Tagarchief: 1e klas sprookje

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/11)

.

Russisch sprookje

.

Verteltijd ca. 7 min.

.

De tsaritsa als speelman
.

In een zeker land, in een zeker rijk leefden eens een tsaar en een tsaritsa.
Toen hij geruime tijd met haar geleefd had, besloot de tsaar naar het verre, vreemde land te trekken, waar de joden Christus hadden gekruisigd. Hij gaf zijn bevelen aan de ministers, nam afscheid van zijn vrouw en ging op weg.

Na lange of korte tijd kwam hij in het verre vreemde land, waar Christus door de joden was gekruisigd. Daar regeerde echter in die tijd een goddeloze koning. Toen deze de tsaar zag, liet hij hem grijpen en in de gevangenis werpen. In zijn kerkers bevonden zich gevangenen van allerlei slag; ’s nachts waren ze geketend, maar ’s morgens kregen ze op last van de goddeloze koning een haam om hun hals en moesten ze tot de avond de akkers ploegen.
In zulke kwellende omstandigheden bracht de tsaar volle drie jaren door, zonder te weten hoe hij zich moest bevrijden en hoe hij bericht aan de tsaritsa kon sturen. Maar door een toeval kon hij haar toch een briefje doen toekomen. ‘Verkoop ons gehele bezit,’ schreef hij, ‘en koop me los uit de gevangenschap.’

Toen de tsaritsa de brief had ontvangen en gelezen, brak ze in tranen uit: ‘Hoe kan ik de tsaar loskopen? Als ik er zelf heenga, zal de goddeloze koning me zien en me zogenaamd tot vrouw nemen. En de ministers eropaf zenden? Op die valt geen staat te maken.’ En wat bedacht ze erop? Ze knipte haar lange, bruine vlechten af, kleedde zich als een muzikant, nam een goesli, (een mandoline), en ging zonder tegen iemand iets te zeggen op weg naar het verre land.

Ze kwam bij het paleis van de goddeloze koning en speelde daar zo mooi op de goesli, dat je er wel eeuwig naar had kunnen luisteren. Toen de koning deze verrukkelijke muziek hoorde, liet hij de goesli-speler terstond binnenroepen. ‘Gegroet, speelman. Uit welk land en uit welk rijk kom je?’ vroeg de koning. De speelman antwoordde: ‘Al sinds mijn kinderjaren trek ik door de wijde wereld, maak de mensen blij en verdien er mijn brood bij.’ ‘Blijf bij mij een dag, en een tweede, en een derde. Ik zal je er rijkelijk voor belonen.’ De speelman bleef, speelde iedere dag voor de koning, en deze kreeg nooit genoeg van het luisteren. Wat was dat een verrukkelijke muziek! Alle somberheid en alle zwaarmoedigheid werden er terstond als met de hand door weggewist!

Drie dagen bracht de speelman bij de koning door, daarna kwam hij afscheid nemen. ‘Wat kan ik je voor je moeite geven?’ vroeg de koning. ‘Majesteit, geef mij een van uw gevangenen, u hebt er toch zoveel in uw kerkers. En ik heb een makker nodig voor onderweg: altijd trek ik door vreemde, verre landen en dikwijls heb ik dan geen mens om een woord mee te wisselen.’ ‘Alsjeblieft, zoek er maar een uit die je aanstaat,’ zei de koning, en bracht de speelman naar de kerker. Deze bekeek de gevangenen en zocht de gevangen tsaar uit. Samen vertrokken ze, en ten slotte kwamen ze in hun eigen rijk. Daar zei de tsaar ‘Laat me gaan, brave man, want ik ben geen gewone gevangene: ik ben een tsaar. Vraag zoveel losgeld van me als je wilt, ik zal niet zuinig zijn met geld of met boeren.’ ‘Ga met God,’ zei de speelman, ‘ik heb niets van je nodig.’ ‘Wees dan tenminste mijn gast.’ ‘Als het zo eens uitkomt, zal ik komen.’ Daarna namen ze afscheid van elkaar en ieder ging zijns weegs.

De tsaritsa sloeg vlug een kortere weg in en was nog voor haar man thuis; hier trok ze de speelmanskleren uit en kleedde zich weer zoals het behoorde.
Een uur later ontstond er in het paleis veel drukte en rumoer van heen en weer lopende hovelingen die schreeuwden: ‘De tsaar is gekomen!’ De tsaritsa snelde hem tegemoet, maar hij begroette iedereen en gunde haar geen blik. Bij de begroeting van zijn ministers zei hij: ‘Nu ziet u, mijne heren, hoe mijn vrouw is: hier vliegt ze me om de hals, maar toen ik in de gevangenis zat en haar schreef dat ze mijn gehele bezit moest verkopen, deed ze helemaal niets. Waar dacht ze wel aan, dat ze haar man vergat?’
De ministers berichtten: ‘Uwe majesteit, zodra de tsaritsa uw brief had ontvangen, verdween ze op dezelfde dag, en het is niet bekend waar ze zich verborgen heeft gehouden en wat ze al die tijd heeft gedaan. Pas vandaag heeft ze zich weer in het paleis laten zien.’

De tsaar werd zeer boos en beval: ‘Heren, oordeelt mijn ontrouwe vrouw volgens recht en waarheid. Waar mag ze in de wereld hebben rondgezworven? Waarom wilde ze me niet loskopen? U zoudt uw tsaar in der eeuwigheid niet meer hebben gezien als die jonge speelman er niet was geweest. Voor hem zal ik altijd tot God blijven bidden, en het zou me niet te veel zijn hem de helft van mijn rijk af te staan.’
Intussen had de tsaritsa zich weer in de kleren van de speelman kunnen steken; ze ging naar buiten het erf op en begon de goesli te bespelen. Toen de tsaar dit hoorde, snelde hij er heen, nam de muzikant bij de hand, bracht hem in het paleis en zei tegen zijn hovelingen: ‘Dit is de speelman die mij uit de gevangenis heeft bevrijd.’
De speelman wierp zijn bovenkleding af, en allen herkenden terstond de tsaritsa. Toen was de tsaar zeer verheugd; uit vreugde liet hij een feestmaal aanrichten en zette dat een hele week voort.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2967-2785

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/10)

.

Russisch sprookje

Verteltijd ca. 8 min.

.

Het verstandige meisje

.

Er waren eens twee broers onderweg; de een was arm, de ander welgesteld. Ze hadden allebei een paard, de arme een merrie, de welgestelde een ruin. Toen ze ergens samen overnachtten, kreeg de merrie van de arme in die nacht een veulen en dit gleed onder de kar van de rijke, ’s Morgens wekte deze de arme: ‘Sta op, broeder, mijn kar heeft vannacht een veulen geworpen.’ Zijn broer stond op en zei: ‘Hoe is het mogelijk dat een kar een veulen ter wereld brengt! Dat is natuurlijk mijn merrie geweest.’ De rijke zei: ‘Als jouw merrie het veulen geworpen had, zou het toch bij haar liggen.’ Ze bleven erover twisten en wendden zich tot de overheid. De welgestelde gaf de rechter geld, maar de arme pleitte met woorden voor zichzelf. Ten slotte werd de zaak aan de tsaar voorgelegd. Hij beval de beide broers te roepen en gaf hun vier raadsels op:
‘Wat is het sterkste en het snelste ter wereld, wat is het vetste, wat het zachtste en wat het dierbaarste ?’ En hij gaf hun drie dagen bedenktijd. ‘Op de vierde dag moeten jullie me antwoord komen geven.’

De rijke peinsde en peinsde, dacht opeens aan zijn peettante en ging haar om raad vragen. Zij liet hem aan tafel plaatsnemen, zette hem van allerlei voor en vroeg: ‘Waarom kijk je zo somber, peetzoon?’ ‘De tsaar heeft me vier raadsels opgegeven, en ik heb drie dagen bedenktijd gekregen.’ ‘Wat voor raadsels? Zeg me dat.’ ‘Luister dan, peettante, het eerste raadsel luidt: “Wat is het sterkste en snelste ter wereld?” ‘Hè, wat een raadsel is me dat nou! Mijn man heeft een bruine merrie en niets is sneller dan zij. Als je die de zweep laat voelen, haalt ze een haas in.’ ‘Het tweede raadsel luidt: “Wat is het vetste ter wereld?”’ ‘Wij mesten nu al het tweede jaar een gevlekte ever; die is zo vet geworden dat hij niet meer op zijn poten kan staan.’ ‘Het derde raadsel luidt zo: “Wat is het zachtste ter wereld?’” ‘Dat is toch bekend: een veren bed, iets zachters kun je niet bedenken. Het vierde raadsel: “Wat is het allerdierbaarste op de wereld?’ ‘Het allerdierbaarste en liefste is mijn kleinzoon Iwanoesjka! ’ ‘Dank je wel, peettante. Ik heb het van jou geleerd, en zal het nooit vergeten.’

Maar de arme boer ging bitter wenend naar huis; daar kwam zijn zevenjarig dochtertje hem tegemoet – zijn hele familie bestond uit deze enige dochter. ‘Waarom zucht je, vadertje, en waarom huil je?’ ‘Hoe kan ik anders dan treurig en in tranen zijn? De tsaar heeft me vier raadsels opgegeven die ik van zijn leven niet kan oplossen.’ ‘Zeg me wat die zijn.’ ‘Dit zijn ze: “Wat is het sterkste en snelste ter wereld, wat is het vetste, wat het zachtste en wat het dierbaarste?”
‘Ga naar de tsaar, vadertje, en zeg hem: “Het sterkste en het snelste is de wind, het vetste is de aarde – alles wat groeit en leeft wordt door haar gevoed. Het zachtste is de hand, want waar een mens ook gaat liggen, altijd legt hij zijn hand onder zijn hoofd; en iets dierbaarders en zoeters dan de slaap bestaat er niet.’”

Beide broers kwamen bij de tsaar, de rijke en de arme. De tsaar hoorde hen aan en vroeg de arme: ‘Heb je de raadsels zelf opgelost, of heeft iemand je dat geleerd?’ De arme antwoordde: ‘Uwe majesteit, ik heb een dochtertje van zeven jaar; zij heeft ze me geleerd.’
‘Als je dochter zo knap is, dan heb je hier een zijden draadje. Laat ze daarvan vóór de ochtend een gebloemde handdoek weven.’
De boer nam het zijden draadje aan en ging bedroefd en somber naar huis. Ach, wat zijn we ongelukkig,’ zei hij tegen zijn dochter. De tsaar heeft je bevolen uit dit draadje een handdoek te weven.’ ‘ Tob niet, vadertje,’ zei het zevenjarige meisje. Ze brak een takje uit de bezem, gaf het aan haar vader en zei: ‘Ga naar de tsaar en zeg hem dat hij een meester moet zoeken die uit dit takje een weefgetouw kan maken. Daarop zal ik dan de handdoek weven.’ De boer bracht dit aan de tsaar over. De tsaar gaf hem honderd vijftig eieren: ‘Geef ze aan je dochter,’ zei hij, ‘en laat ze er voor morgen honderdvijftig kuikens uit broeden.’

De boer kwam nog bedroefder, nog somberder thuis. ‘Ach, dochtertje, pas heb je het ene ongeluk achter de rug of er komt een ander op je af.’ ‘Tob niet, vadertje,’ zei het meisje. Ze kookte de eieren en zette ze opzij voor het middag- en het avondeten. Maar haar vader zond ze naar de tsaar: ‘Zeg hem dat de kuikens als voer eendaagse gierst nodig hebben. Op dezelfde dag moet het veld geploegd en de gierst gezaaid, geoogst en gemalen worden. Andere gierst willen onze kuikens niet eten.’ De tsaar hoorde het aan en zei: ‘Als je dochter zo verstandig is, laat ze zich dan morgenvroeg aan mij komen vertonen – niet te voet en niet te paard, niet naakt en niet gekleed, niet met een geschenk en niet zonder een gift.’

Nu, dacht de boer, een zo listig raadsel zal zelfs mijn dochter niet kunnen oplossen. Het is nu afgelopen met ons. ‘Tob niet, vadertje,’ zei zijn zevenjarig dochtertje. ‘Ga naar de jagers en koop voor mij een levende haas en een levende kwartel.’ De vader ging er heen en kocht de haas en de kwartel.

De volgende dag deed het kleine meisje ’s morgens al haar kleren uit, trok een net over zich heen, nam de kwartel in de hand en ging op de haas zitten. En zo reed ze naar het paleis. De tsaar kwam haar bij de poort tegemoet en zij boog voor hem.

‘Hier heb ik een gift voor u, heer tsaar,’ zei ze en gaf hem de kwartel. De tsaar wilde er zijn hand naar uitsteken, maar de kwartel vloog weg. ‘Goed,’ zei de tsaar, ‘het is gedaan zoals ik het had bevolen. Zeg me nu dit: je vader is immers arm. Waarvan leven jullie dan?’ ‘Mijn vader vangt vissen op de droge oever, hij zet geen fuiken uit in het water. Ik draag die vissen naar huis in de punt van mijn rok en kook er een vissoep van.’ ‘Ach wat! Dom kind, sinds wanneer zwemmen er vissen op de droge oever? Dat doen ze immers in het water.’ ‘Bent u dan soms verstandig? Wanneer is het ooit gezien dat een boerenkar een veulen ter wereld bracht? Het was niet de kar, maar de merrie.’ De tsaar besliste dat het veulen aan de arme boer moest worden gegeven, maar diens dochter nam hij in huis. En toen het zevenjarige meisje volwassen was geworden, trouwde hij met haar en werd ze tsaritsa.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2960-2778

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/9)

.

Russisch sprookje

Verteltijd ca. 26 min.
.

De tsaar van de Zee en Wassilissa de WijZe

.

Er leefden eens een tsaar en een tsaritsa.
De tsaar ging graag op jacht om wild te schieten, en toen hij eens aan het jagen was, zag hij op een eik een jonge adelaar zitten; hij legde al op hem aan, maar de adelaar smeekte: ‘Schiet me niet dood, heer tsaar, neem me liever bij je op; als het daar de tijd voor is, zal ik je van nut zijn.’ De tsaar dacht hier lang over na, zei ten slotte: ‘Hoe zou jij me van nut kunnen zijn?’ en wilde weer schieten. Voor de tweede maal smeekte de adelaar: ‘Schiet me niet dood, heer tsaar. Laat me liever bij je wonen; op de geschikte tijd zal ik je van nut zijn.’ Weer dacht de tsaar hier een poos over na, en nog altijd kon hij niet inzien, hoe de adelaar hem van nut zou kunnen zijn; daarom wilde hij hem nu eerst recht doodschieten. Voor de derde maal waarschuwde de adelaar: ‘Schiet me niet dood, heer tsaar. Neem me liever bij je op; als de juiste tijd daarvoor gekomen is, zal ik je van nut zijn.’

De tsaar had medelijden, nam de adelaar bij zich op en gaf hem twee jaar lang te eten; en de adelaar at zoveel dat de hele kudde er aan ten offer viel: de tsaar hield geen schaap en geen koe over. Toen zei de adelaar: ‘Laat me een poosje los.’ De tsaar liet hem los; de adelaar beproefde zijn vleugels – maar nee, hij kon nog niet vliegen. En hij vroeg: ‘Heer tsaar, je hebt me nu twee jaar lang te eten gegeven. Doe dit als je wilt nog een jaar, en blijf het doen, zelfs als je het voedsel lenen moet; het zal niet in je nadeel zijn.’
De tsaar deed het: van overal leende hij vee en bleef zo de adelaar nog een heel jaar voedsel geven. Daarna liet hij hem vrij. De adelaar steeg heel hoog op, vloog geruime tijd, daalde daarna weer op de aarde neer en zei:
‘Bestijg me nu, heer tsaar; we gaan samen vliegen.’ De tsaar besteeg de vogel en ze vlogen weg. Lange of korte tijd later waren ze boven de kust van de blauwe zee gekomen. Hier wierp de adelaar de tsaar van zijn rug; deze viel in het water en werd nat tot aan zijn knieën. Maar de adelaar liet hem niet verdrinken; hij nam hem op met zijn vleugel en vroeg: ‘Nu, heer tsaar, ben je erg geschrokken?’ ‘Ik ben geschrokken,’ zei de tsaar. ‘Ik dacht al dat ik zou verdrinken.’ Ze vlogen verder en bereikten een andere zee. Hier wierp de adelaar de tsaar van zijn rug toen ze er boven waren, en de tsaar werd nat tot aan zijn middel. De adelaar nam hem op met zijn vleugel en vroeg: ‘En, heer tsaar, ben je soms geschrokken?’ ‘Ik ben geschrokken,’ zei de tsaar, ‘maar ik dacht: God zal me er misschien door jou uit laten trekken.’
Weer vlogen ze verder en kwamen boven een derde zee. De adelaar liet de tsaar boven de grote diepte vallen, en deze werd nat tot aan zijn hals. Voor de derde maal haalde de adelaar hem er uit met zijn vleugel en vroeg: ‘Heer tsaar, ben je erg geschrokken?’ ‘Ik ben erg geschrokken,’ zei de tsaar, ‘maar ik dacht aldoor: misschien trekt hij me er wel uit.’ ‘Wel, heer tsaar, je hebt nu gevoeld wat doodsangst is. Dat was voor het oude, voor wat voorbij is: weet je nog wel, toen ik op de eik zat en je me wilde doodschieten, en toen ik je aldoor smeekte het niet te doen? Drie keer stond je op het punt te schieten, en ik smeekte je telkens weer en hoopte in mijn hart dat je me niet zou vernietigen, dat je medelijden zou hebben en me bij je zou zou nemen.’

Daarna vlogen ze over driemaal negen landen – heel, heel lang bleven ze vliegen. Toen zei de adelaar: ‘Kijk eens om je heen, heer tsaar. Wat is er boven en wat onder ons ?’ De tsaar keek. ‘Boven ons is de hemel,’ zei hij, ‘en onder ons de aarde.’ ‘Kijk nog eens: wat is er aan de rechterkant en wat aan de linkerkant?’ ‘Rechts van ons is een open veld, links van ons staat een huis.’ ‘Laten we erheen vliegen,’ zei de adelaar, ‘daar woont mijn jongste zuster.’ Zij daalden neer op het erf; de zuster kwam hen tegemoet, ontving haar broer en liet hem plaatsnemen aan de eikenhouten tafel; maar de tsaar keek ze niet eens aan: ze liet hem op het erf staan, maakte de jachthonden los en hitste ze tegen hem op. Toen werd de adelaar zeer toornig; hij sprong van tafel op, greep de tsaar en vloog met hem weg.

Na lange tijd gevlogen te hebben, vroeg de adelaar: ‘Kijk eens wat er achter ons is.’ De tsaar wendde zich om, keek en zei: ‘Achter ons is een rood huis.’ En de adelaar zei: ‘Daar staat het huis van mijn jongste zuster in brand. Waarom heeft ze je ook niet ontvangen, waarom heeft ze de jachthonden tegen je opgehitst?’
Ze vlogen en vlogen, en weer zei de adelaar: ‘Kijk eens, heer tsaar, wat is er boven ons en wat onder ons?’ ‘Boven ons is de hemel en onder ons de aarde.’ ‘Kijk nog eens, wat is er rechts en wat is er links?’ ‘Rechts is een open veld en links staat een huis.’ ‘Daar woont mijn middelste zuster. Laten we haar gaan bezoeken.’ Ze daalden neer op een ruime binnenplaats; de middelste zuster ontving haar broer en liet hem plaatsnemen aan de eiken tafel, maar de tsaar liet ze buiten staan. Ze maakte de jachthonden los en hitste ze tegen hem op. De adelaar werd toornig, sprong van tafel op, greep de tsaar en vloog met hem weg.

Weer vlogen en vlogen ze, en de adelaar zei: ‘Heer tsaar, kijk wat er achter ons ligt.’ De tsaar wendde zich om: ‘Achter ons ligt een rood huis.’ ‘Daar staat het huis van mijn middelste zuster in brand,’ zei de adelaar. ‘Laten we nu daarheen vliegen waar mijn moeder en mijn oudste zuster wonen.’ Ze vlogen erheen. De moeder en de oudste zuster waren zeer blij met hun bezoek; ze ontvingen de tsaar vriendelijk en met eerbied. ‘Nu, heer tsaar,’ zei de adelaar, ‘rust bij ons uit. Daarna zal ik je een schip geven en je alles vergoeden wat ik bij je heb opgegeten. Reis dan met God naar huis.’
Hij gaf de tsaar een schip en twee kistjes, het ene rood, het andere groen, en zei: ‘Zorg ervoor de kistjes niet open te maken voordat je thuis bent. Het rode kistje moet je openen achter het huis, en het groene op het erf vóór het huis.’
De tsaar nam de kistjes in ontvangst, zei de adelaar vaarwel en voer over de blauwe zee. Hij bereikte een onbekend eiland en wierp daar het anker uit. Toen hij de oever betrad, dacht hij opeens aan de kistjes, en vroeg zich af wat die toch wel konden bevatten, en waarom de adelaar verboden had ze open te maken; lang dacht hij hierover na en ten slotte kon hij zijn ongeduld niet langer bedwingen: hij moest het weten. Hij nam het rode kistje, zette het op de grond en maakte het open. En er kwamen allerlei soorten vee uit te voorschijn in een zo’n onafzienbare massa, dat het eiland ze nauwelijks kon bevatten.
Toen de tsaar dit zag, werd hij zeer bedroefd; hij weende en zei bij zichzelf: wat moet ik nu doen? Hoe moet ik de hele kudde weer in een zo klein kistje terugkrijgen?
Opeens zag hij een man te voorschijn komen uit het water. Hij kwam op de tsaar af en vroeg: ‘Waarom ween je zo bitter, heer tsaar?’ ‘Heb ik daar niet alle reden voor?’ antwoordde de tsaar. ‘Hoe moet ik die hele grote kudde in dat kleine kistje terugkrijgen?’ ‘Ik zou je te hulp kunnen komen in je nood, en deze hele kudde voor je kunnen verzamelen, maar alleen op deze voorwaarde: dat je me geeft wat je thuis niet kent.’ De tsaar dacht: wat zou ik thuis niet kennen? Ik ken daar toch alles. Hij dacht nog even na en stemde toe. ‘Verzamel de kudde,’ zei hij, ‘en ik zal je geven wat ik thuis niet ken.’ En de man slaagde erin de hele kudde in het kleine kistje onder te brengen. De tsaar scheepte zich in en voer naar huis.

Maar toen hij thuiskwam, zag hij dat daar zijn zoon, de tsarewitsj geboren was. Hij kuste en liefkoosde het kind en vergoot daarbij veel tranen. ‘Heer tsaar,’ vroeg de tsaritsa, ‘zeg me waarom je zo bitter weent.’ ‘Van vreugde,’ zei de tsaar; hij durfde haar niet de waarheid te zeggen: dat hij de tsarewitsj zou moeten weggeven. Wat later ging hij naar het erf achter het paleis, maakte het rode kistje open – en daar kwamen ossen en koeien, schapen en rammen, enorme hoeveelheden vee van alle soorten uit te voorschijn; alle schuren en stallen, en alle vleespotten werden vol. En toen hij naar het erf aan de voorkant ging en er het groene kistje openmaakte, verrees daar voor zijn ogen een grote, prachtige tuin. Hoeveel soorten bomen waren daar wel te zien! De tsaar was zo verheugd dat hij vergat zijn zoon weg te geven.

Vele jaren gingen voorbij. Op zekere dag kreeg de tsaar lust in wandelen en kwam hij bij de rivier; plotseling kwam uit het water dezelfde man te voorschijn en zei: ‘Je bent vergeetachtig geworden, heer tsaar. Herinner je dat je een schuld aan mij hebt.’ De tsaar keerde vol hartzeer en verdriet naar huis terug, en vertelde aan de tsaritsa de volle waarheid. Ze treurden en weenden samen en kwamen tot de slotsom dat er niets aan te doen was en dat ze de tsarewitsj moesten afstaan. Ze brachten hem naar het strand van de zee en lieten hem daar alleen achter.

De tsarewitsj nam zijn omgeving op, zag een paadje en sloeg dat in. Hij liep lange tijd en kwam ten slotte terecht in een donker bos; daar stond een hutje en in dat hutje leefde de Baba Jaga. ‘Laat ik er maar heengaan,’ dacht de tsarewitsj en ging het hutje binnen. ‘Gegroet, tsarewitsj,’ zei de Baba Jaga. ‘Ben je erop uit om daden te gaan verrichten, of ben je voor daden gevlucht?’ ‘Ach, grootmoeder, geef me te eten en te drinken, en stel je vragen daarna.’ Zij gaf hem te eten en te drinken en de tsarewitsj vertelde haar alles zonder geheimhouding : waar hij heen ging en waarom hij dat deed. De Baba Jaga zei tot hem: ‘Ga naar de zee, kindje; daar zullen twaalf zwanen komen aanvliegen; ze zullen veranderen in mooie meisjes en daar gaan baden. En dan moet jij zachtjes naderbij kruipen en het hemd van de oudste wegnemen. Als je je weer met haar verzoend hebt, moet je naar de tsaar van de zee gaan. Onderweg zul je de Veelvraat en de Veelzuip tegenkomen, en ook de Krakende Vorst. Neem ze alle drie mee – ze zullen je van nut zijn.’

De tsarewitsj nam afscheid van de Baba Jaga, ging naar de aangewezen plek aan zee en verborg zich in het struikgewas. Toen kwamen er twaalf zwanen aanvliegen; met een slag kwamen ze op de grond terecht en veranderden in mooie meisjes, die gingen baden. De tsarewitsj kroop naar het hemd van de oudste, ging achter een struik zitten en verroerde zich niet. De meisjes baadden en kwamen daarna weer op de oever af. Elf meisjes raapten hun hemd op, werden weer vogels en vlogen naar huis; maar de oudste, Wassilissa de Wijze, bleef alleen achter. Ze smeekte en bad de jongeman; ‘Geef me mijn hemd terug. Als je bij mijn vader, de tsaar van de zee, komt, zal ikzelf je van nut zijn.’ De tsarewitsj gaf haar het hemd terug, terstond veranderde zij in een zwaan en vloog achter haar vriendinnen aan. De tsarewitsj vervolgde zijn weg en kwam drie sterke mannen tegen: de Veelvraat, de Veelzuip en de Krakende Vorst. Hij nam hen mee en kwam bij de tsaar van de zee.

Toen deze hem zag, zei hij: ‘Gegroet, vriendje. Waarom heeft het zo lang geduurd eer je bij me kwam? Ik was het wachten op jou al moe geworden. Ga nu aan het werk. En dit is de eerste taak: bouw in één nacht een grote, kristallen brug die morgenvroeg gereed moet zijn. Doe je het niet, dan vliegt je hoofd eraf.’
De tsarewitsj keerde bitter wenend terug van zijn ontmoeting met de tsaar der zee. Wassilissa de Wijze deed haar raampje open en vroeg: ‘Waarom ben je in tranen, tsarewitsj?’ ‘Ach, Wassilissa de Wijze, hoe zou ik dat niet zijn? Je vadertje heeft me opgedragen in één nacht een kristallen brug te bouwen, en ik weet niet eens hoe ik een bijl in mijn handen moet houden.’ ‘Dat hindert niet. Ga slapen, de morgen is wijzer dan de avond.’

Ze stuurde hem naar bed, maar ging zelf op het bordes voor de deur staan en floot schel en hard; van alle kanten kwamen er timmerlui aanlopen; de een maakte de grond gelijk, de ander sleepte bakstenen aan, en spoedig was de kristallen brug gebouwd; ze versierden ze nog met kunstige ornamenten en gingen naar huis.
’s Morgens vroeg wekte Wassilissa de Wijze de tsarewitsj; ‘Sta op, tsarewitsj, de brug is klaar en aanstonds zal vadertje er naar komen kijken.’ De tsarewitsj stond op, pakte een bezem en ging op de brug staan – hier veegde hij een beetje, daar maakte hij wat schoon. De tsaar van de zee prees hem. ‘Dank je,’ zei hij. ‘Je hebt me een dienst bewezen; bewijs me nu een tweede. Dit is je taak: plant vóór morgen een groene tuin. Hij moet groot zijn en schaduwrijk, er moeten zangvogels zingen in de bomen, en deze moeten bloeien en beladen zijn met rijpe peren en appels.’
Na dit onderhoud met de tsaar van de zee was de tsarewitsj in tranen. Wassilissa de Wijze maakte haar raampje open en vroeg: ‘Waarom ben je in tranen, tsarewitsj?’ ‘Hoe kan het anders? Je vader heeft me bevolen in één nacht een tuin aan te leggen.’ ‘Dat hindert niet. Ga maar slapen, de morgen is wijzer dan de avond.’

Ze stuurde hem naar bed, maar ging zelf op het bordes voor de deur staan en floot schel en hard. Daar kwamen van alle kanten tuinlui aanlopen; ze legden de groene tuin aan – vogels zongen er hun lied, de bomen stonden in bloei en er hingen rijpe peren en appels aan. ’s Morgens wekte Wassilissa de Wijze de tsarewitsj: ‘Sta op, tsarewitsj! De tuin is klaar, en aanstonds komt vadertje er naar kijken.’
De tsarewitsj pakte terstond een bezem en ging naar de tuin – hier veegde hij een paadje aan, daar raapte hij een takje op. De tsaar van de zee prees hem: ‘Dank je, tsarewitsj. Je hebt me trouw en eerlijk gediend. Zoek nu een bruid uit onder mijn twaalf dochters. Ze lijken allen sprekend op elkaar, hebben gelijke haren, zijn gelijk gekleed. Als je er driemaal dezelfde uithaalt, zal zij je vrouw worden. Maar kun je dat niet, dan laat ik je ter dood brengen.’
Wassilissa de Wijze vernam dit. Ze wachtte het juiste ogenblik af en zei tegen de tsarewitsj : ‘De eerste maal zal ik met mijn doekje wuiven, de tweede maal zal ik mijn japon rechttrekken, en de derdè maal zal er een vlieg boven mijn hoofd zoemen.’
En zo kwam het, dat de tsarewitsj er alle drie keren Wassilissa de Wijze uithaalde. Ze werden getrouwd en er werd feest gevierd.
De tsaar van de zee liet zoveel van alle spijzen aandragen, dat honderd man ze niet zouden hebben kunnen opeten. En hij gaf aan zijn schoonzoon het bevel dat alles moest worden verorberd. Als er iets overbleef, zou het slecht met hem aflopen.
‘Vadertje,’ vroeg de tsarewitsj, ‘er is in mijn gevolg een oude man — vindt u het goed dat hij meeëet?’ ‘Laat hem maar komen.’ Terstond verscheen de Veelvraat; hij verslond alles en het was nog te weinig voor hem.
Daarna liet de tsaar een geweldige hoeveelheid drank aanrukken, wel veertig vaten; en hij zei tegen zijn schoonzoon dat alles tot de laatste druppel moest worden opgedronken. ‘Vadertje,’ zei de tsarewitsj weer, ‘ik heb een andere oude man in mijn gevolg. Vindt u het goed dat hij op uw gezondheid komt drinken?’ ‘Laat hij maar komen.’ Toen verscheen de Veelzuip; hij dronk meteen alle veertig vaten leeg en vroeg toen nog een slokje van iets sterks om weer nuchter te worden.
Toen de tsaar van de zee zag dat niets hielp, beval hij voor de jonggehuwden het badhuis gloeiend heet te stoken. Het ijzeren badhuis werd gestookt met twintig sazjen (vadems) hout, de kachel stond er rood en de muren gloeiend – het was niet mogelijk het tot op een afstand van vijf werst te benaderen. ‘Vadertje,’ zei de tsarewitsj, ‘vindt u het goed dat een oud mannetje uit mijn gevolg vóór ons in het stoombad gaat, om het te proberen?’ ‘Laat hij maar in het stoombad gaan.’ De Krakende Vorst ging het badhuis in; hij blies in de ene hoek, toen in de tweede, en er hingen al overal ijspegels. Na hem gingen ook de jonggehuwden in het bad; ze wasten zich, namen een stoombad en keerden naar huis terug.

‘Laten we vadertje tsaar-der-zee verlaten,’ zei Wassilissa de Wijze tegen de tsarewitsj. ‘Hij is nu zo woedend op je, dat hij je wel eens iets ergs zou kunnen aandoen.’ ‘Ja, laten we weggaan,’ zei de tsarewitsj.
Zonder uitstel zadelden ze hun paarden en reden naar het open veld. Ze reden en reden en er ging veel tijd voorbij. ‘Stijg van je paard, tsarewitsj,’ ze Wassilissa de Wijze, ‘en leg je oor tegen de grond. Kun je soms horen of ze ons achterna zitten?’
De tsarewitsj legde zijn oor tegen de grond: er was niets te horen, zei hij. Toen steeg Wassilissa de Wijze zelf van haar brave paard, luisterde met haar oor op de grond en zei: ‘Ach, tsarewitsj, ik hoor dat ze met een sterke macht achter ons aan zijn.’
Zij veranderde de paarden in een put, zichzelf in een schepnapje en de tsarewitsj in een oud mannetje. De achtervolgers kwamen er aanrijden. ‘Hé, oude, heb je soms een knappe jongeman en een mooi meisje gezien?’ ‘Dat heb ik, beste mensen. Maar het is allang geleden: ze zijn voorbij gereden toen ik nog jong was.’
De achtervolgers keerden terug naar de tsaar van de zee. ‘Nee,’ zeiden ze, ‘geen spoor, geen tijding; het enige wat we gezien hebben was een oude man bij een put, waarin een schepnapje rondzwom.’ ‘Waarom hebben jullie ze niet gepakt?’ riep de tsaar van de zee.
Hij liet de achtervolgers terstond op wrede wijze ter dood brengen en zond een andere troep achter de tsarewitsj en Wassilissa de Wijze aan. Zij waren echter in die tijd al veel verder gevorderd.

Toen Wassilissa de Wijze de nieuwe achtervolging hoorde naderen, veranderde ze de tsarewitsj in een oude pope en zichzelf in een bouwvallig kerkje, waarvan de muren op instorten stonden en met mos overwoekerd waren. De achtervolgers kwamen er aanrijden: ‘Hé, oudje, heb je soms een knappe jongeman met een mooi meisje gezien?’ ‘Dat heb ik, beste mensen. Het is alleen al heel lang geleden: ze zijn voorbijgereden toen ik nog jong was en dit kerkje bouwde.’
De tweede troep achtervolgers keerde terug naar de tsaar van de zee; ze verklaarden: ‘Nee, uwe tsarenmajesteit, geen spoor, geen tijding. We hebben alleen een stokoude pope en een bouwvallig kerkje gezien.’ ‘Waarom hebben jullie ze niet gepakt?’ schreeuwde de tsaar van de zee, nog veel woedender dan de eerste maal. Hij liet de achtervolgers een wrede dood sterven en ging nu zelf achter de tsarewitsj en Wassilissa de Wijze aan. Maar ditmaal veranderde Wassilissa de Wijze de paarden in een rivier van honing met oevers van vruchtenvla, de tsarewitsj in een woerd en zichzelf in een grijze eend. De tsaar van de zee wierp zich op de vruchtenvla met honing; hij at en at, slurpte en slurpte, tot hij barstte. Toen gaf hij dan ook de geest.

De tsarewitsj en Wasilissa de Wijze reden verder. Toen ze bijna thuis waren bij de vader en moeder van de tsarewitsj, zei Wassilissa de Wijze: ‘Ga jij vooruit, tsarewitsj, en meld je bij je vader en moeder; en ik zal hier op de weg op je wachten. Geef aan iedereen een kus, alleen niet aan je zuster, want dan zou je mij vergeten.’
De tsarewitsj kwam thuis, begroette iedereen, gaf ook een kus aan zijn zuster, en was op hetzelfde ogenblik zijn vrouw vergeten, alsof hij haar nooit in zijn gedachten had gehad.

Drie dagen bleef Wassilissa de Wijze wachten. Op de vierde dag kleedde ze zich als een bedelares, ging naar de residentiestad en vond er onderdak bij een oude vrouw.
Maar de tsarewitsj maakte toebereidselen voor zijn huwelijk met een rijke koningsdochter; en er was in het gehele rijk afgekondigd dat iedere rechtgelovige de bruidegom en de bruid moest komen gelukwensen, en dan als gift een gebak uit tarwemeel moest meebrengen. Toen begon ook de oude vrouw, bij wie Wassilissa de Wijze haar intrek had genomen, meel te zeven en beslag voor een koek te maken. ‘Voor wie ga je een koek bakken?’ vroeg Wassilissa de Wijze haar. ‘Wat bedoel je met “voor wie” ? Weet je dan niet dat de zoon van onze tsaar met een rijke koningsdochter gaat trouwen? Iedereen moet naar het paleis gaan en het bruidspaar een baksel aanbieden.’
‘Laat mij ook een koek bakken en die naar het paleis brengen — misschien zal de tsaar mij met het een of ander begunstigen.’ ‘Bak dan maar in ’s hemelsnaam.’ Wassilissa de Wijze nam meel, kneedde het deeg, deed er kwark in, maar ook een doffer en een duifje, en bakte de koek.

In het paleis was een feestmaal aangericht voor de hele wereld, en toen de oude vrouw met Wassilissa daar aankwam, was het juist begonnen. De koek van Wassilissa de Wijze kwam op tafel, en zodra hij in het midden was doorgesneden, vlogen de doffer en het duifje er uit. De duif had een brokje kwark in haar snavel en de doffer zei: ‘Duifje, geef mij daar ook wat van.’ Maar het duifje antwoordde: ‘Nee, ik geef je daar niet van, anders vergeet je me, zoals de tsarewitsj zijn Wassilissa de Wijze heeft vergeten.’ Toen herinnerde de tsarewitsj zich zijn vrouw weer; hij sprong van tafel op, vatte haar bij haar blanke handen en liet haar aan zijn zijde plaatsnemen. Van toen af leefden ze met elkaar in alle voorspoed en geluk.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2953-2771

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/7)

.

Russisch sprookje

.

Verteltijd ca. 35 min.
.

DE DRIE RIJKEN, HET KOPEREN, HET ZILVEREN EN HET GOUDEN

In een zeker land, in een zeker rijk leefde tsaar Bel Beljanin; hij had een vrouw, Nastasja-met-de-gouden-vlecht, en drie zoons: Pjotr-tsarewitsj, Wassili-tsarewitsj en Iwan-tsarewitsj.
Eens ging de tsaritsa met haar minnen en kindermeisjes in de tuin wandelen. Plotseling stak er een hevige wervelstorm op en – o, lieve hemel! – hij greep de tsaritsa en sleurde haar mee, wie kon zeggen waarheen!
De tsaar treurde en tobde erover, en wist niet waar hij het zoeken moest.
Toen zijn zonen opgegroeid waren, zei hij tot hen: ‘Mijn kinderen, wie van jullie wil er op uittrekken om zijn moeder te zoeken?’
De twee oudste zoons reden weg, maar daarna begon ook de jongste zijn vader te smeken of hij mocht gaan. ‘Nee,’ zei de tsaar, ‘ga jij niet, zoontje. Laat mij oude man niet alleen.’ ‘Sta het me alstublieft toe, vadertje! Ik heb geweldig veel lust om door de wijde wereld te trekken en mijn moedertje te zoeken.’

En hoe de tsaar zich ook verzette, hij kon hem er niet van afbrengen. ‘Nu, dan is er niets aan te doen. Ga dan met God.’

Iwan-tsarewitsj zadelde zijn brave paard en begaf zich op weg. Hij reed en reed, lange of korte tijd – een sprookje is vlug verteld, maar een daad niet zo vlug gedaan – en kwam bij een bos. In dat bos stond een prachtig paleis.
Iwan-tsarewitsj reed de grote binnenplaats op, zag daar een oude man en zei: ‘Blijf nog vele jaren gezond, oudje.’ ‘Welkom! Wie ben je, brave jongeman?’ ‘Ik ben Iwan-tsarewitsj, de zoon van tsaar Bel Beljanin en van zijn vrouw, Nastasja-met-de-gouden-vlecht.’ ‘Ach, dan ben je mijn eigen neef. Waarheen ben je op weg?’ ‘Ja, dat zit zo,’ zei de tsarewitsj, ‘ik ben op zoek naar mijn moeder. Kun je me niet zeggen, oompje, waar ik haar kan vinden?’ ‘Nee, neef, dat weet ik niet. Maar ik zal je van dienst zijn zoveel ik kan. Hier heb je een bol: gooi die voor je uit. Hij zal verder rollen en je bij steile, hoge bergen brengen. In die bergen bevindt zich een groot hol; daar moet je ingaan en er de ijzeren klauwen nemen; doe die aan je handen en voeten en beklim de bergen. Misschien vind je daar je moeder Nastasja-met-de-gouden-vlecht.’

Nu, goed dan. Iwan-tsarewitsj nam afscheid van zijn oom en reed achter de bol aan. Deze rolde en rolde, en hij bleef er maar steeds achteraan rijden.
Lange of korte tijd daarna zag hij zijn broers Pjotr-tsarewitsj en Wassili-tsarewitsj op het open veld staan bij een legerkamp en een massa krijgsvolk. Zijn broers liepen hem tegemoet. ‘Ha! Waar kom jij vandaan, Iwan-tsarewitsj ?’ ‘Nu, ik verveelde me thuis,’ zei deze, ‘en ik bedacht dat ik mijn moedertje eens zou gaan zoeken. Stuur jullie je leger naar huis en laten we samen gaan.’ Dat deden ze dan ook: ze stuurden het leger naar huis en reden nu met zijn drieën achter de bol aan.

Al vanuit de verte zagen ze de bergen die zo hoog en steil waren dat ze met hun toppen tegen de hemel leunden. De bol rolde rechtstreeks naar het hol; Iwan-tsarewitsj steeg van zijn paard en zei tegen zijn broers: ‘Ik laat mijn brave paard nu bij jullie achter en ga de bergen in om mijn moeder te zoeken. Maar jullie moeten hier blijven; wacht precies drie maanden op mij, maar ben ik er dan niet, dan is het niet nodig nog langer te wachten.’ De broers dachten: ‘Hoe zal hij op die bergen kunnen komen? Daar breekt hij toch zijn nek bij.’ Maar ze zeiden: ‘Nu, ga dan met God en wij zullen hier op je wachten.’

Iwan-tsarewitsj ging naar het hol en zag daar een ijzeren deur. Hij stootte daartegen met al zijn kracht, en de deur ging open. Toen betrad hij het hol en de ijzeren klauwen schoven vanzelf om zijn handen en voeten. Nu begon hij tegen de bergen op te klimmen; hij klom en klom, zwoegde een hele maand, en bereikte met de grootste inspanning de top. ‘De hemel zij dank!’ zei de tsarewitsj. Hij rustte een beetje en vervolgde zijn weg over de bergen. Na lange tijd gelopen te hebben, zag hij opeens een paleis van koper; voor de poort ervan lagen aan koperen kettingen vreselijke slangen – het wemelde ervan. Daarnaast bevond zich een bron, waarboven aan een koperen ketting een koperen schepnapje hing. Iwan-tsarewitsj schepte water met het napje, gaf de slangen te drinken en deze bedaarden en gingen liggen, zodat hij kon doorlopen naar het paleis.
Daar kwam de tsaritsa van het koperen rijk hem tegemoet: ‘Wie ben je, brave jongeman?’ ‘Ik ben Iwan-tsarewitsj.’ ‘Kom je uit vrije wil of tegen je zin hier, Iwan-tsarewitsj?’ ‘Uit vrije wil; ik zoek mijn moeder Nastasja-met-de-gouden-vlecht. Een wervelstorm heeft haar uit de tuin weggerukt. Weet je niet waar ze is?’ ‘Nee, dat weet ik niet; maar niet ver van hier woont mijn zuster, de tsaritsa van het zilveren rijk, misschien kan zij het je zeggen.’ Ze gaf hem een koperen bol en een koperen ringetje mee, en zei: ‘De bol zal je naar mijn middelste zuster brengen, maar dat ringetje bevat het gehele koperen rijk. Als je de Wervelstorm overwint, die mij hier vasthoudt en me iedere drie maanden komt bezoeken, vergeet dan mij arme niet en neem me mee naar de vrije wereld.’ ‘Goed,’ antwoordde Iwan-tsarewitsj, nam de koperen bol en wierp die voor zich uit. Hij rolde weg en de tsarewitsj liep er achteraan.

Zo kwam hij in het zilveren rijk en zag daar een paleis, nog mooier dan het eerste, dat geheel uit zilver bestond. Voor de poort ervan lagen vreselijke slangen aan zilveren kettingen, en ernaast bevond zich een bron met een zilveren schepnapje. Iwan-tsarewitsj schepte water, gaf de slangen te drinken, en zij gingen liggen en lieten hem door. Uit het paleis kwam de tsaritsa van het zilveren rijk te voorschijn en zei: ‘Binnenkort zal het al drie jaar zijn dat de machtige Wervelstorm me hier vasthoudt; in al die tijd heb ik van geen enkel christenmens iets te horen of te zien gekregen, maar nu staat er een voor mijn ogen. Wie ben je, brave jongeman?’ ‘Ik ben Iwan-tsarewitsj.’ ‘Hoe ben je hier terechtgekomen? Uit vrije wil of tegen je zin?’ ‘Uit vrije wil: ik zoek mijn moeder. Ze was gaan wandelen in de groene tuin, toen er een wervelstorm opstak die haar wegrukte, wie weet waarheen. Weet je soms waar ik haar kan vinden?’ ‘Nee, dat weet ik niet. Maar niet ver hiervandaan woont mijn oudste zuster, de tsaritsa van het gouden rijk, Jelena de schone. Misschien kan zij het je zeggen. Hier heb je een zilveren bol; laat die voor je uitrollen en ga er achteraan – hij zal je in het gouden rijk brengen. Maar luister goed: als je de Wervelstorm hebt gedood, vergeet dan mij arme niet. Bevrijd me en neem me van hier mee naar de vrije wereld. De Wervelstorm houdt me hier vast en komt alle twee maanden bij me.’ Daarna gaf ze hem een zilveren ringetje met de woorden: ‘Dit ringetje bevat het gehele zilveren rijk.’

Iwan-tsarewitsj wierp de bol voor zich uit en volgde hem. Hij liep lange of korte tijd en zag ten slotte een gouden paleis dat als vuur schitterde. Voor de poort ervan sisten aan gouden kettingen vreeslijke slangen, en ernaast bevond zich een bron met daarboven een gouden napje aan een gouden ketting. Iwan-tsarewitsj schepte water met het napje, gaf de slangen te drinken en deze gingen rustig liggen. De tsarewitsj ging het paleis binnen, en daar kwam Jelena de schone hem tegemoet: ‘Wie ben je, brave jongeman?’ ‘Ik ben Iwan-tsarewitsj.’ ‘Hoe ben je hier gekomen, vrijwillig of tegen je zin?’ ‘Ik ben vrijwillig gekomen en zoek mijn moeder, Nastasja-met-de-gouden-vlecht. Weet je niet waar ik haar kan vinden?’ ‘Hoe zou ik dat niet weten? Ze woont niet ver van hier en de Wervelstorm bezoekt haar iedere week; maar bij mij komt hij één keer per maand. Hier heb je een gouden bol, werp die voor je uit en volg hem; hij zal je daar brengen waarheen je wilt gaan. En neem ook dit gouden ringetje – het bevat het gehele gouden rijk. Maar luister goed, tsarewitsj: als je de Wervelstorm hebt gedood, vergeet dan mij arme niet en neem me met je mee naar de vrije wereld.’ ‘Goed,’ zei Iwan-tsarewitsj, ‘dat zal ik doen.’

Hij wierp de kogel voor zich uit en volgde hem; hij liep en liep en kwam ten slotte bij een kasteel, dat – o, lieve hemel! – als het ware in vuur en vlam stond van briljanten en edelstenen. Voor de poort sisten zeskoppige slangen. Iwan-tsarewitsj gaf hun te drinken, de slangen bedaarden en lieten hem het paleis binnengaan. De tsarewitsj liep door grote zalen en in de laatste vond hij zijn moeder. Zij zat op een hoge troon in tsarentooi en gekroond met een kostbare kroon. Toen zij haar gast zag naderen, riep ze uit: ‘Ach hemel! Ben jij het, mijn zoon, mijn veelgeliefde? Hoe ben je hier gekomen?’ ‘Zo en zo,’ antwoordde de tsarewitsj, ‘ik ben gekomen om jou te halen.’ ‘Nu, zoontje, dat zal je zwaar vallen. Want hier op de bergen heerst de boze, machtige Wervelstorm, en alle geesten zijn aan hem onderworpen; hij is het die mij heeft ontvoerd. Je zult met hem moeten vechten. Laten we vlug naar de kelder gaan.’

Daar stonden twee kuipen met water, de ene rechts, de andere links. De tsaritsa Nastasja-met-de-gouden-vlecht zei: ‘Drink van het water dat rechts staat.’ Iwan deed het. ‘En, hoeveel kracht heb je nu?’ ‘Zoveel kracht dat ik het hele paleis met één hand kan omdraaien.’ ‘Drink dan nog wat.’ De tsarewitsj dronk weer. ‘Hoeveel kracht heb je nu?’ ‘Als ik wil, draai ik nu de hele wereld om.’ ‘O, dat is al erg veel. Nu moet je deze kuipen van plaats laten verwisselen. Die van rechts moet je links zetten en die aan de linkerkant naar rechts.’ Iwan-tsarewitsj pakte de kuipen en liet ze van plaats verwisselen. ‘De zaak is namelijk deze, lieve zoon: in de ene kuip zit water dat kracht geeft en in de andere water, dat kracht ontneemt; wie uit de eerste drinkt, wordt een sterke machtige held, maar wie uit de tweede drinkt, wordt volkomen krachteloos. De Wervelstorm drinkt altijd van het water dat sterk maakt, en zet dat aan de rechterkant. Daarom moeten we hem misleiden, anders worden we hem nooit baas.’
Ze keerden terug naar het paleis. ‘Spoedig komt de Wervelstorm er aanbruisen,’ zei de tsaritsa tegen haar zoon. ‘Ga onder mijn purperen mantel zitten, zodat hij je niet kan zien. En als de Wervelstorm nadert, en zich op mij werpt om me te liefkozen en te kussen, moet je zijn strijdknots beetpakken. Hij zal dan hoog, heel hoog opstijgen en je meedragen over zeeën en afgronden, maar het enige waarvoor je moet zorgen is dat je de knots niet loslaat. De Wervelstorm zal ten slotte uitgeraasd zijn en van het sterk makende water willen drinken; hij zal naar de kelder snellen en zich op de kuip storten die aan de rechterkant staat. Intussen moet jij uit de linkerkuip drinken. Dan zal hij volkomen krachteloos worden en jij pakt zijn zwaard en slaat hem daarmee met één slag zijn hoofd af. Op het ogenblik dat je dit doet, zul je achter je horen roepen : “Sla nog eens toe! Sla nog eens toe!” Maar jij, mijn zoontje, moet dat niet doen en antwoorden: De hand van een held slaat niet tweemaal toe; één slag is voldoende.’
Iwan-tsarewitsj had juist de tijd gehad zich onder de purperen mantel te verbergen, toen het buiten plotseling duister werd en alles in de omtrek begon te trillen: de Wervelstorm kwam er aanrazen. Hij sloeg met kracht tegen de grond, veranderde in een knappe jongeman en ging het paleis binnen met zijn strijdknots in zijn hand. ‘Foei! foei! Wat ruikt er bij jou zo naar christenmensen? Heb je soms een bezoeker gehad?’ De tsaritsa antwoordde: ‘Ik weet niet hoe je aan die indruk komt.’ De Wervelstorm wierp zich op haar en begon haar te omarmen en te kussen, maar Iwan pakte terstond de knots beet. ‘Ik zal je opeten!’ schreeuwde de Wervelstorm. ‘Nu, mijn grootmoeder zei altijd: het een of het ander. Of je eet me op of je doet het niet.’ De Wervelstorm verhief zich met een ruk van de grond en raasde het raam uit tot in de hoge hemel. Hij droeg Iwan-tsarewitsj mee over de bergen. ‘Wil je dat ik je te pletter laat vallen?’ zei hij, en toen ze boven de zee waren: ‘Wil je dat ik je laat verzuipen?’ Maar de tsarewitsj liet de knots niet los.
De Wervelstorm vloog over de hele wereld, maar ten slotte was hij uitgeraasd. Hij begon te dalen en wel rechtstreeks naar de kelder. Daar haastte hij zich naar de kuip aan de rechterkant, en dronk met volle teugen van het water dat krachteloos maakte. Maar Iwan-tsarewitsj snelde naar de linkerkant, dronk van het sterk makende water en werd de allersterkste held van de hele wereld. Toen hij zag dat de Wervelstorm geheel krachteloos was geworden, ontrukte hij hem zijn scherpe zwaard en sloeg hem met één slag het hoofd af. Achter hem riepen stemmen: ‘Sla nog eens toe! Sla nog eens toe!’ ‘Nee,’ antwoordde de tsarewitsj, ‘de hand van een held slaat niet twee keer toe, maar bij de eerste maal is alles afgelopen.’

Terstond maakte hij een vuur, verbrandde het lichaam en het hoofd en verstrooide de as in de wind. Zijn moeder was zo blij! ‘Laten we ons nu verheugen en wat eten, mijn allerliefste zoon,’ zei ze, ‘en dan zo gauw mogelijk naar huis gaan, want hier is het mistroostig – er is hier geen enkel mens.’ ‘En wie bedient hier?’ ‘Dat zul je zien.’ Zodra ze aan eten hadden gedacht, stond er meteen een tafel gedekt, waarop verschillende spijzen en wijnen verschenen. De tsaritsa en de tsarewitsj deden zich te goed, terwijl een onzichtbare muziek prachtige wijzen voor hen speelde. Zij aten, dronken en rustten wat. Toen zei Iwan-tsarewitsj: ‘Laten we gaan, moedertje, het is tijd, want onderaan de bergen wachten mijn twee broers. En onderweg moeten we de drie tsaritsa’s bevrijden die hier door de Wervelstorm gevangen werden gehouden.’

Ze namen al het nodige mee en begaven zich op weg. Het eerst gingen ze naar de tsaritsa van het gouden rijk, daarna naar die van het zilveren en ten slotte naar die van het koperen rijk, en namen hen mee.
Toen voorzagen ze zich van banen stof en allerlei gereedschap, en kwamen binnen korte tijd bij de plaats waar men zich van de bergen moest laten zakken. Iwan-tsarewitsj liet het eerst zijn moeder aan de stofbaan naar beneden, en daarna Jelena de schone en haar twee zusters. De broers stonden beneden te wachten en dachten bij zichzelf: ‘We zullen Iwan boven laten, maar onze moeder en de tsaritsa’s naar onze vader brengen en zeggen dat wij die gevonden hebben.’ ‘Jelena de schone neem ik voor mezelf,’ zei Pjotr-tsarewitsj. ’De tsaritsa van het zilveren rijk neem jij, Wassili, en de tsaritsa van het koperen rijk zullen we aan een generaal tot vrouw geven.’

Toen nu het ogenblik was gekomen dat Iwan-tsarewitsj van de berg moest worden neergelaten, grepen de oudere broers de stof beet, trokken er hard aan en scheurden ze stuk. En Iwan-tsarewitsj bleef op de bergen. Wat moest hij doen? Hij weende bitter en keerde om. Steeds verder liep bij door het koperen rijk, daarna door het zilveren en het gouden, maar er was geen levende ziel te vinden. Toen kwam hij in het briljanten rijk, en ook daar was niemand. Wat moest hij nu doen in zijn eenzaamheid? Hij verveelde zich dodelijk.
Daar zag hij opeens in een raam een fluit liggen en nam ze in zijn hand. ‘Nu,’ zei hij ‘uit verveling ga ik maar wat spelen.’ Nauwelijks had hij de eerste toon laten horen of er stonden opeens een lamme en een eenoog voor hem. ‘Wat is er van uw dienst, Iwan-tsarewitsj?’ ‘Ik wil eten.’ Terstond – waar hij vandaan kwam was niet te zien – stond er een tafel gedekt, met daarop de allerbeste wijnen en spijzen. Iwan-tsarewitsj at en dacht bij zichzelf: nu zou het niet kwaad zijn wat te rusten. Hij blies op zijn fluit en de lamme verscheen met de eenoog. ‘Wat wenst u, Iwan-tsarewitsj?’ ‘Laat er een bed gereedgemaakt worden.’ Nauwelijks had hij dit uitgesproken of het allerbeste bed stond al opgemaakt.
Hij ging er in liggen en sliep heerlijk uit. Daarna blies hij weer op de fluit. ‘Wat wenst u?’ vroegen de lamme en de eenoog hem. ‘Mag ik dan misschien alles wensen?’ vroeg de tsarewitsj. ‘Alles, Iwan-tsarewitsj. Voor wie op dit fluitje blaast, doen wij alles; zoals we vroeger de Wervelstorm gediend hebben, zo dienen we nu u met vreugde. Het is alleen nodig dat u deze fluit altijd bij u hebt.’ ‘Goed’ zei de tsarewitsj.’ ‘Laat ik dan terstond in mijn rijk zijn.’ Nauwelijks had hij dit gezegd of hij bevond zich op hetzelfde ogenblik in zijn eigen rijk, en wel midden op de markt. Hij liep daar wat heen en weer en kwam een schoenmaker tegen, zo’n echte kroegloper. De tsarewitsj vroeg: ‘Waar ga je heen, broertje?’ ‘Ik heb allerhand schoenen te koop, want ik maak ze zelf.’ ‘Neem mij aan als gezel.’ ‘Kun je dan schoenen maken?’ ‘Ja
, alles wat je wilt. Niet alleen schoenen, maar ook kleren.’ ‘Kom dan maar mee.’
Zij gingen naar huis en de schoenmaker zei: ‘Nu, gezel, daar heb je leer van de allerbeste soort; laat eens zien wat je er van kunt.’ Iwan-tsarewitsj ging naar zijn kamer, haalde de fluit te voorschijn, blies er op en de lamme verscheen met de eenoog. ‘Wat is er van uw dienst, Iwan-tsarewitsj ?’ ‘Laten de schoenen morgen klaar zijn.’ ‘O, dat is een kleinigheid, geen echte dienst.’ ‘Hier is het leer.’ ‘Wat is dat voor leer! Rommel, alleen goed om uit het raam te gooien!’
Toen de tsarewitsj de volgende dag wakker werd, stonden er op tafel prachtige schoenen van de allerbeste kwaliteit. Ook de schoenmaker stond op: ‘En, jongeman, heb je de schoenen klaar?’ ‘Dat heb ik.’ ‘Laat ze dan eens zien.’ De schoenmaker keek naar de schoenen en stond versteld: ‘Dat is me nog eens een meester! Geen meester, maar een wonder!’ En hij nam de schoenen mee naar de markt om ze te verkopen.

In die tijd werden er bij tsaar Bel Beljanin voorbereidingen getroffen voor drie bruiloften: Pjotr-tsarewitsj zou trouwen met Jelena de schone, Wassili-tsarewitsj met de tsaritsa van het zilveren rijk en die van het koperen rijk werd aan een generaal ten huwelijk gegeven. Voor deze bruiloften werden nu kleren gekocht, en voor Jelena de schone waren mooie schoentjes nodig. De mooiste schoenen waren bij onze schoenmaker gezien, en hij werd naar het paleis geleid. Jelena de schone wierp er een blik op. ‘Wat is dat?’ zei ze. ‘Alleen op de bergen kunnen ze zulke schoenen maken.’ Ze betaalde er een hoge prijs voor en beval: ‘Maak voor mij zonder de maat te nemen een tweede paar schoentjes; ze moeten voortreffelijk gemaakt zijn en versierd worden met edelstenen en briljanten. En ze moeten morgen klaar zijn, anders kom je aan de galg.’
De schoenmaker nam het geld en de edelstenen aan, en ging in een gedrukte stemming naar huis. ‘Wat een ramp!’ zei hij. ‘Wat moet ik nu doen? Hoe kan ik zulke schoentjes morgen klaar hebben, en dan nog wel zonder de maat te nemen? Je zult zien, ze hangen me morgen op. Laat ik nog maar eens voor het laatst mijn verdriet verdrinken met mijn vrienden.’ Hij ging naar de kroeg; daar had hij veel vrienden en zij vroegen hem: ‘Waarom ben je zo bedrukt, broeder?’ ‘Ach, beste vrienden, ze gaan me immers morgen ophangen?’ Maar waarom dan toch?’ De schoenmaker vertelde van zijn verdriet en zei toen: ‘Hoe kan ik nu nog aan werken denken ? Laten we liever voor het laatst drinken.’ Ze dronken en zopen zolang, dat hij ten slotte op zijn benen stond te wankelen. ‘Nu,’ zei hij, ‘ik neem een vaatje wijn mee naar huis en ga naar bed. En als ze me dan morgen komen halen om me op te hangen, drink ik terstond een hele emmer leeg. Laten ze het maar doen als ik buiten bewustzijn ben.’ En hij kwam thuis. ‘Nu, vervloekte kerel,’ zei hij tegen Iwan-tsarewitsj, ‘kijk eens wat jouw schoentjes hebben aangericht… zo en zo… en als ze me morgen komen halen, moet je me terstond wekken.’

s Nachts haalde Iwan-tsarewitsj zijn fluitje te voorschijn; hij blies erop en de lamme verscheen met de eenoog. ‘Wat is er van uw dienst?’ ‘Laten die schoenen morgen klaar zijn.’ ‘Heel goed.’ En Iwan-tsarewitsj ging slapen,
’s Morgens toen hij wakker werd, stonden de schoentjes op tafel en schitterden als vuur. Hij ging zijn baas wekken. ‘Baas! Het is tijd om op te staan.’ ‘Wat? Komen ze me al halen? Geef me dan heel vlug mijn vaatje wijn. Hier is een beker, schenk hem vol. Laten ze me maar ophangen als ik dronken ben.’ ‘Maar de schoenen zijn klaar.’ ‘Wat klaar? Waar zijn ze dan?’ De baas liep er haastig heen en wierp er een blik op. ‘Ach, hebben we die samen gemaakt?’ ‘Ja, vannacht. Herinner je je werkelijk niet meer hoe we ze gesneden en genaaid hebben?’ ‘Dat ben ik door mijn vaste slaap helemaal vergeten. Ik kan me er nauwelijks meer iets van herinneren.’
Hij nam de schoenen, pakte ze in en haastte zich naar het paleis. Jelena de schone zag de schoentjes en dacht bij zichzelf: Dat hebben de geesten zeker voor Iwan-tsarewitsj gedaan. ‘Hoe heb je dat klaargespeeld?’ vroeg ze de schoenmaker. ‘Ik kan immers alles maken,’ zei hij. ‘Als dat zo is, maak dan mijn bruidskleed voor mij. Het moet met goud geborduurd zijn en bezaaid zijn met briljanten en edelstenen. Maar morgenvroeg moet het klaar zijn – anders gaat je hoofd eraf.’
Opnieuw liep de schoenmaker met een bedrukt gezicht rond en zijn vrienden moesten lang op hem wachten. ‘Nu, wat is er?’ ‘Ja, wat?’ zei hij. ‘Het is of de duivel ermee speelt: daar is me een vijandin van de christenheid verschenen en heeft me bevolen voor morgen een japon met goud en edelstenen te borduren. En wat ben ik nu voor een kleermaker! Dus zullen ze zeker mijn hoofd afhakken.’ ‘Hé, broeder, de morgen is wijzer dan de avond: laten we pret maken.’
Ze gingen naar de kroeg en namen het ervan. De schoenmaker werd weer dronken, sleepte een heel vaatje wijn mee naar huis en zei tegen Iwan-tsarewitsj: ‘Nou, jongen, als je me wekt, zuip ik meteen een hele emmer leeg. Laten ze maar mijn hoofd afhakken als ik dronken ben. En zo’n japon kan ik van zijn leven niet klaar krijgen.’ De baas ging naar bed en begon te snurken, maar Iwan-tsarewitsj blies op zijn fluit, en de lamme verscheen met de eenoog. ‘Wat is er van uw dienst, tsarewitsj ?’ ‘Laat de japon morgen gereed zijn, en wel precies zo een als Jelena de schone bij de Wervelstorm droeg.’ ‘Zeer goed, ze zal klaar zijn.’ Toen het licht werd, ontwaakte Iwan-tsarewitsj en de japon lag op tafel, schitterend als vuur, zodat de hele kamer erdoor verlicht werd. Toen wekte hij zijn baas. Deze sperde zijn ogen wijd open. ‘Wat? Komen ze me soms halen om mijn hoofd af te hakken? Geef me heel gauw de wijn!’ ‘Maar de japon is gereed.’ ‘Is het mogelijk? Wanneer hebben we die dan afgekregen?’ ‘Vannacht, herinner je je dat niet? Je hebt ze zelf geknipt.’ ‘Ach, broeder, het kost me moeite het me te herinneren, ik zie het als in een droom.’ De schoenmaker nam de japon en haastte zich naar het paleis.

Jelena de schone gaf hem veel geld en bovendien het bevel: ‘Laat morgen bij het aanbreken van de dag het gouden rijk zich bevinden op een afstand van zeven werst in zee; en vandaar af tot aan ons paleis moet een gouden brug gebouwd zijn, bekleed met kostbaar fluweel; en langs de leuning aan beide zijden moeten prachtige bomen groeien, waarin vogels veelstemmig zingen. Als je dat niet voor morgen volbrengt, laat ik je vierendelen.’ De schoenmaker verliet Jelena de schone met hangend hoofd. Hij ontmoette zijn vrienden: ‘En wat, broeder?’ ‘Ja, wat? Ik ben verloren: morgen zullen ze me vierendelen. Ze heeft me zo’n opdracht gegeven, dat geen enkele duivel die kan uitvoeren.’ ‘Nou, zeg maar niets meer. De morgen is wijzer dan de avond: laten we naar de herberg gaan!’ ‘Ja, laten we dat doen. Een mens kan beter pret maken als het tegen zijn eind loopt.’

Ze dronken dus en bleven aan het drinken, en de schoenmaker was tegen de avond zo stomdronken dat ze hem naar huis moesten brengen. ‘Vaarwel, jongen,’ zei hij tegen Iwan-tsarewitsj. ‘Morgen word ik ter dood gebracht.’ ‘Heb je soms een nieuwe opdracht gekregen?’ ‘Ja, zo en zo.’ Hij ging liggen snurken, maar Iwan-tsarewitsj ging naar zijn kamer, blies op zijn fluit en de lamme verscheen met de eenoog. ‘Wat is er van uw dienst, Iwan-tsarewitsj ?’ ‘Kunnen jullie me deze dienst bewijzen?’ ‘Ja, Iwan-tsarewitsj, dat kan werkelijk een dienst worden genoemd. Maar daar is nu eenmaal niets aan te veranderen en morgen zal alles gedaan zijn.’ Nauwelijks was de volgende morgen aangebroken, of Iwan-tsarewitsj werd wakker; hij keek naar het raam, en – hemelse goedheid – alles was gedaan zoals het moest en het gouden paleis straalde als vuur. Hij wekte de baas, en deze sprong op. ‘Wat? Komen ze me halen? Geef me gauw de wijn. Laten ze me liever vierendelen als ik dronken ben.’ ‘Maar het paleis is klaar!’ ‘Wat zeg je?’ De schoenmaker keek door het raam naar buiten en stond verstomd. ‘Hoe is dat in zijn werk gegaan?’ ‘Herinner je je dan niet dat we het samen hebben klaargespeeld?’ ‘Ach, ik heb blijkbaar te vast geslapen en kan me er nauwelijks iets van herinneren.’
Ze snelden naar het gouden paleis – daar heerste ongeziene en ongehoorde rijkdom. Iwan-tsarewitsj zei: ‘Baas, hier heb je een vogelvleugel: ga op de brug de leuning vegen, en als er iemand komt die je vraagt: “Wie woont er in dat paleis?” moet je niets zeggen, maar hem alleen dit briefje geven.’ De schoenmaker ging dus de leuning van de brug schoonvegen.

’s Morgens werd Jelena de schone wakker, zag het gouden paleis en haastte zich terstond naar de tsaar: ‘Zie eens, majesteit, wat er bij ons is gebeurd: in de zee is een gouden paleis gebouwd, en vandaar loopt een zeven-werst-lange-brug, en langs de brug groeien prachtige bomen waarin vogels veelstemmig zingen.’
De tsaar zond dienaren uit om te vragen: ‘Wat heeft dit te betekenen? Komt er misschien een machtig krijgsman tegen mijn rijk optrekken?’ De boden kwamen bij de schoenmaker en begonnen hem vragen te stellen. Hij zei echter: ‘Daar weet ik niets van, maar ik heb een briefje voor uw tsaar.’

In dat briefje vertelde Iwan-tsarewitsj aan zijn vader hoe alles was gegaan: hoe hij zijn moeder had bevrijd, hoe hij Jelena de schone had gewonnen en hoe zijn oudere broers hem hadden bedrogen. Tegelijk met de brief zond Iwan-tsarewitsj gouden koetsen met het verzoek aan de tsaar en de tsaritsa om bij hem te komen met de tsaritsa Jelena de schone en haar zusters; maar de broers moesten achteraan komen in gewone houten karren.
Terstond gingen ze allen op weg, en Iwan-tsarewitsj kwam hun vol vreugde tegemoet. De tsaar wilde de oudste zoons wegens hun verraderlijk gedrag ter dood laten brengen, maar Iwan vroeg zijn vader om genade voor hen.
Toen werd er een reusachtig feestmaal aangericht en Iwan-tsarewitsj trouwde met Jelena de schone; aan Pjotr-tsarewitsj gaf hij de tsaritsa van het zilveren rijk tot vrouw en aan Wassili-tsarewitsj die van het koperen rijk. En de schoenmaker werd tot generaal benoemd.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2942-2760

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/6)

.

Russisch sprookje
.

Verteltijd ca. 7 min..

Paard, tafellaken en hoorn
.

Er leefde eens een oude vrouw die een erg domme zoon had.
Deze vond op zekere dag drie erwten, liep naar het dorp en stopte ze daar in de grond.
Toen de erwten waren opgeschoten, ging hij ze bewaken; en toen hij er weer eens een keer kwam kijken, zag hij dat er een kraanvogel in zat te pikken. De domoor sloop op hem af, pakte hem beet en zei: ‘Ik sla je dood!’
Maar de kraanvogel riep: ‘Nee, sla me niet, dan zal ik je iets ten geschenke geven.’ ‘Ga je gang,’ zei de domoor; en de kraanvogel gaf hem een paard, met de woorden: ‘Als je soms geld nodig hebt, zeg dan tegen dit paard: “Sta stil!” Maar als je genoeg gekregen hebt, moet je zeggen: “Vooruit!” ’
Toen nam de domoor het paard en wilde het bestijgen; hij riep: ‘Sta stil!’ en het paard loste zich op in zilverstukken. De domoor moest hierover hard lachen. Hij zei: ‘Vooruit!’ en het zilver werd weer een paard. Toen nam de domoor afscheid van de kraanvogel en leidde het paard naar huis.
Op het erf gekomen, bracht hij het rechtstreeks naar zijn moeder, en gaf haar daarbij op strenge toon het bevel: ‘Moedertje, zeg niet: “sta stil!” Maar zeg alleen: “Vooruit!”’
En hij ging terug naar de erwten.
Zijn moeder verkeerde lange tijd in twijfel. Waarom heeft hij die woorden tegen me gezegd? Ik zal maar eens sta stil! zeggen. En dat deed ze. Het paard loste zich op in zilverstukken. De ogen van de oude vrouw begonnen te schitteren; haastig raapte ze het geld bijeen in haar mand, en toen ze genoeg had, zei ze: ‘Vooruit!’

Intussen vond de domoor de kraanvogel weer in de erwten; hij pakte hem en bedreigde hem met de dood. Maar de kraanvogel riep: ‘Sla me niet! Ik zal je iets ten geschenke geven.’ En hij gaf hem een tafellaken, met de woorden: ‘Als je honger hebt, zeg dan: “Spreid je uit!” en als je klaar bent met eten, moet je zeggen: “Vouw je op!’” De domoor nam er terstond de proef mee en zei: ‘Spreid je uit!’ Het tafellaken spreidde zich uit. Hij at en dronk en zei: ‘Vouw je op!’ en het tafellaken deed het.
Toen nam hij het mee naar huis. ‘Kijk eens, moedertje,’ zei hij. ‘En zeg niet tegen dit tafellaken: “Spreid je uit!” maar zeg: “Vouw je op!”’
De domoor ging weer naar zijn erwten en de moeder deed met het tafellaken
hetzelfde als met het paard. Ze zei: ‘Spreid je uit!’ en genoot van de spijzen en dranken die er op verschenen. Daarna zei ze: ‘Vouw je op!’ en het tafellaken vouwde zich vanzelf op.

De domoor betrapte de kraanvogel opnieuw in de erwten, en ditmaal gaf deze hem een hoorn ten geschenke. Toen hij wegvloog, riep hij vanuit de lucht: ‘Domoor, zeg: “Uit de hoorn!”’ Tot zijn ongeluk zei de domoor hem deze woorden na, en plotseling sprongen er uit de hoorn twee sterke mannen met knuppels te voorschijn. Ze ranselden de domoor af en gingen daarmee door tot de arme jongen er bij neerviel. Toen riep de kraanvogel vanuit de lucht: ‘In de hoorn!’ en de mannen hielden op met slaan en kropen er weer in terug.

Weer kwam de domoor bij zijn moeder en zei: ‘Moedertje, zeg niet: “Uit de hoorn!” maar zeg: “In de hoorn!”’
Toen de domoor naar de buren was gegaan, deed de moeder eerst de deur op slot en zei: ‘Uit de hoorn!’ Terstond sprongen de mannen met knuppels te voorschijn en begonnen de oude vrouw af te ranselen. Zij schreeuwde moord en brand. De domoor hoorde haar schreeuwen en kwam toelopen; hij probeerde de deur open te doen, maar ze was op slot. Toen schreeuwde hij hard: ‘In de hoorn! In de hoorn!’ En de oude vrouw, wat bij gekomen van de slagen, maakte de deur voor hem open. Hij kwam binnen en zei: ‘Zie je wel, moedertje, ik had je toch geraden dat niet te zeggen.’

Nu wilde de domoor een feestmaal geven en nodigde daar voorname heren en bojaren voor uit. Zodra ze hadden plaatsgenomen, leidde de domoor het paard het huisje binnen en zei: ‘Sta stil! braaf paard.’ Het paard loste zich op in zilvergeld. De gasten waren verbaasd en begonnen het geld bijeen te grabbelen en in hun zakken te stoppen. Toen zei de domoor: ‘Vooruit!’ en het paard was er weer; het had alleen geen staart meer.
Daar hij zag dat het tijd was zijn gasten iets voor te zetten, haalde de domoor het tafellaken te voorschijn en zei: ‘Spreid je uit!’ Terstond spreidde het tafellaken zich uit, en er stonden vele soorten spijzen en dranken op in een grote hoeveelheid. De gasten aten, dronken en maakten plezier. Toen allen genoeg hadden, zei de domoor: ‘Vouw je op!’ en het tafellaken vouwde zich vanzelf op. De gasten begonnen nu te gapen en zeiden gekscherend: ‘Laat ons nog het een of ander zien, domoor.’ ‘Graag,’ zei de domoor, ‘voor u is me geen moeite te veel.’ En hij bracht de hoorn. De gasten schreeuwden terstond: ‘Uit de hoorn!’ en opeens kwamen er twee mannen met knuppels te voorschijn. Ze ranselden uit alle macht op de gasten in, zodat deze gedwongen waren het gestolen geld terug te geven en ervandoor gingen.

Maar de domoor leefde verder gelukkig met zijn moeder, zijn paard, zijn tafellaken en zijn hoorn, en won er vele bezittingen bij.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2934-2752

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/5)

.

Russisch sprookje

.
Verteltijd ca. 20 min.

Marko de Rijke en Wassili Zonder-Geluk
.

In een zeker land leefde eens een zeer rijke koopman. Hij had een dochter, Anastasia de schone, die vijf jaar oud was. De koopman heette Marko, met de bijnaam de Rijke. Bedelaars kon hij niet uitstaan; als ze zijn raam naderden, gaf hij terstond aan zijn knechten bevel hen weg te jagen en de honden tegen hen op te hitsen.

Eens kwamen er twee oude mannen met wit haar bij zijn raam. Marko zag hen en gaf bevel de honden op hen los te laten. Anastasia de schone hoorde dit en smeekte: ‘Mijn eigen vadertje, laat ik hen tenminste in de knechtenkamer bij de stal mogen laten.’ Haar vader vond het goed en gaf bevel de armen binnen te laten in het knechtenverblijf van de stal.

Toen allen in huis sliepen, stond Anastasia op en ging naar de stal; ze klom naar de zolder en keek naar de bedelaars. Tegen de tijd van de vroegmis begon de kaars bij de iconen vanzelf te branden; de oude mannen stonden op, haalden uit hun zakken misgewaden te voorschijn, trokken deze aan en lazen de vroegmis. Toen kwam er een engel van God aangevlogen : ‘Heren! In dat en dat dorp bij die en die boer is een zoon geboren. Welke naam beveelt u hem te geven, en welk lot moet hem worden beschoren?’ De ene grijsaard zei: ‘Ik geef hem de naam Wassili en de bijnaam Zonder-Geluk, en ik verleen hem de rijkdommen van Marko de Rijke, bij wie wij overnachten.’

Anastasia had alles gehoord. Het werd dag. De oude mannen legden hun gewaden af voor ze hun reis hervatten en verlieten het huis. Anastasia ging naar haar vader en vertelde hem alles wat ze in de stal had gezien en gehoord. Haar vader vreesde dat de voorspelling zou kunnen uitkomen en wilde weten of er werkelijk een jongetje was geboren in het dorp; hij beval de paarden in te spannen en reed erheen.
Daar gekomen, begaf hij zich rechtstreeks naar de pope en vroeg: ‘Is er op die en die dag bij u een jongen geboren?’ ‘Inderdaad,’ zei de priester, ‘bij de allerarmste boer. Ik gaf hem de naam Wassili en de bijnaam Zonder-Geluk, maar ik heb hem nog niet gedoopt, omdat niemand peter wilde worden van het arme kind.’
Marko bood aan de peter te zijn, vroeg de vrouw van de pope meter te worden en beval een rijk feestmaal aan te richten. Het kind werd gebracht en gedoopt, en daarna werd er geschranst naar hartenlust.

De volgende dag riep Marko de Rijke de arme boer bij zich, deed vriendelijk tegen hem en zei: ‘Vriend, je bent een arm man en je zult je zoon geen opvoeding kunnen geven. Sta hem af aan mij, ik zal hem helpen zelfstandig te worden; en aan jou geef ik dan duizend roebel om van te leven.’
Na lang beraad stemde de vader toe. Marko gaf hem het geld, nam het kind, wikkelde het in een mantel van vossenbont, legde het in de koets en reed weg. Toen ze enige wersten hadden afgelegd, liet Marko de Rijke de koetsier stoppen en gaf zijn petekind aan de rentmeester met het bevel: ‘Pak het bij zijn benen en gooi het in de greppel naast de weg.’ De rentmeester greep het kind en gooide het in de diepe greppel. En Marko riep het na: ‘Beschik daar nu maar over wat mij toebehoort.’

Drie dagen later reden er kooplui langs dezelfde weg die Marko had gevolgd; zij wilden aan Marko de Rijke een schuld van twaalfduizend roebel gaan terugbetalen. Toen de kooplui langs de greppel kwamen, hoorden ze daar een kind huilen. Ze stopten, luisterden en stuurden er toen een rentmeester op af om te kijken wat daar aan de hand was. De rentmeester daalde in de greppel af en zag een groene weide waarop een kind met bloemen zat te spelen. Hij vertelde dit aan zijn heer, deze stapte zelf uit, nam het kind op, wikkelde het in een bontmantel, ging weer in het rijtuig zitten en reed verder.
Zo kwamen ze bij Marko de Rijke. Deze vroeg hun waar ze dat kind vandaan hadden. De kooplui vertelden het en Marko begreep terstond dat het zijn petekind, Wassili Zonder-Geluk was. Hij nam het op zijn arm, hield het even vast en gaf het toen aan zijn dochter: ‘Hier, dochtertje, pas jij er maar op.’
Intussen zette hij zijn gasten, de kooplui, allerhande spijzen voor en vroeg of ze hem het jongetje wilden afstaan. Zij voelden daar eerst niet voor, maar toen Marko zei: ‘Ik scheld jullie dan de gehele schuld kwijt,’ gaven ze hem het kind en vertrokken.
Anastasia was zo blij met het kind, dat ze terstond voor een wieg zorgde en daar gordijnen om hing; ze was er voortdurend voor in de weer en bleef er dag en nacht bij. Zo verliep een dag en een tweede; maar op de derde dag kwam Marko zeer laat naar huis toen Anastasia al sliep. Hij pakte het kind, zette het in een vaatje, besmeerde dat met teer en wierp het van de kade in het water. Het vaatje dobberde een hele poos en kwam ten slotte aandrijven bij een klooster.

Juist ging een monnik water halen; hij hoorde een kind huilen, tuurde in die richting en ontdekte het tonnetje; terstond voer hij er in een bootje heen, kreeg het vaatje te pakken, sloeg het kapot en vond – een kind! Hij nam het mee en bracht het naar de abt van het klooster. De abt noemde de jongen Wassili met de bijnaam Zonder-Geluk; van die dag af bleef Wassili zestien jaar in het klooster en leerde er lezen en schrijven. De abt hield van hem en stelde hem aan als koster.

Toen gebeurde het dat Marko de Rijke voor een heel jaar naar een ander land moest reizen om daar schulden te innen. Onderweg bezocht hij hetzelfde klooster. Hij werd er ontvangen zoals dat voor een rijk man betaamde. De abt beval de koster naar de kerk te gaan; deze gehoorzaamde, stak er de kaarsen aan, zong en las. Marko de Rijke vroeg de abt: ‘Is hij al lang hier bij u in het klooster?’ De abt vertelde alles: hoe hij uit een tonnetje was gehaald en hoeveel jaar dat geleden was. Marko rekende het na en begreep dat het zijn petekind moest zijn. Hij zei tegen de abt: ‘Had ik maar een flinke man in dienst, zo een als uw koster, dan zou ik hem tot eerste rentmeester maken en mijn gehele geldbezit aan hem toevertrouwen. Zou u hem niet aan mij kunnen afstaan?’ De abt bleef lange tijd weigeren, maar toen Marko hem vijfentwintigduizend roebel voor zijn klooster beloofde, ging hij met de andere monniken te rade. Ze dachten erover na en stemden er in toe Wassili Zonder-Geluk af te staan.

Marko zond Wassili naar zijn huis en gaf hem de volgende brief voor zijn vrouw mee: ‘Vrouw! Als je mijn brief ontvangt, moet je terstond met deze bode naar de zeepfabriek gaan, en hem daar, als je er langs komt, in de grote ketel van de ziederij duwen. Doe zonder mankeren wat ik je zeg, want anders zal ik het streng op je verhalen. Ik beschouw deze jongen als een booswicht.’
Wassili nam de brief en ging. Onderweg kwam hij een oude man tegen die hem vroeg: ‘Waar ga je heen?’ Wassili antwoordde: ‘Naar het huis van Marko de Rijke met een brief voor zijn vrouw.’ ‘Laat me die brief eens zien.’ Wassili haalde hem te voorschijn en gaf hem aan de oude man; deze verbrak het zegel en liet Wassili de brief lezen. Deze kreeg tranen in zijn ogen: ‘Wat heb ik die man gedaan, dat hij mij het verderf inzendt?’ De oude man zei: ‘Treur niet, God zal je niet verlaten.’ Hij ademde op de brief en het zegel werd weer zoals het was geweest. ‘Ga nu en geef de brief aan de vrouw van Marko de Rijke.’

Wassili kwam in Marko’s huis en gaf de brief aan diens vrouw. Deze las de brief, dacht er een poosje over na, riep haar dochter Anastasia en las haar de brief van haar vader voor. Maar daarin stond: ‘Vrouw! Als je mijn brief hebt ontvangen, zorg er dan voor dat Anastasia de dag daarop met deze bode trouwt. Houd je vooral aan dit bevel! Want anders zul je daarvoor tegenover mij verantwoording moeten afleggen.’

Bij rijke mensen is het niet nodig bier te brouwen of wijn te maken, alles staat al klaar; en met een vrolijk feestmaal werd de bruiloft gevierd. Wassili werd in mooie kleren gestoken, men toonde hem Anastasia en zij kreeg hem lief. En dus werden ze getrouwd.

Op zekere dag bereikte de vrouw van Marko de Rijke het bericht dat haar man in de haven was geland, en zij ging hem met haar dochter en schoonzoon verwelkomen. Toen Marko zijn schoonzoon zag, werd hij woedend en zei tegen zijn vrouw: ‘Hoe heb je het gewaagd hem met onze dochter te laten trouwen?’ ‘Omdat jij het bevolen had,’ antwoordde de vrouw. Marko wilde nu zijn brief zien, las hem en moest toegeven dat het zijn eigen handschrift was.

Een maand, een tweede en een derde leefde Marko met zijn schoonzoon. Toen riep hij deze op zekere dag bij zich en zei: ‘Hier heb je een brief; ga ermee door driemaal negen landen naar het driemaal tiende rijk, naar mijn vriend de Drakentsaar. Vorder van hem de belasting van twaalf jaar omdat hij zijn paleis op mijn grond heeft gebouwd, en tracht te weten te komen waar mijn twaalf schepen zich bevinden die al drie jaar zijn uitgebleven. Vertrek morgenvroeg.’ Wassili nam de brief, ging naar zijn vrouw en vertelde haar alles wat Marko hem had opgedragen. Anastasia weende bitter, maar durfde haar vader niets voor hem te vragen.

De volgende morgen vroeg bad Wassili tot God, pakte gedroogd brood in zijn ransel en ging op weg. Hij liep steeds door, lange of korte tijd, en opeens, dichtbij of veraf, hoorde hij van terzijde een stem: ‘Wassili Zonder-Geluk, waar ga je heen?’ Hij keek overal om zich heen en zei: ‘Wie roept mij ?’ ‘Ik, de eik, vraag waar je heengaat.’ ‘Ik ga naar de Drakentsaar om belasting van twaalf jaar te halen.’ De eik zei: ‘Breng dan op een geschikt ogenblik het gesprek op mij -zeg dat de eik er al driehonderd jaar staat en vraag of hij nog lang zal blijven staan.’ Wassili hoorde hem aan en vervolgde zijn weg.
Hij kwam bij de rivier, waar een veerman de mensen overzette. Wassili ging in het veer zitten en de veerman vroeg hem: ‘Waar ga je heen, vriend?’ Wassili antwoordde hetzelfde als aan de eik. En de veerman vroeg hem de Drakentsaar eraan te herinneren dat hij nu al dertig jaar overzette; moest hij dat nog lang blijven doen?’ ‘Goed,’ zei Wassili, ‘ik zal het vragen,’ en ging verder.
Hij kwam bij de zee. Dwars daarover lag een walvis, en de mensen liepen en reden over de walvis heen en weer. Toen Wassili ook over hem heen liep, zei de walvis: ‘Wassili, waar ga je heen?’ Wassili gaf hetzelfde antwoord als aan de veerman en de walvis vroeg hem: ‘Als er zich een geschikt ogenblik voordoet, denk dan aan mij, en zeg dat er dwars over de zee een walvis ligt en dat de mensen te paard en te voet zijn lichaam tot op de ribben hebben stukgelopen. Moet hij daar nog lang blijven liggen?’
Wassili beloofde het en liep door. Hij kwam bij een groene weide, waarop een groot paleis stond. Wassili ging het paleis binnen en liep door alle kamers; en de ene was nog mooier dan de andere. Toen hij de laatste had bereikt, zag hij daar op een bed een beeldschoon meisje zitten dat bitter weende. Toen ze Wassili zag, stond ze op, kwam naar hem toe en vroeg: ‘Wat ben jij voor een mens en hoe ben je op deze vervloekte plaats gekomen?’ Wassili toonde haar de brief, en vertelde dat Marko de Rijke hem had bevolen van de Drakentsaar een belasting over twaalf jaar te vorderen. Het meisje wierp de brief in de kachel, en zei tegen Wassili: ‘Je bent niet hierheen gezonden om die belasting, maar om als voedsel voor de draak te dienen. Welke weg heb je gevolgd? Heb je onderweg niet het een of ander gezien of gehoord?’ Wassili vertelde haar over de eik, de veerman en de walvis. Nauwelijks had hij daar de tijd voor gehad of de aarde en het paleis begonnen te dreunen. Het meisje verborg Wassili terstond in een kist onder het bed en zei ‘Luister goed naar het gesprek dat ik met de draak zal voeren.’ En ze ging de draak verwelkomen. Toen hij de kamer betrad, zei deze: ‘Het ruikt hier naar christenvlees.’ Het meisje antwoordde: ‘Hoe kan hier een christenmens binnenkomen? Je bent over Rusland gevlogen en hebt de lucht van christenen in je opgezogen.’ De draak zei: ‘Ik ben doodmoe, zoek op mijn hoofd naar luizen,’ en ging op het bed liggen. Het meisje zei tegen hem: ‘Tsaar, toen je weg was, heb ik deze droom gedroomd. Ik liep over een weg, daar riep een eikenboom tegen me: “Vraag aan de tsaar of ik hier nog lang moet staan”.’
‘Hij zal zo lang moeten staan tot er iemand komt die hem een trap geeft. Dan wordt hij ontworteld en zal neervallen. En onder de boom bevindt zich een geweldige hoeveelheid goud en zilver – zoveel heeft zelfs Marko de Rijke niet.’ ‘En… dan kwam ik ook nog bij een rivier, waar een veerman de mensen overzette; en die veerman vroeg mij of hij nog lang heen en weer moest blijven varen.’
‘Hij moet de eerste die zich aanmeldt in het veer laten stappen en het dan van de oever afstoten – die man moet dan in alle eeuwigheid blijven overzetten, maar de veerman kan naar huis gaan.’ ‘…En daarna was het alsof ik over een walvis de zee overstak; en deze vroeg me, of hij nog lang zou moeten bhjven liggen.’
‘Hij moet blijven liggen tot het ogenblik dat hij de twaalf schepen van Marko de Rijke uitspuwt; dan zinkt hij en zijn lichaam wordt weer heel.’
Zo sprak de Drakentsaar en viel in een diepe slaap. Het meisje liet Wassili Zonder-Geluk uit de kist en vertelde hem hoe hij te werk moest gaan: ‘Je moet niet aan deze kant van de zee tegen de walvis zeggen dat hij de twaalf schepen van Marko de Rijke moet uitspuwen, maar ga eerst naar de overzijde en zeg het dan. Hetzelfde geldt als je bij de veerman komt: zeg niet aan deze kant wat je over hem gehoord hebt. En als je bij de eik komt, geef er dan een trap tegen in oostelijke richting; dan zul je onmetelijke rijkdommen zien.’
Wassili Zonder-Geluk bedankte het meisje en ging op weg.

Hij kwam bij de walvis en deze vroeg hem: ‘Heb je over mij gesproken?’ ‘Dat heb ik. Ik steek nu over en zal het je dan zeggen.’ Toen hij de overkant had bereikt, zei Wassili: ‘Spuw de twaalf schepen van Marko de Rijke uit.’ De walvis deed het, en de schepen zeilden weg, in het minst niet beschadigd. Maar Wassili zonk daardoor tot aan zijn knieën in het water. Daarna kwam hij bij de veerman.
Deze vroeg: ‘Heb je met de Drakentsaar over mij gesproken?’ ‘Dat heb ik,’ zei Wassili. ‘Maar zet me eerst over.’
Toen hij op de andere oever was geland, zei hij tegen de veerman: ‘Wie het eerst bij je komt, moet je in het veer laten plaatsnemen en daarna stoot je het veer van de oever af; dan moet die man in alle eeuwigheid blijven overzetten; en jij kunt naar huis gaan.’
Wassili Zonder-Geluk kwam ook bij de eik en gaf er een trap tegen; de eik viel om, en eronder lag een onmetelijke schat aan goud en edelstenen. Wassili keek achter zich en zag dat de twaalf door de walvis uitgespuwde schepen recht op de oever afstevenden. Zij werden bestuurd door dezelfde oude man die Wassili had ontmoet toen hij met de brief op weg was naar de vrouw van Marko de Rijke. De oude zei tegen Wassili: ‘Zie je nu, Wassili, waarmee God je heeft gezegend?’ Daarna verliet hij het schip en ging zijns weegs. De matrozen droegen het goud en het zilver naar de schepen, ze laadden het in, en toen ze daarmee gereed waren, staken ze in zee. En Wassili voer met hen mee.
Intussen was aan Marko de Rijke gemeld dat zijn schoonzoon met zijn twaalf schepen onderweg was en dat de Drakentsaar hem onmetelijke rijkdom had geschonken.

Marko werd woedend, omdat het niet ging zoals hij het had gewild; hij liet inspannen en begaf zich naar de Drakentsaar om hem een standje te geven. Hij kwam bij de veerman, nam plaats in het veer, de veerman stootte dit van de wal af – en Marko moest in alle eeuwigheid blijven overzetten.
Maar Wassili Zonder-Geluk keerde terug naar zijn vrouw en schoonmoeder, leidde een goed leven en vermeerderde zijn bezit; hij hielp de armen, gaf geld en voedsel aan de bedelaars en beschikte over alle bezittingen van Marko de Rijke.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 1e klas – sprookjes

.

2922-2741

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/4)

.

Klimka de dief
.

Een grondbezitter had een oude knecht die zo trouw was dat hij het hele huis mocht beheren; maar diens zoon Klimka was niet naar zijn vader geaard en had vanaf zijn vroegste kinderjaren het stelen geleerd, ofschoon zijn leven prettig en vrij genoeg was.
Zijn vader had hem uitgedost in een rood hemd en nieuwe laarsjes. Maar nee – op een oneerlijk mens kun je met giften en gaven geen indruk maken.
‘Vadertje,’ zei hij, ‘ik ga erop uit om een os te stelen.’
‘Ga niet, canaille! Ze zullen je hoofd er afrukken.’
Klimka luisterde niet naar zijn vader en ging stelen.

Er kwamen boeren aan die een kudde voor zich uitdreven. Klimka zag ze gaan, liep vooruit, trok een van zijn laarzen uit – zonder er iets om te geven dat ze nieuw waren – gooide die op de weg en verstopte zich in de struiken.
De boeren zagen de laars: ‘Hè, wat jammer dat het er maar één is. Als het een paar was van zulke laarzen, zou je ze kunnen aantrekken en ermee uitzien als een heer.’
Zo spraken ze, raapten de laars niet op en dreven hun kudde verder. Klimka wilde hun graag van dienst zijn: hij liep weer vlug vooruit, trok de tweede laars uit en gooide ze op de weg. De boeren zagen de laars, waren blij en liepen allemaal terug om de eerste te halen. Maar Klimka verloor geen tijd; zijn vingers jeukten om de zaak af te werken: hij nam een paar ossen en verdween.

‘Slecht, heel slecht heb je gehandeld,’ zei zijn vader. ‘Ik zal het aan de heer vertellen.’ En hij deed dit op een vrolijk ogenblik. Klimka werd geroepen.
‘Ze zeggen, Klimka, dat jij een dief bent?’ ‘Dat ben ik, heer.’ ‘Hahaha! Steel dan eens mijn hengst uit de stal.’ ‘Ik zal het doen, maar neem hem me dan later niet af.’ ‘Nee, ik zal hem je niet weer afnemen.’
De heer vond het een grap dat Klimka – zo’n jongen nog! – een dief zou zijn. De hengst werd bewaakt door een stel wachters: twee man hielden hem bij zijn teugel vast, twee bij zijn staart, vier bij zijn benen, een man zat op zijn rug en twee stonden op wacht bij de deur. In het geheel waren het elf bewakers. ‘Let goed op, jongens, niet inslapen of indommelen,’ zei de heer. ‘Als Klimka komt stelen, pak hem dan beet. We zullen hem leren en hem er flink van langs geven.’
De nacht kwam, en met hem kwam Klimka; hij klom op het dak, maakte daar een gat in en liet er aan halsters een vaatje wijn in zakken en heen en weer schommelen om de wachters te verlokken. ‘Broeders,’ zeiden de bewakers, ‘het lijkt of God ons een gave heeft gezonden, en we zouden domoren zijn als we daar geen gebruik van maakten.’ De een na de ander kwam zich aan het vaatje laven en de sterke wijn proeven; en zij proefden zo lang tot hun armen en neus omlaag hingen. Dat was nu juist waar Klimka op had gewacht. Hij was er meteen bij en ging alles regelen op zijn manier: de man die op het paard zat, haalde hij eraf en zette hem op een houtblok; de vier die de benen vasthielden, kregen elk een stok in de hand; zij die de staart bewaakten, kregen een bos uitgeplozen hennep toegestopt, en aan hem die de teugels vasthield gaf hij in plaats daarvan een stuk touw om vast te houden. Toen maakte hij de teugels van de hengst los en leidde het paard naar buiten. Hij besteeg het met veel zwier en reed tot voor de trap van het herenhuis. ‘Ach, ach, waar zijn mijn opzichters, waar zijn mijn wachten?’ De heer ging op onderzoek uit in de stal: daar lagen ze allen als versuft en sliepen hun roes uit.

‘Nu, Klimka, je hebt geluk. Het paard is van jou. Maar probeer nu eens mijn reiskist te stelen.’ ‘Dat zal ik doen, maar neem ze me niet af.’ ‘Nee, ik zal ze je niet afnemen.’

Klimka pakte een spade en een schop, ging naar het kerkhof, groef een dode op en maakte zich gereed voor de daad. Maar de heer verzamelde een troep bewakers die hij bewapende met hooivorken, spiesen en knuppels – je werd al bang als je naar hen keek! Alle wachters gingen in een kring zitten en plaatsten de kist midden tussen zich in. Daar zaten ze, verroerden geen vin, knipperden niet met hun ogen en pasten op het goed van hun meester. Het werd middernacht en er werd op het raam geklopt. De knuppels gingen omhoog, de spiesen schoten te voorschijn, de hooivorken werden op het raam gericht: daar vertoonde zich een hoofd, een mens klom naar binnen – Klimka de dief schoof de dode voor zich uit. Terstond stortten de wachters zich op het lijk, en sloegen en bewerkten het als koekdeeg. Toen gingen ze naar de heer om te zeggen dat ze Klimka hadden doodgeslagen en in stukken gehakt, en dat ze zijn reiskist uit alle macht verdedigd hadden. De heer prees hen niet, berispte hen ook niet en treurde blijkbaar niet erg over Klimka. Intussen droeg de dief de reiskist weg en ging naar bed.

Maar de volgende morgen had de heer zijn reiskist nodig en beval hun die aan hem te brengen; de knechten liepen er vlug heen en keken – hier had ze gestaan, maar nu stond ze er niet meer! ‘Wat een geschiedenis,’ dacht de heer. En kijk, daar kwam Klimka binnen. ‘Heb jij die reiskist weggenomen?’ ‘Ja, heer.’ ‘Hoe heb je dat dan gedaan?’ ‘Of ik ze wel of niet heb gestolen, dat is mijn zaak.’ ‘Nu, je bent aardig brutaal. Je zou misschien zelfs mijn vrouw durven stelen?’ ‘Dat zou ik kunnen, maar zonder losgeld krijgt u haar dan niet terug.’ ‘Afgesproken! Maar weet goed: als het je niet lukt, laat ik je ophangen.’ Zij werden het eens.

De heer omringde zijn vrouw nu met dienstboden, minnen en jonge meisjes. Zelf zat hij dag en nacht bij haar, keek haar in de ogen, bewaakte al haar schreden en volgde al haar sporen. Het was werkelijk heel moeilijk haar te stelen.

Toch moest de heer een keer door het bos rijden. Klimka liep vooruit en hing aan alle bomen klokjes. Zelf klom hij in de dichtstbijzijnde den, deed een strop om zijn benen en hing zichzelf op aan zijn voeten. Daar kwam de heer aan met zijn vrouw; hij zag dat Klimka aan de dennenboom schommelde en riep uit: ‘Ach, lieve Heer, daar heeft die dief Klimka zich opgehangen. Blijkbaar was hij bang voor mijn woede, omdat hij niet tot zijn meesteres heeft kunnen doordringen. Die arme Klimka!’ Maar overal in het bos hoorde hij de klokjes klingelen. ‘Jongens, wat is dat voor een geluid? Gaan jullie eens kijken.’ Eerst ging de ene knecht, toen de tweede, toen de derde, en ze gingen allemaal een andere kant op.
Ten slotte ging de heer er zelf opuit en verdween in het bos. Maar Klimka had alleen daarop gewacht: met een sprong maakte hij zich los van de boom, rende naar de calèche, in een ommezien zat hij op de bok, sloeg de paarden op hun flanken en het rijtuig rolde met hem weg. Toen de heer terugkwam, was zijn vrouw verdwenen, en hing er geen Klimka meer aan de boom – alleen het stof wervelde over de weg. Toen werd het hem duidelijk en te voet keerde hij naar huis terug. Daar beval hij Klimka te roepen. ‘Jij hebt je meesteres gestolen?’ ‘Ja.’ ‘Geef haar terug!’ ‘Nee heer, u maakt maar een grapje – een mens steelt niet om het dan weer terug te geven. Betaal me losgeld.’ ‘Hoeveel moet je hebben?’ ‘Een kistje vol zilver.’ De heer stemde toe. Klimka groef een gat en zette daar het kistje in na eerst de bodem eruit te hebben geslagen. De heer stortte er steeds maar zilver in zonder dat het kistje vol werd. En Klimka gaf de meesteres niet terug. De heer kreeg genoeg van het storten, de hele Klimka stond hem tegen en hij gaf bevel hem in zee te werpen.

Ze naaiden de dienstknecht Gods in een zak, legden die op het strand en gingen weg om een steen te zoeken die ze aan zijn hals wilden hangen. Maar Klimka de dief rolde in de zak heen en weer en begon hard te roepen: ‘Heren! Bojaren! Laat Gods gerechtigheid heersen! Ze willen een wojewode [soort legerleider, onderkoning] van me maken, ik moet rechtspreken en oordelen, maar ik deug niet voor wojewode!’ Een bojaar die juist voorbijging, hoorde deze woorden. Hij kwam naderbij en vroeg: Wat zeg je daar, broeder?’ ‘Ze willen een wojewode van me maken, ik moet rechtspreken en oordelen, maar ik deug niet voor wojewode.’ ‘Laat mij je plaats innemen. Klim eruit.’ De bojaar kroop in de zak, en zag zichzelf al als wojewode – hij kwam echter terecht in het water. Maar Klimka was weer in vrijheid ; hij werd een vrije kozak en leefde er tot ieders last op los – tot zijn brutale hoofd werd afgeslagen.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2885-2706

.

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/3)

.

Russisch sprookje

.

Vorst Roodneus
.

Een vrouw had een stiefdochter en een eigen dochter. De laatste kon doen wat ze wilde, voor alles werd ze over haar hoofd gestreeld en ‘een knappe meid’ genoemd. Maar hoe bereidwillig de stiefdochter ook was, ze kon het haar stiefmoeder met niets naar de zin maken. Nooit was het goed, altijd was het verkeerd wat ze deed. Om de waarheid te zeggen: het was een meisje van goud en in goede handen zou ze als boter zijn geweest. Maar bij haar stiefmoeder was ze iedere dag in tranen.
Wat was daaraan te doen? De wind raast en loeit een poos en gaat dan weer liggen. Maar als een oude vrouw van leer trekt, komt er zo gauw geen rust – iedere keer bedenkt ze wat nieuws om haar tanden te slijpen.

Zo kwam ze op het idee haar stiefdochter het huis uit te jagen. ‘Breng haar weg, breng haar weg, oude man, waarheen je wilt. Dan hoeven mijn ogen haar niet meer te zien en mijn oren haar niet meer te horen. Maar niet naar familie in een warm huis – zet haar op het open veld in de krakende vorst.’
De oude man was bedroefd en huilde, maar toch zette hij zijn dochter op de slee. Eerst wilde hij een paardendeken over haar uitspreiden, maar hij durfde niet. En zo bracht hij het dakloze meisje naar het open veld. Daar zette hij haar neer op een sneeuwhoop, sloeg een kruis over haar en reed zo vlug mogelijk naar huis terug om de dood van zijn dochter niet te zien.

Het arme kind bleef alleen achter, beefde van de kou en bad in stilte.
Toen kwam huppelend en springend de vorst er aan. Hij bekeek het mooie meisje: ‘Meisje, meisje, ik ben vorst Roodneus.’ ‘Wees welkom, vorst. God heeft je zeker gezonden om mijn zondige ziel te halen.’ De vorst had haar willen aanraken en bevriezen, maar haar verstandige woorden bevielen hem en hij had medelijden met haar. Hij wierp haar een pelsmantel toe, zij deed die aan, trok haar benen onder zich en bleef zo zitten.

En weer kwam vorst Roodneus er aanhuppelen. Hij bekeek het mooie meisje en zei: ‘Meisje, meisje, ik ben vorst Roodneus.’ ‘Welkom, vorst. God heeft je zeker gezonden om mijn zondige ziel te halen.’ De vorst kwam echter helemaal niet om haar ziel, maar had voor het meisje een grote en zware kist meegebracht, gevuld met een veelsoortige uitzet. Daar zat ze nu in haar pelsjasje op de kist, zo vrolijk en lief om te zien!

Opnieuw kwam vorst Roodneus er aanhuppelen en springen en bekeek het mooie meisje. Zij begroette hem vriendelijk en deze keer gaf hij haar een met goud en zilver bestikte japon. Ze trok die aan en zag er schitterend in uit. Daar zat ze dan en zong het ene liedje na het andere…

Haar stiefmoeder had echter het maal voor haar begrafenis al gereedgemaakt en pannenkoeken gebakken. ‘Ga er heen, man, en breng je dochter terug om haar te begraven.’ De oude man gehoorzaamde, maar het hondje onder de tafel blafte: ‘Tjaf! Tjaf! De dochter van de oude man draagt goud en zilver, maar die van de oude vrouw willen de vrijers niet.’ ‘Koest, domme hond! Daar heb je een pannenkoek. En zeg: “De dochter van de oude vrouw willen de vrijers graag, maar van die van de oude man komen alleen de botjes thuis”.’ Het hondje at de pannenkoek op, maar blafte weer: ‘Tjaf! Tjaf! De dochter van de oude man draagt goud en zilver, maar die van de oude vrouw willen de vrijers niet.’ En of de oude vrouw het nu pannenkoeken gaf of het sloeg – het hondje bleef steeds blaffen: ‘De dochter van de oude man draagt goud en zilver, die van de oude vrouw willen de vrijers niet.’

Toen knarste de poort, de deur ging open, de grote, zware kist werd binnengebracht, en de stiefdochter verscheen, stralend als een voorname dame. Toen de stiefmoeder haar zag, sloeg ze de handen ineen, en riep: ‘Oude man, oude man, span nieuwe paarden in en breng gauw mijn dochter weg. Zet haar neer op hetzelfde veld en op dezelfde plek.’

De oude man reed naar hetzelfde veld en zette haar neer op dezelfde plek. Ook nu kwam vorst Roodneus er aanhuppelen en springen. Hij bekeek zijn gast, maar vernam geen vriendelijk woord. Toen werd hij boos en vroor haar dood.

‘Oude man, oude man, span flinke paarden in en ga mijn dochter naar huis halen. Maar pas op dat de slee niet omslaat en dat de kist er niet afvalt.’

Maar het hondje onder de tafel blafte: ‘Tjaf! tjaf! De dochter van de oude man willen de vrijers graag, maar van die van de oude vrouw komen alleen de botjes thuis.’ ‘Lieg niet! Hier heb je een pasteitje. En zeg: “de dochter van de oude vrouw komt er aan in het goud en het zilver”.’
De poort ging open, de oude vrouw liep naar buiten om haar dochter te verwelkomen, maar in plaats daarvan kon ze alleen haar koude lichaam omarmen. Ze jammerde en klaagde luid, maar het was te laat…

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2879-2700

.

.

.

VRIJESCHOOL – Vertelstof-sprookje (8-3/2)

.
Dit Russische sprookje gebruikte ik meerdere keren om de letter V aan te leren.*
.

Finist, de heldere valk
.

Eens leefde er een oude man met zijn oude vrouw. Zij hadden drie dochters, en de jongste was zo mooi dat het met geen woorden te zeggen was en met geen pen te beschrijven viel.
Op zekere dag ging de oude man naar de jaarmarkt in de stad en zei: ‘Mijn lieve dochters, wat kunnen jullie gebruiken? Zeg het maar, ik zal alles op de jaarmarkt voor jullie kopen.’
De oudste vroeg: ‘Koop een nieuwe japon voor mij, vadertje.’
De middelste: ‘Koop voor mij een schouderdoek.’
Maar de jongste zei: ‘Koop voor mij een rood bloempje.’
De oude man lachte zijn jongste dochter uit: ‘Dom kind, wat heb je aan een rood bloempje? Wat is daar nu aan? Ik zal liever mooie kleren voor je kopen.’ Maar wat hij ook zei, hij kon haar niet ompraten: ‘Koop een rood bloempje,’ daar bleef het bij.

De oude man ging naar de jaarmarkt, kocht voor zijn oudste dochter een japon, voor de middelste een schouderdoek, maar een rood bloempje kon hij in de hele stad niet vinden. Hij was al aan het wegrijden, toen hij een onbekende oude man tegenkwam die een rood bloempje in zijn hand had. ‘Oudje, verkoop mij dat bloempje.’ ‘Dat is niet te koop, het is een voorspellende bloem. Als je jongste dochter met mijn zoon Finist, de heldere valk, wil trouwen, geef ik je het bloempje voor niets.’
De vader was in tweestrijd: nam hij het bloempje niet, dan zou hij zijn dochter bedroeven; maar deed hij het wel, dan moest hij haar laten trouwen met de hemel weet wat voor iemand. Hij dacht er lang over na en nam toch maar het rode bloempje aan. ‘Wat voor kwaad kan het eigenlijk,’ dacht hij. ‘De jongen moet haar eerst ten huwelijk komen vragen en als hij ons niet aanstaat, kan hij geweigerd worden.’

Hij reed naar huis, gaf aan zijn oudste dochter de japon, aan de middelste de sjaal; maar aan de jongste gaf hij het bloempje met de woorden: ‘Dat bloempje van jou bevalt me niet, lieve kind, het bevalt me helemaal niet.’ En zachtjes fluisterde hij haar in het oor: ‘Want het is een voorspellende bloem en het was niet te koop; ik heb het gekregen van een onbekende oude man, op voorwaarde dat ik jou tot vrouw geef aan zijn zoon Finist, de heldere valk.’
‘Trek het je niet aan, vadertje,’ 2ei de dochter. ‘Want hij is goed en lief. Als heldere valk vliegt hij door de lacht, maar als hij zich met een slag op de grond laat vallen, wordt hij de allerknapste en allerverstandigste jongeman.’ ‘Ken je hem dan?’ ‘Ik ken hem vadertje. De vorige zondag was hij in de mis en heeft de hele tijd naar me gekeken. En ik heb ook met hem gesproken — hij houdt immers van me, vadertje.’ De oude man schudde zijn hoofd, keek zijn dochter scherp aan, bekruiste haar en zei: ‘Ga naar je kamer, lief dochtertje. Het is tijd van slapen. De morgen is wijzer dan de avond – later zullen we beraadslagen.’ De dochter sloot zich op in haar kamertje, zette het rode bloempje in het water, maakte het raam open en tuurde in de blauwe verte.

Plotseling – waar hij vandaan kwam viel niet te zeggen – verscheen vóór haar in de lucht Finist, de heldere valk met de bonte veren. Hij fladderde het raam binnen, liet zich met een slag op de grond vallen en werd een jongeman. Het meisje was geschrokken; maar toen hij daarna met haar begon te spreken, voelde ze zich zo wonderlijk vrolijk en blij te moede! Ze praatten met elkaar tot de zon opging – ik weet heus niet waarover. Ik weet alleen dat Finist, de heldere valk met de bonte veren, haar, toen het licht begon te worden, kuste en zei: Iedere nacht zal ik naar je toe komen vliegen, mijn liefste, maar je moet steeds het rode bloempje in het raam zetten. En hier heb je een veertje uit mijn vleugel: als je soms mooie kleren nodig hebt, ga dan naar buiten voor de deur staan en wuif ermee naar de rechterkant – en in een oogwenk staat alles wat je hart begeert voor je.’ Hij kuste haar nog eens, veranderde weer in een heldere valk en vloog weg naar het donkere bos. Het meisje keek haar verloofde na, sloot het raam en ging slapen.

Van die tijd af kwam iedere nacht zodra ze het rode bloempje voor het open raam had gezet, Finist, de heldere valk, de knappe jongeman, naar haar toevliegen.

Toen werd het zondag. De oudere zusters kleedden zich op hun mooist voor de mis. ‘Maar wat trek jij aan? Je hebt immers niets nieuws,’ zeiden ze tegen de jongste. Zij antwoordde: ‘Dat hindert niet. Ik kan ook thuis bidden.’
De oudere
zusters gingen naar de kerk, maar de jongste zat in haar werkkleren voor het raam te kijken naar de gelovigen die naar de mis gingen. Ze wachtte het goede ogenblik af, ging buiten voor de deur staan, woof met het lichte veertje naar de rechterkant, en – waar hij vandaan kwam, was niet te zeggen – daar stond een kristallen koets vóór haar, met raspaarden bespannen, met lakeien in het goud, vol kleren en allerlei sieraden van veelkleurige edelstenen.
In een oogwenk was het mooie meisje aangekleed; ze stapte in de koets en reed naar de kerk. De mensen zagen haar schoonheid en waren verwonderd: ‘Het zal wel de een of andere tsarewna zijn,’ zeiden ze tegen elkaar. Onder het slotgezang verliet ze vlug de kerk, nam plaats in de koets en reed terug. De kerkgangers hadden wel willen zien waar ze heen reed, maar daar kwam niets van in: toen ze naar buiten stroomden, was het meisje al lang verdwenen. Nauwelijks had onze schoonheid haar huis bereikt of ze woof met het bonte veertje naar de linkerkant, en in een oogwenk hadden dienstmeisjes haar mooie kleren uitgetrokken en was de koets uit het gezicht verdwenen. Alsof er niets was gebeurd, zat ze weer als tevoren aan het raam naar de mensen te kijken die uit de kerk terugkwamen. Ook de zusters kwamen thuis: ‘O, zusje, wat een schoonheid was er vandaag in de mis!’ riepen ze. ‘Gewoon een lust voor het oog! Niet te zeggen en niet te beschrijven! Het moet een tsarewna uit een vreemd land zijn geweest – ze was zo prachtig, zo schitterend gekleed!’

De tweede zondag kwam en de derde; en telkens nam het mooie meisje de kerkgangers, haar zusters en haar vader en moeder kalm in het ootje. Maar de laatste maal vergat ze bij het uitkleden een briljanten steekspeld uit haar vlechten te nemen.
De oudere zusters kwamen uit de kerk en vertelden haar over de mooie tsarewna, maar toen ze eens goed naar hun jongste zuster keken, zagen ze de briljant als vuur in haar vlechten schitteren. ‘O, zuster, wat heb je daar?’ riepen de meisjes. ‘Precies zo’n speld had de tsarewna immers vandaag in het haar. Waar heb je die vandaan?’ Het mooie meisje uitte een kreet van schrik en snelde naar haar kamertje. Er kwam geen einde aan de vragen, de vermoedens en het gefluister, maar de jongste zuster zweeg en lachte in haar vuistje.

Toen gingen de oudere zusters op haar letten; ze stonden ’s nachts te luisteren bij haar kamertje, en op een keer hoorden ze een gesprek tussen haar en Finist, de heldere valk. En bij het aanbreken van de dag zagen ze met eigen ogen hoe hij uit het raam naar het donkere bos vloog.
Het moeten boosaardige meisjes geweest zijn, die zusters. Ze spraken af om voor de avond in het raam van het kamertje van hun zuster scherpe messen te plaatsen, zodat Finist, de heldere valk, zijn bonte vleugels zou snijden. Wat ze bedacht hadden, voerden ze ook uit; maar de jongste zuster had er geen erg in: ze zette haar rode bloempje in het raam, ging in bed liggen en sliep vast in. Finist, de heldere valk, kwam er aanvliegen, maar toen hij het raam wilde binnenfladderen, sneed hij zich in zijn linkerpoot. Het mooie meisje merkte daar niets van – ze sliep zo heerlijk en zo rustig. Vertoornd steeg de heldere valk op naar de hoge hemel en vloog weg over het donkere bos.

’s Morgens werd de schoonheid wakker; ze keek naar alle kanten, het was al licht, maar van de jongeman viel niets te bespeuren. Toen keek ze naar het raam: daar staken kruiselings scherpe messen omhoog, en rood bloed druppelde daarvan op het bloempje. Lange tijd vergoot het meisje bittere tranen, vele slapeloze nachten bracht ze door aan het raam van haar kamertje — maar vergeefs. Er kwam geen heldere valk Finist aanvliegen en hij zond ook geen dienaar. Ten slotte ging ze met betraande ogen naar haar vader, vroeg zijn zegen, en zei: ‘Ik ga waarheen mijn ogen zich richten.’
Ze liet drie paar ijzeren schoenen voor zich maken, drie ijzeren staven om op te steunen, drie ijzeren mutsen, drie ijzeren hostiebroden. Met het ene paar schoenen aan haar voeten, de muts op haar hoofd, de staf in haar hand sloeg ze de richting in, waaruit Finist, de heldere valk, steeds naar haar toe was komen vliegen. Ze liep door het donkere bos, moest er over boomstronken en omgevallen stammen klimmen, maar het mooie meisje liep steeds verder en het bos werd steeds donkerder; de ijzeren schoenen waren al aan het slijten, de ijzeren muts niet minder, de staf was gebroken, het hostiebrood opgegeten, maar het mooie meisje liep steeds verder en het bos werd steeds donkerder en dichter.
Plotseling zag ze een ijzeren hutje; het stond op kippenpoten en was aanhoudend aan het draaien. Het meisje zei: ‘Hutje, hutje! Sta stil
met je rug naar het bos, maar met je voorzijde naar mij gekeerd.’ Het hutje draaide zich om en stond met de voorzijde naar haar gericht. Zij ging er binnen – en daar lag een Baba Jaga, uitgestrekt van de ene hoek naar de andere, met haar lippen op het vloerzand, terwijl haar neus tegen de zoldering stootte
‘Foei! Foei! Vroeger was er nergens een christenziel te zien of te horen, maar tegenwoordig lopen er christenmensen door de hele wijde wereld, ze komen me voor ogen en dringen zich op aan mijn neus. Waarheen ben je op weg, mooi meisje? Ben je voor daden gevlucht of wil je zelf daden gaan doen?’
‘Vroeger was Finist, de heldere valk met de bonte veren, van mij, grootmoedertje; maar mijn zusters hebben hem kwaad gedaan. En nu zoek ik Finist, de heldere valk.’
‘Dan zul je nog ver te lopen hebben, kleintje, nog door heel veel landen. Finist, de heldere valk met de bonte veren, leeft in het vijftigste rijk, in het tachtigste land, en hij heeft zich al verloofd met een tsarewna.’

De Baba Jaga gaf het meisje te eten en te drinken, en bracht haar naar bed. Maar zodra het ’s morgens licht was geworden, wekte ze haar en gaf haar een kostbaar geschenk: een gouden hamertje en tien briljanten spijkertjes, met de woorden: ‘Als je bij de blauwe zee komt, zal de verloofde van Finist, de heldere valk, langs het strand gaan wandelen; dan moet je het gouden hamertje ter hand nemen en daarmee op de briljanten spijkertjes slaan. Zij zal ze allebei van je willen kopen, maar jij, mooi meisje, moet er niets voor aannemen, en alleen vragen of je naar Finist, de heldere valk, mag kijken. Ga nu met God naar mijn middelste zuster.’

Opnieuw trok het mooie meisje door het donkere bos, steeds verder en verder, en het bos werd steeds donkerder en dichter – de toppen van de bomen rankten tot in de hemel. Het tweede paar schoenen was al versleten, de tweede muts ook, de ijzeren staf was gebroken en het ijzeren hostiebrood opgegeten – daar stond vóór het meisje een ijzeren hutje op kippenpoten dat zich aanhoudend in de rondte draaide. ‘Hutje, hutje! Sta stil met je rugzijde naar het bos gekeerd en je voorkant naar mij. Ik wil bij je binnenklimmen en brood eten.’ Het hutje draaide zich met de rugzijde naar het bos en de voorkant naar het meisje. Zij ging er binnen – en daar lag een Baba Jaga uitgestrekt van de ene hoek naar de andere, met de lippen op het vloerzand, terwijl haar neus tegen de zoldering stootte. ‘Vroeger was er geen christenziel te zien of te horen, maar nu lopen er christenmensen door de wijde wereld. Waarheen ben je op weg, mooi meisje.’ Grootmoedertje, ik zoek Finist, de heldere valk.’ ‘Hij staat op het punt te trouwen, het is daar al de avond voor de bruiloft,’ zei dc Baba Jaga. Ze gaf het meisje te eten en te drinken, en bracht haar naar bed. Maar toen het de volgende morgen licht was geworden, wekte ze haar, gaf haar een gouden schoteltje met een briljanten kogeltje, en zei met veel nadruk: ‘Als je aan het strand van de blauwe zee komt, moet je het briljanten kogeltje over het gouden schoteltje laten rollen. Dan zal de bruid van Finist, de heldere Valk, bij je komen en het schoteltje met het kogeltje van je willen kopen. Maar jij moet geen geld aannemen en alleen vragen of je naar Finist, de heldere valk met de bonte veren, mag kijken. Ga nu met God naar mijn oudste zuster.’

Weer liep het mooie meisje door het donkere bos, steeds verder en verder, en het bos werd steeds donkerder en dichter. Het derde paar schoenen was al versleten, de derde muts ook, de laatste staf was gebroken en het laatste hostiebrood opgegeten — daar stond een ijzeren hutje op kippenpoten en draaide voortdurend in het rond. ‘Hutje, hutje! Draai je met je rugzij naar het bos en met je voorkant naar mij; ik wil bij je binnenklimmen en brood eten.’ Het hutje draaide zich om, en weer lag er een Baba Jaga in, uitgestrekt van de ene hoek naar de andere, met haar lippen op het vloerzand terwijl haar neus tegen de zoldering stootte. ‘Foei, foei! Vroeger was er geen christenziel te zien of te horen, maar nu wandelen christenmensen door de wijde wereld. Waarheen ben je op weg, mooi meisje?’ ‘Grootmoedertje, ik zoek Finist, de heldere valk.’ ‘Ach, mooi meisje, hij is al met de tsarewna getrouwd. Hier heb je mijn snelle ros, bestijg het en rijd met God.’ Het meisje besteeg het ros en galoppeerde weg, en het bos werd steeds minder dicht.

Daar strekte de blauwe zee zich tot in de wijde verte voor haar uit, en daar héél ver schitterden als vuur de gouden torenspitsen van witstenen paleizen. ‘Dat zal het rijk van Finist, de heldere valk, zijn,’ dacht het meisje. Ze ging op het dorre zand zitten en sloeg met het gouden hamertje op de briljanten spijkertjes. Toen kwam de tsarewna er aan met al haar minnen, dienstmeisjes en hofdames; ze stond stil en wilde geld bieden voor de briljanten spijkertjes en het gouden hamertje. ‘Laat me alleen een blik mogen werpen op Finist, de heldere valk, tsarewna, dan mag je het voor niets hebben,’ zei het meisje. ‘Finist, de heldere valk, slaapt op het ogenblik, en heeft bevolen niemand bij hem toe te laten. Maar geef me je prachtige spijkertjes en het hamertje, dan mag je hem zien. Dat moet dan maar.’

Ze nam het hamertje en de spijkertjes, haastte zich naar het paleis en stak in de kleding van Finist, de heldere valk, een betoverde sierspeld, waardoor hij zo vast zou slapen dat hij niet kon ontwaken. Daarna gaf ze haar dienstmeisjes bevel het mooie meisje in het paleis te brengen bij haar man, de heldere valk; en intussen ging ze wandelen.
Lang lag het meisje voor haar liefste op de knieën, lang weende zij bij hem, maar ze vermocht hem niet te wekken.
Toen de tsarewna lang genoeg gewandeld had, kwam ze thuis, joeg het meisje weg en trok de sierspeld eruit. Finist, de heldere valk, werd wakker. ‘Ach, wat heb ik lang geslapen,’ zei hij. ‘Er is hier iemand geweest die lange tijd bij mij heeft geweend en gejammerd; maar ik kon mijn ogen niet opendoen – het was erg moeilijk voor me.’ ‘Dat heb je maar gedroomd,’ zei de tsarewna. ‘Er is hier niemand geweest.’

De volgende dag zat het mooie meisje weer aan het strand van de blauwe zee en liet de briljanten kogel over het gouden schoteltje rollen. De tsarewna kwam naar buiten om te wandelen, zag het en vroeg: ‘Verkoop het mij.’ ‘Als ik alleen maar een blik mag werpen op Finist, de heldere valk, geef ik het u voor niets.’ De tsarewna vond het goed en stak opnieuw een sierspeld in de kleren van Finist, de heldere valk. Weer weende het meisje bitter bij haar geliefde, weer kon ze hem niet wekken. En op de derde dag zat ze bedroefd en somber aan het strand van de blauwe zee en voerde haar ros met gloeiende kolen. De tsarewna zag dat het ros zich met vuur liet voeren en wilde er geld voor bieden. ‘Als ik alleen maar een poosje mag kijken naar Finist, de heldere valk, dan geef ik het u voor niets.’ De tsarewna vond het goed, haastte zich naar het paleis en zei: ‘Finist, heldere valk, laat ik je hoofd eens afzoeken.’ Ze ging zijn hoofd zitten afzoeken en stak daarbij de sierspeld in zijn haar. En hij sliep terstond in. Toen zond zij haar gedienstigen om het mooie meisje te halen.

Dit kwam, trachtte haar geliefde te wekken, omarmde hem, kuste hem en weende bitter. Maar hij werd niet wakker. Ze begon zijn hoofd af te zoeken en trok toevallig de betoverde sierspeld uit zijn haar.

Finist, de heldere valk met de bonte veren, werd onmiddellijk wakker, zag het mooie meisje en was zeer verheugd. Zij vertelde hem alles wat er gebeurd was: dat haar boze zusters jaloers op haar waren geweest, hoe ze had rondgezworven en hoe ze had gemarchandeerd met de tsarewna. Hij hield nog meer van haar dan tevoren, kuste haar op haar zoete lippen en beval zonder uitstel zijn bojaren, vorsten en mannen van alle standen bijeen te roepen. En hij stelde hun de vraag: ‘Hoe luidt uw oordeel: met welke vrouw moet ik mijn leven doorbrengen, met haar die me heeft verkocht, of met deze die alles voor me heeft over gehad?’ Alle bojaren en vorsten en mannen van andere standen beslisten als uit één mond dat hij haar moest nemen die alles voor hem had over gehad, en dat zij die hem had verkocht, aan de poort moest worden opgehangen en doodgeschoten. En zo handelde Finist, de heldere valk met de bonte veren.

.

Sprookjes – alle artikelen

Vertelstof – alle artikelen

1e klas – alle artikelen

Vrijeschool in beeld1e klas – sprookjes

.

2874-2695

.

.

.