Tagarchief: houtbewerken

VRIJESCHOOL – Klas 7, 8, 9 en 10 – handvaardigheid (3-5)

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

Zie ‘voorwoord‘.

Er is in deze artikelen soms sprake van ‘middenbouw’.
Oorspronkelijk en gedurende lange tijd bestond de vrijeschool in Nederland uit onder- en bovenbouw.
Onderbouw: de klassen 1 t/m 8, de kleuters vormen een aparte groep.
Bovenbouw: de klassen 9 t/m 12.
Over middenbouw werd wel gesproken om de klassen 4, 5 of 6 t/m 8 aan te duiden.
In Nederland bestond de onderbouw lange tijd uit de klassen 1 t/m 7; had de school geen eigen bovenbouw, dan viel de 8e als laagste klas in de bovenbouw van een andere school.
Toen de 7e niet meer bij de basisschool mocht horen, kwam deze dus ook bij de bovenbouw. Om nog een onderscheid te kunnen maken, werden toen deze klassen middenbouw genoemd.
In deze artikelen is de middenbouw: klas 7, 8 en 9.*
.

Kurt Königsmann, Wanne-Eickel

.

We willen leren werken
.

Gedachten over de praktische vorming in de middenbouw

Een van de bijzondere kenmerken van een Rudolf Steinerschool is dat de leerling daar niet alleen in zijn hoofd wordt aangesproken, maar in gelijke mate wordt geschoold in het gebruik van zijn handen.
Dat begint in de onderbouw met handvaardigheid, met de kunstzinnige oefeningen in schilderen, boetseren en houtsnijden, handwerken en vervolgens met tuinieren; het krijgt een aanzienlijke impuls wanneer de leerlingen aan het begin van de middenbouw* naar de werkplaats gaan.
Hier moeten ze leren werken, zich oefenen in het gebruik van gereedschap, leren inzien hoe de zeer uiteenlopende materialen zeer uiteenlopende eisen stellen en ten slotte ervaren hoe een werkstuk alleen lukt als er vooraf een plan gemaakt wordt.
Werken kun je alleen leren door te werken.

Daarom hebben we op de Hiberniaschool uit de zeer uiteenlopende bezigheden van mensen die activiteiten geselecteerd die bijzonder geschikt zijn om de leerlingen de echte werkhouding bij te brengen.
Zo’n ‘arbeidsleer’ is dus nog niet bedoeld om op een bepaald beroep voor te bereiden, maar om de jongere als mens te vormen, hem deugdzaam te maken en hem al die uiterlijke vaardigheden en dat innerlijke plichtsbesef bij te brengen waardoor hij pas een ware wereldburger wordt.

Als we alle verschillende opdrachten van ons werkplaatsonderwijs overzien, springt één groep ons in het bijzonder in het oog, die we ‘oeractiviteiten’ kunnen noemen.
Daar zien we de leerlingen in het zevende schooljaar tegenover een grote berg ((half)ronde) houten blokken staan, die ze met bijl en zaag willen bewerken. Het is hier nog niet de kant-en-klare, netjes voorbewerkte plank van de timmerman die als materiaal dient, maar iets dat rechtstreeks uit de natuur is gehaald: delen van de stam en takken.
Er wordt besproken wat voor boom het was, hoe hij is gegroeid, hoe de natuur, de zon, de regen en de wind hun sporen hebben achtergelaten in de schors en de jaarringen. Bij de leerlingen ontwaken verwondering en ontzag voor het materiaal. Ze zijn druk bezig om met de boomzaag stammen en dikke takken in hanteerbare stukken te zagen, om vervolgens met handzagen en bijlen klimrekken, blokhutten en ander speeltoestel te maken.

We zien een soortgelijke oeractiviteit als houtbewerking wanneer de leerlingen in het negende schooljaar manden vlechten van lange wilgentakken, of wanneer ze in het schijnsel van het vuur bij de smidse staan en met grote kracht het ijzer smeden. Het is verbazingwekkend met welk krachtig elan en welk vastberaden concentratievermogen het ijzer wordt gevormd. Wat daarbij uiterlijk wordt geoefend, komt volledig overeen met wat de jongere in deze levensfase innerlijk wil bereiken. Zoals ze nu uiterlijk leren het vuur in dienst van het werk te stellen, het zo te beheersen dat het materiaal niet oververhit raakt, maar ook niet te koud blijft, zo moeten ze nu ook leren hun wil onder controle te krijgen. Veel voorwerpen, zoals ringen, punten, klemmen en oogjes, zijn werkstukken van deze oefenfase. In de tweede periode smeden de leerlingen verschillende gereedschappen zoals beitels, schroevendraaiers en dergelijke, die ze later bij het slotenmakerswerk gebruiken.

In het laatste jaar van de middelbare fase bereikt het beoefenen van oeractiviteiten een laatste hoogtepunt in het spinnen en weven. We spinnen nog niet met het spinnewiel, maar met de vrije spintol, zoals dat van oudsher door mensen werd gedaan. Op het weefgetouw wordt vervolgens de zelf gesponnen garen verweven, waaruit vervolgens eenvoudige doeken, dekens of matten ontstaan.

Naast deze oorspronkelijke activiteiten staan in ons vak ‘Werk’ ook taken die de leerlingen een technische opleiding geven. Weliswaar is de gehele opleiding in het vak ‘Werk’ van de middelbare school zo opgezet dat in de zevende en achtste klas het ambachtelijke handelen sterk overheerst en dat pas in het negende en vooral het tiende jaar steeds meer taken aan bod komen die een technisch karakter hebben. Maar de vorming tot een technische houding is het doel van het gehele vak ‘Werkleer’, en die begint bijvoorbeeld al wanneer in de handwerkles van het zevende leerjaar volgens een bepaald patroon een schort of een schortjas wordt genaaid, of wanneer in de tuinbouwles een beplantingsplan wordt opgesteld. In de achtste klas gaan de leerlingen vervolgens over tot het bewerken van hout als timmerwerk. Ze maken met spijkers, lijm en pennen eenvoudige houtverbindingen en ervaren daarbij als iets nieuws hoe een geheel ontstaat door het samenvoegen van onderdelen. Zo ontstaan beweegbare speelgoedvoorwerpen met eenvoudige mechanische functies. Met deze opdrachten wordt nogmaals de volledige speeldrift van de jonge mens aangesproken. De herinnering aan het eigen spel geeft de bezigheid nieuw leven, en elk afzonderlijk stuk wordt met enthousiasme vervaardigd. Tegelijkertijd is het echter een nauwkeurige, doelgerichte bezigheid, die kan leiden tot een vreugdevolle toewijding aan het werk.

Ook wordt in het achtste schooljaar voor het eerst kennisgemaakt met het gebruik van de machine, doordat de jongens en meisjes tijdens de handwerkles leren naaien met de naaimachine.
In het negende schooljaar volgt dan de kennismaking met de arbeidsverdeling. Het metaal en de opdrachten in de metaalwerkplaats lenen zich hier bijzonder goed voor. De leerling voert eerst zelf de afzonderlijke stappen uit waarin het werk is opgedeeld. Later komt hij echter in de fase waarin hij samen met meerdere leerlingen een heel onderdeel vervaardigt en dan ervaart hij waarom het naleven van maten en normen bij technisch werk onontbeerlijk is.
In de afsluitende cursussen van de tiende klas hebben we dan te maken met een technische basisopleiding. De leerlingen leren bijvoorbeeld in het scheikundepraktikum, maar ook in de huishoudles, volgens een recept te werken. Ze leren zich aan schema’s te houden, oefenen in het omgaan met de machine, maar ook in het vervaardigen van eenvoudige constructies. Voor de meisjes maakt de voortzetting van de huishoudles en een inleiding in de taken van de kinder- en ziekenverzorging plaats voor de machine-technische opleiding. Ook hier leren ze zich aan te passen aan de gegeven richtlijnen, bijvoorbeeld rekening te houden met de specifieke situatie van een zieke, maar ook bij het maken van speelgoed rekening te houden met de leeftijdsgroep van het kind.

Het oefenen van samenwerking is van bijzonder belang in de arbeidsleer. Natuurlijk moet de individuele leerling zich ook altijd individueel oefenen, zijn eigen vaardigheden testen en ontwikkelen. Maar in het werk geldt dat individuele vaardigheden slechts zoveel waarde hebben als ze in samenwerking tot uiting komen. Ook daarvoor bieden de lessen tuinbouw en houtbewerking al in het zevende schooljaar de gelegenheid. Zo heeft een groep leerlingen gezamenlijk een klimhuis voor onze kleuterschool gebouwd. Ook het mechanisch speelgoed van het achtste schooljaar laten we altijd door meerdere leerlingen samen maken, en we hebben al verteld hoe in de slotenmakersopleiding in het negende schooljaar in het bijzonder het werken in taakverdeling wordt geoefend. Een bijzondere bekroning van de ambachtelijke opleiding, maar tegelijkertijd ook van het zich bewijzen in samenwerking, vormt dan de laatste timmerperiode in het tiende schooljaar. Daarin worden bijvoorbeeld violen gebouwd die nodig zijn voor de muzieklessen in de onderbouw. Eerst werd het bouwplan met de hele groep leerlingen besproken. Het bleek dat telkens twee leerlingen samen één instrument moesten maken. Zo vervaardigde de ene leerling de klankkast, dat wil zeggen de zijkanten, de bodem en het deksel; de tweede leerling had als taak de toets, de brug en het spanstuk te vervaardigen. Tot slot werden de afzonderlijke onderdelen tot het complete instrument samengevoegd, wat alleen lukte als iedereen zich nauwkeurig aan de voorgeschreven afmetingen van de werkplaatstekening had gehouden.

Samenvattend kunnen we zeggen dat het praktijkonderwijs in de middelbare school, in de vorm van een werkvak, bedoeld is om onze leerlingen te leren werken, maar dat het bovenal ook een opvoeding door het werk is. En een dergelijke opvoeding omvat de jonge mens in zijn geheel. Hij wordt lichamelijk gestimuleerd en verwerft vaardigheden en behendigheid; hij wordt in zijn ziel gevormd, want we kunnen niet bekwaam werken zonder al die deugden te verwerven die wij mensen juist in en door het werk in onszelf kunnen ontwikkelen. En ten slotte wordt hij in zijn geest geschoold, want hij verwerft helder, doelgericht denken, de kracht om zichzelf te corrigeren en bovenal de kracht om de waarde van zijn eigen handelen te bepalen vanuit het geheel dat hij met zijn activiteit dient.

Zo kunnen we zeggen dat het doel van onze pedagogiek, namelijk altijd de hele mens te onderwijzen en op te voeden, juist in de arbeidsleer van de middelbare school een bijzonder mooie vervulling vindt.

.

Handvaardigheidalle artikelen

.

3558-3342

.

.

.

.