Categorie archief: handvaardigheid

VRIJESCHOOL – Handwerken (5-4)

.
Een oud artikel, maar het had ook recent geschreven kunnen worden.
Een vergelijking tussen handwerken en handenarbeid.
.

Hedwig Hauck, Zur Pädagogik Rudolf Steiners, 3e jrg. nr. 3-4 sept.  1929

.

Over de opvoedkundige waarde van het maken van stoffen dieren
.

Steiner noemde handenarbeid en handwerken graag ‘hard’ en ‘zacht’ handwerk.
Hij wees op een belangrijk verschil tussen de twee werkgebieden, waarvan we ons pas geleidelijk in de volle omvang bewust werden. Niet alleen worden op de twee genoemde gebieden verschillende soorten materiaal gebruikt, maar bij de verwerking van hetzelfde worden zeer verschillende soorten zielskrachten van het kind gewekt en aangesproken. De educatieve waarde van het ene en het andere werkveld ligt waarschijnlijk in afzonderlijke gebieden, die elkaar echter op een mooie manier aanvullen, en vaak in elkaar overgaan of in de diversiteit van het werk, dat zowel met de ‘zachte’ als met de ‘harde’ handarbeid kan worden vervaardigd, elkaar overlappen.

Hierna worden echter alleen de verschillen aangegeven. Als voorbeeld nemen we het dier, hoe het van hout in de harde handenarbeid gemaakt wordt en vervolgens van stof in het zachte handwerken. Eerst wordt het plat aan elkaar genaaid en vervolgens door het opvullen in vorm gebracht.

Bij handenarbeid moet het hout bewerkt worden; er wordt gehamerd, geschaafd, gesneden, enz. — het is de krachtige wil die, door direct gebruik te maken van de met leven gevulde ledematen van het kind, creatief ingrijpt in de buitenwereld.

Bij handwerken gaan de stoffen zorgvuldig door de handen. Kleurrijke materialen strelen het hart en de zintuigen en worden met liefdevol begrip bij elkaar gebracht. Hier zijn de zielskrachten van het gevoel werkzaam, die niet tot de ledematen behoren, maar tot de borststreek van de mens, die in het bloed en de adem stromen en die daarom de handen slechts indirect gebruiken om datgene wat innerlijk wordt gevoeld, uiterlijk te laten verschijnen.

Zoals een levende waterstroom de steen van buitenaf vormt en verandert, zo is het de levende wil die het werk aan het hout van buitenaf uitvoert en het kunstwerkje, het dier, vanuit de levenskrachten vormgeeft.

Levenskrachten komen van buitenaf uit de kosmos naar de mens, zielskrachten werken innerlijk aan hem aan en vormen zijn fysieke gestalte van binnenuit.

Zoals ziel en geest in de mens zelf scheppend werken, wanneer het tussen het zevende en veertiende jaar het fysieke lichaam en zijn organen van binnenuit vormgeeft en bezielt, zo schept het kind door zijn werk aan het dier dat het van binnen opvult om vorm te geven aan de buitenkant. Daarom wordt zo’n dier als het ware ook door het kind bezield. Het is vaak verrassend om te zien hoe het temperament van het kind, zijn eigen wezen, tot uiting komt in het dier dat hij heeft gemaakt. Het gaat bijvoorbeeld niet altijd om cholerische leeuwen, maar soms duikt er ook een nogal flegmatisch of melancholisch roofdier op. De dieren zijn vaak grappig, humoristisch, die vaak al tijdens het werk het lievelingsspeeltje van het kind worden.

Tot het hier besproken gebied behoren ook de poppen. “Laat maar lachende poppen maken, poppen die de ziel uitdrukken,” zei Steiner ons ooit. De meisjes maken met grote toewijding poppen en dieren, terwijl de jongens over het algemeen de voorkeur geven aan dieren.
Van het negende tot het tiende levensjaar, wanneer in het hoofdonderwijs met de plaats van de mens in de natuur begonnen wordt, wordt het voor de kinderen mogelijk om hun dier- en poppenvormen op een meer bewuste manier te maken. Bij jongere kinderen komen dier- en poppenvormen volledig uit het onbewust-psychische tevoorschijn.

Zoals bij het zachte handwerken een zielvol dier ontstaat, zo ontstaat bij de harde handenarbeid een levendig dier. Het dier kan puur uiterlijk bewegen en door zijn bewegingen zijn ze vaak heel grappig en humoristisch waardoor ook emotionele aspecten tot uiting komen.

De stoffen dieren, met hun directe gevoelsuitdrukking en vaak onnavolgbare humor, hebben meestal geen uiterlijke beweeglijkheid. Maar ze leven van binnenuit toch. Als een kind bijvoorbeeld een aanstormende olifant met zijn slurf omhoog maakt, dan rent de olifant daadwerkelijk en in de verbeelding van het kind zwaait hij hard met zijn slurf. heen en weer. Het kind wordt door zo’n speeltje gestimuleerd tot steeds nieuwe fantasierijke activiteiten, waarvan het zeker het idee heeft dat het leeft. Dit heeft een vormend en structurerend effect op de hersenen. Het kind krijgt via dergelijk speelgoed een heel andere ontwikkelingskans dan via veel ‘mooi’ modern speelgoed, waarbij de fantasie, omdat het niets meer heeft om aan te vullen, moet afhaken en de hersenen verkommeren.

Er wordt over het algemeen veel te weinig aandacht besteed aan de ontzettend belangrijke educatieve waarde van poppen en dieren die kinderen zelf maken. Daarnaast is er nog iets anders belangrijks. Zo biedt een pop met dergelijke kleding de beste voorbereiding op het naaien van bijpassende kledingstukken die het kind – als het wat ouder is – voor zichzelf en anderen moet maken.

Op deze manier wordt het kind van spel naar zinvol werk geleid – en ook naar morele impulsen. Poppen en dieren worden door de kinderen altijd met liefde verzorgd. Door hen worden de kinderen tot die onbaatzuchtige liefde voor dieren en mensen aangezet – waaruit op latere leeftijd de mooiste sociale impulsen kunnen bloeien. —

Het zijn de vermogens van het gevoel, de vermogens van de liefde, die in het kind worden gewekt door het zachte handwerken, en vooral de wilskracht die wordt ontwikkeld door de harde handenarbeid. —

In de vrijeschool zijn euritmie en gymnastiek op een vergelijkbare manier met elkaar verbonden als de twee hierboven genoemde werkgebieden. In deze school, zoals uit vele andere voorbeelden kan blijken, ervaren gevoel en wil hun overeenkomstige, gelijke steun en vorming naast al het intellectuele, zodat de gehele mens, niet alleen de intellectuele, zich kan ontwikkelen. —

Zowel het zachte als het harde handwerk hebben beide kunstzinnig beleven en vormgeving als doel. Door kunstzinnig ervaren, door het plezier voor het mooie, wordt de ziel van het kind tot ontwikkeling gebracht en het gevoel voor waarheid, het gevoel voor morele goedheid in het kind aangelegd.

Een woord van Rudolf Steiner kan deze overweging wellicht afsluiten:

‘ Voor het gehele verdere leven is een vruchtbare bodem gelegd, waaruit vreugde, levensblijheid en werkkracht kunnen opbloeien, wanneer het gevoel voor schoonheid en kunst in de jeugd ontwikkeld is. En de verhouding van mens tot mens, hoeveel edeler en zuiverder wordt deze niet door de zin voor het schone.
De moraliteit, die in deze jaren ook ontwikkeld wordt door de beelden van de wereld en het leven, door het voorbeeld van de opvoeder, die als autoriteit aanvaard wordt, krijgt vastheid, wanneer door de schoonheidszin al het goede tevens als schoon, al het slechte als lelijk wordt aangevoeld.’
GA 34/340
Vertaald: De opvoeding van het kind

De zwart-wit foto’s zijn uit het artikel van Hauck, de andere via Pinterest, van veel recentere datum:

.

Handvaardigheid: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3380-3179

.

.

.

VRIJESCHOOL – Klas 1-6 – handwerken in de onderbouw (5-2)

.
Interview: Evelien Nijeboer, Seizoener 2018

.

DENKEN MET JE HANDEN

.

Op het eerste gezicht lijkt het vreemd.
Waarom leren alle kinderen, meisjes én jongens, breien op de vrijeschool? En ook haken, weven en borduren?
Daar zit een leerplan achter.
Denk aan het ontwikkelen van de fijne motoriek en van de oog-handcoördinatie, of een goede werkhouding. En ervaring opdoen met tellen en rekenen.
Dan is er het belangrijke element van gevoel voor kleuren en patronen.
Maar ook de ervaring zelf.

Handwerkjuf Conny de Heer: ‘Het is zo’n vreugde om iets moois te maken met je eigen handen. Zelden zie je een trotser kind dan als het met veel moeite zijn werkstuk heeft afgemaakt!’ 

Handwerken als ontwikkelstof

Handwerken maakte al vanaf de allereerste vrijeschool in Stuttgart (1919) deel uit van het leerplan. De uitvoering verschilt per school, en bij Conny ook per kind, maar het gaat als volgt:

In de eerste klas leren de kinderen breien,
in de tweede klas haken,
in de derde wéér breien, maar nu met een averechtse steek erbij want die vraagt extra bewustzijn.

In de eerste klas vraagt de leerkracht de kinderen vaak om een lap van honderd pennen en vijfentwintig steken te breien. Zo verandert elk getal onder de honderd in ervaringsmateriaal. Daarnaast worden de steken steeds geteld en de kinderen oefenen hun doorzettingsvermogen. Van de lap maken ze dan een dier voor zichzelf.
Rond hun 9e breien ze een eigen muts – mooi beeld voor de fontanel, die dan definitief sluit.
Zo heeft handwerken steeds een plek in de ontwikkeling.

Conny: ‘In de vierde klas komt het moment dat kinderen hun ik sterker gaan beleven. Met vragen als: waar kom ik vandaan? of: waar eindigt het heelal? De kruissteek laat dan zien hoe je vanuit vier hoeken je centrum vindt.

In de vijfde klas maken ze wanten voor zichzelf en in de zesde sokken of sloffen, soms ook een bodywarmer. Zo krijgen ze bewustzijn voor hun eigen lichaam.’

Alles wat ze maken is mooi – en ook echt bruikbaar. ‘Zo geef je kinderen een optimaal gevoel van eigen kunnen.
Als ze na de zesde de wijde wereld in gaan. hebben ze al hun ledematen in mooie zelfgemaakte wollen kleding gehuld.’

Rust in het hoofd

Volgens juf Conny heb je rust in je hoofd nodig om tot leren te komen.
‘Als een kind chaotisch is. vliegt de aandacht overal naartoe – behalve naar waar hij moet zijn. Door het handwerken leren de kinderen dat je werk alleen goed gaat als je je aandacht er volledig bij hebt.’
Handwerken structureert je aandacht. en dat vormt de kinderen.
Onderzoek toont aan dat onze hersenen zich vooral ontwikkelen aan zinvolle handelingen, met name met onze handen.

Bij het handwerken is het hele kind betrokken:

de aandacht,
de lichaamsbeweging,
het gevoel van eigen kunnen, de ziel: daarmee wordt in het kind de basis gelegd voor een gezonde en bezielde logica.

‘Voor oen kind van zeven is het bijvoorbeeld een hele toer om de volgorde van handelingen van het breien te onthouden. Insteken, omslaan, doorhalen, af laten glijden. Precies die volgorde, anders krijg je geen moor breiwerk. Het mooie is dat het breiwerk zélf precies laat zien of het goed is gegaan. Kinderen leren zo wat het is om met aandacht ordening aan te brengen – het vol te houden om steeds opnieuw de juiste handeling op het juiste moment te doen. Zodra een kind het gevoel heeft van ‘ik kan het’, zie je dat de chaos verdwijnt. Ze raken betrokken bij hun werk. Ze zakken in zichzelf en zijn erg trots als hun mooie werk af is. Zo ontstaat er rust in de klas en kinderen ontwikkelen een leer- en werkhouding, die ook de andere vakken ten goede komt.’

Haken, weven, borduren

‘Elke techniek heeft ook zijn eigen functie. De kinderen beginnen meestal in de kleuterklas met een pompon of een weefwerkje – ik laat ze dat met hun vingers doen. Met een weeflat gaat het veel sneller, maar dan missen ze de gelegenheid om hun fijne motoriek te oefenen. Het gaat om het handig worden met je vingers.’
Ook de oog-handcoördinatie, zeer belangrijk voor onder andere het latere schrijven, wordt daarbij geoefend. ‘Later, bij het borduren wordt de oog-handcoördinatie nog meer geoefend. Als je niet alert bent, prik je in je vinger. De draad ligt los in de naald, dus je moot goed opletten hoe je de naald vastpakt – samen met de draad, anders trek je de naald van de draad.’

Door te breien m de eerste klas, leren kinderen hoe je een taak begint, erin volhardt en hem afmaakt.

Conny: ‘Bij het breien werken de linker- en de rechterhand samen. Wanneer kinderen duidelijk de linkerhand als voorkeur hebben, mogen ze de draad met de linkerhand omslaan.

Verder blijft het breien hetzelfde, want als het breien in spiegelbeeld wordt aangeleerd is mijn ervaring dat de draad gaat splijten – dat werkt niet prettig. Haken, naaien en borduren kunnen wel zonder problemen linkshandig aangeleerd worden. Dat is ook beter, want kinderen kunnen gaan stotteren wanneer ze worden gedwongen om met hun niet-voorkeurshand te werken.’

In de tweede klas is dan het haken aan de beurt. Waar in de eerste klas het rekenen nog veel op de vingers gebeurt, wordt in de tweede het schrijven belangrijker. Door te haken oefen je de pengreep – en ook de verfijnde, gerichte hand- en polsbewegingen die nodig zijn voor het schrijven.

Competentiegevoel

Als je de handwerklessen afschaft, geef je je goud weg’, zegt Conny. ‘Ik had een jongetje met ADHD. Hij ging naar een andere school – en zei dat hij de  handwerklessen erg zou gaan missen, omdat hij daar zo rustig van werd.
Ik heb zijn nieuwe juf aangeraden om hem twintig minuten te laten weven als hij het te kwaad krijgt.

Het is ook heel belangrijk dat elk project wordt afgemaakt. Alleen dan kan een kind trots zijn op z’n werk en krijgt zijn competentiegevoel een boost. Een onafgemaakt werkstuk ligt als een steen in je rugzak – dat is en blijft de ervaring van iets wat niet gelukt is. Dus ik zorg dat het af komt. Als het moet help ik een handje en als een kind vroegtijdig van school gaat, maak ik het werk af en stuur ik het na.

Maar fijn werken is het allerbelangrijkst. Over een werkstuk mag je zo lang doen als je wilt, maar wel vanuit respect voor het materiaal en de omgeving. In de manden waar de kinderen hun materiaal uit kiezen, liggen de bolletjes wol bijvoorbeeld altijd mooi op kleur.’

Bij Conny krijgt elke gebreide pen een high-five.
Ze biedt prachtige projecten aan en verzint nieuwe, met de kinderen.

‘Als ze een Minion willen maken, dan zoeken we samen uit hoe dat moet.

Als kinderen zelf kunnen kiezen wat ze willen maken, zijn ze supergemotiveerd.’ 

.
Conny de Heer: De verborgen kwaliteiten van handwerken
.

Handvaardigheid: alle artikelen

Rudolf Steiner over handvaardigheid: alle artikelen
(met opmerkingen over handen en intelligentie)

Meer over handen en intelligentie: [5]

Vrijeschool in beeld: alle beelden

In de trein

.

SEIZOENER

EVELIEN NIJEBOER

.

3353-3154

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 307/2)

.

Wanneer Steiner over handvaardigheid spreekt, gaat het enerzijds om de samenhang tussen het bewegen van de handen, de vingers en de ontwikkeling van het denken, anderzijds over ‘kunstzinnigheid’.
Wat daarover in GA 307 staat, vind je hier.

In GA 307 gaat het ook over de kunstzinngheid, de vormgeving.

Gegenwärtiges Geistesleben und Erziehung
Opvoeding en moderne cultuur

Voordracht 13 Ilkley, 17 augustus 1923

Kulturkonsequenzen der neuen Erziehungsmethoden
Consequenties van de nieuwe opvoedingsmethoden voor de cultuur

Blz. 228/229   vert. 295   vervolg op – aansluitend – deze passage

Dadurch sind wir aber auch in der Lage, die Kinder von diesem Handarbeitsunterricht zu einem verständnisvollen Treiben eines wirklichen Handfertigkeitsunterrichts zu führen. Im entsprechenden Lebensalter, und zwar ziemlich frühe, führen wir die Kinder dazu, sich Spielsachen zu machen – wie Sie ja hier gesehen haben in der Ausstellung, die wir von den Kinderhandarbeiten machten -, sich Spielsachen selber aus

Daardoor zijn we echter ook in de gelegenheid de kinderen van dit handwerkonderwijs naar een begrijpend beoefenen van een werkelijk handvaardigheidonderwijs te voeren. Op de leeftijd die daarbij past, en wel tamelijk vroeg, brengen we de kinderen zover dat ze speelgoed voor zichzelf maken – zoals u hier heeft gezien in de tentoonstelling die we van de werkstukken van de kinderen hebben gemaakt —, voor zichzelf speelgoed uit hout 

Blz. 229  vert. 295/296

Holz selber aus Holz herauszuschneiden und dadurch das Spiel mit dem
Künstlerischen zu verbinden.
Es ist tatsächlich ganz demjenigen entsprechend, was aus der menschlichen Natur heraus gefordert wird, wenn man das Spiel allmählich
überführt in künstlerisches Gestalten, und dann auch in jenes praktische Gestalten, von dem ich ja schon gesprochen habe. Und es ist
außerordentlich interessant, wie eine gewisse Plastik, plastisch-künstlerische Schöpfertätigkeit sich bei den Kindern wie von selbst hinzufindet bei der Zubereitung von Spielsachen.
Und so können wir dann auch das Künstlerische wiederum in das
Kunstgewerbliche überführen, so daß die Kinder lernen einfache Werkzeuge machen, einfache Hausgeräte machen, aber auch Sägen, Messer,
andere Werkzeuge in der richtigen Art zu Tischler-, zu Schreinerarbeiten zu verwenden. 

snijden en daardoor het spel met het kunstzinnige verbinden.
Het is in feite helemaal in overeenstemming met waar de menselijke natuur om vraagt als je het spel geleidelijk overbrengt naar een kunstzinnige vorm, en dan ook naar dat praktische vorm geven waarvan ik zojuist heb gesproken. En het is buitengewoon interessant hoe bij de kinderen een bepaalde plastiek, scheppende plastisch-kunstzinnige activiteit als vanzelf zijn weg vindt bij het maken van speelgoed.
Zo kunnen we dan ook het kunstzinnige weer in het kunstnijverheidachtige laten overgaan zo, dat de kinderen leren eenvoudige werkstukken te maken, eenvoudige huisraad, maar ook leren om zagen, messen en ander gereedschap op de juiste wijze te gebruiken voor allerlei meubelmakerswerk. 

Und es ist außerordentlich interessant, wie eine gewisse Plastik, plastisch-künstlerische Schöpfertätigkeit sich bei den Kindern wie von selbst hinzufindet bei der Zubereitung von Spielsachen.
Und so können wir dann auch das Künstlerische wiederum in das Kunstgewerbliche überführen, sodaß die Kinder lernen einfache Werkzeuge machen, einfache Hausgeräte machen, aber auch Sägen, Messer, andere Werkzeuge in der richtigen Art zu Tischler-, zu Schreinerarbeiten zu verwenden. Und mit einer außerordentlichen Begeisterung stehen die Kinder, Knaben und Mädchen, in unserer Werkstätte, fügen mit Begeisterung dem anderen Unterricht dieses Arbeiten mit Messer und Säge und den anderen Instrumenten ein und sind froh, wenn sie dabei Dinge fertig bekommen, welche dann den Charakter des für das Leben Nützlichen und Brauchbaren haben. Auf diese Weise regt man alle Instinkte für das Leben an. Wir sehen dabei, wie auf der einen Seite der Sinn für das Praktische, auf der anderen Seite der Sinn für die Kunst tatsächlich ausgebildet wird.

Zo kunnen we dan ook het kunstzinnige weer in het kunstnijverheidachtige laten overgaan zo, dat de kinderen leren eenvoudige werkstukken te maken, eenvoudige huisraad, maar ook leren om zagen, messen en ander gereedschap op de juiste wijze te gebruiken voor allerlei meubelmakerswerk. Met buitengewoon groot enthousiasme staan de kinderen, zowel jongens als meisjes, in onze werkplaats en vol enthousiasme geven ze dat werken met beitels en zagen en de andere instrumenten een plaats naast het andere onderwijs, en ze zijn blij als ze daarbij dingen voor elkaar krijgen die het karakter hebben van wat voor het leven nuttig en bruikbaar is. Op deze wijze wek je alle instincten voor het leven. We zien daarbij hoe aan de ene kant de zin voor het praktische, aan de andere kant de zin voor kunst werkelijk wordt ontwikkeld.
GA 307/228-229
Vertaald/295-296

Zur Ausstellung von künstlerischen und kunstgewerblichen
Arbeiten der Waldorfschüler

Bij de tentoonstelling van het werk op het gebied van kunst en kunstnijverheid van de leerlingen van de vrijeschool

Ilkley, 8. August 1923 

Blz. 267   vert. 342/343

Und es ist dann interessant, wenn man die Kinder übergehen läßt von dem Malerischen zu dem Plastischen. Sie haben hier allerlei Photographien von Plastiken, es sind aber auch Plastiken da, Sie haben hier plastische Formen. Die Kinder arbeiten das durchaus aus der Phantasie heraus, und es ist interessant, wenn man durchgenommen hat bildhaft mit den Kindern, sagen wir, Menschenkunde, wenn man ihnen erklärt hat Formen von Knochen, Formen von Muskeln, wenn man also alles dies mit den Kindern so besprochen hat, daß man es wirklich in lebendiger Anschaulichkeit hat, und die Kinder arbeiten dann im plastischen Formen, dann werden diese Formen ganz von selber dem ähnlich, was man durchgenommen hat. Man kann ganz genau verfolgen, wie der innere Seelengang der Kinder in den Formen zum Ausdruck kommt, wie sie ganz aus sich selbst heraus schaffen.

En dan is het interessant als je de kinderen laat overgaan van het schilderen naar het boetseren. U ziet hier allerlei foto’s van boetseerwerk, maar er is ook boetseerwerk aanwezig, u heeft hier plastische vormen. De kinderen halen dat helemaal vanuit de fantasie te voorschijn en het is interessant, als je met de kinderen op beeldende wijze, laten we zeggen, menskunde hebt doorgenomen, als je hun de vormen van de botten hebt uitgelegd, de vormen van de spieren, als je dus dit alles zo met de kinderen besproken hebt dat je het echt in een levendige aanschouwelijkheid hebt, en de kinderen werken dan in plastische vormen, dan gaan deze vormen helemaal vanzelf lijken op wat je met ze hebt doorgenomen. Je kunt heel precies volgen hoe bij de kinderen de innerlijke beweging van de ziel in de vormen tot uitdrukking komt, hoe ze helemaal vanuit zichzelf scheppen. 

Man muß nur immer als Lehrer dahinterstehen und sozusagen unmerklich die ganze Sache dirigieren. So werden dann aus den malerischen die plastischen Formen, und die Kinder gehen sehr gern über, ich möchte sagen, aus dem rein absichtslosen Schaffen, das einen spielerisch-künstlerischen Charakter hat, zu dem, was aufs Zweckmäßige, aufs Nützliche geht. Man kommt sehr leicht auf diese Weise hinüber aus dem Spielerisch-Künstlerischen in das Kunstgewerbliche, in die Anfertigung von allerlei Dingen, die nützlich sind. Nur muß man einen solchen Unterricht, ich möchte sagen, mit einem ernsten Humor durchführen. Man muß die Kinder namentlich dazu bringen, daß sie Dinge, die ganz aus ihrer eigenen Phantasie entspringen, zum Beispiel Spielzeuge, machen (Dr. Steiner zeigt eine Holzpuppe). Ich glaube, das sind Dinge, die eigentlich jeden Künstler ansprechen müssen, eher als manches Kunstwerk in Ausstellungen. Das nächste: eine Stoffpuppe. Solche Dinge sind ja entzückend; das machen ganz junge Kinder; sie lernen dabei den Anfang zum Nützlichen, wie Sie sehen; sie nähen das selbst.
Nun aber, besondere Freude macht den Kindern dasjenige, was sie gewissermaßen ins Novellistische, ins Bewegliche hineinbringen können, und da sind sie sehr erfinderisch. Diese Dinge, die dann sinnvoll sich bewegen (ein Hase), die machen sie mit großer Hingabe. Da ist es ganz besonders interessant, wie die Kinder erfinderisch werden an die

Je moet alleen steeds als leraar erachter staan en zogezegd onmerkbaar de hele zaak dirigeren.
Zo worden dan uit de geschilderde de plastische vormen, en de kinderen gaan erg graag over, ik mag wel zeggen, vanuit het zuiver onopzettelijke scheppen, dat een speels-kunstzinnig karakter heeft, naar wat in de richting gaat van het doelmatige, van het nuttige. Je komt op die wijze erg gemakkelijk vanuit het speels-kunstzinnige terecht in het gebied van de kunstnijverheid, in de vervaardiging van allerlei dingen die nuttig zijn. Nu moet je een dergelijk onderwijs, zou ik willen zeggen, met een ernstige humor ten uitvoer brengen. Je moet de kinderen namelijk ertoe brengen dat ze dingen die geheel aan hun eigen fantasie ontspringen, bijvoorbeeld speelgoed maken [Rudolf Steiner laat een houten pop zien]. Ik geloof dat dit dingen zijn die eigenlijk elke kunstenaar moeten aanspreken, eerder dan menig kunstwerk op tentoonstellingen. Het volgende: een lappenpop. Zulke dingen zijn toch schitterend; dat maken heel jonge kinderen; ze leren daarbij het begin voor het nuttige, zoals u ziet; ze naaien het zelf. Maar bijzonder blij worden de kinderen door wat zij als het ware in het verhalende, in het beweeglijke kunnen binnenbrengen, en dan zijn ze zeer vindingrijk. Deze dingen die dan zinvol bewegen (een haas), die maken ze met grote overgave. Het is dan heel bijzonder interessant hoe de kinderen vindingrijk worden bij dit

beweglichen Spielzeug. Je spaßiger die Viecher sind, die da ausgeführt werden (Storch) desto mehr macht es den Kindern Freude. Die Kinder haben sehr gern den Unterschied eines sich stolz freuenden Tieres, eines melancholisch aussehenden wie dieser Rabe. Daß die Kinder aus dem steifen Geformten in das Bewegliche hineingehen, das ist etwas, was ungeheuer stark anregt innerlich, herausholt aus dem schlafenden Organismus die wachende Seele, sie herausruft.
Sehen Sie, das ist etwas, was, wenn das Kind es fertig hat, es selbst ungeheuer erfreut (eine Ente); sie ist so gemacht, daß sie den Schnabel bewegt; das ist ja für das Kind entzückend. So bekommt das Kind wirklich ein inneres Gefühl für dasjenige, was lebt.
Dann gehen wir ja auch dazu über, daß die Kinder wirklich dasjenige lernen, was für das Leben eine Bedeutung für sie hat. Da handelt es sich nun darum, daß man wirkliches Formgefühl, wirklichen Künstlersinn bei den Kindern entwickelt (Sofakissen).

beweeglijke speelgoed. Hoe grappiger de beesten zijn die daar gemaakt worden (ooievaar), des te meer geeft het kinderen vreugde. De kinderen vinden het erg leuk het verschil van een dier dat blij en trots is, met een melancholisch eruit ziend dier, zoals deze raaf. Dat de kinderen vanuit het stijf gevormde binnengaan in het beweeglijke is iets wat innerlijk reusachtig sterk stimuleert, uit het slapende organisme de wakende ziel tevoorschijn haalt, haar te voorschijn roept.
Ziet u, dat is iets wat, als het kind het af heeft, het zelf reusachtig blij maakt (een eend); ze is zo gemaakt dat ze de snavel beweegt; dat is voor het kind verrukkelijk, nietwaar. Zo krijgt het kind werkelijk een innerlijk gevoel voor dat wat leeft.
Dan gaan we ook ertoe over dat de kinderen werkelijk dat leren wat voor het leven betekenis voor hen heeft. Het gaat er dan om dat je een werkelijk gevoel voor vorm, een werkelijk kunstenaarsgevoel bij de kinderen ontwikkelt (sofakussen).

Es ist ja so sehr häufig üblich, daß solche Kissen nicht so gemacht werden, daß man ihnen ansieht, wozu sie dienen, wie sie im Leben drinnenstehen. Bei uns wird großer Wert darauf gelegt, daß man den Dingen ansieht, wozu sie im Leben dienen (eine Decke). Da liegt das Ding auf; da braucht es keine Verzierung. Wir haben darauf gesehen, daß die Sachen so gearbeitet werden, je nach dem Zweck, zu dem das Ding bestimmt ist. So muß die Verzierung angebracht sein zum Sofakissen. In dieser Beziehung arbeiten die Kinder mancherlei aus dem Leben heraus. Da kann man sich darauflegen (in der Mitte); hier legt man sich nicht darauf – das muß das Kind verstehen.
Ein Teewärmer. Das wird über die Teekanne übergestülpt, und das muß eben auf beiden Seiten gleich sein. Das muß man alles sinngemäß aus dem Leben heraus formen lassen. So wird dann das Kind übergeführt zu demjenigen, was kunstgewerblich ist, was also als Schönes Bedeutung hat (eine Tasche), herübergeführt aus dem Formerleben, dem Zeichnen in das praktische Handhaben des Kunstgewerblichen. Die Motive werden unter Umständen auch zuerst gemalt und gezeichnet, und das Kind merkt dann, wie man alles anders behandeln muß, wenn man mit der Farbe auf dem Papier streicht, oder wenn man mit dem Faden auf dem Stoff arbeitet. Die verschiedene Art, das Material

Het is zo vaak gebruikelijk dat zulke kussens niet zo gemaakt worden dat je eraan afziet waartoe ze dienen, hoe ze in het leven een functie hebben. Bij ons wordt er grote waarde aan gehecht dat je aan de dingen ziet waarvoor ze in het leven dienen (een deken). Daar rust het ding op; daar heeft het geen versiering nodig. We hebben er op gelet dat elk ding zo gemaakt wordt al naar gelang het doel waarvoor het ding bestemd is. Zó moet de versiering aangebracht zijn op het kussen. In dit opzicht werken de kinderen van alles uit het leven uit. Daar kun je op gaan liggen [in het midden]; hier kun je niet gaan liggen – dat moet het kind begrijpen. Een theemuts. Dat wordt over de theepot heen gedaan en dat moet aan beide kanten gelijk zijn. Dat moet je allemaal doelmatig vanuit het leven laten vormen. Zo wordt het kind dan overgebracht naar dat wat kunstnijverheid is, wat dus als iets moois betekenis heeft (een tas), overgebracht uit het vorm beleven, uit het tekenen naar het praktische toepassen van de kunstnijverheid. De motieven worden eventueel ook eerst geschilderd en getekend, en het kind merkt dan hoe je alles anders moet behandelen als je met verf op papier schildert, of als je met draad op stof werkt. De verschillende manieren om het materiaal

Blz. 269   vert. 345/346

zu respektieren, das läßt sich ganz wunderbar bei diesen Sachen her- ausarbeiten. Und Übergänge sind ja sehr schön zu schaffen, nicht wahr, das, was bloß zur Freude, zum Entzücken da ist (bewegliches Holzspielzeug), geht eben dann in das Allernützlichste über, in dem, was dann zum Beispiel als Kochlöffel auch gearbeitet wird. Das ist dasjenige, was die Kinder immer mit gleicher Hingebung ausführen.
Wir haben es auch schon dahin gebracht, daß unsere Kinder Buchbinderarbeiten machen, daß unsere Kinder Bücher einbinden lernen, kleine Kartons, kleine Schachteln machen lernen. Das ist etwas, was in einer ungeheuren Weise die Geschicklichkeit und auch den Lebenssinn anspornt. Solche Dinge, wie mein Notizbuch (Dr. Steiner zeigt es), solche Dinge werden zum Beispiel gearbeitet in dem Buchbinderei-Handarbeitsunterricht. Es wird von den größeren Kindern auch Gartenarbeit geleistet. Der ganze Lehrgang wird von der Lehrerin selber  gemacht.
Und so wird eben überall versucht, den künstlerischen Sinn nach der einen Seite zur Ausbildung zu bringen, aber das auch wirklich überzuleiten ins praktische Leben.

te respecteren, dat kun je heel wonderbaarlijk bij deze zaken uitwerken. En overgangen zijn wel zeer mooi om te scheppen, nietwaar. Wat alleen maar voor het plezier, voor de verrukking bestaat (bewegend houten speelgoed), gaat dan dus in het meest nuttige over, in wat dan bijvoorbeeld ook als pollepel gemaakt wordt. Dat is iets wat de kinderen steeds met dezelfde overgave uitvoeren. We zijn ook al zover gekomen dat onze kinderen boekbinders werk doen, dat onze kinderen leren om boeken in te binden, leren om kartonnen doosjes, kleine doosjes te maken. Dat is iets wat op een geweldige wijze de handigheid en ook de zin voor het leven aanspoort. Zulke dingen, zoals mijn notitieboekje [Rudolf Steiner laat het zien], zulke dingen worden gemaakt in de boekbinderij-handenarbeidles

sen. Er wordt door de grotere kinderen ook tuinierswerk verricht. De hele leergang wordt door de lerares zelf gemaakt.
En zo wordt dus overal geprobeerd om het kunstzinnige gevoel aan de ene kant tot ontwikkeling te brengen, maar dat ook werkelijk over te brengen in het praktische leven.

Man kann ja gerade auf diese Weise erreichen, daß die Kinder wirklich ganz tiefinnerlich dabei sind bei diesen Dingen. Man sieht, wie die Kinder erfinderisch werden, wie sie froh sind, wenn ihnen das oder jenes gerade auf diesem Gebiete der Handarbeiten einfällt, und man erreicht dadurch wirklich eine ungeheure Belebung des Unterrichtes. Es ist interessant, wie disziplinierend auch dieses nach dem Künstlerischen hinübergerichtete Treiben des Unterrichtes ist. Es ist sehr interessant zu sehen manchmal, wenn Knaben und sogar auch Mädchen im intellektualistischen Unterricht nicht recht mitwollen, da werden sie nichtsnutzig, da treiben sie allerlei törichte Dinge, und da wird dann Klage geführt von dem Lehrer, der den mehr intellektualistischen Unterricht geben muß. Diejenigen Lehrer, die dann den plastischen Unterricht geben oder überhaupt nach dem Künstlerischen hinüber wirken, die sind dann gerade mit solchen Kindern, über die sonst geklagt wird, oftmals außerordentlich zufrieden, sind sogar erstaunt darüber, wie begabt da die Kinder sich zeigen. Aber man muß das nicht als ein bloßes Apercu hinnehmen, sondern es hat eine ganz tiefe pädagogische Bedeutung. Man kann auf diese Weise auch wiederum die Begabung für das, was zum Beispiel der Mensch an Intellektualistischem haben will oder haben muß fürs Leben, wecken.

Je kunt immers juist op die manier bereiken dat de kinderen werkelijk helemaal in hun diepste innerlijk bij deze dingen erbij zijn. Je ziet hoe de kinderen vindingrijk worden, hoe ze vrolijk zijn, als hun een of ander invalt op dit gebied van de handarbeid, en je bereikt daardoor werkelijk een enorme beleving van de lessen. Het is interessant hoe disciplinerend ook deze op het kunstzinnige gerichte activiteit is. Het is vaak zeer interessant om te zien, als jongens en zelfs ook meisjes in het intellectualistische onderwijs niet goed meewillen, dan worden ze nietsnuttig, dan gaan ze allerlei gekke dingen doen, en dan wordt door de leraar geklaagd dat hij hun meer intellectualistisch onderwijs moet geven. Die leraren die dan boetseerles geven of überhaupt in kunstzinnige richting werken, die zijn dan juist met zulke kinderen, waarover anders geklaagd wordt, vaak buitengewoon tevreden, zijn zelfs verbaasd erover hoe begaafd de kinderen daar blijken te zijn. Maar je moet dat niet als zomaar als een aperçu nemen, nee, het heeft een heel diepe pedagogische betekenis. Je kunt op die manier ook weer de begaafdheid wekken voor wat bijvoorbeeld de mens aan intellectualistisch vermogen wil hebben of moet hebben voor het leven.
GA 307/267-269
Vertaald/342-346

.

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3146-2959

.l

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 305/2)

.

Wanneer Steiner over handvaardigheid spreekt, gaat het enerzijds om de samenhang tussen het bewegen van de handen, de vingers en de ontwikkeling van het denken, anderzijds over ‘kunstzinnigheid’.
Wat daarover in GA 305 staat, vind je hier.

In GA 305 gaat het ook over de kunstzinngheid, de vormgeving.

GA 305       vertaald

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehungskunst
Spirituelle Werte in Erziehung
und sozialem Leben

Opvoeding en onderwijs
Spirituele grondslagen

Voordracht 7, Oxford 23 augustus 1922

Die Waldorfschule als Organismus
De Waldorfschool als organisme

Blz. 137-138    vert. 127-128

Und auf dieses Hinüberlaufen in das Physisch-Praktische des Lebens, darauf ist der Waldorfschul-Unterricht in erster Linie angelegt.
Und so wird hingearbeitet, daß immer mehr und mehr die Kinder ihre Hände gebrauchen lernen, wobei herausgearbeitet werden muß aus dem, was Händegebrauch im Spiel erst war bei dem ganz kleinen Kinde durch ein gewisses artistisch, künstlerisches Element hindurch, das aber aus dem Kinde selbst hervorgeholt werden soll.
Das erreichen wir dadurch, daß wir die Kinder allerlei praktische Arbeiten machen lassen. Wir sind es jetzt nur in der Lage vom 6. Schul­jahr ab; manche von diesen Dingen gehören in ein früheres Alter, aber – ich habe es schon erwähnt – wir mußten eben Kompromisse schließen, das Ideal wird man erst später erreichen können, dann wird das, was jetzt ein elf- oder zwölfjähriges Kind macht, auch ein neun­jähriges Kind machen können auch in bezug auf praktische Arbeiten. Aber diese praktischen Arbeiten tragen den Charakter des freien Ar­beitens und des Hineintragens ins Künstlerische. Das Kind soll aus dem Willen heraus arbeiten, nicht aus irgend etwas, was ihm vorge­schrieben ist.
So führen wir in einer Art von Handfertigkeitsunterricht das Kind hinein, allerlei Gegenstände zu schnitzen, allerlei Gegenstände zu ver­fertigen, die es aus seiner Idee heraus verarbeitet

En op die overgang naar de fysieke en concrete kant van het leven is het onderwijs op de Waldorfschool in de eerste plaats gericht. En dus wordt er aan gewerkt de kinderen steeds beter hun handen te leren gebruiken. Wat het kind in het spel deed met zijn handen toen het nog heel klein was, moet verder worden ontwikkeld door middel van een zeker artistiek, kunstzinnig element, dat overigens wel uit het kind zelf te voorschijn moet worden gehaald. Dat kunnen we doen door de kinderen allerlei concrete werkstukken te laten maken. Wij zijn op dit moment pas vanaf het zesde leerjaar in de gelegenheid dat te doen, terwijl veel van die dingen thuishoren in een eerdere leeftijdsfase, maar we zijn nu eenmaal gedwongen compromissen te sluiten, ik heb daar al eens eerder op gewezen. De ideale situatie zal men pas later kunnen bereiken, en dan zal wat het praktische werk betreft ook een negenjarig kind al kunnen doen wat nu een elf- of twaalfjarige doet. Die concrete werkstukken dragen overigens het karakter van vrij werk dat overgaat in het kunstzinnige. Het kind moet werken vanuit de eigen wil en niet vanuit iets wat hem is voorgeschreven. We laten dus in een soort handvaardigheidsonderwijs het kind allerlei voorwerpen uit hout snijden, of allerlei voorwerpen op een andere manier maken, die het naar zijn eigen idee uitwerkt.

Man macht die Er­fahrung, wie in einem auf das Lebendige gebauten Unterricht tatsäch­lich die Kinder die Dinge aus sich herausholen. Ich will ein Beispiel sagen. Wir lassen die Kinder Dinge schnitzen, die halb künstlerisch, halb nützlich sind. Man kann zum Beispiel in diese Schale irgend etwas hineintun. Wir lassen die Kinder das schnitzen in den Formen, so daß die Kinder ein Form-, ein Gestaltungsgefühl aus sich heraus bekommen, so daß die Kinder etwas schaffen, was aus ihrem Willen heraus und aus ihrem Wohlgefallen heraus die Form bekommt. Aber dabei stellt sich etwas sehr Merkwürdiges heraus. Nehmen Sie einmal an, wir haben zu irgendeiner Zeit menschliche Anatomie in der Klasse getrieben so, wie es für diese Klasse in der Schule ganz besonders notwendig ist. Wir haben den Kindern erklärt die Form des Knochensystems, wir haben den Kindern erklärt auch die Form des äußeren Körpers, die Lebensweise des menschlichen Organis­mus. Die Kinder haben das, indem der Unterricht so artistisch gestaltet wird, wie ich es dargestellt habe in den letzten Tagen, lebendig aufge­nommen. Es ist bis in ihren Willen gegangen, nicht bloß in ihre Gedanken, in ihre Köpfe. Und dann sieht man, wenn sie nun darangehen, so etwas zu machen, daß das in ihren Händen weiterlebt. Die Formen werden

Men kan daarbij ervaren hoe bij een onderwijs dat op het leven gebaseerd is, de kinderen de dingen inderdaad uit zichzelf weten te bereiken. Ik zal u een voorbeeld geven. We laten de kinderen voorwerpen uit hout snijden die deels kunstzinnig en deels nuttig bedoeld zijn. Deze schaal bijvoorbeeld, daar kan men iets in doen. We laten de kinderen het hout daarbij in zodanige vormen bewerken dat zij vanuit zichzelf een vormgevoel gaan ontwikkelen, een gevoel voor vormgeving, en zo iets maken wat zijn vorm krijgt op basis van hun eigen wil en van wat zij zelf plezierig vinden. Maar daarbij treedt iets heel merkwaardigs op. Stel, we hebben op een bepaald moment in een klas de menselijke anatomie behandeld, op een manier die voor die klas in onze school heel belangrijk is. We hebben de kinderen verteld over de vorm van het skelet, we hebben de kinderen ook verteld over de vorm van het uiterlijke lichaam en de manier waarop het menselijk organisme leeft. De kinderen hebben, doordat ons onderwijs een kunstzinnige vorm heeft, wat ik in de afgelopen dagen heb beschreven, dat allemaal op een levendige manier in zich opgenomen. Dat is in hun wil terechtgekomen, niet alleen in hun gedachten, in hun hoofd. En dan ziet men, als ze nu aan de slag gaan om zoiets te maken, hoe dat verder leeft in hun handen. Er ontstaan andere

Blz. 139  vert. 128

andere, je nachdem wir im Unterricht das eine oder das andere treiben. Es lebt sich in den Formen aus. Man sieht es dem, was die Kinder plastisch schaffen, an, was in den Stunden morgens von 8 bis 10 Uhr getrieben wird, weil das, was als Unterricht erteilt werden soll, eben in den ganzen Menschen hineingeht. Das erreicht man nur, wenn man eben Rücksicht darauf nimmt, wie in der Natur gearbeitet wird. ( )
Und da, sehen Sie, wenn unsere Kinder im 6. Schuljahr herankommen in der Schule, die Dinge nun selber aus ihrem Formgefühl heraus zu entwickeln, dann zeigen sie sich so, wie es in diesen kleinen Musterbeispielen der Fall ist, die wir mitgebracht haben (Holzpuppen). Die Dinge sind so, wie sie ganz aus der Individualität irgendeines Kindes herauswach­sen.
Es handelt sich aber insbesondere darum, daß man Kinder früh darauf aufmerksam macht, wie sie aus der inneren Beweglichkeit her­aus, nicht aus innerer Starrheit heraus eigentlich sich das Leben denken wollen. Daher, wenn man die Kinder allmählich aus dem Spielwesen heraus dasjenige, was ja für sie seriös ist, seinen Ernst hat, gestalten läßt, so muß man versuchen, Beweglichkeit in die Sache hineinzubringen. Sehen Sie, solche Sachen, was, wie ich glaube, ein ganz außerordent­licher Kerl ist (geschnitzter Bär), machen die Kinder ganz von der

vormen al naar gelang we in het onderwijs het een doen of het ander. Dat krijgt in die vormen gestalte. Aan het plastische werk van de kinderen is te zien wat er in de ochtenduren tussen acht tot tien is gedaan, want de les die daar wordt gegeven, komt inderdaad terecht in de gehele mens. Dat bereikt men alleen als men er rekening mee houdt hoe in de natuur te werk wordt gegaan. ( )
En kijk, als onze kinderen dan in de zesde klas inderdaad zover zijn dat ze dingen beginnen te ontwikkelen vanuit hun eigen vormgevoel, dan zien die er zo uit als deze kleine voorbeelden, die we hebben meegebracht [houten poppen]. Deze dingen zijn helemaal vanuit de individualiteit van een of ander kind ontstaan.
Het gaat er echter vooral om, kinderen er al vroeg op te wijzen dat ze werkelijk vanuit innerlijke beweeglijkheid en niet vanuit innerlijke starheid het leven zouden moeten opnemen. Daarom, als men de kinderen langzamerhand vanuit hun spel laat komen tot het vormgeven van iets wat voor hen eigenlijk heel serieus is, moet men proberen beweeglijkheid daarin aan te brengen. Kijk, dit is toch een schitterend exemplaar, vind ik [uit hout gesneden beer]; zulke dingen maken de kinderen helemaal

Blz. 140-141  vert. 129-130

Picke auf, und sie machen auch diese Zugdinge selber daran, ohne daß man sie dazu anleitet, so daß sich dann bei einem solchen Kerl auch die Zunge bewegt, wenn er so getrieben wird. Oder die Kinder tragen ihre Phantasie hinein in die Sache: sie machen eine Katze nicht so, daß sie artig ist, sondern machen das, was sie bemerken, ohne daß sie die tieferen Zusammenhänge kennen, den Katzenbuckel, ganz ordentlich hinein.
Besonderen Wert lege ich immer darauf, daß Kinder auch bei Spiel­zeugen sich schon hineinfinden in das, was sich bewegt, was also nicht bloß ruht, sondern bei dem man handeln lernt. So fabrizieren dann die Kinder Dinge, die ihnen außerordentlich Freude gewähren, wenn sie sie nach und nach fertigbringen. Sie machen nicht bloß realistische Dinge, sondern ganz aus ihrer eigenen Idee heraus machen sie solche Gnomen­geschichten und dergleichen.
Sie finden durchaus auch die Möglichkeit, in komplizierterer Weise solche Dinge zusammenzusetzen; es wird ihnen nicht gesagt, daß man das machen kann, sondern das Kind wird nur darauf geführt, so daß es von selbst solch einen lustigen Kerl (beweglicher Rabe) machen kann, und dann wiederum sieht er griesgrämig aus, traurig.
Und wenn das Kind dann so etwas fertigbringt (Eule mit beweg­lichen Flügeln), dann ist es ganz besonders befriedigt! Das machen also die Kinder zwischen dem 11. bis 15. Jahre, jetzt noch die älteren, aber wir werden es dann allmählich zurückzuführen haben in noch frühere Klassen, wo die Formen dann einfacher werden.

zelf. En ook deze trekdingetjes maken ze er zelf aan, zonder dat iemand ze op dat idee brengt, zodat zo’n beer ook nog zijn tong beweegt, als er hier aan getrokken wordt. Of ook wel leggen de kinderen hun fantasie erin: ze maken een kat niet zo dat zij er lief uitziet, maar ze geven haar, zonder dat ze precies weten hoe dat zit, maar omdat ze dat gezien hebben, een prachtige hoge rug.

Ik hecht er altijd bijzonder veel waarde aan, dat kinderen zich ook wat hun speelgoed betreft al helemaal thuis voelen bij iets wat beweegt, wat niet alleen maar stil staat, maar waarbij je leert handelen. Zo fabriceren de kinderen dan dingen waar ze tijdens het maken ontzettend veel plezier aan beleven. Ze maken geen puur realistische dingen, maar helemaal naar hun eigen ideeën maken ze dit soort kabouterachtige dingen en dergelijke.
Ze ontdekken ook zonder meer hoe je zulke dingen nog veel ingewikkelder in elkaar kunt zetten. Het wordt ze niet verteld dat je dat kunt doen, maar het kind wordt alleen op het juiste spoor gezet, zodat het vanzelf zo’n vrolijke knaap [beweegbare raaf] kan maken, die er zó dan weer knorrig of bedroefd uitziet.
En als het kind zoiets als dit voor elkaar krijgt [uil met beweegbare vleugels], dan is het helemaal tevreden! Dit maken dus de kinderen van elf tot vijftien. Op dit moment nog de oudere kinderen, maar langzamerhand zullen we dit werk in de lagere klassen gaan doen, waar het dan eenvoudiger van vorm zal zijn.

.

Blz. 143  vert. 132-133

Wenn man auf diese Weise ein Gefühl für Farbenharmonik hervor­ruft, dann bringt man es zustande, daß die Kinder Gegenstände, die irgendwie dem Leben dienen, dann machen. Dieser Einband ist nicht zuerst aufgezeichnet, sondern das Kind lernt in Farbe zu erleben, und nachher so etwas, was etwa ein Bucheinband ist, zu gestalten. Dabei handelt es sich darum, das wirkliche Lebensgefühl bei dem Kinde zu erwecken. Es gibt die Möglichkeit, gerade durch Form und Farbe stark hineinzuführen in das Leben.
Man kann zuweilen finden, daß das Schreckliche geschieht, daß irgend jemand an ein Kleid ein Halsband machen läßt, dann einen Gürtel, unten einen Kleidersaum, und daran hat er dasselbe Muster. Man kann das zuweilen sehen. Es ist natürlich das Schrecklichste, was im Leben passieren kann, aus künstlerischen Instinkten heraus. Das Kind muß frühzeitig lernen, daß ein Band, das für den Hals angebracht ist, die Tendenz hat, nach unten sich irgendwie zu öffnen, nach unten zu wirken; daß der Gürtel beiderseitig wirken muß, und daß der Saum des Kleides unten, daß der nach oben irgendwie streben muß und unten aufstehen muß; daß also nicht das Schreckliche geschieht, daß ein Kind lernt, einfach ein Band künstlerisch ausbilden, sondern es muß wissen, wie das Band aussehen muß, je nachdem es an diesem oder jenem Teil des Menschen sitzt.

Intussen heeft Steiner ook iets over schilderen en kleurbeleving verteld.

Wanneer men op die manier gevoel wekt voor de harmonie van kleuren, dan krijgt men het voor elkaar dat de kinderen vervolgens ook voorwerpen maken die in het leven van nut zijn. Deze boekomslag is niet eerst op papier getekend. Het kind leert vanuit de kleur te beleven, en vervolgens zoiets als een boekband vorm te geven. Daarbij gaat het erom het werkelijke levensgevoel te wekken bij het kind. Juist vorm en kleur bieden de mogelijkheid het kind op een intensieve manier met het leven in aanraking te brengen.

Het thema dat hieronder volgt, werd ook al behandeld in GA 302A (met vele voorbeelden) en GA 303.
Het gaat hier weer om ‘vorm en functie’

Je ziet wel eens, heel erg is dat, dat iemand een randje laat maken langs de hals van een jurk, dan een ceintuur en van onderen een zoom, met alle drie hetzelfde motiefje. Dat zie je wel eens. Dat is natuurlijk het allerergste wat je mee kunt maken in het leven, vanuit het artistieke instinct dan. Het kind moet al vroeg leren dat een randje langs de hals zich op een of andere manier naar beneden wil openen, naar beneden gericht wil zijn. De ceintuur moet naar twee kanten gericht zijn, en de zoom onderaan de jurk moet op een of andere manier omhoog gericht zijn en moet rusten op de onderkant. Het mag dus niet zo zijn, dat zou namelijk verschrikkelijk zijn, dat een kind zonder meer een band kunstzinnig vorm leert geven. Het moet weten hoe die band eruit moet zien, al naar gelang de plaats waar de mens hem draagt. 

.

So zum Beispiel muß man wissen, wenn ein Buch­einband gemacht wird, daßwenn man das Buch anschaut, man es so aufmacht. Es muß zwischen oben und unten ein Unterschied sein. Dieses Raumgefühl, dieses Formgefühl, in das muß das Kind notwendiger­weise hineinwachsen. Das geht dann bis in die Glieder. Das ist ein Unterricht, der zuweilen viel stärker in das Physische hineinwirkt als ein abstraktes Turnen. Und so sehen Sie, wächst aus der Farbenbehand­lung eben dasjenige heraus, was dann allerlei nützliche Gegenstände werden, die dann behandelt werden in der Weise, daß wirklich das Kind empfindet Farbe neben Farbe und Form auf Form, und das Ganze gehört zu etwas, und daher mache ich es so.
Das ist dasjenige, das in jede Einzelheit hineingehört, in das Leben­dige des Arbeitens. Der Unterricht soll eben eine Vorschule für das Leben sein. Sie werden da unter den Arbeiten allerlei interessante Dinge finden, sogar hier etwas, was ein verhältnismäßig sehr kleines Mädchen gemacht hat (Eierwärmer).

Zo moet men bijvoorbeeld ook, als er een boekband wordt gemaakt, weten dat een boek, als men het voor zich heeft, op deze manier wordt opengeslagen. Er moet verschil zijn tussen boven en onder. In dat ruimtelijk gevoel, in dat gevoel voor de vorm zal het kind onvermijdelijk moeten opgroeien. Dat is iets wat tot in de ledematen gaat. Dat soort onderwijs heeft soms een veel sterkere uitwerking op het fysieke dan gewoon maar gymnastiek. En zo ziet u hoe het omgaan met de kleuren leidt tot het vervaardigen van allerlei nuttige voorwerpen. Daar wordt zo mee omgesprongen dat het kind werkelijk kleur naast kleur gaat ervaren en vorm ten opzichte van vorm, en dat het de ervaring heeft: dit hoort allemaal ergens bij en daarom doe ik dat zo. Dat maakt allemaal tot in detail onderdeel uit van een levende manier van werken. Het onderwijs moet nu eenmaal een voorbereiding zijn op het leven. U zult tussen deze werkstukjes allerlei interessants vinden, zelfs zoiets als dit, wat naar verhouding door een heel klein meisje is gemaakt [eierwarmer].
GA 305/137-143
Vertaald/127-133

.

Rudolf Steiner over handvaardigheid

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3143-2956

.

.

.

.

Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 303/2)

.

Wanneer Steiner over handvaardigheid spreekt, gaat het enerzijds om de samenhang tussen het bewegen van de handen, de vingers en de ontwikkeling van het denken, anderzijds over ‘kunstzinnigheid’.

De ‘kunstzinnigheid’ komt in GA 294;  300A;   302;  303;   304;  307  aan de orde
De stoel die wordt gemaakt, zou zo kunstzinnig moeten zijn dat deze tot zitten uitnodigt.
In GA 302 komt zoiets ter sprake voor een kussen om op te slapen.

In GA 303 wordt dit thema weer opnieuw uitgewerkt:

GA 303

Die gesunde Entwickelung des Menschenwesens
Gezondmakend onderwijs

Dornach, 14e voordracht, 5 januari 1922

De esthetische opvoeding

Blz. 261      vert. 293-294

Und da, wenn man auf das wirkliche Leben, nicht auf Theorien hinsieht – wenn man sich eben vom Leben leiten läßt, nicht von den abstrakten Ideen -, wird man gerade, wenn man die Tendenz verfolgt, den Menschen praktisch zu machen, dazu geführt, in der Zeit vom Zahnwechsel bis zur Geschlechtsreife möglichst viel vom Schönen, vom wirklich künstlerischen Erfassen des Lebens an den Menschen heranzubringen. Je mehr man dem Menschen Verständnis beibringt für das Schöne, je mehr er sich durchdringt mit innerem Verständnis für das Schöne, desto besser wird er vorbereitet sein, im geschlechtsreifen Alter an das wirklich Praktische heranzutreten, ohne daß ihm für das ganze weitere Leben Schaden zugefügt wird. Man kann erst dann im Grunde genommen ungefährdet an das Verständnis eines Tramwaywagens, an das Verständnis einer Lokomotive herantreten, wenn man im richtigen Lebensalter sich das ästhetische Verständnis für ein Gemälde oder eine Plastik angeeignet hat.

En dan — wanneer we ons laten leiden door het leven en niet door abstracte theorieën – worden we juist als we de neiging volgen de mens praktisch te maken, ertoe gebracht in de tijd van tandenwisseling tot aan geslachtsrijpheid de mens zoveel mogelijk in contact te brengen met het schone, hem echt kunstzinnig begrip van het leven bij te brengen. Hoe meer we de mens begrip bij brengen voor het schone, hoe meer hij zich doordringt met innerlijk begrip voor het schone, des te beter zal hij wanneer hij geslachtsrijp is, voorbereid zijn om het leven werkelijk praktisch te benaderen zonder dat hem voor het hele verdere leven schade wordt berokkend. Je kunt je eigenlijk pas zonder gevaar een begrip vormen van een tram of een locomotief als je je op de juiste leeftijd het esthetische begrip voor een schilderij of een beeldhouwwerk hebt eigen gemaakt.

Das ist es,worauf vor allen Dingen gesehen werden muß. Aber es muß Schönheit als in das Leben hineingehörig betrachtet werden. Es muß überall ein Sinn dafür entwickelt werden, daß die Schönheit nichts für sich Abgeschlossenes, sondern etwas in das Leben Hineingestelltes ist. Und in dieser Beziehung muß unsere heutige Zivilisation gerade für Unterrichts- und Erziehungszwecke manches lernen.
Sie werden an einzelnen Beispielen, die ich möglichst auf das Ein­fachste reduzieren will, sehen, wie es eigentlich gemeint ist, das Kind in den lebensvollen, lebensgetränkten Schönheitssinn hineinzuführen. Sehen Sie, man kann zu irgendeinem häuslichen, manchmal auch einem schulmäßigen Handarbeitsunterricht hingeführt werden; da sitzen die Mädchen und haben irgendwelche Bänder und sticken auf diese Bän­der allerlei Muster drauf, wie man sagt. Sagen wir also, da sticken die Mädchen etwas auf ein Bändchen, etwa dieses (Zeichnung 2) – ich ma­che es möglichst einfach, nur zur Verdeutlichung. Wenn man dann frägt:

Daar moet vooral op gelet worden. Maar schoonheid moet als onderdeel van het leven beschouwd worden. Overal moet een zin ontwikkeld worden voor het feit dat de schoonheid niet iets is wat op zichzelf staat, maar onderdeel van het leven moet uitmaken. En in dit verband moet onze huidige beschaving juist op het gebied van opvoeding en onderwijs nog veel leren.
U zult aan enkele voorbeelden, die ik zo eenvoudig mogelijk wil houden, zien wat er bedoeld wordt met het kind in de levenskrachtige, van leven doordrenkte schoonheidszin binnen te leiden. Ziet u, je kunt een of andere huiselijke, soms ook een schoolse handwerkles bezoeken; daar zitten de meisjes en hebben een bepaald soort banden en op deze banden borduren zij allerlei patronen, zoals men dat noemt. Laten we zeggen, de meisjes borduren op een band zoiets als dit [tekening 2] — ik doe het zo eenvoudig mogelijk, alleen ter verduidelijking. Als je dan vraagt:

Deel van de originele bordtekening

Blz. 262  vert. 294

Wozu ist das? – dann kann man die Antwort bekommen: Das näht man da um den Halsausschnitt herum, um den Gürtel, und auch unten an die Säume des Kleides an. – Das ist zum Davonlaufen, wenn einem so etwas gesagt wird, denn das zeigt ein völliges Unverständnis für die Wirklichkeit des Lebens im Zusammenhange mit dem Schönheitssinn. Wenn man ein ganz lebendiges Empfinden hat für das, was lebenswirklich ist, und es wird einem ein junges Mädchen oder eine Dame vorgeführt, die solch ein Muster oben, in der Mitte und unten ange­näht hat, dann hat man ungefähr dasselbe Gefühl, als wenn sie von oben nach unten zusammengedrückt wäre! Man muß dann die Sache dadurch verbessern, daß man klarmacht, es müssen drei Verteilungen solcher Dinge gestickt werden. Es muß ein Band oben anders gestickt werden, und ein unteres Band wiederum anders.

‘Waar dient dat voor?’, dan kan het antwoord zijn: ‘Dat naaien we bij de jurk rondom de hals uitsnede, op de hoogte van de taille en onder aan de zoom.’ — Het is niet te harden als je zoiets hoort, want het laat zien dat men geen enkel benul heeft van de werkelijkheid van het leven in samenhang met de schoonheidszin. Als men een heel levendig gevoel heeft voor wat levensecht is en men ontmoet een jong meisje of een dame die zo’n patroon boven, in het midden en onder heeft opgebracht, dan heeft men ongeveer hetzelfde gevoel als wanneer zij van boven naar beneden samengedrukt was! Men moet dan de zaak verbeteren door duidelijk te maken dat zulke dingen in drieën ingedeeld geborduurd moeten worden. De band boven moet anders geborduurd worden dan de band onder.

Auf dieses Band (das obere) muß vielleicht dieses Muster gestickt werden (Zeichnung 1), wie gesagt, nur skizziert, und auf dieses Band (das untere), muß dieses Muster gestickt werden (Zeichnung 3). Dann kann diese werteste Persönlichkeit dieses (Zeichnung 1) oben am Hals annähen, denn das besagt, daß drüber der Hals ist, der Kopf. Das (Zeichnung 2) kann dann an den Gürtel genäht werden und das (Zeich­nung 3) unten an den Kleidersaum; denn das besagt, daß dies Unten und dies Oben ist. Denn der Mensch hat ein Unten und Oben, und das muß hervortreten, wenn man das künstlerisch Empfundene an das

Op deze band [de bovenste] moet misschien dit patroon geborduurd worden [tekening 1],

zoals gezegd alleen schetsmatig weergegeven en op deze band [de onderste], moet dit patroon geborduurd worden [tekening 3].

Dan kan deze alleraardigste persoonlijkheid dit [tekening 1] boven bij de hals aannaaien, want dat geeft aan dat boven de hals het hoofd zit. Dit [tekening 2]

kan dan op de hoogte van de taille genaaid worden en dit [tekening 3] onder aan de zoom van de jurk. Want dat duidt aan dat dit onder is en dat boven. De mens heeft tenslotte een bovenkant en een onderkant en

Blz. 263     vert.

Lebendige heranbringen will. Ich habe zum Beispiel einmal die Ent­deckung gemacht, daß Kopfkissen mit solchen Dingen versehen wor­den sind (Zeichnung 4), oder so ungefähr. Ja, da kann man sich doch nicht darauflegen mit seinem Kopfe, denn das in der Mitte sticht einen doch! Da kann man doch nicht liegen darauf! Das drückt doch un­möglich dasjenige aus, was wirklich mit dem Ding geschehen soll.

dat moet duidelijk gezien worden wanneer men het kunstzinnig gevoelde in het levende wil brengen. Ik heb bijvoorbeeld eens ontdekt dat hoofdkussens van dergelijke dingen voorzien zijn [tekening 4], of zo ongeveer. Ja daar kun je met je hoofd toch niet op gaan liggen, want dat daar in het midden prikt je toch! Daar kun je toch niet op liggen! Dat drukt toch onmogelijk uit waar zo’n ding echt voor gebruikt moet worden.

Man hat das natürlich so zu machen (Zeichnung 5); und jetzt, jetzt kann man sich auch nur da drauflegen, daß man mit dem Gesicht nach rechts liegt, und man muß eigentlich bei jedem solcher Kissen auf der anderen Seite liegen, und dasselbe muß man auf der linken Seite haben, wenn man es wirklich künstlerisch ausgestalten will (Zeichnungen 5 und 6).

Blz. 263    vert. 295/296

Dat moet je natuurlijk zo doen [tekening 5]. En nu, nu kun je daar ook alleen op gaan liggen als je met je gezicht naar rechts ligt, en je moet eigenlijk bij ieder kussen zoals dit op je andere zij liggen, en hetzelfde moet je aan de linkerkant hebben wanneer je het echt kunstzinnig vorm wil geven [tekeningen 5 en 6].

Tek. 5 boven, 6 onder

Nun, in Wirklichkeit macht man das nicht. Die Kunst enthält aber auch den Schein. Und so muß man eine Empfindung dafür haben, daß eigentlich ein Kopfkissen so gemacht sein müsse, daß es wirklich an die Lage des Menschen nach rechts und links angepaßt ist, daß die Fiktion vorausgesetzt ist, man hat das Kissen umgedreht.
Diese Dinge, die führen eben hinein, ich möchte sagen, in die Wirk­lichkeit der künstlerischen Scheinwelt. Und nur, wenn man in diese Wirklichkeit entsprechend hineingeführt wird, dann wird in einem der Sinn auch ausgebildet, der, ich möchte sagen, der Gegensinn ist für das bloß Praktische, das dann wirklich in der richtigen Weise erlebt wird, wenn man innerlich in den Schönheitssinn, aber in den lebensvollen Schönheitssinn hineingestellt ist.

Welnu, in werkelijkheid doet men dat niet. Maar de kunst houdt ook de schijn in. En zo moeten we er een gevoel voor krijgen dat een hoofdkussen eigenlijk zo gemaakt moet zijn dat het echt aan de houding van de mens naar rechts en links is aangepast, dat het lijkt alsof men het kussen heeft omgedraaid.
Deze dingen voeren ons binnen, laat ik zeggen, in de werkelijkheid van de kunstzinnige schijnwereld. En alleen als je in deze werkelijkheid goed ingevoerd wordt, dan wordt ook de zin in je ontwikkeld die, laat ik zeggen, de tegenovergestelde zin voor het louter praktische is, die dan echt op de juiste wijze ervaren wordt als je innerlijk de schoonheidszin hebt aangeleerd, maar dan wel de levenskrachtige schoonheidszin.

Blz. 264  vert. 296

Jetzt ist es ja besonders beliebt, Pompadours mit allerlei solchen Ausnähungen zu versehen. Bei einer ganzen Anzahl von solchen Pom­padours muß ich fragen: Ja, wo ist denn da oben und unten? – Man muß doch das äußerlich dem, was da als Verzierung dran ist, ansehen, wo etwas hineingesteckt wird, wo unten oder oben ist. Das ist ge­wöhnlich gar nicht irgendwie berücksichtigt, wie wir es bei unseren Büchern sehr selten so machen, daß man dem Buch ansieht, wo es auf­geschnitten wird. Da wird irgendein Motiv draufgemacht, das eigent­lich gebietet, das Buch zuzulassen, es nicht aufzumachen.
Ich will durch diese Beispiele eben, wie gesagt, nur andeuten, wie dasjenige, was Schönheitssinn ist, sich in das Leben wirklich hinein­stellen, wie das lebensvoll erfaßt werden muß. Denn nur dann, wenn wir in dieser Weise lebensvoll die Schönheit ausgebildet haben, können wir auch weiter so erzogen werden, daß wir uns in der heute gefor­derten Weise ins praktische Leben hineinzustellen verstehen.

In deze tijd is het bijzonder populair bepaalde handtassen van allerlei dergelijke borduursels te voorzien. Bij een groot aantal van dergelijke handtassen vraag ik mij wel af waar nu de bovenkant zit en waar de onderkant. We moeten toch bij dingen waar we iets instoppen aan de uiterlijke versiering kunnen zien waar onder en waar boven is. Daar is gewoonlijk helemaal geen rekening mee gehouden, zoals wij ook bij onze boeken zelden aan het boek kunnen zien waar het wordt opengesneden. Daar wordt een of ander motief op gezet dat eigenlijk dwingt het boek dicht te laten, het niet open te slaan.
Zoals gezegd, ik wil met deze voorbeelden juist aanduiden hoe echte schoonheidszin echt in het leven moet worden geplaatst, hoe die levenskrachtig opgepakt moet worden. Want alleen als we op deze manier levenskrachtig de schoonheid hebben ontwikkeld, kunnen we ook daarna zo opgevoed worden dat we ons op de tegenwoordig verlangde manier in het praktische leven kunnen opstellen.
GA 303/261-264 
Vertaald/293-296

In dezelfde voordracht gaat Steiner hiermee nog verder, nu over het vormgevoel bij het vormtekenen.
Dat staat hier.

In deze GA 303, voordracht 8 en 12 gaat het ook over ‘handen en intelligentie’.

.

Rudolf Steiner over handvaardigheid

Handvaardigheid: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3134-2947

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – grafische vormgeving

.

Wie de aanwijzingen van Steiner voor bijv. het handwerken bestudeert, ziet dat hij ‘kunstzin’ belangrijk vindt.
Vormgeving is nooit ‘zomaar’, moet iets uitdrukken. De materie is voor Steiner ook uitdrukking: van de geest.
‘Iets’ geestelijks moet tot uitdrukking komen in wat in de materie, de vorm vast, hard geworden is, is gestold.

Wie zijn voordrachten als boekuitgave in de hand heeft, ziet vaak een typische grafische vorm op de voorkant.
Wat wilde hij daarmee dan tot uitdrukking brengen.

In onderstaand artikel wordt een antwoord gefomuleerd.

Piet Sieperda, Motief 263,juni 2022
.

100 jaar grafische impuls –
Rudolf Steiner, Assja Turgenieff
.

Dynamische communicatie-kunst

Steiners impuls voor een communicatieve grafische vormgeving is een van zijn meest geheimzinnige nalatenschappen. Hij begint hiermee pas rond 1920 als de sociale driegeleding met brochures en boeken wereldkundig wordt gemaakt en een goede herkenbaarheid van deze nieuwe beweging wordt nagestreefd.

Aan de omslag van een boek moet je kunnen zien waar het geopend wordt. Zo niet, dan zou je het boek ook niet moeten openen. Dit krachtige gezichtspunt van Rudolf Steiner, trof ik aan in het boek van Hedwig Hauck, voor kunstenaars en pedagogen. [1]
Met deze voorkennis stapte ik bij een van mijn bezoeken aan Dornach de boekwinkel van het Goetheanum binnen. Was dit niet bij uitstek het centrum van het antroposofische boek? Aandachtig bekeek ik de uitgestalde boeken en concludeerde dat geen van de uitgevers zich ooit had verdiept in de overwegingen van Steiner op dit punt. Deze boeken konden vanuit dit gezichtspunt, nooit met fatsoen worden geopend.

Toen viel mijn oog op die ene uitzondering. Het was een kleine pocket, een roman van een mij onbekende schrijver, midden op een van de tafels. Dit werd spannend. Was hier iemand doorgedrongen tot het boek van Hauck? Wie had deze omslag gemaakt? De naam van de ontwerper stond linksonder op de eerste pagina: Rudolf Steiner!

Linksboven

Kenmerkend voor Steiners ontwerpen is wel dat het accent ligt op de linkerbovenhoek, [2] waarbij de overige ruimte wordt vrijgelaten voor de titel en de overige tekst. De opbouw van de meeste ontwerpen kent een bepaalde overeenkomst: een lijn die de linker rand van het papier volgt en daarna de bovenrand en een tweede lijn die haar spoor trekt aan de binnenkant daarvan (afbeelding 1).

1. Ontwerp briefhoofd van Rudolf Steiner (uit Roggenkamp, p.45).

Tussen deze twee lijnen kan nu gemakkelijk een ruimte ontstaan voor een invulling met een passend motief (afbeelding 2).

2. Plantenmotief, ontwerp van Rudolf Steiner (uit Roggenkamp p.77).

Kenmerkend bij de uiteenlopende ontwerpen is dat de gebruikte lijnen voortdurend veranderen in dikte. Dit brengt dynamiek in alle onderdelen van het ontwerp.

In de illustraties zelf is in de jaren daarna een ontwikkeling zichtbaar van strakke, rechte lijnen naar meer dynamische arceringen en vlakken, waarin een beweging van linksonder naar rechtsboven zichtbaar wordt. Soms zijn daarin dierlijke of menselijke silhouetten herkenbaar. Incidenteel maakt zelfs de titel deel uit van de illustratie, zoals het bekende ontwerp van het titelblad van Das Goetheanum. Ook zien we bij herhaling gebruik van kleuren. Het valt op dat het beeld zich vanaf 1922 nog meer concentreert in de linkerbovenhoek en dat de uitlopende lijnen linksonder en rechtsboven korter en minder scherp worden. Een aparte categorie is het uit 1921 stammende uiterst modern ogende ontwerp voor de verpakking van Weleda-medicijnen. Deze krachtige combinatie van rood en blauw, laat zien dat de mogelijkheden van deze impuls niet beperkt zijn tot de beschikbare voorbeelden.

Vignet Weleda (niet afgebeeld in artikel)

Vormgeving nu

Grafische ontwerpers stellen zich in het algemeen dienstbaar op. Hun basisexpertise is de letter: de verschillende lettertypes, groottes en diktes, vet of cursief. Hun domein is de huisstijl, het bedrijfslogo, briefpapier, interne- en externe communicatiestromen en bijvoorbeeld ook verpakkingen. Op een hoger niveau maken de grafische ontwerpers boeken, theater- en filmposters en doen ze de opmaak van tijdschriften. Ze zijn overal actief waar tekst en beeld in samenhang verschijnen.

Karakteristiek voor deze letterwereld is haar uiterst systematische, gedisciplineerde en statische karakter. De letters moeten te allen tijde in het gelid staan, op een volstrekt horizontale lijn. Een voorbeeld daarvan zijn boekomslagen. We zien vaak dat een uitgever vooral geïnteresseerd is in de titel: die komt – in uiteenlopende kleuren en vormen – strak bovenaan te staan. Die is voor hem belangrijker dan door een ontwerper aangeleverde illustratie. Alleen in die genres waarin beelden sterker communiceren, wijken ze daar weleens van af, bijvoorbeeld bij reis- en kunstboeken met opvallende afbeeldingen die veel zeggen over de inhoud van het boek.

Theater

De balans tussen beeld en tekst treffen we bij uitstek aan in de ontwerpen van Steiner. Toch voegt hij nog enkele accenten toe in zijn beperkte grafische oeuvre. Dat zijn subtiele menskundige gezichtspunten. In het domein van het theater vinden we bij herhaling dat Steiner een sterk onderscheid postuleert tussen links en rechts. Dat bepaalde attributen en handelingen een plek krijgen op het toneel waar dat het meest effectief is. Steiner zegt hierover:

“Het rechteroog is meer gericht op begrijpen wat het ziet, het linkeroog is meer afgestemd op interesse in het waargenomene. (…) Als je met een beweging de interesse van de kijker wil wekken, dan moet je als toneelspeler van rechts naar links gaan. Als je daarentegen met een beweging iets wil uitdrukken, iets wil bespreken dat begrepen wordt, dan moet de toneelspeler van links naar rechts bewegen.” [3]

Actuele media

In zijn ontwerpen zet Steiner het kunstzinnige element uitdrukkelijk in de linksboven positie. Het kunstzinnige, het beeldende draagt de interesse. Zo nieuw is dat niet: in de actuele praktijk wordt dit intuïtief herkend. Ontwerpers van bijvoorbeeld commerciële websites voelen intuïtief de ruimtelijke posities van interesse en begrip.
Op allerlei websites waar we iets kunnen boeken, veilen of (ver) kopen, vinden we in de linker kolom het management van de interesse en wordt de koop afgerond in de rechterkolom. Zo wordt onze interesse gewekt en via onze begeerte geleid naar de boeking, het bod of de koop rechtsonder. Links wordt het begeerde meestal getoond met een grote foto en rechts daarvan een toelichting en de prijs.

Op YouTube zien we een vergelijkbare links-rechts-indeling, tot in detail doorgevoerd. Zo kunnen we in het lopende filmpje rechtsonder klikken om de advertentie over te slaan of om over te schakelen naar volledig scherm.

Ook in drukwerkland is het links-rechts-fenomeen op te merken. Het opengeslagen tijdschrift heeft altijd een linker- en rechterpagina in het volle zicht van de nieuwsgierige lezer. Veel ontwerpers kennen intuïtief de wetmatigheid dat interesse links beter voelt en begrip rechts. Een artikel opent met een interesse wekkende illustratie en idem titel plaatsen we dan op die linker pagina en aan het einde liefst nog vervolgacties rechtsonder, precies zoals we dat zagen bij de websites. Beschouwen we een tijdschrift van kaft tot kaft dan zou het een verdienstelijke opzet kunnen zijn om te openen met een enthousiasmerend en kunstzinnig voorste deel en af te sluiten met nuchtere opsommingen, uitgebreide agendering en acties die de lezer kan gaan doen.

Boekomslagen

Voor een boekomslag geldt bij Steiner nog een extra regel. Het onderscheid tussen links en rechts wordt hier nog versterkt doordat het boek links tot een eenheid gebonden is en aan de rechterkant geopend wordt. Juist hier blijkt Steiners scherpe blik op hoe dingen concreet en precies functioneren in onze werkelijkheid en wat daarvan dan de consequenties moeten zijn. Dat blijkt ook bij het bijzondere boekje dat ik in handen kreeg in de boekhandel van het Goetheanum. Dit betrof de toekomstroman Vril van de negentiende-eeuwse Britse schrijver Sir Edward Bulwer Lytton. [4] De omslagtekening van de hand van Rudolf Steiner vormt een inleiding op het verhaal en toont met name de figuren die daarin een rol spelen. Deze zijn gericht naar de rechterkant van de omslag: daar kan dit boek immers opengemaakt worden en dus begint daar het verhaal. Rechts onderaan is ruimte vrijgehouden voor de linkerhand om het boek te openen (afbeelding 3).

3. Omslagontwerp Vril (uit Das graphische Werk, afb. 246, p.128).*

Dat de meeste boeken niet uitnodigen om te openen heeft een heel eenvoudige reden. De gangbare en veel gebruikte lettertypen hebben vanuit hun eigen functionaliteit een statische karakteristiek, elke letter is feitelijk ingesloten in een blokje. Vorm je van deze letters een woord, dan maak je daar een balk van. Zo’n letterbalk sluit elke beweging uit tussen de rug en de openingskant van het boek. Voeg je daar dan nog een afbeelding in blokvorm aan toe dan is de blokkade volledig. Nu is het niet zo verwonderlijk dat de letters vrijwel altijd keurig op een rechte lijn staan. Het hele ontwerp- en productieapparaat is daar nu eenmaal omheen gebouwd. Daaraan ontsnappen is vrijwel onmogelijk. Een fraaie en functionele uitzondering die deze regel bevestigt is de welbekende poster van The Sound of Music.
De drukkers waar Steiner in de eerste jaren mee werkte konden waarschijnlijk niet overweg met de combinatie van de gebruikelijke drukletters en Steiners nieuwe ontwerpen. Daarom is Steiner rond 1922 zelf letters aan zijn ontwerpen gaan toevoegen.

Turgenieff

Bij de bouw van het Goetheanum was er een goede samenwerking tussen Rudolf Steiner en grafisch ontwerper Assja Turgenieff. [5]  Vanaf de jaren dertig wordt zij een trouwe medewerker van Marie Steiner bij de uitgave van Steiners werken en voordrachten. Zij ontwikkelt een nieuw letterschrift dat een goede opvolging geeft aan Steiners mogelijke intenties om de lettergestalten mee te betrekken in het kunstzinnige domein.

In afbeelding 4 zien we de door Turgenieff ontworpen omslag van de bundeling van vijf voordrachten van Steiner van oktober 1914 over de Dornacher Bau.

4. Omslag Der Dornacher Bau, ontwerp van Assja Turgenieff.

Hoewel het beeldende motief linksboven vrij klein is, verhoudt het zich tot de letters als een solist tot een orkest en beheerst dit motief door haar vorm zowel de bovenrand als de rug van de hele boekomslag. Het letterschrift beweegt hier in mee. Mooi zijn de grotere letters in het middendeel. Rechtsonder houdt ze onopvallend een kleine ruimte vrij voor de linkerhand om het boek te kunnen openslaan. De in beweging gebrachte letterstijl doorbreekt onze eerder vastgestelde, normale statische letterblokkade. De andere kenmerken van de grafische vormgeving blijven in stand: het systematische en de gedisciplineerdheid. De omslagen van delen uit de Gesamtausgabe bevestigen onze indruk (afbeelding 5).

5. Drie omslagen van delen uit de Gesamtausgabe, ontwerpen van Assja Turgenieff.

Belangrijk is dat het beeldmotief vrij in het vlak is geplaatst, wat we als een basiselement in het grafische werk van Steiner mogen beschouwen. Bedoeld om de geest ruimte en vrijheid te geven in de kunstzinnige ervaring. Een kader zet de geest gevangen. De letters worden in de ruimte rechtsonder geplaatst in een vrije vorm, een prachtige uitvinding van de kunstenaar, helemaal rechtsonder wordt ruimte vrijgelaten voor de vingers van de linkerhand als zij daar landen bij het openen van het boek. Zij mogen daarbij – volgens het gezichtspunt waar dit artikel mee begon – geen letters of cijfers beroeren.

Wat Steiner in een open proces – geleidelijk en schijnbaar pretentieloos – stapsgewijs ontwikkelt, brengt Turgenieff zo tot bloei dat haar ontwerpen in stijl uitnodigen om ons open te stellen voor de spirituele wereld die het boek ontsluit.

Juist in een tijd waarin we overspoeld worden met bewegende, maar oppervlakkige beelden, kunnen we ons afvragen of we nog wel open staan voor de taal van het beeld, voor de dynamiek die zich in beelden uitdrukt. Het is deze kunstzinnige waarneming, deze activiteit van de ziel waar de ontwerpen van Steiner en Turgenieff een beroep op doen. ||

Noten

1 Hedwig Hauck, Handarbeit und Kunstgewerbe., Angaben von Rudolf Steiner für Padagogen und Künstler (1961, Stuttgart), p.46,47.

2 Zie hierover: Walther Roggenkamp en Hildegard Gerbert, Bewegung und Form in der Graphik Rudolf Steiners (1979, Stuttgart).
Werner Teichert, Rudolf Steiner als illustrierender Künstler (1941, Dornach). Rudolf Steiner, Das graphische Werk (2005, Dornach).

3 Rudolf Steiner, Sprachgestaltung und Dramatische Kunst, GA 282, (1981, Dornach), p.197.

*4 Sir Edward Bulwer Lytton, Vril, oder eine Menschheit der Zukunft (1922, Stuttgart).

5 Assja Turgenieff, Erinnerungen an Rudolf Steiner und die Arbeit am ersten Goetheanum (1972, Stuttgart).

Ik vond nog een boek van Howard hierover.

Rudolf Steiner over handvaardigheid

Iets over het thema in vormtekenen

Over organische bouw

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3131-2944

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 302/2)

.

Wanneer Steiner over handvaardigheid spreekt, gaat het enerzijds om de samenhang tussen het bewegen van de handen, de vingers en de ontwikkeling van het denken, anderzijds over ‘kunstzinnigheid’. O.a. in GA 294300A304307.
De stoel die wordt gemaakt, zou zo kunstzinnig moeten zijn dat deze tot zitten uitnodigt.
In GA 302 komt zoiets ter sprake voor een kussen om op te slapen.

Blz. 70 vert. 69/70

Denn gegenwärtig liegt es ein bißchen schon in der Artung, daß die Kinder im Handarbeitsunterricht vieles verkehrt machen. Man kann nach dieser Richtung hin ganz besonders günstig wirken. Ich habe es doch gleich bemerkt, wie die Kinder bei uns in Dornach Kissen gestickt haben, kleine Polster, auf die das und das darauf gemacht wird. Man müßte dafür sorgen, daß das wirklich Kissen werden. Es ist doch kein Kissen, wenn man auf ein Pölsterchen etwas Beliebiges darauf stickt. Man muß es dem darauf Gestickten ansehen, daß man sich darauf legen kann, daß sich ein Ohr darauf legen kann. Die Kinder scheinen ganz besonders solche Hauben, die man auf Tee- und Kaffeekannen setzt, gerne zu machen. Aber sie müssen das dann so machen, daß das auch darauf eingerichtet ist. Wenn ich es unten aufmache, so muß das, was ich mit den Händen ausführe, sich in der Zeichnung fortsetzen. Ich muß der Zeichnung ansehen, daß es da aufgemacht werden muß. Das Kind ist durch die Verhältnisse so verdorben, daß es da unten, wo es aufgemacht werden soll, eine Zeichnung hinmacht, die so geht:

Het zit een beetje in de aard van onze tijd dat de kinderen in het handwerkonderwijs* veel verkeerd doen. We kunnen in deze richting een bijzonder gunstige invloed uitoefenen. Het is me direct opgevallen hoe de kinderen bij ons in Dornach kussens genaaid hebben, kleine kussentjes, waarop dan dit of dat is aangebracht. Je moet er voor zorgen dat het werkelijk hoofdkussens worden. Als je op een kussentje iets willekeurigs naait, is het toch geen hoofdkussen. Aan wat erop genaaid is moet je kunnen zien dat je erop kunt gaan liggen, dat je er met een oor op liggen kunt. De kinderen blijken vooral graag koffie- of theemutsen te maken. Maar die moeten ze dan wel zo maken dat ze in overeenstemming zijn met het gebruik. Als ik hem van onderen geopend maak, dan moet zich dat wat ik met mijn handen uitvoer, in de tekening voortzetten. Ik moet aan de tekening zien dat het daar open gemaakt moet worden. De kinderen zijn in dit opzicht zó bedorven dat ze aan de onderkant, waar de opening zit, zo’n soort tekening maken:

Ja, das ist ja verkehrt. Man muß der Zeichnung ansehen, wo aufgemacht wird und wo zu ist, wo man nicht aufmachen kann. Ebenso ist es notwendig, daß das Kind wird unterscheiden lernen müssen, daß etwas, was um den Hals genommen wird, wenn es mit Bändchen benäht wird, so sein muß, daß das nach unten weiter wird und nach oben schmäler. Wenn ein Gürtel gemacht wird, so muß man es dem gleich ansehen, daß er sich nach beiden Seiten zugleich öffnet, daß in der

Dat is natuurlijk verkeerd. Aan het motief moet je kunnen zien waar je de muts opent en waar die dicht is, waar je die niet kunt openen.
Zo is het ook nodig dat de kinderen leren onderscheiden dat als iets wat je om je hals draagt, met band wordt versierd, het naar onderen toe breder en naar boven toe smaller moet worden. Als je een ceintuur maakt, dan moet je daar direct aan kunnen zien dat die naar twee kanten tegelijk open gaat doordat de tekening in het

Blz. 71  vert. 70/71

Mitte die Zeichnung am breitesten ist. Es ist so, daß die Kinder sich überall in die Formen hineinfinden sollen.
Gerade da kann ungeheuer viel bewirkt werden, und dabei erreichen Sie nur etwas, wenn Sie wirklich nicht auf das Auge hin arbeiten, sondern wenn Sie das im Gefühl erzeugen. Sie müssen das im Gefühl erzeugen, daß das Kind die Zeichnung so haben will, daß es gewissermaßen fühlt: es macht das unten auseinander und es drückt von oben, es strebt von oben nach unten. Man muß das ins Gefühl verwandeln; man muß in die Hand hineinbringen, was auch mit der Hand gearbeitet werden soll. Im Grund genommen ist der Mensch auch dabei durchaus ganz beteiligt mit seinem Wesen, und er denkt mit dem ganzen Leibe. Man muß also durchaus versuchen, daß da die Dinge gefühlt werden. Im Handarbeitsunterricht muß auf das Gefühl hingearbeitet werden. Es muß gewissermaßen das Kind, wenn es eine Ecke sticken soll, das Gefühl haben: Die Ecke muß so gestickt werden, daß ich, wenn ich dahinterfahre, nicht durch kann. – Wenn es anders ist, wenn man durch kann, dann muß dazu etwas gehören, dem man eben ansieht: da kann man durch. So muß es schon geniacht werden. Da kann der Handarbeitslehrer schon sagen: Ich mache die Sache so, indem ich gerade an der geistigen Betätigung des Kindes ganz besonders betätigt bin. Es braucht sich niemand durch irgendeine Partie des Unterrichtes zurückgesetzt fühlen.

midden het breedst is. Overal moeten de kinderen aan de vormen leren wennen.
Juist daarbij kan ongelooflijk veel worden bereikt. U bereikt echter pas iets als u niet alleen ‘op het oog’ werkt, maar als u dat in het gevoel van de kinderen laat ontstaan. U moet de kinderen stimuleren in het gevoel de tekening zó te willen hebben dat hij van onder uit elkaar gaat en van boven samengedrukt wordt, dat hij een beweging maakt van boven naar onder. Je moet dat omzetten in gevoel; je moet in de handen leggen wat met diezelfde handen moet worden gemaakt. In feite neemt de mens ook hieraan met zijn totale wezen deel en denkt hij met zijn hele lichaam. Dus moeten we er absoluut naar streven het gevoel bij de zaak te betrekken. Bij het handwerken moet het gevoel bij het werk betrokken worden. Als een kind een hoek moet naaien, moet het als het ware het gevoel hebben: die hoek moet zo zijn, als ik daar rijdt, dat ik er niet dóór kan. – Als het anders is, als je ergens wel dóór kunt, dan moet er iets zijn waaraan je kunt zien: daar kun je dóór. Zo moet het gemaakt worden. Dan kan de handwerkleerkracht zeggen: ik ga zó te werk omdat ik vooral sterk met de geestelijke activiteiten van de kinderen bezig ben. Niemand behoeft zich door zijn betreffende vakgebied achtergesteld te voelen.
GA 302/70-71
Vertaald/69-71

Ik heb nooit handwerken gegeven en me daarom ook nooit beziggehouden met Steiners aanwijzingen.
Nu ik zo zijn opmerkingen bij elkaar zet, rijzen er wel wat vragen, m.n. t.a.v. ‘het kunstzinnige’.

Want als hij ons stimuleert om bij de kinderen een bepaalde kunstzinnigheid te ontwikkelen, een kunstzinnig gevoel, zou ik, gelet op zijn opmerkingen over de theemuts hierboven, bijv. bij een fluitenzak wel kunnen denken aan: daar moet iets in, met een bepaalde beweging van boven naar beneden of eruit, omgekeerd.
Uiteraard heeft de zak al de vorm van de fluit. Die beweging van erin – naar de afgeslotenheid – of eruit: naar ‘het licht’, wordt hier – ik ben maar een leek – voor mijn gevoel mooi kunstzinnig verwerkt:

Met name de linker volgt dit motief heel mooi.

Dat vind ik bij de linker veel minder aanwezig; de rechter gaat ook van licht naar donker, maar de horizontale banden roepen niet het gevoel op dat daar iets in moet glijden.

Hier lijk je wel iets terug te zien van wat ik hierboven noem, individueel door de kinderen verwerkt.
Want dat is ook nog een vraag, denk ik, hoe voorkom je dat alles hetzelfde wordt, hoe krijg je de kinderen mee in wat dan kunstzinnigheid is, t.o. bijv. hun willekeurig gekozen kleuren. 

Dit tasje geeft door de versiering aan dat het boven open gaat – ik denk, in de zin die Steiner hierboven bedoelt.

Een motief individueel verwerkt.

Motief, nu geborduurd. (verzorgd uitgestald met de bijpassende ondergrond)

Hier ondersteunt de versiering niet de functie van de tas die boven opengaat.

En de muts – als naar boven afsluitends – benadrukt dit afsluiten hier door een donkerder kleur.

Het motief van de afbeelding hierboven lijkt mij hier niet gelden; maar welk motief dan om de onderrand ‘zwaar’ te maken?

En wat kan een motief voor sokken zijn?

*handwerkonderwijs: zie hiervoor
‘Künstlerische Handarbeiten nach Richtlinien und Entwürfen Rudolf Steiners’ von Luise van Blommestein, Dornach 1934; [geen gegevens kunnen vinden]
Handarbeit und Kunstgewerbe. Angaben von Rudolf Steiner’, samengesteld door Hedwig Hauck, uitgeverij Freies Geistesleben, Stuttgart 1969.

De verborgen kwaliteiten van handwerken -Conny de Heer

Rudolf Steiner over handvaardigheid

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3126-2939

.

.

.

Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 300B)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

Maar dat niet alleen!

In verschillende voordrachten – niet in alle – over handvaardigheid probeert Steiner ook een gevoel op te roepen voor wat ‘kunstzinnige vorm’ is, of zou kunnen/moeten zijn.
Als leerkracht kunnen we met zijn aanwijzingen ons gevoel daarvoor ontwikkelen. 
M.i. ligt er wel een gevaar op de loer, n.l. dat je hierin te star of te dogmatisch kan worden. Het is ook manoeuvreren tussen ‘kunst en kitsch’. 

In de vergaderingen met de leerkrachten worden aan Steiner allerlei vragen gesteld. Voor mij zijn niet alle antwoorden duidelijk.
Vaak krijg ik de indruk dat een preciezere context ontbreekt of dat niet alles op een duidelijke manier in aantekeningen terecht is gekomen.
M.a.w. de antwoorden roepen weer nieuwe vragen op.
Ook wordt dat nog versterkt doordat ik niet weet wat sommige begrippen van toen, nu daadwerkelijk inhouden.

GA 300B

Blz. 27    vergadering van 17-06-1921

Nun muß der Handfertigkeitsunterricht hinübergezogen werden nach dem wirklich Künstlerischen. Das haben Sie schon getan mit dem Modellieren. Das kann man abwechseln lassen mit Malen; daß Sie mit denen, die geschickt dazu sind, malen. Bei denjenigen, die jetzt in die 10. Klasse kommen, kann man Rücksicht nehmen, daß wir sie haben werden wie am Gymnasium; durch das können wir ins Künstlerische und Kunstgewerbliche hinüberkommen. Ich meine, daß wir da noch etwas wie eine Art Ästhetisches brauchen, und da könnte der Dr. Schwebsch eintreten, daß er die ästhetische Verbin­dung herstellt zwischen dem Plastisch-Malerischen und dem Musikalischen

Nu moet het handvaardigheidsonderwijs op het niveau komen van het echt kunstzinnige. Dat hebt u al gedaan met het boetseren. Dat kun je afwisselen met schilderen; dat u met degenen kan doen die dat kunnen. Bij degenen die nu in de 10e klas komen, kunnen we er rekening mee houden dat we ze hebben tot aan het gymnasium; daardoor kunnen we tot het kunstzinnige en het ambachtelijke komen. Ik ben van mening dat we daar nog iets esthetisch bij kunnen gebruiken en daar zou Dr. Schwebsch kunnen beginnen om de esthetische verbinding te leggen tussen het plastisch-schilderende en het muzikale.

Blz. 28

Mit dem Musikalischen hat er sich viel beschäftigt. In der Musikästhetik – was in den Elementen auftreten müßte -, da müßten Sie zusammen eine Art Subkollegium bilden: Handfertig­keitsunterricht, der ins Kunstgewerbliche hinübergeht und dann ins Musikalische, daß das Ästhetische, nicht das Musiktheoretische gepflegt wird. Ich würde doch meinen, daß man möglichst früh den Kindern den Begriff beibringt, wann ein Sessel schön ist, wann ein Tisch schön ist. Daß Sie es so machen, daß der Unfug aufhört, daß ein Stuhl schön sein soll für das Auge. Der Stuhl, man will ihn fühlen, wenn man sich darauf setzt, will seine Schönheit fühlen. Geradeso wie ich es gestern im Handarbeitsunterricht gesagt habe, daß die Kinder fühlen sollen, daß, wenn etwas aufgemacht wird nach der einen Seite, daß das auch in der Stickerei empfunden wird. Ich glaube überhaupt, es werden jetzt die Dinge etwas zusammenwach­sen. Sie werden etwas zusammenwachsen: Handarbeitsunterricht, Handfertigkeitsunterricht, das künstlerische Empfinden und Musik. Das muß natürlich ordentlich gemacht werden, daß man diese Dinge überwindet.

Hij is veel bezig geweest met het muzikale. Voor het esthetische in de muziek – wat in de wezenlijke onderdelen moet aanwezig moet zijn – zou u een soort deelcollege kunnen vormen: handvaardigheid die in het ambachtelijke overgaat en dan in het muzikale; dat het esthetische verzorgd wordt, niet het muziektheoretische. Ik bedoel toch dat je de kinderen zo mogelijk al snel het begrip bijbrengt wanneer een stoel mooi is, wanneer een tafel mooi is. Dat je het zo doet, dat de onzin verdwijnt dat een stoel mooi moet zijn voor het oog. Een stoel wil je voelen als je erop gaat zitten, je wil de schoonheid voelen. Net zo als ik gisteren in de handarbeidles heb gezegd dat de kinderen moeten voelen dat als je naar de ene kind een opening maakt, dat ook bij het borduren wordt ervaren. Ik geloof wel dat de dingen nu samenkomen. Ze zullen wel samenkomen: handarbeid, handvaardigheid, het kunstzinnige beleven en muziek. Dat moet natuurlijk op een goede manier gedaan worden, zodat deze dingen overwonnen worden. 
GA 300B/27-28
Niet vertaald

Blz. 51   vergadering van 16-1-1921

In een vergadering kunnen vragen (en antwoorden) door elkaar heen lopen. Wanneer Steiner hier antwoord geeft op onderdelen van het schilderen, noemt hij ook iets voor het handwerken.

Ein gründliches Farbenvertie­fen kommt dann heraus, wenn das Kind eine Farbe verändern muß und alles andere danach richten muß, zum Beispiel auf einer Tasche oder irgend etwas anderem, dieses dann ausnäht und ausstickt, so daß das Betreffende gerade am rechten Fleck sitzt.

Er ontstaat een grondige (belevings)verdieping van de kleur wanneer het kind een kleur moet veranderen en al het andere daarop moet richten, bijv. op een tasje of iets anders, dit dan naaiend of bordurend uitwerkt, zodat waar het om gaat op de juiste plaats zit. 
GA 300B/51
Niet vertaald

Blz. 290   vergadering 14-02-1923

X: Die Kinder haben oft gefragt, was der tiefere Sinn wäre des Spinnen-lernens.

De kinderen hebben al dikwijls gevraagd wat de diepere zin is van het leren spinnen.

Dr. Steiner: Das fügt sich in ihr Seelenleben ganz ausgezeichnet ein, und sie lernen dadurch das praktische Leben wirklich kennen. Man lernt nicht das praktische Leben wirklich kennen, wenn man sich eine Sache bloß anschaut, sondern wenn man es so ausführt, wie es in Wirklichkeit ausgeführt wird. Die Kinder sollen bloß bemerken: ein Paar Stiefel machen lernen kann man auch in acht Tagen, aber Schusterlehrling müßte man drei Jahre sein.

Dr.Steiner: dat past heel goed bij hun gevoelsleven en daardoor leren ze het praktische leven echt kennen. Dat leer je niet als je alleen maar naar de dingen kijkt, wél als je het zo doet als het in het echt gebeurt. De kinderen hoeven alleen maar te ervaren: een paar laarzen leren maken kan je ook in acht dagen, maar schoenmakersleerling moet je wel drie jaar zijn.
GA 300B/270
Niet vertaald

Rudolf Steiner over handvaardigheid

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3120-2933

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 295)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

Maar dat niet alleen!

In verschillende voordrachten – niet in alle – over handvaardigheid probeert Steiner ook een gevoel op te roepen voor wat ‘kunstzinnige vorm’ is, of zou kunnen/moeten zijn.
Als leerkracht kunnen we met zijn aanwijzingen ons gevoel daarvoor ontwikkelen. 
M.i. ligt er wel een gevaar op de loer, n.l. dat je hierin te star of te dogmatisch kan worden. Het is ook manoeuvreren tussen ‘kunst en kitsch’. 

GA 295

Erziehungskunst Seminarbesprechungen und Lehrplanvorträge

Praktijk van het lesgeven, werkbesprekiungen met leraren

14e werkbespreking, 2e leerplanvoordracht, Stuttgart 6 september 1919

Voor de betreffende opmerkingen ging het over tekenen van o.a. wiskundige vormen. Die kunnen ook geboetseerd worden:

Blz. 169   vert.  155

Da setzen wir noch fort, durchaus auch immer zu plastischen Formen hinführend, indem wir uns des Plastilins bedienen – wenn es zu haben ist; sonst kann man irgend etwas anderes benützen, und wenn es Straßenkot wäre, das macht nichts! -, um auch Formenanschauung, Formenempfindung hervorzuholen.

Dan komen we ook nog bij plastische vormen en gebruiken we boetseerklei – als we dat tenminste kunnen krijgen, anders kan men iets anders gebruiken, desnoods modder, dat doet er niet toe! – om een voorstelling van en een gevoel voor vorm op te roepen.
GA 295/169
Vertaald/155

15e werkbespreking, 3e leerplanvoordracht, Stuttgart 6 september 19191

Blz. 182  vert. 166

Plastisches soll vor dem neunten Jahre beginnen, Kugeln, dann anderes und so weiter. Auch beim Plastischen soll man ganz aus den Formen heraus arbeiten.

Met plastische vormen moet men voor het negende jaar beginnen, met bollen, dan verder met andere dingen. Ook bij het boetseren moet men geheel en al werken vanuit de vormen.
GA 295/182
Vertaald/166

.

Uit het artikel: Handvaardigheid lagere klassen

Rudolf Steiner over handvaardigheid

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3110-2923

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 300A)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

Maar dat niet alleen!

In verschillende voordrachten – niet in alle – over handvaardigheid probeert Steiner ook een gevoel op te roepen voor wat ‘kunstzinnige vorm’ is, of zou kunnen/moeten zijn.
Als leerkracht kunnen we met zijn aanwijzingen ons gevoel daarvoor ontwikkelen. 
M.i. ligt er wel een gevaar op de loer, n.l. dat je hierin te star of te dogmatisch kan worden. Het is ook manoeuvreren tussen ‘kunst en kitsch’. 

In de vergaderingen met de leerkrachten worden aan Steiner allerlei vragen gesteld. Voor mij zijn niet alle antwoorden duidelijk.
Vaak krijg ik de indruk dat een preciezere context ontbreekt of dat niet alles op een duidelijke manier in aantekeningen terecht is gekomen.
M.a.w. de antwoorden roepen weer nieuwe vragen op.
Ook wordt dat nog versterkt doordat ik niet weet wat sommige begrippen van toen, nu daadwerkelijk inhouden.

GA 300A

Blz. 115     vergadering van 23-12-1919

Bericht über den Handfertigkeits- und Handarbeitsunterricht.

Dr. Steiner: Was wir vorbringen, sollten wir erst selber lernen, zum Beispiel Bücher einbinden oder Schuhe machen. Wir sollten nicht von außen zuviel hereinbringen.

Bericht over handvaardigheidsonderwijs [Duits heeft 2 begrippen]

We moeten eerst zelf leren wat we gaan doen, b.v. boekbinden of schoenen maken. We moeten niet te veel van buiten halen.
GA 300A/115
Niet vertaald

Blz. 118    vergadering van 01-01-1920

Es wird eine Frage gestellt nach dem Modellierunterricht.

Dr. Steiner: Man könnte eine Säule von einer bestimmten Seite her als Vorlage nehmen, aber man darf bei einem solchen Motiv die Kinder nicht zum sklavischen Nachahmen verleiten. Die Kinder zwingen zum Beobachten, aber sie das Motiv abändern lassen!

Er wordt een vraag gesteld over boetseren

Dr. Steiner: Je zou een pilaar van een bepaalde kant als model kunnen nemen, maar met zo’n motief moet je kinderen niet verleiden om het slaafs na te doen. Dwing de kinderen om te observeren, maar laat ze het motief veranderen.
GA 300A/118
Niet vertaald

Blz. 161    vergadering 23-06-1920

Handarbeit: Stricken entwickelt gute Zähne. Die Kinder werden geschickt durch Stricken.

Handvaardigheid: breien ontwikkelt goede tanden. De kinderen worden vaardig door breien.
GA 300A/161
Niet vertaald

Dit is een van die opmerkingen waarop ik hierboven doelde.
In zijn gezichtspunten over handenarbeid en denken, m.n. dus het breien, legt Steiner een verband met de ontwikkeling van de intelligentie.
In GA 307 zegt hij over het denken en de tanden:

Das Kind entwickelt die Zähne noch wegen etwas ganz anderem als wegen des Essens und wegen des Sprechens. Es entwickelt nämlich die Zähne, so paradox es heute klingt, wegen des Denkens. Beim Kinde bevor es durch den Zahnwechsel gegangen ist, sind die physischen Zähne als solche die allerwichtigsten Denkorgane. Und wie die Zähne gewissermaßen durch den Kiefer vorstoßen, sind diejenigen Kräfte da, die aus dem unbestimmten Schlafesleben, Traumesleben, seelisch nun auch das Denken an die Oberfläche bringen. Und in demselben Maße, in dem das Kind zahnt, lernt es denken, indem es ganz und gar als ein nachahmendes Wesen an die Umgebung hingewiesen ist. Es ahmt nach bis ins Innerste hinein dasjenige, was in seiner Umgebung vor sich geht und in seiner Umgebung sich unter dem Impulse von Gedanken abspielt. Aber in demselben Maße, in dem da in dem Kinde aufsprießt das Denken, in demselben Maße schießen die Zähne hervor. In diesen Zähnen liegt eben die Kraft, die seelisch als Denken erscheint. 

(…) dat het kind de tanden nog ter wille van iets heel anders dan het eten en voor het spreken ontwikkelt. Het kind ontwikkelt namelijk de tanden — hoe paradoxaal het nu ook klinkt – ter wille van het denken! En weinig weet de wetenschap van nu ervan dat de tanden de allerbelangrijkste denkorganen zijn. Bij het kind, voordat het door de tandwisseling heen is gegaan, zijn de fysieke tanden als zodanig de allerbelangrijkste denkorganen. Doordat het kind als vanzelfsprekend in het contact met zijn omgeving vertrouwd raakt met het denken, doordat uit het duistere slaap- en droomleven van het kind het gedachteleven opduikt, is dit hele proces eraan gebonden dat in het hoofd van het kind de tanden doordringen, gebonden aan de krachten die vanuit het hoofd van het kind zich een weg banen. En zoals de tanden in zekere mate door de kaak heen doordringen, zijn die krachten daar die vanuit het onbestemde slaapleven, droomleven, zielsmatig nu ook het denken aan de oppervlakte brengen. En in dezelfde mate waarin het kind tanden krijgt, leert het denken. En hoe leert het kind denken? Het kind leert denken doordat het geheel en al als een nabootsend wezen op de omgeving aangewezen is. Het bootst na tot in zijn innerlijkste wezen datgene wat in zijn omgeving gebeurt en in zijn omgeving zich onder gedachtenimpulsen afspeelt. Maar in dezelfde mate waarin daar in het kind het denken opkomt, schieten de tanden te voorschijn. In deze tanden zit juist de kracht die zielsmatig als denken verschijnt.
GA 307/73
Vertaald/92-93

Wenn der Mensch die zweiten Zähne hat, so hat das Stück dieses Ätherleibes, das die Zähne heraustreibt, nichts mehr am physischen Leibe zu tun. Das ist jetzt sozusagen in seiner Tätigkeit emanzipiert vom physischen Leibe. Wir bekommen mit dem Zahnwechsel die Ätherkräfte frei, die unsere Zähne herausgedrückt haben; und mit diesen Ätherkräften vollziehen wir nun das freie Denken, wie es sich von dem 7. Jahre an beim Kinde geltend macht. Die Kraft der Zähne ist jetzt nicht mehr wie beim Kinde, wo direkt die Zähne die Organe des Denkens sind, die physische Kraft, sondern sie ist die ätherisierte Kraft, welche die Zähne hervorgebracht hat, die nun denkt. 

Wanneer de mens zijn blijvend gebit heeft, dan heeft het deel van dit etherlichaam dat de tanden naar buiten drijft, niets meer aan het fysieke lichaam te doen. Het is nu om zo te zeggen in zijn activiteit geëmancipeerd van het fysieke lichaam. Bij de tandwisseling komen die etherkrachten vrij die onze tanden naar buiten gedrukt hebben; en met deze etherkrachten voltrekken we nu het vrije denken, zoals dat vanaf het zevende jaar bij het kind merkbaar wordt. De kracht van de tanden is nu niet meer zoals bij het kind, waar direct de tanden de organen van het denken zijn, de fysieke kracht, maar ze is de geëtheriseerde kracht. Het is echter de nu in het etherlichaam werkende zelfde kracht die de tanden voortgebracht heeft, die nu denkt.
GA 307/76
Vertaald/95

Meer uit deze voordrachten.

 

Geisteswissenschaft und Medizin (GA 312) – 17e voordracht 6-4-1920

Het gaat om de rol van een goede verhouding tussen magnesium en fluor bij de tandvormig, in de eerste zeven levensjaren.

Steiner: “Het gaat erom dat men zal merken dat als een kind in het vierde, vijfde, zesde jaar onhandig is in armen en handen en benen en voeten, dat wil zeggen, als het niet gemakkelijk is om een vaardige omgang met de armen en benen te bewerkstelligen, vooral met de handen en voeten, het dan de neiging zal hebben om het tandvormingsproces niet goed te regelen. Het is precies in het bewegen van de armen en handen, benen en voeten, dat hetzelfde type zich openbaart dat dan verschijnt in het tandvormingsproces.” In die tijd moet de verhouding tussen magnesium en fluor gezond zijn, maar daarna kun je nog het een en ander doen. Fluor speelt een rol in de stofwisseling van het bewegingsorganisme. In de euritmielessen moet de Kiebitzschritt worden geoefend. (welke euritmie-leraar/es weet dat nog?)

Steiner:

“Als je naar onze handvaardigheidlessen op de vrijeschool gaat, zul je zien dat de jongens net zoveel breien en haken als de meisjes, dat alles door jongens en meisjes op dezelfde manier wordt gedaan. Zelfs de oudere jongens breien nog met enthousiasme. Dit alles wordt niet gedaan uit een gril, maar omdat de vingers behendig, flexibel gemaakt moeten worden, omdat de ziel in de vingers gebracht moet worden. En als de ziel in de vingers wordt geprent, bevordert men vooral datgene wat met het tandvormingsproces te maken heeft.”
GA 312/312
Vertaald/188
Mededeling van Joep Eikenboom

Blz. 241   vergadering 15-11-1920

X.; Könnte die 9. und 8. Klasse Malstunden nehmen?

Dr. Steiner: Man müßte das in den Stunden, die jetzt schon da sind,
hereinbringen. Daß mehr Künstlerisches getrieben werden sollte, das
ist ganz evident. Deshalb war mir zu tun, daß Fräulein Hauck hereinkommt in den Handfertigkeitsunterricht, daß die Handarbeit
künstlerisch gestaltet wird. Zumeist ist das Handarbeitliche philiströs. Ich möchte, daß es wirklich künstlerisch gestaltet wird. Da in
der Handarbeit kann man das Lineare anwenden. Auf dem Papier ist das Lineare etwas unwesenhaft. Es kann die Brücke geschlagen wer­den vom Handarbeitsunterricht zum Handfertigkeitsunterricht. Es gibt doch eine ganze Menge Gegenstände, die man bemalen kann. Es gibt im Haushalt Dinge, die von den Menschen selbst bemalt werden sollten. Wenn die Kinder Puppensachen machen, da könnte viel Kunst entwickelt werden. Da könnte Stil, Farbensinn entwickelt werden; alles könnte entwickelt werden. Wenn man da durchdringt damit, daß der Naturalismus der Puppenbereitung überwunden wird, daß etwas Lebendiges da wäre, lachende Puppen, künstlerisch gestal­tet, da könnte man segensreich wirken.

X.: Kan de 9e en 8e klas schilderlessen volgen?

Dr. Steiner: Dat zou je moeten doen in de uren die er al zijn.
Dat er meer kunstzinnig werk gedaan moet worden, dat is heel duidelijk. Daarom moest ik juffrouw Hauck zover krijgen dat ze naar de handwerkklas kwam, om handwerken te doen, zodat het handwerken kunstzinnig gegeven wordt. Het meeste werk dat met de hand wordt gedaan, is burgerlijk. Ik zou willen dat het echt kunstzinnig is. Binnen het handvaardige kan je lijnen gebruiken. Op papier zijn ze onwerkelijk. Er kan een brug worden geslagen tussen handwerklessen en lessen handvaardigheid. Er zijn veel objecten die je kunt schilderen. Er zijn dingen in huis die mensen zelf zouden moeten schilderen. Als de kinderen poppendingen maken, kan er veel kunst worden ontwikkeld. Stijl en kleurgevoel zouden daarmee kunnen worden ontwikkeld; alles kan ontwikkeld worden. Wanneer je tot de conclusie komt dat bij het maken van poppen het naturalisme overwonnen moet worden [een stroming in die tijd dat alles realiteit moet zijn] dat er iets levendigs bij ontstaat, lachende poppen, kunstzinnig gevormd, zou dat een zegen zijn. [Steiner overpoppenbij zijn opmerkingen over spel]

Geradeso wie man die Kinder daran gewöhnt, daß sie Wechsel schrei­ben lernen, weiß ich nicht, warum man die Kinder nicht daran gewöhnen soll, wie man ein Plakat macht, wie man ein Plakat schön findet und bei einem schönen Plakat auch dessen Schönheit wirklich erkennt. Das häßliche, unmögliche Plakat sollte ebenfalls erkannt werden. Aber die Menschen schauen sich die Sachen an, ohne rasend zu werden. Der Geschmack müßte gebildet werden; Stilgefühl müßte entwickelt werden. Was Stilgefühl betrifft, ist der Unterricht, selbst in künstlerischen Anstalten, etwas Scheußliches. Die scheußlichsten Proben haben wir hier vor kurzem erlebt. 

Net zoals je de kinderen laat wennen aan het leren schrijven van postwissels, [nu allang verdwenen] weet ik niet waarom je de kinderen niet zou laten wennen aan het maken van een poster, hoe je een affiche mooi kan vinden en hoe je het mooie van een poster echt kunt herkennen. De lelijke, onmogelijke poster moet ook herkend worden. Maar mensen kijken naar de dingen zonder boos te worden. Smaak zou gevormd moeten worden; er zou een gevoel voor stijl ontwikkeld moeten worden. Wat het gevoel voor stijl betreft, is lesgeven, zelfs in artistieke instellingen, iets afschuwelijks. Daar hebben we hier kort geleden nog de meest afschuwelijke voorbeelden van gezien.

Blz. 242

Sie kennen das graphische Zeichen der Dreigliederung von den Kernpunkten. Es ist abgeändert worden. Es hat sich darum gehandelt, etwas Aktuelles zu machen. Was tut der Künstler? Er setzt das Motiv, das er macht, so zusammen, daß er das, was links ist, wieder rechts macht. Er macht ein gotisches Fenster daraus. Diese Dinge kommen vor. Es wäre wirklich möglich, daß etwas Schönes erreicht wird in der 10., 11. Klasse. Jetzt will einer unserer Fabrikanten eine Vignette haben für Kindermehl. Daß von innen heraus etwas geschaffen werden kann. Es gibt innere Notwendigkeiten. Heute kennt ja der Mensch bloß ein Kunstobjekt. Das muß so sein, wenn es etwas nachahmt. In Basel gibt es einen Lehrer des Kunstgewerbes, der sagt, er sehe gar nicht ein, wozu es notwendig ist, wenn ich das eine Auge hier male, warum ich das andere nicht hier malen kann. Das hat etwas für sich, solange man nicht mit den Sachen mitgeht. Was ich meine, ist das innerliche Erlebenkönnen. Das meine ich mit dem Stilgefühl. Man muß ein Dreieck erleben können, ein Viereck erleben können. Nicht sich halten an die Imitation, an die Nachahmung. Es macht doch heute jeder nur eine Puppe, indem er nachahmt und nicht innerlich erlebt. Man muß es von innen heraus erleben können, wie eine Puppe weint oder lacht. Dies müßte alles sinnvoll bis auf die Kleidung hin gemacht werden. — Die Mädchen können eine Puppe, die Knaben einen Kasperl machen. Das innerliche Erlebenkönnen, das müßte berücksichtigt werden beim Farbenmalen.

U kent het vignet van de driegeleding van de kernpunten [ GA 24 ] Dat is veranderd. Het ging erom, iets actueels te maken. Wat doet de kunstenaar? Hij heeft een motief en dat zet hij zo neer dat wat links staat, rechts ook weer komt. Hij maakt er een Gotisch raam van. Dit soort dingen gebeurt. Het is echt mogelijk wel mogelijk dat er in de 10e of 11e klas iets moois wordt bereikt. Nu wil een van onze fabrikanten een vignet voor kindermeel. Nu moet er iets van binnenuit gecreëerd worden. Vanuit het innerlijk moet dat op een bepaalde noodzakelijke manier.  Tegenwoordig kennen mensen alleen een kunstobject. Dat moet wel het geval zijn als het iets imiteert. Er is een kunst- en ambachtsleraar in Bazel die zegt dat hij niet begrijpt waarom het nodig is dat als ik het ene oog hier schilder, waarom ik het andere dan niet hier kan schilderen. Op zich heeft het iets, zolang je maar niet in die dingen meegaat. Wat ik bedoel is het innerlijke vermogen om te ervaren. Dit bedoel ik met gevoel voor stijl. Je moet een driehoek kunnen ervaren, een vierkant kunnen ervaren. Je niet aan het uiterlijke nadoen houden. Tegenwoordig maakt iedereen gewoon een pop door deze te imiteren en niet door innerlijk te ervaren. Je moet het van binnenuit kunnen ervaren, zoals een pop huilt of lacht. Dit zou allemaal zinvol gemaakt moeten worden, tot aan de kleding toe. — De meisjes kunnen een pop maken, de jongens een Jan Klaassen. Bij het schilderen met kleuren gaat het om het om het innerlijke beleven.

Es wird gefragt, ob die Kinder Eurythmieschuhe herstellen sollen.

Dr. Steiner: Dadurch würden die Kinder schwächlich und kränklich. Ich glaube, daß es zu Unzukömmlichkeiten kommen könnte. Auf der anderen Seite, ist so furchtbar viel an Eurythmieschuhen zu erzeugen?

Er wordt gevraagd of de kinderen euritmieschoenen zouden moeten maken.

Dr.Steiner: daar zouden de kinderen zwak en ziekelijk van worden. Ik geloof dat het zou kunnen leiden tot wreveligheden. Aan de andere kant, is er nou zo vreselijk veel te ontwikkelen aan euritmieschoenen?
GA 300A/241-242  
Niet vertaald

Vergadering van 16-01-1921

Blz. 270

Door een leerkracht wordt er iets verteld over een leerling. Steiner vraagt dan hoe het met de handvaardigheid staat. Dat wordt verteld, wat er wordt gezegd, is niet weergegeven. Steiner antwoordt dan:

Dr. Steiner: Sie müssen sich bei der Wahl der Arbeiten anpassen an die Bedürfnisse. Es gibt nicht die Möglichkeit, auf alles ein gewisses künstlerisches Tun anzuwenden. Man sollte das Entwickeln des Künstlerischen nicht versäumen, den künstlerischen Sinn nicht ver­dorren lassen. Aber Sie können nicht viel mit dem künstlerischen Sinn anfangen, wenn die Kinder einen Strumpfstricken sollen. Wenn ein Kind einen Strumpf gestrickt hat, kann man immer unterbrechen und irgendeine Niedlichkeit dazwischen machen lassen.
Wir wollen in die Zusammenkunft am Abend soziale Pikanterien hineinbringen, wollen ganz kleine geschmackvolle Bändchen machen lassen mit etwas Anhänglichem aus Papier. Ja nicht ins Fröbeln kommen! Dinge, die man brauchen kann, die im Leben eine Bedeutung haben, die kann man geschmackvoll künstlerisch machen. Keine Konzes­sionen! Nicht Dinge machen lassen, die nur Finessen oder Kokette­rien entspringen. Nicht für vieles wird man Papier anwenden können. Ich hoffe auch noch hineinzugehen.

Dr. Steiner: Bij de keuze van het werk moet je je aanpassen aan de behoeften. Het is niet mogelijk om bij alles een bepaalde kunstzinnige vorm toe te passen. Je mag de ontwikkeling van het kunstzinnige niet verwaarlozen, maar ook niet het kunstzinnige gevoel laten verdorren. Maar met het kunstzinnige gevoel kun je niet veel doen als de kinderen een kous moeten breien. Als een kind een kous heeft gebreid, kun je altijd even stoppen en hem tussendoor iets leuks laten doen.
We zullen vanavond als we bij elkaar komen, iets sociaal interessants gaan doen, we laten smaakvolle linten van papier maken waar iets aan vastzit. Maar geen fröbelwerk! Dingen die je kan gebruiken, die in het leven iets betekenen; die kan je smaakvol kunstzinnig maken. Geen concessies! Geen dingen laten maken die alleen maar ontstaan uit tot in de details willen gaan of voor het uiterlijk fraaie. Papier kan je niet voor veel dingen gebruiken. Ik hoop daar nog op in te gaan.

X.: Die Kinder haben angefangen, Spielzeug zu machen, sind aber noch nicht fertig geworden.

Dr. Steiner: Es ist durchaus nichts einzuwenden, daß die Kinder
Kochlöffel machen. Ganz Fernliegendes brauchen sie nicht zu
machen. Möglichst keinen Luxus.

X.: De kinderen zijn begonnen speelgoed te maken, maar zijn nog niet klaar.

Dr.Steiner: Er is echt niets tegen in te brengen dat de kinderen houten lepels maken. Je hoeft geen dingen te maken die hoog gegrepen zijn. En zo mogelijk geen luxe.
GA 300A/270
Niet vertaald.

Rudolf Steiner over handvaardigheid

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3095-2909

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over handvaardigheid (GA 294)

.

Wellicht doet de uitdrukking ‘handvaardigheid’ wat ouderwets aan, zoals bv. ook ‘nuttige’ handwerken – het vak handwerken werd ooit zo genoemd – maar wat Steiner erover zegt, valt voor mij weer binnen de categorie ‘100 jaar oud, maar niet van gisteren’.
Net zoals zijn ‘wegwijzers‘.

In de neuro-wetenschap wordt het steeds duidelijker hoe en welke bewegingen van invloed zijn op de vorming van de hersenen, in het vormen van alle mogelijke verbindingen die (o.a.) het denken ten goede komen.

En dat beweerde Steiner al in de jaren rond de oprichting van de 1e vrijeschool in 1919.

Het ging hem om ‘menskunde’ en wat de leerkracht daarmee kan en moet! om leerstof hulp te laten zijn als ontwikkelingsstof.

Maar dat niet alleen!

In verschillende voordrachten – niet in alle – over handvaardigheid probeert Steiner ook een gevoel op te roepen voor wat ‘kunstzinnige vorm’ is, of zou kunnen/moeten zijn.
Als leerkracht kunnen we met zijn aanwijzingen ons gevoel daarvoor ontwikkelen. 
M.i. ligt er wel een gevaar op de loer, n.l. dat je hierin te star of te dogmatisch kan worden. Het is ook manoeuvreren tussen ‘kunst en kitsch’. 

GA 294

In voordracht 2  spreekt Steiner over het verschil tussen schilderen en tekenen. Die passage staat hier.

Nadat dit verschil verklaard is, zegt hij:

Voordracht 2, Stuttgart 22 augustus 1919

Blz. 41/42    vert. 

So werden Sie allmählich darauf kommen, daß die Form der Natur wirklich aus der Farbe heraus entsteht, daß daher das Zeichnen ein Abstrahierendes ist. Von solchen Dingen sollte man eine gute Vorstellung, eine gute Empfindung schon in dem heranwachsenden Kinde erzeugen, weil dies sein ganzes Seelen wesen belebt und in ein richtiges Verhältnis zur Außenwelt bringt. Daran krankt ja unsere Kultur, daß wir kein richtiges Verhältnis zur Außenwelt haben. Man braucht dabei durchaus nicht, ich möchte sagen, unterrichtend selbst wiederum einseitig zu werden. Es würde zum Beispiel ganz gut sein, wenn wir nach und nach die Möglichkeit entwickeln könnten, von dem bloßen abstrakt Künstlerischen, das der Mensch aus seiner Lust am Schönen hervorbringt, überzugehen zu dem konkret Künstlerischen, zu dem Kunstgewerblichen, denn gar sehr bedarf die Menschheit heute des Hineinstellens eines wirklich Kunstgewerblichen in das allgemeine Kulturdasein.

Zo zult u gaandeweg ontdekken dat de vorm van de natuur werkelijk ontstaat uit de kleur en dat tekenen daarom iets abstraherends is. Voor zulke dingen zou u al bij het opgroeiende kind een goede voorstelling, een gevoel moeten aankweken, omdat dit zijn hele zielenwezen tot leven wekt en in een echte relatie tot de buitenwereld brengt. De ziekte van onze cultuur is immers dat we geen werkelijke relatie tot de buitenwereld hebben. Daarbij hoeven we beslist niet, laat ik zeggen, in ons onderwijs zelf weer eenzijdig te worden. Het zou bijvoorbeeld heel goed zijn als we op termijn de mogelijkheid konden ontwikkelen om van het louter abstract kunstzinnige, wat de mens voortbrengt vanuit zijn verlangen naar schoonheid, over te gaan naar het concreet kunstzinnige, de kunstnijverheid. Want de mensheid heeft het tegenwoordig werkelijk hard nodig dat echte kunstnijverheid een plaats krijgt in het culturele leven.

Wir haben es doch tatsächlich im Laufe des 19. Jahrhunderts dahin gebracht, daß wir unsere Möbel für das Auge machen, zum Beispiel einen Stuhl für das Auge machen, während er den Charakter an sich tragen sollte, daß man ihn fühlt, wenn man darauf sitzt. Darnach soll er gestaltet sein. Man soll den Stuhl erfühlen, er soll nicht bloß schön sein, er soll den Charakter an sich tragen, daß ein Mensch darauf sitzen könne. Das ganze Zusammenwachsen des Gefühlssinnes mit dem Stuhl und sogar des geformten Gefühlssinnes – durch die Art, wie Armlehnen am Stuhle sind und so weiter, indem der Mensch seine Stütze an dem Stuhl sucht -, sollte an dem Stuhl zum Ausdruck kommen. Würde man daher Handfertigkeitsunterricht mit entschieden kunstgewerblichen Absichten in das Schulwesen einführen können, so würde man damit der Kultur einen großen Dienst erweisen. 

We zijn in de loop van de negentiende eeuw waarachtig zover gekomen dat we onze meubels voor het oog maken, bijvoorbeeld een stoel voor de sier maken, terwijl een stoel het karakter moet hebben dat je hem voelt als je erop zit. Daar moet hij naar gemaakt zijn.* Je moet voelen hoe een stoel zit, hij moet niet alleen mooi zijn, hij moet het karakter hebben dat je erop kunt gaan zitten. Hoe nauw de tastzin met de stoel verweven is of zelfs het ontwikkelde vormgevoel – door de manier waarop bijvoorbeeld de armleuningen aan de stoel zitten – omdat een mens nu eenmaal steun zoekt bij een stoel, dat zou in een stoel tot uiting moeten komen.
Als we dus handvaardigheidsonderwijs zouden kunnen invoeren dat expliciet ook op kunstnijverheid is gericht, dan zouden we daarmee de cultuur een grote dienst bewijzen.
GA 294/41-42 
Vertaald/52
 

(Deze aantekening staat niet in de Duitse uitgave):

*Daar moet hij naar gemaakt zijn: Steiners ideeën en ook ontwerpen voor meubels e.d. zijn gedocumenteerd in Reinhold J. Fäth, Rudolf Steiner Design. Spiritueller Funktionalismus, Dornach 2005. 

Enerzijds voldoet m.i. deze stoel aan de criteria die Steiner hierboven stelt; anderzijds heb je ook te maken met wat bij jou past, wat je om je heen wil hebben en dat is altijd persoonlijk. 

Op deze site zie je voorbeelden van voorwerpen die ontstaan zijn n.a.v. Steiners opmerkingen.


Vakkenintegratie

Toen ik de onderwijzersopleiding deed (60-er jaren vorige eeuw), werd er in de toen moderne didactiek gesproken over het belang van ‘vakkenintegratie’. 
Als Steiner de eerste lerarencursus geeft (1919) uit hij zich enthousiast over ‘het samengaan’ van vakken:

Voordracht 11, Stuttgart 2 september 1919

Blz. 158  vert,  152

Was kann alles in der Geographie zusammenfließen! Zum Schlüsse wird sich sogar ein wunderbares Ineinandergestalten zwischen Geographie und Geschichte ermöglichen lassen. Dann werden Sie, wenn Sie so in den Geographieunterricht manches hineingetragen haben, auch wiederum manches aus ihm herausholen können. Da wird natürlich an Ihre Phantasie, an Ihre Erfindungsgabe einige Anforderung gestellt. Wenn Sie dem Kinde erzählen, da oder dort wird dieses oder jenes gemacht, zum Beispiel: die Japaner machen ihre Bilder so und so, dann versuchen Sie gerade das Kind anzuhalten, so etwas auch in seiner einfachen, primitiven Weise zu machen.

U ziet dat we in de aardrijkskundelessen buitengewoon veel moeten onderbrengen, wil aardrijkskunde inderdaad een soort samenbundeling zijn van alle andere vakken. Wat kan er niet allemaal in aardrijkskunde samenstromen! Uiteindelijk is het ook nog mogelijk om aardrijkskunde en geschiedenis prachtig met elkaar te verweven. Zo kunt u veel dingen in aardrijkskunde een plaats geven, en aan de andere kant kunt u er ook weer veel uithalen. Dat vraagt natuurlijk wel het een en ander van uw fantasie, van uw creat iv iteit. Als u de leerlingen over dingen vertelt die elders gedaan worden, bijvoorbeeld dat de Japanners een bepaald soort tekeningen maken, dan probeert u de leerlingen ook zoiets te laten maken – natuurlijk op een eenvoudige, primitieve manier.

Versäumen Sie es schon am Anfang nicht, indem Sie dem Kinde den Zusammenhang zwischen dem Ackerbau und dem menschlichen Leben beibringen, dem Kinde eine deutliche Vorstellung von dem Pflug, von der Egge und so weiter im Zusammenhang mit den geographischen Vorstellungen zu geben. Und einiges davon versuchen Sie namentlich von dem Kinde nachahmen zu lassen, wenn auch als kleines Spiel- oder Kunstwerk. Dadurch wird das Kind geschickt, und dadurch wird das Kind geeignet gemacht, sich später in richtiger Weise ins Leben hineinzustellen. Und wenn man gar könnte kleine Pflüge machen und die Kinder im Schulgarten ackern lassen, wenn man sie könnte mit kleinen Sicheln mähen lassen oder mit kleinen Sensen schneiden lassen, so würde man eine gute Verbindung zum Leben herstellen. Denn wichtiger als die Geschicklichkeit, ist die seelische Verbindung zwischen dem Leben des Kindes und dem Leben in der Welt.
Denn es ist tatsächlich so: ein Kind, das mit der Sichel Gras abgeschnitten, mit der Sense Gras abgemäht hat, das mit einem kleinen Pflug
Furchen gezogen hat, wird ein anderer Mensch als ein Kind, weiches
das nicht getan hat. Das Seelische wird dadurch einfach etwas anderes.

U moet ook niet vergeten om de kinderen meteen, zodra u de samenhang tussen de akkerbouw en het menselijk leven behandelt, een duidelijk beeld te geven van een ploeg, een eg enzovoort in relatie tot de
geografische leerstof. En probeert u de leerlingen een paar van die dingen te laten namaken, al is het in de vorm van een stukje speelgoed of een kunstwerkje. Daardoor wordt een kind handig, en daardoor wordt het toegerust om later goed met het praktische leven mee te kunnen. En als het dan ook nog mogelijk zou zijn om kleine ploegen te maken en met de kinderen in de schooltuin te ploegen of ze te laten maaien met kleine sikkels of zeisen, dan zouden we helemaal een goede verbinding met het praktische leven realiseren. Want belangrijker dan handigheid is het ontstaan van een innerlijke verbinding tussen het leven van het kind en het leven in de wereld. Want het is werkelijk een feit: een kind dat met een sikkel of een zeis gras heeft gemaaid, dat met een kleine ploeg voren heeft getrokken, dat wordt een ander mens dan een kind dat dat niet heeft gedaan. Het zielenleven ontwikkelt zich daardoor eenvoudigweg anders

Hoewel er eigenlijk niet meer met een sikkel of een zeis wordt gemaaid, de ploeg eren enorme technische ontwikkeling heeft doorgemaakt, is het toch goed op met de kinderen terug te gaan naar deze ‘oerbewegingen’ die alle ten grondslag liggen aan wat er nu aan techniek bestaat.

Zie: [ 6 ‘hand’elingen over: de menselijke hand; samenhang van hand en andere lichaamsdelen met het ontstaan van gereedschappen

de hand en gereedschappen
[7 ]  over het ‘waarom’
[8 ]  over de ploeg: ontstaan, gebruik


Der abstrakte Handfertigkeitsunterricht kann das eigentlich nicht ersetzen. Und das Stäbchenlegen und Papierflechten, das sollte tunlichst
vermieden werden, weil es eher abbringt davon, den Menschen ins
Leben hineinzustellen, als daß es diese Hineinstellung ins Leben fördert.
Viel besser ist es, wenn Sie das Kind dazu anhalten, Dinge zu tun, die
wirklich im Leben geschehen, als wenn Sie Dinge erfinden, die nicht
im Leben geschehen

Abstracte handvaardigheidslessen kunnen dat eigenlijk niet vervangen. En figuurtjes leggen of matjes vlechten, dat moeten we absoluut vermijden, omdat het eerder verhindert dat een mens in het volle leven komt te staan dan dat het dat bevordert. Het is veel beter om de kinderen dingen te laten doen die werkelijk in het gewone leven gebeuren, dan dingen te verzinnen die niet in werkelijkheid gebeuren. 
GA 294/157-158  
Vertaald/152-`153

.

Rudolf Steiner over handvaardigheid

Handvaardigheidalle artikelen

Menskunde en pedagogie: [5] Intelligentie (hand en intelligentie)

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3092-2906

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Handvaardigheid – lagere klassen – boetseren (1-2/2)

.

Het artikel over handvaardigheid wordt afgesloten met een soort verantwoording van de leerkracht. Waarom is ze te werk gegaan, zoals ze deed.

.

Helga Loew, Lehrerrundbrief 70 11/2000
.

Hoe het ontstond
.

Dat mijn leerlingen in de onderbouw naast vormtekenen en schilderen zo vanzelfsprekend ook regelmatig met mij boetseerden, kom natuurlijk niet uit de lucht vallen. Hier de voorgeschiedenis:

Toen ik in de zomer van 1986 voor de tweede keer een eerste klas overgenomen had, bleek al snel, dat in deze klas veel begaafdheid, maar ook invloeden van verschillende volken, talen en godsdiensten samengekomen waren.
Er zaten ook nog eens jongens bij met een uitgesproken agressief gedrag die zonder aanziens des persoons handelden. Het gedrag van deze nog niet tot sociaal samenzijn in staat zijnde kinderen, maakte een zinvol oefenen in het bewegend dell van het hoofdonderwijs moeilijk, zo niet onmogelijk. Ook in de pauze deden zich vaak uiterst vervelende situaties voor. De gewone pedagogische hulpmaatregelen die ik nam, leverden niet genoeg resultaat op. Die situatie kon en wilde ik niet langer voor mezelf verantwoorden. Zo werd voor mij de vraag steeds nijpender: hoe kan ik die opgekropte agressie die ook via de kinderhanden naar buiten kwam bij het stoten, slaan, pijn doen = wat wellicht een uiting was van angst en onzekerheid – in zinvolle activiteit omvormen?
Door er maar mee bezig te zijn een antwoord te vinden op deze vraag, kreeg ik eindelijk in de tijd van bezinning tussen Kerst en Nieuwjaar van dat schooljaar, een idee: ik wilde de kinderen een stevig, aards materiaal in handen geven waarmee ze zouden moeten werken: aards, klei moest het zijn. Ik wilde met hen, maar niet alleen met hen, met de hele klas – boetseren. Ik hoopte daarmee de gebalde agressie van de kinderen met hun opvallende gedrag te kunnen verminderen en zo de hele groep te kunnen helpen. Het moesten kunstzinnig-therapeutische boetseeroefeningen, bedacht ik, dat zou de hele klas goeddoen.
Nadat ik dit besluit had genomen, zat ik nog wel met mijn verantwoordelijkheid naar het leerplan en naar mijn collega’s. Waarom?
In een eerste klas met vochtige, koude klei boetseren was toen op de vrijeschool zeker niet de gewoonte; het werd, en wordt misschien nog wel als niet te best voor de gezondheid. Dus vroeg ik een oud-docente van het de Stuttgarter lerarenopleiding die ook de door mij bewonderde leraar vormtekenen en schilderen was tijdens mijn studeertijd om raad. Hildegard Berthold-Andrae moedigde me sterk aan om te doen wat ik voor de kinderen die me waren toevertrouwd, voor juist hield en wat het leven nu vroeg – los van wat gebruikelijk is. In de tijd daarna begeleidde zij mijn ‘pionierswerk’ met aandachtige pedagogische interesse. Aan haar initiatief is het ook te danken dat ik al snel na het begin van mijn werk met de kinderen met een kleine groep collega’s kon samenwerken die bereid waren op het gebied van boetseren in de onderbouw aan een pedagogisch onderzoek mee te werken. Het werk in deze groep kreeg wezenlijke impulsen door Winfried Schmidt en Peter Schiefer die ook nu nog als docent aan de opleiding in Stuttgart werkzaam zijn op kunstzinnig gebied.. We kwamen in die drie jaar maar een enkele keer volledig bij elkaar. Toch is het ons in die tijd door intensieve gemeenschappelijke inzet gelukt een methodische weg* voor het boetseren in de onderbouw te ontwikkelen die overeenkomt met de aanwijzingen van Rudolf Steiner op dit gebied.

Bij iedere nieuwe werkbijeenkomst betrokken we de pedagogische ervaringen die ik ondertussen met de kinderen in mijn klas opdeed met onze oefenweg. We zochten naar eenvoudige, duidelijke vormen die goed zouden kunnen passen in de handen van de kinderen. Rekening houdend met de leeftijd van de kinderen vermeden we daarbij iedere vorming van scherpe kanten, punten, uithollingen, binnenruimten en beenachtig lijkende vormen. Op die manier vonden we volle en tegelijkertijd duidelijke vormen. Je zou deze vormen als overwegend ‘kosmische’ vormen kunnen benoemen. Reliëfwerk en wat je vanaf een vaste ondergrond opbouwt sloten we uit van wat we nastreefden. Op die manier ontstond de door mij hier als voorbeeld beschreven reeks vormen. Dat betekent dat hier niet alle vormen zijn beschreven die we in de groep vonden en die ik met mijn klas heb gemaakt. (  )

Over mijn klas echter die de aanleiding was voor dit gezamenlijk pedagogisch zoeken, zou ik in het kort nog willen zeggen:
Door het geregeld boetseren tussen herfst en voorjaar ** kreeg het kunstzinnig werken op plastisch-beeldend terrein een flinke impuls; want ik laat de wekelijkse schilderdag als het maar enigszins mogelijk was, doorgaan en vormtekenen gaf ik in perioden. Dat werkte buitengewoon harmoniserend op de klassengemeenschap als geheel. De extreem agressieve kinderen schikten zich in he loop van de tijd steeds beter in de door mij consequent uitgevoerde wilsactiviteit en ze leerden daarmee steeds meer hun wil te beheersen.

Blik in de toekomst

Ik hoop en wens dat ik met mijn verslag veel klassenleerkrachten heb kunnen aanmoedigen met hun kinderen in de onderbouw voor het boetseren!
Nu, in de tijd waarin de computer al lang is doorgedrongen tot menig kinderkamer, is het wellicht meer nodig dan ooit om de handen van de kinderen met levenskracht te doordringen, gevoeliger te maken. Dat gebeurt ook door het boetseren van de basale vormen zoals ik die propageer.
De computer als werkapparaat zal zijn zegetocht wel voortzetten; computerspelletjes waardoor de kinderen buitengewoon zijn gefascineerd, kun je heel moeilijk gaan verbieden. We moeten iets tegenover het omgaan met het virtuele, met het levenloze stellen: de kracht van de het kunstzinnige om aan de opgroeiende jonge mensen de toegang tot levende, wordende processen te openen. Dus laten we ze de mogelijkheid geven hun zintuigwaarnemingen gevoeliger te maken en hun handen te bezielen.

.

*De schrijfster vermeldt niet de methode die door Anke Usche-Clausen en Martin Riedel  al voor het boetseren werd ontwikkeld – iets anders, maar toch ook in grote lijnen overeenkomstig.

**De schrijfster verwijst hier naar Steiners GA 223, de voordracht van 4 april 1923, maar op 4 april hield Steiner geen voordracht die in deze GA is afgedrukt.
Waarschijnlijk is de 4e voordracht bedoeld, van 7 april. Vertaald – als PDF te verkrijgen.

.

Handvaardigheid: alle artikelen

.

1302-1215

.

.

.

VRIJESCHOOL – Handvaardigheid lagere klassen – boetseren (1-2/1)

.

BOETSEREN IN DE ONDERBOUW 

EEN IMPRESSIE

Dit is een vrij uitgebreid artikel over een leergang boetseren in de lagere klassen. Met veel uitleg en foto’s ter illustratie. 
Een bepaald thema waar je vanaf klas 1 aan kunt werken en dat je in de volgende klassen kunt verdiepen. Je kunt het als periode geven, maar ook wekelijks als boetseerles. Het is niet voldoende om er het ‘boetseerjaar’ mee te vullen; wat er nog meer kan, vind je uitgebreid in o.a.
Clausen: ‘Plastisches Gestalten’ 

.

Hella Loewe, Leherrundbrief 70  11/2000
.

Al op de eerste dag van de cursus over opvoedkunst in Stuttgart, 21 augustus 1919 spreekt Steiner over kunstzinnig onderwijs:

„Das Künstlerische wirkt ja ganz besonders auf die Willensnatur des Menschen… Die Kinder sollen in ihrem Willen gestärkt werden durch künstlerische Mittel… Es handelt sich darum, dass wir das Wollen nie durch falsche Mittel in die verkehrte Richtung bringen, sondern, dass wir die Erstarkung des Wollens durch künstlerische Mittel richtig zum Ausdruck bringen. Dazu soll von Anfang an malerische, künstlerische Unterweisung dienen und auch musikalische. Wir werden dabei bemerken, dass gerade in der ersten Zeit der zweiten Lebensepoche das Kind für die autoritative Unterweisung mit dem Künstlerischen am allerempfänglichsten ist und dass wir da am meisten mit ihm erreichen können…“

‘Het kunstzinnige werkt namelijk bijzonder in op de wil van de mens….
De kinderen moeten in hun wil gesterkt worden door kunstzinnige middelen…..
Het gaat er maar om dat we het willen nooit door onjuiste middelen de verkeerde kant op richten, maar dat we de wil versterken door kunstzinnige middelen. Daartoe dienen van begin af aan de schilderlessen, de kunstzinnige lessen, ook de muzieklessen. Daarbij zullen we merken dat juist in de eerste tijd van de tweede levensfase het kind het meest ontvankelijk is voor de autoriteit door middel van het kunstzinnige en dat we dan het meest kunnen bereiken…..’
GA 294/1e vdr.
vertaald/1e vdr.

Rudolf Steiner verwacht van de leerkrachten zeker niet alleen maar dat ze het kunstzinnige in het kind verzorgen, maar zeer zeker ook dat ‘het gehele onderwijs afgeleid moet zijn uit het kunstzinnige. Alle methodiek moet in een bad van kunstzinnigheid gedompeld zijn.’

das Ganze des Unter­richts herausgeholt sein soll aus dem Künstlerischen. “ „Der ganze Mensch, vor allem mit dem Willensleben, soll beim Unterricht in Anspruch genommen werden. Ins Künstlerische muss alle Methodik getaucht werden’
GA 294/11
vertaald/11

Dat is een grote uitdaging aan de leerkracht! De opdrachten zijn in vergelijking met elkaar wezenlijk verschillend, maar met het oog op het doel vallen ze toch samen. De leraar moet zich tot kunstenaar ontwikkelen, kunstzinnig lesgeven, lesgeven in kunst, zoals het boetseren en het tekenen e.d. en tegelijkertijd als opvoedingskunstenaar werken wanneer hij op een kunstzinnige manier traditionele zaken aanleert, zoals schrijven of grammatica.

Rudolf Steiner pakt het thema van het kunstzinnige twee dagen later in de methodisch-didactische cursus (GA 294) weer op. Hier karakteriseert hij de twee stromen waarmee de mens te maken heeft, de plastisch-beeldende stroom en de muzikaal-dichterlijke stroom.
Hij zegt dat deze twee weliswaar polair tegenover elkaar staan, maar dat ze in een hogere eenheid weer samenkomen.
Kijk je nu naar het gehele voordrachtswerk van Rudolf Steiner, dan zie je dat deze beide stromen: het plastisch-beeldende en het muzikaal-dichterlijke als twee elementaire levensaderen de vrijeschoolpedagogie doorstromen.

De uitspraken die Rudolf Steiner over het plastisch-beeldende voor de pedagogiek heeft gedaan tussen augustus 1919 en augustus 1924 laten het volgende zien: zijn concept voor het kunstzinnige onderwijs in het plastisch-beeldende in de onderbouw omvat het tekenen (vormtekenen), het aquarelschilderen en het boetseren; deze drie vormen een uitgebalanceerd geheel, een harmonische drieklank.
Het kunstzinnige middel bij het vormtekenen is de lijn, de rechte en de ronde, gebogen lijn; bij het schilderen het kleurvlak en bij het boetseren zijn de naar binnen gewelfde (concave) en naar buiten gewelfde (convexe) vlakken het kunstzinnige middel dat we hanteren.

Daarmee beschrijf ik [Hella Loewe] de pedagogische stroom die met het plastisch-beeldende wordt gebruikt als ‚toekomststroom‘, die de wilskracht van het kind stimuleert en sterker maakt. In tegenstelling daarmee kunnen we van een meegebrachte stroom spreken die uit het verleden stamt en die bij de kinderen zichtbaar is in het illustrerende tekenen, in het tekenende schilderen, maar ook bij het boetseren van figuurtjes. Deze stroom droogt langzaam op. Het is nodig dat we  duidelijk onderscheid maken in wat we doen, wanneer we de kinderen in het kunstzinnige willen onderwijzen.

Rudolf Steiner wijst er in de al genoemde 1e voordracht van de methodisch-didactische cursus nadrukkelijk op, dat het hem er niet om gaat iets te tekenen of te boetseren van een vorm die een nadoen van iets is, maar dat het erom gaat allereerst de belangstelling van de kinderen te wekken voor de oorspronkelijke, pure vormen.

Diese Ähnlichkeit mit der Außenwelt muss erst als ein Sekundäres aufleuchten. Was im Menschen heute leben muss, muss das innere Verwachsensein mit den Formen selbst sein.

De gelijkenis met de buitenwereld moet pas in tweede instantie aan de dag treden. Wat in de mens moet leven, is een innerlijke verbinding met de vormen zelf.
GA 294/16
vertaald/17

Wir zeichnen mit der Hand und wir plastizieren auch mit der Hand, und dennoch ist beides völlig verschieden. Das kann insbesondere zum Ausdruck kommen, wenn wir Kinder in das Künstlerische hineinbringen. Wir müssen, wenn wir Kinder ins Plastisehe hineinbringen, möglichst darauf sehen, dass sie verfolgen die Formen des Plastischen mit der Hand. Indem das Kind sein eigenes Formen fühlt,. indem es die Hand bewegt und zeichnerisch irgend etwas macht, können wir es dahin bringen, dass es mit dem Auge-aber mit dem durch das Auge gehenden Willen die Formen verfolgt… 

We tekenen met de hand en we boetseren ook met de hand – en toch zijn beide volstrekt verschillend. Dat kan met name duidelijk worden, wanneer we kinderen met kunst laten kennismaken. Als we kinderen laten boetseren, moeten we er zo goed mogelijk op letten dat ze de vormen van het boetseerwerk met de hand volgen. Wanneer het kind voelt wat het zelf vormt door de hand te bewegen en tekenend iets te maken, kunnen we het kind ertoe brengen de vormen te volgen met het oog – maar ook met de door het oog gaande wil.
GA 294/18
vertaald/18

Dan volgt hier nog de aansporing het kind zelf met zijn holle hand de vormen van het lichaam te laten voelen en met de ogen de draaiingen van een cirkel te laten volgen met de aanwijzing dat dit appelleert aan de interesse van de gehele mens.

In de tweede leerplanvoordracht van 6 sept. 1919 vat Rudolf Steiner nog een keer kort samen dat het vormtekenen en het waarnemen van vormen vooral door het tekenen en het boetseren ontwikkeld moet worden. Op dezelfde dag ’s middags, in de derde leerplanvoordracht voegt hij er dan nog aan toe:

„Plastisches soll vor dem neunten Jahre beginnen, Kugeln, dann anderes und so weiter, auch beim Plastischen soll man ganz aus den Formen heraus arbeiten. “

Met plastische vormen moet men voor het negende jaar beginnen met bollen, dan verder met andere dingen. Ook bij het boetseren moet men geheel en al werken vanuit de vormen.
GA 295/182
vertaald/ 166

Wanneer je met boetseren moet beginnen en ook wat de kinderen daarbij moeten leren, wordt uit al deze aanwijzingen duidelijk. Hoe de leerkracht dat in de eerste schooljaren moet realiseren, is daarentegen maar summier aangegeven: ‘bollen, dan verder met andere dingen‘. In vergelijking met de gedifferentieerde methodische aanwijzing en de talloze concrete voorbeelden die Rudolf Steiner voor het vormtekenen (in de ‘Praktijk van het lesgeven’ (GA 295) en in de vele pedagogische voordrachten na augustus 1919) gaf, is dat niet veel.
Vóór ik een paar aanwijzingen opsom van Rudolf Steiner voor de leerkracht om zich verder te scholen in boetseren, wil ik eerst nog even stilstaan bij de handen als instrument waarmee we boetseren.

In de vierde voordracht van de methodisch-didactische cursus (GA 294) legt Rudolf Steiner er de nadruk op van welke doorslaggevende betekenis het eerste schooluur is en geeft een prachtig voorbeeld van een gesprek met de eersteklassers over de zin van het op school zijn. Tijdens het verloop van het gesprek richt hij het bewustzijn van de kinderen op het feit dat ze handen hebben, handen om te werken. Dan gaat hij ertoe over de kinderen iets met de handen te laten doen, terwijl hij dat óók doet. ‘Nu maak ik dit. Gebruik je hand en maak het ook eens!’
GA 294/56
vertaald/49

Het gaat hierbij om de rechte lijn en de gebogen lijn, dus de basiselementen van het tekenen.

In het samenzijn met mijn eersteklassers is het mij duidelijk geworden, hoe wezenlijk het is dit soort gesprekken – in dit geval bedoel ik met name de passage over de handen – met de kinderen te voeren. De manier waarop Rudolf Steiner de oefening ‘met de handen iets te doen’ inleidt, inspireerde ook mij, toen ik voor mijn eersteklassers zocht naar een geschikte verbale introductie voor het boetseren. Met de tweede-, derde- en vierdeklassers sprak ik ook op deze manier, uiteraard zoals bij hun leeftijd past. Daarmee wilde ik bereiken dat de kinderen in toenemende mate zich bewust zouden worden van wat een unieke gave het is handen te hebben en hoe ze de verschillende plekjes van hun hand kunnen gebruiken om iets kunstzinnigs te maken. Bij het boetseren gebruiken we toch allebei onze handen, bij het tekenen daarentegen houden we het potlood of bij het schilderen de penseel in de regel maar met drie vingers van de hand vast. Wanneer we zelf boetseren, beleven we hoe de holte van de hand, de binnenkant van allebei de handen door het boetseren warm worden en gevoelig. Ook nog eens wordt daar alles van de zintuigen ervaren, vooral de wilszintuigen – de tastzin, de levenszin, de bewegingszin en de evenwichtszin worden direct aangesproken en ‘gevoed’. Door dit kunstzinnig bezigzijn worden ook de levensprocessen bezield en aangewakkerd, vooral het ademproces en het warmteproces.

Het valt op dat Rudolf Steiner in de pedagogische voordrachten die hij in 1924 hield, meer nadruk legt op de betekenis van het boetseren, hij spreekt er uitvoeriger over dan hij tot dan toe had gedaan. Aan de volgende geciteerde mededelingen (die, zoals alle citaten in hun verband gelezen dienen te worden, wil je serieus werk maken van het boetseren) wordt op een bijzondere manier licht geworpen op de uitwerking die het boetseren heeft op degene die het doet (hier wordt met name de leerkracht bedoeld). Zo zegt Rudolf Steiner op 10 april 1924 in Stuttgart:

Wenn man sich hineinlebt in das plastische Gestalten, wenn man weiß, eine Rundung wird so, eine Ecke wird so, aus den inneren Kräften heraus wird das so. Mit dem, was man als die allgemeinen Naturgesetze begreift, kann man den Ätherleib nicht begreifen. Mit dem, was man in die Hand, in die durchgeistigte Hand hineinbekommt, mit dem begreift man den Ätherleib. Daher sollte eigent­lich keine Seminarbildung sein ohne aus dem Innern des Menschen hervor gehen­de künstlerische Betätigung in Plastik, in Bildhauerei. Wenn das fehlt, ist es für das Erziehen viel ungünstiger, als wenn einem fehlt die Hauptstadt von Rumänien oder der Türkei oder diesen oder jenen Berg zu wissen, denn das kann man im Lexikon nachschlagen. Es ist gar nicht nötig, dass man manches weiß, wovon man heute im Examen Gebrauch macht. Das schadet auch nicht, wenn man im Lexikon nachschaut. Aber es gibt noch kein Lexikon, wodurch man jene Beweglichkeit kennen lernt, jenes könnende Wissen und wissende Können, das man in sich haben muss, um den Ätherleib zu begreifen, der nicht nach Naturgesetzen vorgeht, sondern der in plastischer Tätigkeit den Menschen durchzieht. 

Hem (de mens) begrijp je, wanneer je weet iets wat rond is, wordt zo, wat hoekig is zo, vanuit de innerlijke krachten wordt dat zo. Met wat je als de algemene natuurwetten begrijpt, kun je het etherlijf niet begrijpen. Met wat je in je hand neemt, een hand waar de geest zich door kan openbaren, daarmee begrijp je het etherlijf. Vandaar dat er eigenlijk geen opleiding zou moeten zijn, zonder dat er een kunstzinnige activiteit plaatsvindt met boetseren, met beeldhouwen die uit het innerlijk van de mens komt. Wanneer dat ontbreekt is dat voor het opvoeden veel ongunstiger dan wanneer iemand niet weet wat de hoofdstad van Roemenië of Turkije is of de een of andere berg, want dat kun je wel in een naslagwerk vinden. Het is helemaal niet nodig dat je veel weet van wat tegenwoordig geëxamineerd wordt, het is helemaal niet erg om iets in een naslagwerk op te zoeken. Maar er is nog geen naslagwerk waardoor je die beweeglijkheid leert kennen, dat kunnende weten en wetende kunnen dat je in je mee moet dragen om het etherlijf te begrijpen, dat zich niet volgens de natuurwetten gedraagt, maar dat de mens doortrékt met plastische activiteit.
GA 308/53
Vertaald/53

Wanneer Rudolf Steiner dan van 13 tot 17 april 1924 een pedagogische cursus in Bern geeft, spreekt hij weer uitvoerig over dit thema:

„… es müsste, damit eine gewisse Fähigkeit einträte, wirklich hinzuschauen auf die Art und Weise, wie sich zum Beispiel der Ätherleib im Menschen zeigt, eine ganz andere Art von Seminar- und Universitätsausbildung da sein. Die wäre notwendig sowohl für den Lehreraufallen Gebieten, wie namentlich auch für den Mediziner. Und die würde zunächst darin bestehen, dass man lernt, wirklich von innen heraus, aus der Entfaltung der menschlichen Natur heraus bildhauerisch zu modellieren, so dass man in die Lage käme, Formen aus ihrer inneren Gesetzmäßigkeit heraus zu schaffen. Sehen Sie, die Form eines Muskels, die Form eines Knochens wird nicht begriffen, wenn man sie so begreifen will, wie man es in der heutigen Anatomie und Physiologie tut. Formen werden erst begriffen, wenn man sie aus dem Formensinn heraus begreift… “

( ) maar er zou, opdat een zeker vermogen ontstaat werkelijk te zien hoe bijv. het etherlijf zich in de mens vertoont, een heel ander soort opleiding of universiteitsscholing moeten zijn. Dat is nodig, voor de leraar op elk gebied, maar ook voor de arts. En die zou eruit moeten bestaan dat je leert echt van binnenuit, uit de ontplooiing van de mensennatuur, op een beeldhouwende manier te boetseren, zodat je in de positie komt, vormen vanuit hun innerlijke wetmatigheid te scheppen. Kijk, de vorm van een spier, de vorm van een bot begrijp je niet wanneer je die zo begrijpen wil als dat in de huidige anatomie en fysiologie gebeurt. Vormen worden pas begrepen, wanneer je ze met een bepaald gevoel voor vorm begrijpt.
GA 309/44
Vertaald/44

Dan volgt er een uitvoerige karakterisering van het etherlijf in samenhang met de werking van de sterren in de kosmos, alsmede een beschouwing over de werking van kosmische krachten op de vorming van de menselijke spieren en beenderen. Daaraan gekoppeld uiteenzettingen die zich tot de beeldhouwer richten en verder:

„Man muss sich wenden können an den großen kosmischen Plastiker, der die Form aus dem heraus erschafft, was dem Menschen werden kann als Raumgefühl. Das muss erst entwickelt werden: Raumgefühl!…

Je moet je kunnen richten op de grote kosmische beeldhouwer die de vorm haalt uit wat de mens worden kan als ruimtegevoel. Dat moet allereerst ontwikkeld worden: ruimtegevoel!
GA 309/46
Vertaald/46

Weil der Mensch nur die groben Sinne entwickelt, deshalb entwickelt er nicht dieses feine Raumgefühl…

Omdat de mens slechts de grovere zintuigen ontwikkelt, ontwikkelt hij niet dit subtiele ruimtegevoel.

Es handelt sich darum, dass man erst die Erkenntnis­methode schaffen muss: nämlich plastische Anschauung, die immer etwas ver­bunden ist mit innerer plastischer Tätigkeit…

Het gaat erom dat je eerst een kennismethode moet maken: n.l. plastisch waarnemen dat steeds verbonden is met een plastische innerlijke activiteit.
GA 309/47
Vertaald/47

Van 12 tot 20 augustus 1924 spreekt Rudolf Steiner tot de lerarengroep die in Torquay de eerste Engelse vrijeschool opricht; dit is de laatste pedagogische cursus die hij dan nog geven kan. Vanuit zijn diepe, omvattende menskunde en met scheppende fantasie komt hij op 18 augustus, op de voorlaatste dag van de cursus, nog een keer op het boetseren terug:

Nun müssen wir uns darüber klar sein, dass mit dem Zahnwechsel eigentlich erst die selbstständige Tätigkeit des Ätherleibes des Menschen beginnt. Der Ätherleib hat in den ersten sieben Lebensjahren mit allem, was er an selbstständiger Betätigung aufbringen kann, zu tun, um den zweiten physischen Körper wirklich zu bilden. So dass dieser Ätherleib in den ersten sieben Lebensjahren ein ausgesprochener innerer Künstler im Kinde ist, ein Plastiker, ein Bildhauer. Diese bildhauerische Kraft, die da vom Ätherleib auf den physischen Leib angewendet wird, wird frei, emanzipiert sich mit dem siebenten Lebensjahre mit dem Zahnwechsel. Sie kann sich dann seelisch betätigen. – Daher hat das Kind durchaus den Drang, Formen plastisch oder malerisch zu bilden. Der Ätherleib hat ja die ersten sieben Lebensjahre hindurch an dem physischen Leib plastiziert und gemalt. Jetzt will er diese Tätigkeit, da er an dem physischen Leib nichts weiter oder wenigstens nicht so viel zu tun hat, außen ausführen. Wenn Sie daher als Lehrer selber recht gut kennen, welche Formen am menschlichen Organismus vorkommen, und daher wissen, was das Kind aus plastischen Stoffen heraus gern formt oder was es mit Farben gerne hinmalt, dann werden Sie dem Kinde eine gute Anleitung geben können. Sie müssen aber selber eine Art künstlerischer Anschau­ung haben vom menschlichen Organismus. Daher ist es schon wichtig für den Lehrer, weil die heutige Seminarbildung darinnen noch gar nichts tut, sich selber plastisch zu betätigen …

Nu moet het voor ons helder zijn dat met de tandenwisseling eigenlijk pas de zelfstandige activiteit van het etherlijf begint. Het etherlijf heeft in de eerste zeven levensjaar met alles van doen wat het aan zelfstandige activiteit genereren kan, om het tweede fysieke lichaam daadwerkelijk te vormen. Zo dat dit etherlijf in de eerste zeven levensjaren een uitgesproken innerlijke kunstenaar in het kind is, een beeldhouwer. Deze beeldhouwerskracht die door het etherlijf voor het fysieke lichaam gebruikt wordt, komt vrij, maakt zich op het zevende jaar los met de tandenwisseling. Daarna kan ze als zielenkracht werkzaam zijn.
Vandaar dat het kind een sterke drang heeft plastisch of schilderend vormen te maken. Zijn etherlijf heeft wél de eerste zeven jaar lang aan het fysieke lichaam geboetseerd en geschilderd. Nu wil het deze activiteit, omdat het aan het fysieke lichaam niet meer verder iets of tenminste niet meer zo veel heeft te doen, daarbuiten uitoefenen. Wanneer je dus als leerkracht zelf heel goed weet, welke vormen er aan het menselijk lichaam voorkomen en daardoor weet, wat een kind met boetseermiddelen graag maakt of wat het met kleur graag schildert, dan kun je het kind goede aanwijzingen geven. Maar dan moet je zelf wel een kunstzinnige blik op het menselijk organisme hebben. Daarom is het voor de leerkracht ook belangrijk, omdat de huidige opleiding daarmee nog helemaal niets doet, dat hij probeert ook plastisch vormend bezig te zijn.

Dan volgt een er nog een aanwijzing voor het boetseren van organen, de oproep om plastische anatomie te bedrijven als voorbereiding voor het kunstzinnig werken met de kinderen, ook met het oog op de middenbouw waar het boetseren in samenhang met de menskunde op een heel bepaalde manier door de leerkracht gestimuleerd moet worden. – Dan zegt Rudolf Steiner ook hier nog een keer iets over het materiaal waarmee geboetseerd kan worden, net zoals hij in de 2e leerplanvoordracht in 1919 al had gedaan:

Und deshalb ist es so notwendig, dass Sie sich auf diese plastische Methode wirklich einlassen, sich Mittel suchen, wodurch Sie in die Lage kommen, die Formen der menschlichen Organe sinngemäß wirklich nachzubilden, mit Wachs oder in Plastilin oder meinetwillenwie es oftmals auch unsere Kinder machen in Straßenschmutz. Nun ja, wenn man anderes Material nicht hat, so ist das ein sehr gutes Material

En daarom is het zo noodzakelijk dat u zich werkelijk bezighoudt met deze methode, middelen zoekt waardoor u in de situatie komt de vormen van de menselijke organen echt zinvol daadwerkelijk na te vormen, met was of plasticine of wat mij betreft, zoals onze kinderen ook dikwijls doen – met modder. Nu ja wanneer je geen ander materiaal hebt, dan is dit een erg goed materiaal.
GA 311/96-97-98
Vertaald: 96-97-98

Kneedwas, bijenwas, net als een mengsel van klei en bijenwas zijn, zoals ze in de handel zijn, aanzienlijk duurder dan de door mij gebruikte pottenbakkersklei zonder chamotte, die heel geschikt is voor het boetseren in de onderbouw.

Nog meer aanwijzingen voor het leerplan boetseren vond ik in GA 301, 6-5-1920 en GA 303, 3-1-1922. In GA 233 spreekt Rudolf Steiner op 7 april 1923 over het boetseren in vroeger tijden tijdens de herfst- en wintermaanden. In Ilkley, Engeland spreekt hij zich als volgt uit:

Auch das Plastische wird möglichst viel gepflegt, allerdings erst etwa vom neunten, zehnten Jahre an und in primitiver Weise. Aber es wirkt ungeheuer belebend auf das physische Sehvermögen des Kindes, auf die Beseelung des physischen Sehvermögens, dass das Kind auch in das Formen von plastischen Gestalten in der rechten Weise im richtigen Alter eingeführt werde. 

Ook het plastische wordt zo veel mogelijk verzorgd, weliswaar pas ongeveer vanaf het negende, tiende jaar en op primitieve wijze. Maar het werkt geweldig verlevendigend op het fysieke gezichtsvermogen van het kind, op de bezieling van de fy­sieke gezichtsvermogens dat het kind op de ware wijze op de juiste leeftijd ingevoerd wordt in het vormen van plastische gestalten.
GA 307/222
Vertaald/284

Hij geeft voor de leeftijd die hier genoemd wordt, geen reden. Omdat deze echter in tegenspraak is met de aanwijzing in de derde leerplanvoordracht (‘met plastische vormen moet men voor het negende jaar beginnen’ GA 295, 6-8-1919) geeft deze passage aanleiding tot discussie over de grondslagen. Misschien helpen mijn geschetste onderwijservaringen de tegenstelling te vereffenen.

In de zogenaamde ‘Arnhemse cursus’ staat:

( ) abgesehen davon, führen wir das Kind möglichst in das Künstlerische hinein, in die Handhabung kleiner plastischer Dinge, ohne dass wir das Kind auf etwas anderes bringen, als was es aus seinem Inneren heraus aus der Form machen will. Da stellen sich ganz merkwürdige Dinge ein.

Maar afgezien daarvan leiden we het kind zo mogelijk ook in het kunstzinnige binnen, in het omgaan met kleine boetseerwerkjes, zonder hem heen te voeren naar iets anders dan wat hij vanuit zijn innerlijk uit de vorm wil maken. Daar doen zich heel merkwaardige dingen voor.
GA 310/60
vertaald/63

Verslag uit de praktijk van het onderwijs

Boetseren met klei in een eerste klas, een concreet voorbeeld.

De leerkracht beschrijft hierna hoe ze in de klas werkt met alle aanwijzingen en gezichtspunten.
Eerst vertelt ze uitvoerig over haar klas. Het is altijd interessant hoe mensen hun klas ervaren, maar omwille van de lengte van het artikel heb ik deze passage niet opgenomen in de vertaling; deze staat in het Duits onderaan.

Belangrijk is uiteraard je voorbereiding. Hier liggen van tevoren klaargemaakt, de kleibolletjes onder een vochtige lap en de les begint. 
Moet je eerst uitleggen wat er gedaan gaat worden en dan het materiaal uitdelen of deel je eerst uit en ga je dan uitleggen. Allebei is mogelijk, uiteraard, maar wanneer het materiaal – voor de kinderen uitdagend – voor ze ligt en ze mogen er nog niet aankomen, vergt dat wel wat beheersing; het leidt wat meer af. Het hangt dus een beetje af van hoe je klas is.

2)
‘Laten we eerst eens voelen hoe de klei is.’ En net als de leerkracht houden de kinderen eerst de klei tegen hun wang en voelen dat deze nogal koud is. ‘Pak nu een klein stukje van je klei en leg dat opzij. Nu gaan we de rest overal heel voorzichtig met de vingertoppen bevoelen, aftasten om het voor ons werk geschikt te maken. Wie een steentje of een hard stukje vindt, legt dat stil opzij.’ Meteen beginnen de kinderen ernstig en stil te werken. Een van de belangrijkste ‘gouden regels’ bij het boetseren is voor ons: ‘de mond zwijgt, als de handen werken’.

Nadat alle kinderen hun klei zorgvuldig gevoeld hebben, nemen ze die op aanwijzing van de leerkracht zoals zij, in allebei de handen – behalve het apart gelegde stukje. Ze drukken de massa zo samen dat de beide handen er gekruist omheen passen. Nu loopt de leerkracht rond en kijkt of ieder kind genoeg klei heeft genomen – afhankelijk van de grootte van de handen – de handenn moeten er nog net omheen kunnen. De vingers van ene hand mogen de andere hand niet raken.
De kinderen zitten rechtop, het stoeltje op duidelijke afstand van het tafeltje. De voeten helemaal op de grond. De leerkracht begint gelijk met de kinderen de klei te vormen door deze midden voor de borst, op harthoogte ongeveer, afwisselend van de ene op de andere hand te leggen, krachtig drukkend, vormend tot er zo langzamerhand iets ronds ontstaat. Zij let erop dat schouders en ellebogen ontspannen zijn. Deze houding zorgt ervoor dat ook de meeste kinderen hun armen en ellebogen vrij kunnen bewegen ‘als vleugeltjes’. Zodra een kind de ellebogen tegen het lichaam drukt, kan het niet meer vrij ademen en werken. Wanneer het goed gaat, gaan de kinderen vanzelf mee in de bewegingen van de leerkracht, zoals dat bij deze leeftijd van nature gaat.
Met maar een paar woorden begeleidt de leerkracht het werk, bijvoorbeeld zo: ‘Ik beweeg de klei tussen mijn beide handen heen en weer. Ik vorm deze met de holten van mijn hand (wat daarmee bedoeld wordt, heeft zij eerder al eens uitgelegd). Ik maak de klei rond door deze steeds maar te draaien. Nu gaat mijn duim langzaam over de vorm aan de wandel, hij spoort de oneffen plekjes op, drukt hier wat, verplaatst daar wat, vult een kleine holte op en maakt het zo steeds mooier.’ Dan gaat zij weer zwijgend verder.
Ondertussen wordt de vorm in de meeste kinderhanden steeds harmonischer rond. (Het kan gebeuren dat een kind – ook na veelvuldig oefenen – zijn klei niet rond krijgt, niet in de vorm weet te krijgen; in dit geval moet je goed kijken of het hulp nodig heeft).
Nu laat de leerkracht de kinderen even met gesloten ogen verder werken. Ze voelen met de holle hand de ronding, veranderen oneffenheden drukkend en aftastend, hier komt ook het vingertoppengevoel bij kijken. (Nu heeft dus niet alleen de mond ‘pauze’, maar ook de ogen. De meeste kinderen doen bereidwillig mee. Na deze geheel naar binnen gerichte fase van de oefening wordt de kinderen gevraagd hun ogen weer open te doen en hun vorm op een van de handpalmen te leggen en omhoog te houden zodat ze zelf en de anderen ook kunnen zien, wat er in de tussentijd voor moois is ontstaan.
De leerkracht loopt door de klas en kijkt naar de werkjes, prijst, bewondert, geeft hier en daar een aanwijzing om nog iets te verbeteren, wijst op twee, drie werkjes die prachtig zijn gelukt. Dat kan voor de kinderen een aansporing zijn nog eens naar hun eigen vorm met een sympathieke interesse te kijken om er nog een laatste hand aan te leggen.
Dan is het ogenblik daar dat de kinderen hun min of meer afgeronde vorm waaraan ze zo’n 25 à 30 minuten hebben gewerkt, tegen hun ene wang houden en het apart gelegde stukje tegen hun andere. Iedere keer is de verrassing weer groot: wat is de vorm waaraan gewerkt is toch warm en hoe koud is niet dat andere stukje. Daarover moet natuurlijk wel even gepraat worden!

Tot slot krast ieder kind zijn beginletter met de nagel van zijn duim in z’n vorm en legt deze voorzichtig op het kleiplankje dat aan het begin al was uitgedeeld. Nu hebben de handen even rust! IJverige helpers brengen de plankjes naar de grote tafel en de leerkracht legt er voorzichtig de vochtige doeken weer over tot de volgende dag. Let op! Dit is een cruciaal ogenblik: de reststukjes zijn er nog. Die moeten ook nog snel worden opgehaald ‘onder een wakend oog’ moeten ze weer in de kleikist terug, tenslotte is klei geen speelgoed, maar werkmateriaal dat we de volgende keer weer nodig hebben! De rest wordt snel schoongemaakt.
Voor het bord staan vier emmers water op een stoel, er hangen handdoeken over de rugleuning. Iedere rij wast de handen. Zolang de leerkracht in deze opruimfase een oogje in het zeil houdt, gaat alles goed, zoals bij het schilderen. Iedere keer na het boetseren kon ik tot mijn plezier vaststellen dat ‘mijn’ kinderen frisse, rode wangen gekregen hadden, zelfs de tere, bleke kinderen!
Het bleek mij bijzonder vruchtbaar en economisch te zijn om meteen na het boetseren iets te doen met taal. In de eerste klas bijv. een wat uitvoeriger gesprekje over het sprookje dat de dag ervoor was verteld. Of, wanneer we een schrijfperiode hadden, kun je de kinderen woorden met bepaalde klanken, wellicht die ook rijmen, laten zoeken. Uit die taalbron borrelt van alles omhoog! Na die levendige taaloefeningen – zo’n 20 minuten, blijft er nog wat tijd over om te vertellen, zo’n 25 minuten. Zo kan het hoofdonderwijs op zo’n morgen naar tevredenheid van allen in een fijne sfeer afgerond worden.

Oefenen van een plastisch-kunstzinnige reeks van vormen met de kinderen van klas 1 – 4.
Beschrijving van de methode

1.De eerste vormverandering: van bol naar ovaal

Nadat ik met de kinderen verschillende keren geoefend had een zoveel mogelijk gelijkmatige ronde, harmonische vorm te boetseren, konden we een eerste vormverandering proberen. Ook nu gold het pedagogische principe: het doel is niet om een voorstelling te concretiseren! Door het herhaalde oefenen waren bijna alle kinderen in staat om de mooie ronde vorm als voor-vorm voor de volgende stap binnen ongeveer een kwartier te maken.
‘Leg je vorm maar even neer en kijk wat ik jullie nu laat zien: we hebben allemaal tussen onze aparte beweeglijke vingers en de fijngevoelige handpalm nog een middenstuk dat die twee verbindt (de middenhandsbeentjes). Voel ze maar met de vingertoppen van je andere hand! Onder de wijsvinger en pink zitten van die kleine kussentjes, zoals een kat die ook heeft. Onder de middel- en ringvinger zijn die wat vlakker. Dat hele middengebied is erg sterk en dat kun je bij het boetseren goed gebruiken.’
Ik neem mijn ronde vorm nu in allebei mijn handen zodat ik die met dit middendeel kan drukken en ook voorzichtig strekken en daarbij draai ik de vorm langzaam steeds maar dezelfde kant op; ik druk, strek, draai, strek, draai. ‘Nu proberen jullie ook jullie vorm zo langer te maken als ik net heb gedaan!’
Na een poosje, terwijl ik de besproken bewegingen ook met mijn vorm uitvoer, wijs ik de kinderen erop: ‘Wanneer we nu stoppen, zien we dat onze ronde vorm van daarstraks langwerpiger is geworden. Wanneer deze nu op onze hand staat, kunnen we wel zeggen dat er een boven en beneden is.’

Voordoen is de methode! Dan samen werken, stoppen, bekijken, kleine verbale aanwijzingen, ook hier een ogenblik boetseren met de ogen dicht. Dan weer goed onderzoeken, bewust aftasten en kijken met de ogen open – ‘met de door de ogen gaande wil’ (Steiner) wordt de vorm gevolgd. Wanneer een paar kinderen aan het eind tot de conclusie komen en zeggen: ‘Dat lijkt wel een ei’, dan is dat niet in tegenspraak met de methode die hier gebruikt wordt. Ze hebben eenvoudigweg na het oefenproces bij de vorm die ontstaan is, een begrip gevoegd, wat helemaal terecht is.
Ook deze tweede vorm wordt minstens drie keer geoefend.
Daardoor leren de kinderen steeds beter hun vorm ritmisch, gelijkmatig om een denkbeeldige loodrechte as te draaien en tegelijkertijd de vorm te strekken. Wanneer ze daarbij mooi rechtop zitten, stroomt er een kracht vanuit de wervelkolom via de schouderbladen door de schouders en armen tot in de handen. Deze kracht verbindt zich met het tastende vormbeleven tot in het maken van de vorm ‘in het vormen werken krachten („Formbildung ist Kräftewirkung, (Steiner GA 286, 28.6.1914)  Niet vertaald.

2. Tweede vormverandering: de eerste hollere vorm:

Wanneer ik tevreden kan zijn over de vooruitgang, laat ik de kinderen zien, hoe uit de vorige vorm een nieuwe, een derde kan ontstaan. We maken weer een ronde vorm, maken deze langwerpiger tot een ovale vorm. Dan laat ik de kinderen deze op het plankje leggen. Nu probeer ik weer aandacht te hebben voor de handen: ‘Jullie weten nu, hoe we met de holle hand en met behulp van de duim de klei rond kunnen maken. Jullie hebben geleerd de klei met het sterke middendeel van je hand zo langer te maken en daarbij in een bepaalde richting te draaien, dat er een mooie ovale vorm ontstaan kan. Nu hebben we aan iedere hand nog een sterke ‘vriend’ die we nog niet zo goed hebben leren kennen en met wiens hulp we iets kunnen doen, wat we tot nog toe niet geprobeerd hebben. Het is het sterke, enigszins ronde kussen onder de duim dat de bal van de duim, de duimbal heet. Voel er maar eens aan! Nu leg ik de ovale vorm vlak op mijn linker hand. Met de duimbal van mijn rechterhand druk ik nu – eerst voorzichtig, dan steeds iets harder – een holletje in de vorm en dat niet in de lengte, ook niet in de breedte, maar schuin:

Zo voegt de duimbal zich namelijk heel natuurlijk naar en in de ovaal. Dat doen jullie ook!’
Wanneer dat gebeurd is, laat ik de kinderen zien, hoe ik de duim mét de duimbal in het net ontstane holletje heen en weer beweeg. Het is een wiegende beweging waarmee ik de lichte, diepere kromming verder voer en dieper maak, wat in een uitgebalanceerde verhouding tot de totale vorm moet komen staan.
Nu is het zaak mooie overgangen te boetseren tussen de licht naar binnen welvende vlakken en de andere vlakken die naar buiten welven. De duim is opnieuw een geschikte helper. Om de kinderen een gevoel voor de nieuwe vorm als totaliteit te laten krijgen, laat ik ze de vorm in hun naast elkaar gehouden handkommetjes leggen die een schaal vormen en samen met de duimen deze omsluiten en aftasten.

Daarbij kunnen ze hun vorm vervolmaken – zoals ik het voordeed – en afmaken.

3.Derde vormverandering: van de bol naar de plastische rechts-links symmetrie

In de 2e klas oefenen de kinderen bij het vormtekenen o.a. vormen die zich in het platte vlak om een loodrechte as spiegelen: de spiegel-symmetrievormen; pas in de derde klas zetten we gewoonlijk de stap om symmetrievormen om een horizontale as te spiegelen. Dat vind zijn reden in het feit dat het zeven- achtjarige kind de symmetrie van een vorm om een as het zekerst ervaart, wanneer die as in het symmetriebereik van zijn eigen lichaam ligt. Dit toont ons hoe nauw verbonden het begrijpen van symmetrie met de waarneming van het eigen evenwicht samenhangt. (Zie ook: Kranich/Schuberth e.a. in Menskunde en opvoeding, band 47, Formenzeichnen, blz. 171) (Niet vertaald)

Deze ervaring paste ik toe op het boetseren van een ruimtelijke spiegelsymmetrievorm met de kinderen van deze leeftijd.
De ronde, op zich gecentreerde vorm was a.h.w. zwevend in evenwicht tussen binnen en buiten, ontstaan door de ritmische beweging van de beide handkommetjes. Een eerste gebogen inwerking hadden de kinderen aan de liggende ovale vorm geoefend, waarbij boven en beneden, rechts en links nog geheel vrijgelaten behandeld werden. Het wezenlijke was het naar binnen  gewelfde vlak te ervaren en te vormen. De volgdende stap vraagt een bewuster inleven in rechts en links in samenhang met boven en onder.
Uitgaand van de ronde vorm gaf ik op de volgende manier les:
“Ik leg de ronde vorm op mijn linker hand, de plaats waar ze op mijn hand ligt, wil ik ‘onder’ noemen. Nu leg ik de buitenkant van mijn rechter duim op de plaats precies daartegenover, die ik ‘boven’ noem. Nu maak ik met de kant van de duim een kleine verdieping in mijn vorm, zodat daarbij twee even grote vlakken ontstaan, een rechter en een linker. Met de duim en de duimbal samen maak ik deze holte groter en dieper – ook door de wiegende beweging die we al geoefend hebben. Doen jullie dat ook!’

Dan is het belangrijk de kinderen met verschillende handmogelijkheden ertoe aan te zetten de rechts-linkssymmetrie te voelen, af te tasten en ten slotte uitgebalanceerd te vormen. Een hulp daarbij is, na een poosje de vorm met alle twee de handen zo te omvatten dat de wortels van de hand elkaar aanraken (op de foto niet exact weergegeven) en dat de vingers zich boven naar de holte voegen – niet ‘klauwen’.

Nu kan het kind daar met de vingertoppen nog aanwezige oneffenheden gladstrijken, steeds uit het gevoel van het innerlijk evenwicht werkend.
Dan draaien we de vorm 180º om de verticale as, zodat we de rechts-linkssymmetrie ook aan de andere kant kunnen bekijken en vormen; het is gunstig om dit meerdere keren te doen. Ook bij deze vorm gaat het erom, mooie plastische overgangen te maken tussen de naar binnen gewelfde vlakken en die naar buiten welven. Alle scherpe kanten moeten vermeden worden! –
Tegen het einde van het vormproces laat ik de kinderen de vorm ook een keer omgedraaid op de hand leggen, dus met het deel dat boven al bewerkt is. Dan kunnen ze met de andere hand voelen dat de onderhelft tot nog toe gewoon rond gebleven is en dat de vormverandering tot nog toe, alleen maar boven heeft plaatsgevonden.
Deze vorm moet meerdere keren worden geoefend en zoals gewoonlijk de andere dag gezamenlijk bekeken worden, zodat de kinderen zich deze ruimtelijke rechts-linkssymmetrie steeds bewuster eigen kunnen maken:

links: werk van de leerkracht; rechts van een kind

Daarbij leren de kinderen ons dat het herhalend oefenen van een kunstzinnige bezigheid niet in een vervelende routine mag ontaarden. Zij hebben daar een goed gevoel voor. Ik legde dus hier en daar bepaalde accenten: de ene keer zeg ik dat het heel belangrijk is dat de vorm heel mooi vol glad-rond moet zijn en niet hoekig en iel. Een andere keer leg ik meer de nadruk op de buitenkant van de vorm, dat die zorgvuldig bewerkt wordt. Op deze manier worden de kinderen in de loop van de tijd steeds handiger en zelfstandiger in het omgaan met klei. De vormentaal zit nu eenmaal in hun lijf! Wij leerkrachten moeten hun alleen maar de mogelijkheden aan de hand doen, deze door het boetseermateriaal, in dit geval klei, tot uitdrukking te laten brengen.

4.Vierde vormverandering: het grotere en het kleinere vlak:

Het grotere en het kleinere vlak: links: van de leerkracht; rechts van een 8-jarig kind

Tot zover voorbereid zullen de kinderen de volgende keer met plezier beginnen aan een levendige verandering van de laatst geoefende rechts-linkssymmetrie.
Eerst wordt deze nog een keer, als de vorige, geboetseerd. Dan kun je de kinderen als volgt aansporen: ‘Jullie hebben de vorm boven nu gelijkmatig en verfijnd ingedeeld in een rechter en linker kant. Maar nu lijkt het of de vorm nog slaapt, ook de mijne slaapt nog. Nu wil ik deze met mijn warme handen wakker maken. Kijk maar eens hoe ik dat doe! Gebeurt daar al wat, vanbinnen? De ene kant strekt zich, rekt zich en wil uit het ronde komen, naar boven uitgroeien. Met de holte van de hand help ik en schuif voorzichtig wat klei uit de onderhelft van de vorm naar boven – zo, dat de vorm buiten toch nog rond blijft.
De andere kant heeft tot nog toe nog gedroomd, maar nu wordt deze ook wakker en strekt zich langzaam een beetje. Maar nu is deze wel verbaasd, dat het ‘aan de overkant’ zo gegroeid is! Wil die ook zo groot worden? Nee, die wil liever nog wel een beetje rustig afwachten en dat laat ik dan maar. Wel, maken jullie je vorm maar eens wakker!’
Iets later dan: ‘Nu tasten onze handen de weg af tussen de grotere en kleinere zijde en proberen hier, een mooie, geleidelijke overgang te vormen……Ook de overgang van de onderhelft naar boven toe willen we mooi vormen…
‘Zoals steeds is het belangrijk dat de kinderen  onder het boetseren houvast vinden aan mijn bewegingen, aan mijn handhoudingen, niet alleen maar van tevoren, als ik de nieuwe opgave stel.

5.Vijfde vormverandering: van de bol naar de plastische drievlaksymmetrie:

Iedere klassenleerkracht heeft ervaren dat juist de beeldend-kunstzinnige oefeningen met de kinderen – of dat nu vormtekenen, schilderen met aquarelverf of bijenwaskrijtjes of ook het boetseren is – het beste lukken ze, wanneer deze zich de avond tevoren ijverig oefenend met de vorm, de kleuren, het motief bezighoudt en met deze ervaringen gaat slapen. Omdat de vorm die ik nu wil beschrijven geen gemakkelijke opdracht is voor kinderen, geldt dit in het bijzonder. De leerkracht moet bij alles zeker zijn van wat hij doet en in de keus van zijn woorden, wanneer hij de kinderen tot eigen kunstzinnige activiteit wil aansporen.
Eerst wordt de ronde vorm geboetseerd en op het plankje gelegd. Dan volgt de aanwijzing: ‘Beste kinderen, vandaag moet je je ogen bijzonder goed de kost geven en precies van mijn handen aflezen wat ik jullie nu laat zien! Ik neem de ronde vorm zo in beide handholten dat allebei mijn duimen vlak bij elkaar zijn:

In deze houding druk ik met de voorste duim krachtig in de klei. Nu ontspan ik de holten van de hand iets en open mijn beide duimen die steeds nog boven op de bol liggen, zodat ze een grote ‘A’ vormen:

Daarbij blijven de duimtoppen dicht bij elkaar en het andere deel van de beide duimen vormen dan de hoek van de letter ‘A’. In deze houding druk ik dan de ‘A’ krachtig in de klei.

Dat doen jullie nu ook, terwijl ik deze handgrepen tegelijk nog een keer met jullie uitvoer.’
Het resultaat van deze inspanning zijn twee indrukken, aan de buitenste rand daarvan is wat klei naar buiten geperst en een verhoging ontstaan.

Deze gemarkeerde plekken zullen ons helpen, een regelmatige verdeling in drieën van de bovenste helft van de vorm tot stand te brengen (ik streef naar een symmetrie in drieën die de kinderen van het vormtekenen kennen.) Tegen de kinderen zeg ik: ‘Jullie zien dat het op deze plaats drukt en dat het naar boven schuift, de klei welft naar boven, wordt rond, groeit uit de vorm. Aan de tegenoverliggende kant echter, daar rust hij nog, hij slaapt, niets beweegt. Maar rechts en links daarentegen, komt er van binnenuit iets , de klei stulpt naar boven en laat zich door onze handen vormen en rondmaken. De duim zoekt en tast af wat daar zo kwiek uit de duisternis van binnenuit naar het licht komt. Hij harmoniseert de drie kleine welvingen. De handholtes schuiven aan de zijkant om de vorm.
Beide duimen en een van de middelvingers leggen we ondertussen in een van uitsparingen die tussen de drie welvingen zijn ontstaan.

Terwijl we de vorm langzaam en de loodrechte as in een richting verder draaien, stilzetten, vormen, uitbalanceren en weer verder draaien, pakken we met de drie vingers steeds weer opnieuw vast. Nu verplaatst de duim zich tastend over de welvingen heen, schuift hier en daar nog wat klei van de buitenkant van de vorm naar boven om de welvingen voller te maken. Hij wandelt over de weggetjes die ertussen liggen en komt dan bij de lichte holling in het midden en van daar terug. Daarbij vormt hij behoedzaam de weggetjes die omhoog en omlaag leiden. Steeds mooier en levendiger wordt het geheel.’

Nadat we zo een poosje samen gewerkt hebben, draaien we de vorm met de holten van de hand om de loodrechte as en drukken daarbij van buiten aan de zijkant voorzichtig herhaaldelijk op de bovenhelft van de vorm, steeds wat draaien en druk uitoefenen. Dit moet ons helpen de drie welvingen mooi bij elkaar te houden, ze moeten zo mogelijk niet te ver uitdijen. Nu leggen we de vorm omgekeerd op de hand en dan zien we dat die vanonder rond is gebleven, alleen de bovenkant hebben we veranderd en in drieën gedeeld. Dan moeten we de overgang tussen de boven- en onderhelft nog onderzoeken, aftasten en als er nog deukjes, scheurtjes of bultjes zijn, deze wegwerken.

werkjes van twee negenjarige meisjes

Ten slotte wandelt de duim nog een keer over de hele vorm en maakt het af. – Voor deze opdracht had ik in mijn klas 30, hooguit 35 minuten zuivere boetseertijd nodig, daarna nog opruimtijd.

De overgang van de derde naar de vierde klas

Op de tot nu beschreven manier werkte ik met mijn klas van de eerste tot de derde, dus tussen het zevende en het negende jaar. Daarbij waren de leerlingen over het algemeen ijverig en tevreden bezig, kennelijk klopte het bij wat ze graag wilden op deze leeftijd.
De leerkracht die ‘zijn’ kinderen liefdevol, met begrip en aandacht waarneemt, merkt de verandering op die tegen het einde van de derde, begin vierde klas met ieder apart kind – bij de een vroeger, bij de ander later – plaatsvindt. Want ieder kind beleeft tussen het negende en het tiende levensjaar die belangrijke wending in het leven, die we in de vrijeschool kortweg aanduiden met de ‘Rubicon‘.  Heeft het kind zich tot nog toe gevoelsmatig niet gescheiden gevoeld van de omringende wereld, nu krijgt het de behoefte ‘innerlijk een mens te zijn, een afgezonderd individu en zich tegenover de wereld te manifesteren’ (Steiner GA 303, 1.1.1922) Vertaald

6.Basisvlak: de vorm wordt ‘op de aarde gezet’

In deze ontwikkelingsfase nam ik weer de regelmatig driegedeelde vorm (5). Deze net als alle andere vormen van de bol afgeleid, werden ze a.h.w. zwevend in evenwicht dichtbij de hartstreek van de kinderen geboetseerd en hadden allemaal aan de onderkant de volledige ronding (behalve bij de ovaal) behouden.
Nu was het zaak die zwevende evenwichtstoestand te veranderen, op aarde te zetten en de vorm waarmee het kind zich tot dan toe sterk verbonden gevoeld had, op afstand van hem te brengen.
Dus stimuleerde ik de kinderen van de vierde klas hun driegedeelde vorm zo tussen de gestrekte handen te houden dat de tot nog toe niet veranderde ronding naar onder wees. ‘Jullie beginnen nu met het sterke deel van je middenhand – het zijn de middenhandsbeentjes – jullie vorm naar beneden toe langer te maken, zoals we dat vroeger met de ovale vorm hebben geoefend. Jullie draaien je vorm langzaam om de loodrechte as en daarbij druk je erop, draait en drukt opnieuw. Dan maak je ze steeds langer. Boven verander je die niet meer.’

Nadat de kinderen daar een poos aan gewerkt hadden en de vormen naar onderen toe duidelijk dunner waren geworden, vroeg ik hun: ‘Nu zet je je vorm stevig en rechtop voor je! Dan kniel je even voor je tafel en kijkt er exact naar en wel van alle kanten.’
Door de vaste opstelling krijgt de vorm een rechtopstaand, een basisvlak. Het dunnere aan de onderkant geeft de vorm iets lichts. De vorm heeft, nu deze staat, en niet zoals eerder rondachtig gelegen, een nieuwe relatie gekregen tot de ruimte waarin ze staat:

De driegedeelde symmetrie. Links: als bolletje neergelegd; in het midden: ‘op aarde’; links: verder gestrekt en op voet

De kinderen beleefden dit met plezier en genoegdoening. In de nabespreking de andere dag speelde deze beleving de belangrijkste rol.

7.Verfijnen van het stavlak: de vorm krijgt een voet

Driegedeelde symmetrie met voet. Links werk van een tienjarig meisje; rechts dat van de leerkracht.

In het volgende lesuur liet ik de kinderen een vorm die van boven driegedeeld was – steeds uitgaand van de bol – boetseren. Daarbij liet ik hen vrij of ze de drie welvingen aan de bovenkant gelijkmatig (symmetrisch) of wel in verschillende grootte (asymmetrisch) wilden maken. Ik bracht hun de rechts-linkse symmetrie in herinnering die we toen in een vorm met een grotere en een kleinere zijde veranderden. Daarna liet ik hen de intussen ontstane vorm opnieuw naar onderen toe langer maken, maar sterker dan de eerste keer. De kinderen moesten erop letten, dat de vorm daardoor niet haar volheid aan de bovenkant zou verliezen. De vorm zou dan – zoals de laatste keer – stevig neergezet worden en rondom bekeken. ‘Hoe mooi zou het zijn, als ze nog een beetje lichter werd’, vonden we, bij het bekijken.
Daarna liet ik de kinderen zien hoe ze met hun duimen aan de onderrand van de vorm ongeveer een centimeter brede, ietwat terugwijkende rand zouden kunnen maken. De uitwerking van zo’n handgreep is verbazingwekkend: de vorm staat rechtop en vast op de ondergrond, maar lijkt toch lichter en bevalliger dan daarvoor. Ze staat daar als teken van een lange oefenweg; ze belichaamt de in de vorm gestolde beleving en beweging van de kinderen op deze weg.

.

Handvaardigheid: alle artikelen

1)
Die Räume für unsere beiden ersten Klassen liegen im ersten Stockwerk der sogenannten „Alten Villa“, dort, wo die Freie Waldorfschule am Kräherwald vor 52 Jahren ihren Anfang nahm. Es ist Ende Januar- ein Montagmorgen gegen 7.30 Uhr, draußen ist es noch dunkel, ein kalter Wind bläst ums Haus. Im Klassenzim­mer hat die Lehrerin alles zum Empfang ihrer Kinderschar vorbereitet; 21 Buben und 18 Mädchen sind es, die ihr in diesem, ihrem dritten Klassenzug anvertraut worden sind.

Da trippeln, poltern und stampfen die ersten Kinder die breite, alte Holztreppe herauf und alsbald kommen sie auch ins Klassenzimmer, wo sie von ihrer Lehrerin begrüßt werden. Gleich fragen einzelne Kinder: „Oh, tonen wir heute wieder?“ „Darf ich nachher den Ton austeilen?“ „Ach, Tonen ist noch viel schöner als Malen!“ So klingt es da freudig. Erstaunlich schnell setzen sich die Kinder, sowie sie im Klassenzimmer angekommen sind, auf ihre Stühle, die heute nicht im Morgenkreis, sondern hinter den Tischen stehen, wie am Maltag. Sogar die wildesten und lautesten Buben finden sich – nachdem sie vor der Türe noch schnell ein „Kämpfchen“ absolviert haben – an ihrem Platze ein.

Eine freudige Bereitschaft breitet sich in der kleinen Gesellschaft aus. Auf ein Zeichen ihrer Klassenlehrerin stehen alle Kinder auf und falten wie sie die Hände zum Morgenspruch: „Der Sonne liebes Licht, es hellet mir den Tag… “ klingt es da kräftig und vertrauensvoll hinaus in die Welt. Und während anschließend ein gemeinsames Morgenlied gesungen wird, geht die Sonne wirklich auf und scheint durch die Fenster des Klassenzimmers herein. – Eine Idealvorstellung? Gibt es das heute noch in einer ersten Klassen mit fast 40 Kindern? Das „Zaubermittel“ für diese freudige, der Lehrerin ganz selbstverständlich folgende Kinderschar liegt an diesem Tag auf dem Tisch, der vorne vor der Tafel steht. Es ist noch unter feuchten Tüchern verborgen, unter denen sich mindestens 40 „Hügelchen“ abzeichnen: der in kindgerechten Portionen vorbereitete feine, helle Ton. Nachdem die von der Lehrerin bestimmten freiwilligen Helfer – daran mangelt es nie – leise vor jedes Kind auf den Tisch ein Malbrett und anschließend eine Portion Ton darauf gelegt haben, warten die Kinder gespannt darauf, wann es nun endlich losgeht. Das ist fast eine Zerreißprobe; denn der schöne feuchte Ton da vor ihnen lockt sie, drängt sie, ihn in die Hände zu nehmen! Zu den „goldenen Regeln“ aber, die die Kinder für das Plastizieren immer wieder üben und einhalten lernen müssen, gehört, dass sie den Ton erst anfassen dürfen, wenn jedes Kind seine Portion erhalten hat und die Lehrerin nun ihren Tonkloß in die Hände nimmt. Das ist das Zeichen für den Beginn.
Endlich – ein frohes Aufatmen ist zu hören!

1300-1213

.

.

VRIJESCHOOL – Handvaardigheid (4-1)

.

G. Veenman, vrijeschool Zeist, nadere gegevens ontbreken
.

HANDVAARDIGHEID
.

Vanaf de vroegste periode in de mensheidsgeschiedenis heeft men altijd het handwerk beoefend. Door waarnemingen ontmoeten wij de resultaten en wij kunnen door het denken verbanden leggen, wat de mens bewoog vorm te geven aan het gegeven materiaal. Bij de gebruiksvoorwerpen waarvan in de musea de prachtigste voorbeelden te vinden zijn, is het meestal duidelijk wat de maker voor ogen stond. Alhoewel de versieringen moeilijkheden konden opleveren als men leest, hoe verschillend de opvattingen hierover zijn.
Bij: beelden wordt het al moeilijker, omdat het beeld iets toont dat nog meer omhulling heeft. Sommige culturen geven aan dat hun scheppingen zijn ontstaan met de krachten van hemel en aarde. De Grieken geven eigenlijk een zuiver beeld hoe vanuit aarde en hemel gewerkt kon worden. De Griek had het vermogen om de scheppingskracht waarmee hij alles tot stand bracht, te beleven als komende vanuit ’t lichamelijke en van goddelijke wezens.

Wat vroeger als noodzaak voor direct gebruik in hout, ijzer, steen en brons zichtbaar is geworden, beleven wij nu als kunst.

De ontwikkeling heeft ertoe geleid dat scheppingskracht en leven steeds meer van elkaar vervreemdden. In deze tijd is het de kunstenaar die vanuit zijn zelfstandig bestaan probeert aan te geven wat hem bezighoudt, maar de kunst is niet meer opgenomen in het leven van de maatschappij. Wel doen wij alle pogingen de kunst tot de bevolking te laten doordringen, maar het blijft bij de beschouwing van de maker. Het oude handwerk, dat als ambacht werd uitgeoefend, wordt ook niet meer gezien als kunst, maar toegepast voor het werk. Nu kennen wij het onderscheid tussen gebruiksvoorwerp en kunstproduct. Door de invoering van machinale werkmethoden voltrekt zich de scheiding tussen industrie en handwerk. Het lange tijd aan een werkstuk bezig zijn is niet meer mogelijk. Door de taak die de machine heeft overgenomen, wordt de maker niet meer in staat gesteld ontwerper en uitvoerder tegelijk te zijn. Hiermee wordt ook de scheiding tussen kunstwerk en handwerk duidelijk.

De ambachtsman beschouwde het resultaat van zijn arbeid als zijn werk. Hij herkende dit werk als iets van hemzelf. In de handvaardigheid is deze houding tegenover het werkstuk weer terug te vinden. Daarom is het van belang dat de leerling weer begrip krijgt voor het zelf vervaardigen van een werkstuk. Het leren dat ieder werkstuk een eigen karakter heeft en dat het met hem verbonden is, moet in deze tijd opnieuw veroverd worden.

Bij de handvaardigheid met de leerlingen gaat het om de ontwikkeling van vermogens die in elk kind aanwezig zijn. De handvaardigheid vertoont veel aspecten, die zo typisch zijn voor het ambachtelijke werk. Immers, de leerling kan ontwerper en uitvoerder zijn van z’n eigen werkstuk. De kenmerken van vroegere culturen – het omgaan met ’t gegeven materiaal – vinden zij terug in de beperking van het gereedschap en het omgaan met ruw en ongevormd materiaal. De leerling krijgt gelegenheid aan materiaal vorm te geven hetgeen onvolledig of in de verbeelding aanwezig is. Bij klei is geen afstand door gereedschap, maar zijn ’t de handen, die direct contact met het materiaal mogelijk maken. Hoewel bij hout het gereedschap een zekere afstand schept, merkt men dat hier de waarneming en de activiteit weer verbinding geven met het materiaal. In de handvaardigheid merkt men dat het juiste begrip voor het materiaal en de logische vorm nodig zijn. De weg om dit te veroveren ontstaat als de leerling zich met zijn gevoelsleven met het werk kan verbinden. Als dit lukt, wordt de leerling geconfronteerd met de wetten van het materiaal en het gereedschap en is zijn inspanning nodig om tot vorm te komen.
De ontmoetingen die de leerling aangaat, zijn met de materialen uit de wereld. Bij klei heeft men een ongevormde massa, die tot vorm moet komen. Het is overigens een volgzaam materiaal, waardoor je direct met de handen kan ervaren hoe uit klei (aarde) een vorm tot leven kan komen. Bij hout denkt men onmiddellijk aan zijn afstamming, de boom. Men ervaart aan de taaiheid of weerbarstigheid de structuur, en de inspanning, die nodig is om tot een vorm te komen. Het betekent meestal volhouden tot alles klaar is. Bij de koperbewerking, die nog op bescheiden wijze wordt uitgevoerd, beleeft men dat het materiaal door activiteit beheerst wil worden. Het roept op tot contact en warmte van het gegeven. Zoals getracht is duidelijk te maken, is het de leerling, die door activiteit probeert de aardestof te bewerken. Zonder zijn ledematen komt dit niet tot stand. De benen zijn om voort te bewegen en het gewenste te bereiken. De armen, handen en vingers kunnen door allerlei verworvenheden de gaven van de aarde bewerken, technisch en kunstzinnig.

Wij zijn ervan uitgegaan vroegere culturen te karakteriseren met hun specifieke kenmerken van het handwerk, dat door industrialisatie het handwerk verdween en in de handvaardigheid ontwerp en uitvoering weer centraal zijn komen te staan.
In de les heeft men te maken met de mens, die tot activiteit wordt gebracht en een ruw of vormloos materiaal tot vorm moet zien te brengen. Men merkt dat de leerling in beweging komt van binnen naar buiten en van buiten naar binnen, en tenslotte, na veel inspanning, komt een vorm tot stand. Er is dan veel gebeurd tussen hem en zijn werk.

Nu, wanneer een mens hard loopt dan wordt hij warm. We gaan transpireren, de temperatuur stijgt. Dit gaat natuurlijk snel voorbij. Maar het betekent dat alles zich in warmte afspeelt. Wij weten dat als de mens zich koud voelt en zijn ledematen niet warm zijn, hij moeilijk een muziekinstrument kan bespelen.

Het warm worden bij de handvaardigheid door het in beweging zetten van ’t lichaam is noodzakelijk. In het heen en weer gaan tussen leerling en materiaal ligt een krachtenspel. Het lichamelijk bezigzijn – iets maken, iets eigens – geeft de mogelijkheid dat het werk als iets nieuws beleefd wordt. Een mens die zelfstandig het land bewerkt, kan merken dat hij krachten geeft en tegelijk ervaren hoe gezond deze uiteenzetting met de aarde is.
Ligt in dit oude ambacht niet veel scheppingskracht in de donkere aarde verborgen?

Mogen wij dan zeggen dat het omgaan met aardestof – klei, hout, koper – een relatie geeft, die de leerling de aarde en zichzelf beter doet verstaan? En is het gezond worden aan aardestof niet een uitdrukking van ontwikkeling?
..

Handvaardigheid: alle artikelen

Handen en intelligentie

1271-1186

.

VRIJESCHOOL – 5e klas – handvaardigheid (3-2)

.

Philip da Ponte, deel 2 (deel 1 ontbreekt), nadere gegevens onbekend.
.

HOUTBEWERKING 

De eerste les komen de kinderen met rode wangen en schitterende oogjes het lokaal binnen. Vol vuur, trappelend van ongeduld om maar zo snel mogelijk te mogen beginnen. Het hele jaar door zien wij dit enthousiasme bij de vijfde klas in dit vak.

Dit jaar wordt het elementaire werk aangeleerd, zoals het zo goed mogelijk afwerken, het ontzag hebben voor het dure, veelal gevaarlijke gereedschap, het zuinige omgaan met de grondstoffen, zin voor orde, enz. enz.
Als dit lukt hebben de kinderen een goede basis om de volgende jaren op door te gaan.

We beginnen het jaar door met elkaar te kijken en te beleven wat een boom is, hoe hij in de aarde staat, omhoog groeit en zijn takken uitspreidt boven de aarde. Aan de takken zitten heel veel blaadjes, die samen het bladerdak vormen, enz. Hierdoor ontwikkelen de kinderen een levend beeld van het materiaal dat als “dood” hout in het lokaal ligt.

De eerste tijd zitten we in een kring te werken. Nadat ieder een stuk zacht hout heeft gekregen,  dat eerst werd gekliefd en eventueel op lengte werd gezaagd, snijden we met een houtsnijmesje een eenvoudig muisje. Onderwijl vertel ik de kinderen nog eens hoe het hout ontstaat en groeit en hoe het zich wel en niet laat bewerken. Dit laatste ontdekken ze zelf ook al door ermee te werken.
Het tweede werkstuk wordt een dier naar eigen keuze. Het wordt staande aan de werkbank met een rasp gemaakt. Het werkstuk ontstaat door er op los te raspen; aldoende vormt zich het bedoelde dier. Soms. wordt het ook iets heel anders. Is het nog weinig gedetailleerde dier ontstaan, dan moet het afgewerkt worden met vijl en schuurpapier. Hiermee wordt een jarenlange wilstraining ingezet. Soms vraagt een bepaalde diervorm om een andere aanpak de rasp. Dan vertel ik klassikaal hoe er met een beitel of guts. moet worden gewerkt, waarna een enkeling hiermee aan de slag gaat.

Loopt het tegen kerst, dan raspen de “snellen” uit een grillige tak een kandelaar. Als laatste werkstuk voor de zomervakantie kunnen de kinderen een “roerspaan” maken met beitel en rasp, waarvan de vorm zelf vrij bepaald wordt.

Aan het einde van de les ruimen de kinderen zelf op en vegen het lokaal. Hierdoor ontwikkelt zich een eerbied voor het gereedschap en het sociaal omgaan wordt erdoor versterkt.

Met de vakanties geef ik de klaargekomen werkstukken mee naar huis.

.

Handvaardigheidalle artikelen

5e klasalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas – alle beelden

1137-1058

.