Tagarchief: 7e klas handenarbeid

VRIJESCHOOL – 7e klas – handenarbeid (3-4)

.

Dat artikel komt uit ‘ Alle onderwijs moet inzicht in het leven geven

Zie ‘voorwoord‘.

Altijd weer interessant dat verschillende leraren zo hun vondsten hebben om in de les te verwerken. 
In de houtbewerkingslessen in de 7e klas die ik zelf heb gegeven, werd o.a. beweegbaar speelgoed gemaakt, bv. een ‘waggeleend’.

.

Martin Zacharias, Wanne-Eickel

.

Hoe kinderen hout leren kennen
.

Wanneer de kinderen op twaalf- of dertienjarige leeftijd naar de houtwerkplaats komen, hebben ze hoge verwachtingen. Het plezier om met hun eigen handen iets uit hout te laten ontstaan, werd al in het zesde leerjaar tijdens de handvaardigheidles gewekt. Daar werden voornamelijk met de rasp bewerkte stop-eieren, plantstokjes of lepels gemaakt. Dit gebeurde met veel moeite en liefdevolle toewijding, niet alleen van de handen, maar ook van de vingers, ja zelfs de vingertoppen, bij het schuren en betasten van het oppervlak van de kleine kunstwerkjes.

Maar nu, in het zevende schooljaar dus, willen we onze krachten en onze moed op de proef stellen, en daarvoor gaat je graag op avontuur. Je denkt zeker te zijn van je zaak. Natuurlijk ben je ook angstig, maar zonder angst is er geen moed; en zo word je al snel behoorlijk gedurfd, misschien zelfs roekeloos! Hier ligt nu de taak voor de kinderen: in de werkplaats te leren dat het nu gedaan is met de kinderlijke, speelse zekerheid. Het kind moet op deze leeftijd leren alert te handelen, dat wil zeggen, het moet zijn handelingen doordringen met eigen overwegingen. Alleen als hij daarin slaagt, zal hij zijn werk zorgvuldig en nauwkeurig kunnen uitvoeren en verwondingen bij zichzelf en bij zijn kameraden kunnen voorkomen.

Het werken met bijl en zaag komt ons hier goed van pas. Rondhout, dat wil zeggen boomstammen, en ook takken, zoals het bos ons die biedt, vormen ons materiaal, en we proberen het vorm te geven. We hebben nog geen meetlat nodig – die hebben we altijd bij ons –, want de eerste opdracht luidt: stukken rondhout zagen in de lengte van een gespreide hand.

De volgende dag stellen we ons in een grote kring op, iedereen heeft een kloofblok voor zich liggen, krijgt een bijl in de hand — en voordat we beginnen met het houthakken, maken we in een gezamenlijk gesprek eerst duidelijk waar we op moeten letten. We hadden dwars op de vezelrichting van het hout gezaagd — nu willen we in de lengterichting van de vezelrichting kloven. Waarom eigenlijk? Als we dwars zouden proberen te hakken, zou de bijl wegschieten — terugkaatsen en mogelijk gevaarlijk dicht bij het scheenbeen terechtkomen! We hebben dus het kopstuk voor ons liggen, en de taak om zo nauwkeurig mogelijk het hart of een droogscheur te raken, en dat zo vaak en met zo’n behendigheid dat we geen vinger raken en uiteindelijk fijn aanmaakhout hebben. We moeten dus heel alert en trefzeker zijn om ons werk snel en zonder ongelukken te volbrengen.

Nu we de boomstam door het zagen en hakken in feite hebben vernietigd, ontstaat bij ons de behoefte om ook iets nieuws te laten ontstaan, tot leven gebracht door de inspanning van onze eigen handen en met onze eigen gedachten. Zo pakken we bijvoorbeeld de kloofwig en de voorhamer ter hand en splijten we onze ronde houtblokken open, zodat er halfronde schijven ontstaan. Het oppervlak maken we nu vlak met het schilmes, waarbij we heel voorzichtig de spaanders afschaven en ons werk regelmatig controleren met de vlakplaat. Daarbij gebeurt het maar al te gemakkelijk dat er vlak voor het eindresultaat op de verkeerde plek te veel wordt afgeschaafd — een moment waarop het geduld vaak tot het uiterste op de proef wordt gesteld. Maar de leraar kan geruststellen: „Hier kun je leren je te beheersen, bedachtzaam en zeker te werken en zo een juiste evenwichtigheid te vinden.”

Moet de jongere, figuurlijk gesproken, niet een soort weegschaal in zichzelf ervaren door evenwicht te leren vinden?

Als we nu vier van zulke stukken hout – vlakken – hebben gemaakt, moeten deze precies op maat worden gezaagd, waarbij het erop aankomt dat de zaagsnede schuin loopt. Vervolgens worden deze met zelfgemaakte houten spijkers tot een bloembak samengevoegd, waarbij alle ronde boomranden aan de buitenkant zitten.

Met wat voor een vurige ijver wordt er in de werkplaats gewerkt. De handen worden steeds drukker en het hoofdje steeds ijveriger; voor je het weet is het uur al voorbij en is het werkstuk nog steeds niet zo vlak of zo hoekig als gewenst. Tot slot wordt er een bodem ingepast en wordt het hele kastje geolied. Als het zover is, wordt het werkstuk stralend van vreugde en met grote trots aan de ouders gepresenteerd.

Naast wat hier nu is beschreven, ontstaan er in het zevende schooljaar ook nog grof in elkaar gezette constructies van houtblokken en takken, die in de kleuterschool graag als klimrekken worden gebruikt, of er ontstaan speelgoed van rondhout of tuinmeubelen van de meest uiteenlopende soorten. Al deze dingen geven de jonge mensen door de warmte van het hout een gevoel van schoonheid, geborgenheid en tevredenheid.

Is dat een wonder? Wie voelt zich niet tevreden en geborgen in het bos en daardoor gelukkig, vooral als de zon er ook nog eens schijnt! En de zon schijnt echt, als we maar goed genoeg naar een mooie houtstructuur kijken.

Dit alles mogen de kinderen ervaren tijdens hun werk in de houtbewerkingsles van het zevende schooljaar. Vaak zijn ze uiteindelijk zelf verbaasd wanneer er onder hun handen bijvoorbeeld zo’n vogelhuisje of een poppenhuisje langzaam ontstaat. Lukt het, dan zijn ze trots en gelukkig. Is er iets mooiers dan uiteindelijk oprecht te genieten van je eigen werk?

.

Handvaardigheid: alle artikelen

7e klas: alle artikelen

.

3557-3341

.

.

.

 

 

VRIJESCHOOL – Handvaardigheid – 5e, 6e, 7e klas

.

E.Weltevrede, nadere gegevens onbekend
.

Handenarbeid in de hogere klassen van de Benedenbouw
.

Het is een groot verschil of je het hebt over handenarbeid of over het werken met hout. Iedereen kan een guts, een beitel of een zaag hanteren. Maar gebruik je het wel echt op de goede manier? Weet je wanneer je deze gereedschappen moet gebruiken? Weet je hoe hout eruit ziet met al zijn nerven en noesten? Hoe reageert het hout, wanneer je erin hakt of zaagt?
Een voorbeeld: een zaag gebruik je in principe haaks op de nerven van het hout, terwijl je met de nerven mee beter kunt gutselen of beitelen. Een houthakker zaagt een boom (haaks op de nerven) en gaat het daarna klieven (met de nerven mee). Wanneer we in de klassen met houtbewerking beginnen, is het voor de kinderen goed om eerst deze kwaliteiten van het hout en het gereedschap te beleven en te leren kennen: door zelf een boom door te zagen en daarna te klieven.

Bij handenarbeid kun je denken aan de werklieden met hun oude ambachten, die met een ritmische wilskracht hun producten maken. Niet de brute kracht, maar een goede beheersing van het materiaal en hun gereedschappen bepalen hoe het eindresultaat eruit komt te zien. Een houthakker of een beeldhouwer, die als een wilde tekeer gaat, houdt het niet lang vol. Hij moet zijn krachten goed verdelen en het overzicht bewaren. Eén verkeerde handeling kun je niet meer ongedaan maken.

5e klas

De materialen, waar de kinderen mee werken zijn klei en de inheemse houtsoorten. Het hout dat bij ons op school wordt gebruikt, is meestal van een beuk of linde. Wanneer de kinderen weten waar dit hout vandaan komt en het in hun eigen omgeving zien groeien, kunnen ze een betere verbinding met het materiaal krijgen. Eerbied voor het materiaal, maar ook voor het gereedschap, is van groot belang. Vaak zie je op tentoonstellingen prachtige werkjes staan. Dit is natuurlijk een goede zaak, maar niet het belangrijkste. Het proces om zon werkstuk te maken moet een belangrijker plaats innemen. Hoe is hun wilskracht en doorzettingsvermogen om deze harde materialen om te vormen? Hoe hebben ze het materiaal en het gereedschap gebruikt? Zijn ze in staat om het werkstuk vorm te geven en het daarna  geduldig en netjes af te werken?

handenarbeid 1

handenarbeid 2

.

6e klas
.
Het materiaal waar de kinderen mee werken, wordt steeds harder en moeilijker om te vormen. Op de bovenbouw gaat men zelfs nog metaalbewerken en steenhouwen. De afstand tot het werkstuk wordt, naarmate de kinderen ouder worden, groter. De kinderen in de 5e klas hebben nog de klei in hun handen en zitten helemaal om hun werkstuk heengebogen en snijden met rozemesjes in het hout. De kinderen van de 7e klas werken meer op afstand. Ze hebben nog maar weinig direct contact met hun werkstuk. Ze werken met hamers en beitels en hun werkstukken zitten in de werkbanken geklemd. De werkstukken die de kinderen maken, moeten niet alleen een pronkstuk worden, die je op de kast kunt zetten, maar moeten een praktisch nut hebben.

Bijvoorbeeld het maken van een pollepel. De kinderen zijn meestal trots wanneer ze hun pollepel af hebben. Veel kinderen geven het kado aan hun vader en/of moeder en zien het jaren later nog terug als een praktisch hulpmiddel in de keuken. Ze hebben ervaren hoeveel moeite het kost om z’n lepel te maken. Zo hoop je, dat de kinderen ook hebben geleerd wat de waarde van een eigen gemaakt werkstuk is: niet alleen van zichzelf maar ook van anderen.

handenarbeid 3

handenarbeid 4

handenarbeid 5

In Antroposofie Magazine, maart 2020 nr. 17 zegt houtbewerkster Annette Koehnen over de lepels: ‘Ik snijd ze uit vers hout. Kersen, berken, beuken en esdoorn. Bijna alle inheemse loofbomen zijn geschikt. Alleen de open nerf en grove structuur van eikenhout is niet zo handig voor eetgereedschap.’
Zie: Annette Köhnen

.

Handvaardigheidalle artikelen

.

620-569

.

.