische verbanden
herkent.

Blz. 113

( ) zum Geschichtlichen, insofern es nicht bloß Geschichten sind, werde ich überhaupt erst übergehen nach dem Erreichen des 12. Lebensjahres. Da beginnt das Kind innerlich Anteil zu nehmen an den großen geschichtlichen Zusammenhängen. Das wird für die Zukunft ganz besonders wichtig sein, denn es wird sich immer mehr und mehr die Notwendigkeit herausstellen, die Menschen schon zum Erfassen geschichtlicher Zusammenhänge zu erziehen, wahrend sie bisher gar nicht zu einer eigentlichen Geschichtsauffassung kamen. Denn sie waren mehr Glieder des Wirtschaftslebens und des Staatslebens, wurden in das Wirtschafts- und Staatsleben einmechanisiert und genügten auch den Anforderungen, den Interessen des Wirtschafts- und Staatslebens, wenn sie notdürftig Geschichten kannten über Herrscher und Kriege – was ja nicht Geschichte ist – und wenn sie Zahlen wußten, wann die Herrscher und höchstens noch einige berühmte Persönlichkeiten gelebt und wann die Kriege stattgefunden haben.
Wie sich das Kulturelle der Menschheit entwickelt hat, das wird in der Zukunft besonders Gegenstand des Unterrichts sein müssen. Dann aber wird der Unterricht die geschichtlichen Impulse in sich aufnehmen müssen, und man wird richtig im geeigneten Zeitpunkt diese geschichtlichen Impulse in den Lehrplan einstellen müssen.

( ) en met geschiedenis – voor zover het geen verhalen zijn – zal ik zeker pas beginnen na het twaalfde jaar. Dan begint het kind zich innerlijk te interesseren voor de grote historische verbanden.
<3>Dat zal vooral voor de toekomst heel belangrijk zijn. Want het zal steeds dringender nodig blijken te zijn om mensen echt tot begrip van historische verbanden op te voeden, terwijl ze tot nu toe van een werkelijk historisch bewustzijn gespeend zijn gebleven. Ze waren meer onderdelen van het economische leven en het staatsleven, ze draaiden mee in de mechanismen van economie en maatschappij; en om aan de eisen, de belangen van economie en maatschappij te voldoen, was het genoeg om globaal de geschiedenissen van heersers en oorlogen te kennen – wat geen geschiedenis is – en om wat jaartallen te kennen, te weten wanneer die heersers en hoogstens nog een paar beroemdheden leefden en wanneer die oorlogen plaatsvonden.
Hoe de cultuur van de mensheid zich heeft ontwikkeld, dat zal in de toekomst speciaal aandacht moeten krijgen in het onderwijs.
Maar dan zal het onderwijs zich kennis van de historische impulsen eigen moeten maken, en men zal die historische impulsen op de juiste manier, op het juiste tijdstip in het leerplan moeten opnemen. <3>
GA 294/112-113
Vertaald/118-119

Dus:
( ) mit dem Erzählen von Geschichten bis zum 12.Jahre fortfahren, um dann aus den Geschichten «Ge­schichte» zu machen.

( ) <4> net zoals we met het vertellen van verhalen tot aan het twaalfde jaar moeten doorgaan, om dan van die verhalen geschiedenis te maken. <4>
GA 294/115
Vertaald/120

.

Rudolf Steiner over geschiedenis: alle artikelen

Geschiedenis: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: geschiedenis klas 5  en  klas 6

.

3376-3175

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over sprookjes, mythen, sagen (GA 58)

.

Zie de inleiding bij GA 34 en  GA 57

Rudolf Steiner spreekt in de hieronder genoemde voordracht over ‘geestelijke ontwikkeling’.
In de inleiding bij GA 34 geef ik een triviaal voorbeeld van hoe de ene mens meer van een bepaald onderwerp weet dan een ander.
Nu gaat het bij ‘ingewijd zijn’ niet om een bepaald ‘weten’ dat je door studie je zou kunnen eigen maken.
Je gaat ‘anders’ en ‘iets anders’ waarnemen.

GA 58

Metamorphosen des Seelenlebens
Pfade der Seelenerlebnisse

Metamorfose van de ziel
Ervaringen van de ziel

Die Mission der Geisteswissenschaft einst und jetzt

De opdracht van de geesteswetenschap vroeger en nu

Voordracht 1, Berlijn, 14 oktober 1909

Blz. 31

Der Weg aber zu dieser Einweihung war anders in alten Zeiten; und er ist anders in unseren neueren Zeiten, weil die Mission der Geisteswissenschaft immer eine verschiedene ist. Die alte Initiation, welche diejenigen durchzumachen hatten, die zu den Menschen der Vorzeit zu sprechen hatten, führte diese Menschen auch hinauf zum unmittelbaren Erleben der geistigen Welt; sie konnten hineinschauen in Reiche um den Menschen herum, die höher sind als das, was die Sinne um uns herum schauen können. Aber diese Menschen schauten auf eine solche Art hinein, daß sie ihre Anschauung umwandelten, so daß das Geschaute dann von den Menschen in einem Symbolum, in einem Sinnbild verstanden werden konnte. Sinnbildlich konnten die alten Eingeweihten nur ausdrücken, was sie erschauten. Solche Sinnbilder erstreckten sich auf den ganzen Umfang dessen, was den Menschen interessiert an der Welt. Und solche Sinnbilder aus einer wirklichen Welterfahrung sind uns erhalten in den Mythen und Sagen, die aus den verschiedensten Zeiten von den verschiedensten Völkern vorhanden sind. Solche Mythen und Sagen sind nur für den grünen Tisch der Gelehrsamkeit – nicht für wahre Forschung – etwas, was aus der «Volksphantasie» entsprungen ist. Für denjenigen, der die Tatsachen kennt, sind Mythen und Sagen herausgeschöpft aus den Anschauungen der Geistesforscher, und in einer jeglichen wirklichen Mythe und Sage haben wir zu sehen ein

Maar het pad naar deze inwijding was in de oudheid anders; en in onze moderne tijd is het anders omdat de missie van de geesteswetenschap altijd anders is. De oude initiatie, die degenen die met de mensen uit de oudheid moesten spreken, moesten doorlopen, leidde deze mensen ook naar de directe ervaring van de spirituele wereld; ze waren in staat om in gebieden rondom de mensen waar te nemen die hoger zijn dan wat de zintuigen om ons heen kunnen zien. Maar deze mensen namen zo waar, dat ze wat ze waarnemen, omzetten zo, dat dit vervolgens door mensen kon worden begrepen in een symbool, in een zinnenbeeld. De oude ingewijden konden alleen symbolisch uitdrukken wat ze zagen. Dergelijke symbolen strekten zich uit tot de hele reikwijdte van wat mensen in de wereld interesseert. En zulke symbolen uit een echte wereldervaring zijn voor ons bewaard gebleven in de mythen en sagen die bestaan ​​uit de meest uiteenlopende tijden en van de meest uiteenlopende volkeren.
Wat de wetenschap betreft, zijn deze mythen en sagen alleen bedoeld voor op het bureau– iets dat is voortgekomen uit de  fantasie van het volk – niet voor echt onderzoek.
Voor degenen die de feiten kennen: mythen en sagen zijn ontleend aan de waarnemingen van spirituele onderzoekers, en in elke echte mythe en sage moeten we een 

Blz. 32

äußeres Bild für etwas, was der Geistesforscher in seiner geistigen Anschauung erlebt hat; oder mit einem Wort Goethes: Was er mit Geistesaugen gesehen, mit Geistesohren gehört hat. Dann erst werden uns Sagen und Mythen begreiflich, wenn wir sie auffassen als Sinnbilder für eine wirkliche Erkenntnis der geistigen Welt.
Es sind das zunächst diejenigen Sinnbilder, durch die man zu dem weitesten Umkreis des Volkes sprach. Denn was sich heute der Mensch einbildet, daß die Menschenseele immer so gewesen wäre, wie sie gerade in diesem Jahrhundert ist, das ist nicht der Fall. Die Menschenseele hat sich geändert; ihre ganze Empfänglichkeit war früher eine andere. Die Menschenseele war befriedigt, wenn sie dieses Bild, das im Mythos gegeben war, empfing; denn dadurch wurde die Seele angeregt, dasjenige, was sie außen sah, in einer viel unmittelbareren Anschauung vor sich zu haben

uiterlijk beeld zien voor iets dat de spirituele onderzoeker bij zijn eigen waarneming ervaren heeft; of met een woord van Goethe: ‘Wat hij met geestelijke ogen heeft gezien en met geestelijke oren gehoord’. Alleen dan zullen we mythen en sagen gaan begrijpen; als we ze opvatten als symbolen voor een echte kennis van de spirituele wereld.
Allereerst zijn dit de symbolen waarmee men de breedste kring van de mensen aansprak. 
Wat mensen zich vandaag de dag voorstellen, dat de menselijke ziel altijd zo geweest is zoals die deze eeuw is, is niet het geval. De menselijke ziel
is veranderd; al haar ontvankelijkheid was vroeger anders. De menselijke ziel was tevreden als ze dit beeld dat in de mythe werd gegeven, ontving; dit stimuleerde de ziel om wat ze buiten zag, dat wat zij was, in een veel directere waarneming voor zich te hebben. 

Heute ist die Mythe eine Phantasie.
Wenn aber früher der Mythos sich in die Menschenseele hineinsenkte, stand vor der Menschenseele das, was die Geheimnisse der menschlichen Natur sind. Und wenn die Seele auf die Wolken, auf die Sonne und so weiter sah, so geschah das in der Weise, daß sich für sie notwendig ein Verständnis dessen ergab, was sie vor Augen hatte, wenn sie den Mythos hatte. Für eine kleinere Anzahl wurde dann das, was man höheres Wissen nennen könnte, in den Symbolen gegeben. Während man heute geradeaus redet und reden muß, konnte man dasjenige,
was die Seele des alten Weisen oder Eingeweihten erlebte, nicht ausdrücken in unseren Seelenkräften; denn die hatte weder der Eingeweihte, noch hatte sie sein Zuhörer. Diese Kräfte wurden erst entwickelt. Man konnte sich nur ausdrücken, wenn man sich der Sinnbilder bediente. Diese Sinnbilder sind in einer Literatur erhal-

Tegenwoordig is de mythe een fantasie.*
Maar als de mythe destijds tot in de menselijke ziel doordrong, stonden de geheimen van de menselijke natuur voor de menselijke ziel. En als de
ziel naar de wolken keek, naar de zon enzovoort opzag, gebeurde dat op zo’n manier dat er voor haar noodzakelijkerwijs een begrip ontstond van wat ze voor haar ogen had, als ze de mythe had.
Voor een kleiner aantal werd dan dat wat hogere kennis genoemd zou kunnen worden, in de symbolen gegeven.
Terwijl men vandaag de dag spreekt en moet spreken, kon men datgene wat de ziel van de oude wijze of ingewijde beleefde, niet uitdrukken met onze zielenkrachten, omdat noch de ingewijde, noch zijn luisteraar die hadden. Deze krachten waren nog maar net in ontwikkeling. Men kon zich alleen uitdrukken als men de symbolen gebruikte. Deze symbolen worden bewaard in een lectuur

Blz. 33

ten, welche dem Menschen heute höchst merkwürdig vorkommt. Heute wird der Mensch Gelegenheit haben, insbesondere wenn neben dem Erkenntnisdrang auch die Neugierde erweckt ist für solche Sachen, da oder dort manches alte Buch – ich hätte bald gesagt: manchen alten Schmöker – vor Augen zu bekommen, wo sich wunderbare Bilder befinden, welche symbolisch zum Beispiel den Zusammenhang der Planeten ausdrücken; wo irgendwelche geometrische Figuren sind, Dreiecke, Vierecke und so weiter. Wer mit den heute entwickelten Erkenntniskräften an diese Bilder herantritt, der wird, wenn er nicht gerade seine Seele in dieser Richtung entwickelt hat, daß er Geschmack daran findet, aus unserer heutigen Bildung heraus sagen: Was kann man
mit all diesem Zeug anfangen? Was kann man anfangen mit dem, was uns da als sogenannter «salomonischer Schlüssel» als symbolische Figur überliefert ist, mit diesen Dreiecken, Vierecken und so weiter?

die voor de mensen van vandaag uiterst vreemd overkomt. Tegenwoordig krijgt de mens de gelegenheid, vooral als er naast het verlangen naar kennis ook nieuwsgierigheid gewekt is voor deze dingen, hier of daar menig oud boek – ik zou al snel gezegd hebben: menig oud boek dat niet om aan te zien is, in te kijken om te zien waar prachtige afbeeldingen staan, die bijvoorbeeld symbolisch de samenhang van de planeten uitdrukken; waar geometrische figuren in staan, driehoeken, vierkanten enzovoort. Wie met de kennis die tegenwoordig ontwikkeld is, zich met deze afbeeldingen bezighoudt, zal, als hij zijn ziel niet net in die richting heeft ontwikkeld dat hij die wel kan waarderen, vanuit onze opleiding van vandaag zeggen: Wat moet je ermee? Wat kun je ermee? Wat moet je met de zogenaamde ‘Salomonische sleutel’ die ons overgeleverd is als een symbolisch figuur, met deze driehoeken, vierkanten enzovoort?

Gewiß, auch der Geistesforscher wird Ihnen sagen:für den heutigen Menschen ist vom Standpunkte der heutigen Bildung aus zunächst nichts damit anzufangen.
Dazumal aber, als diese Bilder den Schülern überliefert worden sind, da wurde dadurch wirklich in den Seelen etwas erweckt. Heute ist die Menschenseele anders. In der Zeit, wo die Menschenseele sich entwickeln muß, um auf die Fragen der Natur und des Lebens in der heutigen Weise zu antworten, da kann der Seele nicht aufgehen der innere Trieb, derartiges so anzuschauen, wie man es zum Beispiel tat bei den zwei ineinander verschlungenen Dreiecken, das eine mit der Spitze nach oben, das andere mit der Spitze nach unten. Wenn dieses
Bild früher einem Menschen vor die Augen trat, da regte und rührte sich beim Anschauen etwas in seiner Seele;

Zeker, de spirituele onderzoeker zal je ook vertellen: voor de mensen van vandaag vanuit het oogpunt van hun huidige opleiding, is er in eerste instantie niets mee te beginnen.
Maar in het verleden, toen deze beelden aan de leerlingen werden gegeven,  werd daardoor werkelijk in de zielen iets opgeroepen.
Tegenwoordig is de menselijke ziel anders. In de tijd waarin de menselijke ziel zich moest ontwikkelen om de vragen van de natuur en het leven in de wereld te beantwoorden, kan in de ziel niet de innerlijke drang ontstaan zo naar zulke dingen te kijken zoals dat bijvoorbeeld werd gedaan met de twee in elkaar

verweven driehoeken, de ene met de punt naar boven, de andere met de punt naar beneden. Als dit beeld vroeger voor de ogen van een persoon verscheen, dan kwam er bij die waarneming in zijn ziel iets in beweging;

Blz. 34

da sah die Seele in etwas hinein.
So wie heute das Auge durch das Mikroskop etwas sieht, wie zum Beispiel die
Pflanzenzellen, was es ohne das Mikroskop nicht sehen kann, so dienten als Werkzeuge für die Seele diese symbolischen Figuren. Da sah man, wenn man den sogenannten salomonischen Schlüssel in der Seele als Vorstellung hatte, in die geistige Welt hinein, wie man eben mit der bloßen Seele nicht in die geistige Welt hineinsieht. So ist aber die Seele heute nicht mehr. Daher kann auch, was in solchen alten Schriften aus den Geheimnissen der geistigen Welt überliefert worden ist, nicht mehr in demselben Maße «Wissenschaft» sein; und diejenigen, welche es heute als Wissenschaft ausgeben oder noch im 19. Jahrhundert als Wissenschaft ausgegeben haben, die tun etwas, was nicht mehr sachgemäß ist.

de ziel zag daar iets in.
Net als tegenwoordig het oog iets ziet door de microscoop, zoals bv. plantencellen, die je niet kan zien zonder de microscoop, zo dienden als gereedschap voor de ziel deze symbolische figuren. Toen keek men, als men de
zogenaamde Salomonische sleutel als voorstelling in de ziel had, in de geestelijke wereld, zoals je nu eenmaal niet in de geestelijke wereld schouwt met alleen maar je ziel. Maar de ziel is vandaag de dag niet meer zo. Daarom kan, wat in zulke oude geschriften is overgeleverd vanuit de geheimen van de spirituele wereld, niet langer in dezelfde mate ‘wetenschap’ zijn; en degenen die het vandaag de dag als wetenschap doorgeven of het in de 19e eeuw als wetenschap hebben uitgegeven, doen iets dat niet langer adequaat is.
GA 58/32-34
Niet vertaald
.

Rudolf Steiner over mythen en sagen: alle artikelen

Vertelstofalle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Opvoedingsvragenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3374-3173

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over het astraallijf GA 93

.

De opvoeder moet zo te werk gaan, dat hij het ware, goede en mooie niet alleen voor het kind beschrijft, maar dat hij het ís. Wat hij is, gaat over op het kind, niet wat hij het leert. Alles wat het moet leren, moet voorgeleefd worden. Het aanleren zelf moet een kunstwerk zijn, geen theoretische inhoud.
Wegwijzer  126

.

Om de mens te karakteriseren beschrijft Steiner deze vanuit verschillende gezichtspunten.
In de serie over zijn ‘Algemene menskunde’ vind je daar verwijzingen voor vanaf deel [1-7-2]
Daaronder ook verwijzingen naar ‘het astraallijf’.

Soms zijn de opmerkingen wat kort, soms uitgebreider.
Wat me in de loop van de bestudering van de mensbeelden opviel, was dat Steiner ondanks dat er veel dezelfde opmerkingen zijn, toch telkens weer iets nieuws toevoegt.

Zijn uitleg in GA 93 is uitvoerig. En tegelijkertijd heel praktisch. Ook voor de opvoeder.
Want concreet komt de vraag aan de orde: wat doet mijn astraallijf, of wat doe ik met mijn astraallijf in de richting van het kind.

GA 93

Die Tempellegende und die Goldene Legende

De tempellegende en de gouden legende

Voordracht Berlijn, 23 oktober 1905, ’s avonds

 

Die Beziehung der okkulten Erkenntnisse zum alltäglichen Leben

De samenhang tussen het bovenzintuiglijke inzicht en het leven van alledag

Blz. 244

Steiner gebruikt hier voor de wezensdelen het woord ‘Körper’ en de vraag zou kunnen opkomen: ‘waarom niet ‘Leib’. Ik denk omdat hij hier meer op de vorm wil wijzen, niet op de beweeglijkheid, het stromende ‘Leib’ als leven.
[1-7-1

Der heutige Mensch zeigt uns der Form nach in der Hauptsache drei Körper: den physischen Körper, den Äther- und den Ästralkörper. Der Ätherkörper ist eine Art Urbild des physischen Körpers. Der Astralkörper, die aurische Hülle, die den Menschen umgibt und durchdringt, ist dasjenige Gebilde, in welchem sich das Gemütsleben, das Instinkt- und Leidenschaftsleben sowie jeder Gedanke Ausdruck verschafft.

De hedendaagse mens laat ons qua vorm in hoofdzaak drie lichamen zien: het fysieke lichaam, het etherische lichaam en het astrale lichaam. Het etherische lichaam is een soort archetype van het fysieke lichaam. Het astrale lichaam, de aurische omhulling die de mens omringt en doordringt, is de structuur waarin het emotionele leven, het leven van instinct en hartstocht, evenals elke gedachte, tot uitdrukking komt.

[  ]

Wat gebeurt er wanneer twee mensen bij elkaar zijn of tegenover elkaar staan bij een gesprek o.i.d.?

Wenn zwei Menschen sich gegenüberstehen, so sind es zunächst die beiden
Astralkörper, die sich gegenüberstehen in Liebe oder Haß, Wohlwollen oder Mißfallen, Zorn oder Güte, abstoßend oder anziehend.
Das alles sind Erscheinungen, die sich zwischen den Astralkörpern
abspielen. Der Verkehr zwischen den Menschen ist ein fortwährender Austausch von Zuständen und Verhältnissen der Astralkörper.
Wenn ich einem anderen Menschen gegenüberstehe, dann erfährt mein
physischer Körper keine große Veränderung, auch der Ätherkörper nicht, wohl aber der Astralkörper. Wenn ein Mensch zu mir etwas sagt, das haßerfüllt ist, so gehen die haßerfüllten Ströme in meinen Astralkörper ein und verändern denselben. Ich muß dasjenige, was von ihm ausströmt, in meinen eigenen Astralkörper aufnehmen, und dieser bekommt dann ganz andere Eigenschaften, je nachdem mir von dem anderen Liebe, Geduld oder Zorn und Ungeduld zuströmt.

Wanneer twee mensen tegenover elkaar staan, zijn het in eerste instantie de twee
astrale lichamen die tegenover elkaar staan ​​in liefde of haat, welwillendheid of ongenoegen, woede of vriendelijkheid, afstotend of aantrekkend.
Dit zijn allemaal verschijnselen die optreden tussen de astrale lichamen. De omgang tussen mensen is een voortdurende uitwisseling van toestanden en relaties van de astrale lichamen.
Wanneer ik tegenover iemand anders sta, beleeft mijn fysieke lichaam geen grote verandering, ook het etherische lichaam, niet, maar het astrale lichaam wel. Als iemand iets tegen mij zegt dat vervuld is van haat, gaan de van haat vervulde stromingen mijn astrale lichaam binnen en veranderen het. Ik moet wat daarvan uitgaat in mijn eigen astrale lichaam opnemen, en dit krijgt dan geheel andere eigenschappen, afhankelijk van wat voor mij vanuit de ander aan liefde, geduld of boosheid en ongeduld uitstroomt.

Eigenschap, niet als blijvend gevoel, maar meer als stemming, als gevoelstrek (op dat ogenblik, wellicht nog een poosje nawerkend).

Nu betrekt Steiner dit op de relatie opvoeder – kind:

Blz. 245

Zwischen dem Erzieher und dem Kinde spielt sich etwas ganz Ähnliches ab. Es ist ein großer Unterschied, ob ein Erzieher liebevoll oder ob er ein engherziger Egoist ist. In dem kindlichen Astralkörper haben wir etwas, was anders aussieht als der Astralkörper des Erwachsenen.
Der Astralkörper des Kindes ist licht und
hell, er zeigt sich uns als etwas Jungfräuliches im Vergleich zu dem Astralkörper, wie er sich im Laufe des Lebens entwickelt.
Was ist
der Astralkörper des Kindes? Wie eine undifferenzierte Lichtwolke
erscheint er, die erst nach und nach gestaltet wird. Es ist noch wenig in ihn eingegraben, was ihn mehr und mehr in sich bestimmt macht, so daß noch alles mögliche aus ihm geboren werden kann. 

Tussen de opvoeder en het kind voltrekt zich iets soortgelijks. Er is een groot verschil of een opvoeder liefdevol is of een bekrompen egoïst. In het
astraallichaam van het kind hebben we iets dat er anders uitziet dan het astrale lichaam van de volwassene. Het astrale lichaam van het kind is licht en
helder, het toont zichzelf aan ons als iets reins vergeleken met het astraallichaam zoals dat zich in de loop van het leven ontwikkelt.
Wat is het astrale lichaam van het kind?
Het verschijnt als een ongedifferentieerde wolk van licht die geleidelijk wordt gevormd. Dat zit bij hem nog niet zo diep, geleidelijk zal het zich verankeren zodat al het mogelijke er nog uit worden kan.

De waarneming van de ‘ongedifferentieerde wolk’ is die van de helderziende, m.a.w. ik zie die niet.
Maar aan het leven van jonge kinderen, hoe ze zich bewegen, vrolijk zijn en wat daarbij hoort aan lach en blijde gezichten, roept onmiskenbaar het gevoel bij je op van ‘lichtheid’.

In een uitzending van ‘Human’ van 22-12-2024 zie je hoe kinderen uren op hun smartphone staren en hoe ze daarna met elkaar op de ‘smartphone-vrije dag’ zich vertonen.

Programma-informatie:

Metropolis
Me & my smartphone
22 december 2024

kijk & luister    //vanaf begin tot ongeveer minuut 6
Hoeveel tijd zit jij op je telefoon? Dat we een moeizame relatie hebben met onze mobiel is duidelijk. Fifi uit Indonesië is helemaal klaar met de mobielverslaving van haar 8-jarige zoon. Ze stuurt hem naar een kamp waar kinderen verplicht hun mobiele telefoon in moeten leveren en hopelijk zo hun gebruik in de toekomst zullen verminderen.
In New York besluit een tegendraads groepje tieners om elke zondag af te spreken in het park en weer ouderwets te praten met elkaar.
Alex is smartphoneleraar en leert de bewoners van een arbeiderswijk met veel sociale achterstand om te gaan met hun mobiele telefoon.

Er wird geformt durch die Vorstellungen, die das Kind aus der Umgebung aufnimmt. Sie gehen in ihn ein und färben ihn und machen ihn anders.
Je nachdem, was für Vorstellungen das Kind aufnimmt, ob von
materialistischen oder idealistischen Gesichtspunkten ausgehend, strömen andere Gebilde in den Astralkörper des Kindes ein und formen ihn. Es tritt dann immer mehr eine Erfüllung der Seele mit solchen Vorstellungen ein.

Het astraallichaam wordt gevormd door de ideeën die het kind uit de omgeving
absorbeert. Die gaan daarheen, kleuren het en veranderen het.
Afhankelijk van wat voor soort voorstellingen het kind opneemt, of die nu voortkomen uit een materialistisch of idealistisch gezichtspunt, vloeien andere structuren het astrale lichaam van het kind binnen en vormen het. De ziel raakt dan steeds meer van zulke voorstellingen vervuld.

Wenn das Kind lieblos behandelt wird, tritt das Echo dieser Lieblosigkeit im Astralkörper des Kindes in Erscheinung.

Wanneer het kind liefdeloos behandeld wordt, verschijnt de echo van deze liefdeloosheid in het astraallichaam van het kind.

Er zijn verschillende uitspraken van Steiner over de ziel die zich samen met de geest in het lichaam manifesteert. Daar worden ze niet alleen zichtbaar, ze bouwen ook ieder op hun manier aan de stoffelijke mens.

Door het hersenonderzoek kunnen steeds meer interessante gezichtspunten worden gegeven over wat er eigenlijk in ons brein gebeurt.

Als we nu even uitgaan van de genoemde liefdeloosheid, vind ik dit schokkend:

De orbitofrontale hersenen, achter het voorhoofd boven de ogen, zijn bij de geboorte  nog niet helemaal ontwikkeld. Die worden ontwikkeld doordat we onze hersens gebruiken, bijvoorbeeld door te reageren op de omgeving en opvoeders. Er is in Roemenië, ten tijde van Ceaucescu, een tragisch ‘real-life-experiment’ gedaan in de weeshuizen aldaar, dat aantoonde hoe belangrijk dit is. De kinderen lagen in ledikantjes met hoge schotten en kregen van de verzorgers alleen de fles maar verder geen enkele aandacht. Het resultaat van zo’n situatie zien we hier:


Wat je hier ziet is dat niet alleen de hersenen niet gegroeid zijn, maar dat ook de hersenkamers (ventrikels) vergroot zijn, evenals de groeven tussen de windingen. Aan de grootte van de schedel wordt tegelijkertijd duidelijk dat de groei van de hersenen de groei van de schedel bepaalt. De kinderen vertoonden allerlei stadia van retardatie.  Niet aangeboren dus, maar veroorzaakt door verwaarlozing. Omgekeerd levert veel stimulerend en liefdevol contact met opvoeders juist extra groei van zenuwcellen op.

(S.Gerhardt: Why love matters. How affection shapes a baby’s brain)
Uit  Arie Bos:  ‘Mijn brein denkt niet, ik wel

Dus ontstaat de vraag: wordt hier zichtbaar voor ons wat Steiner helderziend waarnam?
En als dat zo is, welk licht werpt dit dan op bv. de werking op de hersenen van (jonge? kinderen die ‘een tijd’ per dag op een scherm(pje) allerlei flitsachtige impulsen moeten volgen. 

Er schließt sich dann wie mit einer Haut gegen die Außenwelt ab.
Das alles zeigt uns, daß tatsächlich ein fortwährendes Umbilden des Astralkörpers stattfindet und daß der Verkehr mit den Menschen auf
dieses Umbilden einen großen Einfluß hat.
Das Kind hat also noch einen gleichförmigen, aber eine unendliche Fülle von Möglichkeiten enthaltenden Astralkörper.
Nehmen
Sie den Astralkörper eines Kindes an, der einem idealistischen Erzieher gegenübersteht, der selbst eine harmonische Seele hat und mit Hingabe in die Welt hineinblickt und empfänglich ist für deren Schönheit und Erhabenheit, einem Erzieher, der imstande ist, in sich selbst
ein Abbild der Schönheit der Welt zu schaffen. Ein solcher Erzieher
wird auch die Eigenschaft entwickeln, auf die Anlagen der kindlichen
Seele einzugehen. Er bildet dann im Kinde weiche und empfängliche

Vervolgens sluit het (astraallichaam) zich als met een huid af van de buitenwereld.
Dit alles laat ons zien dat er werkelijk sprake is van een voortdurende verandering van het astraallichaam en dat de omgang met de mensen op deze verandering van grote invloed is. 
Het kind heeft dus nog steeds een astraallichaam dat ongedifferentieerd is, maar dat een oneindige rijkdom aan mogelijkheden bevat. 
Kijk eens naar het astrale lichaam van een kind, dat met een idealistische opvoeder te maken heeft die zelf een harmonieuze ziel heeft en met toewijding naar de wereld kijkt en ontvankelijk is voor de schoonheid en verhevenheid ervan, een opvoeder die in staat is in zich zelf een beeld van de schoonheid van de wereld in zichzelf op te roepen. Zo’n opvoeder zal ook de eigenschap ontwikkelen, in te gaan op de aanleg van de ziel van het kind. Hij vormt dan bij het kind iets dat plooibaar en ontvankelijk is,

Blz. 246

Gebilde aus und sendet in diese Ströme hinein, die von dem eigenen
Astralstoff des Kindes aufgelöst werden. Ein solcher in sich selbst
harmonisch gebildeter Erzieher sendet dem Kinde fortwährend harmonische Ströme zu. Wie selbstverständlich fließt dann die Charaktereigenschaft des Erziehers in das Kind über, und damit fließt auch
über alle jene Weltharmonie, die er in Form der Schönheit aus der
Umgebung entnommen hat. Was er Großes aufnimmt, als edler Mensch
und guter Beobachter, das sendet er als Erzieher in die Natur des
Kindes und bringt diese dadurch zu harmonischer Entwickelung.
Nehmen wir dagegen an, der Erzieher stehe dem Kinde als egoistischer, pedantischer Mensch gegenüber, als Mensch mit engen,
eigensinnigen Vorstellungen und Begriffen. Diese Eigenschaften rufen
in seinem eigenen Astralleibe Gebilde hervor, die ihn wie in einer
festen Kruste eingeschlossen erscheinen lassen, ihn zu einem durch
und durch festen, schwerbeweglichen Gebilde machen. Dann sendet
er Strahlenströme aus, die fest in sich geschlossen sind, so daß es
dem Astralkörper des Kindes unmöglich ist, sie aufzulösen. Sie verletzen höchstens wie ein Pfeil den Astralkörper des Kindes, können
aber nicht aufgelöst werden und gehen einfach durch denselben hindurch.

dat zit in dat stromende naar het kind toe en dit neemt dit op in zijn astraallichaam, het lost er a.h.w. in op. Een harmonieus ontwikkelde opvoeder stuurt voortdurend harmonieuze stromen naar het kind. Als vanzelfsprekend vloeien dan karaktereigenschappen van de opvoeder ook over in het kind, en daarmee ook die wereldharmonie die hij in de vorm van schoonheid uit de
omgeving gehaald heeft. Wat hij aan geweldige dingen in zich opneemt, als een nobel persoon en een goede waarnemer, dat is wat hij als opvoeder naar de natuur van het kind stuurt en daardoor brengt hij het tot een harmonieuze ontwikkeling.
Laten we aan de andere kant aannemen dat de opvoeder het kind tegemoet treedt als een egoïstisch, pedant persoon, als een persoon met bekrompen,
eigenzinnige ideeën en opvattingen. Deze eigenschappen roepen
in zijn eigen astrale lichaam iets op wat dit als in een stevige korst omsloten
laat verschijnen, maken het tot iets dat door en door star is. Dan zendt hij stralenstromen uit die in zichzelf vast gesloten zijn, zodat het voor het astrale lichaam van het kind onmogelijk is om die oplossend in zich op te nemen. Hooguit kunnen ze het astrale lichaam van het kind als een pijl verwonden, maar ze worden niet opgelost en gaan er eenvoudig doorheen.

Oder nehmen Sie etwas noch Alltäglicheres an. Zwei Menschen sprechen miteinander. Man kann zwei solche Menschen sehr gut in bezug auf die Wirkungen ihrer Astralkörper aufeinander durch das gegenseitige Aufeinandereinsprechen beobachten.
In der astralen Substanz, im Astralen bildet sich immer etwas Neues.
Ich will Ihnen dies in folgender Weise begreiflich machen. Der Mensch
baut durch seine Vorstellungen fortwährend Gebilde in den Astralkörper hinein. Diese zeigen sich in den mannigfaltigsten Formen. Die astrale Substanz, die zwischen den einzelnen Gebilden unbenützt bleibt, nennt man eine intermediäre Astralsubstanz, im Gegensatz zu derjenigen, die sich zu Gebilden gestaltet hat. Diese intermediäre Astralsubstanz ergänzt sich fortwährend aus der Astralsubstanz unserer Umgebung, strömt fortwährend ein und aus, wird fortwährend erneuert.
Aber die Gebilde bleiben fest, die der Mensch durch die Art seiner
Empfindungen, Gedanken und Willensentschlüsse ausgebildet hat.

Of neem eens iets dat nog alledaagser is. Twee mensen praten met elkaar. Je kan heel goed twee zulke mensen observeren met het oog op de werkingen van hun astrale lichamen op elkaar door middel van de onderlinge communicatie.
Er vormt zich altijd iets nieuws in de astrale substantie, in het astrale.
Dit wil ik u op de volgende manier duidelijk maken. Door zijn ideeën bouwt de mens voortdurend structuren op in het astrale lichaam. Deze verschijnen in de meest verschillende vormen. De astrale substantie tussen de individuele structuren die ongebruikt blijft, wordt tussenliggende astrale substantie genoemd, in tegenstelling tot de substantie die tot structuren wordt gevormd. Deze tussenliggende astrale substantie vult zichzelf voortdurend aan vanuit de astrale substantie van onze omgeving, stroomt voortdurend in en uit, en wordt voortdurend vernieuwd.
Maar de structuren die de mens vormt door de soort van zijn gevoelens, gedachten en wilsbeslissingen, zijn blijvend.

Blz. 247

Nehmen wir also an, zwei Menschen stehen vor uns und führen ein
gewöhnliches Gespräch miteinander. Der eine von ihnen hat starre,
feste Begriffe ausgebildet, die auch sehr feste Gebilde in der Astralsubstanz erzeugt haben. Der andere spricht auf ihn ein und versucht, ihm etwas klarzumachen. Worauf beruht dieses einem anderen etwas klarzumachen? Es beruht darauf, daß er seinen eigenen Begriff in die astrale Substanz des anderen Menschen hineinsendet. Dieser Begriff, dieser Gedanke strömt dann zunächst in die fremde Astralsubstanz hinein. Dort muß er sich erst durch die Zwischensubstanz auflösen und sich entsprechend den bereits vorhandenen Formen wieder erzeugen und umgebildet werden.
Nehmen wir nun an, der eine versuche dem anderen etwas klarzumachen, zum Beispiel, was sich auf Reinkarnation bezieht. Der andere hat sich aber über Reinkarnation bereits einen festen Begriff gebildet.
Nehmen wir an, er sei ein befangener Mensch und habe sich den Begriff gebildet, daß sie etwas Törichtes und Unsinniges sei. Dieser Gedanke hat in seiner Astralsubstanz geschwebt.

Laten we zeggen dat we twee mensen hebben die een gewoon gesprek met elkaar voeren. De ene heeft starre, vast omlijnde begrippen gevormd die ook zeer vaste substantie in de astrale substantie zijn geworden. 
De ander spreekt hem aan en probeert om hem iets duidelijk te maken.
Waar is dit iets duidelijk maken op gebaseerd?
Het is gebaseerd op het feit dat hij zijn eigen begrip in de astrale substantie van de ander stuurt. Dit begrip, deze gedachte stroomt dan allereerst in de vreemde astrale substantie. Daar moet het eerst worden opgelost door de tussenstof
en zo worden opgenomen dat het overeenkomt met de vormen die daar al ontwikkeld zijn.
Laten we nu eens aannemen dat de een de ander iets probeert uit te leggen, bijvoorbeeld wat met reïncarnatie te maken heeft. De andere heeft echter al een vaststaande opvatting over reïncarnatie gevormd.
Laten we aannemen dat hij een zelfbewust persoon is en het idee heeft gevormd dat het iets dwaas en onzinnigs is. Deze gedachte is door zijn astrale substantie gegaan.

Nun kommt der Gedanke des ersteren und löst sich in der intermediären Astralsubstanz des anderen auf, müßte sich aber in die bei ihm bereits bestehenden Gedankenformen umbilden können. Das geht aber nicht, weil
sein Begriff zu starr, zu fest ist. Er kann den ihm zugesandten Gedanken nicht in seine Gedankenform umbilden, und deshalb versteht er ihn nicht.
Je mehr sich ein Mensch die Beweglichkeit der Begriffe erhält, so
daß diese immer von der sie umgebenden Zwischensubstanz aufgelöst werden können, desto mehr Verständnis wird er dem anderen Menschen entgegenbringen. Davon rührt es her, daß es so schwierig ist, akademisch gebildeten Leuten theosophisches Leben zu vermitteln.
Die auf der Universität aufgenommenen Begriffe erzeugen starre, feste, in sich abgeschlossene Gebilde, die nicht leicht auflösbar sind.
Mit solchen Gebilden erfüllt, kommt der Akademiker gewöhnlich zum theosophischen Vortrag und ist dann unfähig, theosophisches Leben zu erfassen. Ganz anders würde es sein, wenn er so erzogen wäre, daß er sich bei allen Begriffen sagte: Ja, es könnte möglicherweise auch anders sein, denn wir haben ja nur einen geringen Grad

Nu komt de gedachte van de eerstgenoemde en lost op in de tussenliggende astrale substantie van de ander, maar zou zich moeten kunnen transformeren in de gedachtevormen die daarin al bestaan. Maar dat werkt niet omdat zijn begrip te star is, te vast. Hij kan de naar hem gezonden gedachte niet in zijn gedachtevorm omzetten en begrijpt deze daarom niet.
Hoe meer iemand beweeglijkheid van begrippen heeft, dus dat deze altijd worden opgelost door de tussenliggende substantie die hen omringt, hoe meer begrip hij de ander zal tonen. [karakteriseren i.p.v. definiëren]
Daarom is het zo moeilijk om academisch geschoolde mensen antroposofie te laten begrijpen.
[Er staat ‘theosofie’, later werd dit voor Steiner antroposofie. Ik denk dat ik dat hier wel in deze vorm mag gebruiken

De begrippen die op de universiteit worden opgedaan, veroorzaken rigide, starre op zichzelf staande structuren die niet gemakkelijk kunnen worden opgelost.
Gevuld met dergelijke structuren komt de academicus meestal naar een antroposofische lezing en is dan niet in staat antroposofisch leven in zich op te nemen. Het zou heel anders zijn als hij zo was opgevoed dat hij bij alle begrippen tegen zichzelf kon zeggen: ‘Ja, het zou mogelijk anders kunnen zijn, want we hebben maar weinig

von Erfahrung, und manches, was wir jetzt für richtig halten, wird in der Zukunft noch korrigiert werden müssen.
– Würde er das tun, dann wäre die Seele noch aufnahmefähig.
Nehmen wir noch einen anderen Fall. Ein Mensch steht einem anderen mit Gefühlen der Verehrung gegenüber. Wie nimmt sich für den Beobachter, der mit astralen Sinnen begabt ist, die Verehrung aus?
Verehrung heißt, solche Gedanken aussenden, welche sich in die Substanz des fremden Astralkörpers hineinsenkt und sie gleichsam aufsaugt. Wenn Sie nämlich einen verehrenden Gedanken haben, so kommt dieser dadurch zum Ausdruck, daß Sie selbst die Verehrung als ausströmende Wärme dem anderen entgegenbringen. Diese von Ihnen ausströmende Wärme hat in der astralen Welt ihr Spiegelbild, das sich in bläulicher Farbe als die Gedankenform der Verehrung und Devotion zeigt. Das warme, verehrende Gefühl erzeugt eine Gedankenform, die bläulichen Charakter trägt.

ervaring, en sommige dingen waarvan we nu denken dat ze juist zijn, zullen in de toekomst nog weer gecorrigeerd moeten worden.
– Zou hij dat doen, dan zou de ziel nog steeds ontvankelijk zijn.

In vele pedagogische voordrachten heeft Steiner gesproken over ‘de vanzelfsprekende autoriteit’ en het kind dat met verering opziet naar zijn opvoeder. [9-1-2]

Laten we een ander geval nemen. Iemand staat tegenover een ander met gevoelens van respect, verering.
Hoe ziet verering eruit voor een waarnemer die begaafd is met astrale zintuigen 
Vereren betekent die gedachten uitzenden die in de substantie van het vreemde astrale lichaam zinken en die deze als het ware absorbeert. Want als je een eerbiedige gedachte hebt, komt deze zo tot uiting dat je zelf de verering als uitstromende warmte de ander tegemoet draagt. Deze warmte die van jou uitstraalt, vindt zijn weerspiegeling in de astrale wereld, die zich in een blauwachtige kleur manifesteert als de gedachtevorm van verering en toewijding. Het warme gevoel van verering creëert een gedachtevorm die een blauwachtig karakter heeft.

Steiner gaat nu verder in op de kleuren die een helderziende waarneemt bij de verschillende gevoelens, van verering, van afwijzing e.d.

Blz. 249

Nog een aanbeveling hoe met deze mededelingen om te gaan. 

Sie sehen, was sich in unserem Astralleibe abspielt, ist nichts anderes als das Ergebnis des Alltagslebens. Was sich im Astralkörper abspielt, kann nur der sehen, der darauf trainiert ist. Aber die Wirkungen dieser Vorgänge im Astralkörper sind im Physischen fortwährend da, und von diesen kann sich jeder durch das Leben überzeugen.
Jeder kann folgende Probe machen, indem er sich sagt: Ich lasse es ganz dahingestellt, ob die Mitteilungen des Okkultisten wahr oder falsch sind. Aber ich will sie unbefangen prüfen. Ich kann so leben, als ob diese Mitteilungen auf Richtigkeit beruhten. Ich kann mich dann meinen Mitmenschen gegenüber dementsprechend verhalten, und wenn ich das vorsichtig tue, dann werde ich ja sehen, ob das Leben mir in jedem einzelnen Falle bestätigt, was der Okkultist sagt.
Und das Leben wird Ihnen das in jedem Fall bestätigen. Sie werden einen ungeheuren Gewinn davon haben.

Zie je, wat er in ons astrale lichaam gebeurt, is niets anders dan het resultaat van het dagelijks leven. Wat er in het astrale lichaam gebeurt, kan alleen worden gezien door degenen die daarvoor oefeningen heeft gedaan. Maar de effecten van deze processen in het astrale lichaam zijn voortdurend aanwezig in het fysieke leven, en iedereen kan zichzelf daarvan door het leven overtuigen.
Iedereen kan de volgende test doen door tegen zichzelf te zeggen: ik laat  helemaal buiten beschouwing of de mededelingen van de helderziende waar zijn of niet. Maar ik wil ze onbevangen onderzoeken. Ik kan zo leven alsof deze mededelingen op waarheid berusten. Ik kan mij t.o.v. mijn medemensen dienovereenkomstig gedragen en als ik dit zorgvuldig doe, zal ik zien of het leven in elk afzonderlijk geval bevestigt wat de helderziende zegt.
En het leven zal dit in ieder geval aan je bevestigen. En daar zal je enorm veel bij winnen.

Terug naar de opvoeding:

Wer sich das durchdenkt und zum Beispiel sich als Erzieher nicht nur mit seinen pädagogischen Begriffen und Ideen durchdringt, und nicht nur durch das wirkt, was er sagt, sondern auch durch das, was er fühlt, empfindet und denkt, wer sich durchdringt mit dem Bewußtsein, daß zwei Astralkörper aufeinander einwirken und weiß, was bei dem Gegenüberstehen dieser Astralkörper vor sich geht, der weiß auch, daß er die Pflicht hat, sich immer besser und besser zu machen. In dem Grade, wie er besser wird, wirkt er auch besser auf die Anlagen des Kindes ein. Er tötet nicht die Anlagen, sondern holt sie heraus.

Iedereen die hierover nadenkt en bijvoorbeeld als opvoeder zich niet alleen doordringt met zijn pedagogische begrippen en ideeën, en niet alleen werkt door wat hij zegt, maar ook door wat hij voelt, beleeft en denkt, wie zichzelf doordringt met het bewustzijn dat twee astrale lichamen elkaar beïnvloeden en weet wat er gebeurt als deze astrale lichamen tegenover elkaar staan, weet ook dat hij de plicht heeft om zichzelf steeds te verbeteren. Naarmate hoe hij zich verbetert, is dat ook van invloed op de capaciteiten van het kind. Hij doodt de aanleg niet, maar brengt die tot ontwikkeling.

Steiner gaat hier niet in op het feit dat hij ook heeft gewezen op het feit, dat de volwassene met zijn wezensdelen inwerkt op het 1 ‘lager gelegen’ wezensdeel. In dit geval: het astraallijf van de opvoeder werkt in op het etherlijf van het kind: d.i. dus op zijn levenskrachten. In GA 317/33  Vertaald/

Dat de invloed van de astrale krachten op het etherlijf van het kind ‘ook van invloed is op de capaciteiten, de aanleg’, blijkt uit het feit dat het etherlijf de drager is van deze aanleg. Preciezer: daar waar etherlijf en gewaarwordingslijf-ziel elkaar ‘raken’. 

Wenn wir vom Seelischen des Menschen sprechen, so meinen wir nicht zuletzt das Temperament und die ursprüngliche Charakteranlage. Das drückt sich der Form nach im Ätherleibe aus.

Wanneer we over de ziel van de mens spreken, bedoelen we niet in de laatste plaats het temperament en de oorspronkelijke karakteraanleg. Daar komt de ziel wat de vorm betreft in het etherlijf tot uitdrukking. 
GA 96/107
Niet vertaald

Der Astralleib hat zwar zu tun mit Lust und Leid und unseren Leidenschaften; sind diese Leidenschaften aber zur Gewohnheit, zu sogenannten Charaktereigenschaften geworden, dann liegen sie verankert im Ätherleib,
und wenn wir solche Gewohnheiten umwandeln wollen, dann muß sich der Ätherleib umwandeln, denn dieser ist der Träger aller Gewohnheiten und Charaktereigenschaften.

Het astraallijf heeft weliswaar te maken met lust en leed en onze heftige gevoelens; wanneer deze echter tot gewoonte, tot zgn. karaktereigenschappen zijn geworden, dan liggen ze verankerd in het etherlijf, en als we die gewoontes willen veranderen, dan moet het etherlijf een verandering ondergaan, want die is de drager van alle gewoontes en karaktereigenschappen.
GA 100/42
Niet vertaald

Kortom:

Dazu muß dieser Erzieher so wirken, daß er gewissermaßen das Wahre, Gute und Schöne dem Kinde nicht bloß darstellt, sondern es ist. Was er ist, geht auf das Kind über, nicht, was er ihm lehrt. Alle Lehre muß wesenhaft im Vorbilde vor das Kind hingestellt werden. Das Lehren selbst muß ein Kunstwerk, kein theoretischer Inhalt sein.

De opvoeder moet zo te werk gaan, dat hij het ware, goede en mooie niet alleen voor het kind beschrijft, maar dat hij het ís. Wat hij is, gaat over op het kind, niet wat hij het leert. Alles wat het moet leren, moet voorgeleefd worden. Het aanleren zelf moet een kunstwerk zijn, geen theoretische inhoud.
GA 304/221
Op deze blog vertaald/217

.

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3369-3168

.

.

.

.