Categorie archief: Uncategorized

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St. Nicolaas (20)

.

HULPSINT

Fout: sint met scheve baard en kegel

Talloze hulpsinterklazen trekken deze dagen hun mantel aan. Maar waar moet een goede hulpsint aan voldoen? Theo Cremers was tien jaar Sint in Eindhoven en geeft tips.

•  “Hou rekening met een vermoeiende dag. Sint moet alle kinderen een hand geven en alle tekeningen aannemen. Ik beveel aan om voor de tekeningen een papier-Piet mee te nemen.”
• “Niet hard lopen! Als Sinterklaas moet je schrijden, ook al kom je in tijdnood.”
•  “Kleed je warm aan. Ik trok als het koud was een vuilniszak aan onder mijn toog, tegen de wind.”
•  “je moet niet bang zijn voor paarden. Sint hoort op een paard aan te komen, niet met de trein.”
•  “Baldadige kinderen? Die geef je ook een aai over de bol. De Pieten zijn je lijfwacht, ze moe­ten zorgen dat kinderen niet aan je baard zitten. Maar dat komt zelden voor.”
•  “Het belangrijkste is je uitstraling. Je moet een vriendelijke, oude man zijn. Ais kinderen huilen zeg je: wat ben jij al groot geworden.”

Schminken
Crème rond ogen en neus zorgen voorde gelaatskleur.
Met zwarte en witte schmink worden de ogen voorzien van wallen en kraaienpootjes.
Wenkbrauwen witten met schmink.
Neus accentueren met witte crème en potlood.
Lippen grauwer maken om het ge­zicht ouder te laten lijken.
Sint hoort geen rode lippen te hebben.

Kostuum huren kost ongeveer 50 euro*.

St.Nicolaas 7

(Brabants Dagblad, *28-11-2003)

.

Sint-Nicolaasalle artikelen

Jaarfeestenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeldSint-Nicolaas

.

358-337

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (12-1-1)

.

Wanneer  op gezette tijden de mazelen weer eens uitbreken, ontstaat ook steevast de discussie over vaccineren.

Ik ben geen arts en voel mij niet geroepen hierover een oordeel te geven.

In mijn bewaarde artikelen vond ik er een over ‘mazelen’ uit 1988 van de hand van huisarts Arie Bos, bekend van o.a. zijn :Hoe de stof de geest kreeg‘ en ‘Mijn brein denkt niet, ik wel

Ik vroeg hem of hij nog achter zijn artikel stond en of ik het mocht publiceren.

Hij had daartegen geen bezwaar, maar voegde deze  opmerkingen toe waarvan ik de strekking als volgt weer geef:

Ouders van nu geven aan hun kinderen geen antistoffen meer mee. Daarmee is de situatie een andere geworden. Dokter Bos vindt vaccineren daardoor heel begrijpelijk en raadt het zeker niet af.

De reden dat ik hier zijn artikel en zijn opmerkingen plaats, ligt vooral in de opdracht die dokter Bos nu aan de pedagogie stelt:
‘de ontwikkeling van het kind moet nu van de pedagogie komen’.

Dit vraagt m.i. niet meer of minder om een nieuwe bezinning op de ontwikkeling van kinderen, in samenhang met mazelen of kinderziekten in het algemeen.
.

Arie Bos, Jonas 13, 19 februari 1988
.

ANGST VOOR MAZELEN
.

In de zomer van 1956 waarschuwde de akela van ons groepje welpen dat we niet te wild mochten spelen. We moesten vooral niet be­zweet raken, meende ze, want voor je het wist kon de kinderverlamming toeslaan. In mijn herinnering was het een prachtige zomer, zoals alle zomers in de jeugd, die in een on­kinderlijke rust moest worden doorge­bracht. Zwemmen was er zeker niet bij: het water borg het grootste gevaar in zich. Er werden dat jaar meer dan tweeduizend kin­deren ziek. In het jaar daarop gingen we op een dag met de hele klas naar het gebouwtje van de ggd waar we in een onafzienbare rij klaar stonden om in de arm te worden ge­prikt. Er was niemand op deze gereformeer­de school die zich niet liet vaccineren. Nooit eerder was er een polio-epidemie (kinderver­lamming) van een dergelijke omvang ge­weest. Een aantal kinderen had blijvende verlammingen overgehouden. We weten nu dat het poliovirus de paradoxa­le neiging heeft pas ziekte en verlammingen te veroorzaken wanneer de hygiëne in een land groter wordt. In landen waar een min­der hoge hygiënische standaard is, vormt verontreinigd water een alom tegenwoordig reservoir van poliovirussen. Ieder kind wordt al vroeg in zijn leven besmet, in een tijd dat het nog door van de moeder afkomstige afweerstoffen wordt beschermd. De antistof­fen die het daardoor ontwikkelt, bescher­men het weer tegen een eventuele latere be­smetting die dan in een milde vorm of vol strekt ongemerkt voorbij gaat. Epidemieën krijgen zo geen kans om te ontstaan omdat iedereen over afweerstoffen beschikt. Een heel andere situatie ontstaat wanneer door een grotere hygiëne het virus niet meer circuleert. Oudere kinderen die vrijwel geen afweerstoffen meer van hun moeder over hebben, zijn dan onbeschermd en kunnen erg ziek worden wanneer incidenteel de ziekte in de vorm van een epidemie toeslaat. Deze situatie bestond in onze streken voor het jaar 1957, toen een systematische inen­ting tegen polio myelitis op gang kwam. Al vrij snel was een percentage van 98 procent gevaccineerden bereikt, wat tot de dag van vandaag nog steeds het geval is. De hoop bestond dat de hoge vaccinatie­graad van de bevolking de verspreiding van het virus effectief zou voorkomen zodat ook de niet gevaccineerden onder de ‘vaccinatie­paraplu’ van de anderen zouden kunnen meeschuilen. Dat bleek niet het geval te zijn. In 1971 en in 1978 ontstond er in enkele streng gereformeerde gemeenschappen, waar om principiële reden niet wordt in­geënt, een polio-epidemie die relatief veel verlammingsslachtoffers eiste. Het lijkt er al­dus op dat naarmate een bevolking door vac­cinatie beter is beschermd tegen een ziekte, de ongevaccineerden door het ontbreken van antistoffen een groter risico lopen om de ziekte op volle sterkte te moeten doormaken.

Zes sterfgevallen

Het is indertijd een geniale gedachte geweest van Edward Jenner, de dokter uit Berkely in Engeland die omstreeks 1798 de vaccinatie uitvond, en een goed voorbeeld van een vruchtbare samenwerking die het waarne­men met het denken kan aangaan, wanneer niet uitsluitend bij een esthetische ontroe­ring wordt stilgestaan. Jenner vroeg zich na­melijk af waarom hij boerenmeisjes aantrek­kelijker vond dan burger- of adellijke meis­jes. Dat kwam omdat de eersten in tegenstel­ling tot de laatsten meestal over gave gezichtjes beschikten. De pokken, destijds een alge­mene (kinder)ziekte, hadden bij de anderen dikwijls een extra reliëf in het gezicht achter­gelaten. Een boerin wees Jenner er op dat de boerenmeisjes wel pokkenlittekens op hun handen hadden die ze hadden overgenomen van de uiers van de door hen gemolken koeien. Dat waren de zogenaamde koepok­ken. Jenner begreep dat de relatief onschul­dige koepokken (vaccinia, van vacca is koe) beschermden tegen kinderpokken. Daar­mee is de term vaccinatie ontstaan. Het kwam echter voor dat na inenting ie­mand toch over het gehele lijf koepokken kreeg. Al waren het dan in dit geval koepok­ken, de gevolgen waren niet minder ernstig. Een vergelijkbaar probleem kan zich nog steeds voordoen wanneer met een levend maar verzwakt virus wordt gevaccineerd, zo­als bij voorbeeld via het ‘suikerklontje’ tegen polio. Zo’n verzwakt virus kan zich toch, wel­iswaar langzaam, vermenigvuldigen, weer uitgescheiden worden en sterker besmette­lijk zijn dan in zijn oorspronkelijke, afge­zwakte vorm. In Nederland gebruikt men daarom tegen polio liever het met formaline gedode virus.

Ook nu nog leveren sommige inentingen problemen op, zoals de dktp-prik, vooral door de kinkhoesttoxinen, en de mazelenprik met het afgezwakt maar levend virus. (dktp is: difterie, kinkhoest, tetanus en po­lio). In 1986 werden zes sterfgevallen van kin­deren na vaccinatie gemeld aan het Rijksin­stituut voor Volksgezondheid en Milieuhy­giëne (rivm). Vijf gevallen betroffen van te voren niet-zieke kinderen, van wie vier na een dktp-enting overleden en het vijfde na een mazelenvaccinatie. Het zesde kind leed aan een ernstig hartgebrek. Een verband tussen vaccinatie en overlijden kon niet wor­den bewezen omdat geen sectie werd ver­richt; zij werden als ‘wiegedood’ geduid. In hetzelfde jaar werd twee maal een hersen­vliesontsteking gemeld — één maal na een mazelenprik en één maal na een dktp-inenting — en verder nog tweeënveertig andere ernstige bijwerkingen van een van beide vac­cinaties. De melding is vrijwillig, zodat vol gens het rivm moet worden aangenomen dat lang niet alle gevallen bekend worden. Dat dit soort bijwerkingen voorkomen, is al­gemeen bekend in de medische wereld en heeft, hoezeer het ook ernstig moet worden genomen, nooit geleid tot een door kranten en televisie aangewakkerde angstgolf. Wat kan er dan de reden van zijn dat bij de laatste mazelenepidemie breeduit de publiciteit is gezocht? De aanleiding werd gevormd door het overlijden van een zesjarig jongetje en een week later een vijfjarig meisje aan, zo werd bericht, een complicatie van mazelen. Het is opmerkelijk dat nooit is bekend ge­maakt aan welke complicaties de kinderen zijn overleden en of er nog andere omstan­digheden hierbij een rol hebben gespeeld. Het is namelijk al jaren bekend dat bij de zeldzame gevallen van overlijden na maze­len vrijwel altijd sprake is van een vooraf­gaand lijden, zoals bij voorbeeld een hartge­brek of mongolisme. De longontsteking als complicatie is in het algemeen goed te be­handelen.

Indringer

Nederland beroemt zich er op met 95 pro­cent tot de landen met het hoogste percenta­ge ingeënten te behoren. De volkswoede naar aanleiding van de sterfgevallen richtte zich dan ook gemakkelijk op de overblijven­de vijf procent. Opvallend is dat deze volks­woede werd aangewakkerd en verwoord door enkele hoogleraren. De hoogleraar ge­zondheidsrecht Roscam Abbing uit Maas­tricht meent dat ouders die hun kinderen niet tegen mazelen laten inenten uit de ou­derlijke macht moeten worden ontzet. Professor Dupuis, hoogleraar ethiek te Leiden, die vaker blijk geeft van een zekere hang naar dwangmaatregelen, vindt dat inenten ver­plicht moet worden. En Professor Huisman, sociaal geneeskundige te Rotterdam, be­weert zelfs dat een derde van de kinderen die de mazelen hebben gehad daar psychische schade van overhoudt of spasticiteit! Het lijkt een duidelijke zaak: de twee sterfgeval­len die het gevolg zouden zijn van een tot voor kort onschuldige kinderziekte, zijn de schuld van de ouders die hun kind geen ma­zelenvaccinatie hebben gegund. De zaken liggen echter iets genuanceerder. Vroeger kwamen complicaties bij mazelen in de westerse wereld maar zelden voor. De enige ernstige complicatie die moet worden gevreesd, is de encefalitis, immers de long­ontsteking is goed te behandelen. In het be­gin van de jaren zestig gold bij voorbeeld in Duitsland een getal van 1:14500 gevallen van mazelen waarbij encefalitis als complicatie van mazelen optrad. Er wordt aangenomen dat vijftien procent van de kinderen met en­cefalitis overlijdt. Inmiddels, sinds de vacci­naties, geldt een getal van 1:1000 a 1:2000. Het is overigens de vraag of dit ernstiger ver­loop alleen te wijten is aan het gebrek aan an­tistoffen bij de niet gevaccineerden, of dat ook de behandeling van de ziekte er een rol in speelt.

Een onderzoek van de Haarlemse arts B. Witsenburg in Afrika, waar mazelen een ernstiger verloop heeft dan in Europa, liet zien dat overlijden aan complicaties bij ma­zelen statistisch beduidend vaker voorkomt bij kinderen die koortswerende middelen krijgen. Dat is ook te verwachten, want koorts is een van de manieren waarop het li­chaam zich tegen een dergelijke indringer verweert.

Mazelen vormde eigenlijk nooit een pro­bleem. Het was een ziekte die je gehad moest hebben en die ook vrijwel iedereen van bo­ven de vijftien jaar heeft doorgemaakt. Het betekende een paar dagen ziek thuis blijven met koorts, hoesten en rode vlekken op ge­zicht en lijf, vertroeteld worden door je moe­der en weer beter worden. En beter worden kon je heel letterlijk nemen. Je moeder vond dat je veranderd was en dat vond je zelf ook. Je armen staken verder uit je mouwen en broekspijpen, je keek anders uit je ogen, je was minder kind en meer mens geworden. Hoge koorts betekent een inspanning voor het lichaam; er moet tenslotte een ziekte worden overwonnen. Iedereen weet dat je door inspanning sterker wordt. Dat geldt ook voor het afweersysteem. Nu de kinderziekten al bijna volledig zijn uitgeroeid, overspoelt een grote golf van ver­kouden, hoestende en benauwde kindertjes het spreekuur van de huisarts. Vooral huid­- en luchtwegproblemen — de gebieden waar de klassieke kinderziekten de strijd laten af­spelen — nemen bij kleine kinderen enorm toe. Een ‘kinkhoest’ die vaak serologisch (wat betreft antistoffen) niet tot de echte kinkhoest is te herleiden en ook ‘vlekjesziekten’, die lijken op de klassieke kinderziekten maar het niet zijn, vormen een vrijwel dage­lijks beeld. Het lijkt wel of een kind niet zon­der kinderziekten kan. Het belang van het doormaken van kinder­ziekten wordt vanuit de antroposofische ge­neeskunde als volgt verduidelijkt. In het kort gezegd komt het er op neer dat een mens als geestelijk wezen zijn ouders heeft uitgezocht om een lichaam voor hem te vormen. Dat ge­boren lichaam heeft echter aanvankelijk meer de kwaliteiten en eigenschappen van de ouders dan van het kind dat er in woont. Het lichaam moet worden omgebouwd om eigen te kunnen worden. Daarvoor moet grote kracht worden gemobiliseerd. Koorts bij voorbeeld. Alle kinderziekten hebben een eigen terrein waar ze ‘verbouwingswerk­zaamheden’ mogelijk maken: de huid, de luchtwegen, de slijmvliezen en het zenuw­weefsel. Na roodvonk, dat met langdurige hoge koorts gepaard gaat, vervelt een kind zelfs en komt als nieuw weer te voorschijn. In het medisch tijdschrift The Lancet van 5 januari 1985 is een artikel verschenen waarin de resultaten van een veertig jaar durend on­derzoek naar de gevolgen van mazelen wer­den gepubliceerd. Er bleek een statistisch significant verband te bestaan tussen het niet doorgemaakt hebben van mazelen en het op latere leeftijd ontstaan van immuniteitsziek-ten, bot- en kraakbeenziekten en tumoren. Het rivm heeft het op zich genomen om be­halve de ernstige ziekten difterie, tetanus en polio en de niet zo ernstige kinkhoest, ook de voor kinderen onschuldige bof, rode hond en mazelen weg te vaccineren. Dit is voor veel, vooral antroposofische ouders, die om nog weer andere overwegingen dan streng gereformeerde ouders kinderziekten positief waarderen, geen reden om zich te laten wijs­maken dat deze ziekten uiterst gevaarlijk zijn. Ze zijn hoogstens erg lastig. Wanneer door het hoge vaccinatiepercenta­ge en de daardoor ontstane afwezigheid van afweerstoffen, mazelen in de toekomst een gevaarlijke ziekte zou worden, zal dat voor veel antroposofische ouders een nieuw ele­ment betekenen in de overweging wel of niet te vaccineren. Ze zijn dan wel gedwongen te­gelijkertijd tegen de bof en de rode hond te laten enten. Of deze ‘vooruitgang’ ook een verbetering van de gezondheidstoestand van de Nederlandse bevolking zal betekenen, is echter de vraag.

Het lijkt meer zo te zijn dat de vaccinatiepa­raplu waaronder ook de niet gevaccineerden kunnen schuilen, het karakter van een sterie­le broeikas gaat aannemen waarin kwetsba­re plantjes opgroeien. Zo schept de techno­logische gezondheidszorg zijn eigen proble­men.

.

JAAP V/D WEG  IN TROUW, 08-08-2013

Het geloof in reïncarnatie* speelt ook een rol in de beslissing om kinderen niet in te enten, schrijft Jaap van de Weg.

Ieder mens leeft vanuit een be­paald mens- en wereldbeeld. De uitbraak van mazelen, doordat er mensen zijn die hun kind niet inenten, heeft duidelijk gemaakt hoe moei­lijk het is voor de ene groep om de andere te begrijpen. De reac­ties op de uitbraak zijn divers, vaak emotioneel en veroordelend. Die
di­versiteit wordt gevormd door drie verschillende mens- en wereldbeel­den waarnaar mensen leven.

Het eerste is het mens- en wereld­beeld in de sfeer van de orthodox protestant christelijke georiënteerde bevolking. Overwegingen om niet te vaccineren: God heeft de mens ge­schapen en beschikt over wat er met het leven gebeurt. Zij aanvaarden Gods wilsbeschikking. Zijn wijsheid is van een hogere orde dan de mens kan overzien. Uit eerbied wordt deze sturing aanvaard.

Het tweede mens- en wereldbeeld is dat van antroposofen. Antroposo­fie is een geesteswetenschap, waarin wetenschappelijke methoden ge­bruikt worden om het onzichtbare te onderzoeken. Dat is ruimer dan ‘an­troposofie is de leer van Rudolf Steiner’. Overwegingen om niet te vacci­neren: het leven op aarde is een ervaringsweg die op ontwikkeling is gericht. In die ontwikkeling is alles van belang, ook ziekte. Na het leven op aarde volgt een evaluatie van dat leven in de geestelijke wereld, om la­ter met een nieuw levensplan een nieuw aardeleven aan te gaan.

Vanuit een dergelijke visie wordt ge­nuanceerd gekeken naar wat voor ri­sico aanvaard wordt voor het leven, en wat niet.

Het derde mens- en wereldbeeld voert nu de boventoon, al wordt dat zelden expliciet genoemd en be­schreven. Het is het geloof in de vrije markteconomie. Ik noem het een ‘geloof omdat er nergens bewezen is dat dit de beste manier van samen­leven is. We hebben er vertrouwen in en leven ermee. We nemen de voor- en de nadelen. Ook dit geloof heeft consequenties voor ziekte en gezondheid. De markt is open, alles mag aangeboden worden. Het is nor­maal dat in de supermarkt veel uitgestald ligt waarvan bekend is dat het ongezond is. Niet omdat er een primaire vraag was, maar omdat de markt moet groeien. De consequen­ties: kinderen die te dik worden, dia­betes, hart- en vaatziekten.

Ouders die hun kinderen de maze­len laten ondergaan, krijgen kritiek dat dit kindermishandeling is. Is het dan ook geen kindermishandeling om kinderen te dik te laten worden? Als inenten verplicht wordt, verbied dan ook ongezonde voedingsmidde­len. Maar dat is geen optie, vanwege het geloof in de vrije markt.

In het spanningsveld tussen de ver­schillende mensbeelden zie je dat bij antroposofisch geïnspireerde men­sen de nadruk op gezonde voeding groot is en er minder problemen met zaken als obesitas zijn.

Strijdpunt

Een tweede aspect van het algemene hedendaagse geloof is dat je maar één keer leeft, en dus: geniet daar­van. Ook dit is een strijdpunt tussen mensbeelden. Het maakt nogal ver­schil of je leeft vanuit het beeld dat er meerdere levens zijn en dat je met de consequenties van je leven, zowel positief en negatief, verbonden blijft. De vraag of er meerdere levens zijn, is gedelegeerd naar de religie, of wordt gezien als een persoonlijke en subjectieve zaak. Wetenschappelijk gezien kun je echter ook stellen dat het hier ook om feiten gaat. Maar hoe onderzoek je die feiten?

Op de achtergrond van de mazelen­epidemie zie ik een tipje van de
te­genstrijdigheid die er tussen verschil­lende mens- en wereldbeelden bestaat. Als ieder mens vanuit een bepaald mensbeeld leeft, kunnen we daar ruimte voor maken en daarin de ontmoeting met elkaar aangaan?

(Jaap van de Weg, arts en antroposoof)

*dat zegt v.d. Weg in dit artikel NIET

Over mazelen en andere uitdagingen

antroposofie en wetenschap

ik en reïncarnatie

.

256-241

.

VRIJESCHOOL – Gezondheid, m.n. die van de leerkracht (1)

.

Dit artikel van dokter Aart van der Stel heeft mij veel inzicht verschaft in bepaalde situaties in mijn vrijeschoolleven.

Het lijkt me nog altijd actueel, ook al werd het in de jaren 1980 geschreven.
.

 Aart van der Stel, huisarts,  in “Jonas’, nr. onbekend

Afgeknapt uit onvermogen in het hier en nu te leven
.

Het burnt out-syndroom bij leerkrachten

Doen wat er op dit moment aan de orde is, het is een van de sleutelbegrippen als het om gezond zijn en blijven gaat. Dat klinkt heel sim­pel, maar ga d’r maar aanstaan in de praktijk… Bijvoorbeeld als je leraar bent.

Het valt mij op dat er veel leraren zijn die zich ziek voelen of bang zijn om ziek te worden. Het vervangprobleem is groot. Veel leerkrachten ervaren hun beroep als (te) zwaar. Vakanties zijn broodnodig om ‘het weer aan te kunnen’. Sommige verplichtingen zoals de leraars­vergadering – over andere activiteiten kan ik niet oordelen- kan men niet nakomen.

Op zichzelf is er niets tegen ziek zijn. Ziek zijn is een manier om beter te wor­den, niet alleen als leerkracht, maar als mens. Ziekte dient met enige eerbied en terughoudendheid bejegend te worden. In het ziek zijn wordt een mogelijkheid geboden om in te grijpen in de biografie en te veranderen, te verbeteren en rijker te worden. Dat is het ‘betere’ van de genezing. Wil je echt beter worden, dan moet je hard werken. Wanneer je het ziek zijn beëindigt zodra het bestaan weer enigszins draaglijk geworden is, en niet tot het einde gegaan bent, dan leg je daarmee de basis voor een nieuwe ziekte. De beker moet geheel geleegd worden. Daarover straks. Eerst de vraag: waarom wordt een mens eigenlijk ziek?

Binnen en buiten

Een mens functioneert tussen twee uiter­sten: tussen enerzijds de buitenwereld om hem heen en anderzijds de ‘binnen­wereld’, de eigen wilsimpulsen, dat wat helemaal ‘ik’ is. De buitenwereld omvat alles wat je om je heen kunt waarnemen, stoffelijk en onstoffelijk. Dus niet alleen de natuur, onze medemensen (leerlingen en hun ouders bijvoorbeeld) en de cultuur waarin wij leven, maar ook de ideeën en idealen die voortkomen uit die cultuur, uit onze opvoeding of onze wereldbeschouwing. Wij baden, zo niet verdrinken in de voorstellingen, idealen en verwachtin­gen waaraan wij moeten voldoen als mens, partner, leerkracht, ouder enzovoort. Die voorstellingen zijn allemaal opgeslagen in het geweten, dat een samenstel is van allerlei bewuste, half- ­en niet-bewuste geboden en verboden, idealen en voorstellingen welke ooit in ons zijn verankerd. Het gevolg is dat we van onszelf moeten voldoen aan een hele reeks verwachtingen en dat valt niet altijd mee.
In dit verband heeft ‘bui­ten’ alles te maken met ‘zoals het nu eenmaal is…’, met de geworden wereld die in het verleden is ontstaan. Over ‘binnen’ kun je alleen maar spreken in omschrijvende termen als ‘mijn diepste zelf’, ‘ik’, ‘dat wat bij mij hoort’ etcetera. ‘Binnen’ heeft te maken met het lot, met je karma. Het is het antwoord op de vraag ‘Wat is nu zo typisch voor mijn leven, wat herken ik als echt van mijzelf?’
‘Binnen’ uit zich in de plotse­linge opwelling, de gedrevenheid die je, soms tot je eigen verbazing voelt ten aanzien van bepaalde zaken als interes­ses, liefdes of je toekomstverwachting.

Gezondheid

Als het goed is, is de mens in staat om binnen en buiten, oftewel toekomst en verleden tijd, met elkaar in evenwicht te brengen en te houden en daardoor in het hier en nu te leven. Daar hoort een andere gemoedstoestand bij dan bij ver­leden en toekomst. In het heden gaat het erom dat je wakker bent voor wat er op dit moment met je gebeurt. Wat zie, hoor en voel ik nu? Wat zou ik nu willen doen?
Ziek word je daarentegen, wanneer je je geheel laat bepalen door dat wat er van je verwacht wordt. Buiten is dan de belangrijkste auteur van je biografie. Je wordt óók ziek, wanneer je je eigen intenties, dat wat alleen voor jou belang­rijk is, als enige maatstaf neemt voor je activiteiten. Geplaatst in het licht van de tegenstelling ziekte-gezondheid is ziekte dus een onvermogen om binnen en bui­ten met elkaar te verzoenen en gezond­heid het vermogen om in het heden te leven. Het sleutelwoord bij het onderhouden van die gezondheid is ‘aanwezigheid’. Het is niet gemakkelijk om aanwezig te zijn in het heden. Om je als leraar niet te laten afleiden door allerlei eisende en zorgvragende ouders enerzijds en hoge pedagogische idealen anderzijds en om ‘gewoon’ te ervaren wat de kinderen je laten zien. Anders gezegd: om te zien wat er te zien is, in plaats van te kijken om te zien wat je geacht wordt te zien. Alleen aanwezig te zijn en te kijken is echter niet genoeg: het zijn slechts voor­waarden om tot inzichten te komen. Al kijkend en onvoorwaardelijk waar­nemend kan je ‘opeens’ iets invallen, waardoor je als het ware achter de waar­neming kunt kijken. De antroposofie noemt dergelijke invallen imaginaties. Overigens doen imaginaties zich vaker voor dan het lijkt. Ze zijn het resultaat van het onvoorwaardelijke kijken, de innerlijke arbeid die je verzet om niet te zien wat je zou willen zien. Dergelijke invallen heeft iedereen van tijd tot tijd. Het interessante is nu, en ook dat kan iedereen ervaren, dat je van het bewust worden van zo’n imaginatie op een prettige manier opgewonden en enthousiast kunt worden. Het geeft ener­gie, prikkelt je tot het vormen van ideeën. Met die energie ben je werkzaam in je klas; kinderen leven van de imaginaties van hun leerkrachten. Het nastreven van idealen die je van de buitenwereld hebt geleend (en die je je dus nog niet eigen hebt gemaakt) kost echter juist energie. In ideeën die je pet te boven gaan, bijvoorbeeld dat het goed is voor het kind dat het rechtshandig leert schrijven, moet je eerst energie investeren om ze je enigszins eigen te maken. Het is te vergelijken met het leerproces van leerlingen: voor ze som­men met breuken onder de knie hebben, moeten ze eerst flink ploeteren.

Energie

Een behoorlijke huishouding beweegt zich tussen inkomsten en uitgaven. Alleen uitgeven gaat maar een beperkte tijd goed: Op een bepaald moment moe­ten er ook inkomsten tegenover staan, anders ontstaan er grote problemen. Zo is het ook met energie. Er is dus niets op tegen om je als leraar bezig te houden met de vaak moeilijke teksten van Steiner, zolang dat maar in evenwicht gehouden wordt door eigen ervaringen, en door enthousiasme voortgebracht door eigen activiteit. Je kunt met de teksten van Steiner zo omgaan dat ze in je eigen groeiproces fungeren als herkenningspunt. Daardoor kan een bepaalde zinsnede plotseling op zijn plaats vallen. Ineens, eigenlijk ook weer als een imaginatie, doorzie je nog dieper de betekenis van je ervaringen. Ideaalbeeld en werkelijke belevenis sluiten op zo’n moment op elkaar aan.
Hoe kunnen collega’s ervoor zorgen dat er een sfeer van wederzijdse gezond­heidsbevordering ontstaat? Hoe zou je het bovenstaande bijvoorbeeld in de groep van leerkrachten, de collegeverga­dering, kunnen toepassen? Het woord ‘college’ houdt duidelijk iets gemeen­schappelijks in. Dat uit zich ook in het­geen er in de collegevergadering bespro­ken wordt. Ruwweg vallen daarbij twee aandachtsgebieden te onderscheiden: schoolaangelegenheden (‘punten’ en kinderbesprekingen) en bezinning op het ideeëngoed van de vrijeschoolpedagogiek (inhoudelijk deel).
Het eerste gebied komt overeen met dat wat ik eerder als ‘buiten’ typeerde, het tweede met wat ik ‘binnen’ noemde. Wat echter maar heel summier aan de orde komt is dat wat zich tussen binnen en buiten beweegt: het ontwikkelen van bewustzijn ten aanzien van het eigen functioneren, het waarnemen van de andere collega’s én het daarover op een prettige, opbouwende manier communi­ceren. Dat is het gebied waar we elkaar in het sociale leven gezond kunnen maken. Juist dit gebied dreigt echter voortdurend te worden ingepikt door ‘binnen’ en ‘buiten’. Als de lerarenverga­dering werkelijk het hart van de school is dan moet daarin alles wat de leraren ter harte gaat aan de orde kunnen komen.

Vertrouwen

Dat gaat niet echter zomaar. Allereerst moet er vertrouwen zijn. Vertrouwen is de basis voor elke menselijke relatie; door wantrouwen wordt elke relatie tot een uitputtingsslag. Als ik dus zeg dat ik iets moeilijk vind, niet kan of niet wil, dan moet dat niet tegen mij gebruikt worden. Hoogstens kan het dienen om samen met de gesprekspartner te kijken hoe een eventuele oplossing er uit zou kunnen zien.
Een essentiële voorwaarde voor vertrou­wen is het toelaten van de ontdekking dat je iets moeilijk vindt en ook dat je het moeilijk vindt om dat toe te geven. Het vergt nogal wat om voor jezelf toe te geven dat je niet zo geweldig bent als je wel gehoopt had. Gewoon zijn wie en wat je bent en daar bewustzijn over ontwikkelen is moeilijk maar wel een eerste voorwaarde voor innerlijke groei.

Innerlijke groei moet je jezelf gunnen. Innerlijk en uiterlijk moet er ruimte voor gemaakt worden. Een van de grote trucs om niet aan innerlijke groei te hoeven werken is “het te druk hebben”. “Geen tijd om na te denken” maakt weliswaar veel indruk op de buitenwereld, maar leidt wel tot verschraling van de ervaring van de eigen persoonlijk­heid. Innerlijk gecreëerde ruimte kan je gebruiken voor je eigen inner­lijke ontwikke­ling. Daarnaast om iemand anders (partner, collega, leerling) in jezelf toe te laten. Iemand in jezelf toela­ten noemen we interesse. Zonder inte­resse is het niet mogelijk om een helpen­de rol te spelen in de biografie van een ander. Een ander kan alleen ten volle in jezelf aanwezig zijn als hij helemaal zichzelf mag zijn. Dat vergt een grote mate van objectiviteit. Zodra iemand op weg naar ons innerlijk allerlei vooroor­delen ontmoet kan er van een echte interesse geen sprake meer zijn. Het beroep van leerkracht is een zwaar beroep, niet in het minst door de grote maatschappelijke druk (ouders die schei­den, het toenemend geweld) waaronder leerkrachten moeten functioneren. Het werk kan alleen gedaan worden – en dat ook op langere termijn- wanneer leer­krachten zichzelf en elkaar gezond hou­den. Dat gaat niet vanzelf. Er zijn allerlei (intra) persoonlijke weerstanden, of, zoals de antroposofie ze noemt, tegen­krachten. We moeten ons er goed van bewust zijn dat die krachten niet van buitenaf komen, maar in ons ontstaan en aanwezig zijn. De ondermijning van het schoolleven komt van binnenuit en niet van buitenaf.

.

Gezondheid, m.n. die van de leerkrachtalle artikelen

Gezondmakend onderwijs voor de kinderenalle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

Geen vreugde en snel moe (Rudolf Steiner Citatensite, 7 september 2019)

Zie ook de artikelen over ‘sociaal gedrag‘ bij Sociale driegeleding (onder nr. 5)

.

144-138

.