Tagarchief: Balt van Raamsdonk

VRIJESCHOOL – Leerproblemen – dyslexie (2-3)

.

Paul Kooijman, Weleda Puur kIND, HERFST 2002*, NR. 10
.

Dyslexie: meer dan een leesprobleem

Balt van Raamsdonk is 68 jaar (in 2002), gepensioneerd ondernemer van een kleine chemische fabriek en ervaringsdeskundige in dyslexie. In zijn kindertijd een zeldzame uitzondering, nu een steeds veelvuldiger voorkomend fenomeen.
Al is het nog altijd een hele kunst het tijdig te onderkennen.

‘Op mijn zesde jaar kwamen ze er op school achter dat lezen, schrijven en rekenen bij mij niet op gang kwamen. Ogenschijnlijk verschilde ik niet van de andere kinderen. Ik sprak normaal en had een gewone intelligentie. Wel vond men dat ik me afwijkend gedroeg. Ik was een druk kind met bij vlagen ongecontroleerd gedrag. De meester op school was aardig voor me, maar wist niet wat hij met me aan moest. Ik voelde me anders, want ik merkte dat de kinderen in de klas er plezier in hadden zich met elkaar te meten in taal en rekenen, terwijl ik doorlopend bang was een beurt te krijgen. Ik maakte geen enkele vordering met lezen en rekenen. Nu zou dat herkend worden als dyslexie, maar in die tijd werd een kind dat moeite had met lezen en schrijven gewoon dom genoemd.’

Depressief

Balt van Raamsdonk: ‘Nu weet ik dat de leeftijd tot ongeveer negen jaar optimaal is voor het leren lezen, schrijven en rekenen. Lukt het voor die leeftijd niet, dan is dyslexie een blijvend probleem. Mijn hele verdere leven heeft dan ook in de schaduw gestaan van dit probleem. Omdat het op de lagere school niet lukte, bedachten mijn ouders dat het beter voor me was te gaan werken. Ik had allerlei baantjes, heb zelfs op zee gevaren, maar het is overal een probleem als je niet kunt lezen en rekenen. Uiteindelijk werd de druk zo hoog dat ik ziek en depressief werd. Ik had gesprekken met een psychiater, die me twee dingen op het hart drukte die ik nooit ben vergeten: wat je ook doet, verberg nooit dat wat je niet kunt en kijk uit voor advies van anderen: maak liever je eigen keuzen.’

Toen hij de draad weer oppakte, werd Van Raamsdonk vertegenwoordiger in autopoetsmiddelen en zette daarna zelf een bedrijf op in deze producten. Zijn vrouw deed het schrijf- en rekenwerk voor hem. Op zijn vijftigste verkocht hij het bedrijf om zich volledig te wijden aan zijn onderzoek naar dyslexie. Want de kennis hierover is, vindt Van Raamsdonk, met name in het onderwijs, nog steeds zwak. Daardoor schieten basisscholen tekort bij het herkennen en begeleiden van dyslectische kinderen.

Vroeg herkennen

Het is intussen duidelijk dat dyslexie niets te maken heeft met een gebrek aan intelligentie. Meestal in tegendeel. Toch zou een dyslectische aanleg zo vroeg mogelijk moeten worden herkend, vindt Van Raamsdonk, zodat er tijdig op kan worden ingespeeld. ‘Voordat een kind leert lezen, beleeft het de betekenis van woorden als heel direct en eenduidig. Iets is een hond, een poes of een tafel. Ook de klank van de stem en de gemoedstoestand van degene die spreekt wordt heel vanzelfsprekend ervaren. Het kleine kind leeft in een zee van eenduidige, samenhangende belevingen en hoeft daar, totdat het leert lezen, ook niet uit te stappen. Een dyslectische aanleg levert het kleine kind dus nog geen enkel probleem op. Maar na het derde jaar gaat een kind zichzelf toch steeds meer ervaren als een persoon met een eigen lichaam en een eigen binnenwereld. Alles wat daar niet bij hoort is buitenwereld. Bij een dyslectisch kind komt die ontwikkeling onvoldoende op gang. Er ontstaat geen gevoel voor wat binnen en wat buiten is en hij vindt daardoor geen ankerplaats voor het ordenen van zijn belevenissen. Hij heeft moeite zich te oriënteren in tijd en ruimte en leeft daardoor voortdurend in het hier en nu.’

Signalen

‘Al in groep één zouden attente leerkrachten signalen kunnen opvangen die wijzen op dyslexie. Bijvoorbeeld als een kind zich de namen van zijn klasgenoten moeilijk herinnert of wanneer het geen liedjes (mee)zingt omdat het de woorden niet kan onthouden. Zijn geheugen is vaak slecht ontwikkeld, omdat hij geen afstand voelt tot de dingen om hem heen. Dat is ook de reden dat hij er ook niet over vertelt. Vaak hebben dyslectische kinderen motorische problemen en stoten ze zich vaker dan anderen. Een dyslectisch kind blijft, ook na het zevende jaar, de neiging houden helemaal op te gaan in iets dat hem fascineert. Zo erg dat hij zich erin verliest en moeilijk weer bij zichzelf terug komt. Voor een kind dat de grenzen van zijn eigen lijfje niet voelt en nog helemaal vervloeit met zijn omgeving, is het moeilijk letters als afgegrensde dingen met een eenduidige betekenis te ervaren. Hij herkent in de letters eigenlijk alleen streepjes, boogjes, rondjes, slingertjes en puntjes zonder enige samenhang. Doordat hij de dingen om hem heen moeilijk kan plaatsen, zal hij ook bij het schrijven de letters vaak de verkeerde plek geven en ze hardnekkig blijven omdraaien.

Deze verschijnselen duiden niet automatisch op dyslexie, maar zeker als het in de familie zit, betekent het extra opletten. Want het is al geruime tijd bekend dat kinderen waarvan één van de ouders dyslectisch is, 50 procent kans hebben eveneens dyslectisch te zijn. Als het bij beide ouders in de familie voorkomt, wordt dat zelfs 75 procent. Met die wetenschap zouden zelfs consultatiebureaus al een rol kunnen spelen in het geven van adviezen voor het tijdig herkennen en begeleiden van kinderen met dyslexie.’ 

Symptoombestrijding

Het is Van Raamsdonks grootste wens zijn opgedane ervaringen en kennis over oorzaak en bestrijding van dyslexie, wetenschappelijk te laten onderbouwen.

Daarom werd hij bestuurslid van Balans, een vereniging die zich inzet voor het vergroten van kennis over dyslexie, en geeft hij de laatste jaren regelmatig gastcolleges. Van Raamsdonk: ‘Het ontbreekt nog aan een brede visie op de oorzaak. Ik ben ervan overtuigd dat een beter begrip daarvoor kan leiden tot het ontwikkelen van ander lesmateriaal, waardoor dyslectische kinderen niet alleen beter zullen leren lezen, maar ook hun geheugen- en ordeningsproblemen leren overwinnen.’

Wat is dyslexie?

Wanneer een kind leert lezen, wordt de taal die hij tot dan toe alleen hoorde klinken, weergegeven in een op zich betekenisloze code van letters. Letters en lettercombinaties moeten gedecodeerd en benoemd worden zodat het kind weer hoorbare taal beleeft. Het spellend (decoderend) lezen wordt herkennend lezen als de aaneengevoegde letters een woordbeeld opleveren. Als een kind herkennend kan lezen, heeft het dat tijdrovende decoderen niet meer nodig. Hier ligt bij een dyslectisch kind de moeilijkheid. Bij hem blijven de woorden ingewikkelde codes die steeds opnieuw, letter voor letter spellend, moeten worden gedecodeerd. Omdat hij geen ervaring opbouwt met het herkennen van een woordbeeld, wordt ook schrijven een probleem. Hij ziet niets vreemds aan een verkeerd geschreven woord. Zonder speciale hulp zal een dyslectisch kind aan geschreven taal onvoldoende betekenis beleven.

.

leerproblemenalle artikelen  over dyslexie onder nummer 2

Rudolf Steiner over: schrijven en lezen

.

1832

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

Advertenties