VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (12)

.

Gerbert Grohmann

‘leesboek voor de plantkunde’

blz.38, hoofdstuk 12                                                                          alle hoofdstukken

 

HOE DE AARDE DOOR MIDDEL VAN HAAR PADDENSTOELEN BLOEIT EN VRUCHT DRAAGT

De paddenstoelenkenners- en verzamelaars onderscheiden allereerst de paddenstoelen met een hoed van alle andere paddenstoelen. Tot deze behoren de meest eetbare paddenstoelen, zoals eekhoorntjesbrood, berkenboleet, de hanenkam, de kastanjeboleet, de bruine ringboleet en hoe ze allemaal mogen heten.
Er zijn drie groepen met een hoed: de plaatjeszwammen, de gaatjeszwammen* en de stekelzwammen. Men onderscheidt ze door de voering in de hoed. Bestaat deze, zoals bij de vliegenzwam uit louter plaatjes, dan heb je te maken met een plaatjeszwam. Draai je daarentegen de hoed van een eekhoorntjesbrood of berkenboleet om, dan vind je geen plaatjes, maar een sponsachtige massa, waarin ontelbare fijne gaatjes, net naaldenprikken, te ontdekken zijn. Zo is dat bij alle gaatjespaddenstoelen en daarom hebben ze die naam. Onder de stekelzwammen komen de geschubde stekelzwam en de brood(jes)zwam het meest voor. Ze heten naar de stekeltjes waarmee de voering van de hoed bedekt is.

Wat de voering voor het leven van de paddenstoel betekent, kun je door het volgende eenvoudige proefje vaststellen: je legt de losse hoed van een plaatjeszwam op een stuk papier, natuurlijk met de voering naar beneden. Zo laat je de paddenstoel tenminste een dag rustig liggen. Neem je hem dan weg, dan kun je tot je verbazing vaststellen, dat het patroon van de voering als een mooie ster op het papier terecht is gekomen. Er is namelijk fijn stof tussen de plaatjes vandaan gevallen. Wanneer dat in de aarde valt, kan de paddenstoel zich vermenigvuldigen. Maar ook de gaatjes- en stekelzwammen strooien zulk stof uit. Het valt uit de gaatjes van de voering of laat los van de stekels. Wij kennen dit stof al van de bloem, waar het in de helmknoppen van de meeldraden gevormd wordt. Bij de paddenstoelen heeft het echter een andere taak. Is het namelijk op de aarde gevallen, dan kan uit ieder stofkorreltje een nietig draadje groeien. Zo komt het bleke dradennetwerk in de bodem tot stand en waar het tot een kluwen in elkaar groeit, ontstaat een paddenstoel. Dus lijkt het fijne stof van een paddenstoel tegelijkertijd op het zaad en men noemt het daarom ‘zaadstof’, dat zijn de sporen.

boven een plaatsjeszwam en een koraalzwam. In het midden een hanenkam. Recht daarnaast een bovist, links een gaatjeszwam. Onder een stekeltjeszwam en een aardster

Soms vind je in het bos een grote kring van paddenstoelen, een enkele keer zelfs in een grote kring, nog kleinere kringen, net zoals wanneer je een steen in het water gooit, die veel rimpels veroorzaakt. Bij de paddenstoelen noem je dat heksenkringen. Dat is zo te verklaren: in het midden heeft eens een paddenstoel gestaan. Zijn dradennetwerk heeft zich naar alle kanten gelijkmatig uitgebreid. In het midden is hij al vergaan, maar aan de rand komen van tijd tot tijd paddenstoelen omhoog. Dat zijn de heksenkringen.

Zo eenvoudig is dus een paddenstoel dat hij nog niet het stuifmeel van het zaad kan onderscheiden. Ook nog wat anders kan hij niet uit elkaar houden. Je komt erop wanneer je naar de vruchtlichamen kijkt. Sommige daarvan, zoals bv. de bovisten, buikzwammen, zijn zo rond als vruchten; die een hoed hebben, buigen deze naar boven of ze maken er een kelk van of een trechter; sommige zelfs echte bloemensterren, zoals bv. de aardster, zodat je meteen ziet: die bootsen een bloem na!

Bij de hogere planten zijn bloem en vrucht niet hetzelfde; bij de paddenstoelen echter worden beide door elkaar gehaald. Is het dan nog een wonder, dat ook het stuifmeel en het zaad dat anders in de vrucht zit, precies hetzelfde worden? De bovisten laten hun sporen zelfs in het binnenste van hun vruchtlichaam ontstaan. Trap je erop, dan ploffen ze uit elkaar en een donkere stofwolk ontsnapt in de lucht.

Maar we mogen het belangrijkste niet vergeten.

De bloemen van de hogere planten openen zich naar boven gericht en nemen het zonlicht op. Ze zijn ook door de zon gevormd. De paddenstoelen daarentegen, deze schepsels van de duisternis, openen zich naar beneden, naar de donkere aarde en sluiten zich naar boven toe af door de hoed. Wat anders gedragen wordt door de zon verlichte lucht, richt zich hier bij de bloemen en vruchten van de zonloze aarde naar beneden naar de vochtige, donkere grond. Geen insect wil iets te maken hebben met deze bloemen van de aarde; geen vlinder brengt ze een bezoek; geen bij strijkt erop neer om het sap op te zuigen. Hoogstens komen er soms aasvliegen op, die zich aan het weerzinwekkende slijm te goed doen. En slakken vreten er gaten in.

Nu hebben we ook een verklaring gevonden waarom paddenstoelen, de laagste gewassen, toch kleurig kunnen zijn als bloemen en vruchten. Maar het zijn andere kleuren die hier zichtbaar worden, geen zonnekleuren.
Ze lokken ons niet zo aan als de kleuren van de vruchten en ze hebben ook geen bloemengeur voor ons in petto. Sommige schijnen ons daarmee zelfs voor het gif te waarschuwen, dat erbij hoort, maar toch zijn ze mooi, deze paddenstoelenkleuren, want de aarde brengt door hen heen haar rijkdom aan het licht.

Wie paddenstoelen en zwammen in het bos of op een weide vindt, komt eerst niet op de gedachte dat deze koddige trollen nog verwant zouden zijn aan de groene planten. Ze zijn toch zo wonderlijk van vorm dat ze op wezens lijken die hun gelijke niet hebben.

Bijzondere lievelingen van de zon schijnen ze niet te zijn, deze paddenstoelen en zwammen, want anders zouden ze toch groene bladeren en stengels moeten hebben. Maar geen enkele paddenstoel heeft stengels en bladeren, sommige alleen maar een steel. Omdat de paddenstoelen en zwammen niet bij de zon horen, kunnen ze op die plaatsen groeien waar bijna geen licht komt, ja, je kunt ze zelfs, zoals de champignons bv. in volledige duisternis kweken. Ook de ondergrond waarop paddenstoelen moeten groeien, moet anders van aard zijn dan bij de groene gewassen. Zou je namelijk een paddenstoel nemen en die in tuinaarde poten, dan zou het resultaat zijn dat hij daar geen wortel schiet. Het ontbreekt hem dan aan de kracht die de groene planten hebben om alleen van het zonlicht en de stoffen van de aardkorst, zoals bv. zand, klei enz. te leven. Dat kun je al zien aan het feit dat de paddenstoelen geen gewone wortels hebben. Wanneer je er een uit de zachte moederbodem trekt, dan zie je dat hij met een bleek dradennetwerk in verbinding staat. Dit netwerk doortrekt de ondergrond net zo als de schimmel die dat in een brood doet dat in een vochtige ruimte is weggelegd en de paddenstoel trekt met behulp van zijn draden zijn voedsel net zo uit de grond als de schimmel uit het brood. Hoe moet de grond dan zijn, opdat er paddenstoelen kunnen ontstaan. Door deze vraag kom je op iets heel belangrijks: er moeten namelijk steeds afgestorven resten en verrottende delen van andere planten of van dieren in de grond aanwezig zijn, want anders kunnen daar geen paddenstoelen groeien. In het bos zijn steeds wel verrottende bladeren of naalden  of er is verrottend hout en op weiden komen paddenstoelen daar, waar mest verrot; op bomen kunnen paddenstoelen alleen maar komen, wanneer de boom al ziek is en aan het afsterven.

Op gezonde bomen vind je nooit zwammen.

Ze maken het zich wel gemakkelijk, deze paddenstoelen en zwammen. Ze verteren eenvoudigweg stoffen die andere planten en dieren al opgebouwd hebben. Wat moet je dan – nu je dit weet – de groene planten bewonderen, waaraan de zon haar kracht geeft om zich uit het licht en de minerale stoffen op te bouwen! Wie het zich zo gemakkelijk maakt die kan er ook alleen maar zo week uitzien als een paddenstoel. Weliswaar kan hij heel snel groeien – al een enkele warme regenachtige nacht is voldoende om paddenstoelen met massa’s uit de grond te laten schieten – maar geen komt tot een stevig geraamte, alsof hij geen botten heeft.

En net zo snel als het groeien, verloopt het vergaan. Je ziet toch hoe gemakkelijk paddenstoelen door maden aangevreten worden.

De mens moet maar niet als een paddenstoel worden. Maar in de natuur heeft alles zin en bedoeling, je moet alleen leren begrijpen hoe het samenhangt, dan kun je ze zelfs bewonderen en begrijpen waarom paddenstoelen nu eenmaal zijn, zoals ze zijn.

paddenstoel met een hoed en een bloemkelk. De paddenstoel is van boven afgesloten en naar beneden geopend. Hij laat zijn zaadstof naar de aarde vallen. De bloem opent zich naar boven, stuifmeel en geur worden door de met licht doorstroomde lucht gedragen

Eigenlijk zijn het toch een soort vruchten! Je kunt zelfs het vlees eten, in zoverre het niet vochtig is of scherp smaakt.

Maar deze vruchten hangen niet aan de bomen, zoals peren en appels, maar ze blijven op de vlakke grond. Waar bevindt zich nu de boomstam, waar zijn de takken die zulke merkwaardige vruchten dragen? Die houdt de aarde voor zichzelf. Ze neemt niet eerst de moeite zich omhoog te werken en boomstammen op te richten en zo komt het dat de boom die bij de paddenstoelen hoort, in de grond blijft. Hij laat alleen zijn vruchten naar buiten gluren. Ja, er zijn paddenstoelensoorten die zelfs helemaal onder de grond blijven, zoals bv. de truffel, deze hooggewaarde eetbare paddenstoel, die men, omdat men hem anders niet vinden kan, door speciaal afgerichte zwijnen, de truffelzwijnen, op moet laten snuffelen**.

Omdat de zon voor deze aardeboom geen interesse heeft, kan hij ook geen bladeren krijgen. Is het een wonder dat dan veel van de vruchten giftig worden, want de zon kan ze niet veredelen en niet tot aan de zoete smaak rijp maken. Het beste kun je hun smaak nog met vlees vergelijken.

Zo gaat het dus als zon en aarde niet samenwerken. Pure aardeplanten zijn het, deze paddenstoelen en zwammen. Daarom hebben ze ook van die koddige vormen, dat je er soms om moet lachen, wanneer je ze ontdekt. Als kleine bosgeesten staan ze daar. Sommige stinken zelfs, zoals de stinkzwam, die de hele omgeving walgelijk verpest.

Wat kunnen ze weinig, deze paddenstoelen en zwammen, wanneer je ze met andere planten vergelijkt die wortels en bladeren en bloemen hebben. Moeder aarde moet hen voeden als haar kleine kinderen en het zijn ook de baby’s onder de planten. Ze kunnen bijna niets dan verteren en bijzonder goed groeien.

De mens is alleen in zijn allereerste levensmaanden zo, als een paddenstoel. Hij moet eveneens gevoed worden, opdat hij kan groeien. Later echter, leert hij alles en kan het zelfstandig doen. Wanneer de paddenstoelen en zwammen er iets bij zouden moeten leren, dan moet de zon hun dat leren. Maar dat doet de zon niet en zo blijven de paddenstoelen en zwammen dan eeuwig de plantenbaby’s.

*ook buisjes- of poriën
**tegenwoordig vooral met honden

terug naar de inhoudsopgave

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

16-14

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

5 Reacties op “VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (12)

  1. Pingback: GROHMANN: LEESBOEK VOOR DE PLANTKUNDE-inhoud | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: WAT STAAT OP DEZE BLOG | VRIJESCHOOL

  3. Pingback: WAT STAAT OP DEZE BLOG | VRIJESCHOOL

  4. Pingback: VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (10) | VRIJESCHOOL

  5. Pingback: VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (11) | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s