Tagarchief: Zwarte Piet

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Nicolaas (33)

.

Sint-Nicolaas – folkore
.

Het Sint-Nikolaasfeest is, evenals de Sint-Maartensviering, in tegenstelling met onze andere christelijke feestdagen, uit kerkelijk gebruik ontstaan, al namen beide feesten ook voorchristelijke elementen in zich op.

Sint-Nikolaas, zoals hij in de middeleeuwse legende voorkomt en tot in onze dagen voortleeft, is een samenvatting van twee Lycische bisschoppen, Nicolaas van Myra, die waarschijnlijk in de 4e eeuw leefde, en Nicolaas van Pinora, die in 564 stierf. Beiden zijn historische personen, doch verder is er niets van hen bekend: des te ruimer spel lieten zij aan de verbeelding. Uit deze twee is de heilige gestalte gegroeid van de wonderdoener, reeds sinds het einde van de 9e eeuw door de Grieks-katholieke kerk in alle rampen en gevaren aangeroepen. Toen Myra in de handen van de mohammedanen was gevallen, brachten Zuid- Italiaanse kooplieden in 1087 het gebeente van de heilige over naar Bari in Apulië en bouwden over zijn graf een prachtige kerk, die het middelpunt werd van de Nikolaasverering in de rooms-katholieke kerk. Bari, als havenstad veel belangrijker dan Myra, maakte de wonderdoener in het bijzonder tot redder op zee, en de Noormannen, die Bari toen in bezit hadden, brachten zijn verering als patroon van de zeelieden over naar Noord-Europa. Zijn aanroeping deed hun vorst, Willem de Veroveraar, toen een storm hem in het Kanaal overviel, veilig uit Normandië in Engeland landen (1066).

Er is ook nu nog geen Grieks schip, of het heeft de ‘icoon’ van Nikolaas aan boord!

De kustbewoners van Noord-Europa vonden in Sint-Nikolaas de beschermer in zeegevaar, die hun tot dusver had ontbroken. Langs de gehele Noordzee, tot IJsland toe, en aan de Oostzee wezen de torens van de talrijke Sint-Nikolaaskerken aan de schepelingen als het ware de weg. Hier hingen zij na hun redding hun doorweekte kleren als ex voto op en werden na hun dood missen voor hen gelezen.

Over Frankrijk en Vlaanderen heeft de Sint-Nikolaasverering zich naar onze gewesten verbreid. Als een krans liggen om de Zuiderzee de Sint-Nikolaaskerken van Staveren, Kuinre, Oldemarkt, Blankenham, Vollenhoven, Genemuiden, Kampen, Kamperveen, Elburg, Doornspijk, Harderwijk, Baarn, Weesp, Muiden. Monnikendam en Edam, alle stellig of waarschijnlijk uit de 13e eeuw, met als oudste die van Kuinre uit de 12e. Ook aan de rivieren verrezen zij, o.a. te Groningen, Deventer, Zutphen, Utrecht, Dordrecht, Leiden en Delft. Het volk sprak trouwhartig van de ‘Klaaskerk’ en noemde zich hier en daar met voorliefde ‘Sint-Niclaasmannen’.

Weldra vormden zich talrijke gilden van zeevaarders en kooplieden, die Sint-Nikolaas tot patroon kozen. Het koopmansgilde te Amsterdam bekostigde sinds 1476 een dienst in de Oude- of Sint-Nikolaas kerk, waar het beeld van de heilige stond in klinkklaar zilver; toen de stad in 1578 de zijde der Hervorming koos, liet zij er munt uit slaan.

De oudste sporen van de viering van Sint-Nikolaasdag als kinderfeest vinden wij in de stadsrekeningen van Dordrecht van 1360 en 1363. Uit deze blijkt dat de koorknapen op die dag vakantie kregen en wat geld om feest te vieren. Een van hen werd tot bisschop gekozen, onder de vespers kreeg hij de mijter op het hoofd en de kromstaf in de hand. Met deze kinderbisschop trokken de jongens in optocht langs de straat en vroegen aan de voorbijgangers een kleinigheid, het bisschops- of kaarsgeld: voor de ene helft kochten zij kaarsen, voor de andere maakten zij goede sier. De kaarsen zullen zij bij hun avondommegang hebben gebrand. Uit andere stadstarieven blijkt dat door ons hele land in de 15e en 16e eeuw een kinderbisschop werd gekozen; de geestelijke en de stedelijke overheid schonken dan geld, kleren, schoenen of lekkers. Als alle kinderommegangen ontaardde ook deze in bedelarij, zodat in de 17e eeuw het bedelen met mijter en kromstaf werd verboden, waarbij ook de hekel aan ‘roomse superstitiën’ een rol speelde.

Andere bijzonderheden van onze oudste Sint-Nikolaasviering in kerkelijk verband brengen de rekeningen van kerkmeesters van de Sint-Nikolaaskerk te Utrecht, die van 1427 af aanwezig zijn. Hierin komt van de aanvang af geregeld een post voor van drie of vier paar kleine kinderschoentjes met enig geld erin, die op 6 december om Godswille aan de armen werden geschonken. De kinderschoen met de daarin verborgen verrassing is te verklaren uit de bekende legende, dat Sint-Nikolaas aan drie zusters, die voor hun vader uit armoede de brede weg van de prostitutie zouden zijn opgestuurd, elk ’s nachts een bruidsschat in de schoen wierp, waardoor zij behouden bleven.

Hoe is Sint-Nikolaas zelf de brenger van de geschenken geworden?

Het feit dat de heilige ook van kloosterscholen de patroon was geworden, verklaart dit. Sint-Nikolaas beloonde de braven en vlijtigen, bestrafte de onoppassenden; zijn feestdag bood de gewenste gelegenheid tot een kleine dramatische voorstelling, bij de middeleeuwers zo geliefd. Dan zal een van de leraren of kloosterlingen zich hebben verkleed als Sint-Nikolaas, die de kinderen ondervroeg, lekkers uitdeelde aan de naarstigen, maar de luiaards tuchtigde met zijn roede, het onmisbare instrument bij de middeleeuwse opvoeding. Aldus treedt Sint-Nikolaas omstreeks 1200 op in een kloosterschool van Normandië, uitstralingspunt van dit gebruik, dat zich van de 13e tot de 15e eeuw over heel Noord-West- en Midden-Europa verbreidde. Want wat is de verschijning van Sint-Nikolaas in het huisgezin, het ketengerammel dat zijn komst aankondigt, zijn indrukwekkend voorkomen, zijn ondervragen en geschenken uitdelen, wat is dit alles anders dan een kleine dramatische vertoning, in het kader van een opbouwende pedagogie?

Nog groter trefkracht kreeg dit Sint-Nikolaasspel door het optreden van Zwarte Piet.
Zwarte Piet, Pieterman, Pietje Pek zijn volksbenamingen van de duivel. De ganse Middeleeuwen door was de in ketenen geboeide duivel een geliefde voorstelling. Aldus ontstond het volksgeloof, dat de heilige Nicolaas op zijn feestdag de duivel in de ketenen sloeg en geboeid met zich meevoerde. Dan moest de zwarte duivel (zwart van het roet van de hel) hem dienen, de geschenken doen glijden langs de wanden van de wijde schoorsteen, die de geestenwereld met die van de stervelingen verbond, en de stoute kinderen dreigen met de roe. Tenslotte is aan deze duivel nog een gans gevolg van boze geesten toegevoegd. Dit kan zijn gebeurd onder invloed van het geloof aan ‘de wilde jacht’, bij wijze van contaminatie. In de wolken die bij het spookachtig gedruis der najaarsstormen langs de hemel joegen, zag men een nachtelijk heir van wilde lagers met huilende honden: de vervloekte zielen die eeuwig moeten dolen. Hun aanvoerder was ‘Wode’, de woedende, een andere benaming van de duivel, hier als in dienst van Sint-Nikolaas straffer der bozen. Van belang lijkt ook het rondtrekken van als demonen toegetakelde personen in de donkere dagen van de winterwende – gestalten als de ‘Perchten’ in het Alpengebied. De middeleeuwers hielden van dramatisering en luidruchtige optochten: ook Sint-Nikolaas kreeg zijn gevolg van vermomde, geraasmakende schrikgestalten. In die woeste drom ging de heilige welhaast verloren, ja, Sint-Nikolaas zelf werd tot een duivelsgestalte en zijn naam op de duivel overgedragen. In Duitsland heet de duivel Niklo en Nickel, in Engeland Nick en Old Nick, in Vlaanderen werd Sint-Niklaai tot ‘Klaai den duivele’.

Van deze luidruchtige Nikolaasommegangen zijn in Europa talrijke overblijfselen bewaard gebleven over een gebied dat zich uitstrekt van Brittannië in het noordwesten tot aan de zuidoostelijke uitlopers van de Alpen. Friesland dat het langst aan het christendom heeft weerstand geboden en waarschijnlijk hierdoor zoveel heidense gebruiken, o.a. bij begrafenissen, heeft bewaard, vertoont van deze omgangen nog talrijke sporen.

In de Friese dorpen Bergum, Garijp en Oudega komt het ‘Sinte Klazejeijen’ (jeijen = jagen) in zoverre met onze viering overeen, dat Sinterklaas en Zwarte Piet er samen rondtrekken, maar verschilt daarvan, doordat men er wel vijfentwintig van deze paren ziet lopen, niet alleen op de avond van 5 december, maar in de gehele daaraan voorafgaande week. Als de schemer valt, trekken zij rond en vragen aan de deuren of zij mogen binnenkomen. Binnengelaten strooit ‘Kaije’ (Klaas) pepernoten en krijgt daarvoor een kleine beloning. Hij draagt een wit hemd of laken en een witte broek en heeft een masker voor. Pieter is geheel in het zwart en draagt een zwart masker, hij sleept aan zijn been een rammelende ketting of blinkende schel en torst een zak en een roe.

Ook in Drenthe hield de oudere jeugd zich vroeger bezig met ‘Sinterklaaslopen’. Verkleed en met een ‘kabulsekop’ (mombakkes) voor, ging men de huizen langs, zodat de kleine kinderen erg bang werden. Toen het feest ontaardde, stak de overheid er een stokje voor.

In Groningen was het al niet anders: de Sint-Niklazen waren daar jongens van een jaar of twaalf, die op Sint-Niklaasavond langs de huizen liepen, om een paar centen of wat lekkers. Vaak waren zij in het wit en zij hadden stro in de klompen en zij droegen een vlassen baard. Van een krant maakten zij een steek, die de mijter moest verbeelden. En zij rammelden met een ketting aan het been, om de kleine kinderen te verschrikken.

Het sterkst afwijkende Sinterklaasvieringen treft men nog altijd aan op de Waddeneilanden, op Texel, Terschelling, Schiermonnikoog. en vooral op Ameland.

Op Texel viert 4 december de gezamenlijke dorpsjeugd ‘Sunderklaas’ door verkleed en gemaskerd, zingend door de dorpen te trekken. De ouderen doen hetzelfde op 12 december, ‘oude Sunderklaas’, en maken in alle huizen hun opwachting. Op Terschelling is het rondgaan van de ‘Sunderums’ tot het Oosteind van het eiland beperkt. Van Hee en Oosterend af komen de als ‘Sunderums’ verklede mannen, soms ook wel eens een vrouw, naar Midsland. Zij hebben zich kostuums gemaakt van alles wat het eiland aan bruikbare naturaliën oplevert: heide en duinhelm, stro, schelpen en kippenveren. Onderweg leggen zij bij familie en kennissen bezoeken af, waarbij zij hun stem zo verdraaien, dat men hen niet herkent. Op Schiermonnikoog draven op de avonden vlak voor december jong en oud van beide geslachten, gemaskerd en wonderlijk toegetakeld, met wild rumoer deur in, deur uit, en laten zich zwijgend in het lamplicht bekijken. Het feest heet hier ‘Klozem’, een verbastering van Klaas-oom.

Het best is deze uitbundige Sint-Nikolaasviering bewaard gebleven op Ameland, vooral in Hollum, al gaat zij ook daar meer moderne carnavaleske vormen aannemen. Op 4 december treden de jongens van twaalf tot achttien jaar als ‘de kleine Sinterklazen’ op, op 5 december de mannen boven de achttien als de grote. Beide avonden worden precies eender gevierd. Voor geboren en getogen Amelanders zijn dit de heerlijkste avonden van het hele jaar.

Reeds weken tevoren oefenen allen zich in het toeteren op eeuwenoude buffelhorens en maken zij in alle geheimzinnigheid hun sinterklaaspak gereed. Op de avond van 5 december sluipen tegen de schemering de mannen uit de huizen, gehuld in beddenlakens en gewapend met buffelhorens en knuppels. Dit zijn de ‘baanvegers’, die onder vervaarlijk hoorngeloei meisjes en vrouwen en de jongens onder de achttien jaar het huis injagen. Zijn de straten leeg, dan gaan de baanvegers zich verkleden ‘in het pak’, bij voorkeur als vrouw: witte lappen met gaten voor neus, mond en ogen dienen hun tot masker. Spreken doen zij uitsluitend door buffelhoorns of toeters, die, evenals hun knuppels, geheel met papieren knipsels en bloemen zijn versierd. Aldus verschijnen om zeven uur de eerste Sinterklazen op straat, waar dan alle vaders en moeders met hun kinderen lopen; het feest speelt zich hoofdzakelijk op straat af. Doch ook enkele huizen laten ‘goed in’, d.i. die laten de Sinterklazen binnen; daar brandt dan als teken een licht in de gang, terwijl de andere huizen donker blijven. Hier mogen ook de meisjes, als zij de straat vrij zien, even binnenlopen om ,de mannen van alle kanten te bekijken, maar zij moeten dan ook voor hen dansen als dezen met hun stok voor de meisjes op de grond slaan; de onwilligen worden met de knuppel gevoelig op de tenen getikt. In de herbergen dansen de mannen samen, het kenmerk van een zeer oude feestviering.

Zeer plechtig zijn de Sinterklazen als zij elkander ontmoeten; zij blazen op hun horen en drukken elkander langdurig de hand. Steeds worden zij aangesproken met ‘ome’. Het mooiste succes voor hen is niet herkend te worden. Dan demaskeren zij niet en blijven tot laat in de nacht rondlopen. In Hollum doet men nog geen enkele concessie. Daar eindigt het feest zoals het begonnen is: met het verdwijnen van de niet herkende omes, aldus Hans Bakker in Ameland, van Hollum tot de Hon (Haren 1970).

Amelander Sinterklaasverschijningen. Naar een gekleurde tekening van Jkvr. J. van Eysinga, 1927. Uit: De Vrije Fries, XXIX (1929).

Dergelijke Sint-Nikolaasommegangen werden niet alleen in Friesland gehouden. Amsterdam kende nog in de 19e eeuw ‘de zwarte klazen’ met rammelende kettingen aan het been, die op ramen en deuren bonsden en bulderden: ‘Zijn der ook kwaje kijers?’ Nog niet lang geleden liepen te Tholen de jongens in de Sint-Nikolaastijd met mombakkesen voor. Ook in Vlaanderen kent men dergelijke restvormen; Renaat van der Linden, in zijn fraaie Ikonografie van Sint-Nikolaas in Vlaanderen (1972), signaleert ze voor het Maasdal, waar in oude plunjes geklede Sinterklazen de kleine kinderen bedreigen. Zij hebben een grote stok bij zich om jonge meisjes af te tuigen en dragen ook een mand, gevuld met noten en appelen. Zij kondigen zich aan op luidruchtige wijze, schreeuwend met luider stemme, met rammelende ketens aan de benen en rinkelend met hun bellen.

Doch afgezien van deze schrikgestalten is Sinterklaas thans een en al goedheid en vriendelijkheid, een lieve grootvader met witte baard, voor wie geen kind bang meer is. Ook Zwarte Piet heeft zich een plaats in de kinderharten veroverd; hij torst, als trouwe dienaar, de zware zak met geschenken en lekkers.

J.P. Heije, schrijver van Piet Hein, schreef ook een van onze meest bekende Sinterklaasliederen, op muziek van J. J. Viotta, evenals hijzelf arts van professie. Zijn Kinderliederen verschenen in1844 en 1845 en werden in 1861 tot één bundel verenigd. De tekening is van André Vlaanderen.

Deze benodigdheden kocht men eertijds op de Sint-Nikolaasmarkt, waar bakkers en kramers hun tenten opsloegen. Te Amsterdam werd deze gehouden op de Dam, zo dicht mogelijk aan de kant van de Oude Zijde met de Oude- of Sint-Nikolaas-kerk, onder bescherming van de heilige. Als zichtbaar teken hiervan werd zijn beeld in het begin van de 17e eeuw aangebracht op een gevelsteen in de zijmuur van het hoekhuis van Dam en Damrak. Hierop was de legende afgebeeld dat Sint-Nikolaas drie kinderen, door een boze slager gedood en in stukken gehakt, uit de tobbe in het leven terugroept.

Gevelsteen van het vroegere huis ‘ De Bisschop’ op de hoek van Dam en Damrak te Amsterdam

Na afbraak van dit hoekhuis, De Bisschop geheten, is de gevelsteen bij de herbouw van 1934 opnieuw aangebracht boven de ingang van het tegenwoordige bijkantoor van de Incassobank, Dam 2A.
Tussen de Vismarkt, die werd gehouden op de overwelfde sluis, waardoor het water van Damrak en Rokin gemeenschap hield, en de Waag, toenmalig middelpunt van de Dam, stond de dubbele rij van koekkramen. Daarlangs golfde de stroom van poorters en poorteressen, die er hun korfjes vulden met Sinter Claescoeck, amandelbroot, honinctaert en massepeyn’; langs de huizen stonden de kruiwagens opgesteld, waar de kleine man de ‘slickerdemickjes’ voor zijn kroost kocht. In de tweede helft van de 17e eeuw hield de toeloop van kijkers en kopers aan tot middernacht, zodat ‘Myn Heeren van den Gerechte’ wegens de daaruit voortspruitende ‘disordren, confusiën en ongeregeldheden’ gelastten, dat de markt met het luiden van de poortklok moest eindigen. Doch dit verbod haalde weinig uit: de Sint-Nikolaasmarkt heeft te Amsterdam standgehouden tot 1836, toen zij plaats moest maken voor een houten hulpbeurs op de Dam.

Taaipop van Sinterklaas, rijdend over de daken

Nog wordt op een enkele plaats van ons land Sinterklaasmarkt gehouden, o.a. te
Ommen, op de dinsdag die het dichtst is gelegen bij 5 december. Dan verkoopt men een speciaal sinterklaasgebak, de ‘zute plassies’.
Evenmin slaagde de overheid met de verbodsbepalingen die zij, op aansporing van de calvinistische predikanten, tegen het Sint-Nikolaasgebak als ‘.Pauselyke superstitie’ uitvaardigde. Want zoals het toen heette, ‘dat gebruik van der Pausgezinden kinderen was veel te genoeglyk om daarvan geen navolgers te blijven’, zodat de bakkers rustig zijn doorgegaan met het bakken van poppen, wellicht speculaas (speculatio = weerspiegeling) genoemd, omdat zij van spiegelbeeldige vormen worden gebakken. Zij stoelen mogelijk op het oude gebruik dat de heidense Germanen hun goden in brood afbeeldden en deze broodvormen offerden. Ook de diervormen van de speculaas, de paarden, koeien en varkens, gaan kennelijk terug op oude offers, waarbij het schijnoffer van brood het bloedige dieroffer had vervangen. Toen de eerste geloofsverkondigers in onze streken dit volksgebruik niet konden uitroeien, gaven zij er een kerkelijke betekenis aan: het heidense offerbrood werd het gebak van de christelijke feestdagen.

Met hoeveel zorg werd dit bereid! Men bakte de speculaas door het deeg te drukken op planken, waarin de voorstelling in negatieve vorm was uitgesneden. De afdrukken, de zogenaamde prenten, werden op een plaat de oven ingeschoven. Hij uitbreiding van betekenis is de benaming prent overgedragen op de planken waarmee men ze maakte, en die een volkskunst bij uitnemendheid zijn geworden.

Wie waren de makers van deze prenten? Het waren de bakkersgezellen zelf, die zich hiermee op de lange winteravonden bezighielden; het waren prentsnijders die met hun waar de bakkers afreisden en ook wel bij hen ‘uit snijden’ gingen. Naast onbeholpen werk hebben zij vaak voortreffelijke proeven van houtsnijkunst geleverd. Hun namen zijn niet tot ons gekomen. Soms treffen wij op een plank een paar initialen aan, doch waarschijnlijk merkte de bakker daarmee zijn bezit, want men placht elkanders planken te lenen om wat meer verscheidenheid van afbeeldingen te hebben.
Waarschijnlijk is deze houtsnijkunst in het begin van de 17e eeuw opgekomen. Onze meeste prenten dagtekenen uit de 18e, maar vertonen nog vaak vormen van de 17e: raakte een plank versleten, dan nam men de voorstelling op nieuw hout over. Welk een rijkdom van onderwerpen! Hoe genoeglijk voor een kind een koekafbeelding te krijgen van Sinterklaas die over de daken rijdt. Hoeveel nieuwe verschijnselen die de aandacht vroegen werden op de prenten vastgelegd: de omnibus, de eerste stoomboot, de luchtballon en de fiets. Onze grote mannen, Rembrandt volgens zijn standbeeld, Vondel in lange jas en jabot van de 18e eeuw, Laurens Coster bij de viering van zijn eeuwfeest, zijn daar afgebeeld: het volk kent alleen de allergrootsten.

Speculaasprent met luchtballon. (Museum De Lakenhal, Leiden)
Taaitaaipop van Vondel in I8e-eeuws gewaad

Ook heel onze Bijbelse geschiedenis is er te vinden: Adam en Eva onder de appelboom, koning David spelende op de harp, de Jakobsladder, de Heilige Geboorte, de Aanbidding der koningen en de Kruisiging tussen de twee moordenaars. Dezelfde prent beeldt bovendien een deftig bruidspaar af, dat een kolossale trouwring vasthoudt.

Speculaasprent met Jakobsladder
Speculaasprent met bruidspaar en kruisiging. (Museum De Lakenhal, Leiden)

Al onze handwerkslieden en ambachtslui zijn op de prenten vertegenwoordigd: de vruchtenplukker met ladder, mandje en zak; de nachtwacht met zijn ratel; de slager naast het varken op de ladder. De huisvrouw zit aan het spinnenwiel; de boerin staat te karnen, het melkmeisje met haar juk komt vrolijk aanlopen. Heel ons volk, zoals het reilt en zeilt, is daar te zien. Zij rijden in bak- en arrensleden, op een boerenkar, in sjezen en speelwagens of kijken deftig uit het portier van een galakoets. Schepen, molens, huizen en kerken treffen wij op de planken aan naast voorwerpen uit het dagelijkse leven: de ouderwetse tenen wieg met het mooi gewerkte spreitje, de vuurmand, de rijk gebeeldhouwde kinderstoel, het ABC-bord.

Galakoets van taaitaai

De pronkstukken van elke bakker waren de vrijers en vrijsters, wier uiterlijk met de tijd wisselde. Nog worden deze gebakken met de ridderlijke emblemen: de edelman met de hond, de edelvrouw met de valk. De patriottentijd beeldde prins Willem V (met oranjesjerp en keeshond) als vrijer af, Wilhelmina (met goudsbloem) als vrijster.
Welk een grote plaats de speculaas in hartvorm besloeg, toont een plaatje van een koekwinkel uit de 18e eeuw. Geen wonder, want het geschenk van zulk een hart van een jonge man aan een meisje stond gelijk met een huwelijksaanzoek; aan de Zaan werden deze harten tot voor kort nog veel gebakken.

Zaanse speculaas in hartvorm

Zaans is ook het vruchtenmandje dat men in de Zaanstreek ook aantreft als versiering van het bovenlicht van de voordeur.

Zaans taaitaaigebak

Honderd jaar geleden was de speculaas nog in zijn glorietijd en behoorde het koek vergulden, het ‘plakken’, tot de traditionele wintergenoegens van de Truitjes en Toosjes der burgerkringen, zoals Hildebrand in zijn Camera Obscura verhaalt. Welk een rilling voer hem door de leden, toen er een grote majestueuze ‘dagbroer’ voor zijn eigene onbijgestane verantwoording werd gelegd.

Dagbroer van speculaas

Doch voor tachtig jaren bracht de invoering van Engelse biscuits de bakkers op het denkbeeld het speculaasdeeg met metalen walsen in te drukken en af te snijden. Dit trof samen met de veranderde smaak van het publiek, dat boven de gekruide, vrij harde speculaas het broze botergebak verkoos. Doch dit verliest zijn vorm bij het bakken, de mooie oude prenten hadden nu geen reden van bestaan meer.
De meeste zijn toen in de bakkersoven verstookt. Doch een aantal is in onze musea en oudheidkamers ondergebracht, waar zij nu, in een tijd van nostalgie, een algemene belangstelling ondervinden.

Haagse Sinterklaasprent uit het eind van de 18e eeuw

.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeldSint- Nicolaas       jaartafels

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (47) – Roetveegpiet

.

Je bent een donker getinte inwoner van ons land.
Je ziet de pakjesboot van Sint-Nicolaas een of andere haven binnenvaren.
Je ziet al die Pieten, met hun capriolen.
Jij kan ook goed op een eenwieler rijden.
Jij zou ook wel zo’n Piet willen zijn.
Je solliciteert bij de gemeente Utrecht.
‘Wij willen alleen roetveegpieten’, zegt het sollicitatiecommissielid.
Daar moet je blank voor zijn, anders zie je die roetvegen niet.
Dat begrijp je wel.
Je bent verdrietig.
Je mag niet meedoen door je huidskleur.
Je voelt je buitengesloten om je huidskleur.
Terecht!
Toch heb je geluk dat je in Nederland woont:

Artikel 1 van de Grondwet
Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Maar eer dat geluk je hart bereikt……..?

.

P.S
Zou Piet gewoon diep-zwart zijn – zoals past bij de lange traditie die zeer weinig met ‘slavernij’ van doen heeft, dan kon je wél meedoen, want voor jouw gezicht of van een blanke geldt dan gewoon: zwart is zwart.

(Ik had dit nog niet gelezen, maar ik ben dus niet de enige die deze discriminatie signaleert):
Sylvain Ephimenco

Zwartepietdiscussie
Zwarte Piet is symbool; geen maatschappelijke realiteit

Zwarte Piet verbleekt

Zwarte Piet krijgt de zwartepiet
In een artikel in Het Parool wordt de conclusie getrokken: Een vrolijk volksfeest kan en mag niet de bedoeling hebben dat mensen zich gediscrimineerd voelen. Maar om Zwarte Piet als slaaf af te schilderen, is historisch onjuist.

Zwarte Piet krijgt de zwartepiet
De tegenstanders van Zwarte Piet zijn ervan overtuigd dat Zwarte Piet racistisch is en een symbool van de slavernij.
Maar historisch klopt dat niet: Piet Emmer in Trouw

Ter verdediging van Zwarte Piet
Marcel Bas over de historische Zwarte Piet

Zwarte Piet
Bert van Zantwijk over de historie. Uitgebreid en gedegen onderzoek

.

1447-1356

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (32)

.

opspattend grindWIE ZOET IS KRIJGT LEKKERS……..

Nee, wie stout is NIET de roe.

Die mag al een hele tijd niet meer en de zak ook niet – in ieder geval niet om kindertjes in mee te nemen.

Zo staat dat beschreven in Wikipedia:
‘Tot de jaren tachtig van de 20e eeuw droeg Zwarte Piet een roe en een zak met snoepgoed. Zo moest hij stoute kinderen afschrikken: brave kinderen kregen snoep en cadeautjes, stoute kinderen zouden gestraft worden met de roe of in de zak meegenomen worden naar Spanje. Onder druk van veranderende opvoedkundige inzichten verdween het dreigende element uit het karakter van Piet, tezamen met de roe.’

Als kind waren het voor mij attributen waar toch iets vanuit ging, waar je maar beter niet mee te maken kon krijgen. Ze boezemden mij wel een zeker respect in. Spannend ook wel, al heb ik er nooit van wakker gelegen, hoewel mijn moeder er soms mee dreigde. Bang ervoor ben ik nooit geweest.

Ze pasten en passen voor mij nog altijd bij de symbolische Zwarte Piet.

Ja, een symbolische Zwarte Piet, zoals hij hier bv. beschreven wordt. En in een reactie die daarop volgt.

Vergelijkbaar met de ‘milde huiver’ waarover Steiner het heeft wanneer het gaat om de ontwikkeling van gevoelens bij kinderen na de tandenwisseling en die veelvuldig voorkomt in de verhalenstof van de vrijeschool.

Goed, de attributen zijn verdwenen.

‘Ze waren pedagogisch niet verantwoord’.

In ‘Tijd’ (23-01-2016) de wekelijkse bijlage van het dagblad Trouw vertellen kinderen hoe ze het ervaren om alleen thuis te komen en alleen thuis te zijn, omdat de ouder(s) dan nog werken.

Wat doen die kinderen? Van alles en nog wat, waaronder natuurlijk ook ‘iets’ kijken.

Twee vriendjes hebben het erover. Ze zijn nu wat ouder en blikken terug:

,Het belangrijkste leerpunt is dat je weet hoe je je moet vermaken, zeggen de twee. Beetje gamen, beetje tv-kijken en af en toe een boek of Duckie lezen. “Niet te veel beeldscherm, want op een gegeven moment wordt dat echt vervelend”, vindt Roué. Intussen voelen ze zich ook meer relaxed, terwijl ze de eerste jaren soms last hadden van hun goed ontwikkelde fantasie. Eise deed vaak de voordeur van binnenuit op slot, om potentieel moorddadige inbrekers te weren. Inspiratiebronnen waren de bloederige actiefilms die hij als achtjarige bij vriendjes te zien kreeg. “Zoals Deep Blood, een gruwelijke film waarbij iemand een lans in zijn gezicht krijgt.” Roué knikt: “Er was ook een scène waarbij een vrouw met een schep in haar gezicht wordt gestoken.” Nog steeds moet Roué weleens slikken: “Soms kom ik al zappend langs een bloederige actiefilm waarin iemand wordt onthoofd. Dan ben ik vijf minuten bang, daarna gaat het wel weer. En als ik thuiskom in een leeg huis vind ik het soms eng om de deur open te doen.”

Over Zwarte Piet:
Opspattend grind

Op Sint-Nicolaas alle artikelen: 30

nicolaas-3

1208-1128

.

.

VRIJESCHOOL – Zwarte Piet krijgt de zwartepiet (30-3/2)

.

Toen ik nog een basisschoolleerling was – een lagereschoolkind zoals je toen heette – hadden wij een meisje in de klas dat stonk, dat zeiden wij.
Ze stonk naar vis. Zo simpel beleefden we dat.
Zij was de dochter van een vishandelaar die uiteraard vis verkocht en ook bakte.
Vis- en baklucht trekken – nog steeds – in je kleren en je haar. En in vergelijking met nu, waren er niet veel middelen om dat tegen te gaan. Ook de bouw van winkel en woonhuis waren zo, dat de visgeur overal steeds aanwezig was. Dus ook om en aan het dochtertje.
En ja, ze werd ermee gepest. Heel erg is dat natuurlijk. Ik weet niet of ik het ook deed, maar als het zo is: mijn welgemeende excuses!

Tegenstanders van Zwarte Piet brachten vorig jaar bij Pauw in dat hun kinderen – met donkerder huidskleur – gepest werden met Zwarte Piet. En dat hij dus diende te verdwijnen.

De kinderombudsvrouw had daar een aantal weken geleden ook wel oren naar: omdat er kinderen mee gepest worden, dient de aanleiding voor de pesterij te verdwijnen.

De aanleiding voor de pesterij was voor het dochtertje van de vishandelaar het beroep van haar vader en vooral de viswinkel. Zouden die er niet zijn geweest: ze was er niet mee gepest.

Zou de ombudsvrouw – na haar klachten te hebben aangehoord – nu ook van mening zijn dat haar vader maar een ander beroep moet kiezen annex de viswinkel opdoeken?

Wat een vreemde gedachtegang, terwijl het toch zo simpel is: de pester moet worden aangepakt!
In vrijwel alle gevallen wordt bij pesten ook daadwerkelijk de pester aangesproken, maar bij Zwarte Piet….????

Zoals vrijwel iedereen in de zwartepietendiscussie: ook de ombudsvrouw laat zich inpakken door het ‘racisme- en discriminatiespook’.

In deel 1 van ‘Zwarte Piet als zwartepiet’ wordt duidelijk gemaakt dat ‘Zwarte Piet = racisme’ historisch gezien niet opgaat.

Wanneer je de verschillende opvattingen, gezichtspunten, verwachtingen van allerlei (willekeurige) mensen bekijkt, is het opmerkelijk hoe als vaststaand feit o.a.’racisme’ en ‘slavernij’ onlosmakelijk met Zwarte Piet worden verbonden.

“Bij ons krijgen alle Pieten een ander kleurtje dan zwart”, zegt Miriam Heijster, directeur van de Kleine Reus, een witte school in Amsterdam. “We hebben het er hier op school over gehad, en de leerlingen uit groepen 7 en 8 maakten zelf al een koppeling tussen Zwarte Piet en de slavernij. Dat vond ik knap voor kinderen van twaalf jaar oud. En de conclusie was dat we ande­re mensen kwetsen met Zwarte Piet, dus waarom zouden we daarmee door­gaan?

De juf vindt het knap, maar ze lijkt niet erg op de hoogte van de slavernij die in verband wordt gebracht met Zwarte Piet. Ze trekt een conclusie op basis van een zwak, zo niet verkeerd uitgangspunt.

Het is ook niet zo eenvoudig en je zou – alvorens tot conclusies te komen die grote gevolgen kunnen hebben, je eerst eens grondig moeten verdiepen in hoe het dan in werkelijkheid is of was.

In Trouw van 20-96-2013 schreef historicus Piet Emmer een artikel n.a.v. de afschaffing van de slavernij – 150 jaar geleden.

SLAVERNIJ IS GEEN EXCUUS

Wie ‘slavernij’ wil aanvoeren als motief tegen Zwarte Piet, kan dat op feitelijke gronden – volgens dit artikel niet.

Op grond van die feiten zegt historicus Emmer:

Het herdenken van de afschaffing van de slavernij zien sommige Caribische Nederlanders niet alleen als een stap naar een rechtvaardiger samenleving, maar vooral als een gelegenheid om de rest van Nederland erop te wijzen dat de gevolgen van de slavernij nog steeds niet voorbij zijn. Wat er maar fout kan gaan, wordt aan dat slavernijverleden toegeschreven: racisme, discriminatie, tienerzwangerschappen, gebroken gezinnen, echtelijke ontrouw, criminaliteit, slechte schoolprestaties, hoge bloeddruk en nog veel meer. 

Hij toont aan dat er voor dergelijke argumentaties historisch gezien feitelijk geen basis is.
En dat het geen ‘mededogen meer zal opleveren, laat staan maatschappelijke of financiële credits.’

Dat laatste klopt niet, wanneer je naar de rpaktijk van alle dag kijkt. Er is heel veel mededogen – en dat is m.i. niet verkeerd. En er zijn – juist waar het om Zwarte Piet gaat – steeds meer ‘maatschappelijke credits’.
Het sinterklaasjournaal, gemeenten waar Sint zijn intocht houdt, supermarkten en vooral scholen waar traditiegetrouw Sinterklaas het meest aanwezig is: mededogen en credits veranderen het aanzien van Zwarte Piet, omdat slavernij en discriminatie steeds meer onlosmakelijk verbonden worden gedacht met Zwarte Piet: de zwartepietenlobby!

“Het moet een feest van iedere Nederlander kunnen zijn’, zei minister Asscher, erop doelend dat kenmerken van slavernij en discriminaite niet kunnen.

De discussie is er over het algemeen een van hoogoplopende gevoelens; gevoelens die er op grond van de historische feiten niet zouden moeten zijn. Maar dat is nu juist het kenmerk van gevoel: dat het zich in eerste instantie onttrekt aan de ratio en dat je met rationele gedachten geen contact krijgt met mensen die sterk in hun gevoelens leven, ook wat Zwarte Piet betreft.
Ook de voorstanders reageren vaak vanuit hun gevoel. En dus is er de patstelling.
En daaromheen worden oplossingen bedacht: jij houdt niet van geel? Ik niet van blauw! Dan doen we ze toch bij elkaar: allebei tevreden met groen!

Mijn Zwarte Piet heeft niets te maken met het verleden: slavernij en discriminatie. Mijn Zwarte Piet is niet alleen zwart omdat hij door de schoorsteen kruipt, maar juist omdat hij de ‘yang’ is; de tegenpool van ‘yin’. Samen een eenheid, een hogere werkelijkheid – een beeld daarvan. Sint is niet wit omdat hij een blanke is. Sint is de lichtkant, hij is de heilige. Piet is niet zwart omdat hij een neger is en dus dom. Hij is niet de heilige – zoals weinigen van ons – hij is vrolijk en guitig tegenover de ernst en waardigheid van de Sint – daarmee is Piet niet onwaardig. Ze vormen een eenheid, zoals het etmaal van dag en nacht.
Mijn Piet is geen regenboogpiet of oranje, omdat ons koningshuis dat is en de shirtjes van het Nederlands elftal; mijn Piet is niet rood of welke kleur dan ook, behalve gitzwart. Mijn Piet is geen ‘leut’, maar een te achten figuur in de twee-eenheid die hij met Sint vormt.
Mijn Piet is een symbolisch figuur. Die symboliek kun je niet vinden zonder een bepaalde spiritualiteit.
Bij supermarkten, gemeenten en journaals hoef je die in deze tijd niet te verwachten.
Op de scholen zie je die ook niet, wanneer je de verschillende opvattingen van de juffen en meesters leest.

Ja, dan blijven de vrijescholen over: die zouden nog een spirituele basis kunnen geven aan Zwarte Piet.

Maar of dat ervan komt? 

De ombudsvrouw wil graag reacties van de kinderen.
Deze vond ik op straat voor een basisschool:

Sint Nicolaas

30-1.Zwarte Pietdiscussie
Zwarte Piet is symbool; geen maatschappelijke realiteit

30-2 Zwarte Piet verbleekt

30-3/1 Zwarte Piet krijgt de zwartepiet

Sint-Nicolaas (en Zwarte Piet): alle artikelen

1187-1107

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Driekoningen (22)

.

DRIEKONINGEN

De winter is de tijd van abstractie. De bomen zijn kaal, onbekleed is de natuur en naakt tonen zich haar patronen. Naar hun silhouet kan men het wezen der bomen nu goed onderscheiden!
Zo gaat nu ook de mens nadenken, zijn ervaringsbeelden afpellen om er de les uit te trekken en dan het beeld op te ruimen, lezend, denkend en tezamen sprekend, bij lampschijnsel in het besloten huis, ontdekt men de achtergronden der feiten, de zin van het gebeuren.
De kinderen doen spelletjes die overblijfselen zijn van heilige handelingen der volwassenen in een ver verleden. Dansen en optochten  die het wezen van een seizoen uitbeelden.
Op elf november vierden zij Sint – Maarten, gingen in optocht door het dorp, elk met een uitgeholde mangelwortel, waarin venstertjes waren uitgesneden, en een lichtje binnenin. Wat stelde dat voor?
Het lichaam waar het licht van de geest door uitschijnt!
Een ander maal spelen zij Jan Huygen. Eén kind staat middenin; de andere, in een kring er om heen dansend en zingend:
.
Jan Huygen in de ton met een hoepeltje erom
Jan Huygen, Jan Huygen,
en de ton die viel in duigen!
.
De kring, die de ton vormde, waar Jan Huygen in zat, wordt op die laatste regel verbroken en de kinderen, als de duigen, tuimelen gierend van de pret over de grond.
De ton is de levensvorm, die in het najaar ontbonden wordt. Maar J.H., het geestelijk wezen, dat zich van de stoffelijke belichaming bediende, dat is gebleven en komt nu des te duidelijker uit!
De kersttijd wordt besloten met het feest van Driekoningen, op 6 jan. Na de 12 heilige nachten van 24 december tot 5 jan. is dit de dertiende dag, waarop men voor’t eerst weer bonen mag eten. Daarom zit in het Driekoningenbrood een heilige boon verstopt.

De kersttijd is immers de tijd waarin de levensgeest neerdaalt in de stof met een nieuwe uitstorting van zonnekracht voor de mensen. Hij grijpt aan in de bonen, de zaden de bollen in alle kiemen die verborgen zijn in de moederschoot der aarde. Het is de heilige tijd der conceptie. Nu hebben de kiemen de heilige zonnekrachten ontvangen en kunnen gaan groeien. Zo verborgen als zij in de aarde, ligt de heilige boon in het driekoningenbrood.

Een Oudhollands kinderspel op driekoningenavond is ‘het kaarsje aan de deur”.
De kinderen dansen in een kring om een brandend kaarsje. Drie van hen zijn verkleed als de drie koningen, waarvan één, de Zwarte Melkert*, een zwarte Jood uit Abessinië was. Daarom heeft het kind dat koning Melchior voorstelt, zijn gezicht roetzwart gemaakt. Dan zingen zij onder het dansen:
.
Vinger in de roet, wie er mee doet!
Vanavond, met een kaarsje,
met ’n lichtje aan de deur,
hoezee!
.
Op de laatste regel laten zij elkaar los en rollen over de grond. Evenals in J.H. wordt de stoffelijke vorm ontbonden en wordt de heilige geestelijke kern zichtbaar.
De zwarte Melchior werd later Zwarte Piet. In het Friese dorp Grouw wordt op 6 jan., dus op driekoningen, het feest gevierd van Zwarte Piet, zonder Sinterklaas. (In dit artikel is sprake van in februari)
Elk van de driekoningen beeldt een deel van de mens uit.
Zwart is de kleur van stof. Het is de rouwkleur in die materialistische landen, waar men staart op het stoffelijk overschot en zijn vergankelijkheid. Terwijl toch juist de geestvonk door het afvallen van het stoffelijk kleed bevrijd is! De zwarte koning Melchior beeldt het stoffelijk lichaam van de mens uit. Hij bracht de bittere mirre mee: een kostbare medicijn, die als tonicum en antisepticum het stoffelijk lichaam versterkt. Koning Caspar bracht het goud mee, dat behoort bij het hart en het gevoel, het astraal lichaam van de mens, dat, als het rein is gevoelens bergt, zuiver als goud. En koning Balthasar voerde de wierook mee, Weih-rauch gewijde rook van het hars van de boom olibanum. De wolken wierookgeur behoren tot het luchtelement, zij stijgen ten hemel zoals de gedachten die zich tot God verheffen. De wierook beeldt het verheven denken uit, het mentaal lichaam van de mens.
Wilsdaad, gevoel en verstand: dat zijn de drie koningen in de mens, die zijn karakter tezamen binden. Als een vat, waarin het wezen, de geestvonk, besloten is en wonen mag.
De drie koningen brachten hun gaven mee voor de godszoon. De drie lichamen of vermogens van de mens zijn er voor het geestlicht van binnen. Opdat het ze heilige en er doorheen schijne naar buiten.
In de heilige wintertijd zien wij het onverhulde licht zelf. Opdat wij het kennen en later zullen herkennen, ook door de bekleedsels heen.
.
Ieder mens draagt het licht.

.

(De Kaarsvlam, 27-01-1973)

.

*In het Oberuferer driekoningenspel heten de koningen Melchior (rood gekleed; goud), Balthasar (blauw gekleed; wierook), de donker kleurige Caspar, groen gekleed: mirre).

.

Driekoningen: alle artikelen

.

981-908

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St-Nicolaas en Zwarte Piet (30-1)

.

WAT DOEN DE VRIJESCHOLEN?
.

Afgelopen zondag wandelde ik ergens en vond dit blaadje, beschermd door een plastic hoesje. En hoewel het vocht al bezig was er een mooie nat-in-natschildering van te maken, was de tekst goed leesbaar:

Sint Nicolaas

En dan was daar op het journaal die mevrouw uit Hellevoetsluis die strijdvaardig in de camera keek en vol overtuiging zei, dat Piet zo bleef als hij altijd was.

Ik hoef niet meer mee te beslissen of de Zwarte Piet die de vrijeschool bezoekt, er anders moet gaan uitzien en zo ja, hoe dan.

Mijn antwoord is duidelijk: geen verandering. Piet moet gewoon zwart blijven.

Sta ik dan niet open voor de ‘discriminatie-slavernij kritiek’?

Ik beleef Piet niet als een ‘geknechte’ slaaf of als een ‘zwarte’ die het vuile werk moet doen. Kortom, bij mij leeft geen enkel discriminatoir gevoel.

Ach, ik zou best bepaalde, voor de tegenstanders te overduidelijke kenmerken willen verzachten: geen dikke rode lippen en/of kroeshaar of opzichtige oorbellen.

Maar zwart moet hij blijven: of hij nou historisch een Moor was of niet en of we nu steeds minder schoorstenen hebben waar hij doorheen kruipt, voor mij is hij veel meer een symbool, samen met de witte Sint. Ik zeg expres niet ‘blanke’ Sint, want het gaat niet om de huidskleur als rassenkenmerk.

Zoals we het traditionele trouwkostuum hebben: een witte jurk en een zwart pak. Het is een twee-eenheid. Waarom zou het pak zich gediscrimineerd moeten voelen? Of de mindere van de witte trouwjapon? Dat aanpassen zou tot grijs leiden en de taal heeft het in dit opzicht niet zo op grijs: het is vlees noch vis.

Wit en zwart: ze horen bij elkaar. Sterker: ze kunnen niet zonder elkaar. Wat zou Sint zijn zonder Piet. En Piet dom?  ‘Alles ziet die slimme Piet, zich vergissen kan hij niet!”. Het is een twee-eenheid en daarmee alleen al overstijgen ze het ‘discriminatie-niveau’.

Hij is de rechterhand van Sinterklaas.

(Ik weet het: dit roept maar zo een nieuwe discussie in het leven: wat is de rechterhand meer dan de linker, huh?) Maar vanuit de taal dan maar weer, als metafoor.

Een ander kleurtje geven is voor sommigen de oplossing. Voor mij dus niet. Je verlaat daarmee de prachtige symboolwaarde van die hogere eenheid wit/zwart.

Als ik die laatste zou vergelijken met humor, echte, ware humor, dan is de gekleurde Piet voor mij niets meer dan ‘leut’.

Dan wordt het Sint-Nicolaasfeest iets in de trant van ‘agge mèr leut heit’. Hodsikidee!

In de reeks artikelen over Sinterklaas die op deze blog zijn verzameld, wordt op o.a. deze even ingegaan op de wit-zwartsymboliek.

Ik heb de kinderen van het tekenblaadje niet kunnen vragen naar hun waarom, maar ik ben het roerend met hen eens:

Sint Nicolaas

‘Mooi zijn de regenboogpiet en de kleurenpiet, vind je ook niet?’
‘Ja….ja…eh, maar als ze gaan douchen zijn ze gelukkig weer zwart!’

kleuter over kleurenpiet
.

(Trouw ‘opgetekend gesprek’ 03-10-2015)
.

Opspattend grind
.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: Sint-Nicolaas

717-654

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Nicolaas (3)

.

 SINT-NICOLAAS/ADVENT

       

Confrontatie met ons eigen oerbeeld

Advent is een raadselachtige tijd, bijna even populair als Kerstmis en even problematisch als Kerstmis, als we het wezenlijke ervan proberen te ervaren door alle veruiterlijking heen. Het karakter van de adventstijd treedt misschien wel het meest volledig aan de dag bij het St.-Nicolaasfeest, dat meestal in de eerste adventsweek valt en soms in het begin van de tweede week. Het geschenkenfeest, met alle daaraan verbonden winkelactiviteiten, overstroomt het begin van advent.
Over het algemeen hebben de bloemenhande­laren pas na 6 december dennengroen in huis. Wie het op de eerste adventszondag hebben wil, krijgt het op speciale bestelling in een wat grotere hoeveelheid. Binnen de handel zelf is er voor de voorbereiding van advent geen plaats. Men kan zich indenken hoe dit doorwerkt in de gezinnen die binnen de productie- en handelssfeer hiermee te maken hebben – en dat zijn er heel wat – maar even­zeer binnen de consumptiesfeer – dat zijn we allemaal -.
Het zo belangrijke ritme van vier zondagen wordt doorbroken en tot drie of twee gereduceerd en daarmee ontkracht. Dit is weliswaar een specifiek Nederlandse si­tuatie, maar is in zijn tendens algemeen gel­dig. Deze veruiterlijking verbergt ook de ware gestalte van St.-Nicolaas als adventsheilige.

St.-Nicolaas vraagt ons immers rekenschap van onze daden. Hij is als ‘oude van dagen’ (meer dan honderd jaar oud) de vertegen­woordiger van de eeuwigheid. Aan de eeuw­igheid worden onze daden gemeten. De eeuwigheid (het boventijdelijke) is heilig, dat wil zeggen een uitzonderingstoestand, ‘norm’ in de goede zin van het woord.
Zwarte Piet hoort er noodzakelijk bij; hij is de wreker, maar wel in dienst van St.- Nicolaas, het beeld van de goede lichtmachten (het witte haar) en liefdekrachten (de rode mantel). De geschenken die St.-Nicolaas geeft, zijn geen geschenken zonder meer, maar in hun ware zin een correctie op onze tekortkomingen. In de zak gaat iemand slechts in het uiterste geval en humor behoort het zware gewicht van de ernst dragelijk te maken. De huivering van het kind voor Sint én Piet zijn gezond omdat ze de huivering voor echte mensheids­waarden zijn. De volwassene kan zich heel aan het begin van de adventstijd afvragen in hoeverre hij kan staan voor datgene wat hij in wezen is.

Het evangelie dat sinds vele eeuwen op de eerste adventszondag in de christelijke mis gelezen wordt, is Lukas 21 en het eindigt met de woorden: ‘Hemel en aarde zullen ver­gaan, maar mijn woorden zullen niet vergaan’. In de verzen 25-33 die in de mis gelezen wor­den, worden catastrofen in de kosmos en op aarde beschreven en wordt gemaand daarop te letten opdat men wakker kan zijn wanneer het gebeurt.
In de Mensenwijdingsdienst (de godsdienstoefening van de
Christengemeen­schap) wordt verder gelezen tot vers 36 en dat betekent dat er iets zeer wezenlijks aan toegevoegd wordt: ‘Zorgt ervoor dat uw har­ten niet afgestompt worden door roes, be­dwelming en zorgen voor het dagelijks leven… opdat gij de kracht zult hebben zonder schade door dit alles heen te gaan en te kunnen staan voor de Mensenzoon’.
Aan de mens wordt dus de taak gegeven zo met de verleidende en boze machten om te gaan dat hij sterk wordt en rechtop kan staan voor de Mensen­zoon, het oerbeeld van de mens, zoals hij in wezen is.
De adventstijd brengt de confrontatie met diegene die we eigenlijk zijn in ons eigen oerbeeld. We kunnen de vraag stellen in hoeverre we daaraan beantwoorden.

Het verschil in het beleven van hetgeen in de rooms-katholieke kerk gebeurt en dat wat door Rudolf Steiner werd bemiddeld ont­staat daardoor, dat het oude Christendom (de rooms-katholieke kerk) wel een feestdag van de aartsengel Michaël kent op 29 septem­ber, maar geen daarop volgende echte feest­tijd, waarin een beroep wordt gedaan op de krachten van de mens, die zich weer kunnen gaan richten op de wereld van de geest. De roep die uitgaat van Michaëls naam: ‘Wie is als God’ klonk vroeger als een waarschuwing tegen hoogmoed, maar kan nu als een oproep tot innerlijke activiteit klinken, die in alle deemoed wordt voltrokken. Daardoor krijgt de maand november, waarin de doden wor­den herdacht, een ander karakter. De doden zijn immers degenen, die ons zijn voorgegaan en die ons blijven voorgaan in een louterings­proces, dat de rooms-katholieke kerk beleef­de als straf, het vagevuur, waar de ziel zo kort mogelijk moest verblijven. Voor het volksgeloof kon men het verblijf daar bekor­ten door voorbede en zielenmissen. Men kan deze eerste tijd na de dood ook an­ders beleven: als een ontwikkeling aan de hand van de ervaringen, die in het aardse le­ven zijn opgedaan. Die ontwikkeling maakt men door doordat men zichzelf in zijn ware gestalte beleeft, positief en negatief. Steiner noemt deze periode met een oud Indisch woord het kama-loka. Het verblijf in dit kamaloka is wel pijnlijk maar kan positief er­varen worden als een hulp op de verdere ont­wikkelingsweg *)

De moed die Michaël geeft, stelt ons in staat met de gestorvenen in deze zin mee te leven door positief helpend aan hen te denken en hen in vrijheid over te laten aan de eigen ont­wikkeling. Er ontstaat door Michaël een an­dere verhouding tot de dood. De zogenaam­de doden zijn immers geestwezens die met hun eigen oerbeeld geconfronteerd worden, doordat daden en ervaringen gemeten wor­den aan geestelijke moraliteit. Dat zet zich nu voort in de adventstijd. Om dit te begrij­pen moeten we naar een andere kant van ad­vent zien. Het is een tijd van verwachting, verwachting van het kerstfeest. Verwachting kan zich – naar zijn aard – niet op het verle­den richten; dan is het herinnering. Verwachting richt zich op de toekomst, op iets wat wil komen. Misschien is de adventstijd wel zo veruiterlijkt omdat de mensen zich gingen richten op de herdenking van hoe eens de Christus verwacht werd en niet meer op de verwachting naar de toekomst vanuit het nu. Dan krijgen we een leegte die om vulling vraagt. Wanneer er geen geestelijke inhoud aan gegeven kan worden, dan wordt de leeg­te gevuld door de commercie, die precies weet waar onbevredigde behoeften leven. De verwachting kan ook een andere vervulling krijgen, die van een heiland, een messias, een profeet in uiterlijke gestalte. Daarvan kennen we er ettelijke, de laatste tientallen jaren in allerlei variaties, van Lou de Paling­boer tot Moon en de opdrachtgever van Ben­jamin Creme. Merkwaardig is dat deze ver­wachtingen wel allemaal aanknopen aan het algemene verwachtingskarakter van onze eeuw, maar niet direct aan de adventstijd van het jaar.

De adventstijd vindt zijn plaats in de loop van het jaar en wel in de tijd dat de dag steeds korter wordt en de nacht steeds langer. Rondom Michaël kan het korter worden van de dag drie à vier minuten per etmaal bedra­gen, rondom 21 december gaat het om se­conden per etmaal. Dat is een zich verlang­zamend proces. Je merkt dat het met het donkerder worden op zichzelf al stiller wordt, maar dat het als het ware langzamer verlopen van het tijdsproces deze stilte nog eens extra nadruk geeft. De beide zonnewen­des, in de winter en in de zomer, kennen dit verschijnsel. En in de stilte kunnen de zielen ontvankelijk worden voor het komende. Wat blijft er over van een muziekstuk dat tijdens gepraat begint? Is de stilte niet absoluut noodzakelijk om de eerste zo belangrijke toon op te nemen?

Deze stilte is in zijn meest volmaakte vorm in de dood te vinden. Wie beleeft het niet als een storing als er bij een opgebaarde gestor­vene zelfs maar het gebrom van een ventila­tor hoorbaar is? Maar in de stilte van de dood komt het wel op onze geestkracht aan. Wie er ervaring mee heeft, weet dat het vaak moeilijk is een gestorvene in huis te hebben, maar ook dat je er sterker aan wordt.
Wie het verhaal van Parcival kent, kan hier aan Sigune denken die vele jaren waakt bij het lijk van Schionatulander en daardoor de gees­telijke leidsvrouw kan worden voor Parcival op de meest kritieke momenten van zijn le­ven. Dit kunnen ‘staan’ voor de dood kan een voorbereiding zijn op het ‘staan’ voor de Mensenzoon. Als oerbeeld voor de mens is de Mensenzoon norm voor en oordeel over ieder mensenwezen.

Elke dood is ook een catastrofe, ook een voorlopig oordeel (geen ‘laatste’ oordeel). Sterven wil zeggen: deze uiterlijke wereld los­laten en helemaal alleen op het innerlijk ver­trouwen. Het wegvallen van het uiterlijke kan catastrofaal zijn. Deze catastrofe kan het innerlijke leven versterken als we reeds tijdens het leven de betrekkelijke waarde van de uiterlijke wereld doorzien. Dat kan ons een hulp zijn om ondanks de tegenwoordige ‘viering’ van de adventstijd tot een verinner­lijking te komen van deze periode, die ons leidt naar Kerstmis.

.

(Jacobus Knijpenga, Jonas 7, 27-11-1981)
.

*)Literatuur: R. Steiner:
De dood, een andere vorm van leven
Mens, lot en ont­wikkeling

F. Husemann:
Het gezicht van de dood (Christofoor),
S. Drake:
Over de dood zwijgen? (Christofoor)
.

Sint-Nicolaas: alle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

 

.

304-284

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.