Categorie archief: jaarfeesten

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (17)

.

Carnaval

Schlagers, overvolle cafés en een polonaise op veel te harde muziek: dat zijn meestal de eerste associaties bij het woord carnaval. Heeft het uitbundige feest van de vermomming ook nog iets anders te bieden? Zet iemand die zich verkleedt niet juist een masker af?

Carnaval was ooit een nieuwjaarsfeest; het nieuwe jaar begon in maart. Dat februari ooit de twaalfde maand was, valt af te leiden uit de namen van de maanden die er aan vooraf gaan. In november zit het getal negen, maar het is de elfde maand en, december betekent tiende, maar op de kalender is het de twaalfde maand. De telling is dus twee maanden verschoven en dan klopt het ook dat februari vroeger, dat wil zeggen tot 450 voor Christus, de laatste maand van het jaar was. Dat verklaart tevens waarom februari maar 28 of 29 dagen telt, want aan het eind van het jaar maakte men de telling sluitend.

De traditie om het nieuwe jaar in de lente te laten beginnen is natuurlijk niet zo vreemd. Het jaargetijde kondigt met zijn uitlopende knoppen nieuw leven en dus een nieuw begin aan. Vandaar ook dat er vruchtbaarheidsrituelen aan dit lentefeest gekoppeld werden. In oude agrarische culturen betekende de terugkeer van de zon de bevruchting van de aarde. Het symboliseerde een huwelijk tussen vader zon en moeder aarde. Om het kosmisch huwelijk en de bevruchting van de aarde tot uitdrukking te brengen, lieten sommige volken brandende wielen van heuveltoppen omlaagrollen. Zowel bij de Babyloniërs als bij de oude Egyptenaren en Grieken participeerde het volk in dit huwelijksfeest. Maar ook dichterbij, bij de Germanen kwamen soortgelijke rituele feesten voor.

Nerthus
In een boek over de Germanen beschrijft de Romeinse geschiedschrijver Tacitus (55-120 na chr.)  hoe er op een bosrijk eiland in de oceaan een gewijde wagen stond in de vorm van een schip. Deze wagen  was bedekt met kleden en was het heiligdom van Nerthus, godin van de vruchtbaarheid. De enige mens die de wagen mocht aanraken, was de hoge priester en alleen hij wist wanneer de godin in haar heiligdom aanwezig was. In de vroege lente leidde de hogepriester de wagenr getrokken door vier ossen, door het land. In de tempel zou de heilige bruiloft tussen de priester en de godin worden voltrokken.

In alle plaatsen die zij met een bezoek waardig keurde, werd uitbundig feest gevierd. Nergens werd een strijd uitgevochten; het was verboden een wapen op te pakken. Om de godin te eren, die zich onder de kleden van haar wagen onzichtbaar hield, wierp men doeken over het gezicht en stak men zich in nieuwe kleren. Het verkleden en het terugtrekken van de persoonlijkheid door het gezicht te bedekken, heeft een duidelijke connectie met het huidige carnaval. Wanneer de wagen na de huwelijksvoltrekking  was teruggekeerd, werden de godin, haar kleed en haar wagen op een geheime plaats in zee gewas­sen. Ook de feestvierders wierpen dan hun doeken af en reinigden zich in zee of in een meer om ‘vernieuwd’ het nieuwe jaar te beginnen.
Van de godin zie je alleen haar voertuig: zelf is ze bedekt. Naar analogie daarvan zou je het menselijk lichaam als ‘voertuig’ kunnen zien en beroep en status als de kleden die ons goddelijke zelf bedekken. In het dagelijks leven zijn wij naar buiten gericht; we ontmoeten andere mensen en oriënteren ons op de weg die wij willen gaan. Door het bedekken van het gezicht kun je nog slechts naar binnen kijkenDaarop zou je bij dit oude lentefeest rond februari – ‘februare’ betekent reinigen-niet alleen van een fysieke, maar ook van een gees­telijke reiniging kunnen spreken. Het huidige car­naval is overigens aan Pasen gekoppeld, waardoor het soms niet in februari, maar in maart valt. Het reinigen van lichaam en geest is ook terug te vin­den in de vastentijd tussen carnaval en Pasen.

Prins carnaval
Ook in het oude Babylon werden nieuwjaarsfees­ten gevierd die veel gemeen hadden met het huidige carnaval. Uit de schriftelijke verslagen van Babylonische priester-koningen blijkt dat men ook daar bijzondere reinigingsrituelen kende, waaruit het fenomeen van prins carnaval te herleiden is. In een bonte optocht toog men rond 2600 voor Christus naar de tempel van Marduk. Rijkversierde scheepswagens op wielen maakten deel uit van de parade, zoals ook nu nog praalwagens en de bekende blauwe schuit onmisbaar zijn in een echte carnavalsoptocht. In  de parade werd een figuur meegevoerd in koninklijke gewaden. Het was een misdadiger die voor drie dagen koning speelde. Hij nam de plaats in van de koning die aan het einde van het feest gedood diende te worden. Zijn dood was een offer aan de god van de vruchtbaarheid. Door te sterven nam de ‘koning’ de zonden van het volk op zich, zodat het volk gereinigd het nieuwe jaar in kon gaan.
Tijdens de feestvreugde in Babylon mocht niemand werken. Op deze dag waren slaven aan hun meesters gelijk en kregen zij evenveel aanzien. Nog steeds gaan prinsessen en boeren, piraten en rechters, clowns en ambtenaren met carnaval hand in hand. Achter het masker is iedereen gelijk, waar geen personen te herkennen zijn, houden rang en status geen stand. Wat vanwege verschillen op de maatschappelijke ladder in het dagelijks leven verzwegen wordt, kan nu met humor worden gezegd of uitgespeeld.
Niet alleen de samen­leving houdt zichzelf een spiegel voor, ook het individu. Wie zijn persoonlijkheid bedekt met kos­tuum en masker, zal ontdekken dat achter de verstarring van het gezicht de mens beweeglijk wordt. We zijn niet wie we verbeelden. Al speel je de burgemeester, al verkleed je je als zodanig, je bent de ander niet. Net zo min drukken uiterlijkheden in het dagelijks leven uit wie we werkelijk zijn. Wij passen ons maar al te vaak aan anderen aan zonder te luisteren wat we:eigenlijk zelf willen, zonder ons af te vragen wie we zelf zijn. We zetten de rem op onze spontaniteit om alles onder controle te houden, houden het gezicht in de plooi en proberen naar de geldende codes te leven.
Wie niet oppast identificeert zich met een zorgvuldig opgebouwde buitenkant.
Wanneer we onze kleding, de buitenste huid, verwisselen en een ander gezicht aannemen door een  masker op te zetten, hoeven we plotseling niet meer te voldoen aan alle verwachtingen die bij deze uiterlijke identiteit horen. Wie blijft er over wanneer je je niet meer kunt verschuilen achter de interessante baan, prestaties en een goed verzorgd uiterlijk wanneer de status is afgelegd? Wat  komt er los als de sociale teugels worden gevierd?
De stijve hark vindt zichzelf wellicht uitbundig dansend terug, de muur­bloem blijkt het stralend middelpunt van het gezelschap en de communicatiedeskundige heeft misschien nauwelijks aanspraak. Er valt veel te ontdekken tijdens het feest van de omkering. Welke bronnen blijven in het dagelijks leven onbenut? In hoeverre ontleen je je ‘kracht’ aan je buitenkant?

Er wordt ontzettend veel gedronken tijdens het carnavalsfeest. Een traditie die al zeer oud is overigens. Tijdens de vereringsfeesten van de god Dionysos in het oude Griekenland, vloeide de wijn rijkelijk. Dionysos was dan ook de god van de wijn en de vruchtbaarheid. En de wijn deed zijn werk. In extatische toe­stand trok een stoet wilde vrouwen, bekleed  met dierenhuiden en voorzien van instru­menten, de bergen in voor hun rituelen. ”Wijn bindt het ver­stand een masker voor en schakelt een te grote nuchterheid uit”, meent T. Fransen in zijn boek Carnaval ont­maskerd? In feite ver­sterkt alcohol de werking die het masker ook al heeft; het maakt de weg vrij voor een andere laag in ons zelf. Alcohol heb je hierbij dus eigenlijk niet nodig. Toegegeven: zonder alcohol is er meer moed nodig om de veiligheid van de controle los te laten. Toch lijkt het mij een gemiste kans wanneer je beneveld en niet bewust de innerlijke omwentelingen ondergaat.

Ware zelf
Door afstand te nemen van de eigen persoon, kunnen we datgene waar we ons in het dagelijkse leven druk om maken, relativeren. Wellicht zien we zo ook wat werkelijk belangrijk voor ons is. Het is de gelegenheid om af te rekenen met alles waar­in je je onvrij hebt gevoeld, omdat je niet jezelf kon zijn. Achter het masker vallen onze eigen maskers af, met het aannemen van een andere identiteit hervinden we het ware zelf. Een bekend verschijnsel in de carnavalsoptocht is een groep jonge vrouwen die zich hebben omgetoverd in verloederde oude wijven. Misschien dat jonge vrouwen het sterkst ervaren dat er vaak niet naar hen, maar naar hun uiterlijke verschijning wordt gekeken. Zoals in Afrikaanse riten maskers gebruikt worden om kwade geesten af te schrikken, zo worden hier de mensen die slechts naar uiterlijkheden kijken afgeschrikt.
Het masker helpt om de uitdaging van carnaval aan te gaan: contact maken van mens tot mens, van wezen tot wezen. Het enige wat een masker niet bedekt, zijn de ogen. En door de ogen spreekt het wezen van de mens. Je kunt je gezicht nog in zulke rare grimassen trekken, de ogen zijn niet te manipuleren. Zo tonen wij, door een masker op te zetten, alleen dat deel dat ons ware zelf niet ver­loochent.
De schrijver Anton van Duinkerken heeft het prachtig verwoord; “Het masker is het symbool van een vervreemding, het is een afscheidsteken. Het ontkent de soevereiniteit van wat het verbergt, om niets te gedogen dan de straling der ziel, die door onthulde ogen licht.”

Patricia Wessels ´Jonas`, nadere gegevens ontbreken.

.

Carnavalalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

93-90

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (16)

.

koningsoffer oorsprong van carnaval

Carnaval zou zijn oorsprong vinden in een koningsoffer om van de goden vruchtbaarheid af te smeken.

Een koningsoffer in het Mid­den-Oosten, duizenden jaren voor Christus, zou de oor­sprong van carnaval zijn. De eerste landbouwers vereerden een Maangodin. In tijden van onvruchtbaarheid, de winter, brachten ze het allerhoogste offer om de vruchtbaarheid terug te krijgen: hun koning. Deze ‘heilige koning’ werd versierd met twijgen en een kroon van meidoornen, met twijgen gegeseld aan een hei­lige thau-boom (in de vorm van een T gesnoeid) en ten­slotte geroosterd en opgege­ten. Koningen hadden het be­grijpelijk niet op dit kanniba­lisme en gingen op zoek naar een ‘dod’, een plaatsvervan­ger. Eerst werd dat hun eerst­geboren zoon (denk aan het ver­haal van Abraham en Isaak; de Israëlische koning Saul(us) zou zijn eerstgeboren zoon nog geofferd hebben). Maar al snel werd dat een andere zoon of verwant, een konink­lijke krijgsgevangene en ten­slotte een gewone gevangene, een (zieke) misdadiger of een slaaf.

Pseudo-koning
In Mesopotamië werd deze man Zoganes genoemd. Hij kreeg voor enkele dagen zijn vrijheid terug, werd versierd met koninklijke gewaden en werd als een koning op een scheepswagen rondgereden. (In die tijd kwam vruchtbaar­heid van overstromingen, en dus moest een vruchtbaarheidssymbool per boot arrive­ren). Slaven mochten ook en­kele dagen meester spelen en zich zo kleden. De pseudo-ko­ning trouwde tenslotte een priesteres, maar de volgende dag werd hem de koninklijke mantel uitgetrokken, hij werd gegeseld en gedood. Het mensenoffer verdween met verlies aan macht van de Maangodinnen Belili (Belial in de bijbel), de leeuwengodin Anat, de bi-seksuele duif-go­din Asima en de godin van de onderwereld Hekate (Sjeool). Daarvoor in de plaats kwam de mannelijke Perzische zonne-godmens (Mitra, Nimrod, Tammuz, Marduk), die het stoffelijke, gesymboliseerd door een stier, versloeg en aan het begin van de lente op­steeg naar het hemelse ver­blijf van het licht. In Egypte werd in de lente een ark-vormige boot rondgedragen, met daarop een hou­ten stier (apis) met een zon tussen de horens (symbool van zonnewende) en het fallisch symbool van de god Osiris. In Griekenland werd de god van vruchtbaarheid Dionysos op een wagenschip rondgereden.

De Romeinen namen zowel de zonnegod als het slavenfeest maar ook het verkleed­feest over (Bacchusfeest of Sa­turnaliën). Zij kenden ook het koningsoffer: wie in een cake een boon aantrof, werd ‘bonenkoning’, die eindigde met rituele zelfdoding op het altaar van saturnus. Een chris­ten-soldaat, Dasius, die de bo­nenkoningrol weigerde en werd vermoord, is heilig ver­klaard.
De Germanen trokken, ver­kleed als vrouwen, hun vruchtbaarheidsgod Frey op een scheepswagen door de straten. Kelten duwden bran­dende wielen (symbool voor de zon) van de heuvels.

Kerstenen
Al in 325 (concilie van Nicea) probeerde de katholieke kerk het voorjaarsfeest te kerst­enen in een 40-daagse vasten en het feest van Pasen. Zon­der veel succes, want de syno­de in Leptines in 724 ging te­keer tegen ‘Spurcalibus in februario‘. De synode van Benevento in 1091 bepaalde Aswoensdag als begin van de vasten.

In 1195 komt in een Franse tekst carne levare (weglaten van vlees) als oorsprong van het woord carnaval voor; an­deren denken dat het afstamt van carne vale (vlees vaarwel) of carrus navalis: scheepskar. In Frankrijk werd een dikbui­kige stropop op Aswoensdag als dronkaard terecht gesteld. De gewoonte om stoffen (vij­gen, dadels en noten in Grie­kenland, meel -later kalk- en eieren in Romeinse tijd, later confetti, snoep en op Aswoensdag roet) over de hoof­den uit te gooien, heeft waar­schijnlijk te maken met een vruchtbaarheidsritueel: een zaaier die zaad rondstrooit.
In de middeleeuwen probeer­de de kerk de feestgangers te temmen door hen binnen de kerkmuren te halen. Met een averechts resultaat. Zatlappen kozen er een ‘ezelspaus’ om voor te gaan in een ezelsmis, waarbij ze ezelsklanken ‘ia, ia’  uitstootten  en  schijfjes bloedworst aten in plaats van een hostie. Na de middeleeuwen werd de greep van de kerk op de samenleving min­der, en werd de burgerlijke overheid mikpunt van spot: verklede hofhoudingen trek­ken dan door de straten.

Verbod reformatie
De reformatie verbiedt het carnaval. (Tussen 1629 en 1789 is carnaval in Den Bosch verboden als ‘paepsche stoutigheyt’). Rome probeert het carnaval meer te koppelen aan het veertigdaagse vasten. De eilandstaat Venetië houdt de grote maskerade echter vol tot ver in de achttiende eeuw, en leent dan ‘Furstin Venetia’ aan Keulen. In 1827 herleeft carnaval in Koblenz, 1833 Münster en in 1838 in Mainz. Het Rijnland met een carna­valsvereniging, een prins, vorst of president en een Raad van Elf en Tanzmariechen staat model voor Zuid-Nederland: 1840 Momus in Maastricht, 1842 Jocus in Venlo, 1881 Marotte in Sittard, 1886 Patentoate in Beek, 1889 Militophile in Valkenburg en 1898 Bokkerieesj in Heerlerheide. Bergen op Zoom heeft als het Krabbegat een nog oudere traditie (1816), ge­volgd door Oeteldonk (1882) in Den Bosch.

Na de Eerste Wereldoorlog wordt carnaval her en der ver­boden. Na de Tweede Wereld­oorlog proberen de autoritei­ten het te ordenen als een ge­meenschapsfeest, zodat het een tijdlang ook populair wordt boven de grote rivie­ren, aangemoedigd door radio en tv. Intussen is het voor ve­len een verkleed- en zuipfeest, zonder enige bijbeteke­nis.

 Jan Meulemeesters, Brabants Dagblad  19 februari 2001

 

Carnavalalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

92-89

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten- carnaval (15)

.

CARNAVAL

carnaval 13

Een masker uit het Zwitserse Sankt-Gallen

Tenslotte heeft de winter lang genoeg geduurd en verliest de duisternis zijn beklemmende greep. In je buik tintelt de drang naar het nieuwe, naar nieuw leven. Het is tijd voor de lente en er kolkt iets uitbundigs in je bloed. Drank, voedsel, grappen, grollen, liederen, tromgeroffel, opwindende dansen jagen boze en kwaadaardige geesten weg uit het verdorde leven. Drie dolle dagen danst een narrenschip vol gemaskerden op de golven en staat de wereld op z’n kop. Een reis naar de ziel van Vastenavond, carnaval.
De wind buldert over het dorre,  dode  landschap. Donkere wolken tollen in zwarte nachten en verlengen met hun duistere handen de donkerte tot diep in de morgen van de dag. De bloedsomloop van de natuur ligt stil. In zulke kolkende nachten komt het ko­ninkrijk van Hades tot leven, staat de achterdeur tot zijn schimmenrijk op tocht.
Boze machten en geesten regeren in de Rauhnächte, de winternachten van het Germaanse volksgeloof. Demonen en doden domineren de Cyclus van de Twaalf Nachten en de Twaalf Dagen, het gapende gat tussen de zon- en de maancyclus rondom de jaarwisseling. Diep in dat heidense begin van onze ge­schiedenis ligt de bron van een bijna vergeten volkscultuur. Daar is het eer­ste ontwerp gemaakt van de huidige feestneus, zijn de eerste zinnen gesta­meld van de ‘paarden op de gang’ ,de ‘bloemetjes op het gordijn’ .
Oog in oog met de onberekenbaarheid van dood, magie, duiveluitdrijving en ongetemde natuurkrachten verbergen de mensen hun gezichten achter mas­kers om niet door de geesten herkend te worden. Geesten worden herkenbaar gemaakt door ze een vreselijk afschrik­wekkend masker op te zetten. Angst voor het bovennatuurlijke overwintert in de harten van de mensen.
Pas als de dagen langer worden en de nacht steeds vroeger wegvlucht voor de groeiende stralen licht, voelen de men­sen zich sterker worden. Ze verzamelen zich rond oplaaiende vuren en mét de potten zoete honingdranken groeit het vertrouwen in de eigen kracht. Er ont­waakt een drang naar nieuw leven. Opnieuw gaan de maskers op, maar nu bruist de dwaasheid in het bloed. De lente tintelt, maakt vrolijk en overmoe­dig. Met allerhande werktuig, veel ka­baal van rammelende potten en spette­rend vuur worden de boze geesten te­ruggejaagd in de dorre tuin van Hades om plaats de maken voor nieuw leven.

Toen: de vruchtbaarheidsrituelen van de Germanen, nu: de lentekolder in de kop. Drank vloeit en overmoedig achter hun masker tarten de mannen prins­heerlijk elk gezag. Niemand die weet wie achter het masker zit. De Germanen vieren het lentefeest, de Romeinen, de Grieken, de Egyptenaren, de Japanners. In alle uithoeken van de wereld tot in het diepste oerwoud en de kaalste poolvlakten trekken gemasker­de mannen ten strijde tegen de geesten. Overal is het masker aanwezig en een lange stoet vermomde mensen trekt in polonaise de volksgeschiedenis in op weg naar de drie dolle dagen van van­daag. Een geschiedenis die door nie­mand werd opgeschreven, door nie­mand werd afgebeeld: te volks.

Gelukkig ligt nog net op de grens van de vergetelheid Binche, in het Belgische Henegouwen. Zelfs de kinder­kopjes zijn er met bonte confettistrooisels afgevoegd en geven kleur aan het kamerbrede Belgische straatgrauw.
Binche, ‘Hoofdstad van het Carnaval’, staat in uitdagende letters bij de ingang tot het Waalse stadje. Pas op het einde van de lange hoofdstraat ligt het bewijs: het Internationale Museum van het Carnaval en het Masker. Een huis met 12.000 mas­kers uit de hele wereld en een biblio­theek van dik 3.000 boeken waarmee de geschiedenis van het masker op de voet kan worden gevolgd. Een tocht langs de vele gezichten van een volks­cultuur in een stad waar in 1394 en in 1397 het carnaval al gevierd werd.
In oud-Frans wordt in geschriften ver­haalt over wanorde onder de bevolking en een oproep aan de rechters om pa­raat te blijven om zo bandeloosheid en branden aan te pakken. In 1397 worden knechten erop uit gestuurd omdat er een ernstig gebrek is aan rivierwijn, waarschijnlijk bier. Ze weten in Binche nog steeds van wanten. En hoe. Zes weken voor carnaval reeds, geheel in de traditie van de Germaanse winterfeesten, slaat de kolder de inwoners van Binche in de kop. Zes zondagen achter elkaar duurt de voorbereiding op de uiteindelijke hoogtijdag: de Vette Dinsdag. Dan dansen de Gilles, de prachtig versierde mannen met hun verentooi, op het staccato van trommels door de straten om met hun korte bezems de heksen te verjagen.

carnaval 14

Zwitsers masker uit begin deze eeuw, voorstellend de te overwinnen winter

Marcel Sweertvaegher is gids in het museum en waarschijnlijk is hij ook om zijn pretogen gevraag om gasten in de geheimen van het masker in te wijden. Een machtig bronzen beeld markeert de ingang tot het museum: de Gille, de gemaskerde danser, het symbool van het carnaval in Binche, de poortwachter tot de boeiende geschiedenis van het masker. Een geschiedenis die reikt van het prachtige hout­snijwerk van eeuwen her tot aan het glimmende plastic masker van vandaag. Niet alleen het carnavalsmasker, want het masker is universeel. Overal in de wereld heeft de mens in het holst van de nacht het masker opgezet om de go­den en de natuurkrachten te tarten, om zijn kracht te onderstrepen, om de saamhorigheid te bevestigen en natuur­lijk om zich te vermaken.
Altijd als de mens in de geschiedenis ie­mand anders wil zijn, wil ontsnappen uit de werkelijkheid, gaat hij achter een masker zitten en speelt hij zijn rol in een andere werkelijkheid. Met een masker op zijn er ineens ande­re mogelijkheden: je kunt je beste vrienden en kennissen negeren zonder dat ze het in de gaten hebben, en je kunt met iemand die je helemaal niet kent een praatje beginnen, zelfs als dat in het normale dagelijks bestaan onmo­gelijk zou zijn. Je kunt de wereld op z’n kop zetten. Achter het masker kun je even makkelijk over jezelf praten alsof je het over een ander hebt.
„Pas als de roes van die krankzinnige carnavalsdagen over is en we weer met beide benen op de grond staan, komen we tot de toch wel pijnlijke ontdekking dat wij achter het masker misschien meer onszelf waren dan ooit in ons nor­male dagelijkse leven. Ja, dat wij zelfs vaak in ons gewone doen in wezen die rollen spelen die het verst van onze wa­re ik afliggen en ons achter een voor anderen ondoordringbaar masker ver­schuilen”, aldus de maskerkenner Werner Mezger.

Dat zijn gedachten die meelopen door de fascinerende maskerge­schiedenis. Honderden meters wande­len langs de etalage van de volksver­momming. En plotseling worden din­gen duidelijk. Hoe in de intimiteit van kleine gemeenschappen de maskers een hoofdrol hebben gespeeld bijvoor­beeld.

Zoals bij de stromannen, de bunzings, in de Elzas. Als een stroman verkleed bezoekt een man alle huizen in het dorp, hoort alle misère aan en uiteinde­lijk als hij alle ellende van het dorp ach­ter zijn masker heeft opgeslagen, wordt hij het bos ingejaagd. Weg ellende.
Overal proef je het diepe respect voor de traditie. Vooral in de diepe dalen van de Alpen en in de afgelegen hoeken van Europa, waar het carnaval zich afspeelt in de intieme sfeer tussen de dorpsbe­woners, zonder de vervelende aanwe­zigheid van toeschouwers die volledig buiten de traditie staan, aldus Marcel Sweertvaegher. Langzaam trekt de sprookjeswereld van kleur en vorm voorbij, getuigenissen van de geest en de bedrevenheid van een volk. En je begint je te schamen over inlegkruisjes, over hele grote bloemkolen en andere banale uitingen van vermaak. Je hoofd wordt bijna even rood als een van de vele maskers. Waar en wanneer is toch de traditie over de hoeperdepoep op de stoep uitgegleden? Waar is de rode draad gebleven die ons verbond met de woeste, kolkende Germaanse nachten?
‘Binche’ knoopt de losse delen aan el­kaar. Gooit de deuren open van de eeu­wen die achter ons liggen. Dan zie je in narrenpakken of in ‘oude wijve’-kleding gestoken dronken jongeren over het middeleeuwse platteland trekken. Spottend met elk gezag, herrie makend om de boze wintergeesten te verdrij­ven. Koebellen om de buik, dorsvlegels in de hand.

„Vrouwen moesten thuisblijven, die wa­ren te makkelijk door de geesten te beïnvloeden.” Marcel Sweertvaegher tart de vrouwenemancipatie. Heeft het over vrouwen die besmeurd werden met korrels klei. „Het was een vrucht-baarheidsgebaar, ze werden met zaad bestrooid. De kleikorrels werden in de geschiedenis uiteindelijk stukjes pa­pier: confetti, wat niets anders is dan zaad.”
En de pastoors in de dorpen keken met lede ogen toe. Maar zij konden tegen het gebral en gelal niets beginnen, de traditie zat te diep geworteld. Als je ze niet kunt verslaan, dan lijf je ze maar in. Dus werd het heidense lentefeest door de katholieke kerk gekerstend. Het nieuw-leven-verhaal werd geplakt aan de laatste dagen voor de vasten, de voorbereiding op het paasfeest.

De orgie van de middeleeuwen kreeg een stralenkrans. „Het chris­telijk carnaval is een orgie van de zege­pralende geest, die zijn gezel, het lijf, een vrolijk feest ten afscheid biedt, ver­zekerd, dat dit scheiden niet voor eeu­wig is. Het is het lentefeest van de altijd jeugdige geest, die de frisheid van nieuw bloed heeft gevoeld”, zo schreef Anton van Duinkerken, katholiek emancipator uit de eerste helft van de­ze eeuw, tientallen jaren geleden in Het Eeuwige Carnaval.

En binnen in het museum trekt de stoet van gemaskerde, vermomde, verklede mensen uit de hele wereld voorbij. De pogingen van overheid en kerk om het feest af te remmen, mislukten. De stad wordt veroverd en de burgers ontdek­ken dat ze zich drie dagen lang van hun kleinburgerlijke bestaan kunnen bevrij­den door het masker op te zetten en de wereld een slag linksom te laten draai­en. De heer die op straat durft te la­chen, de timmerman die met de vrouw van de magistraat danst. „De levende eenheid is boven alle verschil van me­ning uitgegroeid”, zo weet Van Duin­kerken er een draai aan te geven.

Nog steeds komen de maskers voorbij, tooit de hele wereld zich in kleur pracht en praal. Maar het zijn vergeten maskers, vergeten symbolen, ingehaald door mensen bij wie de wortels van de  traditie gerooid zijn en op de altaren van de moderne commercie  en haar platte humor.

Alleen een bedevaart naar Binche kan nog enige redding brengen.

carnaval 12

duivelsmasker uit Tirol

 

Hans Jacobs, Eindhovens dagblad 8 februari 1997

 

Carnavalalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

91-88

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (14)

.

CARNAVAL

Als ik aan dit stukje begin te schrijven zit ik op een luw plekje in de tuin, met de smeltende sneeuw nog om me heen. De zonnewarmte is weldadig en de vermoeidheid van een schoolweek valt geleidelijk van me af. Iets van de lente zit al in de lucht. De sfeer van de winterfeesten Advent, Kerstmis, Driekoningen is aan het vervagen.

Het eerstvolgende feest is carnaval. De naam carnaval heeft waarschijnlijk te maken met het lentefeest uit het oude Babylonië. Daar dacht men het heelal als een oceaan waarop de boot van de zonnegod om de aarde voer. De weg leidde door de dierenriem en eindigde in een zwart gat, namelijk dat gedeelte van de hemel, waar voor het blote oog geen sterren te zien zijn. Hier bevond zich de ‘Zee van het dode Water”, het rijk van de dood.
Deze voorstelling vinden we ook beschreven in het Gilgamesj-epos: de held Oetnapisjtim, het evenbeeld van de zon – de god Mardoek – is op zoek naar onsterfelijkheid. Hij maakt in een boot de lange reis naar het einde der wereld, naar het dode water, om daar te sterven en uit de dood te herrijzen. Tijdens de lentefeesten werden in Babyloniê optochten gehouden, waarin symbolen van de kringloop in de natuur, werden meegevoerd. Ook het godenbeeld van Mardoek werd uit zijn tempel gehaald en in een boot over het water naar de stad gebracht. Daar werd de boot op een wagen gezet en meegevoerd in de stoet langs de hoofdstraat, ten teken dat de zon uit de ‘Zee van het dode Water’ was herrezen.  (Boot op wielen – carrus navalis : carnaval.)

Bij de Grieken werd Dionysos, de god van het ontluikende leven, op dezelfde wijze in een optocht meegevoerd, vergezeld door een vrolijke saterschare. De komst van Dionysos werd heel uitbundig gevierd, met grote maaltijden, dans en drinkgelagen. Ook hier werd gevierd dat het leven de dood overwint, zoals de lente de winter overwint.

Geleidelijk werd het aantal personages op deze ‘carrus navalis’ uitgebreid, en het statische tentoonstellen veranderde in een dynamische handeling : het toneel. Later werd de boot vaak weggelaten en bleef alleen de wagen over. (Vergelijk bij ons ook de praalwagens van het bloemencorso.)

Het verkleden en vermommen was aanvankelijk het naar buiten tonen van krachten die in de mens werkzaam zijn. Zo kwam men tot de uitbeelding van duivels, monsters, dieren, reuzen e.d. Hiermee hangt samen het “belang van het afleggen van het masker”: het demasqué, dit wil zeggen de mens wil niet langer een rol spelen maar met zichzelf te voorschijn komen.

De katholieken gingen het carnaval vieren voorafgaande aan de vastentijd;  een tijd die een beroep deed op zelfdiscipline, werd voorafgegaan door enkele dagen waar allerlei sociale normen werden losgelaten. Het naar buiten laten komen van een stuk van zichzelf is (was) hierbij wel aan de orde, maar de bewustwording hiervan niet of nauwelijks.

De vastentijd is bij de katholieken op de achtergrond geraakt. De bisschoppelijke vastenaktie, een geldinzameling voor allerlei goede doelen, is nog een laatste overblijfsel. Merkwaardig dat het belang van lichamelijk vasten : het zich onthouden van bepaalde spijzen en dranken, buiten de kerken weer in de belangstelling komt. Vasten krijgt hier weer de betekenis van reiniging (denk aan het gebruik van berkenthee, brandnetelthee, juist in het voorjaar). Een reiniging die van belang is om de opstandingskrachten in onszelf de volle kans te geven.
.

Uit een schoolkrant van de Haarlemse vrijeschool, februari, nadere gegevens onbekend.

 

Carnavalalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

90-87

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (13)

.

Carnaval

“Wees U zelf”, zei ik tot iemand. Maar hij kon niet. Hij was niemand.
(de Genestet)

Kinderen vinden het heerlijk om zich te verkleden.  Zij zijn nog niet zo samengegroeid met hun uiterlijk. Dat is nog in opbouw. Hun inner­lijk betrekt de woning die wordt opgebouwd langzaam. Het duurt zo’n 21  jaar. Dan is de mens volgroeid,  “volwassen”. Dan worden wij geacht zelf in onze aardse woning aanwezig te zijn, ons zelf te zijn, iemand te zijn. Maar dat lukt ons lang niet altijd. De ene mens slaagt er va­ker in dan de ander. Met ons zelf valt niet te manipuleren. Onge­looflijk geraffineerd zijn de middelen waarmee de kwade, zelf­zuchtige machten ons trachten te verhinderen onszelf te zijn. Zij zoeken naar vooruitgang, macht,  “geluk” op aarde ten koste van anderen. Ons ware wezen, ons ware, innerlijke Zelf hoeft zichzelf niet te zoeken. Het hoeft alleen naar te zijn.– “Is dat wat u beweert nu werkelijk uw eigen mening, beste schrijver, of praat u anderen na?”— “Zegt gij dit uit uzelf, of hebben anderen het u van mij gezegd?” vraagt Christus aan Pilatus, wanneer deze aan hem vraagt of Hij de Koning der Joden is.  (Joh. 18-34) – Vragen wij iets uit onszelf, of is het alleen maar nieuwsgierigheid?- We mogen bij anderen, in de Bijbel,  de Koran, bij schrijvers, leraren, vrienden of bij wie dan ook een bevestiging zoeken, doch de werkelijke zekerheid vinden wij slechts bij onszelf. En voor iemand die zichzelf niet is, is zijn uiterlijke verschijning, zijn “woning”, of, zoals men het in India noemt,  zijn “voertuig” niet het belangrijkste. Wat wij gewoonlijk “ik” noemen, hoort bij het voertuig, waarin ons ZELF rijdt. We hoeven maar een ander pakje aan te trekken, anders te “doen, het venster op onszelf, ons “gezicht ” te bedekken, onze herkenningsmelodie, onze “stem” te verdraaien…. en we zijn onherkenbaar geworden. Wij zelf zijn a.h.w. in een ander voertuig gestapt, maar toch niet iemand anders geworden. Daaraan kunnen wij beleven,  dat wij niet ons voertuig zijn.

Henk Sweers, gedeelte van een artikel uit Jonas 11.  februari 1977
Verschenen in een schoolkrant. van de Haarlemse vrijeschool. Nadere gegevens onbekend

 

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

89-86

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (12)

.

Warrige feesten in het voorjaar

Iets onzekers, ook iets mysterieus schuilt er in de warrige tweede maand van het kalenderjaar. Het nieuwe jaar begon vroeger op 1 maart met de lente!

Het Maria Lichtmisfeest gaat op 2 februari vooraf. Men wis­selde zijn dienst, zocht iets nieuws. De werkgelegenheid was nog niet zon probleem. Alles nieuw!
Dit jaar* valt de Vastenavond, eigenlijk “Fazelnacht”  (d.i. een vruchtbaarheidsnacht) vroeg. Pasen valt al op 26 maart. Veertig dagen duurt de vastentijd, die begint klokslag 12 in de vastennacht. Dat is de tijd van het démasqué, dan komt de waarheid aan het licht en daarmede de ernstige ingetogen­heid van de Aswoensdag. Maar daarvoor kon men de gekste ver­mommingen aandoen, pretmaken, lachen, drinken, kortom de bloemetjes buiten zetten. Er schuilt een grote aantrekkings­kracht in om verkleed, gemaskerd feest te vieren. Men is “incognito”, onbekend en ongekend, men kan doen wat men wil. En men wil vooral niet lijken op de persoon die men in het dagelijks leven is!

Er zijn veel grappige misverstanden mogelijk. Een zekere vrijheid is boeiend en prikkelend bovendien. Ook treurige en lugubere zaken worden ongestraft gedaan door gemaskerden. Moordpartijen en gewelddadigheden zijn niet uitgesloten. De beroemdste carnavalsstad was Venetië en daar heeft half Europa het feestvieren geleerd. Vele vermommingen waren af­geleid van de beroemde “Commedia del Arte”, blijspelfiguren die een vast type waren geworden: de melancholische Harlekijn, de liefelijke Colombine, de rijke en gierige Vader Pantalone, de geleerde Dottore, de slimme bediende,  de listige koppe­laarster,  zij vermaakten zich in een wereld van schone schijn, glitter en muziek,  een gevaarlijke wereld, die men, ietwat beneveld door drank of verliefdheid, niet altijd oplettend tegemoet trad.

Voor kinderen is het verkleden een kostelijk festijn, niet het maskeren: dat moet worden afgeraden voor kleintjes. Het masker moet de persoonlijkheid verbergen en het kleine kind heeft nog geen persoonlijkheid. Het carnavalsfeest is ouder dan het christendom, al schijnt het een solide christelijke basis te hebben. De kerkvorsten hebben zich aangepast om de gelovigen geen jolig feest te ontnemen.
Of men met het huidige, moderne zelfbewustzijn nieuwe inhoud aan het carnavalsfeest zou kunnen geven, is een interessante vraag. Eigenlijk zou men een vernieuwing van het oude mysteriefeest (voorchristelijk dus) kunnen nastreven door de andere mens werkelijk te ontmoeten, waarbij het masker van het dage­lijkse leven zou kunnen verdwijnen, althans voor enige tijd zou worden afgedaan. Dat is dan ook weer een diep-religieuze aangelegenheid.

Overigens waren er in het vroege voorjaar nog wel meer feesten, die ook oeroud waren en door de geestelijkheid werden getolereerd. Zij verschilden zeer van elkaar naar plaats, duur en handeling. Eén ding hadden zij gemeen: volkomen gekkigheid. Men sprak ook van “narrenfeesten”. Behalve in de middeleeuwen weten wij ook van zulke feesten in het oude Rome en in Babylon.

De mens was zeer streng ingekapseld in een samenleving die harde en strenge wetten en gebruiken had. De meeste ver­grijpen werden met de dood bestraft. Rome was bijvoorbeeld een asiel, d.w.z. een vrijplaats voor vluchtelingen, ont­heemden, vogelvrij verklaarden, bannelingen en ook doodge­wone gevluchte schurken, dieven en moordenaars. Daarom waren de wetten van Rome zeer hard.

In de mensen leefde echter het bewustzijn, dat er een omme­keer mogelijk was, die door de goden werd toegestaan. Ook in christelijke traditie weet men, dat God de rijken en almachtigen kan vernederen en de armen verhogen.

In Rome had men het “Alle Zottenfeest” of Saturnalia. Heer werd knecht of slaaf. En slaaf werd heer. Een soldaat werd generaal, de generaal soldaat. Wat een komische veranderingen! Het werd sportief gehanteerd.

In de middeleeuwen had men de “narrenfeesten”, meestal gevierd tussen Kerstmis en de zondag na Driekoningen. Geestelijken deden maskers voor, trokken vrouwenkleren aan, dansten in de kerk, sneden brood en vlees op het altaar, zongen schunnige liederen en wat niet al.
Na de dag van spotternijen was ieder weer gewoon, zowel geeste­lijke als leek. Het voldeed aan een grote behoefte blijkbaar. Liefelijk was het “Ezelsfeest“, dat gevierd werd op 2 februari. Een mooi meisje – het was een eer daarvoor uitgekozen te worden – zat fraai aangekleed op een lief ezeltje. Een jonge­man liep er naast, leidde het ezeltje bij de toom en droeg in de andere hand een korfje met twee duifjes. Aan zijn arm hing een mand met timmergereedschap. De gehele stad liep uit – ook de geestelijken en magistraten – om die voorstelling van Jozef en Maria te zien. De duifjes waren voor een reinigingsoffer. Minder aangenaam was een processie in Brussel in 1549 met een zogenaamd “kattenorgel“. Twintig katten zaten op een wagen in een krat opgesloten. Hun staarten waren verbonden met een orgelregister, waarop een organist als beer verkleed speelde. Bij het indrukken van de toetsen werd de kat aan de staart getrokken en liet een krijsend gemauw horen. Allerlei burgers in wolven-, beren- of hertenpakken gehuld dansten er om heen. Men vond de kattenmuziek zeer zuiver volgens een tijdgenoot. Keizer Karel de Vijfde met zijn hele keizerlijke familie kwam op het balkon van het stadhuis om ernaar te kijken. De narrenfeesten zijn geleidelijk verdwenen. Alleen carnaval heeft zich weten te handhaven.

P.C.V. (Paul C.Veltman). Schoolkrant en datum onbekend.

.

Carnavalalle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

88-85

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (11)

.

Carnaval

Het einde van de winter is in zicht. De zon stijgt en krijgt meer kracht, de levenvormende krachten in en om de aarde worden actiever. Ook de mens wil weer actief worden.
Om het ontluiken van de natuur te vieren, reden de Germanen aan het begin van de lente met een gewijde ossenwagen in de vorm van een schip door het land, ter ere van de gesluierde vruchtbaarheidsgodin Nerthus (of Nerval), de Moeder Aarde. Nerthus bracht vrede, blijdschap en vruchtbaarheid waar de wagen langskwam.
Langs de route werd uitbundig feestgevierd en de wapens werden neergelegd. De mensen verkleedden zich en hulden zich in doeken om verborgen te zijn net als de godin Nerthus zelf. Tenslotte werden de wagen en de kleden waarmee hij bedekt was, gewassen op een geheime plaats in zee. De mensen baadden zich ook in de zee of meer en verrezen eruit met nieuwe verwachtingen als nieuwe mensen, een ritueel vergelijkbaar met de doop.

Rudolf Steiner heeft het ‘een herinnering van de mensen aan het eerste incarneren van de mensenziel in het lichaam’ genoemd. Het ongeborene komt over het water, uit de wereld van het stromende, bewegende, op het land; zal vaste vorm aannemen.

We zien nu nog steeds wagens in de carnavalsoptochten. De naam ‘carnaval’ is zeer waarschijnlijk afgeleid van ‘Carrus Narvalis’, dat betekent ‘wagen van Nerval’. Ook andere verklaringen, zoals ‘Carne Vale’ (vaarwel vlees) en ‘Carne Levale’ (opleving van het vlees) lijken zinnig.

Wanneer is het nu eigenlijk carnaval?
Carnaval is het eerste feest in een reeks waarvan de datum niet vastligt. Dit gold oorspronkelijk voor elk feest, men bepaalde het juiste moment namelijk door naar de stand van zon en maan te kijken.

Als we beginnen met het moment van het paasfeest, dan weten we ook wanneer carnaval en Pinksteren (en alle speciale dagen die daarmee samenhangen) vallen. De paasviering vindt plaats de eerste zondag na de eerste volle maan na de eerste lentedag (dat is als dag en nacht even lang duren). De voorbereidingstijd voor Pasen begint 40 dagen ervoor (de zondagen niet meetellen) met Aswoensdag. Carnaval vieren we de drie dagen die daar weer aan vooraf gaan.

In sommige streken duurde de hele carnavalstijd vanaf 11 november (de naamdag van St.-Maarten, beschermheilige van bekeerde dronkaards).

Klokslag 12 in de nacht van Aswoensdag begint de vastentijd, de tijd om boete te doen en tot inkeer te komen vóór het gedenken van het lijden van Christus. Het carnavalsfeest bevatte allerlei heidense elementen die door de
kerk niet uitgeroeid konden worden. Paus Gregorius de Grote besloot daarom, in 602 na Chr., dat, direct volgend op het carnaval, de vastenperiode zou beginnen met Aswoensdag en 40 dagen zou duren.

Wat eerst ‘vruchtbaarheidsnacht’ was (Vaselnacht) werd zo door de kerk tot vastennacht gemaakt.

Vastentijd?
Vasten wil zeggen: sober leven, dus niet feesten en sober eten, dus geen vlees eten. In plaats van vlees werd er vis gegeten. Dat was het voedsel voor de armen omdat die dat zelf konden vangen, en dus was vis eten een gebaar van solidariteit met de armen.

Op Aswoensdag halen gelovigen een ‘askruisje’; op hun voorhoofd wordt met de as van op Palmzondag gewijde palmtakjes een kruisteken gemaakt. De as staat symbool voor trouw en boetedoening, maar ook voor reiniging en nieuw leven. Februari (afgeleid van februare – reinigen) is de maand van schoonmaak, reiniging van buiten en van de ziel. Reiniging is ook nodig wanneer je iets nieuws wilt laten groeien. De vastentijd is ook een goed moment om je ziel te reinigen en je bewust te worden van je zwakke punten en onvolkomenheden. Carnaval gaat altijd gepaard met verkleedpartijen (denk aan de gesluierde Nerthus). Door je te verkleden, verander je je uiterlijke omhulling, het voertuig waarin je je levensweg aflegt en dat je slechts bestuurt. Je eigen IK, je werkelijke wezen, blijft dezelfde. Je kunt je even als een ander voordoen en de draak steken met alles wat normaal is. Als je je vermomming weer aflegt, kom je als herboren tevoorschijn.
Een karakteristiek aspect van het carnavalsfeest is ook de bespotting van de samenleving, kerk en overheid, burgerij en gevestigde orde. Ook kun je het accent leggen op bezinning en extra aandacht voor de mensen die het minder goed hebben. Kijk in je geweten naar de dingen waarmee je bezig bent, het doel dat je in je leven beoogt.

Kunnen we de moed opbrengen om in de ‘Faselnacht’, de vruchtbare nacht, onze maskers af te rukken en in eerbied en bewondering elkaar werkelijk te zien?

Artikel uit een schoolkrant van vrijeschool ‘De Zevenster’ Uden. Nadere gegevens ontbreken.

.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

87-84

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (10)

.

CARNAVAL

Toen bij ons thuis in december de doos met kerstversieringen geopend werd, bleek tussen de dingen verdwaald een zwart-fluwelen masker te liggen. Onze kleuters pakten dat meteen en waren in een mum van tijd gehuld in allerhande lappen, kappen en franjes,  liepen blazend, sissend en brullend door het huis, en iedereen, die volgens hun inzicht iets had gedaan, dat niet in de haak was, werd naar hun “hol” gesleept “voor straf”. ’t Ging onstuimig toe onder het mom van het masker: een oer-weten bleek daar om­hoog te komen, van midwinter, van vroeger tijden in onze streken.

In Germaanse landen vierden de mensen, nog vol overgave levend in het na­tuurlijk ritme van het bestaan, midwinter en lentebegin op deze wijze: een wilde dans van maskers en schimmen, reeds aan het begin van de winter hier en daar opduikend, met een eerste bloei in de tijd tussen, winter- ­en jaarkentering (naar onze begrippen zo tussen kerstmis en nieuwjaar en op z!n hoogtepunt in de tijd van het toenemende licht en de ontwakende natuur. De dreigingen van de winternacht en de bevrijding van de winterse verstarring, ondergang en overwinning, dood en leven, dit zijn de achter­gronden van het ontstaan van gebruiken, waarin de mensen, hunkerend naar het veilig lichte, en de spanning van het donker belevend, zich ont-spanden.

In de tijd van maskers en schimmen werden voor een korte tijd de strenge sociale wetten van de groep opgeheven; vooral de ongehuwde jonge mannen, anders strikt gebonden in hun optreden, werden op vele plaatsen de dragers van deze gebruiken (zoals nu nog op sommige Waddeneilanden tijdens ’t  “Sinterom“).

Bij deze “natuurlijke” achtergrond van de feesten kwam nog een heel directe voorstelling, waardoor deze gebruiken misschien pas goed konden worte­len, dat was de dodencultus. De verering van de doden, het geloof in hun door de dood niet te breken werkzame kracht, deze gedachte vinden wij over­al op aarde aanwezig, bij alle volkeren, in alle tijdperken. En altijd is er een tegenstrijdig beleven, aan de ene kant is er de vrees, want de bo­venaardse kennis, de bovenmenselijke macht waarover de doden beschikken, is onpeilbaar voor de mens. Aan de andere kant houden de mensen van de doden: het zijn de voorouders van het eigen leven, aan wie zij alles te dan­ken hebben, en aan wie ook een toekomstig welslagen te danken zal zijn.

Als nu de geesten,  de zielen der doden, in de nachten tussen midwinter en jaarwisseling onder de hoede van vrouw Ferchta, d.i. vrouw Holle, naar het aardse terugkeren om te kijken bij de levenden, waren de mensen werkelijk bereid de berechting door de “wilde Jagd” te aanvaarden, hun straf op zich te nemen, en zo verzoend te worden en gerechtigd verdere zegeningen te ontvangen. Huis en hofstede hadden van onder tot boven in orde te zijn, luiheid werd door vrouw Holle gestraft (je kunt in Noord-Duitsland nog me­nige huisvrouw haar waslijnen voor de Kerstnacht binnen zien halen. Op je vraag hoor je dan: “dat brengt ongeluk voor t nieuwe jaar.’ Jazeker: als vrouw Holle en de haren erin verward mochten raken.) Je mocht geen nieuws­gierigheid naar het wezen buiten tonen; symbolisch vinden wij dat nog te­rug b.v. op Texel en Terschelling, waar in de winternamiddagen de straten door “Sinterklazen” en anderen worden schoongeveegd. Wie zich na bet aanbreken van de avond nog buiten vertoont, kan door de “witte midwintermannen” (gehuld in witte lakens en met een dicht net voor het  gezicht) en de afschuwelijke heks “Rix van t Oerd” op de mesthoop gedragen worden. Op uitnodiging komen deze midwintermannen en hun gevolg graag in huis voor een versnapering: het dodenoffer. (In Finland houdt men op sommige boer­derijen nog vast aan een oud jul-gebruik: in een hoek van de kamer, of in een apart vertrekje, wordt een tafel gedekt met alles wat het boerengezin tijdens dit ‘oogstfeest’ nuttigt – voor de dode zielen. En opdat niemand deze nachtelijke gasten zou horen – ‘dat is onbehoorlijk’ – wordt de kamer dik met stro uitgelegd.)

Deze kosmische en mythische voorstellingen zijn het in wezen, die tijdens deze donkere weken worden na-voltrokken met deze masker-optredingen: mas­ker: dat is het woord “masca” van de Longobarden en betekent oorspronke­lijk het net, waarmee de doden omhuld werden;  later omschreef men de terugkerende “boze” geest zelf met “masca”. Het masker vervreemdde zijn drager van de rest van de groep. Daardoor werd, wat dit maskerwezen deed en zei, des te indringender ervaren en beleefd door deze gemeenschap. (Het kon zelfs gebeuren, dat de beleving van zo’n masker als belichaming van een gestalte uit andere kosmische regionen zo sterk was, dat – nog in de 18e eeuw – iemand, die in de vermomming van het Ferchta-masker overleed, geen christelijke begrafenis kreeg.)

Maar het is niet alleen deze duister-dramatische stroming, die is geworden tot de “dolle dagen” van onze tijd. Er is nog een andere, en die heeft ons naar men aanneemt, de naam van het feest gebracht: carnaval. Een stroming van heel ver, uit het oude Babylonië.

Daar was het ’t feest van de landbouwers, de viering van de komende lente en de terugkerende zon: de zon had haar kracht ingeboet, de natuur was ge­storven – maar nu, met het stijgende licht, werd alles weer herboren. Men dacht het  heelal als een oceaan, waarop de boot van de zonnegod om de aarde voer; de weg van de jaarlijkse tocht, die door de dierenriem leidde, om te eindigen in een zwart gat, nl. dat gedeelte van de hemel, waar voor het blote oog geen sterren te zien zijn. Daar was voor de Babyloniërs en Sumeriërs de “Zee van het dode Water”, het rijk van de dood. Deze voorstelling vinden wij beschreven in het Gilgamesj-epos:  de held,  Oetnapisjtim, het evenbeeld van de zon – de god Mardoek -is op zoek naar onsterfelijk­heid. Hij maakt in een boot de lange reis naar het einde der wereld, naar het dode water,  om te sterven en uit de dood te herrijzen.

Tijdens de lentevieringen werden in Babylonië optochten gehouden, waarin symbolen van de kringloop in de natuur werden meegevoerd.  Ook het goden­beeld van Mardoek werd uit zijn tempel gehaald en in een boot over t wa­ter naar de stad gebracht. Daar werd de boot op een wagen gezet en meege­voerd in de stoet langs de hoofdstraat van de stad: zo werd de reis van de zonnegod over de wereldoceaan naar het dodenrijk, aan het langs de weg zich verdringende volk getoond (een eerste schouw—burg).  Boot op wielen of te wel “carrus navalis”. Carnaval.

De Grieken namen deze gebruiken over: bij hen echter was Dionysos de god van het ontluikende leven,  die op de boot werd neergezet, vergezeld door een vrolijke saterschare.  De komst van Dionysos werd heel uitbundig gevierd met grote maaltijden,  dans en drinkgelagen. Maar ook hier was het niet  al­leen het feest van de lente,  ook hier een viering ter nagedachtenis van de doden: het leven overwint de dood,  zoals de lente de winter overwint. Ge­leidelijk aan werd het aantal personages op deze “carrus navalis” uitge­breid,  en het statische tentoonstellen veranderde in een dynamische handeling: het toneel. Later werd de boot vaak weggelaten en bleef alleen de wagen over.  (Onze praalwagens van het bloemencorso, in Babylonië hebben zij hun oorsprong).

Toen de Romeinen Germaans gebied introkken en de eerste steden stichtten, bv. Keulen, maakten ook de gebruiken van hun lenteviering hier hun entree. En hier begon “ons” carnaval: Germaanse schimmen en maskers met hun strak en straffend optreden versmolten, of bestonden naast het uitbundige lentevieren uit verre landen.

Carnaval is niets voor ons noorderlingen? Toch vieren wij nog een klein restje carnaval, als wij op oudejaarsavond naar Wim Kan luisteren, naar zijn schertsend of bijtend relativeren van het dagelijks gebeuren. En als wij, rond de jaarwisseling, een lijstje met goede voornemens schetsen, dan zijn wij, als onze voorvaderen, in gevecht met het boze duister, ver­langen naar licht en helderheid. Onze tijd heeft een ander licht zien ver­schijnen, dat zijn boodschap van verlossing en verzoening uitstraalt boven ons bestaan: het licht van het kerstgebeuren.

Carnaval – we mogen het best een beetje meebeleven met onze kinderen, dit heidens-heilige feest, ter nagedachtenis aan ons verleden.

(zie ook: “Carnaval”  door Boris Raptschinsky;
en “Ons eigen volk in het feestelijk jaar” van D.J. van der Ven)

 E.Eshuis-Schütt, schoolkrant van de Haarlemse vrijeschool in febrauri, jaar onbekend.
.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

86-83

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (9)

.

CARNAVAL

Carnaval is een feest dat lang niet altijd even schitterend of uitbundig werd gevierd. De oorsprong is in het geheel niet typisch christelijk, het feest is veel en veel ouder. In wezen is het carnavalsfeest een nieuwjaarsfeest. Daarbij kwam altijd een vruchtbaarheidsmotief. Het nieuwe jaar begon met het opnieuw bezaaien van de bodem. De omkering van rollen en het offeren van de koning kwam oorspronkelijk in de oude culturen van het Midden-Oosten en in het Oude Griekenland voor. De ‘jaarkoning, mocht zich een jaar lang verbinden met de moeder-godin die als priesteres van de aardemoeder over het volk heerste.

Na het jaar werd deze jaarkoning ceremonieel gedood door zijn opvolger. Een boeiende beschrijving daarvan vindt men in een geromantiseerde biografie van de Oud-Griekse held Theseus door Mary Renault.

De kalender die wij hebben werd in Rome door Julius Caesar ingevoerd. Vóór die tijd was maart de eerste maand van het jaar. Onze nog steeds gebruikte namen september (zevende), oktober (achtste), november (negende) en december (tiende) wijzen duidelijk op dit feit. De elfde en twaalfde maanden waren januari en februari. In Rome had men de Saturnusfeesten (Saturnalia) of allegekkenfeest. De rollen van meester en slaaf, van generaal en soldaat, van hoofdambtenaar en laagste ambtenaar waren dan omgekeerd.

De eerste nieuwjaars- en lentefeesten kwamen al voor in Mesopotamie (tegenwoordig Irak). Het feest in het kader van de nieuwe lente begon met een zuiveringsritueel, bestaande uit het offeren van de koning, zodat met een nieuwe lei kon worden begonnen. Met de verschuiving van de koninklijke macht naar de patriarchale vaderfiguur (de oudste culturen waren daar matriarchaal) begon men het offeren van de koning on­behoorlijk te vinden. Met het oude gebruik wilde men óók niet breken. Er werd een dienaar gezocht, die slaaf, tuinman of iets dergelijks was, die als remplaçant moest optreden. Hij genoot als  “schijnkoning” alle voorrechten van de echte koning voor de tijd van het nieuwjaarsfeest.

Is Prins Carnaval ook niet een plaatsvervangend vorst? Zofn schijnkoning heette in Babylonië ‘sarpuchi’. Er is een geval bekend, dat de echte koning tijdens het feest stierf. De jaarkoning, een eenvoudig tuinman, werd dus de ware koning. Hij heeft vierentwintig jaar geregeerd! Dit speelde zich af in het derde millenium voor Christus.

De viering van de lente-nieuwjaarsfeesten was zeer geliefd en ook na de komst van het Christendom wilde men die niet missen.

De christelijke kerk heeft het feest dan ook geheiligd en in het kerkelijk jaar opgenomen. Dit geschiedde omstreeks 1000 n.Chr. en in 1091 werd door de Paus bepaald, dat het begin van de vastentijd op Aswoensdag zou vallen en de dagen vóór Aswoensdag als feesttijd zouden gelden. De afsluiting werd de avond voor Aswoensdag, die Vastenavond werd genoemd. De duur van het carnaval was enkele maanden.

De voorbereidingen begonnen al op 11 november (Sinte-Maarten). Men noemde deze tijd wel “het vijfde jaargetijde”.

De geestelijkheid kreeg de leiding van die feesten en de viering werd met zoveel uitbundigheid gedaan, dat er ver­zet kwam. De hoge geestelijkheid protesteerde tegen dit “narrenfeest” of “ezelsfeest”.

De vastentijd zelf duurde veertig, vroeger zelfs zeventig dagen.  “Vaselnacht” betekent “vruchtbaarheidsnacht”. De oude vruchtbaarheidsriten leidden tot allerlei vreemde toestanden, vond de hoge geestelijkheid. De leiding van de feesten ging weliswaar over op “leken” die narrengezel­schappen vormden met een “prins” aan het hoofd, maar er bleven protesten tegen het carnaval komen.

Toen Luther in 1517 zijn hervorming begon door zijn 97 stellingen aan de deur van de slotkerk in Wittenberg te nagelen, bracht zijn leer in het vervolg, dat niemand door eigen verdienste zalig kon worden. Er moest alleen “uitverkiezing” zijn. En zo, meende Luther, was er geen reden meer om te vasten.
Daarmede stond het aan de vasten voorafgaande carnavals­feest op losse schroeven.

Calvijn beschouwde carnaval als een heidens feest en ketters
tegenover de Kerk. Rond 1600 werd carnaval nog maar door een klein groepje rooms-katholieken gevierd.

Rond 1800 veranderden de kerkelijke omstandigheden. Het carnaval beleefde een come-back. Spoedig werden er weer overal officieel feesten georganiseerd.

De grootse carnavalsfeesten in Italië werden als voorbeeld beschouwd, vooral die in Venetië. Daar droeg men soms zes maanden een masker. En boze tongen beweren dat het echte gezicht van een Venetiaan het zijden zwarte maskertje is.

 ‘V’, nadere gegevens ontbreken
.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

85-82

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (8)

.

CARNAVAL

Eind februari* is het weer zo ver. Het carnavalsfeest. Het feest van de maskers, van hossen en drinken, dansen en “anders” zijn. Een zeer oud volksfeest .
Van oorsprong een nieuwjaarsfeest. Tel maar mee: september betekent ze­vende, maar is de 9e  maand, oktober betekent achtste, maar is de 10e  maand, november 9e, maar is elfde, december 10e,  maar is de twaalfde maand. Januari en februari waren tot 450 v. Chr. de elfde en de twaalfde maand. Vandaar ook dat februari 28 of 29 dagen telt om het jaar sluitend te maken. Logisch gesproken begint het nieuwe jaar toch ook met de lente.

Enerzijds is het een initiatiefeest.
Jongeren moesten drie dagen leven naar voorvaderlijke normen. Men kleed­de zich daardoor in oude kleren. Dus 3  dagen in het gareel lopen, i.p.v. eruit. Zo zou de intrede in de volwassenheid geen teleurstelling zijn.
Anderzijds is carnaval het feest van de overwinning van de zomer op de winter, van leven op de dood.

Net als het oudejaarsfeest een dodenfeest is. En omdat de gestorvenen meevierden maskeerde men zich uit angst voor hen.

In oude agrarische culturen betekende de terugkeer van de zon, de bevruch­ting van de aarde. Dit werd gezien als een heilig huwelijk. We vinden dat o.a.terug bij de Germanen. Jaarlijks werd daar het huwelijk vol­trokken tussen Godin Nerthus, de aardemoeder, en een hoge priester. Daarna reisde zij onder kleden bedekt in een schip met wielen ( de god­heid ging over water en land) door ossen getrokken door het land. Dan rustten de wapenen en de strijd en was er feest en vreugde overal. Als teken van verering der godheid werden rond het schip dwaze dansen en mas­keraden uitgevoerd. Aan het eind van het feest wordt zij op een geheime plaats in zee gewassen, evenals de feestgangers die met nieuwe verwach­ting als nieuwe mensen uit het water komen.

Dit zie je ook bij de afsluiting van het carnaval, als in de vastennacht om 24.00 uur de maskers af worden gezet en de periode van inkeer begint. Dit kosmische huwelijk werd ook op andere manieren nagebootst. Zo lieten tal van volken brandende wielen van de berg afrollen.  In Lim­burg worden nog vastenavondvuren ontstoken om boze geesten te weren, de lucht te zuiveren en het land vruchtbaar te maken onder gelui van klokken, geschreeuw en ander lawaai.

De “Noorlanders” stuurden tijdens de koude lange winternachten boten naar de bergtoppen om de zon te halen.

Nerthus’ schip vinden we nu nog in onze carnavalsoptocht terug, als de zogenaamde “Blauwe Schuit.” Van haar komt ook de naam carnaval, afkomstig van carrus navalis, het wagenschip, het narrenschip. Niet van de humo­ristische uitdrukking der oude kloostertaal “Carne en vale, vlees vaar­wel” , want dat was alleen voor de rijke kloosterlingen weggelegd. Blauw is de kleur van de zotheid.

Carnaval is een oud volksfeest, dat vroeger zelfs in heel Nederland ver­breid is geweest. De kerk heeft zich aanvankelijk tegen het feest verzet, maar daar dat niet lukte is men er vervolgens toe overgegaan dat feest ± 1250 in de kerk te integreren. Door de structuurveranderingen, de verlichting, het rationalisme e.d.  was het in de 18de eeuw met het carnaval boven de rivieren praktisch gedaan. In het zuiden en de rest van West-Europa leidde het een zieltogend bestaan.

Maar door de romantiek komt het carnaval door tal van feesten van Bour­gondische en Duitse vorsten weer terug, en nu met duidelijke sporen van antieke tradities. Zo kennen wij prins carnaval die op het raadhuis wordt ontvangen en ten teken van zijn heerschappij de stadsleutels ont­vangt. Een Babylonische Priesterkoning heeft ± 2600 v. Chr. voor ons vastgelegd dat tijdens hun nieuwjaarsfeest omtrent de lente een rolwisse­ling van meesters en slaven plaatsvindt. In een optocht met een scheepswagen wordt een misdadiger meegevoerd die enkele dagen de rol van koning mag spelen, maar aan het eind van het feest wordt geofferd voor de zonden van het volk. Zo zou men het nieuwe jaar met een schone lei kunnen begin­nen. Dit gebeuren stemde de God van de vruchtbaarheid mild. Vergelijk dit ook met het oplaten van de Schinveldse Geit, het ver­drinken van het Mooswief (Groentevrouw) in Maastricht, van Bacchus in Roermond en het begraven van Knillis in Den Bosch.

Dat vindt allemaal plaats op Vastenavond, de avond, de dag, de dagen die aan de Vasten, dus Aswoensdag voorafgaan.

Vastenavond komt van Vastelavond en vastel komt van het Duitse Faseln, wat gedijen betekent.

De periode van inkeer breekt aan. Van de “dwaasheid” naar de ernst. “Gedenk mens, dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren”, zegt de volgende dag de priester die een askruisje op het voorhoofd zet.

De functie van de maskerade tegenwoordig is het bewerkstelligen van anonimiteit en kortstondig zijn   “wie men wenst te zijn”. Want door het jaar laat men zelden zijn eigen gezicht zien. Velen volstaan ermee te zijn, zoals anderen wensen dat ze zijn. Met het verkleden wil men uit­drukken: “Kijk, dat wat ik aanheb, dat wat jullie zien met je “gewone” ogen is niet het  belangrijkste. Probeer mijn zelf te zien”.

De carnavalsviering is een verlangen naar een gemeenschapsvorm, die al het negatieve mist.
Als carnavalist moet men geen toekijker maar “doener” zijn. Daarom probeert men iedereen in de deelname te betrekken. In de dans­zaal door polonaises, op school door kringspelletjes. Eenieder wordt daardoor opgenomen in de feestvreugde.

Als afsluiting een citaat van Goethe die in zuidelijk Rome het straatcar­naval beschreef: “Wanneer men buiten komt, meent men niet buiten en onder vreemden, maar in een zaal onder bekenden te zijn”.

Ray Kusters,  ‘Rondom’, schoolkrant van vrijeschool Brabant in februari 1982*

 

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

84-81

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (7)

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

.

carnaval 5

Voor de kleding op deze bladzijde zijn we van eenvoudige patronen uitgegaan, die je op het laatste moment nog kunt realiseren. Kinderen vragen niet om perfectie en met ken­merkende details verhoog je de werking van de simpele basiskleding. Laat het kind zelf kiezen wat het wil zijn en zet dit niet te lang van tevoren vast, je loopt de kans, dat het kind de dag voor het feest plotseling heel iets anders wil! Pas ook op voor te zware hoofddeksels en te grote sloffen (een kabouter, die het grootste deel van het feest aan de grond genageld wordt, doordat de andere feestvierders op z’n puntsloffen staan!) Geen maskers voor jonge kinderen, ze hebben immers nog niets te verbergen.

Voor een prinses, fee of elfje kun je aan een bestaand blousje een wijde rimpelrok naaien van een soepel stofje. Naai er papie­ren bloemen of goudfolie sterren op. Het kroontje van goudkarton knippen, de kinderen kunnen er zelf kraaltjes of pailletten op­plakken. Een losfladderend zij­sjaaltje aan zoom en kop van mouw bevestigen. Vleugels erboven, beschreven (zie tekening F).

carnaval 6De clown krijgt een muts van een kwart cirkel, dichtplakken (zie tekening C). Drie grote pom­poenen op de muts, drie op het jak en twee op de schoenen be­vestigen.

 

carnaval 3

Voor het aardbeienvrouwtje en de clown is hetzelfde patroon ge­bruikt. Neem een dubbele lap (van een laken of ongebleekt ka­toen) leg hierop een goed zittend T-shirt en een lange broek. Knip T-shirt en broek 6 cm ruimer na en zet het pak in elkaar. Het pak van het vruchtenvrouwtje rood verven en in de onderkant van mouwen en hes een elastiek rij­gen. Op verschillende plekken gele lapjes naaien. Voor het muts­je een strook crêpepapier van 80 x 30 cm nemen (zie tekening D). Rijg er een draad door ongeveer 10 cm van boven, draad daarna aantrekken.carnaval 4

Voor het bjjtje een ruimzittend T-shirt nemen, mouwen eraf knippen, oprollen en om de 4 cm een katoenen draad strak er­om wikkelen, het geheel in dylon verf bruin verven (zie teke­ning E). De vleugels van dun ijzerdraad maken en beplakken met wit vloeipapier. (Voor een vlinder van gekleurd vloei, mooie figuren op de vleugels plakken) (zie tekening F). De vleugels aan het T-shirt zetten. Voor het mutsje een rondje van bruine wol haken. Twee stukken ijzerdraad met wol omwikkelen als voelsprieten. Onder dit pak een bruine maillot en T-shirt.

carnaval 8

De tovenaar heeft een cape van een hele stofcirkel, met goudpa­pieren figuren bestrooid (zie te­kening B). Kinderen vinden het heerlijk om zelf aan hun uitrus­ting mee te helpen. Onder de ca­pe een rimpelrok of lang jak la­ten dragen. De hoed is naar het­zelfde patroon gemaakt als die van de clown; er is nog een rand aan gemaakt (zie tekening C). Sloffen versieren met metalen of goudkartonnen  gespen. Een baard van wol of katoen (hennep is ook prachtig) op een strookje stof genaaid of geplakt
vervol­maakt de uitrusting.

carnaval 9

Voor het konijntje is als basis een hansop, trainingspak, pyja­ma of trui met maillot nodig. De staart is een wollen pompoen. Het mutsje is een bivakmuts of de mouw van een oude trui (zie tekening A). Maak oren van ijzerdraad en naai of wikkel er stof of crêpepapier omheen. Voor een schaap kun je op dezelfde basis met een omgekeerde oude vachtjas erover en een pluk wol op het hoofd een prachtig effect krijgen.

carnaval 10

carnaval 11

Tineke Geus en Irene Doorn  ‘Jonas’  8 februari 1980.

 

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

 

83-80

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (6)

.

OORSPRONG VAN HET CARNAVAL

Een van de arbeiders aan het Goetheanum vraagt wat het doel van de carnavalsviering is. Waar komt dit feest vandaan? Welk doel heeft de vastenavondviering?

Dr. Steiner: Dus U bedoelt wat de Vastenavond, het carnavals­feest, voor doel heeft? Nou, ziet U, door naar het doel van de carnavalsviering te vragen, wordt die er niet veel begrijpelijker van, want op z’n minst al door de manier waarop men het carnaval heden ten dage viert, zult U wel kunnen beamen, dat de mensheid in de loop van de jaren uiteindelijk ook wel zonder carnaval zou kunnen.

Je kan dus wel zeggen: naar de huidige opvatting is het
car­navalsfeest eigenlijk doelloos.

Maar het heeft ook niet meer zijn oorspronkelijke betekenis. Het is met zulke dingen als het carnavalsfeest precies zo gegaan als het met geestelijke orden, met ceremoniële gewaden enzo gegaan is. Vroeger had dit alles wel degelijk zin, maar gaandeweg is die zin verloren gegaan. Ook de andere jaarfeesten verdwijnen immers geleidelijk. Langzamerhand verliezen zij hun betekenis, wanneer zij niet meer in de ware zin worden opgefrist. Voor het carnavalsfeest is nog niet buitengewoon veel gedaan om het weer betekenis te laten krijgen. Want eigenlijk zou het carnavalsfeest diep kunnen ingrijpen in het gehele sociale leven, wanneer het zijn oorspronkelijke betekenis, (zoals bijvoorbeeld in het oude Rome waar het iets vroeger in het jaar gevierd werd) zou hebben herkregen.

Gaan wij terug in de tijd naar het Oude Rome dan vinden wij het volgende. De mensen waren toen ook, zoals je zou mogen zeggen ingedeeld net zoals in de huidige tijd: de een was staatsambtenaar, de ander soldaat, de derde was arbeider enz voort. En die in­deling was zelfs, althans in sociale zin nog harder dan nu. Want diegene die slaaf was, kon zelfs als mens gekocht worden! Zo kan je zeggen: het verschil tussen de mensen in Rome was heel, heel groot.

Maar het bewustzijn, dat men in deze of gene sociale positie had, dat moest tenminste enkele dagen in het jaar verdwijnen. Nietwaar? Men spreekt heden van democratie en men meent, eerst vooral meer in theoretische zin, dat alle mensen gelijk zijn. Dat hebben de Romeinen absoluut niet geloofd, maar bij hen was hij die in de een of andere hogere stand geboren was, werkelijk pas een echt mens. U weet toch, dat in onze tijd nog voor bepaalde lieden het spreekwoord gold: de mens begint pas bij de baron! Dus degene die lager stond dan de baron was geen mens. In het oude Rome was dit standsverschil natuurlijk buitengewoon sterk. Hoewel de adel toen nog niet zoveel invloed had als later scheen – want dat is een middeleeuwse instelling van de zogenaamde feodale tijd, zo was er toch een groot verschil tussen de standen in het Oude Rome.

Maar dan gedurende een paar dagen in het jaar moesten de mensen gelijk zijn, moest er democratie heersen.
Dat kon men natuurlijk niet zó doen, dat de mensen met hun gewone gezichten kwamen, want dan had men hen herkend! Daarom moesten zij maskers dragen. Dan waren zij datgene, dat het masker aangaf. Dan was er ook nog een man, die carnavalskoning mocht zijn. Die kon in die dagen doen wat hij wilde.
Hij kon bevelen geven, terwijl hij anders slechts bevelen kreeg. En het heel Rome was in die tijd voor een paar dagen gek, op zijn kop gezet. En die mensen konden zich ook tegenover hun superieuren anders gedragen, ze behoefden voor die paar dagen niet beleefd tegen hen te zijn, om de mensen gelijk te maken! Dit gebruik heeft natuurlijk niet ertoe geleid, dat de mensen gehuild en getreurd hebben, want het heeft hun plezier gedaan, dat ze zo een paar dagen konden leven. Uit dat plezier is dan de carnavalspret ontstaan: de mensen haalden dwaze streken uit, wanneer zij voor een paar dagen vrij geworden waren. Het gevolg daarvan was, dat het feest in stand bleef, daar het de mensen zeer (goed) beviel. Maar de dingen worden in stand gehouden zonder dat men de oorspronkelijke betekenis meer weet.

Zo blijft het carnaval als de tijd, waarin men dwaze streken uithaalt, bewaard, omdat men dan dwaze streken uit mocht halen. Daarna heeft de Kerk gevonden, dat het noodzakelijk is, dat men daarna óók de Aswoensdag laat volgen, zodat men zich als een schuldig mens voelt, dat niet alles mag, wat men wil enzovoort, en daar het christendom tenminste vroeger, van mening was, dat de mens ontbering moet kunnen lijden, werd de Vastentijd ingesteld. En het was natuurlijk zeer doelmatig juist de Vastentijd te laten volgen op de carnavalstijd, waarin de mensen nu net het minst ontbeerd hadden; alles wat hun bevallen was, hebben zij immers, zo goed en zo kwaad als het ging, gedaan. Naderhand is het dan veel erger, om de dingen niet te eten die men voordien wel gegeten had. Het was dan alsof de tijd niet opgeschoten was.

Nu was de zaak zo, dat in Rome het carnaval veel vroeger viel, omstreeks de tegenwoordige kersttijd, want alles is ietsje uit­gebreid tot in een later jaargetijde. Daardoor hebben wij de huidige carnavalstijd gekregen. De datum van de carnavalstijd richt zich (naar ik geloof) in alle overige landen naar de paasviering. Slechts in Basel wordt het één week later gevierd, voorzover ik weet. Maar dat leidt er slechts toe, dat het tweemaal gevierd wordt!

Dit kan bij dit onderwerp gezegd worden. Dat kan gezegd worden van veel wat oorspronkelijk in de mensheid nog zin had, maar dat het zinvolle later verloren is gegaan. En dan komt de vraag: waarom is dit allemaal?

Rudolf Steiner: Die Geschichte der Menschheit und die Weltanschauungen der Völker, GA 353, voordracht van 5 mei 1924
Vertaling Paul Veltman*, wanneer en waarin onbekend.
*Hier en daar heb ik er wat gangbaarder Nederlands van gemaakt [phaw]

.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

Rudolf Steiner: alle artikelen

 

82-79

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (5)

.

Door tijdelijke ontkenning van de orde is de rest van het jaar draaglijk

CARNAVAL; FEEST VAN OMGEKEERDE WERELD

Carnaval kent diverse rituelen en gebruiken. Een zoektocht naar de oorsprong en de ver­schijningsvormen van dit volksfeest.

Officieel begint het op de elf­de dag van de elfde maand en is het ten einde op Aswoens­dag. Maar carnaval barst over de hele wereld pas echt in al­le hevigheid los vlak voor de sombere veertigdaagse vas­tentijd die aan Pasen vooraf­gaat. Als een soort schade­loosstelling op voorhand? Of om door de tijdelijke ontken­ning van orde en gezag de rest van het jaar draaglijk te maken?

Onder deskundigen lopen de meningen over de oorsprong van carnaval uiteen. Vast staat wel dat door de eeuwen heen al feesten gehouden werden die overeenkomsten hadden met ons huidige car­naval. Theo Fransen en Gerrit Gommans beschrijven in hun boek ‘Alaaf’ dat in Mesopotamië, de bakermat van onze beschaving, op bepaalde da­gen niet mocht worden ge­werkt. Dan was de slavin ge­lijk aan haar meesteres en mocht de slaaf naast zijn meester lopen. Even heerste er een ‘omgekeerde wereld’.

Scheepswagen
Tijdens de Babylonische lente­feesten is er ook sprake van een rolwisseling. In optocht werd op een scheepswagen een misdadiger meegevoerd, men noemde hem Zoganes. Hij werd voor even tot koning gebombardeerd. Op de laatste dag scheurde men hem de ko­ninklijke mantel van het lijf, kreeg hij zweepslagen en werd publiekelijk terechtge­steld.

Volgens Frans Micklinghoff, die onderzoek deed naar de oorsprong van carnaval, was het een zuiveringsrite: de lei­der diende te sterven voor de zonden van zijn onderdanen zodat het volk het nieuwe jaar met een schone lei kon beginnen.
In onze streken kende men een zonnewende- of vruchtbaarheidsfeest. De Germanen vierden in het vroege voorjaar de wedergeboorte van de zon en de Kelten lieten brandende wielen van de berghellingen rollen. Het symboliseerde het begraven van de zon in de ak­ker, om zo verzekerd te zijn van een vruchtbare oogst. In Friesland speelde men in de 15de eeuw het verdrijven van koning Winter en zijn neef Baljuw van Sneeuw. De kwade demonen werden ver­jaagd met vuren, midwinter­blazen en luid geschreeuw. In Frankrijk werden in de Mid­deleeuwen narrenfeesten ge­houden met rondtrekkende societés joyeuses, gekkengezelschappen die schaamteloze voorstellingen gaven en met smerige liedjes en obscene ge­baren de lachlust van de toe­schouwers opwekten.

Boetedoening
Na de kerstening van Europa trok de kerk van leer tegen de heidense gebruiken rond vruchtbaarheids- en zonnego­den. De kerk verklaarde in het jaar 742: ‘Degene die in februari door allerlei minder oirbare handelingen de winter probeert uit te drijven, is geen Christen maar een hei­den’.
Anders dan het hele­maal uit te willen bannen, ei­gende de kerk zich bepaalde elementen toe. De feesten kregen het karakter van een grote schoonmaak, het aan de kaak stellen van zonden en overtredingen. In 1091 stelde de synode van Benevento dat het oeroude lentefeest voortaan gevolgd zou worden door veertig dagen van boete­doening en versterving. In die periode mocht men bepaalde dingen niet eten, onder ande­re vlees.

carnaval 2

Een scene uit de Commedia del’arte. Ook dit opvoeren van de boertige scènes waarbij het dagelijks leven werd bespot, wordt genoemd als voorloper van ons huidige carnaval. In Venetië wordt carnaval nog steeds op deze wijze gevierd. Daar zie je dezer dagen figuren als op de illustratie rondlopen

Talrijk zijn de etymologische verklaringen van het woord carnaval. Er wordt door des­kundigen al jaren met veel animo over gesteggeld. Het woord zou afgeleid zijn van de term ‘carne levare’ (wat vrij vertaald het wegnemen van vlees betekent) die in 1195 voor het eerst in Frank­rijk gebruikt werd. Of van ‘carne vale’ (= vlees vaarwel) Ook wordt er beweerd dat het woord carnaval wel eens te maken kan hebben met de ‘carrus navalis’ = scheepskar. Volgens oude berichten wer­den in de klassieke oudheid al narrenschepen door de stra­ten voortgetrokken en ook in de  Middeleeuwen gebeurde dat.

 Riet Taal,  Brabants Dagblad  2 maart 2003

 

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

.

81-78

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (4)

.

CARNAVAL EEUWENOUD?.

Als we terug willen gaan naar de oorsprong van het carnaval kunnen we starten op het moment dat car­naval een plaats krijgt in het christendom en in het kerkelijk jaar, maar we kunnen ook beginnen bij de oude culturen waarvan de gebruiken door het kerkelijk gezag zo verfoeid werden.

De feesten die rond de carnavalstijd gegeven werden, hadden als kern het uitbeelden van het ster­ven en herrijzen van de natuur. In de oude culturen waren dit feesten rondom de jaarwisseling. Jaarwis­seling in februari?

De verklaring hiervoor ligt voor de hand; kijken we naar de maanden van het jaar, dan zien we dat we vooruit lopen:

september wil zeggen 7e maand en is nu de 9e.
oktober wil zeggen 8e maand en is nu de 10e.
november wil zeggen 9e maand en is nu de 11e.
december wil zeggen 10e maand en is nu de 12e.
Oorspronkelijk waren januari en februari de 11e en de 12e maand.  Het was Julius Caesar die de nieuw­jaarsdatum naar 1 januari verschoof.

Kijken we naar de oude culturen, dan spreken we dus over de feesten rondom de jaarwisseling.

Mesopotamië
Al in 2600 v .C. werd een nieuwjaars­feest gevierd, waarin iedereen gelijk was aan elkaar  en zelfs slaven voor een dag meesters waren over hun meesters.
Elk jaar werd de koning op een pronkschip op wielen door de feestende massa naar de tempel getrokken. De oergedachte van dit feest was dat de godheid zou sterven voor de zonden van het volk. De koning die de godheid uitbeeldde, moest dan ook sterven aan het einde van de dag.

Om die reden moest er elk jaar een nieuwe koning komen. Dat bleek uiteindelijk niet echt praktisch en daarom werd de plaats van de koning op deze dag ingenomen door een misdadiger, die tot koning gekroond werd. Dit ging zo ver dat hij, behalve dat hij op het einde van de dag moest sterven, ook een dag over de harem van de koning beschikken mocht.

Egypte
De legende gaat, dat Keb (de aardgod), Nut (de vrouw van de zonnegod Ra) verleidde. Ra ver­vloekte haar en zei: ‘Nog geen dag in het jaar zult gij kinderen baren!
Toth vond hier wat op en versloeg de maangodin tijdens een damspel en eiste 5 extra dagen bij het jaar op, (dat bestond toen nog uit 360 dagen.) In deze 5 dagen kon Nut kinderen baren en voor de Egyptenaren werden deze dagen er 5, waarin niet gewerkt hoefde te worden en alle serieuze zaken vergeten konden worden.

Griekenland
Tussen de winterzonnewende  (21 dec.) en de dag- en nacht- evening (21 maart.) werd er een groot wagenschip rond getrokken door de steden. Dit schip werd gevolgd door de god Dionysos. Deze optocht was bedoeld om vruchtbaarheid van de goden te vragen en de boze geesten te verjagen. Dit gebeurde met veel kabaal en angstaanjagende maskers.

Romeinse rijk
De Romeinen vierden 7 dagen feest. In deze dagen werden de slaven vrijgelaten en werd een schijnkoning benoemd. Deze schijnkoning stond hetzelfde lot te wachten als de Mesopotamische koningen.
Hij die de boon in de koek kreeg, had het geluk of de pech om tot koning gekroond te worden.
De koning werd begeleid door mensen, verkleed in wolfsvellen om ook weer al het kwade te verdrijven, zodat het nieuwe jaar “schoon” begonnen kon worden.

Germanen
De Germanen vierden het jul-of joelfeest; het feest van de geboorte van de zon. Hierbij werd een beeld van de god Frey op een schip op wielen voortgetrokken, begeleid door mannen, verkleed als vrouwen of dieren.
Op het schip werd het huwelijk tussen Frey en een priesteres nagebootst, dit als een uitnodiging voor de goden om ook deel te nemen aan het feest.

In het huidige carnaval vinden we nog veel terug van de oude gebruiken:

– Het benoemen van een prins of vorst
– De praalwagens
– Iedereen is gelijk
– Geboorte en sterven  =  Zondeschuld.

De christelijke kerk heeft lang geleden geprobeerd deze gewoonten uit te bannen, maar ondanks alle verboden en straffen, die gegeven werden voor deze feesten, ging het volk er gewoon mee door. De enige oplossing was om het feest te kerstenen.

Het woord carnaval ontstond: carrus navalis-scheepswagen.

Waarom nou een schip?

Alles is omgekeerd met carnaval: dus het schip ging niet te water, maar over land.

Rond carnaval ontstonden verenigingennarrengezel­schappen die we nu nog terug vinden in de carnavals­verenigingen.

Vooral in West-Europa werd carnaval gevierd.  Het feest heeft zich verbreid door kolonialisatie en emigratie. In Nederland vinden we het carnavalsfeest vooral terug onder de grote rivieren; dit komt door de invloed van Luther en Calvijn in het noorden van ons land, die het feest verfoeiden. Ook in Gelderland werd het feest verboden, in 1597.
Toch probeerden mensen stiekem het feest te vieren. Toen het-veel later,-door beter vervoer mogelijk was om het feest in andere plaatsen mee te vieren, kwam het carnavalsfeest enigszins terug in Gelderland. In Nijmegen is in 1948 weer een openbare viering geweest, georganiseerd door de Blauwe Schuit; een vereniging die nu nog bestaat. Deze viering was nog heel voorzichtig maar in 1952 kwam de optocht weer terug en daarmee het echte carnavalsfeest.

(Artikel uit een schoolkrant. Plaats en datum onbekend.
Jiska van Rijn. Oud-leerling,PABO-student.
Bronnen: Carnaval in Nederland en België. Alaaf,Spectrum boek.)

.

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

 

80-77

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – carnaval (3)

.

CARNAVAL, DRIE HELSE DAGEN

Het smalle bospaadje lijkt nog smaller geworden: de hoge struiken aan weers­kanten buigen zwaar voorover, bela­den met dik beijzelde takken en dorre bladeren. Ieder blad is bedekt met een doorzichtig glazen blad van exact de­zelfde vorm. De grond is bedekt met een harde ijslaag, vol bobbels en kui­len. Als je een tak aanraakt, geeft dat een vreemd klirrend geluid. Er is niet veel wind deze barre weken; alleen tegen de avond gaat het wel eens waaien. Dan ruist er door de toppen van de hoge beuken een wonderlijke muziek: al die beijzelde takken en twijgjes klingelen tegen elkaar. Als je er lang naar luistert, voel je een huivering langs je rug lopen, zo onheilspellend klinkt dat krakende geluid van dia­manten takken. Deze verijzing alom, deze langdurige verstarring van alle be­weging en leven is eigenlijk nauwelijks te verdragen.

Soms valt er weer sneeuw en dat brengt ontspanning. Een zachte, witte deken legt zich over die gladde, harde onderlaag. Dan kun je zelf ook weer geloven en hopen, dat niet alle levens­sappen voor altijd zijn gestold. Je kunt er weer op vertrouwen dat dit alles eens voorbij zal zijn, dat eens de zon genoeg kracht zal hebben om de ijs­korst te laten smelten, en dat de lente weer zal aanbreken.

In de maand februari beleven we een merkwaardige tijd tussen twee jaar­feesten in. Het is de maand van het carnaval, het grote verkleedfeest. Achter ons ligt de maand waarin we de drie Wijzen uit het Oosten volgden op hun tocht naar het Christuskind. Voor ons ligt de lijdenstijd. Als ik denk aan een jaarfeest, denk ik onwillekeurig allereerst aan de vreugde die bij een feest hoort. Met jonge kin­deren trachten we dan ook in de vormgeving van zo’n feest de vreugde te laten beleven. Immers, de zonnige kant, de lichtzijde is voor hen belang­rijk, en bij de meeste jaarfeesten is dat ook niet moeilijk te realiseren. Als we bij de herfst beginnen, met het Michaëlsfeest, kunnen we ervaren dat tot en met de kersttijd een stralend, moedgevend licht overheerst in de rij van jaarfeesten. Het innerlijk licht wordt sterker naarmate het licht bui­ten in de natuur afneemt. Met de overgang van het oude naar het nieuwe jaar, met het inzetten van de driekoningentijd is het echter of er zich langzaam iets donkers schuift tussen ons en het licht. Het lijkt of het licht minder sterk wordt, in tegen­stelling tot wat we waarnemen buiten: daar zien we juist het zonlicht terug­komen, de dagen worden langer. In februari gaan we dat echt al merken, en dat wordt steeds duidelijker
naar­mate we het lentepunt naderen. En dan, juist in de tijd dat we na een meer of minder barre winter vol ver­langen uitkijken naar de eerste lente­bloemen – juist dan beleven we wat de jaarfeesten betreft, de donkerste tijd van het jaar: de lijdenstijd, 6 weken volgens de traditie van de rooms-katholieke kerk, 4 weken volgens de nieuwe inzetting van de Christenge­meenschap.

Het licht dat de drie wijze koningen uit het Oosten uitstralen, konden we nog wel doorgeven aan de kinderen in de vormgeving van het feest. Maar de ontmoeting met Herodes blijkt essen­tieel te zijn. Vanaf dat moment ver­andert er iets. Allen die zoeken naar vormen om jaarfeesten te vieren, mer­ken dat de jaarfeesten die nu voor ons liggen, steeds moeilijker te hanteren zijn. Lijden, dood, opstanding, Hemel­vaart, Pinksteren – het zijn inhouden die horen bij de wereld van de volwas­senen, bij het innerlijk van de mens, bij een ‘binnen-wereld’ die een jong kind nog niet kent.

Je zou misschien zelfs kunnen zeggen, dat de uiterlijke vormgeving van de komende jaarfeesten minder belang­rijk wordt ten opzichte van wat er in­nerlijk, in de ziel van de mens aan vorm ontstaat. Voor de viering met kinderen grijpen we terug naar oude gebruiken of het lentegebeuren in de natuur. Dat bevredigt ons niet, maar het hoort wel bij de lichte ‘paradijse­lijke’ toestand van kinderen. Het ele­ment waar we als volwassenen mee te maken krijgen, is ‘na-paradijselijk’. De drie Wijzen uit het Oosten ontmoe­ten in Jeruzalem het boze, maar zij er­varen dit niet bewust. Zij zijn zo ver­vuld van lichtkracht, dat het boze hen niet raakt. Zij herkennen het zelfs niet. Een engel moet hen daarop wij­zen in de droom, en dan gaan zij langs een andere weg naar hun land terug, gehoorzaam aan dat goddelijk bevel. Het is echter de vierde koning die ‘het boze’ in al zijn vormen bewust onder ogen moet leren zien. Hij zoekt zijn weg tussen licht en duisternis. Samen met hem naderen we nu een tijd van diepste vertwijfeling, de zwartste tijd van het jaar. Maar voordat we zover zijn, ontmoeten we eerst nog dat merkwaardige feest van carnaval.

Van oudsher heeft daar dat feest ge­staan, op die plaats in het jaar. Vroe­ger heette het Vastenavond met allerlei gebruiken daaromheen. Van lieverlee is dat van naam veranderd en ook de tijdsduur is gewijzigd. Het eigenlijke carnaval duurt drie etmalen, maar het regime van de vele Prinsen beslaat en­kele maanden. Op de dag dat de
kin­deren langs de huizen trekken met lichtende lampionnen en uitgeholde knolrapen, op de dag van Sint-Martinus, de elfde van de elfde maand, begint in de streken waar carnavalsverenigingen zijn, de regering van een nieuwe Prins Carnaval. In december duiken al deze prinsen onder, maar in januari laten ze weer van zich horen. Hun macht groeit snel naar een hoogtepunt toe en eindigt dan abrupt in de nacht voor Aswoensdag. Het einde van een schim­menrijk.

Waarom staat carnaval op dit punt in het jaar? Kunnen we ergens houvast vinden om dit raadselachtige feest zin te geven, al was het alleen maar voor onszelf? Misschien vinden we aankno­pingspunten in het gebeuren zelf. Het geheel doet ons aan als een bonte ver­kleedpartij. Ieder die eraan meedoet, trekt een kostuum aan dat hij in het gewone leven niet draagt en ook nooit dragen zal! Het is of iedereen zijn eigen alledaagse persoon enige dagen wil wegstoppen, wil doen vergeten, en zich overgeeft aan andersoortige ‘per­sonae’.

Door het dragen van maskers in aller­lei vorm en kleur wordt dat element van verstoppen en vermommen nog versterkt. Voor wie of wat wil men zich verstoppen, voor wie zich verber­gen achter een masker? En wat ge­beurt er als je jezelf verliest in de roes van het carnavalsfestijn, als je meegaat in de deinende massa van carnavalsgasten? Wat raakt er ‘op drift’ als je ‘alle remmen’ los laat? Het lijkt op een bewust gezochte confrontatie met de ‘onderwereld’ in jezelf. Een averechtse wereld, waar alle nor­male, menselijke afspraken en normen niet meer gelden of in hun tegendeel verkeren. De hele maatschappij wordt voor korte tijd ‘ont-regelt’. Drie dagen lang duurt dit feest van zotten en dwazen waarbij alles op zijn kop staat. Drie dagen lang leef je in een roes van ‘hossen en dweilen’, en dan word je op een ochtend wakker op kantoor met hoofdpijn en een schorre keel.

Sneeuwwit en rozerood
In het sprookje van ‘Sneeuwwitje en Rozerood’ horen we wat er gebeurt als tegen het voorjaar ijs en sneeuw gaan smelten. Dan komen ‘de boze dwer­gen’ uit de aarde naar boven gekropen en vallen ons lastig. Zij roven onze ‘schatten’ waar ze maar kunnen. En wat ze eenmaal hebben, laten ze niet zo gemakkelijk meer los.
Wat gebeurt er als de ijskorst van het normbesef smelt? Dan breken ‘de boze dwergen’ in onszelf los. Het lijkt erop of dat gebeurt tijdens die drie helse dagen voor Aswoensdag. Maar behalve dat het misschien samenhangt met natuurlijke gebeurtenissen, kan het ons ook nog een beeld geven van iets anders, en een vermoeden waarom carnaval onverbrekelijk verbonden is met de lijdenstijd.

Er komt in het leven van ons allen een moment waarop alle aardse regels en normen van geen belang meer lijken. Dat is het moment van het sterven. In het licht van de eeuwigheid ziet al het aardse er anders uit. En in dat ster­vensuur, als de ziel van de mens voor de poort van de dood staat, – dan kan het wel gebeuren dat de ‘boze
dwer­gen’ hun kans waarnemen. Een jonge dominee vertelde over het sterven van zijn oude vader: ‘Hij zag meermalen de demonen op zich afkomen, uit alle hoeken van de kamer waar hij lag. Hij was niet een man van grote woorden of iemand die met de Christelijke waarheden te koop liep. Maar als hij hardop zei: ‘Om Christus wil, ga weg! – dan verdwenen die vreselijke gestal­ten en lieten hem met rust.’ Carnaval is niet zo onschuldig als het er uit ziet, maar wellicht is het ook minder zinloos dan de ‘stijve’ noorde­lingen denken!

Marieke Anschütz, ‘Jonas’ 9 februari 1979>
Dit artikel is waarschijnlijk niet volledig.

 

Carnaval: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldjaarfeesten

79-76

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.