Tagarchief: zielenwarmte

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie – warmte (11-5)

.
Dr.med. Olaf Koob, Weledaberichten nr. 134 december 1984

.

WARMTE EN LEVEN
.

Iedereen weet dat warmte iets met leven en koude iets met dood te maken heeft. Een wezen dat warm is, d.w.z. goed met bloed doorstroomd, is levend; een wezen daarentegen dat koud is geworden, beleven wij als dood. In de jaargetijden staan zomer en winter diametraal tegenover elkaar. In de warmte van de zomer voelen wij ons prettig, één met onze omgeving, wij vloeien a.h.w. lichamelijk uit door de transpiratie en psychisch, doordat wij vreugde beleven aan de in het zonlicht opengaande wereld. Wij leven zelf in deze tijd meer in de buitenwereld dan in ons innerlijk.
Het tegenovergestelde gebeurt in de winter: uit de koud geworden wereld waarin het plantenleven zich heeft teruggetrokken, trekken wij ons ook meer in onszelf terug; wij beschermen ons door warme kleding tegen de verkoelende invloeden van buitenaf, wij zoeken de warme haard en de gezelligheid samen met andere mensen.

Wat is er met de warmte, dat wij die zo graag opzoeken en dat wij tot in de taal positieve gedachten én gevoelens daaraan vastknopen? Wij hebben het over hartewarmte, warme gevoelens en – verhevigd – gloeiende geestdrift. In ’t algemeen wordt ook het gevoel van liefde met warmte en met de actieve kleur rood vergeleken. Haat en afgunst daarentegen beleven wij als koud en a.h.w. groengelig van kleur. Daardoor komen wij erop, dat uitgaande boven het meetbaar-fysieke ervan, de warmte haar oorsprong heeft in het psychische en geestelijke gebied. Dat ervaren wij vooral in de Kersttijd in de grote tegenstelling tussen koude, eenzaamheid en duisternis buiten en de zielsverwarmende gebeurtenis van de geboorte van het Kerstkind, van toekomst en verlossing in een wereld waarin verkilling van het gevoel, ongeïnteresseerdheid en haat de overhand willen krijgen. 

Gedachten over het ontstaan van warmte 

Als wij nagaan waardoor er warmte in de wereld ontstaat dan vinden wij dat daaraan altijd een verbrandingsproces ten grondslag ligt. Dit betekent dat materie wordt vernietigd, wordt opgelost, in zeker opzicht zichzelf offert of wordt geofferd om iets wat daarin verborgen is, eigen substantie aan de omgeving te schenken. Uit een kwantiteit wordt door een geheimzinnig proces een kwaliteit, nl. warmte.

Wij zeggen dan ook, dat een wezen warmte geeft. In dit geven is een offer besloten. Er wordt iets aan de wereld of aan een ander geschonken; zoals wij dat ook bij de ware liefde kunnen ervaren. Warmte, offer, liefde en leven behoren bij elkaar.

In de kosmos vindt dit proces plaats door de zon, die met haar licht en warmte de ziel verkwikt, de planten laat gedijen en de mens dichter bij de natuur brengt. De zon moet wel een oneindige warmtebron zijn.

Bij de lichaamswarmte van de mens zien wij dat deze, uitgaande van het geestelijke en psychische wezen, ook door verbrandingsprocessen wordt gedragen. Voedingssubstantie wordt geofferd om in de mens levensprocessen in stand te houden.

Bij de stoffen zijn het vooral de vetten en oliën die bij de mens een grote invloed hebben op het tot stand komen van warmte. Bij de voeding en ook uitwendig toegepast maken zij bij de mens een verlies aan warmte ongedaan en heffen zij storingen in de warmtehuishouding op.
Hier komen wij op een belangrijk terrein: de verstoring van de lichaamswarmte. Steeds meer klaagt men over koude handen en voeten, blijken organen een te lage temperatuur te hebben, treedt het zogenoemde kouvatten op. Het lijkt alsof de warmtekrachten van het menselijke organisme niet meer toereikend zijn om tegen temperatuurverschillen van buitenaf bestand te zijn. Wij moeten hier wijzen op een uiterst belangrijke factor van gezondheid en ziekte: het zogenoemde ”warmte-organisme” van de mens. Dit is een in zich zelf gesloten geheel, kan gemeten worden op verschillende plaatsen van de huid en reageert zeer gevoelig op psychische veranderingen. Angst, shock, remmingen, maar ook koude van het gevoel kunnen rechtstreeks worden afgelezen aan de warmtehuishouding.

Warmte en gemoed

Als iemand moeite heeft zijn lot te aanvaarden, niet “met beide benen op de grond staat” kan het gevolg daarvan zijn dat hij chronisch last heeft van koude voeten. Als de mens zich in zichzelf terugtrekt, of als zijn gevoelens moeilijk naar buiten komen, dan lijdt hij aan chronische koude handen. De basis voor een gezonde lichaamstemperatuur zijn nl. het bloed en het hart, die immers bij alle emoties betrokken zijn. Beide zijn de lichamelijk-organische manifestatie van de ziel en de geest.

Als ervan iemand veel liefde, belangstelling, goedheid, welwillendheid uitgaat, d.w.z. als hij iets van zijn wezen aan de wereld geeft, dan noemen we hem een gevoelswarm mens; hij beschikt over een zielenkracht, die wezenlijk met de warmte te maken heeft: het gemoed. De krachten van het gemoed ontspruiten uit het hart. Mensen van dit type zijn goed doorbloed, ze hebben iets wat rond en sterk aandoet.

Warmte als kracht in het fysieke, het psychische en het geestelijke gebied

Wij bespraken de warmte in haar fysieke en psychische verschijningsvorm en wij zagen het samenspel ervan. Als iets zich offert, er iets van de eigen substantie uitstroomt, dan ontstaat er warmte die positief werkt op de omgeving en in het psychische gebied als liefde wordt gevoeld.

Kinderen hebben absoluut een liefdevolle omgeving nodig, de zogenoemde ”nestwarmte”, opdat zij lichamelijk en psychisch kunnen gedijen. De liefde, die ons omringt, bevestigt ons in ons bestaan, laat ons merken dat wij op de aarde worden geaccepteerd, zodat wij van onze kant de wereld kunnen aanvaarden. Door het kleine kind, dat zich aan alles wat het tegemoet komt vol vertrouwen overgeeft, stroomt nog iets heen van de kosmische liefde waarop in ’t bijzonder op Kerstavond onze blik kan zijn gericht.

Juist in onze tijd, waar de gedachte van het offer zo sterk op de achtergrond is geraakt, waaraan de ene kant in het psychische, dikwijls egoïsme, verkilling van het gevoel, haat en apathie heersen en aan de andere kant in het lichamelijke gebied, tumoren, verhardingen en verslappingen optreden, blijkt het nodig om zich met het vraagstuk van de warmte bezig te houden. Niet in de laatste plaats is de warmte in het geestelijke gebied waar a.h.w. haar oorsprong ligt, van wezenlijke betekenis. Wij beleven de warmte hier bijv. wanneer een idee, die eerst met het koele verstand, in het hoofd, wordt begrepen, een verbinding aangaat met het hart en tot daad wordt, d.w.z. als een idee met de warmte van het hart en de kracht van de wil wordt doordrongen en tot een ideaal wordt. De ware idealist wordt immers gekenmerkt doordat hij zelfs zijn leven voor een idee, die hij tot een ideaal heeft gemaakt, opoffert. Ook dit beschrijven wij in de taal als een warmteproces: men loopt warm voor iets. Bij zo iemand kunnen wij ons geborgen voelen; wij vermoeden dat het leven pas dan verder kan gaan als mensen hun ideeën weer tot idealen verheffen.

In het fysieke, psychische en geestelijke gebied is de warmte een kracht, die van de mens naar de wereld stroomt, die leven opwekt en in stand houdt. Voor de koude is typisch, dat iets zich samentrekt, gaat verharden, tot egoïsme wordt en de dood in zich bergt.

Juist in de Kersttijd, als de natuur als gestorven rust en de aarde bedekt is met sneeuw, werd in de geschiedenis van de mensheid een impuls zichtbaar die ieder aangaat: de geboorte van het Kerstkind die in een stal plaatsvond. Deze gebeurtenis brengt ons tot de vraag, waar vandaan de warmte en het leven eigenlijk komen. In het licht van de Kerstgeschiedenis moeten wij zeggen, dat zij uit geestelijke werelden stammen. Daar vandaan stroomt de liefde en het offer, die eens leven hebben verwekt en nog steeds leven in stand houden. De geboorte met Kerstmis herinnert ons elk jaar aan die hemelse oorsprong van het leven en wekt ons op, ons niet alleen aan het stoffelijke vast te klampen, maar het geestelijke van die gebeurtenis in de warmte van het gemoed te koesteren opdat wij weer de weg tot onszelf en tot de medemens vinden. Een spreuk van Rudolf Steiner moge deze beschouwing afsluiten:

Den Stoff sich verschreiben,
Heisst Seelen zerreiben.
lm Geiste sich finden,
Heisst Menschen verbinden,
Im Menschen sich schauen,
Heisst Welten erbauen.

Duisternis, licht, liefde

In de ban van de stof raken
is: – zielen stukmaken.
In de geest zichzelf vinden
is: – mensen verbinden.
In de mens zichzelf schouwen
is: – werelden bouwen.

Vertaling Wijnand Mees in: Rudolf Steiner ‘Gedichten, spreuken, meditaties’  (blz. 104)

Menskunde en pedagogiekover warmte nr. 11

Zintuigen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

2756-2585

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen ( 7-2)

.
Dr. G. von Arnim, Weledaberichten dec. 1970* nr 88

HET KIND HEEFT ECHTE ZIELENKRACHTEN NODIG

Zo weinig mogelijk technische prikkels
.

Iedere lezer zal weten wat met de uitdrukking „een teveel aan prikkelende invloeden” bedoeld is.
Niet alleen ons uiterlijke leven is door het intreden van de technische beschaving veranderd, maar we zijn tegelijkertijd in de situatie gekomen, een grote massa „technische prikkels” in onze ziel te moeten verwerken en weten misschien helemaal niet altijd, hoe dat het beste kan gebeuren. Nog veel problematischer zijn deze dingen natuurlijk voor onze kinderen, vooral vóór de leerplichtige leeftijd. Wij kunnen hier o.a. opsommen: televisie, radio, lichtreclame, geïllustreerde bladen, technisch speelgoed, films, geluidsbanden, grammofoonplaten, waarop sprookjes verteld worden. [En daar kan voor deze tijd aan worden toegevoegd: de computer – inclusief de computerspellen, de laptop voor kinderen en de mobiele telefoon]
Hoe werkt deze technische wereld, die ons bij elke stap omgeeft en die voortdurend prikkels op de ziel uitoefent, eigenlijk op het kind? Hoe vertoont ze zich, gezien met de ogen van een kind? Wat doet de kinderziel met een overmaat aan technische geluiden, technisch licht, technische beelden?

Hoe verschillend een mondelinge vertelling en een technisch beeld (televisie) op kleine kinderen werken, blijkt duidelijk uit een experimenteel onderzoek, dat kort geleden* in een studiereeks van de Weense leerstoel voor pedagogische psychologie werd uitgegeven. (Lore Watzka, Kleinkind und Fernsehen, Wien 1968). De schrijfster heeft zich afgevraagd of het „televisiekijken, als een onpersoonlijk technisch communicatiemiddel voor het begrijpen van een prentenboekverhaal door het kleine kind…. hetzelfde teweeg kan brengen wat men bij een persoonlijke communicatie gewend is te verwachten.” Zij wilde dus vaststellen, of het kind een op de televisie uitgezonden verhaal beter begrijpt, d.w.z. of het zijn handelingen in moreel opzicht sterker daarnaar inricht, dan bij een persoonlijk verhaal, of dat misschien het tegendeel het geval is. Daartoe werd aan verschillende groepen kinderen dezelfde geschiedenis op een van de twee manieren aangeboden. De ene groep zag het verhaal op de televisie, de andere hoorde per geluidsband sprekende stemmen en akoestisch begeleidende geluiden, maar zag de beelden als foto’s. De derde groep hoorde alleen sprekende stemmen en akoestische begeleidende geluiden per geluidsband, zonder beelden te zien, weer anderen kregen alleen de stemmen via de geluidsband te horen. Daarentegen kreeg een vijfde groep het verhaal persoonlijk verteld, echter met behulp van een prentenboek en ten slotte kreeg de zesde groep het verhaal alleen persoonlijk verteld, zonder het prentenboek. Daarna deed men een poging om vast te stellen, wat de kinderen feitelijk van de inhoud van het verhaal begrepen hadden (reproductievermogen) en in hoeverre ze zich in hun innerlijke beleven met de verschillende personen uit het verhaal hadden geïdentificeerd (identificatie). Bij de laatste vraag gaat het er voornamelijk om, in hoeverre de kinderen impulsen voor hun eigen handelen uit de geschiedenis hadden geput.

Het resultaat van dit onderzoek formuleert de schrijfster als volgt: „Wanneer we de bovenbeschreven resultaten samenvatten, kunnen we zeggen dat het onderzoek naar het effect van het verhaal, zowel op grond van de reproductie, alsook op grond van de identificatie van de kinderen, uitwees, dat dit bij hen, die het verhaal door het persoonlijke vertellen hadden gehoord, belangrijk groter was dan bij de kinderen die de geschiedenis via de tv hadden opgenomen. Daarbij zag men, dat het feit van de persoonlijke overdracht van buitengewoon groot belang was, omdat — tegen mijn vermoedens in — ook de niet door beelden ondersteunde vertelling wezenlijk betere resultaten toonde; zelfs het persoonlijke verhaal, zonder plaatjes leverde een grotere reproductie en een grotere identificatie op dan de tv-vertoning.”

Omvorming in het eigen innerlijk

Wie de beschrijvingen van Dr. Steiner kent over de betekenis van de nabootsing van ouders of andere volwassenen uit de omgeving van het kind gedurende de eerste zevenjaarsperiode van de kinderlijke ontwikkeling, zal zich niet erg verwonderen over het hierboven beschrevene. Toch kan men aan dit belangrijke onderzoek interessante beschouwingen vastknopen. Men zou kunnen zeggen, dat het kind, wanneer het blootgesteld is aan de technische communicatie, klaarblijkelijk niet, of slechts onvoldoende in staat is, de omvorming van wat het gehoord of gezien heeft in het eigen innerlijk tot stand te brengen. We staan voor het feit, dat in dit opzicht dat, wat technisch meegedeeld is, eenvoudig niet de kracht bezit om door het kind op de juiste manier te worden „verteerd” en tot iets eigen te worden gemetamorfoseerd. Wanneer we de blik richten op de leeftijd vóór de tandenwisseling, dan is door de opvoeding zoals die op de vrijescholen gegeven wordt, duidelijk geworden, hoezeer alleen de nabootsing van wat van anderen mensen uitgaat, het kind zodanig kan bereiken, dat er werkelijk aan zijn innerlijke wezen gevormd en gewerkt wordt.

Wat gebeurt er nu echter met zo’n inhoud, die langs technische weg a.h.w. in de ziel van het kind valt? Moet deze niet als een soort vreemde ballast daarin blijven liggen? Al is de mens ook niet gewend in deze richting te denken, kan dit toch tamelijk letterlijk genomen worden. Voor het welzijn en voor de latere ontwikkeling, vooral van het jonge kind, is het ongetwijfeld van het allergrootste belang, dat niet zoveel van een dergelijke „ballast” in zijn ziel wordt gelegd. Deze blijft gedurende lange tijd onverteerbaar!

Het overladen van de kinderziel met stof, die door andere mensen, of in ieder geval op een levendige manier zou moeten worden gegeven, maar in plaats daarvan technisch gereproduceerd wordt toegediend, heeft waarschijnlijk alleen een beperkt nut op het ogenblik van de prikkelende werking zelf. Veel erger voor de toekomst van het kind is het feit, dat er een opeenhoping van mechanisch veroorzaakte zielenindrukken ontstaat, die de ontplooiing van de persoonlijkheid moeten storen. Dat vindt plaats omdat ze niet in staat zijn, een werkelijke zielenontwikkeling te wekken. Ze blijven in de ware zin van het woord „onverteerd” liggen.

Bij elke opvoeding gaat het er in hoofdzaak om, de vorming en ontwikkeling van de individuele wil van ieder kind te stimuleren. Dat is het gebied, dat ons het meest ter harte gaat. Aan de ervaringen, die aan de eigen wil worden opgedaan, moet zich langzamerhand het beleven van de eigen persoonlijkheid, van het eigen lot, van de biografie ontvonken. Dat een kind langzaam leert waarnemen „ik ben ik”, heeft daar zijn oorsprong. Ook het vermogen, het morele en het goede te beleven, gaat van dezelfde bron uit.

Het persoonlijk vertelde sprookje

Wat het kind als technische prikkel bereikt, terwijl het denkend nog niet in staat is, de technische oorsprong daarvan te doorzien, beschadigt de individuele ontwikkeling van de wil van het kind.
Het persoonlijk vertelde sprookje bijv. bewerkt vanuit de imaginatieve vormkracht, die ware sprookjes eigen is, maar ook door de onmiddellijke zielenoverdracht van degene die vertelt, in het kind de morele wilsontwikkeling op, terwijl dit voor het technisch overgebrachte beeld niet geldt.

Het zal zeker in deze tijd niet altijd mogelijk zijn, en het is waarschijnlijk ook niet juist, de kinderen onder alle omstandigheden te beletten, de hier bedoelde technische prikkels te ondergaan. Het is echter van het grootste belang, dat ouders en opvoeders zich rekenschap geven van deze kwestie en die doorzien. Men zal dan ook wel mogelijkheden vinden, zich direct en intensief met het kind bezit te houden, om de krachten te versterken, die wezenlijk dienstig zijn voor de ontwikkeling van de ziel. Waar het op aankomt is het inzicht, dat alles wat als technisch gereproduceerd beeld of als technisch weergegeven woord op het kind afkomt, niet zomaar langs hem afglijdt, maar in ieder geval sporen in zijn ziel achterlaat. Hoe vaker het kind dit alles moet opnemen, des te sterker werken deze dingen innerlijk opwindend, omdat ze vanwege het principiële verschil tussen wat technisch ontstaan is en de levende zielswerkelijkheid niet in staat zijn, wezenlijk in het proces van de wilsontwikkeling van het kind te werken. Ze bewaren veel meer het karakter van een voortdurende of steeds weer opduikende innerlijke prikkeling. Waarnaar het kind echter verlangt, is een versterking van de als kiem in hem rustende wilskrachten, die hem in latere jaren in staat zullen stellen, op de juiste manier zijn lot te dragen en te verwerken.

Rudolf Steiner over vertellen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

Google

.

2697-2527

.

.

.

.