Tagarchief: schedel

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 10 (10-7-1)

.

Als je de vraag zou stellen: ‘Maakt het wat uit met welke opvatting over de mens je voor de klas staat’ en een antwoord zou zoeken in het (pedagogisch) werk van Steiner, zou dat bevestigend luiden: “Ja, dat maakt (veel) uit.

Voor het ‘waarom’ kunnen we antwoorden vinden in ‘Rudolf Steiner over het ‘imponderabele‘.

In voordracht 10 [10-7] van de ‘Algemene menskunde’ wordt de vraag wat concreter: ‘Hoe denk je over de mens’. Zie je deze als een dier of als een wezen dat nu juist geen dier is.
Die eerste opvatting wint steeds meer terrein, terwijl de oude opvatting ‘dat we van de dieren, c.q. van de apen afstammen’, steeds meer terrein verliest.

Tot diepere kennis komen we pas, als we niet de overeenkomsten tussen  de dingen zoeken, maar de wezenlijke verschillen.
En tussen mens en dier bestaan heel wat wezenlijke verschillen.
‘Wezenlijk’ mogen we hier letterlijk nemen: ‘wat hun wezen betreft’.

Een is, dat we het dier geen ‘Ik’ kunnen toeschrijven, terwijl we dat aan de mens wél kunnen, waarbij we vanuit ons eigen innerlijk beseffen, dat dit ‘Ik’ de unieke, individuele mens uitmaakt.

Otto J. Hartmann behandelt dit onderwerp in onderstaand artikel.
Het bevat wellicht een paar passages waarmee sommige lezers nog te weinig mee vertrouwd zijn, zoals dat van de herhaalde aardelevens, maar we vinden hier vooral wezenlijke verschillen tussen mens en dier.
.
De cursieve woorden zijn van de auteur
.

Otto J. Hartmann, Die Kommenden, jaren 1970, nadere gegevens ontbreken
.

HET IK ALS HET GEHEIM ACHTER DE VORMGEVING VAN HET MENSELIJK LICHAAM

De mens als burger van twee werelden

Bij Rudolf Steiner lezen we:

„Het menselijk lichaam heeft een structuur die in overeenstemming is met het ik.”

Het woord „ik” op deze manier gebruiken is nieuw en ongebruikelijk, want we gebruiken dit woord uitsluitend om onszelf aan te duiden. We beschouwen het op geen enkele manier als een zelfstandig naamwoord dat men van zichzelf zou kunnen losmaken en ook aan andere mensen zou kunnen toekennen. Het is voor ons ongebruikelijk om te zeggen: “mijn” ik, “jouw” ik, “de ikken van de mensen” enzovoort.

In de Griekse en middeleeuwse filosofie sprak men van de individuele ziel of van de geest om het wezenlijk menselijke aan te duiden. Na bepaalde voorbereidingen voor een nieuwe situatie door Descartes en Leibniz is het pas Johann Gottlieb Fichte (1762-1814) die het aandurft om van „het“ ik te spreken en bijvoorbeeld te zeggen: „Het ik stelt zichzelf, het stelt zich tegenover het niet-ik.“ Dit ‘ik’ is een handeling en niet, zoals al het overige in de wereld, louter een ding.

Hieruit volgt: twee mensen kunnen in alle lichamelijke, ziels- en geestelijke eigenschappen absoluut en ononderscheidbaar gelijk zijn. Elk van hen is echter toch een zelf-standige, onafhankelijk denkende en handelende persoonlijkheid, dus een ‘ik’. Daarom kunnen eeneiige tweelingen zowel door andere mensen als soms zelfs door hun eigen ouders met elkaar worden verward. Zijzelf doen dit echter nooit, omdat elke tweeling een eigen wezenlijk middelpunt is, dus een ‘ik’, dat zich van alle andere ikken onderscheidt.

Levende wezens zoals planten en zielswezens zoals dieren zijn volledig overgeleverd aan hun respectievelijke behoeften, stemmingen en emoties, waardoor hun omgeving via de bijbehorende drijfveren en indrukken de overhand over hen kan krijgen. De hongerige kat kan niet anders dan toeslaan als er een muis verschijnt. Als ze zich zou kunnen inhouden om, onafhankelijk van haar driften, de muis eens rustig te bekijken, en als ze zich tegelijkertijd op afstand bewust zou kunnen worden van haar eigen honger – dus enerzijds natuurwetenschap en anderzijds psychologie zou bedrijven – dan zou ze een mens zijn. Dat wil zeggen: ze zou beschikken over de manier van zijn van een ‘ik-ben’.

Naast het louter bewustzijn, dat planten en dieren in zeer uiteenlopende mate kenmerkt, wordt het ‘ik’ enerzijds (naar binnen gericht) gekenmerkt door zelfbewustzijn en anderzijds (naar buiten gericht) door wereld- en objectbewustzijn. Alleen wie zich boven de driften in zichzelf en boven de drijfveren van de omgeving verheft, kan bijvoorbeeld natuurwetenschap en psychologie, maar ook techniek ontwikkelen. De afstandelijke objectiviteit in de omgang met zichzelf, met medemensen en met de natuur is de koninklijke mogelijkheid van wat men een „ik“ noemt. Uiteraard is dit een mogelijkheid die in de loop van de mensheidsgeschiedenis, dus in de loop van de herhaalde aardse levens van elke afzonderlijke mens, slechts zeer geleidelijk volledig tot stand komt.

Als nu dus, in de zin van Rudolf Steiner, de bouwtekening van het menselijk lichaam in overeenstemming is met een ‘ik’, dan moeten wezenlijke eigenschappen van dit ‘ik’ al uit de anatomie van het lichaam kunnen worden afgeleid.

Allereerst is er de rechtopstaande houding.

De dieren (meer bepaald de zoogdieren) buigen met hun kop naar de aarde. Hun snuit en staartpunt vormen een vlak dat evenwijdig loopt aan het aardoppervlak. Deze houding komt voort uit hun gebondenheid aan biologische behoeften en driften. De mens verlaat dit bestaansgebied door zich rechtop te richten. De Grieken interpreteerden hun woord voor mens, „Anthropos”, als ‘degene die omhoog kijkt’. Pythagoras meende dat de mens voorbestemd is om zich los te maken van de aardse behoeften en het hemelse bouwwerk, dat wil zeggen de wereldorde, denkend te beschouwen. Juiste kennis als hoogste levenswaarde – vooral wanneer deze gepaard gaat met juist, emotieloos handelen. Voor de technicus is dit vanzelfsprekend. In het intermenselijke en vooral politieke leven zijn we daar echter nog ver van verwijderd, d.w.z. we leven gebogen naar het dierlijke niveau.

Als het de scheppende krachten ooit te doen was om geestelijke wezens, dus „ikken”, een bestaan in een aardse lichaam mogelijk te maken en daardoor, voorbij het planten- en dierenrijk, de eigenlijke zin van de aarde te verwezenlijken, dan kon de vraag rijzen: welk bouwplan is hiervoor geschikt? Zijn de bouwplannen van wormen, insecten en weekdieren hiervoor geschikt? Blijkbaar niet. Maar ook binnen de gewervelde dieren zouden de gedaanten van vissen, salamanders, kikkers, hagedissen en vogels hiervoor nauwelijks geschikt zijn – hoewel dergelijke gedaanten in sprookjes en sagen als betoverde geesten kunnen verschijnen.

Er blijven dus alleen de zoogdieren over als vertegenwoordigers van een geschikt bouwplan. De meest ontwikkelde zoogdieren (paarden en runderen) zijn echter vanwege hun voorovergebogen houding als viervoeters eveneens nauwelijks geschikt. Dan blijven dus alleen de apen over, en met name de mensapen (gorilla’s, orang-oetans en chimpansees). Ook wat betreft de vorm van hun schedel lijken zij het meest op ons. Ze beschikken zelfs over vrij beweegbare, functionele armen. – Maar plotseling ontdekt men: ze hebben eigenlijk geen echte benen, maar, als boomdieren, vier armen! Daardoor onttrekken ze zich aan het volledige aardse bestaan.

Tussen de viervoetige paarden en runderen, die volledig met de aarde verbonden zijn, en de vierarmige apen, die zich aan de aarde onttrekken, staat blijkbaar de mens met twee benen en twee armen. Hij beschikt over alle anatomische kenmerken die ook voor zoogdieren essentieel zijn (botten, spieren, zenuwen, hart, longen, nieren, maag-darmkanaal). Het is echter de rangschikking, de compositie van al deze afzonderlijke structuren bij de mens die een andere, unieke vorm heeft, die dus naar hem als drager van het ‘ik’ verwijst. In plaats van horizontaal georiënteerd te zijn tussen het puntje van de snuit en het puntje van de staart, zijn bij ons mensen alle afzonderlijke anatomische elementen uitgelijnd op de verticale as tussen de kruin en de voetboog. Dat lijkt misschien onbelangrijk, maar vormt het fundament van ons gehele lichamelijke, ziels- en geestelijke mens-zijn, met alle mogelijkheden om dit zijn te verheffen of te verliezen.

Vanuit biologisch oogpunt is het menselijk lichaam echter in alle opzichten een levensongeschikte misvorming. Het mist zo’n beetje alles wat dieren een gegarandeerd voortbestaan biedt. Het dierlijk lichaam, zowel in zijn geheel als in zijn afzonderlijke delen, heeft namelijk duidelijk het karakter van een werktuig: de koppen dienen als gereedschap voor het verkrijgen van voedsel en voor verdediging, de ledematen zijn gevormd om te vliegen, te klimmen of te rennen, te graven of vast te grijpen. De huid wordt beschermd door schubben, veren of vacht en beperkt het warmteverlies tot een minimum. Kijk maar eens naar de reusachtige kaken van de vissen, maar ook naar de machtige boven- en onderkaken van de herkauwers en zelfs naar het krachtige gebit van de mensapen, om te begrijpen dat hier alles gericht is op onmiddellijke, egocentrische zelfbehoud, dus op reageren en gedrag, en niet op inzicht. Bovendien worden al deze lichaamsinstrumenten aangestuurd door kant-en-klare, soortgebonden instincten en driften, die in bepaalde hersendelen verankerd zijn en via bepaalde zenuwbanen worden geleid.

Ons mensen ontbreekt dit alles, maar in plaats daarvan is ons een veelvoud geschonken:

Benen om door het leven te wandelen, handen om te handelen, een hoofd om te begrijpen en, als drager van dit alles, de rechtopstaande, voor de wereld open houding. De genoemde vormen zijn echter op zichzelf onbruikbaar en zinloos, als ze niet doordrongen worden door het centrum van een geestelijk wezen, een ‘Ik Ben’, en gebruikt worden om in herhaalde aardse levens de verheffing van dit ‘Ik’ te dienen.

Maar de evolutionaire weg daarheen was in drievoudig opzicht lang en moeizaam.

1) Op lichamelijk vlak moesten vele onmenselijke lichaamsvormen worden doorlopen, net zoals dat ook vandaag de dag nog nodig is tijdens de embryonale ontwikkeling. Deze samenhangen kunnen we vanuit natuurwetenschappelijk oogpunt duidelijk overzien.

2) Verborgen blijven voor ons echter in eerste instantie de ontwikkelingsstappen die zich in geestelijke werelden voltrokken om menselijke zielen met een persoonlijk karakter en met een ‘ik’ als middelpunt te scheppen.

3) Uiteindelijk moesten echter beide kanten van de mens, zijn lichamelijke en geestelijke kant, met elkaar worden verbonden tot een volledige incarnatie. Dat was tegelijkertijd het begin van onze herhaalde aardse levens, dus ook het einde van de „natuurgeschiedenis“ en het begin van wat wij de cultuur en de geestesgeschiedenis van de mensheid noemen.

Laten we ons deze inspanningen voor ogen houden aan de hand van het voorbeeld van de vorm van de menselijke schedel en het gezicht (afb. I). In het gebied van de zogenaamde overgang tussen mens en dier (ongeveer aan het einde van het Tertiair) is de hersenschedel nog naar beneden gedrukt en naar achteren verschoven, terwijl de gezichtsschedel, de boven- en onderkaak, sterk ontwikkeld zijn en naar voren zijn getrokken. In individuele gevallen blijft het onduidelijk of we hier nog te maken hebben met hoogontwikkelde apen of al met de meest primitieve mensen. Worden er echter bij dergelijke schedels tegelijkertijd overblijfselen van stenen werktuigen, van vuurgebruik en begrafenisceremonies gevonden, dan zijn het ongetwijfeld menselijke schedels.

Want dan is er al sprake van twee aspecten die kenmerkend zijn voor ons mens-zijn:

1) de sacrale-religieuze sfeer

2) de technische sfeer.

Wat bij deze oer-menselijke schedelvormen opvalt, is, naast de imposante, nog dierlijke vormgeving van de onderkaak, vooral het ontbreken van een kin en (bij de bovenkaak) het ontbreken van uitstekende neusbeenderen (afb. 1 A).

 

Deze zijn weliswaar bij de op één na hogere ontwikkelingsvorm al in aanzet aanwezig (afb. 1 B), maar de kin ontbreekt nog steeds, waardoor de totale indruk nog niet die van een volledig menselijk gelaat is, maar tot op zekere hoogte nog die van een dierlijke „bek“ of een dierlijke „snuit“.

Wanneer Goethe beweert dat de dierlijke schedel „horizontaal als een voortzetting aan de wervelkolom is bevestigd“, wordt daarmee tevens een centraal anatomisch kenmerk van de menselijke ik-gestalte vastgesteld. De basis van de menselijke schedel staat namelijk, net als het achterhoofdsgat, loodrecht in een hoek en is niet, zoals bij dieren, horizontaal geplaatst.

De mensapen vertonen overeenkomstige overgangen.

Over het algemeen komen de koppen van gewervelde dieren – van vissen tot paarden en runderen – het best tot hun recht in zijaanzichten, dus en profiel:

Want als gevolg van de langgerekte boven- en onderkaak, de monden en snuiten en de naar achteren wijkende schedel zijn vooraanzichten (en face) onbevredigend of zelfs belachelijk, omdat ze alleen de reusachtige snuiten, monden of slurven tonen, maar geen echt „gezicht”. Pas een gezicht, duidelijk onderverdeeld in de gebieden van het voorhoofd, de ogen-neus-regio en het gebied van de mond en de onderkaak, is het spiegelbeeld van een ‘ik’. Pas dan wordt het beroemde principe van de drieledigheid gerealiseerd, dat zich op zielsgebied manifesteert als denken, voelen en willen, maar binnen het dierenrijk en zelfs bij de mensapen slechts in vage vorm of helemaal niet tot ontwikkeling komt.

Dierlijke schedels hebben uitgesproken het karakter van gereedschap dat dient voor de onmiddellijke levensbehoeften. De menselijke schedel daarentegen heeft een architectonisch karakter dat zich fundamenteel boven alle biologische behoeften verheft:

Naar boven toe welven het voorhoofd en de kruin zich koepelvormig omhoog. Van onderaf wordt het geheel gedragen en ondersteund door een (weliswaar zwakkere in vergelijking met dierlijke onderkaken, maar niettemin) door de wil gekenmerkte en vooral een kin dragende onderkaak. Tussen beide in, en als het eigenlijke middelpunt van het gelaat, steekt de neus min of meer gedurfd uit in de omgeving, van waaruit de ogen de gehele ‘handel en wandel’ kunnen sturen.

Wanneer merels over een vers gemaaide weide hippen, een regenworm zien, hem grijpen en doorslikken, vormen herkennen, beoordelen en willensgericht handelen een onlosmakelijke eenheid. Het is duidelijk dat de merel de regenworm niet in strikte zin heeft waargenomen en ook niet het bewuste „besluit“ heeft genomen om hem te grijpen en op te eten. Veeleer vormen waarneming, emotionele beoordeling en handeling een ongescheiden eenheid, die we juist daarom instinctief of automatisch noemen. Hoewel een merel in vergelijking met de regenworm al een hoogontwikkeld bewustzijn bezit, is een waar zelf- en wereldbewustzijn voor haar toch ontoegankelijk. Toegegeven, ook wij mensen gedragen ons in grote delen van het dagelijks leven niet anders dan deze merels: we „reageren“ min of meer impulsief en automatisch in woorden of daden op wat we in onze omgeving tegenkomen.

Maar we kunnen ons tenminste losmaken van de automatisme en ons verheffen tot het niveau van het daadwerkelijke herkennen, beoordelen en handelen”, waarmee de volledige morele verantwoordelijkheid gegeven is.

Wat “vertellen” ons nu de afzonderlijke delen van de menselijke schedel of het gezicht? De mond en de onderkaak vertellen ons over het menselijke vermogen om onze hartstochten en driften te beheersen, in toom te houden en, op het hoogste niveau, ervan af te zien en ze op te geven. Want alleen daardoor kan er zinvolle taal en geen dierlijke geluiden uit onze mond stromen.

Het voorhoofd, de kruin en het middengebied van de neus vertellen ons weer iets anders. Hier is alles meer verbeend en vanaf de geboorte anatomisch vastgelegd, terwijl het mondgebied in hoge mate plastisch blijft.

Al onze taal geeft ons essentiële informatie over de respectievelijke (moreel belangrijke) aard van de drie gezichtsgebieden: de gedachten van ons hoofd moeten helder, verlicht en ruimdenkend zijn; de wil moet beheerst zijn, bevrijd van emoties en, los van persoonlijk egoïsme, zakelijk zijn. Het centrum van het voelen moet zich in warme toewijding kunnen openstellen voor en zich kunnen overgeven aan andere levende wezens of waardevolle doelen. Op drievoudige wijze overstijgen we daardoor het rijk van de biologie en manifesteren we ons als burgers van een wereld van geestelijke wezens.

Want juist de genoemde eigenschappen kunnen zich in hun tegendeel omkeren, dat wil zeggen in een satanisch domein. Alleen voor geesten staat het rijk van het morele kwaad open. Planten en dieren zijn altijd goed en onschuldig.

Nu over naar de ontwikkeling! Niet alleen bij de zoogdieren, maar bij alle gewervelde dieren, vanaf de vissen, begint de embryonale lichamelijke ontwikkeling in zekere zin bij het gebied van het hoofd, hals-, borst-, rug- en onderbuikstreek, evenals de daaraan verbonden schouder- en bekkengordels met de armen en benen, in zekere zin vanuit de voorste pool van het hoofd naar achteren toe. Hierbij vormt de hersenschedel vanaf het begin een eenheid, terwijl de gezichtsschedel pas geleidelijk door plooien, uitlopers en bruggen wordt samengesteld. Aangezien deze ontwikkeling ook bij zoogdieren op vrijwel dezelfde manier verloopt, volgt hieruit het veelzeggende feit: ook bij hen domineren tijdens de embryonale ontwikkeling en zelfs tot vlak voor de geboorte het hoofd en, in engere zin, de hersenschedel.

Pas in de evolutie na de geboorte schuiven bij zoogdieren de boven- en onderkaak steeds meer naar voren, in de zin van dierlijkheid, terwijl tegelijkertijd het voorhoofd en de kruin naar achteren wijken. Het eigenlijke midden van het gezicht, dus het neusgebied, verdwijnt volledig. Dat is de reden waarom niet alleen jonge chimpansees, maar ook veel andere jonge zoogdieren een vorm vertonen die meer op het menselijk hoofd lijkt, en pas naarmate ze volwassener worden het „menselijke“ verloren gaat.

Pas nu verschuiven de verhoudingen tussen de hersen- en gezichtskop. 


Afb. 3

Eigen toevoeging

Daarom staan jonge dieren ons over het algemeen emotioneel dichter bij dan volwassen of oude dieren (“kindachtige schimmen”); ze lijken ons nog menselijker en meer verwant aan de wereldgeest dan volwassen dieren. Maar uiteindelijk is het bij ons mensen net zo. Kinderhoofden en kindergezichten vertellen ons over het algemeen nog meer over spirituele sferen dan de gezichten van volwassenen of zelfs oude mensen, omdat hun spirituele archetype vaak op schrikbarende wijze in de loop van het aardse bestaan verduisterd en vervormd raakt.

We gaan terug naar het begin en herinneren ons de uitspraak van Rudolf Steiner: „Het menselijk lichaam heeft een structuur die in overeenstemming is met het ik.” Deze structuur is niet onze verdienste. Ze is ons geschonken als een afspiegeling van ons ware wezen en als „huis” en „instrument” voor ons aardse bestaan. In die zin is ons lichaam volmaakt en in overeenstemming met de geest. Ons persoonlijke geestelijke wezen, dat wil zeggen ons ik, mogen we daarentegen slechts beschouwen als een kiem die ons is gegeven voor zelfontwikkeling in herhaalde aardse levens. Dat betekent dat wij, als geestelijke-zielswezens, nog min of meer ver verwijderd zijn van het ideaal dat in onze lichamelijke gedaante al is verwezenlijkt.

Bij planten en dieren is het uiterlijk in evenwicht met het innerlijke wezen. Ze zien er lichamelijk precies zo uit als bij hun wezen past. Bij ons mensen kan dat anders zijn, en daarin schuilt het geheim van de vrijheid. Dat wil zeggen: mensen kunnen een volmaakt, bijna zou men willen zeggen een mooie lichaamsbouw in alle verhoudingen vertonen en toch naar hun wezen onmenselijk zijn. Het onmenselijke is echter niet het dierlijke! Dieren zijn volmaakte kinderen van God, dus altijd ‘mooi’. Het onmenselijke valt echter buiten de scheppingsruimte. Het is het eigenlijke lelijke en kwade, waarvan we in deze eeuw genoeg voorbeelden hebben. Dit ‘kwade’ in het huidige aardse leven zal zich pas in een toekomstig aardse leven op het fysiek-lichamelijke niveau uiten en dan ook in de gedaante verschijnen.

Hartmann verwijst in het artikel naar zijn boek: Dynamische Morphologie
Zie bv. hier
.

Rudolf Steiner: Algemene menskunde [10-7]

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner over: dierkunde: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: over de menselijke hand [5]

.

3567-3351

.

.

.

.