Tagarchief: ganzenbord

VRIJESCHOOL – Spel (1-3-2)

.
Bewerking van opvattingen van Melly Uyldert
.

HET GANZENBORD
.

Toen men wellicht niet meer wist wat voor diepe inhoud dit spel  heeft, kondigde men een nieuwe uitgave aan als ’het nieuw vermakelijk ganzenspel’.
Toen men zich weer wat meer begon te bezinnen op oude waarden, heette het
’Oud-Hollands ganzenbord’.
Maar hoe ook aangediend, het ganzenbord is een spel van alle tijden.
Want we hebben te maken met de ontwikkelingsweg van de mensenziel en tegelijkertijd de gang van het menselijk leven. De eenvoudige mens herkent het laatste alleen – de beschouwende wordt getroffen door de juistheid van de zinnebeelden van wat er met de ziel gebeurt.
Hier ligt voor ons de spiraalvormige levensweg, met de kansen die men benutten kan, de verleidingen, waarvoor men vatbaar is: de kinderlijke mens, die zich graag onttrekken zou aan zijn persoonlijke verantwoordelijkheid, die zich in zijn onmondigheid laat beschermen door een Moederkerk, een vadertje Staat, moet toch eenmaal over de brug komen om deel te hebben aan het werkelijke leven en innerlijk te groeien. Wie lang aarzelt, raakt achter bij zijn lotgenoten. En het bruggengeld moet men betalen als tol voor het binnentreden van het nieuwe stadium: het paradijs van het zijn als een kind, gaat verloren.

De genieter van het materiële leven wordt naar  de herberg gelokt en zijn genotzucht kost hem geld of ook zijn gezondheid, terwijl hij later zijn weg vervolgt, zodat anderen hem voorbijschieten.

De gewetensvolle, moraliserende mens wacht een ander gevaar: de put van de wanhoop, van de melancholie, het ontroostbare zondebesef. Daaruit kan men zichzelf niet verlossen. De sombergestemde draait rond in zijn vicieuze cirkel, hij ziet nergens uitkomst en daardoor gaan inderdaad de kansen aan hem voorbij. Terwijl anderen slagen, zinkt hij dieper en dieper in zijn minderwaardigheidsgevoel, tot een helpende hand, een onbaatzuchtige liefde, hem uit zijn waan bevrijdt door zelfverloochening en plaatsvervangend lijden.

Dc rusteloze zoeker naar waarheid komt terecht in de doolhof van problemen, levensbeschouwingen en alleenzaligmakende stelsels, die hem van alle kanten aanroepen. Nu komt het erop aan, geleid door een innerlijk richtsnoer de juiste weg te kiezen en zodoende geen tijd en kracht te verspillen aan het onderzoeken van bedrieglijke zijpaden, die niet naar het middelpunt voeren. Tot men midden in de doolhof zichzelf aantreft in de spiegel om te ervaren dat zelfkennis het begin van alle wijsheid is.

De wetenschappelijk denkende mens vermijdt door zijn objectiviteit vele gevaren, maar hem dreigt de gevangenis, die hij zelf heeft opgebouwd uit logische gedachtereeksen: vooronderstellingen en systemen waarin geen plaats blijft voor God. Vernuftig gevonden en kunstig opgezet zijn deze wanen hem te dierbaar om ze op te geven en zijn ziel vindt geen uitweg, tot een ander hem verlost. Evenals bij de put blijkt ook hier hoe de mens is aangewezen op een leven in gemeenschap met de elkaar, de een de ander helpend en steunend waar hij hem in moeilijkheden aantreft, en zich zo nodig voor de ander opoffert.

De een streeft de ander voorbij en wordt later zelf weer voorbij gesneld. De ontwikkeling gaat niet bij ieder even snel: wat de een reeds weet, moet de ander nog met schade en schande leren. En terwijl de een de gelegenheid weet aan te grijpen, mist de ander zijn kansen.
Op de mystieke getallen vijf en negen, en afwisselend die, welke als som van de cijfers deze getallen opleveren (14, 18, 23, 27, 32, 36, 41, 45, 50, 54, verder 59 als 5 en 9) staat de gans, beurtelings heen en terug wijzend. Als heilbrenger voert hij ons naar een volgend stadium – maar het kan nodig zijn dat wij ons eerst een eindweegs terugtrekken, tot op het punt waar onze ontwikkeling zich werkelijk bevindt onder de uiterlijke schijn. Daar is nog noodzakelijke ervaring op te doen, die ieder voor zich zelf verzamelen moet. Vandaar de omkijkende gansjes.

Verrijkt met deze ervaringen zet men het leven voort en gaat wellicht door de dood om terug te keren met de verworvenheden, afkomstig uit de verwerking van de ervaringen. De oudere zielen komen dus ter wereld met talenten en gaven, die hen in staat stellen de eerste ontwikkelingsfasen van het leven snel achter zich te laten, immers deze betekenen voor hen slechts een herhaling, terwijl de jongere zielen ze nog moeizaam stap voor stap moeten doorworstelen. Wie vier en vijf (samen negen) gooit bij zijn eerste worp, heeft het geluk (doch een zelfverdiend geluk) dat hij meteen op nummer drie en vijftig mag gaan staan. Wie zes en drie (samen negen) werpt, komt op zes en twintig. De begaafden beginnen dus dichter bij het doel, de volmaking, dan de anderen. Het blijft echter de vraag, of zij dit doel ook eerder zullen bereiken. Want — kort daarvoor dreigt de dood. Het is slechts een bedreiging: de ene speler overwint het doodsgevaar en verovert het onvergankelijk geluk reeds in dit leven: een andere wordt door de dood verrast vóór hij het levensdoel heeft bereikt – en begint opnieuw. Hieruit spreekt duidelijk de innerlijke overtuiging van onze verre voorouders, dat het uiteindelijk geluk niet ligt in het hiernamaals waar het door ieder bereikt wordt door de poort van de dood, maar dat het hemels geluk een zielentoestand is, onafhankelijk van leven en dood.

Deze opvatting staat dus lijnrecht tegenover die, welke de aarde als een tranendal ziet, waar men maar zo spoedig mogelijk lijdzaam en braaf doorheen moet zien te komen, vervuld van een doorlopend heimwee, en de schatten van de aarde als die van een oord van ballingschap verachtend. En tegelijkertijd staat zij even lijnrecht tegenover de waardering van het aardse leven als een kans tot genieten en tot presteren, tot het spelen van een grote rol, die maar eenmaal komt – deze levenskijk die van het gehele leven een koortsachtige jacht maakt ter verkrijging van begeerde waarden, of een tomeloos genieten ‘omdat het leven maar zo kort en men maar ééns jong is!’ Het intuïtieve weten van de onsterfelijkheid van de ziel en de steeds weer nieuwe levens- en ervaringskansen op aarde, haar verleend, schonk de Ouden hun zielsrust en hun levensmoed, hun gelijkelijk thuis zijn in de gemeenschap van de levende zowel als in die van de gestorven leden van de stam. Een zielsrust en een levensmoed die wel scherp afsteken tegen de levensangst en de doodsangst van de huidige cultuurmens, die op zijn vermeende éne leven o zo zuinig moet zijn en daarom niets durft wagen en aan de grootheid van het leven voorbijgaat. Hij, wiens innerlijke blik de hemelladder heeft gezien, de spiraalgang, waarlangs de mensenziel in vele levens opklimt tot de vereniging met God, die heeft de tijd om het leven ten volle te beamen, zonder de richting naar het doel te verliezen, en zonder angst voor de dood, want op een nieuwe ronde zal hij kunnen verder gaan. Maar ook zal hij de dood niet zoeken, want daarachter lokt geen nabije hemel, maar een voortzetting van de ontwikkelingstaak op aarde, de opgave waaraan de ziel zich niet kan onttrekken.

Hoe dichter bij het einddoel, hoe moeilijker de weg wordt. Wie, begerig naar de prijs, te hoog gooien, moeten terug en komen misschien op de dood, zoals zij, die in kloosters het werkelijke leven met zijn ervaringskansen ontvluchten, om het heil eerder te grijpen dan de anderen, door versnellende oefeningen en methoden, en in hun verbeeldingen zichzelf bedriegen, terwijl hun eigenlijke ontwikkeling tot stilstand is gekomen. Maar wie, berustend in het besef dat hij ook deel is van een geestelijke wereld, zijn lot volgt, zijn tol betalend aan de ervaringen van het leven, komt schijnbaar arm, maar op de juiste tijd, aan het eindpunt van de reis. Hij wint — en wat hij gaf als levensinzet en als prijs voor verworven levenswijsheid, dat ontvangt hij daarbij terug. En door zijn beëindiging van het spel verlost hij allen, elk uit zijn eigen nood: de heilige, de heilbrenger, verlost de gemeenschap. Wat ligt er een diepe wijsheid in dit eenvoudig spel. Wat een rijkdom lag er in het onbewuste van de mens die het spel ‘bedacht’; wat een wijsheid aangaande de levensgang van de ziel door de bestaansgebieden van het heelal bezaten de zieners, die hem leidden.

Als een geheime boodschap komen de zinnebeelden uit die oertijd in runen en oeleborden, in het oude ganzenspel, tot ons. Opdat wij de boodschap zullen verstaan en haar zin herstellen in de eer die er aan toekomt. Het ganzenbord behoort tot ons volksbezit – laten wij het hoeden voor verbastering, er lering uit trekken en deze doorgeven aan het nieuwe geslacht. Opdat dit zal opgroeien in zielsrust en levensbeaming, zonder vrees voor de dood – vreugdevol de taak vervullend die door het hart gekend wordt!

Een soortgelijk artikel

Spel: alle artikelen

Meer symboliek in bijv. de sprookjes

.

2735-2564

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vormtekenen – spiraal

.

Het vak vormtekenen is er o.a. om bij de kinderen – meteen in de 1e klas – het gevoel voor ‘oer’vormen verder te ontwikkelen.
In het allereerste uur dat ze in de eerste klas zijn, maken ze kennis met de ‘rechte en de ronde’, vormen waarvan Kepler zei: ‘recht en rond, dat is God’.

Er zijn meer van deze geometrische figuren: cirkel, rechthoek, driehoek enz. die we – volgens Steiner – ‘in ons dragen’.
Ze worden in het vormtekenen meer tot bewustzijn gebracht. Als pure vorm, niet naar analogie van wat er in de uiterlijke wereld op lijkt – of nog anders gezegd – een beeld van is: het gaat om de spiraal op zich, maar in de wereld zie je die o.a. als ‘spiralig’ huis van een slak.

Er is vanuit verschillende invalshoeken over de spiraal gedacht en geschreven.
.

Melly Uyldert:
.

DE SPIRAALGANG van DE ZIEL

Het oerlevens- en wereldbeeld is universeel, het wordt over de gehele wereld, bij alle volken, gevonden. Het ligt op de bodem van elke godsdienst. En het is geen geschiedenis, het is ook heden, al ligt het bij de moderne mens van het westen diep in het onderbewustzijn, van waaruit het soms opstijgt in droombeelden, en in tekeningen, die men zo maakt zonder er bij te denken. Het leeft ook voort in de patronen der kantwerksters en pottenbakkers, het verschijnt op moderne schilderijen, en in de moderne psychologie als archetypen. Want wij leven in een tijd, waarin het bedrieglijke vernis van de beschaving is afgeschilferd en men eeuwen lang gehuichelde denkbeelden heeft laten vallen, om weer eindelijk, naakt en eerlijk, zichzelf te zijn. Van alles ontdaan in oorlog en kampellende is de mens op zijn oergrond teruggevallen en herkent in het leven en in de natuur om zich heen de wetten en ritmen, waaruit ook hij zelf leeft. De emigrant, die de stad uitvlucht en in de wildernis zijn huis bouwt van stammen uit het oerwoud, hervindt daar het ritme van het leven, dat met de seizoenen golft en met de zon op en af gaat en herkent er zijn eigen ritme in van werk en bezinning, geboorte en dood, als een golfslag van levens aan de ene en aan de andere zijde. In de herkenning van de eeuwige waarden staat hij naast zijn voorouders en naast zijn nakomeling in de grote kring en zijn oog gaat open voor de eeuwige waarheid, die men overal ziet opblinken uit het puin van het vergankelijke.

Lang voordat het materialisme zich meester maakte van de westerse mensheid en haar aandacht afsloot voor al wat buiten de jacht naar stoffelijke welvaart en lichamelijk genot ligt – en zelfs vóór de kerstening te vuur en te zwaard in Europa het bewustzijn der mensen afsloot met de muren van kerkelijke dogma’s – beseften onze voorouders hun lot en hun taak als schakel in de eeuwig wentelende samenhang van hemel en aarde. In zielsgerustheid leefden en stierven zij, wetend dat hun ziel op het eiland der schimmen vergaderd zou worden tot die van het voorgeslacht, om eens in de stam terug te keren, als hun dienst daar nodig zou zijn. Wel zou hun ziel na de dood in de onderwereld door Vrouw Holle worden beproefd en loon naar werken van haar ontvangen, maar vandaar uit zou zij het tijdstip afwachten, waarop zij met nieuwe kansen een nieuw leven op aarde zou kunnen beginnen. Men wist, dat dit verblijf in de schimmenwereld de achter-ommegang, de nachtzijde, van een spiraal-boog was, vanwaar de ziel, naar gelang van het nut, uit de levensles getrokken, op een hoger of een lager ommegang weer aan de dag-zijde van de spiraal zou verschijnen.

Deze spiraalgang van de ziel, analoog met de schijnbare spiraalgang der zon, met de beweging van het water in een bergstroom, en met de spiraal die in het slakkenhuis en in het mensenoor door kosmische spiralende trilling ontstaat, beeldde men uit in een lange rij mensen, die om een heuvel heen spiraalgewijs en zingende opklom, op midzomer: de hoogtijdag van de zon! Die heuvels heetten draaibergen of tri-bergen (de naam Driebergen is daar waarschijnlijk van over). Wat bleef daarvan? Het spel: De boom wordt hoe langer hoe dikker! Een lange rij kinderen draait daarbij om de laatste, die stilstaat, heen en wikkelt zo een spiraal om de kern, onder het zingen van: De boom wordt hoe langer hoe dikker! – Daarna wordt de spiraal weer afgewonden, al zingend: De boom wordt hoe langer hoe dunner!

Ook vinden wij die spiraal in de spiraalvormige hinkelbanen, die nog in sommige streken in zwang zijn, en die weer de plattegrond heten te zijn van de oude trojaburchten: dit troja zou samenhangen met troje, troyes en tri, en zo’n burcht werd oudtijds bewoond door wijze mannen of vrouwen, die astrologen, magiërs en in de praktijk geneeskundigen waren. De spiraal was in vertrekken verdeeld (zoals de hinkelbaan in hokken) en de dikke muren maakten de burcht tegen vijandelijke aanvallen bestand. Erom heen liep nog een gracht. Men heeft in Scandinavië de fundamenten van zulke burchten gevonden.

Bij het hinkelspel wordt een scherf in een hok geworpen, telkens één hok verder, door een kind dat vóór het eerste hok, aan de buitenkant, staat. Daarna moet dat kind, van hok tot hok hinkend, de scherf gaan terughalen, zonder op strepen te trappen, want dan is men ’af’ en moet de opgave overdoen, als men weer aan de beurt is, Wat stelt dit voor? Het is de reïncarnatie van de ziel, haar terugkeer in telkens een ander stoffelijk lichaam of ’hok’. Want dit denkbeeld van de zielsverhuizing was bij onze heidense voorouders een vanzelfsprekend weten (het werd door de R.-K. kerk in de vijfde eeuw van de christelijke jaartelling officieel afgeschaft!). Elke keer dat de ziel in de spiraalgang terugkeert, brengt zij haar verworvenheden mee uit het vorige leven, en zo gaat zij voort naar de volmaking. Wie veel wijsheid verworven heeft, valt reeds als kind op, en wordt de gekozen leider van de levenden. Zijn wezen brengt zijn stam heil, omdat hij reeds meer dan de anderen de kern van de spiraal: het geestelijk einddoel, de godstaat, genaderd is! Zo voelde de oer-Europeaan zijn bestemming: van elk leven lerend, toe te nemen in daadkracht en wijsheid, moed en volharding, trouw aan zichzelf en de stamgemeenschap, wier wezen door de enkeling sprak en vervuld werd. Men stierf tevreden: ’t was immers nooit te vroeg of te laat. Eens zou de begeleidende engel (dat hemelse wezen, dat Oerd heette of Anne, en dat werd gezien als een zwaan, ooievaar of eend) de ziel komen afhalen en over de wateren terugvoeren naar diezelfde gemeenschap op aarde, waar hij velen begroeten zou die hij herkende. Om, steeds heen en weer gaande met de zwaan, uiteindelijk het geluk te bereiken, en het verblijf der volkomen vrijen: het einddoel van de ontwikkelingsgang van de ziel.

In het hinkelspel is het hinkelende kind die engel of geleide-vogel, die behoort tot de wereld van de eenheid en daarom op één been zich beweegt! Deze brengt de ziel in haar nieuwe lichaams-tehuis: de scherf in het hok. En dan gaat zij de ziel terughalen bij het sterven, als Skoeld, Holle of Holda, de engel van de stervenden. Het is de eend, die Goudkindje over het water draagt, en Hans en Grietje; het zijn de witte zwanen, die de ziel naar engel-land varen!

Zo zag de oudste bewoner van Europa de weg van de mensen als een spiraal, waarlangs de ziel opklimt naar haar doel, beurtelings onderduikend in de grove materie van de aarde en ontwijkend naar het etherische maan-rijk of de onderwereld van Vrouw Holle, beurtelings in en uit een stoffelijk lichaam, bijgestaan door een on-aardse macht. Hij had geen haast en geen angst – evenmin als de natuur haast kent of angst. Er is enkel ritme en wet. Angst kreeg de mens pas, toen hij gaan moest door het dal van de verduistering: toen zijn vertrouwd een-zijn met de natuur hem ontnomen werd. Toen die eenheid verbroken werd door een tweeledig stelsel van Goed en Kwaad, en zijn gemoed werd benard door de vele plichten jegens de middelaars die men hem aanwees: de kerk en haar heiligen, de geestelijke overheid, die de verschieten van het heelal voor hem afsloot met haar gewichtig middelaarschap, en de ziel in de weg trad, waar zij nog de verbinding zocht met de bevriende natuurwezens en de stemmen van de overzijde. ’Honderd jaren’ moest de mensenziel slapen, als Doornroosje, vereenzaamd binnen de doornhaag van verstandelijke begrippen, terwijl oeroude zeden, gebruiken en spelen de gekristalliseerde zielenwijsheid van de oudheid bewaarden, hardnekkig door kinderen aan kinderen overgegeven, door eeuwen en eeuwen. Ofschoon vaak iets van die oude rijkdom verloren ging, ontglipten ook steeds weer onschuldig uitziende vormen van vermaak en spel aan de algemene verkettering, spot en kritiek. Al golden ze als zinloos of bijgelovig, het onderbewuste gebied van de ziel bleef ze trouw, ook waar het beperkte verstand aan de wanen van de dag moest toegeven. Men voelde: in die zinnebeelden, wier zin voor ons verduisterd is, is ook ons leven en lot vervat; het behoort bij ons, al zien wij niet waarom. En nu is de tijd van de herkenning gekomen, de eenheid van mens en natuur gaat zich herstellen. Doornroosje, de ziel, is ontwaakt en herkent haar bruidegom: de zo lang bewaarde oerwijsheid, die uit het onderbewustzijn is opgestaan en de troon van het denken bestijgen zal.

Behalve in de spiraaldans van de boom, en in het hinkelspel, herkent men de spiraalgang van het menselijk leven in het ganzenbord, waarin de gans weer de geleidevogel der ziel is!

.

Hinkelen

De boom die wordt

Ganzenbord

Kinderspel en jaargetijde

Vormtekenen: alle artikelen

.

2234-2097

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (1-4)

.

De onderwijzer C. Wilkeshuis schreef jaren geleden columns voor het blad ‘Vacature’. Uit hoe hij over kinderen schreef, over zijn vak – uit alles sprak een man met het onderwijzershart op de juiste plaats.
Hij wist ook veel en deelde die kennis regelmatig. Hier iets over:

In ‘De Vacature’, (Thieme, Zutphen), nadere gegevens onbekend
.

DOBBELSTENEN

’t Was Oudejaar, in mijn jeugd de avond van de Zwolse dichter Rhijnvis Feith met zijn lied over de uren, dagen, maanden en jaren die als een schaduw heenvliegen. Het werd in kerken en huiskamers gezongen, en de weesmeisjes in ons stadje brachten het ten gehore aan de open ramen van het Weeshuis, tenminste wanneer de klanken niet bevroren in de vrieslucht en er genoeg publiek kwam, dat er een paar koude voeten voor over had om het gezang te kunnen beluisteren.

Maar dit was in de dagen van olim. in onze tijd gaat het wat anders toe.

Wij hadden met een paar kleinkinderen naar de teevee zitten kijken, wat muziek gemaakt, appelflappen gegeten, en zo enkele uren genoegelijk doorgebracht. Maar de jongens, dat merkten we best, zaten toch eigenlijk de hele avond te wachten, niet zozeer op de conventionele twaalf klokslagen ais wel op het moment, dat het vuurwerk sissend en knallend boven de stad zou losbarsten en zij zelf ook hun gillende keukenmeiden het luchtruim zouden injagen. Wachten duurt nu eenmaal lang. Dan vliegen de uren heus niet als een schaduw voorbij, maar de tijd rekt zich uit als een stuk elastiek.

„Zullen we een spelletje doen?” vroeg mijn vrouw.

„O ja. Het ganzenbord!” riepen ze. Ze hadden het bij hun zwerftochten door ons huis op zolder gevonden, het echte, oude spel: houtsneden met primitieve kleuren als in Staphorst, maar gedrukt in Turnhout bij onze goede zuiderburen. Ze kenden het niet: wie speelt het tegenwoordig nog? In oma’s knopendoos vonden ze nog twee dobbelstenen, die al spoedig met hun 42 ogen en hun 36 combinaties over de tafel rolden.

Eigenlijk is het ganzenbord hét spel voor oudejaarsavond.

Het stelt het menselijk leven voor: drieënzestig jaar. Nu ja, het hoeft dan nog niet voorbij te zijn, maar ’t is toch wel over z’n hoogtepunt heen.

Ik kan niet zeggen dat het ganzenbord een optimistische kijk geeft op het menselijk bestaan. De levensweg is er een kronkelweg, bezaaid met obstakels en ellende, ik zat tot grote vreugde van m’n kleinzoons al gauw in de herberg, maar na betaling van de accijns op alcoholische dranken kon ik verder. Een van de jongens kwam in de put terecht maar werd er als Jozef door z’n broertje uitgehaald, die nu zijn plaats innam.

De Dood op het ganzenbord is niet definitief: je mag opnieuw beginnen en dezelfde pechroute doorlopen onder de kreet van de Duitse wijsgeer: „Was dit het leven? – Wohlauf! Noch einmal!”

Je kunt natuurlijk ook boffen. Dit gebeurt als je op een eendje terecht komt. De vogel is het symbool van geluk. Helaas staat de eend, waarschijnlijk ten onrechte, te boek als een domme vogel. Maar goed, stom geluk is ook niet te versmaden, en het kan iemand motivatie geven „op weg naar het einde”.

Het spel is ook door en door democratisch. Wie er ook aan deelneemt, of het een schatrijke oliesheik is of een tot een wasbord vermagerde Ethiopiër, Wiegel of Van der Louw, het doet allemaal niets ter zake. Oppermachtig heerst in dit levensspel de dobbelsteen. De jongens probeerden op alle mogelijke manieren aan de blinde dwang ervan te ontkomen. Ze lieten de stenen bv. van een grote hoogte neervallen, of wierpen ze met hun „gelukshand”, of heel plotseling met de ogen dicht, enz. Maar veel succes boekten ze met hun trucs niet, want oma was het eerst op 63, en won de pot. De dobbelstenen lieten geen enkele inspraak toe, zomin als de sterren aan de hemel, die volgens de wichelaars het leven van de mens bepalen.

Ach, velen beschouwen het ganzenbord als een verouderd en vrij kinderachtig spel. Ten onrechte, want maakt men er een doordenkertje van, dan blijkt het met heel wat draden verbonden te zijn met wijsgerige vraagstukken en problemen. Men zou er een scriptie aan kunnen wijden: De filosofie van het ganzenbord.

Enfin, ons spel was uit, en onder het genot van een appelflap had ik de gelegenheid een paar anecdoten over dobbelstenen te vertellen. Ik had er net over gelezen in de interessante studie van dr. John Cohen over „Kans, kunde en geluk, de psychologie van het gissen en gokken”. – in Tibet, zo vertelt hij, wordt het privilege om de hoofdstad te mogen besturen bij openbare verkoping aan de hoogste bieder verkocht. Deze krijgt als zodanig de titel „Ja In o”. Maar een speciaal daartoe uitgekozen zondebok, een arme slobber, aangeduid als de „koning der jaren”, maakt hem belachelijk in een ingewikkelde wedstrijd en oefent kritiek op hem uit. Het conflict wordt beslist door het werpen van dobbelstenen. Nogal rechtvaardig, zal men denken. Maar helaas: de Jalno gebruikt dobbelstenen waarop niets dan zessen voorkomen, terwijl de zondebok het moet doen met stenen, waarop alleen enen te vinden zijn. De Jalno wint uiteraard, en zijn arme tegenstander wordt een weeklang in een gruwelkamer opgesloten. Maar het diepzinnigste verhaal over dobbelstenen heb ik lang geleden eens ergens gelezen. Een valse aanklager en een man, die ten onrechte van moord beschuldigd wordt, onderwerpen zich aan een godsoordeel door het werpen van dobbelstenen. Wie de hoogste ogen gooit heeft het recht aan zijn kant. De valse aanklager werpt dubbel – zes – . Hoger kan niet, en de beklaagde werpt zonder hoop de dobbelstenen. Maar zie, één ervan breekt doormidden, en nu liggen er 6 + 6+1 = 13 ogen. Hieruit blijkt dan, dat de dobbelstenen toch óók niet het laatste woord hebben. Deze gedachte biedt soelaas.

We vonden er aanleiding in de zoveelste appelflap te eten, elkaar bij de slag van twaalf een gelukkig nieuwjaar te wensen, en de dienstboden gillend van enthousiasme naar de toch weer niet zo héél onwrikbare hemel te doen stijgen.

.

Over het ganzenbord: spel (8)

Spel: alle artikelen

.

2098-1970

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Spel (1-3-1)

.

Bert Voorhoeve, Jonas 8/9, 18-12-1981
.

Het ganzenbordspel als beeld van de werkelijkheid
.

Het is oudejaarsavond. De dobbelstenen rollen. Er wordt 12 gegooid. ‘Hoera, op een gans, dus ik mag nog eens 12 vooruit!’ Dan klinkt opeens teleurgesteld: ‘Ik ben dood, ik moet opnieuw beginnen’.
Een ander is opge­lucht omdat hij verlost is uit een situatie waarin hij gevangen zat en zelf dool ik door het doolhof op zoek naar de uitgang. Zo golft het spel heen en weer tussen blijdschap en teneergeslagen zijn, voorspoed en tegenslag, kwaadheid en berusting, opgewonden zijn en geen zin meer hebben. Ervaringen en gevoelens die we goed kennen van het afgelopen jaar. Het lot bepaalt de weg die we van het begin naar het eind, van 1 naar 63, afleggen. Hoé we die weg afleggen, hangt af van de manier waarop we reageren op datgene wat op onze weg komt. Met val­len en opstaan komen we tenslotte allemaal aan het eindpunt van het spel. En we beleven dat het einde een nieuw begin is.

Als je wat verder nadenkt over hetgeen je in het ganzenbordspel kunt ervaren, dan blijkt dat je in het spel allerlei elementen tegenkomt, die je in je eigen levensloop kunt ont­dekken en ook in het verloop van een dag, een week, een jaar, een levensfase. In het spel ga je een weg, samen met anderen, je bent af­hankelijk van elkaar. Je ontmoet weerstan­den die je moet overwinnen, hulp en tegen­slag. Het ene moment ga je langzaam vooruit, een ander moment ineens heel snel om dan weer teruggeworpen te worden. Je voelt dan verzet tegen je lot; waarom moet mij dat overkomen, terwijl een andere speler geen enkele belemmering op z’n weg vindt?
Tijdens het spel worden we begeleid door ganzen. Ganzen zijn thuis in de elementen water, aarde en lucht. De gans is burger van twee werelden: hemel en aarde. Het is een waakzame vogel; ganzen hoeden is niet een­voudig – de dieren hebben de neiging alle kanten op te vliegen. Je kunt het ganzen­bordspel ervaren als een beeld van de werke­lijkheid. Je kunt aan het spel ‘vragen stellen’; wat is de wijsheid die verborgen is in je beel­dentaal? En welke vragen stelt het
ganzen­bordspel aan mij, wat roepen de beelden in mij op? Wat hebben ze mij te zeggen over het jaar dat achter mij ligt? Wat heeft de brug mij te zeggen, durf ik het onbekende aan de andere oever tegemoet te treden? Wie tref ik in de herberg aan, wat zoek ik in de herberg, nieuwe kracht of ver­getelheid? Geeft de put mij water of staat hij droog en val ik erin? Verdwaal ik in het dool­hof of heb ik een goede gids? Zit ik in me­zelf, een levensfase of situatie gevangen of ben ik innerlijk vrij? Leef ik met de dood als mijn “reiskameraad’ of heb ik hem buitenge­sloten en doe ik net of hij niet bestaat? Is het einde van het spel het einde van de reis of het begin van een nieuwe reis met nieuwe ervaringen, nieuwe vragen, raadsels en opga­ven?

Je kunt het antwoord op deze vragen alleen vinden door op weg te gaan, de dobbelstenen van het lot te gooien en de brug over te gaan die je aan de andere oever brengt, waar je weg verder gaat.

De brug

De brug kan een wonder van techniek en bouwkunst zijn, zoals de Zeelandbrug of de Van Brienenoordbrug, het kan een ophaal­brug zijn of een wiebelende plank over een sloot, het kan een brug zijn over een rots­kloof of de ophaalbrug van een middeleeuw­se burcht. Hoe groots of hoe simpel een brug ook is, het is altijd een verbinding tussen twee oevers van een rivier, kanaal, gracht of de rotsen van een kloof. Door middel van de brug kun je andere mensen bereiken, kun je met elkaar in contact komen. Bruggen worden vaak gebouwd, uitgaande van beide zijden van een rivier; langzaam groeien beide helften naar elkaar toe. In het midden worden de brugdelen dan aanéén ge­voegd. In ‘het midden’ kun je elkaar ontmoe­ten, tegenstellingen kun je ‘overbruggen’ door er iets tussen te bouwen. In het contact met andere mensen kun je ervaren hoe be­langrijk, maar ook hoe moeilijk dit ‘bou­wen’ is. Je moet zelf beginnen, de ander iets tegemoet te brengen in de hoop dat de ander dit ook zal doen, zodat er een raakvlak ont­staat waar je elkaar kunt ontmoeten. Je moet ‘over de brug durven komen’ om sa­men met anderen verder te kunnen gaan.

De herberg

De drie koningszonen in het sprookje van Grimm ‘De gouden vogel’, komen gedurende hun reis in een dorp waar twee herbergen staan. De ene herberg is mooi en er wordt ge­danst en gezongen, de andere herberg ziet er armoedig en haveloos uit. De twee oudste broers negeren de waarschuwing van de vos; zij vieren feest in de vrolijke herberg en ver­geten helemaal dat ze op zoek zijn naar de gouden vogel, ze vergeten het doel van hun reis. De jongste broer luistert naar de vos en in de armoedige herberg vergeet hij het doel van z’n reis niet.

Als je overgeleverd bent aan de uiterlijke om­standigheden, de uiterlijke schijn, loop je in ‘de herberg’ de kans je daarin te verliezen. Alleen vanuit een wakker bewustzijn kun je jezelf blijven en het doel van je reis in het oog houden. Aan het beeld van de herberg beleef ik: alleen als je je innerlijk versterkt kun je in de gemeenschap van mensen werke­lijk sociaal zijn. Betrokken op anderen met behoud van je eigen identiteit, de eigen opga­ven die je te vervullen hebt. Een ander beeld van de herberg staat in het Nieuwe Testament (Lukas 2): ‘En zij baarde haar zoon, de eerstgeborene en legde hem in een kribbe omdat er in de herberg geen plaats voor hen was’. Je kunt de herberg ook zien als een beeld van je innerlijk. Is er plaats in ‘mijn herberg’ voor de geboorte van het Jezuskind? Of ben ik zo vol van mijn dage­lijkse indrukken, is het zo druk in mij ‘van kelder tot zolder’, ben ik zo ‘bezet’, dat er geen plaats meer is?

Als ik het afgelopen jaar beschouw dan valt het me op hoe sterk de uiterlijke indrukken vaak overheersen en hoe moeilijk het is je niet voortdurend te laten ‘bezetten’. Het is steeds weer een gevecht om innerlijke ruimte vrij te maken voor datgene (diegene) dat je er zélf in binnen wilt gaan.

De put

Heel intensief heb ik de put ervaren tijdens een werkkamp op het eiland Kythera in Griekenland. We groeven een waterput voor de plaatselijke bevolking. Om de beurt daal­den we aan een touw in de put af om die­per te graven. De stenen werden in manden omhoog gehesen. Ondanks alle inspanning vonden we geen water. Je hebt dan letterlijk het gevoel in de put te zitten. Je staat in een ruimte waarin je je nauwelijks kunt bewegen en boven je zie je een kleine cirkel licht, waar degene vandaan zal komen, die je komt aflossen, die je ‘uit de put komt helpen’. De put of de bron is de plaats waar je water kunt halen. Je kunt er water putten dat le­ven mogelijk maakt, maar je kunt ook bij een opgedroogde put komen, zodat je dorst moet lijden en je kunt ook in de put vallen. Het beeld van de put komt in diverse sprook­jes voor.

Op jezelf teruggeworpen worden, kan je ogen juist openen voor jezelf en voor de wereld. Maar je kunt je ook, uit een gevoel van machteloosheid, helemaal afsluiten. En dan is het een geluk als je iemand ontmoet, die je uit de put kan helpen. Het beeld van de put kan ons ook zeggen: zorg er voor dat de bron in jezelf niet opdroogt, zorg er voor dat je levend water uit die bron kunt schep­pen.

Het doolhof

In de speeltuin bij de Julianatoren in Apel­doorn heb ik als kind voor het eerst het dool­hof beleefd. Als je er in zat kwam je er moei­lijk weer uit. In de heggen zaten overal gaten waar kinderen doorheen gekropen waren, die de uitgang niet meer konden vinden. Maar als je bovenop de toren stond keek je op het doolhof neer. Je zag dan al die mensen dolen en je zag hoe ze moesten lopen, terwijl ze zelf de weg niet vonden. Je kunt ook het gevoel hebben in een dool­hof te zitten. Soms denk je: nu zit ik op de goede weg, maar die loopt dan toch weer dood en je moet terug om een andere weg te proberen. Je staat voor de vraag: hoe kom ik in de goede richting. Wat is de zin, het doel van mijn leven, wat is mijn opgave, is er een gids die me kan helpen bij het zoeken van de weg? Wat is de rode draad in mijn leven, wat is mijn levensmotief?

Het vinden van deze rode draad kan je hel­pen om uit het doolhof te komen. En door ‘op de toren’ te gaan staan en bijvoorbeeld op het eind van het jaar wat afstand te nemen, naar beneden te kijken op je doolhof, kun je verbanden en samenhangen ontdek­ken, die je niet zou zien als je steeds maar heen en weer blijft dolen.

De gevangenis

In ‘de gevangenis’ moeten we drie beurten overslaan. We hebben tijd om ons te bezin­nen. Hoe staat het met mijn vrijheid, waar ben ik een gevangene van, hoe komt het dat ik van de buitenwereld ben afgesloten? Zit ik gevangen in uiterlijke zekerheden, vooroor­delen, angsten, hartstochten, vroegere levens­fasen? Heb ik zelf mijn eenzame planeet geformeerd?
De Saint Exupéry geeft in zijn boekje ‘De kleine prins’ een beeld van mensen die gevan­gen zitten op hun eigen “planeet’. Zij zijn ge­vangen in ijdelheid, macht, intellectualisme, hebzucht, verslaving en automatisme. Deze planeetbewoners houden me een spiegel voor waar ik wakker aan kan worden. ‘Grote men­sen zijn toch wel heel, héél wonderlijk’, zegt de kleine prins, iedere keer als hij een pla­neet verlaat. Ik hoop de kleine prins vaak te ontmoeten, want door zijn ontwapenende vragen, word ik verlost uit mijn gevangen­schap. Ook het samen met anderen of een ander zoeken naar inzicht in je situatie kan je de sleutel in handen geven om de deur te openen die je weg had afgesloten.

De dood

De dood staat niet aan het einde van de weg van het ganzenbord. Het is alsof het spel wil zeggen: “Je moet de dood tijdens het leven ontmoeten, de dood is je reiskameraad, je moet leren leven mét de dood.’

Ontwikkeling houdt in dat alleen door het afsterven van het oude, nieuwe ontwikkeling mogelijk wordt. In je leven kun je tijden doormaken waarin je het gevoel hebt: alles wat ik tot nu toe gedaan heb heeft geen levenskracht meer, leidt naar een eindpunt. Het moet sterven, omgevormd worden. In die worsteling met het oude dat geen kracht meer heeft en het nieuwe dat je nog geen vorm kunt geven, kunnen ineens kiemen ontstaan die iets nieuws mogelijk maken Het beeld van de graankorrel komt tot leven: alleen door te sterven in de aarde kan de graankor­rel vrucht dragen. Het oude moet sterven om iets nieuws mogelijk te maken. Dat geldt voor ons leven, maar ook voor een dag, een week, een jaar. Ook het oude jaar moet sterven en de manier waarop je je los­maakt, terugblikt, afscheid neemt is mede van invloed op het nieuwe jaar dat geboren wil worden uit het oude.
Zoals Niels Holgerson ‘betoverd’ met de gan­zen de wereld in trok en na een lange reis weer mens wordt, zo geeft het ganzenbord­spel een beeld van een ontwikkelingsweg, die je alleen tot een goed einde kunt brengen als je de beproevingen, de weerstanden op je weg tegemoet durft te treden. Op het eind van zijn reis met de ganzen, op het moment dat zijn geliefde gans door z’n vader geslacht dreigt te worden, overwint Niels Holgerson zichzelf en durft hij zich te laten zien zo klein als hij is en juist daardoor wordt z’n be­tovering verbroken.

In het spel worden zes fasen van beproeving gevolgd door een zevende fase: einde en nieuw begin. En wat we op het eind ver­gaard hebben kunnen we weer gebrui­ken voor de volgende ronde van het spel. We doen in het ganzenbord­spel zeven sprongen, zeven stappen langs de spiraal naar binnen. Brug, herberg, put, doolhof, gevange­nis en dood zijn de zes stappen die voorafgaan aan de zevende. En na de zevende stap kun­nen we weer opnieuw be­ginnen, nieuwe ervaringen opdoen, nieuwe dingen leren, nieuwe inzich­ten verwerven op onze weg naar menswording.

.

Een soortgelijk artikel

Spel: alle artikelen

Meer symboliek in bijv. de sprookjes

.

609-559

.

VRIJESCHOOL – Rekenen – 2e klas (6)

.
M. Stoop, vrijeschool Leiden, datum onbekend
.

Rekenen in de tweede, een mooi vak om te spelen
.

Nadat we in de eerste klas het getallenstelsel leerden kennen met zijn ritmiek van het overslaan, zoals — 4-—8— 12 enz, speelt het eerlijke geven en krijgen nu de grootste rol. Daarbij gebruiken we de tafels.

Allereerst zijn de tafels, naast het rekenspel, veel ge­sprongen, geklapt en gesproken. Daarna zijn ze geschreven, getekend en in eenspiegel-vierkant geplaatst. Ook springen we de tafels in het springtouw.

Nu we aan het einde van de tweede klas zijn gekomen, her­halen we alles nog eens, maar nu in een heel speciaal spel: HET GANZENBORDSPEL.

Het ganzenbordspel is een prachtig voorbeeld voor de eerlijk­heid en gestrengheid in het leven. We tellen de jaren 1 tot en met 63 en verkrijgen zo het werkterrein in de menselijke levensloop.

Alle getallen die de 5 in zich dragen, zoals 5,  14 (1 + 4=5), 23 (2 + 3 = 5), enz., getuigen van de vrijheid van onze hand om te schenken en te ontvangen, waardoor de mens verder komt in zijn leven. Het spel beloont dit met eenzelfde sprong vooruit. Alle getallen, die de 9 in zich dragen, zoals 9, 18, 27 enz., getuigen van de drempels in het leven. Rekenen boven de 10 bv. moet je door eigen activiteit leren.

Vaak is een nieuwe aanloop nodig zoals bij vele moeilijkheden die je in het leven wilt overwinnen.

De 9 getuigt van wat de mens al heeft, terwijl de 10 van een nieuwe orde getuigt, zelfs rekenkundig te zien in het (volg)ordestelsel, de 1 en de 0, die samen iets nieuws betekenen. In het spel maak je dus dezelfde sprong terug, om het in een volgende beurt opnieuw te proberen.

In 59, 5 en 9 samen, maar ook 5 + 9=14 en 1 + 4 = 5, zit een dub­bele betekenis (beide getallen in één én een dubbele bewerking naar de 5 toe). Op 59 aangekomen, kies ik er dan ook voor, om de speler 2 maal zijn sprong vooruit te laten maken, waardoor hij dus hoogstwaarschijnlijk weer een stukje achteruit moet gaan (bij “64” keer je weer om als je er niet precies op komt) De kinderen slaan dus aan het rekenen om deze getallen te vin­den en tellen alle hokjes uit om de héén- en terugkijkende ganzen te tekenen.

Dat was een hele kluif en er ging een zucht van bevrediging door de klas, toen dat karwei geklaard was.

Maar nu het spannendste! In het leven spelen schenken en ont­vangen de grootste rollen.

In de getallenwereld (de leeftijden op het bord) kun je de samenwerking tussen de getallen herkennen door naar hun deel­baarheid te kijken. Voor elke manier van verdelen krijgt het getal een sterretje. Zo krijg je zeer stralende getallen én getallen zonder ster, want aangezien élk getal door 1 en zich­zelf deelbaar is, is dat nietszeggend voor een getal en krijgt het daarvoor géén ster. Zo verschijnen er op het bord een aan­tal duistere priemgetallen. Getallen, die niets kunnen geven of krijgen en zo zielsalleen blijven staan.

Maar voordat dit alles op het ganzenbord komt te staan, zijn alle tafels nog eens op het plein gelopen (tegels overslaan) en geschreven, keurig naast elkaar. Daarna nog eens in het schrift hetzelfde en is ook nog per ge­tal de deelbaarheid getoetst door middel van bonen en opgeschreven in het schrift.

Zo zijn dan alle tafels van 1 tot en met 12, tot 63, vele keren geoefend en zelfs delen uit hogere tafels, die door spiegeling ontdekt werden, zoals b.v. 63 = 3 x 21 en 62 = 2 x 31, want de “lage” tafels worden tot 63 vervolgd. De priemgetallen krijgen alle een ietwat duistere tekening. Er kan je heel wat gebeuren als je alleen staat in het leven. Je durft alleen die heel smalle brug niet over, je kunt je verliezen in de geneugten van de herberg, je kunt in de put der wanhoop komen, de weg kwijt raken in de doolhof van regels, gebruiken en gewoonten, de verkeerde weg inslaan en in de gevangenis komen en zelfs vroegtijdig sterven, zo­dat je het nog niet bereikte door een hernieuwde levensweg moet gaan bereiken. Op zon tekening beland, moet je 2 maal je beurt voorbij laten gaan, tenzij je verlost wordt uit de put of gevangenis door een medespeler die je aflost.

Onder de 5 jaar is een kind nog totaal opgenomen in het gezin, zodat die priemgetallen hier buiten beschouwing blijven. De andere 6 priemgetallen, waarop je alleen staat, vormen de stilstandsmomenten in het leven. Je ziet het niet meer zitten, staat even stil, 1 beurt in dit spel.

Het ganzenbordspel wordt met 2 stenen gespeeld.
Je gooit minimaal 2 en maximaal 12, gemiddeld dus 7 jaren vooruit per keer. Na dus gemiddeld 9 keer gooien zonder problemen onderweg kan men de 63 halen.
Dan komt men in de tiende levensfase, de fase die een mens geschonken krijgt, want zijn grootste taak zit er op. Wat een mens in die fase dan nog doet, schenkt hij puur zijn medemensen.

Op het bord staat in het midden (is einde van het spel) een
tekening van een gans met jongen, de vruchten van het leven.

Sommige mensen beginnen het leven echter al met bijzondere gaven. In het ganzenbordspel doen we dat zo: je gooit in je eerste worp 9 met een 5 en een 4. Dan stroom je gelijk door naar 53. Of je gooit in je eerste worp 9 met een 6 (en een 3). Dan ga je door naar 26.

Zo rekenden en rekenen wij in de tweede klas tijdens het ontwikkelen, het maken en het spelen van het ganzenbordenspel. Alle vier hoofdbewerkingen van het rekenen, d.w.z. optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen, zijn dan aan bod gekomen en met veel plezier geoefend.

.
2e klas rekenen: alle artikelen

rekenen: alle artikelen

2e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 2e klas

.

553-507

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..