Categorie archief: schilderen

VRIJESCHOOL – Schilderen in klas 6 t/m 8 (2)

.

Onderstaand artikel is een bewerkte vertaling uit:
.
Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann  (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)

.

SCHILDEREN IN KLAS 6 T/M 8

.
Schilderen en tekenen van landkaarten
.

Aardrijkskunde heeft een speciale plaats in het leerplan van de vrijeschool. In combinatie met biologie, geschiedenis en geometrie is het bedoeld om leerlingen kennis te laten maken met economische en culturele omstandigheden op een zodanige manier dat al het menselijk leven zichtbaar wordt in zijn mondiale onderlinge verbondenheid. Uiteraard horen hier ook kunstzinnige lessen bij. Daar volgt voor de tien- tot veertienjarigen een thema uit: het schilderen en tekenen van landkaarten.

In het 4e schooljaar krijgt het kind een visueel idee van de hoogteverschillen, heuvels en bergen, rivieren in het land waar hij woont en kan er met een elementair schilderen van een landkaart worden begonnen.

In de plantkundeperiode in de 5e klas komt er een eerste inzicht van de vegetatiezones van de aarde.

In 6e, 7e en 8e klas richten aardrijkskundelessen zich vooral op de historische en spirituele omstandigheden van de volkeren. De verschillen tussen het Middellandse Zeegebied en het Scandinavische gebied, tussen de Europese en de Amerikaanse en Aziatische volkeren worden benadrukt.

In het begin zal je in de periodeschriften met kleurpotloden werken en pas later overgaan op waterverf.
Als je de geschilderde kaart(en) in het periodeschrift wil hebben, is het mogelijk om ze daar ook in te schilderen, maar als er iets mis gaat, water!) kan er veel in het schrift bedorven worden. 
Apart schilderen en inplakken is ook een optie. 
Hoe dan ook, het bepalen van de grootte is belangrijk. En of het bv. een land in de ‘breedte’ is, Zwitserland of in de lengte, Italië bv. In het boek wordt Griekenland genomen: in de lengte. Er moet goed gekeken worden hoe dan in de lengte, hier is het enigszins diagonaal. Ook de verhoudingen van land-water en hoe groot dan de eilanden zijn en waar die liggen t.o.v. de kust of een stad. Kortom, je zou vóór het schilderen eigenlijk eerst een ruwe schets moeten maken met potlood om de karakteristieke kenmerken in je op te nemen. Klassikaal kan je dat doen door op het bord met een brede natte penseel de vormen aan te duiden.
Je kan een landkaart voor het bord hangen als voorbeeld. Maar het telkens moeten opkijken en weer terug naar het papier is lastiger dan bv. een  gekopieerd kaartje dat op de tafel ligt. De atlas is i.v.m. het formaat ook niet handig en kan ‘vuil’ worden. 

Eerst dan beneden links met blauw de zee en langzaam naar het land toewerken en dat uitsparen.

In atlassen staan op de kaarten ook allerlei kleuren, m.n. bij de hoogtekaarten, waarbij een kleur dan bij een hoogte hoort. Dat kan je vanuit aardrijkskundig perspectief ook zo schilderen/tekenen, zie illustraties onderaan.

Bij het kunstzinnig schilderen van een kaart zou je meer uit moeten gaan van de aard van het land: is het er warm of koud(er) en daarbij de passende kleuren- warme – kleuren nemen, hier bv. geeltinten en die vanuit het midden langzaam naar de kust laten verlopen in minder intens geel.)
Bij de kust, bij de baaien komt het op meer precisie aan en moeten de leerlingen kunnen beschikken over bredere en smallere penselen.
Het hoeft niet allemaal zo gedetailleerd, het moet een levendige indruk wekken en een ander moet meteen kunnen zien: dat is Griekenland, ook al  ‘klopt’ de kust niet in detail. 
Ook de zee kan met diepere en lichtere tinten blauw levendiger worden, evenals het land dus met geel, waarbij ook rood een rol kan spelen. Daarmee kun je bv. de berggebieden wat accentueren. De lager gelegen gebieden krijgen dan meer groen – waarmee de kaart een soort hoogtekaart wordt.

In het boek wordt een interessante suggestie gedaan om Spanje, Italië en Griekenland met elkaar te vergelijken.
Spanje is als vorm veel massiever dan Griekenland, Italië ligt er – letterlijk – tussen. Ze liggen alle drie op dezelfde breedtegraad en ze hebben vergelijkbare warmte- en lichtomstandigheden.
Met kleur kunnen ze verschillend weergegeven worden.
In Griekenland zal het geel domineren t.o.v. het rood- en groenachtige; rood zou meer bij Spanje horen en oranje-vermiljoen bij Italië. Deze kleurkeuze geeft karakteristiek uitdrukking aan het stralende, gestructureerde Griekse schiereiland, het uniforme, rustige Spaanse en het dynamische bewegende Italiaanse schiereiland.
Uiteraard moet er in de les aandacht worden besteed aan het betreffende klimaat, de vegetatie, de dierenwereld en de bevolking met hun verschillende gewoonten. Dan kan de leerling zijn eigen ervaringen schilderen, waarbij de hoofdtonen variëren.

Nog een reden om de 5e klas met Griekenland te beginnen, is dat het vertelstofthema de Griekse mythologie is en er ook met de geschiedenis van Griekenland wordt begonnen, waardoor er al iets bekends over Griekenland aanwezig is. 

geen voorbeeld uit het boek

Dan volgt de suggestie om als contrast de Scandinavische landen te nemen, m.n. Noorwegen en Zweden. Deze vormen samen een groot schiereiland dat zich in het zuiden in twee hoofden splitst. De ‘Scandinavische leeuw’ springt als het ware richting de Deense landtong, waarvan de bijbehorende grote eilanden in de Oostzee liggen. 
De westkust is met de Noorse fjorden het rijkst gestructureerd. In het Middellandse Zeegebied is dat in het oosten bij Griekenland.
Die beschrijvingen maken dat de leerlingen bewuster gaan kijken en ze gaan eigen ontdekkingen doen. 

In tegenstelling tot de warme tinten van het zuiden, nemen we nu voor het  noorden de koele kleuren. Eerst wordt de zee weer blauw geschilderd en wordt het land weggelaten. Het westen en zuiden van Scandinavië krijgen geelgroene en blauwgroene kleuren, de Baltisch-Finse kust wordt blauwviolet. Tussen de grijsgroene tinten van de Noordzee en het blauwviolet van de Oostzee komt het Deense land met de eilanden in evenwichtig groen.

Neem je Engeland, Schotland en Ierland dan heb je een groter schilderoppervlak nodig. Het zuiden van Engeland en Ierland kunnen bv. in rood-geel geschilderd, het midden met geel-groen en het noorden, vooral Schotland, met groen-blauw.

Je kan de leerlingen ten slotte een volledige kaart van Europa laten maken op een groot vel. De nieuwe opdracht vereist dat de aparte vormen van de landen die nu bij iedereen bekend zijn, in een passende verhouding worden gebracht en dienovereenkomstig worden gerangschikt op het grootformaatvel van de diagonaal, die onzichtbaar van rechtsboven naar linksonder loopt. De rechterkant van het vel wordt grotendeels bedekt door het Russisch-Poolse land. Aan de linkerkant daarentegen steken de divers gestructureerde kustgebieden van de westelijke en zuidwestelijke landen de zee in.

Je kan weer vanaf de zee beginnen met blauw. Vanaf ongeveer het midden van het blad straalt geel uit naar de diverse landen, vooral naar het westen en zuiden. Dan bv. verder met een zekere harmonie  van verschillende kleurgebieden: rood-oranje-geel komt uit het zuiden, paars, blauw, groen komt uit het noorden. In het westen ontmoeten rood en blauw elkaar op een gele achtergrond, waardoor oranje en groen ontstaan. In het oosten werkt rood vanuit het zuiden in het blauw en schept een paarse kleurzone. Dit totaalbeeld van Europa, dat aan het einde van de aardrijkskundeperiode wordt geschetst, lokt in de klas doorgaans levendige verrassing en enthousiasme uit .
Het lukt alleen als je vooraf grondig de aparte landen oefent. Met de op deze manier verworven vaardigheden kun je ook de andere westelijke, oostelijke en zuidelijke continenten, die later worden besproken, in kleur weergeven.

Uit het boek, 7e klas

Naarmate de jongere de puberteit nadert, ontwikkelt hij door het schilderen sympathie en warmte voor de verschillende landen en continenten en blijft hij geen neutrale toeschouwer.

De dynamiek van de bewegingsprocessen van de aarde wordt echter alleen vastgelegd door middel van vormtekenen.
Als je de elementaire omgang met kleurtonen uit de eerste klassen hebt gevolgd bij het schilderen van kaarten, dan kan de leerling door al het oefenen in  vormtekenen nu ook kaarten tekenen.

Met lijnen tekenen, betekent heel vaak dat de lijn geen abstractie moet zijn, maar dat deze ontstaat op de grens van twee kleurvlakken. De beweging(en) moeten overeenkomen met de werkelijkheid. Een rivier moet altijd volgens zijn loop vanaf de oorsprong worden getekend, nooit vanuit de monding. Ook hier is het water met blauw potlood getekend en de bergen bruin.

Als de leerlingen in klas 8 in de natuurkunde kennis maken met de hydraulica, de waterloopkunde, leren ze over de wetten volgens welke een rivier zijn rivierbedding creëert, ze leren hoe deze zich vormt in vele onregelmatige, heen en weer veranderende stromingen, bij de indraaiende stroming, concave, schuurt de rivier de oever uit die dan afkalft. Bij de zich naar buiten bewegende stroom, de convexe, zet zich op de oever bezinksel af, zodat de rivierkrommingen steeds uitgestrekter worden. Met deze besprekingen in het achterhoofd, voel je het element van een ‘eeuwig bewegende’ stroom bij het tekenen.
Een eerste oefening is er een met vrij vloeiende lijnen en vervolgens werden deze omgezet in de wervelende bewegingen van een waterstraal. Vervolgens kan een poging worden gedaan om de rivieren van een land gedetailleerder te volgen en hun kenmerken te onderzoeken.
Laten we als voorbeeld de Loire nemen, de grootste rivier van Frankrijk. Deze ontspringt op de hoogten van de Cevennen, loopt kort naar het zuiden en draait naar het noordwesten, stroomt door het Centrale Massief, wordt bevaarbaar bij Vorey, verlaat de bergen bij Roanne, stroomt in het bekken van Parijs in een brede boog voorbij de stad Orleans, breidt zich uit als een baai onder Nantes en mondt uit in de Atlantische Oceaan bij St-Nazaire. Wat in deze rivierloop meteen in het oog springt is de wijde boog die geen afbuigende vormen vertoont, maar het lijkt wel of deze doortrokken is van een muzikaal-rustig voortklinkend element. De bovenloop heeft echter een zodanig verval dat de omstandigheden van het water zeer snel veranderen. Daarom moeten hoge dijken onder Orléans de lager gelegen delen beschermen tegen het hoge water dat in een paar dagen tot wel acht meter kan stijgen. Ook krijgen de leerlingen te horen over de prachtige kastelen tussen Orléans en Tours; zo wordt alles tot een indrukwekkend geheel. tot een indrukwekkend beeld.

Wanneer je de vloeiende lijnen van de Loire volgt, ontstaat er een ander beeld, dan bij bv. de Seine. Aan de Seine zijn vooral de sterke kronkelingen opmerkelijk en de vele aftakkingen waar deze in het Engelse Kanaal uitmondt.

Een doel is toch ook dat de leerlingen ervaren dat de aarde een levend geheel is. Achter kleuren en lijnen die ze zelf vormen, blijft hopelijk een beeld achter van de werkelijkheid. Alleen naar kaarten kijken, kan dit niet bewerkstelligen. Voor veel leerlingen wordt door deze oefeningen de atlas een soort platenboek waarin ze met volgehouden aandacht studeren.

Het schilderen van kaarten op deze manier is in de eerste plaats gedaan vanuit een kunstzinnig perspectief.
Je kan ook kaarten schilderen of tekenen vanuit een meer aardrijkskundig uitgangspunt, of in samenhang met geschiedenis bv.

.

.

6e klas: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 6e klas

Vrijeschool in beeld: 7e klas

.

3273-3080

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Schilderen in klas 6 t/m 8 (1)

.

Onderstaand artikel is een bewerkte vertaling uit:
.
Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann  (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)

.

Schilderen in klas 6 t/m 8
.

Inleiding in de techniek van het ‘sluieren’, ‘laag-op-laag’ schilderen
.
In het begin van de 6e klas stond het zwart-wit tekenen met houtskool  op de eerste plaats waarbij de leerlingen de kwaliteiten van licht en donker leerden waarnemen. Daarna kunnen we weer gaan schilderen.

We beginnen met een nieuwe techniek, die van het ‘laag-over-laag’ schilderen. Duits heeft hiervoor het woord ‘schichten’. Voorlopig komt dit in de plaats van het ‘nat-in-nat’ schilderen.

Het is raadzaam om deze laagjestechniek te gaan gebruiken in een tijd van het jaar waarin het warm is, zowel in de klas als buiten, dat wil zeggen winter of zomer. In de overgangsperiode, in het voor- en najaar, is het anders moeilijk om de bladen te drogen. Voor het aanbrengen van laagjes wordt het papier aan de bovenzijde slechts licht bevochtigd met de spons en vervolgens met plakstrips aan de ondergrond bevestigd. Omdat je pas kunt beginnen met schilderen als het papier helemaal droog is en soepel is uitgerekt, kun je dit het beste de dag ervoor doen. Omdat de nieuwe techniek discipline en uithoudingsvermogen van de leerlingen vergt, moeten ze zichzelf een hele week geven voor dit nieuwe begin, zodat ze er door de dagelijkse praktijk goed aan kunnen wennen. De kleuren worden zeer subtiel met losse penseelstreken aangebracht in kleinere of grotere gesloten vlakken. Om dit te doen, moeten ze dunner worden gemengd dan bij nat-in-nat-schilderen en hebben de leerlingen een klein stukje papier als palet nodig. Daarop kunnen ze eerst de kleuren uitproberen of die helder genoeg zijn. Hoe minder verf je op het penseel gebruikt en hoe meer je het hele blad beschildert, hoe langer je kan werken. Je gaat van vlak naar vlak over het hele vel. Als je het helemaal gevuld hebt, is het eerste hoekje meestal al droog. Je mag in geen geval verder schilderen op een vochtige laag.

In tegenstelling tot de nat-in-nattechniek, waarbij je direct een sterke kleurindruk krijgt, wordt dit bij het aanbrengen van laagjes pas geleidelijk bereikt, waarbij de fijn aangebrachte kleurlaagjes intenser worden door er steeds overheen te schilderen. De kleuren blijven echter transparant en vervagen niet meer als ze drogen. Door zo te schilderen ontstaan er de meest afwisselende mogelijkheden om met iedere kleurnuances te differentiëren. 

(niet in Jünemann)
.

Een thema kiezen kan bijv. aan de hand van de periode. Uit ervaring blijkt dat de aardrijkskundeperiode zich er uitstekend voor leent. 
Je kan Azië nemen en over China en Japan vertellen. Misschien zijn er leerlingen die er geweest zijn en iets kunnen laten zien van de tekeningen en schilderingen. 
Met een eindeloos geduld en in grote rust worden er een paar penseelstreken gezet. Men gebruikt zo’n zes schakeringen: van het helderste zilvergrijs tot aan het diepste zwart. 
Deze gradaties worden nu eerst geoefend. Elke leerling krijgt een bakje Oost-Indische inkt en probeert met eenvoudige penseelstreken de verschillende tinten op een vel uit. De zwarte inkt moet worden verdund met een geschikte hoeveelheid water. Ze doen dit op hun kleine papieren palet. Daarna worden op een nieuw vel eenvoudige verdelingen van vlakken met verschillende helderheidsniveaus gemaakt, die zich geleidelijk ontwikkelen tot een soort landschap. Bij het tekenen werd ook met een landschap de licht- en schaduw geoefend. Nu gebeurt dit opnieuw met behulp van de nieuwe techniek met een thema, zoals maanlicht. De etnografische en geografische context wordt met een passende beschrijving in het hoofdonderwijs gegeven. Het is voor de leerlingen niet moeilijk om zich in deze sferen uit het Verre Oosten in te leven. Vaak creëren ze zeer poëtische landschappen die bovendien iets van het zwevende karakter hebben van een ongrijpbare ruimte waarin bergen en water zijn ondergedompeld, zoals te zien is in de Chinese en Japanse inktschilderijen.

Nadat ze een bepaalde tijd zulke inktoefeningen hebben gedaan, kunnen de leerlingen iets soortgelijks proberen met een enkele kleur, misschien eerst met blauw. Het blauw moet uit gelijkmatig aangebrachte lagen worden verdicht, maar wel zo dat verschillende kleursterktes naast elkaar behouden blijven. Vervolgens schilder je nog een maanlandschap in blauw, maar voeg je geel toe voor de maan en de kring eromheen.
De leerlingen, die na een lange pauze voor het eerst de werking van kleur weer ervaren, zijn er erg van onder de indruk en merken dat ze er nu gedifferentieerder mee om kunnen gaan. Ze ontdekken nu ook de grotere rijkdom van de kleur.
Steeds zie je hoe er tegen de achtergrond van de licht-schaduw-oefeningen een compleet nieuwe basis ontstaat.

Sommige leraren beginnen de laagjestechniek nog niet in de onderbouwklassen of pas in het 8e leerjaar. 
Het is wel belangrijk dat je het zelf onder de knie hebt, voordat je ermee begint.

Na verloop van tijd kan je het weer loslaten en teruggaan naar nat-in-nat.

De leerlingen kunnen op een bepaald ogenblijk kiezen welke techniek ze voor iets kunstzinnigs willen gebruiken. 

Oefeningen met laagjes in de 6e klas bij het vak mineralogie

In ‘Schöpferisches Gestalten mit Farben‘ vind je er ook.

6e klas: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

8e klas: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: klas 6  Sluiertechniek
klas 7

.

3262-3069

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Schilderen in klas 5 – plantkunde

.

Onderstaand artikel is een vertaling uit:

Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann  (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)

Hoofdstuk: ‘De schilderles in klas 3 t/m 5

Over klas 3 wordt in dit hoofdstuk niets gezegd; voor de 4e klas gaat het over dierkunde en voor de 5e klas over plantkunde.

Blz. 66

Plantkunde

De voortdurend veranderende kleurprocessen in de natuur onthullen wat er in de plant op elkaar inwerkt: zonnekrachten en aardse krachten, licht en duisternis. Bij dit polaire krachtenspel wordt aangesloten met een eerste schilderopdracht.

Geel, de kleur die licht vertegenwoordigt, straalt vanaf de bovenrand van het blad in het blauw, de duisternis, dat vanaf de onderrand van het blad ernaartoe is geschilderd. Door het mengen van geel en blauw ontstaan ​​groene plantvormen, nog steeds van geheel onbepaalde aard.
Op dezelfde manier beginnen we met de volgende oefening. Maar dan is een deel van het bovenste gele gebied niet te zwaar overschilderd met vermiljoen. Richting het groen is er nog steeds een residu van puur geel. Hierdoor ontstaat een zone waarin hij begint te bloeien zonder dat de individuele bloemvormen worden uitgewerkt. In een recht vlak mag het geel niet uit het goud van het bovenste gedeelte stralen, maar moeten er levendige, bewegende overgangen ontstaan. Als je het onderste blauw overschildert met een beetje vermiljoenrood, ontstaan ​​er bruinachtige tinten.

Na dergelijke voorbereidende oefeningen kun je in de volgende schilderles verder gaan met het schilderen van de paardenbloem. De kinderen kennen die uit de lessen, bladvormen en goudgele bloemen en meestal met heel

Blz. 67

bijzondere belangstelling voor de lange, penvormige wortel.
De volgende schilderles laat je in gelig rood van het bovenste blad de uitgebloeide zaadbollen, de blaasbloemen, in een delicaat blauw tevoorschijn komen.
Door de kleuroefeningen waaruit zulke planten tevoorschijn komen, komt de interactie van de elementen meer tot leven dan door de beschrijving. Je hebt de donkere grond waarin de plant wortelt en kiemt. Groen groeit uit het waterige blauw, dat zich tot geel ontvouwt en dan tot het roodachtig warme element van de lucht.
Als je in de zomer naar struiken, korenvelden en weilanden kijkt, lijkt het groen vaak afgewisseld met roodachtige tinten. In het voorjaar zie je bij veel planten het groen uit het rood komen. Hierover praten we met de kinderen in de schilderles. Dit leidt vervolgens tot een oefening met groen waarbij het hele blad wordt behandeld met teer karmijn. Als het na een paar minuten is ingetrokken, schilder er dan overheen met geel en blauw en wees verrast dat er een geheel nieuwe groene kleur verschijnt. Vanaf hier ontstaan ​​verschillende rozensferen voor de volgende schilderlessen. De ene keer wordt het bloemgebied heel licht gehouden, hier en daar speelt helder geel rond de tere karmijnrode ondergrond, zo ontstaan de vlinderlichte bloemen van de hondsrozen.
Een andere keer wordt over het rood van de ondergrond op één plek met rood geschilderd, zo verdiept het zich en bloeit er een edele roos.
Voor deze onderwerpen is het mooier om geen zinnober te gebruiken, ook niet voor de wortels, maar om karmijn te gebruiken om violette nuances in de donkere lagen van de ondergrond te schilderen. Karmijn kan ook in het groen worden gemengd, op de plaats waar de stengel met de doornen zich vormt en de bladeren zich ontvouwen. De houtachtige, doornige delen van de roos komen dan goed naar voren.

De allereerste geel-blauw-oefening, die tot groen leidde, krijgt met deze oefening van de roos een verdieping, het contrast tussen licht en donker wordt duidelijker. Het geel wordt versterkt in het bovenste gedeelte. Zo wordt het licht om de bloem In het onderste gedeelte wordt het contrast versterkt door het violette blauw, de roos verbindt zich met de hoge en lage krachten, vormt paars in het groen.

Een lelie schilderen is een heel andere opdracht. Je gaat eerst op zoek naar een kleurtoon die de juiste sfeer creëert. De bloem van de plant is wit. Stel je de kelken voor met hun stervormen tegen de achtergrond van een julihemel van doorschijnend zomerblauw, een beeld dat het kosmische en bovennatuurlijke uitdrukt. Laat de leerlingen beginnen met licht ultramarijnblauw, de kelken worden uitgespaard, maar de stengels en bladeren zijn donkerder gemaakt met blauw. Als je het ultramarijnblauw met geel overschildert, ontstaat er een dof groen.

Blz. 68

Als je heel subtiel een beetje geel aan de bloemen toevoegt, begint het wit te glanzen.

Een variatie op het thema is de lelie in het maanlicht. Het schilderproces is hetzelfde, alleen moet alles donkerder zijn en de kelken kleuren op sommige plaatsen delicaat paars. Het geheel wordt duisterder, mysterieuzer.

Een gerelateerde opdracht is de waterlelie. In breed formaat verschijnt op een blauwe ondergrond tussen donkergroene, platte bladeren een witte bloem met een goudgeel hart. Onder een blauw violette nachtelijke hemel lijkt de waterlelie open te gaan. Bij het schilderen van deze planten speelt groen een ondergeschikte rol. Naast wit domineert blauw.

Hier zijn nog een paar voorbeelden van hoe je bomen in verschillende tinten groen kunt krijgen, beginnend bij geel en blauw. Op het witte vel verspreidt geel zich van alle kanten in heldere, kleine vlakken, licht dat geleidelijk condenseert op een punt in het midden of meer opzij. De berk ontstaat ​​uit de kleur die sterker wordt in de losse vlakken.
De stam in het onderste gedeelte wordt uitgespaard. De gele boomvorm bedek je met met licht Pruisisch blauw, dat in kleinere vlakken wordt aangebracht. Het berkengroen lijkt nu uit het licht te groeien. Het wit van de stam moet vervolgens hier en daar met sterker of zwakker blauwviolet worden geschilderd. De bovenste omtrek van de boom wordt door meer lichtrood en licht ultramarijnblauw teer afgemaakt; de kleuren kunnen naar beneden toe zich verdichten.

Als je een dennenboom wilt schilderen, breng je eerst blauw aan. Deze keer wordt de boom van onderaf gemaakt. Ook bij deze taak is het goed om te beginnen met een delicaat blauw en dit geleidelijk dikker te maken, zodat de dennenboom op één plek steeds duidelijker opvalt. Vervolgens wordt het bedekt met een gele laag, waardoor het een donkergroene kleur krijgt. Om het serieuze, plechtige en melancholische karakter van de dennensfeer te benadrukken, krijgt de boom een ​​blauwpaarse of grijsblauwe omgeving. De grijstint wordt bereikt door rood, blauw en geel over elkaar heen te schilderen.

Als derde voorbeeld kiezen we voor de eik. Voor deze boomstudie hebben we een roodachtige ondergrond nodig en deze keer hebben we het schilderoppervlak bedekt met licht vermiljoen. Het bovenste deel van de boomkroon is uitgevoerd in Pruisisch blauw, evenals de stam, die zich met zijn knoestige wortels op eigenzinnige wijze in de grond verankert.
Door er met vermiljoen overheen te schilderen kun je het sterker maken, ook de individuele takken. Vervolgens worden de blauwe gebieden van de boomtop overschilderd met sterk geel om groen te worden, maar het spel van licht en donker mag niet volledig verloren gaan. Rond de boom moet de rode

Blz. 69

kleur sterker worden, wellicht met geel overschilderd. Hierdoor zal het groen opleven. Dit geeft de hele boom een ​​dynamisch karakter.

Als je in een vierde oefening opnieuw begint met rood en je schilderoppervlak eerst met teer karmijn maakt, kun je  het groen van een machtige, uitdijende boomkroon schilderen op dezelfde manier als de eik. Die breidt zich ver naar beneden uit en loopt iets taps toe in het bovenste gedeelte. Dat is de linde. De stam is kort en opnieuw bruin getint.

Met deze verschillende boomstudies kun je aan de temperamentsgroepen denken die je in de klas hebt.

Het thema boom wijst al naar het 6e schooljaar. Licht en schaduw worden pas geoefend bij het licht-donker-tekenen met houtskool, wat vervolgens voor het schilderen de nieuwe mogelijkheid geeft om het pm te zetten in kleur en boomstudies te laten verrichten, meer naar de uiterlijke gezichtspunten van het schilderen.

Illustratie uit het boek:

(Niet in het boek)

.
Meer planten

5e klas : alle artikelen

Plantkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 5e klas plantkunde

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

3229-3039

.

.

.

VRIJESCHOOL – Schilderen in klas 4 – dierkunde

.

Onderstaand artikel is een vertaling uit:

Der künstlerische Unterricht. Mahlen und Zeichnen
Jünemann/Weitmann  (1e druk 1976)
(Inmiddels is er een 5e druk 2007)

Hoofdstuk: ‘De schilderles in klas 3 t/m 5

Over klas 3 wordt in dit hoofdstuk niets gezegd; voor de 4e klas gaat het over dierkunde en voor de 5e klas over plantkunde.

Blz. 62

Tussen negen en twaalf jaar ontwikkelen kinderen een nieuwe relatie met de omgeving. Ze gaan bewust observeren, wat tot uiting komt in een toenemende afstand tot wat hen omringt, maar ook in hun verbazing over dingen die ze voorheen als vanzelfsprekend beschouwden. De leraar moet zorgvuldig op deze verandering reageren om de nieuwe sterke punten niet te verzwakken. Verwondering is daar een uiting van, nietwaar? Het kind heeft in zijn eigen zielenwereld geleefd en begint nu de afzonderlijke verschijnselen van de aarde bewuster te herkennen. De educatieve kunst bestaat erin deze krachten van verbazing te gebruiken om kinderen geleidelijk kennis te laten maken met de natuur en het menselijk leven. De dode vorm mag nooit worden gepresenteerd, maar het is belangrijk om de aandacht te vestigen op de krachten die deze hebben gecreëerd. De kinderen uit de lagere klassen tekenden ronde en hoekige vormen met hun handen. Nu ontdekken ze overeenkomstige vormen in de omgeving, die deze wereld van vormen steeds weer tot leven brengen als ervaring van de krachten die in de natuur bestaan. Dit stelt de eis aan de leraar om zichzelf te trainen in de fenomenen van de  wereld in de geest van Goethe.

Het wezen van de lucht, de vogel, heeft een puntige, harde of hoornige snavel. De vis, het waterdier, heeft een ronde bek met zachte kieuwen. Het verenkleed is verstoken van alle vocht, gewichtloos, uitgevormd. De vorm van de vogel verandert voortdurend en beweegt zich vrij in alle richtingen in de lucht. De vorm van de vis in het water is daarentegen beperkt tot één vorm en is volledig gebonden aan het horizontale vlak. Daarin kan hij alleen maar op en neer bewegen als de golf. Zelfs als het boven het oppervlak springt, vergroot het alleen de boog van de golf. Het gevormd worden vanuit de krachten van de omgeving  geeft dieren hun bijzondere schoonheid. Dat moeten de kinderen leren meevoelen. Door dit innerlijke, nascheppende verdiepen in de natuurrijken overwint de leraar geleidelijk het dode naturalisme. Ook wordt zijn creatieve kracht zodanig gestimuleerd dat hij een vakgebied als de dierkunde kunstzinnig kan geven en daardoor bouwt hij voor het kind een brug van het aardse beeld naar het rijk van wat geestelijk werkzaam is.

Blz. 63

Dierkunde

Tot de 4e klas gebruikten de kinderen aquarel om kleurstemmingen en kleursprookjes in vrije vormen te maken.
In verband met de eerste dierkunde moeten de oefeningen zo worden ingeleid dat de kleuren tot vormen worden die het karakteristieke van een dier uitdrukken. Dit is een nieuwe leerstap.
Kinderen die dieren willen schilderen, beginnen meestal met de omtrek. Als je dat toestaat, leert de ervaring telkens weer, gaan ze aan de vorm verbeteringen aanbrengen en vergeten de kleur. 
Om dat te voorkomen, pakken we de kleuroefeningen uit het verleden op. Zonder in het tekenen te vervallen, krijgen we daarmee vormen.
Eerst laten we de kinderen het schilderpapier met een kleur beschilderen. Daarna laten we ze zien hoe het betreffende dier ontstaat als we met een andere kleur over de achtergrond gaan en daarbij de diervorm uitsparen.
Je kan ook aansluiten bij de oefeningen met twee kleuren uit de 1e klas.  Dan kies je een kleur voor het dier, een andere voor de omgeving. 
In de eerste dierkundeperiode komt de inktvis aan de beurt. Hij heeft de merkwaardige eigenschap dat wanneer een vis hem nadert, een wonderbaarlijk kleurenspel te ontwikkelen. Zijn oogbollen beginnen te glinsteren in een roze-rode, blauw- groenachtige zilveren gloed, over zijn buik, schieten levendige kleurwolken; op zijn rug ontstaan bultjes met een metaalglans van roodkoper, zijn vangarmen vertonen een groenachtig licht.
Zodra je dit kleurenspel op de octopus hebt beschreven, krijgen de kinderen spontaan de behoefte om hem te schilderen.

Als de ‘uitspaar’methode moet worden gebruikt, moet je het hele blad ‘gronden’  licht rood [Duits heeft Krapplack],  karmijn. Als de kleur ingetrokken is, kunnen op de roodachtige achtergrond van bovenaf met Pruisisch blauw golfachtige penseelstreken in horizontale richting worden aangebracht. Uit het water duikt de vis op. Nu mogen de kinderen niet gedachteloos verder schilderen, maar alleen daar waar ze de vis willen hebben. 

Blz. 64

Daar moet deze worden uitgespaard. Vervolgens worden andere kleuren, geel, vermiljoen, karmijn, in nuances en accenten uitgewerkt – zoals elke leerling het zelf wil. Om te voorkomen dat de vis eruit ziet als een uitgesneden kleurvorm, moet deze op het laatst nog een beetje blauw krijgen, maar niet te donker. Hij zwemt in het water.

Een mooie variatie op het thema is het moment waarop de inktvis aan gevaar probeert te ontsnappen, inkt uitspuit en zich hult in een donker violetblauwe wolk.

Op deze manier kun je ook andere waterdieren schilderen, b.v. de kwal. Omdat het gelatinelichaam transparant is, moet het schilderoppervlak licht zijn. Je kunt kiezen voor een delicaat karmijnrood of een delicaat blauw. Vervolgens wordt er wat lichtgeel over gedaan, waarbij de kwal uitgespaard wordt. Daarna moet het wateroppervlak op sommige plaatsen weer wat donkerder worden; dat krijgt nu een groenachtige tint. Als het een gele haarkwal betreft, worden er fijne rode vlekken in het heldere, bijna bloemrijke dier geschilderd.

Goudvissen zijn ook een leuk thema. Kies een geel dat niet te sterk is voor de basislaag. Met golvende penseelstreken wordt het hele vel gelijkmatig met Pruisisch blauw geverfd, zodat de golven elkaar herhaaldelijk overlappen. Hierdoor ontstaan ​​visvormen, die vervolgens worden veranderd in oranje met vermiljoen. Er worden een paar visvinnen toegevoegd en een fijne blauwe laag verf verankert ze weer in het water. Als je zilverachtige visjes wilt schilderen, kun je hetzelfde doen, maar zonder eerst het schilderoppervlak met een andere kleur te schilderen.

Ook dieren die op het water zwemmen zijn zeer geschikt om uit te sparen, zoals de zwaan  en eenden. Het schilderoppervlak kan hierbij ook wit blijven. Het watervlak wordt met blauw opgezet, de lucht met een delicater blauw of een roodachtige of gelige kleur, afhankelijk van hoe de stemming moet zijn. Het witte dier kun je uitsparen, maar breng wel wat van de kleuren van de omgeving in het wit, zodat de figuren levendig worden en er niet zomaar een lege, witte diervorm op het blauwe water verschijnt.

Als je twee kleuren als uitgangspunt neemt, wordt de vorm van het dier niet uitgespaard, maar uit de ene kleur gehaald.

Blz. 65

Als je in de klas over de koe hebt gesproken, heb beschreven hoe zij in de wei ligt, verteert, herkauwt, waarbij er iets rustigs, warms en slaperigs van haar uitstraalt, probeer je daarop voort te bouwen zonder eerst over het dier te spreken. Op het bord of op een groot vel papier teken je verschillende gekleurde vlekken, een gele, een rode, een groene en een blauwe. In een gesprekje wordt met de kinderen gekeken, welke kleuren bij de dieren passen, of die meer overeenkomen met de beweging van het springen of die rust kunnen uitdrukken. Vaak duiken er herinneringen op aan de kleurenverhalen van de lessen in eerdere jaren en er ontstaat snel overeenstemming. Levendige dieren schilder je met geeloranjerood, rustige dieren met violet en blauw.
Nu vertel je over een slaperig blauw dat in de breedte van het blad gelegd wordt, maar een niet te groot blauw vlak. Dit blauw beweegt nauwelijks, wordt slechts aan één kant een beetje sterker en zwakt naar beneden weer af. Dan roept een van de jongens: We gaan nu de koe schilderen! Iedereen is het met hem eens, en nu begint de kleur op hun bladen verschillende vormen aan te nemen, waarbij het dier op eenvoudige wijze wordt uitgewerkt met karakteristieke penseelstreken en vervolgens wordt deze omgeven door groen. Als je zo’n ‘koe’ nog overschildert met een vleugje karmijn, ontstaat de indruk van warmte.

Een andere keer nemen we de leeuw. Voor het steppendier dat op het punt staat naar zijn prooi te springen, beginnen we met geel en we versterken dit naar het voorste gedeelte, waar de manen moeten verschijnen, door het te verdichten tot oranje en vermiljoen. Als er blauw in de omgeving verschijnt, zal de leeuw daadwerkelijk springen. Een prachtig voorbeeld van kleurbeweging.

Af en toe is het nodig om de leerlingen wat hulp te bieden. Dit kan soms op een heel eenvoudige manier worden gedaan. De figuur van de leeuw wordt op het bord geschilderd met een zo breed mogelijke penseel die je alleen maar onderdompelt in water; die staat een korte tijd op het droge oppervlak en verdwijnt dan weer. Kinderen die het moeilijk vinden om vorm te geven, kunnen geholpen worden met oefenen op het bord. Misschien geven sommige leraren er de voorkeur aan om vooraf een tekening te maken. Het is stimulerender en ook een grotere hulp voor het kind als hij of zij op dat moment iets ziet verschijnen. Innerlijk doet het dan mee.
Op deze manier kan het stimuleren van mensen tot innerlijke activiteit en tot inleving in de geestelijke creatieve processen gezien worden als een van de educatieve doelstellingen van Rudolf Steiner.

Door de gegeven voorbeelden voor het schilderen van dieren kan de indruk gewekt worden dat de leerkracht als hij de kleur als vertrekpunt vastlegt,

Blz. 66

de opdracht te veel stuurt. Desondanks zijn de resultaten zeer verschillend.
Ieder kind heeft zijn eigen manier om met de kleur om te gaan, de vorm van het dier te creëren en het tot een geheel te maken.
De reden voor het kiezen van een bepaalde kleurnuance moet worden gezien in de context van wat eerder in het hoofdonderwijs werd besproken.
De schilderles geeft de kinderen nog weer een kans om alles wat ze in de klas hebben meegemaakt te verbeelden. In de gegeven kleurtoon resoneert er iets in hen mee wat innerlijk door het zo voor te stellen, al is voorbereid.
Als ze na een reeks van dergelijke oefeningen een bepaalde technische vaardigheid in het schilderen van dieren hebben ontwikkeld, kan je het daarna losser laten.
Leerstappen kunnen echter alleen worden gezet als er hulp wordt geboden en volhardend wordt geoefend.

Ill. uit het boek, te vinden op Pinterest:

Meer op Vrijeschool in beeld

Wanneer het schilderen van vissen wordt beschreven en het feit wordt opgemerkt dat er leerstappen moeten worden gezet om verder te komen, zie je dat b.v. terug in de verdere ontwikkeling in klas 5 – 7.
Uit ‘Schöpferisches Gestalten mit Farben
.

4e klas dierkunde: alle beelden

4e klas dierkunde: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

3228-3038

.

.

VRIJESCHOOL – Schilderen (1-2)

.
Brunhild Müller, Erziehungskunst jrg. 50 nr.3 1986
.

hoe kinderen met waterverf schilderen
.

Het twee-driejarige kind kan al met penseel en verf omgaan. Spontaan grijpt het naar een penseel, doopt het in een potje met verf en verdeelt de verf in grotere of kleinere vlakken zodanig dat deze zich over het witte papier uitbreiden. Het ‘schildert’ graag met maar één kleur, vaak net zolang tot het potje helemaal leeg is en als het dan nog een kleur neemt, wordt deze zonder zich te bedenken over de andere heen geschilderd. 
De activiteit van het schilderen, het beleven van het scheppen staan op de voorgrond. 
De werking van de kleur echter gaat onbewust over in het lijfje, het voelt zich bij het schilderen met waterverf bijzonder fijn, vrolijk, ontspannen.
Wanneer het kind tussen het derde en vierde jaar meer aandacht krijgt voor de kleuren, begint het bedachtzaam de ene kleur naast de andere te zetten, de penseel voorzichtig in te dopen en geeft zich met vreugde over aan wat er met de kleuren gebeurt.
Op onderstaande foto’s zie je dat:

1 Geel kwam het eerst: ‘O, een engel’, toen kwam het blauw erbij: ‘Dat is blij…’
2. Toen verder met rood, dan weer met blauw

3 toen werd het penseel nog een keer in het geel gedoopt
4 en toen was het klaar.

Door het plezier aan de kleuren worden ook vier-vijfjarige kinderen gestimuleerd om te schilderen met waterverf. De enkele kleur met zijn verschillende nuances, wat die doet, hoe die zich verhoudt tot andere kleuren, hoe dat tevoorschijn komt bij het schilderen is bepalend voor hoe ze schilderen.
Ze krijgen hun impulsen door de kleuren en door alles wat zich afspeelt op het schilderpapier en in het verfpotje. Ze worden heel blij en enthousiast en hebben er een grote behoefte aan ook de broertjes en zusjes, vader, moeder aan de kleurbelevingen mee te laten doen. IJverig geven ze commentaar bij het schilderproces en wat er met de kleuren gebeurt.
Dan kun je horen: ‘Mijn rood vecht met het blauw, het is veel sterker, nu heeft het het blauw helemaal verdrongen.’ Of een kind dacht toen het zag dat het rood door het blauw werd omsloten: ‘Mijn rood rust uit en gaat in het blauwe bed liggen.’
Heel blij riep een meisje van viereneenhalf, al schilderend: ‘Mijn oranje is zo vrolijk, het wil overal naar toe springen.’

Oudere kinderen, vooral schoolkinderen, genieten van de kleuren en van het schilderen zelf; een hele tijd schilderen ze stil voor zich heen en kijken naar wat er op het blad gebeurt, hoe de ene kleur de andere ontmoet, een grens trekt of zich met de andere verbindt, hoe er nieuwe kleuren ontstaan, ook wat voor vormen er komen.
Met hun fantasie zien ze dan dit, dan dat erin.

Zo laten we het kind met kleuren omgaan, omdat het daarmee zijn eigen vormkrachten volgt bij het naast elkaar zetten van de kleuren, in het plezier erin hebben om de ene kleur bij de andere te zetten, niet met een bedoeling, maar instinctief op een zinvolle manier kleur naast kleur. Het kind ontwikkelt namelijk een wonderbaarlijke instinctieve manier om kleur bij elkaar te zetten.” 
Steiner: GA 306/98
Op deze blog vertaald/98

Voorbeelden daarvan:

Blauw-rood-geel     meisje 10 jr.

Kleurvlakken

Blauw viert verjaardagsfeest    meisje 8½ jr.

Blauw, geel en oranje spelen met elkaar   jongen 8 jr.

Wanneer de kinderen met waterverf schilderen, zien we al bij de eerste penseelstreken twee grondig verschillende manieren.
Er zijn kinderen die van een kleurvlak uitgaan, meer van diezelfde kleurvlakken neerzetten of van een andere kleur daartegen aan of ernaast zetten of deze over het blad verdelen, b.v. bij deze:

Andere kinderen ‘schilderen’ lijnen vormomtrekken die dan opgevuld worden; zij tekenen met de penseel, gebruiken die als een potlood. Terwijl de eerste groep spontaan met de schilderproces zijn verbonden en met de penseel lichtjes op het schildervlak bewegen, wordt het schilderen van de anderen bijna nooit door een direct kleurbeleven bepaald; zij schilderen analytischer, het is ook moeilijk voor hen om zich in een kleurenspel en in de kleurprocessen in te leven. Deze kinderen pakken graag de schilderaanwijzingen op waardoor zij in het schilderen ook verder kunnen komen.

Tekst en foto;s uit het boekje Brunhild Müller »Malen mit Wasserfarben« Werkbücher für Kinder, Eltern und Erzieher, Bd. 9). 52 Seiten, 32 farb. Abb.

Schilderen: meer artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: schilderingen (en tekeningen) bij de verschillende klassen

.

2610-2444

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Kunstzinnig onderwijs

Dit artikel is uit 1926, uit een van de eerste brochures van de Vrije School Den Haag.

Over deze brochure                    Hier te downloaden

Ondanks het bijna 100-jarig bestaan van het artikel, heeft het aan bepaalde gezichtspunten niets aan actualiteit ingeboet.

Ik heb het in de oorspronkelijke spelling laten staan.

.

door Mr. M. ST1BBE

Het Kunstonderwijs op de „Vrije School”

Het is of een stille, innerlijke juichtoon gaat door de klasse, wanneer een schilderuur begint. In spanning wachten de kinderen de opgave af en vervuld van een innerlijke vreugde beginnen zij. Het is of onbewust hun gevoel hun zegt, dat dit uur hen meer dan alle andere helpen zal om een rnensch te worden, die de krachten die hem toestroomen en hem maken tot een persoonlijkheid, gebruiken kan om schoonheid te scheppen in de wereld.

Vervuld van eerbied beginnen we het uur, eerbied voor de wonderbaarlijke wereld der kleuren die Gods hand in scheppende kracht uitspreidde overal. De kinderen beginnen zonder aarzeling, zonder lang bedenken, het beeld, dat gerezen is voor hun geest, in vloeiende kleur op het papier te brengen. Een melancholisch kind grijpt dadelijk naar violet of blauw, een vroolijk sanguinisch naar geel of rood. We zien, hoe elk kind op zijn eigen manier uit eigen kracht, uit eigen inspiratie zijn schilderstuk tot stand brengt. Elk is op zichzelf aangewezen, zoodat in dit onderwijs in hooge mate de krachten van het individu worden versterkt.

Daar zit een meisje, dat voor korten tijd, doordat ze zoo’n zwakke persoonlijkheid was, steeds onderdrukt werd door broers en zusters. Haar moeder moest haar dan bij springen. Nu volgt zij sinds enkele maanden het onderwijs op de „Vrije School” en thuis constateerden allen vol verbazing, dat zij plotseling zich ging handhaven, dat niet langer alle anderen haar de baas waren. Voor ons een vreugde de bevestiging te hooren van datgene, wat wij voelden, dat de kinderen toestroomt uit het onderwijs in de beeldende kunstvakken.

De kinderen schilderen verder — en het is me of in het innerlijk van elk kind, terwijl het aan het werken is en het licht der geestelijke wereld in de fantasie toestroomt, of daar een plant in bloesem schiet, bij de één een geheimzinnige blauwe nachtschade, bij de ander een gloeiende tulp, bij de derde een trage lotosbloem, bij de vierde een lachende margariet.

De kleuren spreken hun wondere taal, de kinderen verstaan haar, en het eene schilderstuk na het andere komt gereed: glanzend geel, vurig rood, groen, zacht als een mostapijt, blauw in geestelijke diepten.

Heel anders de Eurhythmieles of Zangles. Tonen klinken, het dichterwoord spreekt — de menschelijke naklank van het almachtig wereldwoord, dat eens de aarde schiep — eens tot vleesch is geworden. De grootste ontroering maakte zich van me meester bij het aanschouwen hoe machtig de werking van muziek en woord is op de kinderziel, wanneer het in zinvolle beweging deze klanken kan uitbeelden. Daar was het of geestkrachten, die gebonden waren aan het lichaam, door de bewegingen verlost werden en samenstroomden tot één geheel, dat de kinderen verbond. Tezamen werkten zij in de Eurhythmie en de geest die uitstroomt van menschenzielen door de bevrijdende kracht van het woord, woonde onder hen.

Zooals de schilderles de individueele krachten wekt, zoo wekt de Eurhythmie, ook de zangles, die met enthousiasme gegeven wordt, de sociale krachten, de liefde van den eenen mensch tot anderen. Zooals in de schilderles elk kind scheppen moet uit eigen kracht, zoo moet het in de rhythmische kunsten samenwerken met de anderen. Beeldende en musische kunst vullen elkaar aan, beide zijn onmisbaar in het onderwijs — onmisbaar als het onderwijs gegeven wordt in overeenstemming met het innerlijk wezen van het kind.

Een fantasievol kind, zoo vol fantasie, dat zij erdoor geplaagd werd, dat zij onrustig en prikkelbaar was, werd pas bevrijd door het kunstvol onderwijs op de „Vrije School”. Haar fantasie kon zij daar gebruiken. Een ander evenzeer met fantasie rijk begaafd kind was oneerlijk en leugenachtig geworden. Nadat zij een jaar op de „Vrije School” was en haar fantasie op zinvolle wijze vrije baan kon laten, was zij voor het grootste deel haar oneerlijkheid kwijt.

Een fantasiearm kind, aardezwaar en -duister zag in zich een geesteslicht ontwaken, voor een belangrijk deel door het kunstonderwijs. Levensblijheid kwam in haar ziel.

Het kinderwezen vóór het 14e jaar is kunst verwant, elk kind wil leven in kleuren, rhythmen, tonen, klanken. Gelukkig de onderwijzer, die — zooals in de Anthroposophische paedagogie — de kinderen werkelijk datgene geven kan, waar hun ziel naar vraagt, naar vraagt met hunkerend verlangen. Voor hem openen zich de heerlijkheden der wereld bij het waarnemen van de ontluikende kinderwezens.

En elk kinderwezen dat ontbloeide door het kunstvol onderwijs der Anthroposophische paedagogie, is weer beter dan te voren in staat het overige onderwijs op te nemen. Elke goede les in het kunstonderwijs is een ruggesteun, ook voor de eerstvolgende lessen van het hoofdonderwijs. Kunst en intellect vullen elkaar aan. Beide zijn levensvoorwaarden voor een gezonde ontwikkeling van het kind. En de kunst maakt het kind tot een mensch, die op gezonde wijze zich voelt staan in het leven — krachtig van individualiteit, bezield van goede wil tot zijn medemenschen, een mensch in den vollen zin van het woord, geharmoniseerd in zijn innerlijk. Een harmonie van hemel en aarde binnen in de ziel van den mensch, die tusschen beide in staat; boven hem in zijn stralende pracht de hemel, die geest en fantasie schenkt, onder hem de rustende aarde, die hem steunt in zijn aardeleven en hem liefdevol draagt.

De maatschappij vraagt zulke menschen — geen grove materialisten, geen ijdele idealisten, maar menschen, die met beide beenen op de aarde staan en wier ziel toch vervuld is van levende geestelijke krachten en liefde.

Wanneer iemand met een geopend oog voor het werken van den levenden geest in het menschenwezen, een kunstles mee kan maken, die werkelijk geheel in overeenstemming is met wat innerlijk leeft in de kinderen, onthullen zich tot zijn innige blijdschap en groote ontroering de problemen der menschheid in hun vollen omvang — en hun oplossing.

Een Ideaal van de „Vrije School” zou vervuld worden, wanneer werkelijk elke kunstles een krachtbron werd voor de rest van het onderwijs en voor de kinderen — een bereikbaar ideaal. Tevens de eenig juiste wijze om hem te danken, die de kinderen en de onderwijzers deze kostbare uren gaf, Dr. Rudolf Steiner, de grootste en edelste kindervriend, wien het mij gegeven was te ontmoeten. Moge een heel klein vleugje van zijn schoone geest wonen in de „Vrije School”, den kinderen tot heil.

.

In deze brochure de volgende artikelen:

Antroposophische paedagogie

Over het chemie-onderwijs in de achtste klasse

Het taalonderwijs in de laagste klasse

Beeld en ritme in het rekenonderwijs

Schoolfeesten

.

.

VRIJESCHOOL in beeld: alle klassen

.

1857-1742

.

VRIJESCHOOL – Schilderen (1-1)

.

Schilderen

Van alle schone kunsten zouden we de muziek de minst stoffelijke kunst kunnen noemen. Weliswaar gebonden aan een instrument, is de muziek zelf niet gebonden aan bepaalde materialen. Een muziekstuk bestaat niet uit het hout van een viool of uit het zilver van een fluit. De muziek wordt er juist mee tevoorschijn getoverd. De Oude Grieken hadden nog gevoel voor, of een gehoor voor, de zogenaamde muziek der sferen, de sferenharmonie. Zonder instrument was er een bewustzijn voor deze klankenharmonie die zich blijkt te verstoffelijken in de ons omringende natuur.

Bouwkunst en schilderkunst bv. zijn in eerste instantie meer gebonden aan de stof. Er is materiaal voor nodig. De factor tijd speelt hier nauwelijks een rol. Een beeldhouwwerk is statisch. Een symfonie daarentegen heeft tijd nodig om te klinken, is ontastbaar, is vluchtig.

Welnu, wanneer wij schilderen of tekenen met kinderen, zullen erv oorstellingen op papier komen die gebonden zijn aan de stof, aan de aarde, z0als bv. een bloem, een dier, een poppetje, een huis. Eigenlijk vertegenwoordigen alle dingen die we kunnen zien en die getekend worden door kinderen, het dode deel van de aarde. Het deel dat in de grote cycli van jaargetijden, cultuurperioden uiteindelijk ten onder gaat, weer aarde-substantie wordt. Wat een weldaad moet het zijn wanneer wij ons bezighouden met het werkelijk levende van de aarde en van de mens.

Een van de (vele) hulpmiddelen om bewustzijn voor dit levende te wekken, te  ontwikkelen, is het schilderen op vochtig papier.

Wanneer een kind een huisje tekent, tekent hij zijn aardse woning die hij eigenlijk net betrokken heeft. Jarenlang kunnen kinderen huisjes tekenen.

Het proces van op aarde komen stopt niet bij de geboorte. Zij bouwen huisjes, hutten en hebben een poppenhuis. De geboren kinderziel heeft jaren nodig om volledig op aarde te komen, om thuis te raken.

Wanneer een kind dan een huisje wil schilderen met dunne transparante verf op een vochtig vel papier, ontdekt het, dat dat niet lukken wil, de lijnen vloeien uiteen. Onderwerp en materiaal vormen eigenlijk een onwezenlijke combinatie.

Maar wanneer we echter het omhullende, het gevoel van warmte, dat zo’n huis geeft zouden willen schilderen, dan is deze wijze van werken, uitermate geschikt. Dan zijn we bezig met het leven zelf. We zien dan dat de levende kleur heen en weer kan vloeien in het vochtige papier.

We kunnen schilderen hoe Donar zijn hamer in opperste woede wegwerpt naar Loki, de reus en hoe de hamer dan steeds weer terugkeert naar zijn hand. Brengen we nu de scherpomlijnde gestalte van Donar op papier met een hamer die door de lucht slingert, dan beelden we het stoffelijke, aardse, niet het levende uit. Maar werken we nu bv. met twee kleuren, rood en blauw, op een vochtig vel papier dan komen er geen gestalten te voorschijn maar dooreen wevende kleuren die duiden op de woede, de angst de emoties, op al datgene wat behoort tot het werkelijk levende leven achter de fysieke verschijningsvorm.

Zo wekt een wijze van schilderen een bewustzijn voor de levenskrachten die op een verborgen manier hun eeuwige werk doen.
.

Henk van Oort, nadere gegevens onbekend
.

(illustraties niet uit het artikel)

De kleuter, in zijn lichamelijke opbouwfase, heeft nog behoefte aan contourlijnen:
Uit: Michaele Strauss: Kindertekeningen

Kindertekeningen  [1]    [2]   [3]   [4]   [5]
.
VRIJESCHOOL  in beeld: schilderingen (en tekeningen) bij de verschillende klassen

.

1453-1362

.

.