Categorie archief: kerstspelen

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Literatuurlijst

.

Bij de notulen van de kerstspelbijeenkomsten eind 1979 in Den Haag is ook een literatuurlijst gevoegd.

Waar een doorverwijzing staat,  is dit artikel opgenomen in het artikel waarnaar de link leidt.

De Oberufererspelen worden genoemd op de volgende plaatsen in de literatuur:

Rudolf Steiner: “Ansprachen zu den Weihnachtsspielen aus altem Volkstum” (gehalten in Dornach 1915 bis 1924). GA 274. Rudolf Steiner Verlag. Dornach. 1974.

K.J.Schroer:  “Uber die Oberuferer Weihnachtsspiele”.
Denken-Schauen-Sinnen Nr. 28/29. Verlag Freies Geistesleben. Stuttgart, 1963»

“Weihnachtspiele aus altem Volkstum. Die Oberuferer Spiele”. Mitgeteilt von Karl Julius Schroer. Szenisch eingerichtet von Rudolf Steiner. Mit einem Aufsatz von Rudolf Steiner. Rudolf Steiner Verlag. Dornach,  1972.

“Die Oberuferer Weihnachtsspiele im Urtext”.
Herausgegeben von Helmut Sembdner.
Verlag Freies Geistesleben. Stuttgart, 1977.

Günther Wachsmuth: “Rudolf Steiners Erdenleben und Wirken”. 2e Auflage 1951. S.300 ff.

Heinz Müller: “Spuren auf dem Weg”, J.Ch,Meilinger Verlag, Stuttgart 1970. S.49 ff.

“Erinnerungen an Rudolf Steiner und die Arbeit am ersten Goetheanum”. Verlag Freies Geistesleben 1972.

In “Das Goetheanum” stonden de volgende artikelen:

01- 01-1922     Albert Steffen: “Uber die Weihnachtsspiele in Dornach”.

10- 20-1929     Albert Steffen: “Über das kultische Bild, das kultische Wort, die kultische Handlung”.

22-12-1929      Herbert Hirschberg: “Vom Mysteriencharakter der Weihnachtsspiele”.

In “Natura” stond het volgende artikel:

April/Mei 1927     Walter Johannes Stein: “Die Mysteriën der Asklepios”.

In de Mededelingen van de Antroposofische Vereniging in Nederland stonden de volgende artikelen:

drie herdenkingsartikelen over de vertaalster van de Oberuferer spelen Mej.J.M.Bruinier (1875-1951) door dr F.W. Zeylmans van Emmichoven, W.Kuiper en A.C.Henny.           dec.1951

een herdenkingsartikel over de componist Leopold van der Pals (1884-1966) door mevr.C.C.Rens-Portielje.  mei 1966

Th.Onnes van Nyenrode-Smits: “Het Paradijsspel”. nov.1968

Th.Onnes van Nyenrode-Smits: “Het Paradijsspel” (vervolg).dec.1970

Mej.L.Gerretsen: “Iets over de Kerstspelen”. nov.1974

Mej.Joh.Knottenbelt: “Nog iets over de Kerstspelen”. jan. 1975

W.Lofvers: “Over het kerstspel”  jan. 1979

.

241-227

 

Kerstspelen: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kerstspel – Regie-aanwijzingen herdersspel

.

De notities van deze kerstspelregiebijeenkomst zijn niet compleet. Ze beginnen bv.’ ergens verderop’.

Maria, hoe levendig ook, is in een lichte sfeer. Ze moet nooit uit de verticale komen, dat is lelijk; iedere uitslag uit de verticale zie je als een storing. Nora von Baditz zei destijds: Maria mag niet zo ver voorover buigen in het kribje. Dit zijn zulke wezenlijke dingen die met het wezen van Maria te maken hebben. Daarom is bij ons de krib iets verhoogd.
Voor de warmte van Maria moet veel met de stem gebeuren. Maria is licht, lieftallig en met warmte. Men zie de Isis-voordrachten van 1920 (Rudolf Steiner: “Die Brücke zwischen der Weltgeistigkeit und dem Physischen des Menschen – Die Suche nach der neuen Isis, der göttlichen Sophia” GA 202) en verschillende Madonna’s van Raphael en anderen. Maria is de centrale rol.
Belangrijk is ook het zingen van Maria, dit is werkelijk zó belangrijk, speciaal in het Driekoningenspel, waar ze alléén maar zingt. Daarom niet al te vaak wisselen van rol.

Het hoogtepunt van de Kerstspelen in Den Haag is geworden de (iets bekorte) uitvoe­ring door de 12de-klas voor de kleuters. Fluisterend gezegd: die is vaak mooier dan de uitvoerig door de leraren.

Opmerking mej.Gerretsen: het zingen van Maria is in het Kerstspel veel minder gewichtig dan in het Driekoningenspel. Te goed zingen is ook niet goed.

 

Veltman vervolgt:
Soms kijkt Maria met de ogen niet naar het gebeuren, dat is uitermate storend.
Het sleutelwoord voor de rol van Maria is: “en Maria bewaarde al deze woorden in haar hart” (Lucas 2:51). De kompany neuriet de herhaling van nr.3. Jozef loopt iets vooruit, niet te veel, en niet te weinig (anders kan Maria niet zeggen: “0 Josef en haest U so ras niet voort”).

Als Maria zegt: “So efter vreemden waren gecomen, En al de plaetse waar in genomen ?” maakt Jozef een gebaar van “ik weet het niet”. Als Maria zegt: “ick vreze het mogt my qualick vergaan”, loopt Jozef, die op dat moment rechts op het toneel staat, weer helemaal terug naar Maria links op het toneel. De waarden mogen Jozef en Maria niet ”wegspelen”. De waarden stammen regelrecht uit de zondeval. Rufinus is niet onvriendelijk, maar wel een botterik. Servilus, de boze waard, is een rotzak. Hij komt van links achter op. Titus, de zogenaamde goede waard, lijkt vriendelijk, maar laat het kind net zo goed in de kou staan (“siet selfs hoeghe u met dat kinde redt’!.). Niet te overdreven spelen. “Postuur” betekent zoveel als “standing”.Bij “Erbarmen mooch hem den rycken god” gaat Maria iets naar voren. Daarna komt Titus van rechts achter tussen Jozef en Maria in. In de zin “thuys tot de nok vol vreemdelingen” zie je de patser.
Deze waard wordt meestal gespeeld door een vrouw, en ‘ach baeslief’ wordt dan ‘ach vrouwlief’.
Als Titus het lantaarntje heeft neergezet, rechts voor de kribbe, gaan Jozelf en Maria nog niet direct zitten. Jozef helpt Maria met de sluier bij het gaan zitten op het krukje. Als Jozef zegt: ’t can syn als dat ick iet overhoudt’, went hij zich iets af.

Jozef is niet meer bij dit geboortemysterie aanwezig.

Opm. Nordlohne: in Middelburg pauzeert Maria na ‘hieromme’ heel even en in die kleine pauze kijkt Jozef op en om en dan ziet hij het kind voor het eerst.

Veltman:
Bij de geboortescene staat de Engel op een kleine verhoging. De melodie van ‘de witte wolken zweven’ wordt geneuried. (PHAW: het is de melodie van ‘Een roze fris ontloken‘)
Het is zó moeilijk dat Maria vaak een strak gezicht heeft, terwijl ze eigenlijk moet glimlachen naar de baby, zoals een moeder doet. Direct oefenen met de sluier! De ‘spot’ (rood en blauw) op de Engel moet niet te fel zijn, anders ontstaan te zware schaduwen.
Na de geboorte kijkt Maria bij haar eerste zinnetjes naar het kind.
Bij ‘legh ’t tusschen os en eselken in de krebbe’ schermt Jozef het inleggen met zijn mantel af. De kleine kinderen hebben dan toch een armpje of beentje van het kind gezien: dan is het goed gespeeld!

Verslag van de bijeenkomst van Kerstspelregisseurs op Zaterdag 29-9-1979 in de Vrije School te ‘s-Gravenhage.

W.F.Veltman heet allen welkom, en vervolgt met:

Noor (Gerretsen) heeft gevraagd of ik maar eventjes dat overgebleven deel van het Kerstspel zal doen, want zij is nog bezig met de dingen op te hangen, dat is vorige keer iets misgelopen, daar had U al erg op gerekend, dat spijt ons nog steeds, maar goed, nu kunnen we de schade inhalen, zodat we straks in de pauze met elkaar die kostuums eens kunnen bekijken, en daar kunnen we dan gezamenlijk over praten.

Nu hebben we afgesproken dat we van 2 tot 5 zouden werken, en daar moeten we het hele Herdersspel in doen en het hele Driekoningenspel, dus dat is toch wel even hard werken. En nu is de vraag: hoe doen we dat? De vorige keer hebben we ’s middags zo’n beetje gespééld. Ik heb gehoord dat verschillenden dat juist erg fijn vonden. Voor mij zelf is dat een beetje moeilijker toch, want ja, als je daar dan zelf staat, heb je de neiging als je ziet dat iemand iets aan het doen is, om te zeggen: eigenlijk zou je dat zus of zo moeten doen. Maar ’s avonds heb ik dat dus anders gedaan – en dat was voor anderen weer een teleurstelling – toen heb ik meer vertéld. Nu ja, hoe wilt U het. Zouden we het zo kunnen doen, dat we voor u het Herdersspel door drie mensen laten spelen ?

Hiertoe wordt besloten: tot 14-45 uur, en dan een pauze maken, klaar of niet, dat zien we dan wel, en we krijgen nog thee geloof ik, en dan kunnen we daarna nog twee uur besteden aan het Driekoningenspel.

Het Herdersspel wordt nu (zonder Herdersstaven) gespeeld door Wyna Meenk (Stiechel) Jo Hass (Witok) en Ruud Gersons (Gallus).

Veltman:
We spelen het dus in Haagse Fassung: links op het toneel. Maria en Jozef zitten bij de kribbe rechts op het toneel. Bij de laatste ommegang (Nr.8) zijn er twee achtergebleven, dat zijn dus Gallus en Stiechel, en Witok is mee het toneel opgegaan. Er wordt afgesproken dat Veltman zo nodig het spel zal onderbreken. Stiechel komt van rechts achter in de zaal, mag niet op het toneel voor Maria en Jozef heen lopen, maar loopt voor het toneel naar links, en gaat daar het toneel op, zorgt meteen dat hij in de linker helft van het toneel komt.

Veltman:
De Herders mogen absoluut niet over het midden van het toneel heen komen, ze mogen dus niet komen op de helft van Maria en Jozef: zoveel mogelijk toch in die linker hoek blijven. Maria en Jozef zitten in het gedeelte van Bethlehem, die stal, dat is een kwart gedeelte. Jullie spelen zoals dat in de middeleeuwen altijd was: met die twee plaatsen die naast elkaar liggen.

De herders moeten van begin af aan goed zorgen in de driehoek te blijven, en niet op een rijtje gaan staan, dat is heel belangrijk.
Stiechel vraagt bij ”ei vrund Gallus, wat zeght ghe daor’ of ze nu mag changeren of dat ze stokstijf in haar punt van de driehoek moet blijven staan.

Veltman antwoordt: ‘Nee, stokstijf niet.’
Veltman: ‘Stiechel moet bij “seght dan op, gy ouwe wouwelaer” niet te ver naar voren komen, want dan springt hij uit het beeld.’

Opmerking van de notulist: ‘In Middelburg schrikken Stiechel en Witok heftig bij het woord “wollef” (omdat de wolf een imaginatie van het Boze is): ze deinzen terug.’

Veltman (bij “Lestent wierdt me in der brêe vertelt”): ‘Nu, dat is meteen even een vraag, ik zou het eigenlijk beter vinden dat jullie eerder opstonden, niet tegelijk. Ik herinner me dat van de keren dat ik daar heb meegedaan, dat we opstonden als Witok het woord “Messias” zegt. Gallus en Stiechel denken eerst: hij gaat weer wat kletsen, maar dan blijk het een belangrijke mededeling te zijn, dus daar ga je bij staan. Anders komt er een dode plek in tussen zijn tekst en de volgende tekst van Gallus.’

Bij “In Betlehem wort hy geboren” wijst Witok naar Bethlehem.

Bij “Nu hoort ‘reis hier goê broeders myn,”  begint Gallus met een geeuw.

De Herders liggen helemaal languit plat op de aarde.

(De Koningen slapen knielend, laten eigenlijk nooit de hemelbol los).

Vraag: ‘En met het hoofd welke kant uit: naar het publiek toe, of er vanaf?’ Antwoord:’Je moet het wel zo doen, dat als je de tekst moet zeggen, je naar het publiek toe kan spreken, want als je dat met je hoofd naar de achterkant zegt, dan verstaat natuurlijk niemand het, trouwens, de mensen verstaan het toch niet…’
Vraag: ‘Moet bij het slapen de driehoek gehandhaafd blijven?’
Antwoord: ‘Nee, de engel moet er doorheen kunnen lopen.’

Veltman: ‘De engel moet wel ruggelings ook weggaan (na Nr,10), zoals een euritmiste dat zo mooi kan.’

Veltman: ‘Dat is altijd een groot raadsel voor mij geweest, waar de pens bij die herders zat. De pens is namelijk je maag, dus dan moet die vent op zijn buik vallen, en niet op zijn achterste, want ik heb dat vroeger vaak gezien, dat ze zeiden “dat ‘k myn pens hebbe bont ende blau gestooten” en daarbij op hun achterwerk voelden, dat is natuurlijk onzin, er staat nu eenmaal pens, en dan moet je dus voorover vallen. Volgens Wijna geldt het woord “pens” voor het hele lijf. In de Duitse tekst staat: “Ranzen” – ransel, buik, bast, pens.
Veltman: ‘Stiechel is bij “wat hebt ghy wel gedroomt” niet zo flegmatisch!’

Na “dat can ick u vry segghen” doen wij het zo, dat Gallus in die linker hoek komt.

Witok en Stiechel blijven met de rug naar hem toe, in de driehoek, en de punt van de driehoek blijft achter!

Nu komt Witok, en jullie draaien één punt verder, tegen de klok in. Dan Stiechel.

Bij Nr.14 komt dat draaien om je eigen as pas in het tweede deel, dat komt pas bij “David een kloecken herder was”.

Opmerking van de notulist: zou dit draaien om de eigen as niet moeten beginnen juist halverwege de drie coupletten, bij “wie salt weren, d’ruggh’ er toe keeren?

We hoeven de drie coupletten van Nr.14- niet te zingen, want de tijd dringt.

De driehoek moet bij Nr.14 wel precies blijven, die moet beslist aangehouden worden, dus absoluut niet in een kring ronddraaien, maar de hoeken scherp maken, duidelijk keren op een hoek, en met de stokken pas in het tweede gedeelte. Het tweede couplet wordt herhaald op deze manier.

Opmerking Veltman: ‘Ja, dat is een dronkemanstroep van totaal onmathematische herders.’

‘Nou ja, ’t geeft niet, ga maar doo.r’

Nu komt de tocht van de herders in het donker naar Bethlehem.

Veltman: ‘Er zijn mensen, die de herders nu in de zaal laten afgaan, maar wij laten ze links achter afgaan, en dan komen ze weer terug op het toneel, dan wordt de belich­ting inmiddels donkerder, en dan loopt Stiechel voorop. Niet te ver naar achter, hoor, zo halverwege, tussen de tweede en derde poot, en dan moet je weer iets naar voren komen.’

Het spel op het toneel wordt nu beëindigd.

Enkele opmerkingen van Veltman:                                                                                

‘De driehoek wordt tot een vierkant door Crispijn. Dit kunnen we in samenhang zien met de driehoek op het voorhoofd van God-Vader, en het driehoeksteken in de kerst­boom. Dit is de oude drievoudige voorbereiding. De herders hebben te maken met de fase vóór Christus, met de drie Hüllen van het Ik:

Witok: denken. Hij is de oudere, de wijze.

Stiechel: willen. Hij is een doe-vent, wat driftig.

Gallus: voelen. Hij is een gemoedsman, de eerste herder.

Bij de Koningen is het juist andersom:

Melchior, de eerste Koning: denken  (Perzie)

Balthasar: voelen

Kaspar:  de donkere Koning: willen (Morenland)

Het gebaar.
De vorige keer heb ik het gehad over het boer zijn. Daaruit vloeit niet alleen de spraak voort, maar ook het gebaar. Ons zit het intellect dwars, maar daar heeft zo’n oude boer geen last van (een jonge boer misschien wel!). Hij maakt een expressief gebaar, een breed gebaar, een rond O-gebaar, liefdevol omvattend. Armen en handen dus niet te dicht bij je houden!

De herders in de driehoek.
Wijnand Mees heeft vorige keer vanuit de euritmie gezegd dat de driehoek met de punt naar achter een vrolijke indruk geeft, met de punt naar voren een tragische stemming. Dit kan een steun zijn om het te begrijpen. Toneeltechnisch is het ook de beste opstelling.

Nel v.d.Kroef: ‘De punt naar achteren: kosmisch
de punt naar voren: aards.’

De aanbidding.
De tekst van de aanbidding is zo interessant. Witok heeft het over een Koning,
Gallus heeft het over “U bleke koontjen, u neuzeken fyn”.
Gallus moet zich niet te ver omkeren bij het spreken: toch zo veel mogelijk “en face”.

Er voor te zorgen dat het bij de aanbidding niet te veel “en profil” wordt, is heel moeilijk. Het bewustzijn moet bij de zaal zijn, ook bij de aanbidding, dat is de overwinning op het naturalisme.                                        

De drie geschenken van de herders.
Heel lang geleden heeft  in “Natura” een artikel van Walter Johannes Stein gestaan, dat veel te weinig bekend is geworden. W.J.Stein brengt de geschenken van de herders in samenhang met de Griekse Asklepios-Mysteriën: de godheid Trophonius werd vereerd in een grot, in een holte, als je daar naar toe ging, werd je genezen in tempelslaap door een helderziende priester. En wat bracht je mee als offer? Wol, melk en lam! Als publiek bij het kerstspel kijk je dus mee in het Mysterie van de Genezer.
De vraag rijst! hoe komen die middeleeuwers daaraan, dat kan geen toeval zijn. Trophonius is een soort chthonische godheid, behoort tot een oudere laag van goden in de onderaardse wereld, een hoge hiërarchie.
herders in kerstspel 1
nu komt Witok en jullie draaien één
punt verder, tegen de klok in. Dan Stiechel. Bij het zingen van nr. 11, 12, 13                   kijken de andere 2 naar buiten!
herders in kerstspel 2
.
Kerstspelen: alle artikelen
.
240-226

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – regie-aanwijzingen algemeen

.

Dit is een verslag van een bijeenkomst voor regisseurs van de kerstspelen van 8.11.1979.

Inleiding  kerstspelen voor de leraren

Beste mensen,

Vorig jaar oktober is voor het eerst in de geschiedenis in Dornach een bijeenkomst geweest van kerstspelregisseurs.

Nu het aantal scholen, heilpedagogische instituten en andere plaatsen gestaag groeit, waar deze spelen opgevoerd worden, ontstond de behoefte bij velen om zich intensief met de regie bezig te houden, zich er grondig in te verdiepen.

Uit de wijze waarop vanaf het allereerste begin in de tijd van Rudolf Steiner met deze spelen is omgegaan, kan men direct afleiden, dat men hier te maken heeft met zeer bijzondere spelen, die niet zo maar elke benadering van een zich vrij voelende regisseur verdragen.

Vorig jaar hebben we ons daar sterk bezig gehouden met het geboortespel, dit jaar, dus net in de afgelopen herfstvakantie met het paradijsspel en volgend jaar zal het driekoningenspel aan de orde komen.

Nu is over de geschiedenis van de spelen, nl. hoe ze uit het gebied van de Elzas terecht zijn gekomen in het Hongaarse Oberufer en hoe ze daar op het laatste nippertje vlak voor het in vergetelheid raken, zijn ontdekt door Karl Julius Schroer, die ze aan R. Steiner liet zien, genoeg bekend, en ik kan iedereen zeer aanraden daarover te lezen in de  “Ansprachen zu den Weihnachtspielen”. [GA 274] Vertaald op deze blog.

Het is trouwens voor onze drie groepen die nu aan het oefenen zijn gegaan, zeer waardevol en aan te raden hieruit stukken voor te lezen, om iets van de stemming en de stijl en het ontstaan van de spelen te weten te komen.

Veel minder bekend zijn echte concrete regie-aanwijzingen, omdat die tot nu toe nooit op schrift zijn gesteld. Er zijn nog enkele oudere mensen die oorspronkelijke exemplaren beweren te hebben en misschien ook in werkelijkheid wel hebben, waar aanwijzingen van R. Steiner op zouden staan. En als die er inderdaad op staan, heeft het alleen maar zin om die toe te passen, als men de zin er van doorgronden kan.

Op de Tagung in Dornach van vorig jaar kwam al meteen duidelijk tot uiting, dat er tegenwoordig drie ‘kerstspelstromingen’ bestaan, die zich alle drie beroepen op authenticiteit en Rudolf Steiners ‘Angaben’, hoewel ze alle drie totaal verschillende zijn. Dit zijn Dornach, Berlijn en Stuttgart.

Een voorbeeld:  In Dornach staat de boom in het paradijsspel en kerstspel ietsje links van het midden, vanuit de toeschouwer gezien, terwijl in Stuttgart van achter het toneel slechts enkele dennentakken uit de coulissen steken, zodat het hele podium verder vrij is. En dat heeft men altijd zo gelaten.

Persoonlijk ben ik van mening, dat hier slechts praktische oorzaken aan ten grondslag kunnen liggen: waarschijnlijk zal de grootte van het Stuttgarter toneel geen hele boom hebben toegelaten.

Nu hebben wij in Dornach vorig jaar en ook dit jaar weer het grote geluk gehad, in ons midden te hebben de heer Schmidt die indertijd onder Rudolf Steiner zelf de uitvoeringen heeft meegemaakt en tientallen jaren tot op vandaag de dag, met de toneelspelers van de Dornacher Bühne elk jaar de spelen opnieuw instudeert. Ook volgens hem zijn vele verschillen op praktische omstandigheden terug te voeren, omdat op het ene toneel bv. de trap rechts zit (zoals oorspronkelijk in de Schreinerei) en ergens anders de trap links zit (bv. in de Grundsteinsaal van het Goetheanum).

Dat de drie Schriftgeleerden met bank en al languit op de grond vallen als ze terug komen van Herodes,  zoals het ook in de teksten staat, berust op een toevallige gebeurtenis. Eens ten tijde van Steiner is die bank ongevallen en dat beviel zo goed dat men het altijd zo heeft gelaten.

Maar dit soort zaken hebben alle nog betrekking op uiterlijkheden. En niet alle uiterlijkheden hebben een diepere achtergrond. Er zijn echter andere zaken – en nu komen we meer op innerlijke aspecten van deze spelen — die zich niet zo maar laten veranderen, al zouden uiterlijke omstandigheden daartoe aanleiding geven. Natuurlijk willen vele spelers er in een bepaald jaar eens een ander nieuw element aan toevoegen, iets veranderen, “verbeteren”. En dan rijst de vraag: hoe ver kan en mag men daarmee gaan?

Dit hangt er nu helemaal vanaf hoe men de spelen ziet, en vooral wat men ermee bereiken wil. Meestal komen wij niet verder dan te zeggen: het is een kerstgeschenk van de leerkrachten aan de kinderen. Maar zo eenvoudig ligt de zaak m.i. niet.

Want het kerstgeschenk dat wij leraren onze kinderen aanbieden is niets minder dan een op het toneel in beeldvorm opgevoerde menselijke ontwikkelingsweg. Het is in een kort bestek de hele mensheidsgeschiedenis, beginnend in een oer-verleden, in het paradijs, dan de zondeval, de hoop op   de weg terug, en op het moment van de diepste aardeduisternis in de Grieks-Romeinse cultuurperiode de geboorte van de verlosser. Ten slotte het Driekoningenspel dat werkelijk ongelofelijk actueel is en zelfs naar een toekomst wijst die voor ons mensen nog ver in het verschiet ligt.

Het op het toneel tonen van een menselijke ontwikkelingsweg in beeld, noemt men een mysteriespel. Dat heb ik de vorige keer, toen ik kort iets over de spelen hier heb gezegd ook al aangeduid. De mysteriespelen ontstonden in de Griekse cultuurperiode, werden geleid vanuit de mysteriën en hadden tot doel het volk zo te leiden en op te voeden, dat het zich naar de toekomst toe verder in juiste zin kon ontwikkelen.

Waarom waren die mysteriespelen er dan niet al veel eerder? Omdat ze niet nodig waren! Vanuit de grote verbondenheid met de bovenzinnelijke wereld wisten de mensen, maar vooral de mensheidsleiders, de priesterkoningen, heel precies hoe de aarde bebouwd en bewoond moest worden. Maar in de Grieks-Romeinse tijd wist men dat niet meer. En, hoewel we dit allemaal weten is het toch goed dit misschien nog eens in het bewustzijn te roepen, namelijk, dat wij op school in sprookjes, fabels, legenden en mythologie ook de kinderen in beeldvorm de ontwikkelingsgeschiedenis van de mensheid en de ontwikkeling van een individu verhalend vertellen. Allemaal dingen die wij volwassenen elkaar rechtstreeks kunnen vertellen, maar die een kind alleen in een beeld kan opnemen. Zo werd eens de mensheid in de Griekse tijd in grootse beelden onderwezen, nl. in de beelden die zij op het toneel zagen. En daaruit is alle toneel gegroeid, tot en met Shakespeare toe, ja zelfs tot Brecht en Pinter. Het is allemaal ontstaan als mysteriedrama. En die werden tot ver in de late middeleeuwen opgevoerd, toen natuurlijk geleid vanuit de broedergemeenten die er waren en de kerk. Maar ze hadden eigenlijk hetzelfde doel. Het mysterie-element is natuurlijk verdwenen.

Nu hebben onze Oberuferspelen niet alleen mysteriekarakter, doordat bv. de “company” nu is, wat het Griekse koor vroeger was, maar het zijn regelrecht mysterie-spelen, in de meest diepe zin van het woord. Want de mens gaat er door belevenissen en klimt geestelijk omhoog. En de toeschouwer beleeft eerst ANGST als Adam en Eva uit het paradijs worden gestoten en in de aarde-eenzaamheid komen. Maar dan beleven ze ook medelijden. En ten slotte beleven ze de loutering mee die Adam doormaakt als de duivelse ketting van hem is afgevallen. De mens gaat door angst, medelijden en loutering. Dat maakten de Grieken ook door en daardoor konden zij het komende jaar aan, totdat weer nieuwe mysteriespelen opgevoerd werden. Ik heb, meen ik, de vorige keer al gezegd dat zoiets twee maal per jaar gebeurde, gedurende drie dagen. Elke dag een zwaar drama, waarin de toeschouwer van de beleving van ANGST via MEDELIJDEN kwam tot de LOUTERING, de catharsis. En dan ’s avonds de komedie, waarvan we aspecten in ons herdersspel terug kunnen vinden.

Maar als het waar is dat onze Oberuferspelen mysteriespelen zijn, dan werken ze ook als zodanig op de toeschouwers, nl. onze kinderen. En dan maakt het een groot verschil of de beelden berusten op een objectieve waarheid, of zo maar op een holle traditie of een leuke verandering.

Bijvoorbeeld : Waarom loopt Eva in het Paradijsspel eerst achter Adam, dus bijna achteraan? En waarom loopt zij aan het eind vlak achter Godvader, helemaal vooraan, terwijl Adam en de duivel achteraan lopen. We komen nu heel concreet in de achtergronden van wat we doen. Dat is, omdat we de kinderen willen laten beleven: eerst werd Eva gemaakt uit een ribbe van Adam. En in Dornach laat Godvader een echte materiële rib zien. Zij is dus gemaakt uit het middengebied van Adam. Eva is een en al middengebied. Zij is dus gemoed, gevoel en veel minder hoofdmens of ledematenmens. Bij Adam zegt Godvader: “Neemt ook verstand….” Dan: “Zo leef dan Adam” en ten slotte: “Ga steevast op Uw voeten staan.” Daar heb je de hele DRIELEDIGE MENS. Maar dat zegt Godvader niet bij Eva. Zij heeft veel minder bewustzijn aan de ene kant en minder daadkracht aan de andere kant. Daarom kan zij ook instrument worden van de duivel. Maar ook daarom gebeurt er innerlijk met haar helemaal niets als ze in de appel bijt. Haar bewustzijn verandert misschien wel, maar het dringt niet tot haar bewuste IK door.
De vrouw heeft sindsdien de gevoels- en gemoedskrachten veel sterker bewaard. In zekere zin is Eva veel oorspronkelijker gebleven dan Adam, die veel sterker aarde- en materiegericht is geworden dan Eva.

En daarom, om dat element de kinderen in beeld te laten zien, loopt zij op het eind dichter bij Godvader. Zo concreet laten wij de dingen aan de kinderen zien. Als de kinderen later leren wat vrouwenemancipatie is en te horen krijgen dat man en vrouw gelijk zijn, zullen zij hopelijk uit dit grandioze beeld de specifieke vrouwelijke en manlijke kwaliteiten herkennen.

Maar wat het meest direct de kinderen aanspreekt zijn in hoofdzaak de gebaren. Velen van jullie, en misschien nog wel het meest de kleuterjuffies, zullen bemerkt hebben, hoe stek de kinderen worden aangesproken door de gebaren die ze zien. Spelen ze thuis Maria of Jozef of de herders, dan zul je flarden tekst te horen krijgen waarin veel door elkaar gehaald is, maar dat geeft niet. De gebaren van Gallus en Witok, als ze uitglijden op het ijs, weten ze feilloos na te bootsen. De waargenomen gebaren gaan bij de kinderen zeer diep.

Wij hebben dan ook een zeer grote verantwoordelijkheid, welke gebaren wij op het toneel hebben en vooral of ze waar zijn en doorleefd.

De oude Griekse mysteriespelen kenden, vanuit de mysteriën in hoofdzaak zes grondgebaren. Deze zes grondgebaren of zielennuances vormen de hoekstenen van de opleiding Sprachgestaltung.  De beroepsacteurs uit Dornach, dus de mensen die daar Rudolf Steiners Mysteriedrama’s opvoeren werken er zeer intensief mee. Zij hebben met ons samen de regisseurs—Tagung meegemaakt en hebben ons laten zien hoe ze er mee werken.

Voor acteurs, die een werkelijke vernieuwing van de dramatische kunst nastreefden, heeft Rudolf Steiner de zgn. “Dramatische cursus” gegeven, waarbij ook de spraakvorming hoort. Daarin is beschreven hoe die grondnuances waren. Elk gebaar, welk dan ook, is van deze grondgebaren een afzwakking, is ervan afgeleid. Ja, Steiner zegt in de tweede voordracht letterlijk: Op het toneel is geen gerechtvaardigd gebaar of het moet afgeleid zijn uit deze zes grondgebaren.
Hoe wij daar in Dornach mee geoefend hebben en waar men ze concreet in de kerst­spelen kan terugvinden wilde ik nog kort aanduiden.

Het gaat er dus om, dat de menselijke ziel zich uit. Dit doet hij door taal en gebaar. Maar in onze ver voortgeschreden cultuur heeft de spraak zelf geen gebarenkarakter meer. De oertaal moet het gehad hebben en de euritmie heeft het weer gekregen, maar onze gewone taal, ook die van het toneel, heeft het niet. Telkens weer wijst Steiner de cursisten erop, van het gebaar tot de spraak te komen.

1) Gaan we uit van het uiterlijke gegeven, dat de mens wil dat zijn spraak WERKZAAM, EFFECTIEF wil zijn. Dat is het eerste: EFFECTIEF.

2) Dit kan alleen als hij met die zielenuiting door de taal een gedachte verbindt. Wordt dit sterk, dan wordt de mens bedachtzaam. Dat is het tweede, bedachtzaam. De taal wordt immers pas wezenlijk als er doorheen een belangrijke gedachte klinkt. Anders praten we alleen om te praten, maar daar gaat het natuurlijk niet om.

3) Gaat de zielenopenbaring verder van mij vandaan, dan kan ik vaak mij onzeker voelen, tastend, in betrekking tot de buitenwereld. Dit komt in de taal vaak tot uiting in vragen en wensen. (”Ben ik daar wel tegen opgewassen? Kan ik die klas aan? Ach…had ik maar wat meer tijd om me voor te bereiden.” enz.) Onzekerheid dus.  Dat is het derde: naar voren tasten.)
Gaat dit nog een stapje verder, maar dat hoort direct bij 3, dan is er sprake van besluiteloosheid.

4) Wanneer mijn ziel zich uit, dan kan het zijn dat antipathie mij tegemoet komt. Ik wijs het af. Dus: ANTIPATHIE-AFWIJZEND. Dat is het vierde.

5) Maar er kan mij ook sympathie bejegenen, of ik voel sympathie van mij uitgaan. Dan bekrachtig ik. SYMPATHIE- BEKRACHTIGEND.

6) Ten slotte kan ik mij in mijn zielenuiting willen terugtrekken op mij zelf. Ik maak mij los van de omgeving. Hierna kan de hele cyclus weer van voren af aan beginnen. Een soort ademingsproces dus, tussen mijn ziel en dat wat ik uit de omgeving gewaar wordt.

En nu de gebaren die daarbij horen.

1) Bij het werkzame woord hoort een sterk DUIDEND gebaar. Iemand die effectief wil zijn gebruikt duidende, aanwijzende gebaren. Steiner zegt dat het bestuderen van die gebaren voor de acteur van het grootste belang is. Dan moet hij niet naar Engeland gaan. (Handen in de zakken.) Maar bv. naar Italië. In de schilderkunst van de Italiaanse Renaissance (Leonardo) is dat duidende gebaar goed waar te nemen. (laten zien het schilderij van de “Duidende vrouw.”)

2) Bij het bedachtzame hoort een gebaar, waarbij men de armen en handen aan zich­zelf houdt. Bv. Vinger op voorhoofd: nadenken.

3) Bij het naar voren tasten hoort een rollende beweging van de armen, waarbij de handpalmen naar beneden zijn gericht en de handen open zijn. De beweging rolt naar voren.

4) Bij antipathie wil ik mijn armen en benen van mijn lichaam wegslingeren.

5) Bij sympathie wil ik het object aanraken, mijn ledematen er liefkozend naar uitstrekken,  (beroeren.)

6) Wil ik mij terugtrekken op mijzelf dan maak ik een kort afwerend gebaar, waar­bij de armen kort afgezet worden van het eigen lichaam, ietsje schuin naar beneden.

En nu moeten we proberen vanuit deze gebaren de weg naar de taal terug te vinden. Dat hebben we in Dornach zo geoefend, dat je probeert je in te leven in de stemming, die van dat gebaar uitgaat. Dat deden we vanuit hele concrete situaties. Bv. hebben we gespeeld zonder taal eerst. Eerst alleen gebaar: Iemand heeft een vermoeiende congresdag achter de rug en het zat nogal tegen. Euritmisch is hij in een “E-” stemming. Afwijzend. Bewust. Vermoeid. Hij komt op zijn hotelkamer, waar plotseling het licht uitvalt. Dan is hij eerst wat angstig. Hij voelt zich a.h.w. “U”. Maar dan herinnert hij zich dat hij in zijn koffer een zaklantaarn heeft. Er gaat hem innerlijk een licht op, dus voelt hij zich “I”. Terwijl hij in het donker voorttast naar zijn koffer, struikelt hij over de stoel. Daardoor voelt hij zich weer ellendig: ‘E’, ‘E’, ‘E’. Dan vindt hij gelukkig de zaklantaarn:  “AA”  “AA”   “AA”. En op hetzelfde moment gaat het licht weer aan: “OO”,  “OO”.

Zo hebben we vele oefeningen gezien die de Dornacher toneelspelers voor ons hebben opgevoerd. Dit kun je ook doen met iemand die buiten slaapt, ontwaakt door de eerste zonnestralen en een prachtige zonsopgang ziet. Wat beleeft hij? Dan wordt het licht steeds feller, en verblindt hem tenslotte. Een zeer leerzame oefening.

Ook kun je in temperamenten oefenen: een cholerische dame die aan een flegmatische stationschef vraagt naar welk perron ze moet, terwijl de trein al moet vertrekken. Enz. enz.

Waar het bij al deze oefeningen om gaat, is om in de juiste klankstemming te komen, die aan dat gebaar beleefbaar wordt. Wij hebben helaas geen tijd om zulke oefeningen te doen. Maar zou een groep er eens in slagen echt direct na Michael te beginnen, dan kun je deze dingen natuurlijk doen en dan zal blijken hoe vruchtbaar ze zijn. Nu naar de taal, waarbij we even willen afzien van het vocale- en consonantische. Daarover zou nog apart gesproken moeten worden. De tijd staat dat helaas niet toe.

1) Bij het effectieve in de taal en het duidende gebaar hoort de taal indringend te zijn. Steiner spreekt zelfs van “schneidend”. Van zelfs iets metaalachtigs krijgen.

2) Bij het bedachtzame van de zielenuiting en het aan zich houdende gebaar hoort een volle, gedragen taal.

3) Bij het besluitloze en stilhouden der ledematen wordt de taal langzaam en slepend, getrokken.

4) Bij het onzeker naar voren tasten, met rollende bewegingen wordt de taal levend, vibrerend.

5) Bij antipathie en wegslingerende ledematen wordt de taal hard.

5) Bij sympathie en beroering van het object, wordt de taal  zacht.

6) Bij het terugtrekken op jezelf wordt de taal kort, afgezet. Voorbeeld:
“Jij wilt nu gaan wandelen? Ik wil hier blijven! Ik—ga- een—boek—lezen.”

Voorbeelden aan de hand van de kerstspelen:

sub l) Het werkzame woord, duidend gebaar, indringende taal: verkondiging door de engel aan Maria. In renaissanceschilderijen sterk duidend weergegeven. Ook engel die aan Jozef verschijnt in het Driekoningenspel.

sub 2) Bedachtzaam, ledematen houden lichaam ergens vast. Hand aan hoofd. Spraak: vol. Voorbeeld: Melchior, bedachtzaam:
”t coomt mij veur oft woort van den profeet alree in Bethlehem sich vervullen deet. dies wil ik naestelijk BEDENKEN wat ik het kindeke sal schenken.”

Herodes, bedachtzaam, nadat schriftgeleerden zijn vertrokken:
“ic wil te deghen en regts die saeke overweghen en rigt mijn sin en mijnen moet op dattic vergiete het kint sijn bloet.”

Extreem bedachtzaam, als het denken tot intellectueel abstract denken wordt, bij de schriftgeleerden zelf. In de tekst staat: “zij kussen zichzelf op de schouders.”
Dit is misschien een heel extreme vorm van het houden van de ledematen (bovenarmen) aan het lichaam.

sub 3) Voorttasten der taal tegen weerstanden, met armen en handen rollend gebaar. Bevende taaluiting.
Voorbeeld: denk aan herders op weg naar stal:
’t is hartstikke donker, ick tast nae de wegh, ik en weet sowaor geen hegh of de stegh. Gaewe qualic of regt na de stadt bij abuys?”

Dit laatste is inderdaad een vraag! Steiner zegt dat vooral de letter rrrr goed helpt om dit tastende, bevende tot uiting te brengen. Blijf wat langer op zo’n r hangen.

sub 4) Antipathie, afhandelend, beweging wegslingerend. Harde taal.
Voorbeelden te over: 2e waard, (kan eerst bedachtzaam beginnen.) bedachtzaam:    “Wat moetghe hier, ghij met u wyf?
werkzaam duidend, indringend: ‘blijft bedelvolk mij van het lijf.’
bedachtzaam………..     ‘van anderen heb ik meer gewin’
(of antipathie, kan hier ook werkzaam duidend, indringend: ‘landlopers laat men hier niet in.’

antipathie, hard.……    “wegh van mijn deur en pakt u voort’

bedachtzaam…………..     ‘dat gij mij langer niet en stoort.”

Herodes: sterke antipathie, wegslingerende beweging, hard:
“Pack U gezwind van hier, dwazin, wat laat ghe u mit mynen saeken in?”

sub 5) Sympathie, beroering, zachte spraak.
—   Godvader schept Adam (Zie het bekende reliëf uit Chartres.)
—   Adam ziet de natuur en de schepselen van het paradijs voor het eerst.
–   Maria-kind. Als Maria zingt met Jozef. Ook Jozef. Maria kan een gebaar naar het kind maken, als wil ze het aanraken en beschermen als de herders aanklop­pen. Zelf is zij geschrokken van het aankloppen en de stemmen en reikt naar het kind.
–   Herders zelf als zij het kind in de kribbe aanbidden. Het wiegen heeft dit gebaar al sterk in zich.

sub 6) terugtrekken op zichzelf; gebaar van de armen afstotend van het lichaam, korte, stotende taal.
Als Herodes de schriftgeleerden wegstuurt en alleen wil zijn. Hier wordt door Herodes vaak waanzinnig hard geschreeuwd: “Algoet laat af….”
Het is zeer de vraag of dat juist is. Dat zou vanuit de taal op antipathie duiden. De schriftgeleerden en Herodes staan echter niet zo heel ver van elkaar af…….
Herodes zou dit dus veel korter en stotender kunnen zeggen. (Kurz abgesetzt.RS)
Algoet-laat af-en swijgt alsnu.
ick heurde—alree—genoegh—van—u
maak tu van hier. (kort)(stop.)

Waar het dus om gaat is, om op belangrijke momenten de wezenlijke gebaren te vinden en van daaruit naar de spraak te gaan.

Slot

Als afsluiting nog dit:
Elke cultuurperiode heeft zijn prille begin, zijn opbloei naar een hoogtepunt en zijn verval in decadentie. Daaraan is ook de Griekse tijd niet ontkomen. Men vindt dit duidelijke terug in de Griekse zuilen: de prille, eenvoudige Dorische, dan de volle, krachtige Ionische, en tenslotte de pompeus, protserig wordende Korinthische.

Elk van deze drie periodes: begin, bloei en einde, hebben hun eigen dramatische auteurs gekend.

Zo hoort bij het prille Ayschylos. In zijn spelen vindt men een koor met hoogstens een enkele of een paar spelers. Grote eenvoud. Hij is een episch schrijver.

Dan komt de bloeiperiode met Sofokles. Het tragische in zijn spelen blijft mild door het kunstzinnige ervan. Zeer harmonisch. Zijn werken zijn lyrischer.

Tenslotte is er Euripides. Sterk retorisch, pathetisch, dramatisch.

Deze drie elementen kunnen wij als grondstemming, als stijl, ook in onze kerstspelen terugvinden.

Het paradijsspel is sterk episch, het kerstspel lyrisch en het driekoningenspel is echt dramatisch.
Zo gaan de drie spelen ook nog eens door de hele mens heen, beginnende in zijn hoofd met het verhalende, vertellende; dan het middengebied – het gevoelsmatig—lyrische en ten slotte en in de ledematen handelende-dramatische.
Daar staat voor ons nog eens de DRIELEDIGE mens.

De EPICUS
Spreekt iemand EPISCH, verhalend dus, en wil hij de andere mens daarmee raken, dan zal hij sterker in vocalen spreken. Deze zijn immers de rechtstreekse uiting van wat in onze ziel leeft. In de consonanten kruipt hij in de DING-wereld. De EPISCHE spreker citeert. En als hij herhaaldelijk citeert dan RE-CITEERT hij. Het object, waarover verhaald wordt, openbaart zich.

Keert de mens zich geheel naar binnen en openbaart hij zijn innerlijk, dan wordt hij LYRISCH. Raakt zijn innerlijk op drift dan begint hij te roepen: clamare.
Zo ontstaat de DECLAMATIE.

De DRAMATICUS
Keert de mens zich naar buiten, heeft hij zijn object tegenover zich, waarmee hij converseert, dan wordt hij tot DRAMATICUS.

Hiermee heb ik geprobeerd iets weer te geven van de stijlverschillen tussen de drie spelen die we thans aan het instuderen zijn. En ik zou toch de voorzichtige, maar diepe hoop willen uitspreken, dat iets hiervan mag doorklinken in de drie groepen die nu aan de slag gaan.

Zou zich nog een volgende keer voordoen, dan zou het belangrijk kunnen zijn om wat dieper in te gaan op de Dionysische mysteriën en de figuur van Dionysos en wat die te maken heeft met Karl Julius Schroer,  de leraar van Rudolf Steiner, die deze spelen aan de vergetelheid ontrukte. Daarover dan hopelijk een volgende keer.

.                                                                                


(Hoewel de naam van de inleider ontbreekt, is het gezien de stijl, vrijwel zeker Wim Veltman geweest)

 

Kerstspelen: alle artikelen
.

239-225

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Herdersspel -verkondiging

.

IETS OVER DE KERSTSPELEN


Nu de tijd waarin vele groeperingen weer kerstspelen gaan opvoeren, nadert, wil ik graag iets naar voren brengen over het z.g. spel van Christi geboorte. Indertijd heeft Rudolf Steiner voor de drie Oberufer Weihnachtsspiele regie-aanwijzingen gegeven. Deze aanwijzingen zijn aan de Nederlandse groep van kerstspelers in het begin van de twintiger jaren overgebracht door J. Stuten.

De toen gegeven aanwijzingen zijn m.i. te splitsen in twee categorieën. Tot de eerste (of liever juist tweede) behoren die, welke betrekking hebben op het brengen van bepaalde scènes, zo, dat ze door een publiek met aandacht en genoegen opgenomen kunnen worden. Ik denk hierbij o.a. aan sommige grapjes uit het herdersspel, die Rudolf Steiner in verschillende groepen van spelers, verschillend voorspeelde. Zulke regievondsten, die dikwijls ontstaan op het moment dat men aan het repeteren is, kunnen tamelijk vrijblijvend gehanteerd worden.

Tot de voornaamste categorie behoren aanwijzingen van een geheel ander soort, namelijk die betrekking hebben op de achtergrond van deze spelen. Zo was ik ver­leden jaar enigszins verbaasd, toen ik merkte, dat er groeperingen zijn (niet alleen in Nederland maar in de hele wereld), die in het ‘geboortespel’ de z.g. Verkondi­ging plaatsen ná de proloog van de engel. Nader hierop ingaande begreep ik al heel gauw waar de oorzaak hiervan te vinden was. In de gedrukte Duitse tekst van de Oberufer Weihnachtspiele is de volgorde in het spel van Christi-geboorte: Sterre-gesanck, proloog van de engel, verkondiging. Daarna volgt dan de dialoog tussen Jozef en Maria.

Ik was ervan overtuigd, dat dit niet goed was. Maar daar ik ten tijde dat de eerste kerstspelopvoeringen hier in Nederland plaats vonden, nog in de peuterleeftijd ver­keerde, meende ik er goed aan te doen mij eerst eens nader hierover te oriënteren en er met iemand over te spreken, die deze ‘begintijd’ iets bewuster meegemaakt had. Mevrouw Thea Onnes van Nijenrode leek mij hiervoor de aangewezen persoon. Omdat ik haar adres kwijt was belde ik Harry Polderman uit Zutphen en kreeg van hem te horen dat zij juist de vorige dag overleden was. Ik legde hem uit, waarover ik haar had willen spreken. Toen vertelde hij mij het volgende: Thea Onnes had in de tijd van hun kerstspelrepetities een keer een repetitie bijgewoond om de pianiste die ziek was, te vervangen. Op die repetitie werd, hoewel nog niet iedereen aanwezig was, toch maar vast begonnen. Na het ‘Sterregesanck’ bleek Maria nog afwezig.

Daarom sprak de engel de proloog vóór de verkondiging. Intussen was Maria ge­arriveerd en werd de verkondiging gespeeld. Na de repetitie vroeg Thea Onnes aan Harry Polderman, enigszins ongerust, of zij altijd in deze volgorde speelden. Op zijn verklarend en ontkennend antwoord vertrok zij gerustgesteld. Hetgeen Polderman mij daar vertelde, was een indirect maar duidelijk antwoord op mijn vraag. Als ik haar zelf gesproken had, zou ik haar verzocht hebben nog eens iets te schrijven over de kerstspelen, zoals zij die in haar jeugd, door Rudolf Steiner geregisseerd, gezien had. Nu zij dit niet meer kan doen, wil ik graag zelf op het volgende wijzen: Voor zover mij bekend, is de ‘verkondiging’ een scène die nog niet bij het eigenlijke spel hoort, een voorspel. Tijdens deze scène is de hele kompany niet op het toneel, terwijl bij alle andere scènes deze steeds zichtbaar ergens op­gesteld is, zoals dat ook bij het Paradijs- en Driekoningenspel het geval is. In de muziekteksten, waar steeds de wachtwoorden aangegeven zijn. waar de liede­ren moeten aansluiten krijgt men na het sterregesanck (in de vertaling van mej. Bruinier):

Toen het woord wierdt vervult
So God verkondight hadt
quam daer een enghel snel
van naôme Gabriel
tot Nazaret die Stadt
uit lant Galilea
t’eener maecht Maria enz.

In deze vertaalde tekst staat dan: de hele kompany gaat nu af en Maria blijft alleen. Dit lied geeft duidelijk aan, dat nu de verkondiging plaats zal hebben. Na de verkondiging komt de kompany weer op en zingt:

Als Maria jongfrou rein Swanger wierdt bevonden enz.

Dit lied wijst er duidelijk op, dat de verkondiging plaats gehad heeft. Nu pas treedt de engel naar voren en spreekt de proloog. Het eigenlijke spel van Cristi Geboorte is begonnen. Carl Julius Schröer beschrijft dit in zijn boekje ‘Uber die Oberufer Weihnachtsspiele’ net zo. Hij vermeldt er nog bij dat Maria tijdens het voorspel in het wit gekleed is. In dit boekje beschrijft Schröer nog veel meer over de oude gebruiken, die vroeger in Oberufer in zwang waren. Rudolf Steiner heeft ze lang niet allemaal overgenomen; waarschijnlijk omdat veel van deze gebruiken met de omstandigheden van de dorpsherberg in een dorpsgemeenschap te maken hadden. Maar men zou toch wensen, dat hetgeen wel in zijn regie naar voren gebracht is, zoveel mogelijk in stand gehouden zou mogen worden. Een raadsel blijft, hoe het mogelijk is dat in genoemde Duitse tekst, deze volgorde verwisseld is, maar de druk­pers heeft ons wel meer eigenaardige verrassingen bezorgd.

(L. Gerretsen, Mededelingen van de A.V.I.N. nov.1974)
.

Nog iets over de Kerstspelen
Op hetgeen mevrouw L. Gerretsen in het novembernummer van dit blad over de Kerstspelen naar voren heeft gebracht zou ik graag, in zover ik dat vermag, wat nader ingaan. Het was mij uit het hart gesproken ‘dat de regie van Rudolf Steiner inderdaad zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden’. Evenzeer was het ver­helderend er op te wijzen dat naast de vele exacte aanwijzingen – Dr. Steiner heeft indertijd in Dornach elke speler zijn rol geheel en al voorgespeeld! – er toch nog ruimte genoeg blijft voor de grapjes en spontane regievondsten, die mevrouw Ger­retsen terecht in een aparte categorie geplaatst wil zien. Juist uit zulke originele invallen kan blijken, dat er vanuit de ware gemoedsstemming wordt gespeeld. Uit­gedachte, ‘interessante’ novums worden dan direct ontmaskerd, want die verdragen de spelen niet.

De Nederlandse musicus Jan Stuten kreeg van Dr. Steiner in die oertijd de rollen van Adam, Gallus en Herodes te spelen, ook werd hem van het begin af aan de leiding toevertrouwd. Ik heb het voorrecht gehad hem nog jaren lang in de spelen te mogen beleven. Onvergetelijk hoe hij kort voor zijn dood, oud en ziek, plotseling in moest springen en een Adam gaf zo stralend nieuwgeschapen als ik later nooit meer heb meegemaakt.

In deze regie nu, die onveranderd is gebleven, spreekt de engel eerst de begroeting uit en daarna heeft de verkondiging plaats.* Daarom staat dit zo afgedrukt in de pas veel later in boekvorm verschenen tekst, waarin meer aanwijzingen anders zijn dan in het boekje van K. J. Schröer. Volgens deze inmiddels ontstane traditie wordt het in Dornach en elders zo opgevoerd, dat de company zingend binnenkomt – in tegenstelling tot de zwijgend binnentrekkende stoet van het paradijsspel – en zich opstelt vóór het toneel (behalve Jozef en Maria, die hun plaats op de krukjes óp het toneel innemen). Hierop wordt het ‘sterrengesank’ gesproken, waarna de company terzijde gaat zitten mét Jozef en Maria. Terwijl de engel hierop het toneel opgaat voor de begroeting, blijft de sterrenzanger beneden (eveneens in het midden) staan en buigt met alle buigingen van de engel, die hij dus niet zien kan, mee. Na de begroeting nodigt de engel de company uit het toneel op te komen en wordt ‘toen het woord wierdt vervult” gezongen (nr. 2). De engel houdt zich daarna onge­merkt schuil achter de boom, Maria blijft vóór de boom staan en als de company nog zingend het toneel heeft verlaten vindt de verkondiging plaats. Hierbij zijn zeer merkwaardige gebaren voor Maria aangegeven, waaruit blijkt dat zij in deze scène moet staan.

Daarna gaan engel en Maria het toneel af en de company zingt ‘Als Maria jongfrou reyn’ (nr. 3). Direct hierop aansluitend volgt ‘Keyser Augustus’ (nr. 4) wat door de abrupte wisseling in de andere toonaard een sterk effect geeft. Ik zou dit alles hier niet zo uiteen durven zetten als ik slechts op mijn herinnering zou steunen. Toen ik echter in de jaren vijftig zelf in Den Haag met de kerstspelen begon, heb ik mijn licht opgestoken bij iemand, die alle repetities met Rudolf Stei­ner heeft meegemaakt en zijn aanwijzingen toen heeft genoteerd. Dit was de musi­cus Edmund Pracht, die sedertdien 33 jaar lang aan de spelen heeft meegedaan. Zijn ‘boze waard’ was elk jaar weer anders en steeds onovertrefbaar. Hij heeft mij veel gebaren voorgedaan en ik mocht al zijn notities en tekeningetjes overnemen. Hierdoor heb ik gemerkt hoeveel hiervan in de Nederlandse traditie verloren is gegaan, dat veel anders is, is op zichzelf natuurlijk geen bezwaar en kan zelfs zeer overtuigend werken, maar nu moet ik mijnerzijds vragen: hoe komt het, dat men hier te lande de kribbe meestal vlak voor Maria’s knieën plaatst, die zelf pal en face naar het publiek zit, wat op zichzelf al geen goed toneelbeeld geeft? Hoe licht gaat Maria dan wat krom zitten, vooral tijdens het herdersspel, met die krib vlak voor haar. Ik herinner mij hoe ik zelf in deze regie reeds in 1928 daarmee te kam­pen had, te meer, daar men mij niet had gezegd, dat Maria de handen gekruist voor de borst moet houden (als grondstemming). Hoezeer komt deze edele houding tot zijn recht als men, zoals het in Dornach het geval is, Jozef en Maria aan weers­zijden van de kribbe plaatst – Marias ‘kruksken’ is wat lager dan dat van Jozef! – waardoor de herders ook de mogelijkheid krijgen bij de aanbidding gedrieën achter de kribbe te knielen met het gezicht naar het publiek, beschenen door de goudglans van het strooien dakje boven het kind.

De oorspronkelijke Maria, Emica Mohr-Senft, heeft mij alle gebaren van Maria voorgedaan. Bij de geboorte gaf Rudolf  Steiner een beweging aan alsof zij met de rechterarm voorzichtig iets uit de grond opheft, eigenlijk opschept, wat dan over­gaat in ‘die Gebärde des Kindhaltens’. Van boven af laat de Engel de ster in haar armen schijnen. De prachtige map met gekleurde platen van Assja Turgenjeff, die helaas sinds jaren niet meer te krijgen is, illustreert duidelijk de diverse scènes. Dat Dr. Steiner het voor de huidige tijd nodig vond van de traditie, die Schröer heeft opgetekend, af te wijken blijkt het duidelijkst uit het feit, dat hij de musici niet heeft gevraagd de oude muziek op te zoeken, die trouwens bekend was. In Graz worden de spelen nog jaarlijks van de kerk uit volgens de oorspronkelijke melodieën met het vastgelegde aantal schreden opgevoerd. Dr. Steiner verzocht in­tegendeel Leopold van der Pals om voor deze oude spelen een nieuwe muziek te schrijven. Wie de oude kent weet hoezeer die, mét of zonder versieringen, ons in een bewustzijn lokt dat niet meer het juiste is voor deze tijd.

Hoe gaarne zou ik besluiten met het aanbod aan ieder, die daar belangstelling voor heeft, de notities van Edmund Pracht verder te geven … als ik wist waar het tekst­boekje, waarin ik ze overschreef, is gebleven! Men moge het mij vergeven dat ik van deze gelegenheid gebruik maak om een dringend appèl te doen horen: moge degene, die dit boekje reeds jaren geleden van mij heeft geleend het mij nu direct terugzenden! De betrokkene kan het riskeren: ik zal hem of haar laten leven en nog dankbaar zijn bovendien.

(Johanna Knottenbelt, Mededelingen A.V.I.N., jan. 1975)
.

* Zie ook de reactie van Dr. Lehrs aansluitend aan dit artikel.

Wij ontvingen, eveneens als reactie op het artikel van L. Gerretsen, een schrijven van Dr. E. Lehrs, waaruit we het volgende ontnemen.

Dr. Lehrs zag tijdens R. Steiners leven tweemaal de opvoering van het Kerstpel in Dornach. Hij speelde jaren mee onder de leiding van Karl Schubert, die onder R. Steiners regie in Dornach had meegewerkt. Bovendien heeft Dr. Erich Schwebsch Steiners aanwijzingen de regie van het Kerstspel betreffend overgeschreven (zijn in Stuttgart nog voorhanden). Zonder enige twijfel liet R. Steiner de verkondiging na de proloog van de engel spelen. Dr. Lehrs is van mening dat de reden hiervoor was dat in de huidige tijd de mensen uit het ‘Alltagsempfinden’ eerst geleid moeten wor­den in de spirituele ruimte, waar de spelen pas echt beleefd kunnen worden. De deur die leidde tot de ‘Alltagsraum’ moet, nadat hij is verlaten, eerst gesloten wor­den, dan wordt de deur naar een nieuwe ruimte geopend; de zielen treden binnen in deze nieuwe ruimte door het aanspreken, de begroeting van de engel. Wij zouden het niet verdragen de spelen zo te zien als ze destijds door de boeren gespeeld en gezongen werden.

(de redactie)

 

Kerstspelen: alle artikelen

238-224

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen- Herdersspel -‘vrouw Titia’

.

OVER GESTALTEN IN HET KERSTSPEL

Met grote belangstelling las ik het korte artikel van Mevrouw L. C. M. Blok-Elink Sterk onder het opschrift ‘Enkele regels in verband met het Kerstspel’ in het novembernummer van dit blad. Mevrouw Blok-Elink Sterk vraagt zich af wie toch ooit op de gedachte is gekomen om een ‘Vrouw Titia’ als waardin te laten optreden, in plaats van Baas Titus. Zij meent dat het beslist onjuist is om naast Maria nog meer vrouwelijke wezens in de kompanij op te nemen. Zodat er verder dus alleen mannen te zien zouden zijn.

Over het al of niet juiste van dit betoog wil ik niet discussiëren, ook al omdat men over een kunstwerk eigenlijk nooit zou moeten ‘discussiëren’ in de zin van het plaatsen van argumenten over en weer, en tegen elkaar. Wel wil ik enkele gezichtspunten onder woorden trachten te brengen, die de lezer wellicht ook zou kunnen betrekken bij zijn eigen oordeelsvorming.

In de eerste plaats verwijs ik naar het boekje: ‘Ansprachen zu den Weihnachtspielen aus altem Volkstum’ (Dornach, 1974), waar in 19 bijdragen van Rudolf Steiner zelf, twee bijdragen van Karl Schubert en Leopold van der Pals, plus een reeks van ‘Hinweise’, een schat aan inzichten en achtergrondinformatie over de drie kerstspe­len, waar het hier om gaat, wordt geboden. In de toespraak van 7 januari 1917 zegt Rudolf Steiner onder meer: ‘Wir können nach keiner Richtung hin selbstverständlich irgend etwas Abgerundetes oder Vollkommenes bieten’. Dit aspect van het onvoltooide en wordende Kerstspel, dat nog verder kan groeien, benadrukt ook Karl Julius Schröer in zijn boekje ‘Ueber die Oberuferer Weihnachtsspiele’. Rudolf Steiner onderstreept telkens weer dat zowel de teksten, als het speelarrangement van de oude versie, die hij van zijn leraar Schröer had ontvangen, onvolledig, onbruikbaar en soms zelfs onjuist waren. Hij voelde de noodzaak om zelf de drie spelen geheel te herschrijven, en betreurt het dat hij dit werk onaf heeft moeten laten liggen. Men leze o.m. de toespraken van 25 december 1923 en van 29 december 1923. Frau Marie Steiner bevestigt dit later in een toelichting bij een herdruk van de teksten. Er is sprake van een ‘Wiederherstellung’. Een oud monument wordt gerestaureerd en daarbij als het ware ook van oneigenlijke aangroeisels ontdaan, als ik deze beeldspraak mag gebruiken. Bij een vergelijking van de ons bekende teksten met de publicatie van K. J. Schröer, kan men ook in een aantal concrete details de kunstenaarshand van Rudolf Steiner direct aanvoelen. Hij heeft de volgorde van spelen, zoals die in Oberufer gebruikelijk was, veranderd, heeft een proloog voor de Boompjesdrager van het Paradijsspel geschreven, heeft op talloze plaatsen woorden in de tekst door andere vervangen, enz. Men mag misschien zeggen dat er gezocht is naar het spirituele oerbeeld van betreffende figuren en scènes.

Voor wat nu in concreto de waarden betreft, citeer ik uit de toespraak van 30-12-1917 o.m.: ‘Sie werden von den zwei ersten Wirten abgewiesen, von dem dritten in den Stall geführt’. (‘Ze worden door de eerste twee waarden geweigerd, door de derde in de stal gebracht.

Dat kan duiden op drie verschillende herbergen! En verder: ‘Das war ursprünglich anders, aber in Oberufer durchaus noch so dargestellt: ursprüng­lich war da ein Wirt, eine Wirtin und deren Magd. Und damit wurde noch die Idee verknüpft: der Wirt weist Joseph und Maria ab, wie auch die Wirtin, nur die Magd bietet eine Unterkunft im Stall. Weil es wahrscheinlich schwierig geworden ist bei den Aufführungen die nötigen jungen Leute zu finden, um eine Wirtin und deren Magd darzustellen, wurden dann die Rollen übertragen auf zwei andere Wirte, sodass wir jetzt drei Wirte haben’.
(Dat was oorspronkelijk anders, maar in Oberufer zeker nog zo uitgevoerd: oorspronkelijk was er een waard, een waardin en hun meid. En daaraan werd de opvatting verbonden: de waard wijst Jozef en Maria af, zo ook de waardin, alleen de meid biedt onderdak aan in de stal. Omdat het waarschijnlijk moeilijk geworden is om voor de opvoeringen de benodigde jongelui te vinden om een waardin en hun meid te vertolken, werden de rollen dan aan twee andere waarden gegeven, zodat we er nu drie hebben.’)

In de toespraak van 6 jan. 1918 wordt dit herhaald. Nergens een woord van Rudolf Steiner dat, en om welke reden, hij zo een verwisseling van waard en dienstmaagd onjuist zou vinden. Men kan zich nu afvragen: is deze scène reeds door Rudolf Steiner omgewerkt, in de zin van reeds in haar oorspronkelijke gestalte teruggebracht, of nog niet, of vond hij dit in dit geval niet nodig? Is het ‘ursprüngliche’ waar hij over spreekt, dus het oerbeeld? . . ‘Aber ursprünglich war es anders’  herhaalt hij verder op. . . En voorts: als de oude versie van waard, waardin en dienstmaagd inderdaad juist is, dan kan dat wijzen op de aanwezigheid van één grote herberg. Daar wordt in de tekst ook op gezinspeeld, en die kan best naast de hoofdingang, nog een keukendeur en een staldeur hebben gehad, door welke laatste dan de maagd met haar lampje nieuwsgierig komt kijken, en Josef en Maria verlaten vindt. . . . Hoe dit ook zij, ik heb in de vele malen dat ik dit spel met een groep instudeerde, nooit zo veel moeite ermee gehad om het als het ware van het ‘aanbod’ van spelers te laten afhangen of we het in de ene of in de andere vorm speelden. In Oberufer had men te maken met de regel dat alleen mannen mochten meedoen. Mannen moesten ook de rollen van Eva, Maria, Engel enz. spelen. Dat was toen vermoedelijk geen praktische, maar een principiële overweging. Heden ten dage is de situatie meestal omgekeerd: men heeft de grootste moeite om mannen te vinden die bereid zijn om mee te spelen, en men heeft als regel een ruim aanbod van vrouwelijke spelers.

Nu zou ik aan dit man- of vrouwzijn minder zwaar willen tillen, te meer niet naar de mate waarin het om stukken of rollen gaat, waarin het geestelijke element sterker is dan het uiterlijk-fysieke. Zo heb ik zeer overtuigende engelvertolkingen van een man gezien. Ook is bekend, dat bij de eerste uitvoering van de mysteriedrama’s van Rudolf Steiner de rol van Johannes Thomasius door een vrouw is gespeeld.

De vergelijking met Astrid, Luna en Philia uit de Mysteriedrama’s, die Mevrouw Blok-Elink Sterk maakt, overtuigt mij minder. De drie waarden in onze spelen zijn duidelijk gestalten in onze fysieke wereld, die er ook geen geheim van maken hoe belangrijk voor hen de materiële wereld is. Dat maakt hen juist zo bot voor al het geestelijke, zo blind voor de verschijning van Maria, zo doof voor de impulsen van naastenliefde, van medeleven. Zij zijn door en door egoïstisch (‘Blijf bedelvolk mij van het lijf!. Ziet zélf hoe ge U met dat kindeken redt!. Van anderen heb ik meer gewin!” enz!!) De drie gestalten Philia, Astrid, Luna daarentegen zijn: ‘Geistige Wesenheiten, welche die Verbindung der menschlichen Seelenkräfte mit dem Kosmos vermitteln’. Dat speelt zich in een totaal andere, geestelijk-morele wereld af, dan de wereld waarin de waarden denken en handelen heersen. Wel ben ik het geheel met de schrijfster eens dat sentimentaliteit niet in onze Kerstspelen thuis hoort. Als toneelspeler ben ik van mening, dat het heel goed mogelijk is dat ook een vrouwelijke rol in het spel, zodanig wordt uitgebeeld, dat het geheel daardoor geen sentimentele nuance behoeft te krijgen. Dat geldt zeer in het bijzonder voor de rol van de Maria. Als die sentimenteel-melancholisch wordt, dan werkt dat fysiek-realistisch. Na haar gesprek met de Engel kan geen Maria meer melancholisch zijn!

(Carel Eckhart, Mededelingen van de Antroposofische Vereniging In Nederland, dec. 1985)

Vrouw Titia in het Kerstspel

In het november nummer van dit blad (p. 332) wordt de vraag gesteld waar toch Vrouw Titia vandaan komt.

Het antwoord vinden we in de voordracht van Rudolf Steiner van 6 januari 1918, afgedrukt in het boekje ‘Kerstspelen’, Vrij Geestesleven 1979 pag. 13: ‘In het oorspronkelijke spel was het de waard, die voor Jozef en Maria geen plaats had en ze zelfs weer op straat zette; ook de waardin nam hen niet op. Alleen de dienstmaagd wees Jozef en Maria de stal. Toen ze in Oberufer begonnen met het opvoeren van de Kerstspelen, waren er bijvoorbeeld niet altijd genoeg geschikte spelers. Iemand die Maria of de waardin speelde, moest een jonge jongen zijn. Die waren er vaak niet en deze rollen moesten dan ook door oudere knapen worden bezet. Naar alle waarschijnlijkheid heeft men daarom de waard, de waardin en de dienstmaagd maar veranderd in één waard en nog twee andere.’ Het Kerstspel is aldus in overeenstemming met het Evangelie van Lucas, dat niet van drie herbergen spreekt, maar enkel vermeldt, dat er voor hen geen plaats was in ‘de herberg’.

Mogen wij aannemen, dat met deze herberg de mens zelf is bedoeld en dat Paulus, in meer abstracte vorm, het zelfde uitdrukt met de woorden:

‘Weet gij niet dat gij God’s tempel zijt (I Cor. 3 en 6). In deze tempel (alias herberg) wordt de dienst uitgemaakt door drie aspecten van de ziel, waarvan we in de boze waard de trekken van de verstandsziel kunnen herkennen, terwijl de jeugdigste zielekwaliteit, die nog als dienstmaagd ondergeschikt is en pas in de toekomst tot volle ontwikkeling zal komen, de Heer binnensmokkelt. Niet in de herberg van het hoofd, maar in de kribbe van het hart.

Michiel ter Horst, Mededelingen A.V.I.N. jan. 1986

 

 

Kerstspelen: alle artikelen 

.

237-223

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Paradijsspel regie-aanwijzingen (2)

.
Th.Onnes van Nyenrode-Smits, Mededelingen Antroposofische Vereniging, nov.1968 en dec. 1970.

.

HET PARADIJSSPEL

De tijd van kerstmis nadert. Ieder jaar trekken weer de kerstspelen aan ons voorbij en verbinden ons met ons innerlijkste zijn. Ondanks het nauwe verband van Paradijs – en Christusgeboortespel is er een hemelsbreed verschil tussen deze twee spelen. Het ene beeldt een historisch gebeuren uit, de personen hebben werkelijk op aarde geleefd, het andere beweegt zich helemaal in de sfeer der imaginatie, die in aardse zin niet werkelijk is. En toch onder­gaan wij als toeschouwer aan het paradijsspel een aangrijpende realiteit. Omdat wij door de antroposofie vertrouwd worden met het wordingsproces van mens en kosmos, kunnen wij steeds meer herkennen, wat uit deze beelden spreekt. Het zal waarschijnlijk iedereen wel eens zo gaan, dat bij de studie van een of ander geesteswetenschappelijk boek hij op een zin stoot, die hem bij blijft, omdat hij hem verbaast, omdat hij hem niet goed kan plaatsen. Zo bijv. een zin in de ‘Geheimwissenschaft‘, waar bij de beschrijving van de luciferische verleiding gezegd wordt, dat als gevolg ervan de voedselopneming, die tot die tijd door de hem beschermende goddelijke wezens werd geleid, in het bereik van de willekeur van de mens kwam, waardoor hij met meer vaste materie doortrokken werd dan oorspronkelijk was voorzien. Als je met zo’n zin als vraag in je rondloopt en dan weer het Paradijsspel ziet, ervaar je ineens de diepe wijsheid, die erin besloten is. De mens eet de vrucht van de boom der kennis. Het is het wezen van de echte imaginatie, dat zij natuurgetrouw d.w.z. geestgetrouw is. Een symbool betekent iets, een imaginatie is iets.

De uitwerking van het grandioze Bijbelse oerbeeld in de onopgesmukte boerentaal doet in niets geweld aan dit oerbeeld, integendeel, het verdiept het, brengt het tot leven, getuigt van diepe wijsheid en een psychologische kijk. Men zou zich bijv. kunnen afvragen: waarom houdt Adam Eva niet tegen als zij hem vertelt, dat zij de vrucht wil proeven. Want dat zou toch natuurlijk zijn, nadat hij haar verteld heeft dat het niet mag. En dan komt men er op dat in Adams ziel de bereidheid tot de daad al leefde, ook al had hij de verleidelijke stem van de duivel afgewezen. Had de duivel niet eerst Adam benaderd, dan zouden de daarop volgende ontwikkelingen niet aanvaardbaar zijn. Er komt nog bij, dat Eva hier voor het eerst spreekt, en zij spreekt een andere taal dan tot nu toe gebezigd was. Een persoonlijke taal zou men het kunnen noemen. Zij zegt: „Ik lust de vrucht”. En het merkwaardige is, dat zij hem niet als schadelijk beleeft. Waarschijnlijk omdat de mens in een deel van zijn wezen Lucifer nodig had. Adam ervaart de schadelijke kant, nl. het afsnoeringsproces van de goddelijke wereld. Deze beschouwingen belichten misschien, hoe de mens onschuldig – schuldig werd, een van de grote mysteries, waardoor ook weer de verlossing mogelijk werd. Dit feit van het onschuldig-schuldig worden komt heel zuiver in het spel tot uitdrukking, daar waar Eva de appel aan Adam rijkt. Ik citeer hier de oorspronkelijke tekst met de regie-aanwijzingen van Rudolf Steiner, die hij bijzonder zorgvuldig gaf.

Eva: 
I bi dei Weib und du mei mon.
I bitt ,schau nur den baamer an:
Er tragt die ollerschenste fruacht
Desgleichen hob i nia versuacht. –
I wüll ihn kosten, wiar er schmeckt.

Siet hier Adam, ick ben u vrouw
en ghy myn man. Ick bid, beschouw
die schoonste daer van alle boomen
daervan ick gheen vrugt noyt heb genomen.
Het lust my, voort er van te eten.

(Sie streckt die Hand nach dem Apfel aus, aber der Teufel reisst ihn ab und lässt ihn in ihre Hand fallen, und sie beisst hinein)

(Zij steekt haar hand uit naar de appel, maar de duivel rukt hem eraf en laat hem in haar hand vallen en zij bijt erin)

So i die Wahrheit sagen soll,
Schmeckt miar die fruacht von Herzen wol.
I bitt, du wellst a kosten ihn (Adam wehrt ab!)
Host du mia liab ? (Adam nickt!) so nimm ihn hin.
Er schmecket so fürtrefflich wol.

Adam, wilt ghy de waerheidt weten.
dit is de alderbeste spys.
Hier, neemt hem aen en proeft ereis
als ghy my mint. Het is een lust
dit sap te smaeken. Eet gerust!

Adam:
So i den Apfel essa soll
So iss I ihn durch deine bitt,
Um meinenthalben iss i ihn nit.

Soo het aen my lag, syde ick neen,
soo ick eet, isset om u alleen.

(Adam beisst in den Apfel und schmeisst ihn weg)

(Adam byt in den appel en smyt  hem wegh)

Oh, wia is mei gemüat verwandelt !

Ach, hoe dat ’t myn gemoet verwandelt…..

Nach der Rede des Teufels sagt er nochmals:

Na de rede van de duivel zegt hij nog een keer:

Oh, wia is mei gemüat verwandelt,
O Weib, i hob sehr übel gehandelt
Dass i hob gefolget dia . . . e.z.v.

Ach, myn gemoet is gansch verwandeld!
o vrouw, seer qualyck heb ick gehandeld
deur dien ick volleghde u raet.

Daar ik de spelen in de oorspronkelijke door Rudolf Steiner geregisseerde vorm nog gezien heb (hij speelde iedere rol voor) is juist deze scène bijzonder zuiver in mijn herinnering aanwezig. Hier lijkt mij nu de — anders zo uitstekende — Nederlandse vertaling niet in overeenstemming met het oorspronkelijke. Soms kan een verschuiving van regels, een iets andere klemtoon een situatie vertekenen. Bij dit belangrijke punt der geschiedenis zou naar de meest mogelijke overeenstemming met het origineel gestreefd moeten worden. Eva mag niets van een femme fatale krijgen. Dit spel nog in de oervorm gezien te hebben is een kostelijke herinnering. Heel oorspronkelijk, kernachtig, met een heuse rib. en toch heel doorzichtig en zuiver en van enorme dramatische kracht. Eerst Adam die met de arm om de schouders van Eva geslagen, haar het Paradijs laat zien, zij zijn dan nog een twee-eenheid. Daarna, nadat zij gescheiden verder wandelen, heeft de duivel kans hen te benaderen, daarna de boomscène met haar gevolgen. Eva’s grote smart nog iets ingetogen geuit, de uitbarsting van de duivel enz., de cherub en ten slotte een heel andere Adam, die ziender­ogen groeit in het besef van de verantwoording van zijn menszijn.

De regie-aanwijzingen verkreeg mijn zuster, Frau L. Maier-Smits, van Dr. Karl Schubert, die een der spelers onder Dr. Steiner was en later de regie in de Waldorfschule te Stuttgart had. Zij zijn niet opgenomen in de gedrukte Duitse tekst, en ik meen dat juffrouw Bruinier, had zij ze gekend, er rekening mee zou hebben gehouden. Zij was taalkundig zeer goed op de hoogte en gewetensvol.

Overigens dient vermeld te worden dat vier spelers van de zes Nederlanders waren. Godvader, de Engel. Adam en de duivel.

Deel 2

Men zal zich misschien herinneren, dat ik twee jaar geleden een artikeltje over het Paradijsspel in de Mededelingen plaatste. Dit behoeft nog een aanvulling. Er was namelijk bij mij iets gebleven, daar ik niet kon begrijpen, waarom mejuffrouw Bruinier bij de zo belangrijke appelscène plotseling afgeweken was van de oorspronkelijke tekst. Om wat ik bedoel duidelijk te maken plaats ik de twee teksten hier onder:

Eva: 
I bi dei Weib und du mei mon.
I bitt ,schau nur den baamer an:
Er tragt die ollerschenste fruacht
Desgleichen hob i nia versuacht. –
I wüll ihn kosten, wiar er schmeckt.

Siet hier Adam, ick ben u vrouw
en ghy myn man. Ick bid, beschouw
die schoonste daer van alle boomen
daervan ick gheen vrugt noyt heb genomen.
Het lust my, voort er van te eten.

So i die Wahrheit sagen soll,
Schmeckt miar die fruacht von Herzen wol.
I bitt, du wellst a kosten ihn (Adam wehrt ab!)
Host du mia liab ? (Adam nickt!) so nimm ihn hin.
Er schmecket so fürtrefflich wol.

Adam, wilt ghy de waerheidt weten.
dit is de alderbeste spys.
Hier, neemt hem aen en proeft ereis
als ghy my mint. Het is een lust
dit sap te smaeken. Eet gerust!

Ik ben de zaak nagegaan en heb mij een exemplaar van de eerste druk laten sturen, die de vertaalster als voorbeeld diende, een uitgave van een Leipziger firma. Het blijkt, dat in deze eerste druk op de vierde regel staat: ,,Host du mia liab so nimm ihn hin”, wat zoveel is als „Nimm ihn hin, wenn du mich lieb hast”.

Rudolf Steiner heeft dus ook het vraagteken erin gezet. Hij wilde blijkbaar de verstandelijke redenering er niet in hebben en heeft, om de zaak goed duidelijk te maken, nog de regie-aanwijzingen voor Adam erbij gezet. Zonder twijfel mankeerde in het boekje van mejuffrouw Bruinier dit vraagteken, het zou anders niet goed te begrijpen zijn, waarom zij de veel mooiere directe vraag, die veel overtuigender is, niet gebezigd heeft. Zij heeft feitelijk juist vertaald: neem hem aan, als ge me mint. Alleen is op deze manier datgene, wat Rudolf Steiner eruit gebannen heeft toch weer in de Nederlandse vertaling terecht gekomen. Het merkwaardige is, dat de hele Eva bij deze passage een verstandelijke nuance gekregen heeft. Men lette alleen al op de vele tandklanken. De Duitse Eva spreekt hier in vocalen, de Nederlandse duidelijk in consonanten. Daarbij komt, dat de twee eerste regels niet helemaal juist zijn vertaald. De Duitse regels zeggen: So i die Wahrheit sagen soll schmeckt miar die Fruacht von Herzen wol. Zij geeft haar smaakgewaarwording weer. De Nederlandse zegt: Adam, wilt ge de waarheid weten, dit is de allerbeste spijs. Zij geeft een oordeel af. De ene is gewaarwordingsziel, de andere verstandsziel.

Er is nog iets waar ik op attent wilde maken. Als men de tekst leest, valt op, dat alles op elkaar rijmt, zelfs als het van de ene op de andere persoon gaat, iets waaraan mejuffrouw Bruinier zich ook gehouden heeft, voorzover als ik dit zonder tekstboek beoordelen kan. Alleen op vier plaatsen is deze regel doorbroken. De eerste keer, als God Vader tegen Adam zegt: Ich habe dir das Leben gegeben, ich kann es wieder nehmen: de tweede keer, als Adam dit aan Eva doorvertelt. De derde keer, als de duivel tot Eva zegt: Und gib dem Adam auch davon, de vierde keer, als Eva zegt: Ich will ihn kosten wie er schmeckt. Viermaal gaat het om het kardinale punt. Telkenmale als het rijm plotseling uitvalt gaat er het rode lichtje branden. Het kan geen toeval zijn, dat de tekst zo gecomponeerd is. Het zou m.i. beter zijn, dit dramatische effect ook in de Nederlandse vertaling te brengen. — Als men de twee regieaanwijzingen van Rudolf Steiner op de bestaande tekst over­brengt wordt Adam wel wat levendiger, maar overtuigend is dit compromis niet, want ,,als ge me mint” is geen vraag. Een vraag in dit stukje is ,,Adam, wilt ge de waarheid weten ?” Overigens heeft Rudolf Steiner nog meer gedaan. Hij laat de duivel Eva aanspreken met: Rosige Eva (Nederlands: rooswangige) in plaats van ..Grosse” zoals in het boekje staat, en hij laat de duivel daar, waar hij de twee in ketenen geslagen heeft, nog heel wat zeggen in plaats van de stippeltjes in het boekje. Hij heeft bijzonder zorg­vuldig het hele spel doorgewerkt, juist ook wat regieaanwijzingen betreft.

Kerstspelen: alle artikelen   (w.o. regie-aanwijzingen voor het Paradijsspel)

236-222

.

 

VRIJESCHOOL – Kerstspel – Paradijsspel regie-aanwijzingen

.

Tijdens de bijeenkomst van 8-9-1979 werden deze aantekeningen gemaakt:

De Boomdrager is een totaal andere figuur dan de Sterrenzanger, het is een oudere, nettere man, aan die 5 personen is ook minder te schikken!
God-Vader staat tijdens het Sterregesanck met de Engel links op het toneel, Adam, Eva en de Duivel staan rechts op het toneel. [pw: vanauit het toneel gezien, niet vanuit de zaal]

Adam groet alleen God-Vader, en verder niet veel, want hij is nog ongeschapen. Vroeger deden wij in Den Haag na de Boomdragersspreuk het 2de couplet van Nr.1 over, nu doen wij bij het binnenkomen het 1ste couplet, en na de Boomdragersspreuk het 2de couplet.

De Engel buigt bij de ‘achtbaare, seer vroede, goetgunstige heeren’ 3 maal, en bij de “deugtsaame vrouwen ende jonckvrouwen in alle eere” ook 3 maal» Vraag: waarom in drie richtingen buigen ?
Antwoord: omdat overal die eerbare vrouwen zitten. Anders moet je ze er speciaal uitpikken…..

Je moet niet bezuinigen op het groeten, geen knieval doen voor het ongeduld van het kind. De groet is een heel belangrijk iets. Wat is eigenlijk een groet?
In de Griekse tekst van het Lucas-Evangelie (Lucas 1:28) staat er dan: chairete = verheug je.
Als je dat weet, dan laat je dat de kinderen rustig eens doormaken. De kleintjes hebben er nog gevoel voor, en de 12de klas heeft er weer wel gevoel voor.

Nu komt de grote ommegang Nr.2 “Hoe koel schynt ons den morgen”.

Dan de schepping van Adam. Adam staat eerst. Bij ‘soo leef dan’ ademt Adam duidelijk zichtbaar, bij ‘gaet steevast op Uw voeten staen’ stampt Adam 2 maal.

Opmerking van Christof Wiechert: de schepping is van boven naar beneden: hoofd, ademhaling, voeten, het is dus een staande schepping. Dit naar aanleiding van de vraag of Adam bij zijn geschapen worden moet staan of knielen. In Oberufer knielde Adam met zijn hoofd in God-Vader’s schoot. Dat is wel erg Katholiek.

Opmerking van Wijnand Mees:                             ik     ziel     stofw.
voor Christus                                                                 I        O           A
na Christus                                                                      I        A           O

Dit in verband met het feit dat God-Vader aan Adam eerst de adem geeft, en daarna pas het verstand.

Hierna nr. 3, een ommegang vóór het toneel langs, en tegen de klok in.

In het 5de couplet, bij “en hij sliep”, dan stilstaan, Adam slaapt even, geknield.

God-Vader brengt Adam in slaap, het waarom kunt u lezen bij Rudolf Steiner : GA 103, 18-05-1908 en GA 104, 19-06-1908

De ommegangen zijn een muzikaal verhalend element, het epische, maar niet het dramatische.

Vraag: over de boom.
Antwoord: het is één boom met twee aspecten. Door het eten van de appel ontstaat de scheiding der bomen: het levensboomelement wordt er uitgehaald en in de ethersfeer bewaard.

Bij “Hier, neemt U ghesellinne aen” kijkt Adam eerst vol verbazing en vreugde naar die mooie Eva.

Als daarna Adam spreekt “Van herten ben ick hiertoe bereyt” en aan Eva herhaalt wat God-Vader zei, maakt Eva zeer geringe gebaren. Adam en Eva kijken niet naar de boom.

Dan komt de ommegang nr. 4, op het toneel. Bij het zingen gaat God-Vader staan. Adam vlucht naar voren.

Als Eva van de appel eet, maakt Adam tegelijkertijd afwerende gebaren.

Als Adam bijt, maakt de Duivel een luchtsprong (dus ietsje licht op de achtergrond !)

De Duivel treedt 3 maal op:

regie-aanwijzingen paradijsspel 2

Adam en Eva zijn nu los van elkaar.
Zij komen na het 2de optreden van de Duivel naar voren, waarna Adam zegt:
“Ach, myn gemoet is gansch verwandeld !”
De open A-stemming wordt een E-stemming.

Het “bloote swaert” is het Ik, ten onrechte bij Adam gekomen.

Na “waer is de vrouw die sulcks misdeed” stribbelt Eva tegen.

Als de Engel zegt “int zweet uws aanschyns eet u broot, Adam” kijkt Adam even op, en bij “en Eva, ghy met noot draegt uwe kinders ondert harte” kijkt Eva even op.
De Engel maakt bij “Soo gaet (1) en uyt (2) den hove (3) treet” drie stappen. Adam en Eva gaan gebukt onder het zwaard.

De Duivel legt bij de zin “sy sullen syn vermaledyt” de rechter hand op Adam en Eva, die daaronder doorbuigen.

Opmerking Ruud Gersons: hij maakte in Dornach een rel mee over de passage:
“Siet hoe is Adam thans soo ryck, geworden eenen god gelyck,
daer hy het goed en quaadt beseft, wanneer hy syne handen heft
en leeve in alle eeuwicheidt.”
Volgens Georg Hartmann zou hier het slot van het Paradijsspel haperen. Hans Sachs heeft het heel anders daar (zie “Uber die Oberuferer Weihnachtsspiele” S.73). In Genesis 3:22 staat: Toen zeide de Heere God: Zie de mensch is geworden als onzer een, kennende het goed en het kwaad: nu dan, dat hij zijne hand niet uitsteke en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid. Dit is dus juist andersom. Ook K.J.Schroer had dit reeds opgemerkt (zie “Uber die Oberuferer Weihnachtsspiele”, blz.34)

Opmerking Wijnand Mees: deze passage is verre toekomst.

Opmerking van de notulist: men leze hierover wat Rudolf Steiner zegt in: “Der Durchgang des Menschen durch die Planetensphären und die Bedeutung der Christus-Erkenntnis” Hannover, 18-11-1912 (in “Okkulte Untersuchungen über das Leben zwischen Tod und neuer Geburt”, GA 140).

Vraag: wie is eigenlijk de Engel in het Paradijsspel?
Kan men zeggen: in het Paradijsspel                          Michael
in het Kerstspel                                                                Gabriël
in het Driekoningenspel                                                 Rafael
Antwoord: dit is een interessant gezichtspunt, maar ik denk aan de Cherub met het vlammende zwaard (Genesis 3:24), die tot een veel hogere hiërarchie behoort.

zie voor andere opmerkingen over het Paradijsspel  hier

 

Kerstspelen: alle artikelen

 

96-93

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – algemene regie-aanwijzingen

.

Verslag van de bijeenkomst van kerstspelregisseurs op zaterdag 8-9-1979 in de Vrije School te s-Gravenhage.

Op zaterdag 8-9-1979 was er in Den Haag een bijeenkomst voor regisseurs. Dr.Nordlohne, oogarts te Middelburg, maakte de notulen:
(Ik laat ze hier volgen, inclusief onderstaande brief, waaruit het enthousiasme spreekt voor wat er gebeurde).

VLISSINGEN,    22-11 -1979
Waarde regisseurs,
Toen Christof Wiechert op Zaterdag 8-9-1979 vroeg wie er wilde notuleren, zei ik ja, niet vermoedende dat deze notulen zouden uitgroeien tot 26 pagina’s. Omdat in Middelburg tot op heden alleen Paradijsspel en Kerstspel werd uitgevoerd, was het Driekoningenspel voor mij het moeilijkste, want dat heb ik zelf maar één maal, op 10-1-1976 in Den Haag, gezien (en meteen qua regie zoveel mogelijk genotuleerd. Daarom wilde ik, alvorens deze notulen te verzenden, evenals Viligratia eerst de profeten consamaneren daer op ick al hope ende heul had gebout: wie onser sal den eersten syn ? Dat was mej.Gerretsen, die in haar brief van 27-10-1979 mijn vragen bij de getypte notulen beantwoordde: haar antwoorden en tekeningen plakte ik tussen de getypte notulen in (door dit plakwerk zijn de regels in de fotocopie wel eens gaan wiebelen)» Ook Jo Hass kon mij op 16-11-1979 met een aantal vraag­punten helpen, so my treffelyk gevallen doet» In de enkele hoeckskens die noch over en waeren plakte ik Middelburgse foto’s uit 1977. Aan het geheel voegde ik nog toe: artikelen van Walter Johannes Stein (over de Asklepios-Mysterien) en Ernst Bindel (over het getal 144008), een stukje over Crispijn, en een literatuurlijstje. Ik fotocopieerde vervolgens alle 37 pagina’s in dertigvoud (20 cent per foto copie) en verzond ze aan de Vrije Scholen in Nederland (portokosten per enve­loppe ƒ 2,10). Nu rest ons temet geen duyt noch penninc meer. Daarom ben ik zo vrij een vrijwillige bijdrage te vragen van bijv. ƒ 5,00 op mijn giro 671563. U hebt niet om deze notulen gevraagd, dus het moet niet»
Nabestelling is ook mogelijk, maar dan wel voor de kostprijs van ƒ 10,00 per exemplaar» Zelf deze fotocopie fotocopiëren is natuurlijk ook mogelijk. Gaarne ontvang ik aanwijzingen voor verbeteringen, want ik voel dat er nog veel ontbreekt» Hopelijk komt er weer een regisseursbijeenkomst !

Aan de initiatiefnemers:     van herten danck geseyt !
Aan allen:                                  bebouwt het veldt met noeste vlyt !

en goede nagt,

 

Algemene inleiding door Christof Wiechert
Allereerst zal ik U vertellen welke aanleiding er bestond voor het organiseren van deze bijeenkomst.
De Vrije School in Den Haag verkeert in een moderne positie. Het is de oudste school, met de oudste kerstspeltraditie, maar de mensen die de traditie beheerden hebben zich 3 jaar geleden teruggetrokken. Ze hebben hun opvolgers 2 jaar lang welwillend gadegeslagen en één jaar minder welwillend. Wij willen nu de kritiek objectiveren.

De Kerstspelen zijn te vergelijken met de Mattheüs Passion, het is een sacraal gebeuren, het is een stukje mysteriedrama. In het bijzonder voor regisseurs is het versterkend en heilzaam om inzicht te hebben in de achtergronden die Rudolf Steiner heeft gegeven. Het doorzien van het hoe en waarom is belangrijk.

Inleiding door W.F.Veltman
Het is mijn bedoeling verschillende zaken, waarvan de meeste U al bekend zullen zijn, op een rijtje te zetten.
We hebben bij de Kerstspelen met twee dingen te maken:
I. traditie
II. creativiteit

I. traditie.
Die traditie is dubbel:
a)   vroeger tijd: de zeer strenge tradities van de boeren uit Oberufer, met hun regie en taal uit een andere tijd.

Rudolf Steiner vernieuwt de Oberufererspelen, maar een aantal tradities heeft hij behouden en een aantal tradities heeft hij niet behouden. Hij heeft nieuwe dingen gebracht in de regie, de muziek is nieuw gemaakt en daarin zijn wéér tradities ontstaan:

b)   later tijd: de tradities die stammen uit de beginperiode van antroposofische groepen, vrijescholen, toneelspelgroepen. Er zijn toen ook negatieve gewoontes ingeslepen: het weglaten van de traditie is dan traditie geworden.

De vraag kan zijn: mag er aan de traditie dan nooit iets veranderen?

Wat heeft Rudolf Steiner behouden?  De boerentaal!  Hij wilde ook dat de spelers zouden spelen als boeren. Je kunt vaak zien dat dit niet meer gebeurt: God-Vader en Adam spreken met elkaar hoog-Haags of Amsterdams, maar géén boerentaal.

De boerentaal is wat zwaarder, wat meer uit het gemoed, uit de bloedskrachten, bevat meer klanken als aa, oe, oo, au.

Rudolf Steiner: “Methodik und Wesen der Sprachgestaltung
GA 280. blz.42/43:
Nehmen Sie an, die eine Persönlichkeit ist mehr ein Blutmensch, er kommt nicht leicht aus dem Häuschen, ist innerlich gefestigt, ruhig. Die andere ist ein Nervenmensch, kommt leicht aus dem Häuschen, ist aufgeregt, zappelt.
Diejenigen Vokale, die das wiedergeben, was im Blutmenschen lebt, sind a, u, o, au. Bei einer Rede, wo noch andere Vokale sind, muss man ein besonderes Augenmerk auf diese Vokale legen und sie voller klingen lassen. Die Vokale des Nervenmenschen sind i, e. Die i und e kommen den Nerven menschen ganz von selbst auf die Zunge. Bei den Sprachen der verschiedenen Völker kann man auf den Rassencharakter schliessen, je nach dem Überwiegen der einen oder der andern Vokale. Man kann studieren, wie bei ruhigen und in sich gefestigten Menschenvölkern das a und o, bei nervösen das e und i überwiegen.

Stel je eens voor: de ene persoonlijkheid is meer een bloedmens, hij komt niet gemakkelijk uit zijn huisje, is innerlijk sterk, rustig. De andere is een zenuwmens, komt makkelijk uit zijn huisje, is druk, onrustig. De klinkers die weergeven wat er in de bloedmens leeft, zijn a, oe, au .Bij een toespraak waar nog andere klinkers zijn moet men bijzondere aandacht voor deze klinkers hebben en ze voller laten klinken.
De klinkers van de zenuwmens zijn i en e. De i en e komen bij de zenuwmens vanzelf op de tong. Bij de talen van de verschillende volkeren kun je gevoltrekkingen maken over hun rassenkarakter al naar gelang de ene of de andere klinker de overhand heeft. Men kan bestuderen hoe bij rustige en innerlijke sterke mensenvolkeren de a en o, bij nerveuse de e en i overheersen.

1.   Der Ruhige:   Sahst du das Blass an Wang und Mund?
2.   Der Nervöse: Nichts im Gesicht bemerkte ich.
GA 280/42-43
Niet vertaald

Rudolf Steiner speelde alle rollen voor. Een voorbeeld ervan hoe hij dat deed, is te vinden in Assja Turgenieff: “Erinnerungen an Rudolf Steiner und die Arbeit am ersten Goetheanum” blz..79.

‘Einmal machte uns Dr. Steiner vor, wie Joseph in einem ähnlichen
Spiel darzustellen wäre. Mit einem Stock unsicher stolpernd, ging er auf der Bühne nach vorne, mit leerem, verlorenem Blick und offenem Mund, dem Gesicht eines Greises – jeglicher Seelenregung bar. Plötz­lich verwickelte er sich in seinen Stock und lag zu unserem Schrecken auf allen vieren auf der Bühne, dann sprang er auf und lachte. «Ja, so muß der Joseph in diesem Spiel sein», sagte er. Es war unglaublich – diese Wandlungsfähigkeit.’

Op een keer speelde Dr.Steiner aan ons voor hoe Jozef neergezet zou kunnen worden. Met een stok, onzeker strompelend, liep hij op het toneel naar voren, met een lege, verloren blik en open mond, het gezicht van een grijsaard –zonder enige zielenbeweging. Plotseling raakte hij verstrikt in zijn stok en lag daar tot onze schrik op handen en voeten op het toneel, dan sprong hij op en lachte. ‘Ja, zo moet Jozef in dit spel zijn’, zei hij. Het was ongelooflijk – dit vermogen zo te veranderen.

In Oudnederlandse gedichten en Engelse balladen is Jozef een sullige figuur. Hij is verloofd en zijn verloofde is al in verwachting, dat is voor een man een wat sullige situatie. Volgens het Mattheüs Evangelie (Matth. 1:19) wilde hij haar zelfs verstoten: ‘Jozef nu, haar man, alzoo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde open­baarlijk te schande maken, was van wille haar heimelijk te verlaten.’
Dat is, ondanks de heiligheid van Jozef, traditie geworden. Rudolf Steiner liet zien: zó moet je Jozef spelen, als een ouwe sul.

Een ander interessant boekje is “Spuren auf den Weg” van Heinz Müller uit Hamburg (de tweede vrijeschool na Stuttgart). Hij beschrijft de ongelooflijke levendigheid waarmee Rudolf Steiner de rollen voorspeelde. Als hij de Boomdrager speelde, dan zag je aan zijn gezicht al die figuren die hij groette, dus niet alleen de uitge­streken smoel bij de “geestelicke heeren”.

Und nun ging das Grüßen an. Was so ein Bauer durch seine Seele ziehen hat, wenn er Gott Vater grüßt, wenn er sich in tiefer Ehrfurcht vor dem Herrn Christus neigt, oder sich dem heiligen Geist öffnet, wenn er dann schildert, wie Gott Vater einst die Welt geschaffen hat mit allen Bäumen und Blumen, mit allen Tieren auf der Erde, im Wasser und in der Luft, und zuletzt Adam und Eva; das alles wurde lebendig in jedem Wort, das Rudolf Steiner sprach, in jeder Geste, in der demut­voll frommen Haltung und dem gläubigen Blick. In die Augen sprang ein ver­schmitztes Zwinkern beim Grüßen der geistlinga Herrn und der übrigen Obrigkeit, und mit welchem Humor spielte er die kleine Stelle, wo der Teifül am Schwanz gezupft wird, wie schelmisch blitzten da seine Augen, als er so tat, als bliese er einen Büschel schwarzer Wolle aus dessen Schwanz in die Luft. Voller Hingabe packte er jede, auch die kleinste Szene an, und vor allem: niemals hatte man den Eindruck, daß da ein „Gelehrter und Studierter” auf der Bühne stand. So ursprüng­lich konnten selbst die besten Schauspieler in Dornach nicht spielen. Nun, die ganze Dramatik, die sich im Spiel zu entfalten hat, wird in dieser Begrüßung in Worten vorausgenommen. Und es ist das Meisterliche, was der Baumsinger zu schaffen hat, daß er rein durch das Wort, durch Schilderung und Geste alles das lebendig machen muß, was dann später in dem ungeheuer dramatischen Paradeises-Geschehen vor sich geht. Es ist das wohl eine der schwierigsten Rollen, die man sich vorstellen kann. Bei Rudolf Steiner wurde gerade in dem bäuerlichen Spiel das Wort leben­dig; das Wort wurde Geist unter seinem schaffenden, kraftvollen Wirken.

Nu begon het groeten. Wat een boer door zich heen voelt gaan, wanneer hij God-Vader groet, wanneer hij in diepe eerbied voor Christus de Heer buigt of zich openstelt voor de Heilige Geest, wanneer hij dan schetst hoe God-Vader de wereld heeft geschapen met alle bomen en bloemen, met alle dieren op de aarde, in het water en in de lucht en ten slotte Adam en Eva, dat alles werd levend in ieder woord dat Rudolf Steiner sprak, in ieder gebaar, in de deemoedige, vrome houding en de gelovige blik. Met zijn ogen schalks knipperend bij het groeten van de geestelijke heren en de ganse overheid, en hoe humoristisch speelde hij de kleine passage waarin de duivel aan zijn staart wordt getrokken, hoe ondeugend fonkelden zijn ogen wanneer hij dat deed, alsof hij een plukje zwarte wol uit zijn staart de lucht in blies. Vol overgave deed hij iedere, ook de kleinste scène en bovendien: nooit kreeg men de indruk dat daar een ‚geleerde en gestudeerde op het toneel stond. Zo origineel konden zelfs de beste toneelspelers in Dornach niet acteren. Op heel de dramatiek die in het spel tot uiting moet komen, wordt in deze begroeting in de woorden geanticipeerd. En het is meesterlijk wat de boompjesdrager te bewerkstelligen heeft, dat hij louter door het woord, door het schetsen en gebaren alles levend moet maken, wat dan later in de buitengewone dramatiek zich voltrekt in het Paradijs.
Het is wellicht één van de moeilijkste rollen die men zich kan voorstellen. Bij Rudolf Steiner werd juist in het  boerse spel het woord levend; het woord werd geest onder zijn scheppend, krachtvol werken.

Taal

Mej.Bruinier (1875-1951) vertaalde niet in dialect, en niet in Middelnederlands. Men denkt wel vaak dat zij vertaalde in Middelnederlands, maar dat is een misvat­ting, zij heeft dit met opzet niet gedaan. Zij heeft zo vertaald, dat zij woorden heeft genomen uit de gehele Nederlandse taalontwikkeling, dus ook uit de Vondeltijd, uit het Middelnederlands, en bv. “hartstikkedonker” uit de moderne tijd.
Deze vertaling is naar mijn gevoel meesterlijk: de eenvoud, kracht, vroomheid is er in gebleven.
(Het stukje in het Mededelingenblad van januari 1979, waarin de heer L.  een vertaling in modern Nederlands voorstond, kunnen we maar beter dood­zwijgen. Zó ver is het dus al gekomen met de degeneratie van het taalgevoel.

Als wij de rollen willen spelen als een boerenmeisje dat Maria speelt of als een boer die God-Vader speelt, dan moeten wij een dubbele metamorfose ondergaan. Ik geloof dat het beter is niet ieder jaar de rollen te wisselen. Men moet de spelers jarenlang gelegenheid geven zich met die ene rol te vereenzelvigen. Dat gebeurt bij de Passiespelen in Oberammergau en Tegelen ook. Het gaat dus niet om het therapeutisch uitgangspunt voor de spelers, maar om het kunstzinnig uitgangs­punt: hoe krijg je het spel het beste over het voetlicht. Ik speelde jaren achtereen Adam, en daar ben ik dankbaar voor, dat ik me zodoende diep kon verbinden met deze rol. Het lijkt mij dus goed een rol bijv 4- 5 jaar minstens te behouden, misschien méér (en dan zou ik zeggen 7 jaar…).

Muziek

Merkwaardig is dat Rudolf Steiner wel degelijk een andere muziek wilde. Er zijn (andere) vrijescholen die nu weer de oude muziek gebruiken. Interessant is, als je daar objectief naar luistert, dan hoor je: die oude muziek is voorbij, die heeft een andere taak. De muziek uit de 16e eeuw met Gregoriaanse toonreeksen en toonkleuren heeft een veel meer dienend karakter, spreekt de moderne mens in dien zin niet meer aan. Mij lijkt de muziek van Leopold van der Pals (1884-1966) helemaal in de roos. Men kan daarover natuurlijk van mening verschillen, maar Rudolf Steiner heeft de muziekopdracht gegeven, en daarna deze muziek als bruikbaar aanvaard.

ll Creativiteit»
De andere pool is de vernieuwing.
a) Spirituele achtergrond.
De cyclus ‘Die Geheimnisse der biblischen Schöpfungsgeschichte’ GA 122 (vertaald) of het boek van Emil Bock “Urgeschichte” heb je nodig om het Paradijsspel te begrijpen. Ook moet je weten van het oude Lemurië, anders begrijp je bepaalde regie-aanwijzingen niet: die vergeet je, die verdwijnen als je niet weet wat de ongelooflijke diepte erachter is. Wat is dat voor gebeuren daar in de stal, daar in de grot van Bethlehem, dat nachtgebeuren, de geboorte van de Genezer. Dat is allemaal mysterie-inhoud. Als regisseur moet je dat echt goed kennen, en zo nu en dan de spelers erover kunnen vertellen. Want door de antroposopie konden deze spelen in deze vorm gebracht en behouden blijven. De oude boeren van Oberufer vonden aan onze manier niets. Enkele voorbeelden van een spiritueel gezichtspunt zijn:

1. Bij het begin van het Paradijsspel is de volgorde der spelers: Boomdrager, Engel, God-Vader, Adam, Eva, Duivel, maar aan het einde, als de ketting valt, en de Duivel op zijn buik is neergevallen, en God-Vader bevestigt dat Adam “wanneer hy syne handen heft en leeve in alle eeuwicheidt”, dan is bij nr. 9 “O heilighe drievuldigheydt’ de volgorde der spelers als volgt: Boomdrager, Engel, God-Vader, Eva, Adam, Duivel. Waarom is dat ?

Eva bijt in de appel, en er gebeurt niets. Pas als Adam bijt, gebeurt er wat: dát is het meest dramatische hoogtepunt van het stuk. In de mens is alleen het mannelijk element aangetast, het vrouwelijk aspect blijft méér met God verbonden. Zo’n geweldige waarheid wordt in de volgorde tot uiting gebracht, zó simpel.

2. In het Herdersspel moet streng de hand worden gehouden aan de driehoek: de herders staan en dansen altijd in de driehoek. Pas aan het einde komt de oude Crispijn erbij, dan ontstaat het vierkant.
In de Kerstboom worden o.a. de driehoek en het vierkant als tekens gehangen. De driehoek is de oude ontwikkeling, het vierkant de nieuwe ontwikkeling: het Ik-principe komt in de persoon van Crispijn op eigen (zwakke) kracht erbij, hij heeft het in het volk, bij geruchte gehoord, dus niet van de Engel, maar op aarde.

3.In het Paradijsspel worden de gebaren van God-Vader nagebootst door Adam. God-Vader maakt grote gebaren, Adam maakt wat kleinere gebaren. Adam bootst na, zoals het kleine kind nog leeft in de nabootsing. Dit is technisch niet zo eenvoudig, want Adam mag niet omkijken: hij moet het dus óf afspreken óf aanvoelen. Het is een zeer amateuristisch trekje als Adam op de uitvoering andere gebaren maakt dan op de repetitie. Bij het beroepstoneel staat daar een zware boete op, maar dat is bij ons nog niet ingevoerd, tot mijn spijt.
Dat nabootsen herhaalt zich als Adam en Eva tesamen in het Paradijs lopen (“Hoe liefelyck, Eva, op deuse wys met U te wonen int paradys”): de gebaren van Eva zijn dan nog wat lichter, nog wat intiemer. Als je dit allemaal weglaat, gaat de fine fleur er af.

4. In het Paradijsspel wordt bij het lopen in het Paradijs door het elkaar de hand geven in al zijn simpelheid uitgedrukt dat Adam en Eva één zijn: man-vrouw, hermafrodiet. Als de Duivel zegt: “Adam, proeft van het sap soo ryck,
Soo wort ghy aen u god gelyck,” dan drijft hij ze uit elkaar, en benadert hij alleen Eva:
“Ghy, rozige Eva, neemt gerust
dees appel, eet nae hartenlust
en gheeft ervan aen Adam oock”.

b) Spiritualiteit van het theatergebeuren als zodanig. Deze uit zich in spraak, gebaar, plaats in de ruimte
1.Plaats in de ruimte.
In het Paradijsspel staat de boom midden op het toneel.
Opmerking van Ruud Gersons: in Stuttgart links achter op het toneel.
Antwoord van Veltman: dat is dan het Stuttgarter systeem, daar heeft de Antroposofische Vereniging al veel onder te lijden gehad (!)

Het publiek is geplaatst tegenover het toneelgebeuren, er ontstaat een wissel­werking, de naturalistische ruimte wordt een zielenruimte waarin we te maken hebben met fantasie, droom, imaginatie.

Op het toneel hebben voor en achter, links en rechts zeer verschillende kwaliteiten. Je moet weten hoe deze dingen werken.

Toneelwetmatigheden.
Zodra het gordijn open is, kijk je in een zielenruimte.
De betekenis van de plaats kun je experimenteel vaststellen.
Alles wat je op de voorgrond plaatst is realistisch, individueel, persoonlijk, buiten de manteau in het bijzonder. Op de voorgrond zie je bijv. een koning in zijn eenzaamheid, subjectief. De boze waard komt van links naar de voorgrond.

Als Eva zegt ‘Wee ons, die arme vrouwen’, doet ze één klein stapje vooruit.

Als Maria zegt “Erbarmen mooch hem den rycken god”, doet ze één klein stapje vooruit.

(Mej.Gerretsen: het volgende staat in de “Dramatischer Kurs”, GA 282)
Op de voorgrond moet lyrisch gesproken worden, in de vocalen.
Op de achtergrond spreekt men bijv. een recitatief.

Op de achtergrond komt een boodschapper met een bericht, een objectief verhaal, of een hogere macht, bijv. een Engel. Een Engel op de voorgrond is eigenlijk niet goed, en bij Bruning lachen ze dan ook nog omdat het een man is. ‘k Treet voor uluyden sonder spot”, maar met een spotlight op zich.

Bij de geboortescène: Maria en Jozef, ezel en os, blauwig licht in de vriesnacht, een piepjonge Maria (ze was immers nog maar 14 jaar) en die ouwe sul er achteraan, worden door de Kerstboom in het midden wat naar voren gebracht. Op de achtergrond: vierschaar, natuurgeweld.

De monoloog van Hamlet “to be or not to be” achteraan lijkt een verkondiging.
Als Lady Macbeth opkomt —brief — heks —complot — persoonlijke eerzucht, is dat op de voorgrond.  Als zij boze geesten oproept, doet zij dat op de achtergrond.
Eén van de interessantste problemen is het verschil tussen links en rechts: voor het innerlijk beleven is dat niet hetzelfde.

Bij rechts op het toneel wordt het linker oog het eerste actief. Bij links op het toneel wordt het rechter oog het eerste actief.
Het linker oog is meer op het gevoelskarakter van de dingen gericht, het rechter oog meer op het nuchtere, verstandelijke, zakelijke. Daar moet je de regie op afstellen. Het kan soms allebei goed zijn, dan leg je alleen accenten.

Het stalletje staat in Dornach links (tegenwoordig in het midden), in Den Haag rechts. De plaats van de troon van God-Vader is gevoelsmatig.

In Dornach was, vanuit de zaal gezien, links op het toneel, het noorden. Volgens van Bemmelen heeft de zuidsfeer een oude-maankarakter, een Lemurisch karakter, terwijl de kerststal voor de Zonneheld juist links staat, in het noorden.

De driehoek van de herders moet steeds met de punt naar achter toe. Opmerking van Wijnand Mees : vanuit de euritmie: dat geeft een vrolijke indruk. met de punt naar voren geeft een tragische stemming.

2. Gebaren
De 6 grondgebaren zijn te vinden in de “Dramatischer Kurs” GA 282. (niet vertaald)
Het Nederlands volk is arm aan gebaren, bij het Italiaanse volk zijn ze indrukwekkend. Bij de gebaren moet men het intellectualistische overwinnen.
Men (niet U!) zegt wel: zo klungelig mogelijk, dan is het juist erg mooi, juist zo aandoenlijk. Daar kan men op antwoorden: waarom zing je dan niet knettervals ? Ja, zegt men dan, van muziek en zang moet je verstand hebben. Maar van toneel ook !! Het kunstzinnige moet gehoorzamen aan wetten die in dat gebied heersen. Men zegt wel: als we alleen maar heel vroom aan het Kerstkindje denken, komt het wel goed. Maar dat is lariekoek.

We moeten overwinnen het intellectualistische dat in ons allemaal zit. Dat zie je aan verschillende fenomenen.

Is de hoofdpool te sterk geworden ten koste van de ademhaling, dan heeft de stem bij spreken en zingen geen volume, het spreken blijft in de kop steken. En de gebaren kan men niet aanhouden en niet afmaken, en beide moet men kunnen op het toneel. Ik denk aan de schoolmeesters, altijd met die verdomde vinger, ook in hun spreken. Dat is dat vogelachtige, dat zenuwachtige. Ga eens met beide voeten breed en stevig staan en maak dan een gebaar vanuit je Stiermens of je Leeuwmens.

Vragenbeantwoording door W.F.Veltman
Vraag: wat gebeurt er in het Paradijsspel na het boomdragen ? Antwoord: de spelers staan in een halve boog.

Vraag: waar blijven de andere spelers als de Engel optreedt ? Antwoord:

 regie-aanwijzingen driekoningenspel10

Vraag: hoe is de belichting in het Paradijsspel?
Antwoord: de belichting is erg belangrijk. Stylering ontstaat door costuums en belichting.

Het begint vol “heerlyckheyt”: goudstralend. Volgens een “Angabe” zijn de hoofdkleuren van het: Paradijsspel: rood en wit, met een rood achterdoek (appels) maar ook roodachtig-goud.
Kerstspel: blauw en wit, met een blauw achterdoek maar ook iets mengen met rood.
Driek.spel: geel en wit, met een wit achterdoek.

belichting

Bij een geestelijke invloed op het toneel wordt meer rood gegeven, bijv. als Maria langs Herodes gaat. De Herodesscène zelf is in geel licht. Rudolf Steiner had niets tegen het gebruik van schijnwerpers. De ommegangen zijn met de zaallichten aan.
Je moet altijd zorgen dat je spelers door het licht “eruit”komen: de figuren “los” maken met spots.
Ook altijd denken aan de complementaire kleuren: een groene koning wordt in rood licht-zwart.
De richting van het licht is ook belangrijk: te veel onderlicht is spookachtig. Het voetlicht moet slechts een lichte helling hebben.

Vraag: over het schminken.

Antwoord: Rudolf Steiner zelf was erop uit om bij het schminken de mens echt een heel andere kop te geven in tegenstelling tot het schminken bij het moderne toneel, waarin het naturalisme hoogtij viert. Karl Schubert als Boomdrager werd door Rudolf Steiner geschminkt, en zei later: die kop zou ik mijn hele leven hebben willen houden. Van schminken moet je wel een beetje verstand hebben: je moet weten hoe het werkt, het hangt ook erg van de belichting af. In rood licht worden donkere partijen zwart.

Vraag: over de Duivel.
Antwoord: In het Paradijsspel is de duivel: Lucifer: rode pruik.
In het Driek.spel   is de duivel: Ahriman: zwart, met zwarte kap, de oren zijn niet zichtbaar.
Lucifer: wijkend vanuit de neus naar de oren.
Ahriman: samentrekkend tussen de ogen .
zie ‘die Gruppe’ in Dornach                     

Vraag: over de leeftijden der toeschouwers. Antwoord: Kerstspel: alle leeftijden.
Paradijsspel: 1e klas en hoger, onherroepelijk. Het getuigt van een onpaedagogische sentimentaliteit te menen dat “kleutertjes” dat niet kunnen hebben. Je moet ze alleen niet op de eerste rij zetten, en een klein beetje het dramatische terughouden. Juist zulke beelden werken sterk op de moraliteit. Driekoningenspel: 3e klas en hoger.

Vraag: over de tocht van de herders naar Bethlehem.
Antwoord: bij de rondgang van de herders in het ”hardstickedoncker”, blijven ze in Den Haag op het toneel !

Opmerking van Christof Wiechert:
De ommegangen in het Paradijsspel zijn tegen de klok in.
De ommegangen in het Kerstspel zijn met de klok mee.       

 

Kerstspelen: alle artikelen

 

95-92

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Driekoningenspel regie-aanwijzingen

.

Op 8-9-1979 werden de volgende aantekeningen gemaakt:

Regie-opmerkingen Driekoningenspel in chronologische volgorde.

De Kompany komt op en blijft, vóór een witte achtergrond, voor de banken staan.
Mej. Noor Gerretsen*: de Duivel geeft dan aan wanneer je moet gaan zitten, zodat dat tegelijk gaat

De Engel komt naar voren om het voorwoord te zeggen en daarna gaat ze rechts voor staan met de ster, zodat die Koningen dáár komen te zitten.

regie-aanwijzingen driekoningenspel1

De Duivel,  de toneelknecht,  zet de (10-1-1976: blauwe) koningstroon neer en daar gaat eerst de rode Koning Melchior (10-1-1976: bruin haar) op zitten en die doet zijn woordje.(10-1-1976: hij kijkt door de verrekijker. De Duivel kijkt verkeerd om door de verrekijker, en neemt de verrekijker mee). Op het moment dat in de tekst gezegd wordt ‘oock doet sy nieuwers stille staon’, dan gaat de ster  bewegen en dan loopt de Engel over en dan bij “doch sneller ende sneller rontsomme gaon’,  gaat ze nog een beetje sneller, dan staat ze dus daar.

Dan is die Koning uitgesproken, die gaat weg, uitgenodigd door de Pagie (10-1-1976: lichtblauw met gele voorschoot, op witte kousevoeten). Je hebt dan eerst nog Viligratia, die is ook nog bij hem geweest, die gaan dus samen weg: dan is het toneel even leeg, behalve dat de troon er nog staat. De Engel gaat weer terug, zodat ze voor de volgende Koning weer op de goede plaats staat, ze blijft hier dus op en neer wandelen. Dan komt de volgende Koning, en die zegt ook: ‘Nae Betlehem doet het gestarnt ons wysen’, dus dan gaat de Engel weer en even éérder natuurlijk hê, zodat hij dat kan zeggen, en de Engel staat nu ook daar, totdat koning Balthasar is uitgesproken. De (10-1-1976: blauwe koning met wit haar) gaat niet direct zitten. Dat is ook wel interessant, dat  Balthasar eerst blijft staan, dan komt de zin ‘gelyck myn hofstoet my heeft an geseyt’, en dan pas gaat hij zitten (staande kan je niet zo goed nadenken, zeker als koning niet), en dan zegt hij: ‘O, nimmer en hoordic, veur ofte nae’. Goed. die is dan ook weg, de Pagie heeft hem daartoe uitgenodigd. De Engel gaat dan weer op haar oude plaats staan. En dan komt de derde Koning,  Kaspar (10-1-1976: groene Koning met zwart gezicht en rode lippen), en Kaspar zit helemaal niet, die doet alles staande.

Veltman*: weet je dat zeker, Noor. ik dacht dat hij ook op het eind nog even ging zitten.
G: bij: ‘Sy soeken alder weghen mit groot misbaer offet oock ieuwerinc te vinden waer’, ja, daar kán hij bij gaan zitten, ik meen dat dat wel eens gebeurd is (opmerking van de notulist: op 10-1-1976 ging hij inderdaad zitten), maar de laatste koning die we gehad hebben, deed dat niet.

G. schreef op 27-10-1979 aan de notulist:
De laatste jaren werd Kaspar steeds door dezelfde persoon gespeeld. Ik meen. dat het niet nodig is dat hij gaat zitten, maar er is volstrekt geen bezwaar tegen het wel te doen.
Hij moet dan gaan zitten bij:’ Wat efter salt geschenck end offer syn’ en weer opstaan bij: ‘Mit alsulck offer willic tot hem gaen.’

V.: maar de troon staat er dan voor noppes.
G: nou. dat hindert toch niet.
V: op het toneel mag nooit iets voor noppes staan.

G: hier verplaatst de Engel (zich) niet, want wat de Koning zegt, dat komt daarvoor niet in aanmerking. Zij gaat dus,  nadat de Koning naar de plaats is gebracht door de Pagie, ook terug. Dan haalt de Duivel de troon weg. Dan komt de 1ste ommegang (nr.1).
Die moet gelopen worden in de vorm van een lemniscaat en dat is niet zo gemakkelijk. De Engel voorop. ‘Der wysen starre blinckt ons claer’ .

regie-aanwijzingen driekoningenspel5

Vraag: komt er ook een kruising tot stand ?

V.: nee nèt niet, dat is te moeilijk voor leraren, dat kan niet. Advies uit de zaal: de Engel moet de eerste lus sterk uitbochten naar voren, dan komt het altijd goed, dan heb je geen kruising. Als je de lemniscaat plat maakt, loopt het mis. Het zou echt wel leuk zijn om eens zo’n kruising te proberen. V: daarvoor moet je eerst de leraren eens een paar jaren euritmie laten doen.

V: de Schriftgeleerden, die komen, en nu is het mooie dat het niet helemaal klopt, want als de goede afdeling op tijd is aangekomen, zijn de Schriftgeleerden er nog niet helemaal: die sloffen dan nog eventjes er achteraan naar hun plaats. Dit is dus bij de lemniscaat. De muziek is dan al klaar.

V: de Pagie haalt elke Koning af vóór deze opgaat: de Pagie staat op, maakt een buiging, maar niet dan nadat de vorige koning is gaan zitten G: dat kan ook bijna niet, want de Pagie staat naast de troon van die Koning: die Koning gaat weg en de Pagie gaat er achteraan, dan zijn ze terug, en dan beginnen ze met de volgende.

Jo Hass schreef op 16-11-1979 aan de notulist: De Koningen gaan langs de kortste weg van de troon naar hun plaats terug.

Vraag: en buigt de Pagie ook als die Koning daar weer zit, nog als groet ? Antwoord: nee, de Koning staat op, en de Pagie gaat daar weer direct achteraan. V: wat er werd gezegd (zie boven) over “daartoe uitgenodigd door de Pagie, dat geldt voor het opstaan dáár.

Vraag van de notulist: hoe lopen de Koningen hier ? Antwoord: alle drie Koningen links van de troon op rechts van de troon af:
regie-aanwijzingen driekoningenspel2

G: na deze ommegang nr.1 begint de Engel met dwars over het toneel nu links te gaan staan. Daar zijn achtergebleven, of achtergebleven ja, dat zijn altijd gewoon van die technische dingen: als je dus op een toneel blijft, dan moet er soms iemand van het toneel af om op te komen: dus na deze ommegang gaat de staart met Kaspar aan de linker kant af, Balthasar loopt achter het doek om en gaat rechts achter staan, zodat nu op het eind alleen Melchior nog over is, en die komt dus met de Pagie niet al te veel naar voren, en dan ziet de Pagie daar dus dat de beide anderen aankomen: Kaspar van links en Balthasar van rechts. Die naderen en dan hebben ze een gesprek.

En dan is het heel mooi, vind ik altijd, om op het moment dat Kaspar heeft gezegd:
‘Dit selve heeft my op de baen gebragt,
dat  hoochelyc een wonder wort geagt,
hier omme wy van herten seere –
mogtet so syn – het vinden begeren’

en dan staat er en dat staat in mijn tekst namelijk niet: de Engel gaat langzaam naar de achtergrond. Maar veel mooier is het en zo heb ik het ook altijd gezien  en daar kom je namelijk eerder toe als het er niet staat, om terwijl Kaspar dat zegt, de Engel al naar de achtergrond te laten gaan, want als zij daar namelijk is en dat antwoord van Melchior tegenkomt op wat Kaspar daar net gezegd heeft, dan is dat: ‘Doch, nu de starre schier verdween’ en dan is die ster namelijk helemaal weg, dan is de Engel inmiddels hier aangeland, en wanneer Koning Melchior dat zegt, doen de Koningen een stap naar voren toe, ze komen wat dichter bij elkaar en dan krijg je namelijk als beeld, prachtig, dat ze daar even volkomen in eenzaamheid staan. Eerst staan ze achter op het toneel niet te dicht bij elkaar, dan verdwijnt de ster, en dan is het zo, ik weet niet of U dat zich kan voorstellen zo, dat ze zo met zijn drieën dan wat dichter bij elkaar wat meer op de voorgrond komen. Vraag: de Engel, die gaat daar echt weer achterlangs ? Antwoord: nee, die gebruikt die hele tekst van de Koningen om in een langzame boog achterom te lopen en die moet dan zorgen – dat is altijd weer moeilijk voor die engelen – dat ze hier aangeland is, wanneer Melchior uitgesproken is en gezegd heeft: ‘of wy in gintser stede welligt niet en vernamen een naeder berigt’

regie-aanwijzingen driekoningenspel6

Engel

dat moet ze secuur uitknobbelen, want dan krijg je nu de muziek van nr.2

“Drie coninghen tyen, de starre veur an”, dan is ze er weer om vooraan te lopen.

Ja, zo duidelijk? Dan lopen ze hier in een driehoek. Dus de Engel loopt zó, en de Koningen voegen zich zó achter haar, en dan wordt de driehoek dus echt keurig zo afgewerkt, en dan kunt U dat pas op het toneel mooi vertonen wat hier netjes is, namelijk dat precies op de regels uitkienen, zodat ze aan het eind van het lied hier staan: “daer bleve de starre stil staen”.
regie-aanwijzingen driekoningenspel8

En dan komt de rest van de Kompany er bij voor nr.3.
De Engel moet dus wèl zorgen dat ze dan niet te ver is, want de rest van de Company moet dan gaan inhalen, want op dat ‘staan’, staat de Engel, maar staat ook de rest van de Kompany en gaat dan bij het volgende lied (nr.3)
Ter tyt Herodis regiment’  de zaal in.

Vraag: dat “Drie coninghen tyen”, wordt dat ook nog eens een keer gezongen nadat de Koningen in Jerusalem zijn geweest, en voordat Balthasar spreekt “Siet an, de sterre gaot veur ons uyt” ?
Antwoord: nee. Vervolg vraag: daar zit een beetje de vraag in: ik heb eens een keer in het spel gespeeld, waarin dit ene lied (nr.2) op die plaats is gezet, omdat natuurlijk vanuit de logica iets niet helemaal klopt: de ster ver­dwijnt, en dan zie je ze even later weer achter de ster aan lopen.

G: maar je moet deze dingen nooit logisch nemen (vraagsteller: nou, dat weet ik niet…), niet al te logisch. Kijk, die Koningen worden natuurlijk toch geleid door de ster en dit lied hoort hier (tekst: pag.5) dus echt, want nu waren ze dus alleen, maar toch, en nou is het mooie: ze zijn in de gesproken tekst de ster kwijt, maar in het lied komt hij weer te voorschijn. En het staat hier echt hoor, hier eerst, oorspronkelijk staat het eigenlijk op deze plaats.

V: het is natuurlijk de overweging, het is niet zo zeer een logische overweging, maar het is omdat natuurlijk toch duidelijk de ster niet naar Jerusalem leidt: de ster leidt naar Bethlehem en daarom kan ik begrijpen dat je dit zo doet, maar ja, het staat er sinds mensenheugenis echt op deze plek, en niet op een andere plaats. Vraag (vervolg): nu ja, het is ook volgens mij zo, dat de Koningen tegenover de Herders toch inderdaad wel de denkkrachten meer vertegenwoordigen en het is ook vanuit hun eigen denken, dat ze op een gegeven moment tot het besluit komen: kom, laten wij naar Jerusalem gaan.

G: ja, maar ze komen op die gedachte doordat ze de ster zien, want die ster zien ze dus alle drie.

V: ja, want je zit er dan trouwens nog mee: hoe krijg je de Koningen dan weg van het toneel als je dat niet met dat lied doet, want die moeten weg, want dan komt Herodes, hoe krijg je ze dan weg, als je dat lied (nr.2) daar overslaat ? G: ja, maar er komt nog een ommegang (nr.3), dus het is mogelijk om het zo te doen: ‘Ter tyt Herodis regiment’ komt er nog achteraan en dat is juist het moeilijke he, die aansluiting. V: ja, ik geloof dat het daar moet blijven, hoor, compositioneel gezien: hoe dat driekoningenlied aansluit met ‘Ter tyt Herodis regi­ment’, met die hele profety daar, dat is onverbreekbaar verbonden. Dat lied nr.2 wordt dan misschien nog eens herhaald, dat is een mogelijkheid, maar op die plaats horen nr.2 en nr.3 helemaal bij elkaar.

V: mag ik daar één opmerkinkje over de tekst van nr.3 maken. Omdat er meestal niet zo veel Latinisten onder de collega’s zijn, wordt dat vaak zó gezongen: ‘Ter tyt Herodes’ regiment’, maar er staat ‘Herodis regiment’, dat is de genitivus van Herodes. Het is juist wel leuk dat er nog op enkele plaatsen alleen in dit spelstukje te herkennen is, namelijk ook in dat ene lied, dat die spelen eigenlijk uit de liturgische Latijnse drama’s zijn ontstaan, al is het wel het laatste restje. De Koningen zingen op een goed moment in het Latijn, en dit is óók een stukje Latijn, maar goed, zoals je ook Christi geboorte zegt, dit is ook Latijn, dus: Herodis. Let maar eens op als u met Uw groep dit zingt: dus niet Herodes'(met komma), maar Herodis, Opmerking uit de zaal: die Latijnse resten vind ik toch beslist niet mooi in het Nederlands.
V: o, maar dat is een andere kwestie, maar dan ga je dus aan de vertaling van mej.Bruinier tasten: daar moeten we dan een andere bijeenkomst over houden. Zo lang we die tekst van haar nog gebruiken, G: en ik hoop dat we die nog heel lang mogen gebruiken…), is het Herodis.    (gelach)

G: dus die ommegang nr.3 is voorbij en iedereen zit op zijn plaats en de Duivel zet dan de (10-1-1976: rode) troon van Herodes klaar.

Mevr.v.d.Kroef: zouden we dan niet even noemen, dat nu tot dit stuk soms Viligratia ook de Lakei speelt en dus dan ook af moet bij die ommegang ? Zo niet, is het geen punt, als je spelers genoeg hebt.

G: maar dat is al eerder gebeurd dan: dan verdwijnt Viligratia bij de lemniscaat en die (speler) komt nu dan weer terug als Lakei.

V: is dat ook duidelijk voor iedereen, dit punt ? Ik weet niet hoe dat komt, het is waarschijnlijk ook uit die Oberuferer traditie, want daar hadden ze ook voor bepaalde rollen maar een beperkt aantal spelers: God-Vader speelde altijd de rode Koning, zodat dus de Lakei en Viligratia door dezelfde persoon wordt gespeeld. Het hoeft niet, natuurlijk niet, maar wij hebben het hier altijd wel gedaan. En dan moet  Viligratia, die moet al even eerder met de lemniscaat-doorgang weg en die moet zich verkleden, die moet een andere pruik op zijn hoofd en die moet een beetje anders geschminkt en dan voegt hij zich bij deze laatste ommegang (nr.3) weer in.
Vraag: alle spelers zijn zichtbaar, geeft dat geen spanning: Viligratia is er niet meer, vraagt de argeloze toeschouwer zich niet: heb ik Viligratia nou gezien ? Antwoord G: heb je hem ooit gemist ? Antwoord: nee.

Vraag Jo Hass: mag ik iets vragen dat met een trekje in het stuk heeft te maken: die muts of hoed, die Viligratia draagt, die heb ik al eens gezien met de planetentekens er op, is dat fout ?
G: ja, dat heb ik ook wel eens gezien. Die Sinterklaasmuts is wel aangegeven, maar die tekens, ik geloof eerlijk gezegd dat die er eens afgegaan zijn, want die zijn er dan opgeplakt (geweest), en toen heeft een welwillend iemand, die het zielig vond dat ik dat dan ook nog weer moest doen, die heeft er wat opge­plakten die heeft er wat anders opgeplakt, (gelach)

Jo Hass: ja, ik vraag het daarom, omdat ik het hier niet zag, ik dacht, hangt het samen met:    “Ghenadighe coninck, dit sy van my verre , .
Doch willic de profeten consamaneren                 (tekst pagina 2)

dus hij wil dat eigenlijk niet. Dus die achtergrond heb ik er achter gezocht.

Veltman: nee, hij is niet meer helderziend, hij kan het niet meer zelf zien, hij leest het uit de boeken. Tineke, weet jij daar iets over ?

Tineke Witvliet: in Stuttgart hebben ze ook die Sinterklaasmuts, die mijter, maar met een spiraal die naar binnen toe gaat, een inwikkelende spiraal. Volgens Frau Berthold is dat een “Angabe”.

G: schreef op 27-10-1979 aan de notulist: Over die tekens op de mijter ben ik niet zeker. De zogenaamde “Angaben” van Frau Berthold lijken mij soms wat  “fragwürdig” !

V: het lijkt me inderdaad zeer de vraag of die planetentekens juist zijn, ik geloof dat het niet moet.
G: we hebben wel eens zo’n spiraal opgeplakt, maar die is er afgegaan en toen hebben we er iets anders opgezet, maar dat lijkt niet op een planetenteken, dat is zo maar iets.

Tineke: in Stuttgart is het hele costuum van Viligratia anders. V: o, vertel eens, dat is leuk.
Tineke: het is zwart, het is net een schilderij van Rembrandt: een grote witte plooi­kraag, zwarte kuitbroek met zilverkleurige knopen en ook zwarte schoenen met zilver­kleurige gespen, dus echt een geleerde. En wel die muts.

G: in Stuttgart, daar waren heel wat vreemde dingen bij voor mij. Tineke: Jozef heeft een heel grote hoed op.
G: ja, bij voorbeeld En een zespuntige ster op de Madonna-ikoon. Daar moet er helemaal geen zijn:

Kleuren van de  Madonna-ikoon in Den Haag
Maria heeft een blauw boven­kleed met een lichtgele zoom ter hoogte van schouders, ellebogen en enkels. Haar onderkleed, zichtbaar boven de enkels en bij de linker pols, is lichtrood. Het kind heeft lichtblauwe ogen, en is gekleed in de zelfde kleur als het onder­kleed van Maria: lichtrood. Het heeft iets geels (boek?) in de linker hand. Beide hebben donkergeel haar.

V: je ziet het, zó zie je het, zo zie je maar eens: wij moeten dat gewoon alle­maal kiezen hè (Ruud Gersons: als je maar je eigen achtergrond hebt), maar het be­roerde is-: wij kunnen hier tenminste nog vrij duidelijk aangeven van wie we de dingen hebben, en dan kun je daar natuurlijk, aan die bron kun je gaan twijfelen, maar er zijn ook meningen van mensen, die beweren dat het van Herr Doktor komt, en dat gelóóf ik vaak helemaal niet hè, dus dat is het moeilijke hè, je kunt dat iemand niet in zijn gezicht zeggen.

V: goed, gaan we verder met de boze afdeling, met Herodes. Klopte de knots van Herodes (met Stuttgart) ?

G: die knots heb ik niet meegenomen. Tineke: die scepter ? Veltman: die scepter, met zo’n burchtje erop, met die kantelen. G: ja, dat klopt wel.    (gelach)

regie-aanwijzingen driekoningenspel3

V:  Herodes zit dus hier (10-1-1976: Herodes met rode mantel, zwart gewaad, zilveren ketting, gouden kroon, gaat zitten bij ‘ende op de hoochste plaats geset’. De Duivel heeft de (10-1-1976: rode) troon daar nu klaar gezet en die mag daar met die troon natuurlijk iets meer geintjes maken dan bij de Koningen.
Vraag: in het midden ? ik dacht dat die juist aan de zwarte kant moest staan.
V: nee, dat is ook gemakkelijker voor de souffleur, want   Herodes heeft een moeilijke rol.       (gelach)

Vraag: waarom staat de troon in het midden ? Krijgen de Koningen dan straks niet te weinig ruimte, als zij op bezoek komen ?

Antwoord G: je kunt eenvoudig het toneel in drie afdelingen verdelen, dus:

Jozef en Maria                             Herodes                                         drie Koningen

De plek van Herodes is in het midden gewoon, de plek van Jozef en Maria is links, de plek van de drie Koningen is rechts. Vraag: waarom ?

G: waarom, ja hoor eens, je moet mij nooit vragen waarom, ik heb dat zo 55 jaar lang gezien, en dat is genoeg.
Vraag: ja, maar waarom in het midden, ik vind het juist heel interessant, zijn daar gezichtspunten over ?
Antwoord uit de zaal: misschien moet je daarbij overwegen dat Herodes hier toch duidelijk in het middelpunt zit, hij kan naar de goede kant gaan, hij kan ook naar de slechte kant gaan.

V: ik heb nu gehoord de gedachten over hoe het met Herodes zit, maar het is toch duidelijk dat Herodes de tegenhanger is van dat kind dat geboren wordt, dus dat hele drama om zijn persoon gaat, dus dat hij in bepaald opzicht wel een middelpunt­figuur is. Maar zuiver technisch zou het ook niet erg mooi zijn om zó lang deze helft van het toneel leeg te laten.

Harry Polderman: probeer je eens voor te stellen dat je Herodes speelt, en dan daar (= links) moet gaan spelen: je beheerst het toneel niet meer. Als je in het midden zit, zoals nu, beheers je het hele toneel als beeld, maar als je daar gaat zitten…. Veltman (“daar” zittende nu): ‘Bin ick eerst regt op een verbolghen’ (gelach)

G: ik wou zeggen, dat, wat Harry daar zegt voor deze scène, is natuurlijk voor die laatste scène, waar hij dus door de Engel de hellekroon opgezet krijgt, dat is natuurlijk schitterend: dat je dat in het midden speelt, dat kan je niet in een hoekje stoppen.

V: er wordt geklopt en d e Lakei staat dus aan deze kant en die gaat dus kijken, die gaat kijken en die komt dan terug en die vertelt dan de Koning…    moeten we dat helemaal spelen ? Antwoord: nee.

regie-aanwijzingen driekoningenspel7

Vraag: wat is dat voor een man, die Lakei, is hij gewoon wat gek, of ? Mag hij soms wel in die richting geregisseerd worden ?

V: dat is altijd het moeilijke met die Lakei: die mag natuurlijk hier en daar wat, laat ik zeggen, caricaturaal worden aangezet en we hebben hier een soort traditie in die richting, omdat in Den Haag Henri Zagwijn de eerste Lakei was en dat was een koddig mannetje met een gnomig hoofd, zijn opvolger Laffree deed de scepter van Herodes na met zijn duim, Soetekouw maakte er een geniepige gek van, een rotventje, een slaaf met een lakeienziel. Het moeilijke van de Lakei is, dat hij niet gaat schmieren op de uitvoering, en dan daarmee het tragische van Herodes wegspeelt: dat mag niet. Dus niet te dik er boven op leggen, bijv. als hij schrikt van de zwarte Koning, hij moet met Herodes in evenwicht zijn. Zagwijn, Laffree en Soetekouw waren zó kunstzinnig, die schmierden niet.

Opmerking van de notulist: op 10-1-1976 bij Kaspar: ‘brenghenme u kondschap van het kinde’, komt de Engel naar voren. Na de Lackeye: ‘de overpriesters byeen vergaere’ klopt Herodes heftig op de leuning van de troon.

V: de goede, edele Pagie loopt mooi driedelig, maar als de Lakei met zijn mooie kostuum om de Schriftgeleerden roept, komen ze alle drie in hun grijze (10-1-1976: zwarte) kostuum en zij lopen zonder spieren, alleen met botten en pezen, geen enkele beweging mag soepel zijn, ze lopen op hun hakken. De Schriftgeleerden hebben geen ziel, alleen kennis en weten van de letters, het is een luguber stel. Als het grappig is, wordt het fout gespeeld. Als je het goed doet, lachen ze niet in het publiek. Het is echt geen demonstratie van antisemitisme. Ze spreken scherp consonantisch. ‘Heer’ heel   snel herhaald enz.
‘Joetse lant’ wordt uitgesproken als’ joodse land’

Er zijn een aantal uit de traditie overgeleverde dingen:
Bij Kaifas:       ‘Het saat der vroue ( = afstammelingen van Eva) sal der slanghe den kop vermorselen en alt verlorene sal hy weeromme bringhen.’ dan stampen ze op de grond bij ‘vermorselen’, en keren ze zich om bij ‘weeromme bringhen.’

Bij Herodes: ‘myn ryck staet hier in groot gevaor’, dan lachen ze schamper, en maken ze dienovereenkomstige gebaren en als antwoord daarop zegt Herodes: ‘wattic u segghe dat is waor.’
By Kaifas:’‘Heer, so en dorfment niet verstaen als soude u ryck te gronde gaen: een coninck sal hy worden geagt maor niet en heerschen mit conincklycke magt, verwesen sal hy syn ter doot, syn eygenst volleck tot een spot.’
dan steken ze alle drie hun tong uit.

Mevr.v.d.Kroef: speelde onder regie van Ernst Lehrs: hij liet Kajafas gebaren maken met de handen, het zogenaamde “kop afsnijden” (snelle draaiing van spaakbeen om ellepijp en terug !) ter hoogte van de hals: de buik was hem al te laag !

V: bij Herodes: ‘Twaor beter sulx te veure comen dat jonck hem tleven wier benomen,’ daar reageren de Schriftgeleerden niet zo op.
Bij Pilatus: ‘of syt aldus hebben bevonden’ spreken de Schriftgeleerden het laatste woord (steeds) drie maal uit.

Als de Schriftgeleerden in hun papierrollen gaan kijken, rollen ze die horizontaal (!) uit, en lezen ze van rechts naar links, ze houden ze Herodes voor zijn neus.
Als Jonas spreekt: ‘Sy doene allen eenparighlyc weten’, dan spreken alle drie Schriftgeleerden deze 5 regels tegelijk uit: ze schreeuwen ze in zijn oren.

Maar dan schreeuwt Herodes, dat de kinderen het in hun broek doen, z6 geweldig gaat hij te keer, hij eindigt met: ‘maekt u van hier’
(10-1-1976: Kaifas krijgt een schop na).

De Schriftgeleerden haasten zich naar hun bank links achter en vallen met bank en al om. Deze bank moet dus van te voren al los staan !

Na Herodes: ‘op dattic vergiete het kint syn bloet’ is er, achter het toneel (in rood licht) een lach van de Duivel.

Na Herodes: ‘O wee, is neymant soot vermogt ? is geen daor so my by wilt staon ?’ komt de Duivel (listig) binnen, en die houdt eerst een (consonantische !) alleen­spraak, springt om Herodes heen, tikt hem op de schouder als hij juist de andere kant uit kijkt, enzovoort.

Dan Herodes: ‘Van anghsten soudic vast versaeghen.’

Dan de Duivel weer, hij eindigt met ‘dies maekt u op, geen uur gewagt’  en doet dan twee of drie stappen naar links, waarna Herodes hem terugroept.

Als Herodes zegt: ‘Ghesel, op iet bin ick noch bedacht’, komt de Duivel weer dichter bij.

Als de Duivel zegt: ‘wilt ghy oock duyvel syn, so merckts, so merckts:’, dan zegt hij dat twee maal ‘so merckts’ met een hoge, (bijna) piepende stem.
De Duivel staat bij ‘ghy sult ombringhen alle knegtjes kleyn’ achter Herodes, en loopt daarna bij ‘dan doenic laghen in myne vuyst’ van rechts achter naar links voor, en gaat daar dan af.

Bij “Bix Bax” gaat het licht uit. De troon wordt weggenomen.
Bix Bax is een oude toverspreuk. Schroer S.57: Pix = Pech, Hölle ?(hel)

Nu komt de ommegang nr.4, met de Engel voorop.

V: de Koningen volgen de ster = Zarathustra. Het kind is al geboren. De Engel draagt die ster. Dit is het kosmische beeld van de Jonkvrouw met de Ster bekleed: de geest van Zarathustra, die de aarde bezoekt in de persoon van Jezus van Nazareth. Dat staat ook in Jesaja 7:1.

Het is mooi als iedereen bij de laatste regel van nr 4 ‘in Betlehem bleve de star stil staen’, nu ook werkelijk stil staat.

Dan de ommegang nr.5 (10-1-1976: in de zaal): Geboren is in Betlehem’. Daarna gaat de Engel naar links voor, de Koningen staan dan op. De Pagie haalt een krukje voor Maria met kind op arm.

Volgens v.Bemmelen heeft de Engel geen ster op het voorhoofd (zoals in het Kerstspel). Wel heeft Maria een sterrenkroon.

De Koningen zijn de ster nog steeds kwijt: ze zitten in de eenzaamheid.
Kaspar: ‘Verlaet o heer ons nemmermeer !’  is een gebed

Melchior: ‘Welc deuser twee paden macht regte syn ?’: dan zien ze de ster stille staan bij Jozef en Maria. Dan zingt Maria het eerste deel van nr.6.

Vraag Jo Hass: zijn er bij ‘Welc deuser twee paden macht regte syn ?’ vier heffingen met soms één soms twee korte lettergrepen ? Is het ‘Welc deuser twee paden (Den Haag), of  ‘Welc deuser paden’ (Rotterdam) ? antwoord: voor de vraagsteller onduidelijk.
Opmerking notulist: in de Duitse tekst: “Hier san zween weg, wölchs ist der recht ?’ Nu komt het ritueel van de offering.

De Pagie neemt van iedere koning de staf in ontvangst.
Opmerking uit de zaal: in Bergen is het een traditie, gekomen uit de heilpaedagogische instituten, dat de staven omgekeerd gebracht, en ook omgekeerd weggebracht worden.

V: als je een teken omdraait, is dat zwarte magie, ik zou het nooit doen. Tineke: in Stuttgart heeft de blauwe Koning de grootste staf, de staf van de rode Koning past erin, en die van de groene Koning weer daarin, en de knoppen van de staven verschillen ook: tesamen een lotos.

Opmerking notulist (10-1-1976): iedere koning knielt en zet de offergave voor zich neer, de andere twee koningen blijven geknield met handen tesaam.

rode K                                                  blauwe K                                                   groene K

Dan zingt Melchior ‘Psallite unigenito’ nr.6 tweede deel).

Bij het weggaan van de Koningen is drie maal buigen wel aangegeven (bij de Herders niet) . De drie Koningen buigen drie maal tegelijk en gaan achterwaarts. De Pagie komt drie maal met staf en wijst hen de plaats aan.

Mevr.d.Kroef: het bij elkaar zetten van de staven (Christengemeenschap Rotterdam) is mij niet bevallen.

V: dan valt slagschaduw op de Engel, dat is lelijk. Dus bovenlicht !

Na de offering gaan de drie Koningen langs Herodes, maar zij kijken niet naar hem.

Opmerking notulist (10-1-1976): als Jozef spreekt blijft hij achter Maria staan. Het wordt donkerder. Het wordt nacht. De drie Koningen knielen.

Dan komt de nocturne nr. 8. De Engel begint achterwaarts te lopen en als zij slapen (Ic laghe in eene nagt en sliep” ), dan spreekt zij: ‘Ghy heylghe coninghen van oriënt’, dit klinkt van verre. De Engel moet daar ‘etherisch’ spreken.
regie-aanwijzingen driekoningenspel4

Als de Koningen slapen, slaapt Jozef ook.

De Koningen vertellen hun droom en gaan weg met nr.9.

Dan komt de dialoog tussen de Engel en de geknielde Jozef. Jozef en Maria kijken naar voren.

G:   liet, als Maria nr.10 zingt, Jozef opstaan bij ‘Hier om staet op, syt wel gemeyt’ (= weest welgemeend), maar men vond dit destijds te intellectualistisch, je moest niet precies doen wat je zei, en zo..

De Pagie komt (10-1-1976: neemt de offergaven één voor één mee naar links), haalt tenslotte ook het krukje weg en gaat zitten.

Opmerking notulist (10-1-1976): de Duivel brengt de rode zetel van Herodes. Het toneel is verduisterd in rood.

V: de Duivel komt met 1.mandaat, 2.zakje met geld, 3. zwaard.

Bij Herodes (10-1-1976: steeds zeer consonantisch): ‘soo willic om gaon mittet kint.’ fluistert de Duivel hem iets in het oor.

Dan komt de moeilijke ommegang rondom de troon waarin Maria nr.11 zingt: Zij moet steeds frontaal blijven. Belichting: een spot recht van boven op Herodes en iets voetlicht. Als het lied uit is, is Maria achter op het toneel. Het is een vizioen,  dus Herodes fixeert Maria niet: hij kijkt recht vooruit en iets omhoog.

Opmerking notulist (10-1-1976): bij Herodes: ‘Wout ghy my dan verordineren? staat Herodes op, en het licht gaat aan.

V: dan spreekt de Hooftman het mandaat uit. Judas is er bij.

Flink stampen bij het wegmarcheren. Het gevaar is, dat daar om gelachen wordt, maar dat is niet zo erg, als het daarna maar stil wordt.

Opmerking notulist (10-1-1976): Judas protesteert, de Hooftman steekt hem met rood zwaard, brengt hem weg.

Herodes: ‘Siet hier, hooftman, neemter dit sweert’. Herodes geeft het zwaard. Opmerking notulist (10-1-1976): bij de Lackeye:’ ick laot my niet besteken’ (=omkopen) maakt hij het gebaar van geld tellen.

V: dan komen ze terug met in de rechter hand de gedode kinderen. Achteraan op­staan. Dit moeten echt wel popjes zijn, maar niet “naturalistisch op ware grootte’: het kunstzinnige gehoorzaamt aan andere wetmatigheden, het moeten aanduidingen zijn. Een stuk rauwheid zit hier in.

Tineke: Frau Berthold had de poppen in wit en zwart, absoluut niet realistisch. V: het rode tongetje moet uit het Duivelskind hangen.

De Duivel komt op van links, trapt tenslotte het kind dood, en strooit de inhoud als zaagsel over Herodes heen, dat deze natuurlijk niet mag afkloppen. Dan de Hooftman: ‘Coninclyc majesteyt, ic bid om verschoningh’. Herodes wil zelf in Bethlehem gaan kijken. Lackeye: ‘Een appel end een mes bringht haestiglyc dattic myn here laefenis reick.’

V: zie hiervoor Emil Bock: “Caesaren und Apostel” bladzijde 92:

In den Gärten von Jericho, wo der kranke Greis vergeblich nach Linderung seiner Qualen sucht, läßt er sich Apfel und Messer bringen mit der Absicht, seinem Leben ein Ende zu be­reiten. Der Selbstmord wird verhindert, aber bald darauf erliegt er seinen Qualen, während in Jerusalem bereits stürmische Unruhen ausbrechen: die strenggläubigen Juden gehen bilderstürmerisch gegen die Prunkschöpfungen des Herodes vor .
In de tuinen van Jericho, waar de zieke grijsaard tevergeefs naar vermildering van zijn kwalen zoekt, laat hij zich een appel en een mes brengen met de bedoeling zijn leven te be-eindigen. De zelfmoord wordt verhinderd, maar spoedig daarna sterft hij aan zijn kwalen, terwijl er in Jeruzalem al stormachtige onlusten uitbreken: de strenggelovige Joden gaan als beeldenstormers tekeer tegen de pracht en praal van Herodes.
 Schroer S.58  Hat der Apfel tiefere Bedeutung? der Tod bringende Apfel Adams? Heeft de appel een diepere betekenis? De dood brengende appel van Adam?

De Engel komt tegelijk op met de Hooftman ,en zingt nr.12:
‘Herodes, Herodes, ghy snoode tiran’
Zij staat daarbij op een kleine verhoging achter de troon.

Jo Hass schreef op 16-11-1979 aan de notulist: Daarvoor moet de Duivel zorgen, als hij Herodes’ troon voor de slotscène klaarzet.

Bij Herodes: “dies heeft den duyvel my ten val gebragt’: laat de Hooftman de geldzak vallen.

By Herodes: ‘nu vaer ic henen in Abrahams hof.’ valt zijn hoofd achterover en de kroon valt, hij grijpt naar zijn hart. Duisternis.

V: de Engel zet hem de “helle-croon”, de kroon met vlammen op: het oerbeeld van de clownsmuts. De Engel heeft deze kroon achter een bankje.

Opmerking: op de VPA niet: de Engel zegt het tegen de ‘hellegheesten’, en die doen het.

Opmerking Jo Hass: in Rotterdam geeft de Duivel de kroon aan de Engel.
G schreef op 27-10-1979 aan de notulist: Wanneer de Engel zelf de helle-croon meebrengt, moet deze gedurende het hele spel ergens onzichtbaar binnen haar bereik staan.

Dan spreken Hooftman, Lackeye en Krygsknecht tesamen: ‘Wat baet de hoghe troon, wat schepter ende croon, schepter en regiment,  tgaet alles ras ten end.’
Dan gaan ze weg.

De Duivel komt: ‘Buckt u Joostjen, buckt u,’, alsof hij tot een mede-duivel spreekt.
En later de Duivel: ‘Wagt, efkens sien of ghe oock swaor syt.’

De ziel van Herodes is héél licht, weegt bijna niets. Hij gaat jammerend af.

Dan komt de passage met de Hooftman: ‘Ach, wat heeft myn heer coninck bedreven.’ Deze tekst, met het zich ophangen en verdrinken, heeft eenzelfde inhoud als het tweede optreden van de Duivel in het Paradijsspel.

De Hooftman doorsteekt zich en valt in de troon van Herodes, dat wil zeggen hij neemt het karma van Herodes op zich, het is een zeer positieve zelfmoord. Deze Hooftman is zijn geweten nog niet kwijt.

De Romeinen deden de verschrikkelijkste dingen, maar er was ook een hoofdman over honderd (Marcus 15:39), die zei: ‘Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon’. Zeer indrukwekkend.

De Duivel moet nu snel alle spullen opruimen.

In de ommegang nr.13 loopt Herodes als een slappe, uitgebluste veroordeelde er achteraan.

Opmerking notulist (10-1-1976): de Duivel houdt Herodes (zijn buit) in de kraag vast. Slotwoord van de Engel en buigen.

Vraag Jo Hass: waarom is het in nr.13 Jesu den Messias en niet Christus den Messias .Antwoord: voor de vraagsteller onduidelijk.

Opmerking notulist: in de Duitse tekst staat: ‘Seid fröli und jubilieret, Christus dem Messiä, (maar in de muziek van van der Pals staat  ‘Jesu den messias’

Vraag: over de kleding van de Koningen.
G: de Koningen zijn met niets zo aan te kleden, dat ze worden wat ze zijn. Crêpepapier met kleurige belichting is werkelijk erg mooi, anders wordt het niets.
V: het geestelijke wordt daardoor juist versterkt: van de Koningen gaat dan iets uit als van een andere wereld. Het is een mooie vondst, want hoe durf je zo iets te doen ?

Mevr.v.d.Kroef: volgens Ernst Lehrs waren de Hooftman en de Lackeye twee uitgetreden zielekrachten van Herodes in het extreem: Hooftman: het bloederige, brallerige.
Lackeye: het slaafse, onderdanige, strebe­rige.

V.: je kunt dit op verschillende niveaux bekijken.

Jo Hass schreef op 16-11-1979 aan de notulist: De ‘lichte” en de “zwarte’kant tellen beide acht spelers:
Licht: Engel, Melchior, Balthasar, Kaspar, Pagie, Viligratia, Maria, Jozef. Zwart: Herodes, Lakei, Hoofdman, Soldaat, drie Schriftgeleerden, Duivel.

Jo Hass schreef op 16-11-1979 aan de notulist: Na de aanbidding door de Koningen en het wegtrekken van Jozef en Maria naar Egypteland, komt de waanzinscène van Herodes gevolgd door diens ondergang. Dat is een lang stuk, waarbij men moet oppassen, dat dit deel niet gaat overheersen in het spel. Zowel de regisseur als de gehele Kompany moeten  hierop bedacht zijn. Het gaat om de aanbidding door de drie Koningen.

Heinz Muller citeert in “Spuren auf den Weg” op blz. 54 Karl Schubert:
In Erinnerung an diese herrliche Zeit und an meinen Freund Karl Schubert seien hier einige Worte aus seinem Aufsatz in den „Mitteilungen* Nr. 6/1948 angeführt:
‘Wer immer beim Erleben der Weihnachtsspiele Freude und inneren Reichtum ge­winnt, der möge daran denken, daß diese Spiele nur eine literarische Tatsache der wissenschaftlichen Welt geblieben wären, wenn sie nicht durch Rudolf Steiner, der in seinem Lehrer Karl Julius Schröer den literarischen, wissenschaftlichen, lie­bevollen Behüter der Spiele kennengelernt hatte, zu neuem Leben erweckt worden wären. – Wenn man sie spielt, so sollte man sie im Dialekt und ohne jede Pathetik schlicht, einfach und würdig spielen. Man bedenke, was es heißt und was es be­deutet, daß solch ein Mensch wie Dr. Steiner trotz der vielen Arbeit sich die Zeit nahm, die Spiele selbst einzustudieren. Daher gehe man als Spieler und als Zu­schauer so an die Spiele heran, daß man in Dankbarkeit an Dr. Steiner denkt, der etwas von seinem Wesen den Weihnachtsspielen gegeben hat.’
In herinnering aan deze heerlijke tijd en aan mijn vriend Karl Schubert laat ik hier een paar woorden uit zijn artikel in de ‘Mededelingen’nr.6 1948 volgen:
‘Wie steeds bij het meemaken van de kerstspelen vreugde en innerlijke rijkdom ten deel valt, zou daaraan kunnen denken, dat deze spelen slechts een literair feit van de wetenschappelijke wereld zouden zijn gebleven, wanneer Rudolf Steiner, die in zijn leraar Karl Julius Schröer de literaire, wetenschappeliijke, liefdevolle beschermer van de spelen had leren kennen, ze niet tot nieuw leven gewekt had. Wanneer men ze speelt, dan moet men ze in het dialect en zonder pathetisch te doen, heel eenvoudig en waardig spelen. Denk eens in wat het betekent dat een mens als Dr.Steiner die ondanks zijn vele werk, de tijd nam om de zelf spelen in te studeren. Vandaar dat men als speler en toeschouwer zo naar de spelen zou moeten kijken dat men in dankbaarheid aan Dr.Steiner denkt die iets van zijn wezen in deze Kerstspelen gelegd heeft.’

*Noor Gerretsen, in het verslag afgekort G
Wim Veltman, in het verslag afgekort V

Kerstspelen – Driekoningen: alle artikelen

Kerstspelen: alle artikelen

Jaarfeesten: Driekoningen: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: Driekoningenalle beelden

 

76-73

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – Herdersspel -Crispijn

.

CRISPIJN
Crispijn, de vierde herder in het kerstspel, is blijkbaar een moeilijk te begrijpen figuur. Ik* ontmoette, in voor mij chronologische volgorde, de volgende opvattingen:

K.J.Schroer(1858) [1]

Es folgt die schöne Szene der Opferung und am Schluß das Auftreten eines vierten Hirten, der in seinem ganzen Wesen etwas rätselhaft ist, wenn auch schon in der Legende die Hir­ten einmal drei, einmal vier sind. Vielleicht stellt er nichts andres dar als den törichten Hirten, der, für die hehre Er­scheinung unempfänglich, nichts geträumt noch gesehen hat. Crispus kömmt in einem Schafpelz, den er umgekehrt mit der rauhen Seite nach außen um hat, ebenso ist seine mit Schaf­pelz gefütterte Mütze umgekehrt. Er geht immer gebückt und sucht sich im Pelz ganz zu verkriechen. Also eine vermummte Rauhnachtgestalt. (Merkwürdig ist, daß das Rauhe auch im lateinischen Namen schon angekündigt ist; etwa ein männ­licher Allerleirauh?) In verschiedenen Gegenden Ungarns kommen am Heiligen Abend Hirten singend in die Häuser, vier, fünf und mehr. Einer unter ihnen hat einen Strohgürtel um und unterscheidet sich durch schlechte Kleider. Der legt sich auf den Boden und wird von den andern mit den Hirten-Stäben wie mit Hebeln aufgehoben. Er heißt Kubo. Ist das unser Crispus? Ist es der Wintergott, der auf die Beine kommt?

Na de mooie scene van de aanbidding komt  op het einde nog een vierde herder op, die naar zijn hele wezen wat raadselachtig is, ook al zijn in de legende de herders wel met z’n 3-en of 4-en. Misschien stelt hij niets anders voor  dan een onnozele herder, die voor de indrukwekkende verschijnselen niet open stond, niets gedroomd, noch gezien heeft. Crispijn komt op in een schapenvacht, die hij omgekeerd, met de ruwe kant naar buiten draagt, net als zijn met schapenvacht gevoerde muts die ook binnenstebuiten zit. Hij loopt steeds krom en probeert zich helemaal in zijn vacht te verstoppen. Dus een vermomde figuur tijdens de 12 heilige nachten optredend  (Rauhnachtgestalt)
(Merkwaardig is, dat het ruige ook in de Latijnse naam al aangekondigd wordt; iets als een mannelijke Allerleirauh=Bontepels.
In verschillende streken van Hongarije komen op de heilige avond herders zingend de huizen binnen, vier, vijf en meer. Een van hen heeft een strogordel om en onderscheidt zich door zijn slechte kleding.
Hij gaat op de grond liggen en wordt door de anderen met de herdersstaven als hefbomen opgetild. Hij heet Kubo. Is dat onze Crispijn? Is het de wintergod die overeind komt?

Figur 8 ** ist der Hirtenknecht Crispus, der ganz vermummt und in Pelz gehüllt, gebückt einhergeht, wahrscheinlich ein Repräsentant der rohen, ungläubigen Heiden. Ein Hirt mit dem «Zippelpelz» kommt auch in andern Weihnachtspielen (selbst bei Slawen als «Kubo») vor. Die mit der Krippe um Weihnachten herumziehenden Hirten in der Slowakei zeigen dem «Kubo» die Krippe und fragen, ob er glauben will; er weigert sich und wird dafür geschlagen. In deutschen Weih­nachtspielen kommt zuweilen ein harthöriger oder törichter Hirte vor, der dasselbe zu bedeuten haben wird. Meine Weih­nachtspiele dürften diesen Zug für die ältesten Zeiten be­urkunden. Sonst erinnert der Zippelpelzträger (namentlich durch seinen Strohgürtel, den er oft vorschriftmäßig trägt) an den Wintergott, wie er in volkstümlichen Darstellungen des Kampfes zwischen Sommer und Winter dargestellt wird.

Figuur 8** is de herdersknecht Crispijn die helemaal vermomd in zijn pels gehuld, gebukt rondgaat, waarschijnlijk een represantant van de ruwe, ongelovige heiden. Een herder met de ‘Zippelpelz’=Zipfelpelz =de ‘jas’ van schapenvacht met slippen, komt ook in andere kerstspelen (ook in het Slavisch)  als ‘Kubo’ voor. De met de kribbe tegen kerst rondtrekkende herders in Slowakije laten aan ‘Kubo’ de krib zien en vragen of hij wil geloven; hij weigert en wordt daarom geslagen. In Duitse kerstspelen komt soms een dove en dwaze herder voor, die dezelfde betekenis zou hebben. Mijn kerstspelen kunnen deze trek voor de oudste tijden met oorkonden staven. Anderszins herinnert de drager van de schapenvacht (namelijk door zijn strogordel die hij dikwijls overeenkomstig de voorschriften draagt) ons aan de wintergod, zoals hij in volkse voorstellingen de strijd tussen zomer en winter verbeeldt.

Ir J.van Wettum, in brieven aan mij* dd 24-12-1977 en 14-2-1978:
Ik heb al enige keren tegen de spelers gezegd, dat ik meen, dat Chrispijn sterk verbonden is, ja, min of meer representeert wat men mag noemen “de groepsziel” van die oude herders, in hun natuurverbondenheid en daardoor oude wijsheid.
In de opbouw van dit kerstspel is toch te beleven hoe dit slot op de (toenmalige?) toehoorders en toeschouwers moet werken als die slotzinnen, die drie maal in de “Grondsteenspreuk” aan het eind van elk derde deel klinken: “Das hören die Elementargeister in Ost, West, Nord,Süd: Menschen mögen es horen”.
Chrispijn heeft “beleefd” wat er gebeurd is, maar op die atavistische wijze. Hoe komt de mens tot een persoonlijk beleven? Vandaar de vraag: “Hoe veer ist wel?” en het antwoord: “Tot gher bent!”

Rudolf Steiner heeft eens gezegd, dat die boeren, die deze oude spelen gezien hadden, naar huis gingen met de min of meer bewuste vraag: “Bin ich ein Wirt oder bin ich ein Hirt?” (ben ik een waard of ben ik een herder)  Zou niet een nog diepere vraag bij het beleven van deze spelen opgeroepen worden, ongeveer zo: “Hoe lang is de weg tot ik de ontmoeting met dit goddelijke kind mag hebben?” In woorden gebracht: “Hoe veer ist wel?” En is dan niet het enige ant­woord: dat hangt van je zelf af, hoe veel je er aan doet, de eigen inspanning, de heilige wil, enz.enz., samengevat in het simpele antwoord: “tot gher bent!”
Door dergelijke overwegingen krijgt deze slotfase van het Kerstspel zo’n duidelijke zin en betekenis. En dan is het pijnlijk, dat er min of meer een parodie van gemaakt wordt, die afbreuk doet aan de gaafheid van dit spel.’

Wat Chrispijn betreft, daar schreef je zelf al het antwoord. Ik drukte het wel eens zo uit, dat hij nog zo verbonden is met de “herders-groepziel”, misschien beter
een­voudig gezegd: nog een meer atavistische verbondenheid met de geestelijke werkelijk­heid heeft, dat hij daardoor inderdaad in de wereld van de “omkeringen” leeft. Voor de moderne mens is hij simpel. Zelfs het Nathanische Jezuskind zou voor moderne be­grippen een achterlijk kind geweest zijn, zegt Rudolf Steiner. Hij leeft nog zo sterk in die andere wereld, dat hij “doof” is voor de woorden hier, althans hardhorend. Die pelsvacht is voor hem toch de bescherming tegen alle ongemakken van de aardse omstandigheden. En zo is er meer.

Elise Schulz, Haussmannstrasse 44, Freie Waldorfschule, Uhlandshöhe, 1) 7000 Stuttgart-1, in een brief aan mij* dd 31-8-1978:

‘Mir ist es sehr interessant, was Sie von Herrn van Wettum schreiben, wie er den Crispus auffaszt»
Ich erlebe den Crispus als eine Gestalt, die zu spät kommt, im rechten Augen­blick nicht f,zur Stelle war”, auch für eine Gabe nicht vorbereitet war, der Vierte» Drei kamen zur rechten Zeit» Es sind auch drei Könige, die hellen, erleuchteten; der vierte Konig Herodes, der Finstere» In Goethes Märchen sind es auch Drei und der Vierte zusammengesetzt» Im Mysterienspiel sah ich auch eine Entsprechung im Retardus» In der Tempelszene sinkt er in sich zusammen.
Crispus schüttelt immer den Kopf, noch beim Gesang; er kann das grosze Geschehen nicht fassen» Die Frage: “ís es wait dohin?”, Antwort: “Bis d’hikummst” besagt schon: “es hangt von dir selber ab”» Diese Schluszszene gibt ein Bild: wieviel von Crispus hat jeder in sich?

Ob Sie mit meiner Antwort einverstanden sind?

Voor mij is het erg interessant wat U over de Heer van Wettum schrijft, hoe hij Crispijn opvat.
Ik beleef Crispijn als een figuur die te laat komt, op het juiste ogenblik niet ‘ter plekke was‘ ook niet voorbereid op een geschenk, de vierde. Drie kwamen er op tijd. Er zijn ook drie koningen, de helderen van geest, de verlichten; de vierde koning Herodes, de duistere. In Goethes sprookje [2] zijn er ook 3 en de 4e. In het mysteriedrama [3]  zag ik iets overeenkomstig bij Retardus. In de tempelscene stort hij in.

Crispijn schudt steeds het hoofd, ook nog bij het zingen; hij kan de grote gebeurtenis niet vatten. De vraag: ‘Hoe veer ist ’t wel?‘, antwoord: ‘tot gh’er bent‘ laat het zien: het hangt van jou zelf af. Deze slotscene geeft een beeld: hoeveel van Crispijn heeft ieder van ons in zich.
(Of U het met mijn antwoord eens bent?)’

W.F.Veltman zei in de regisseursbijeenkomst in Den Haag op 8-9-1979:
In het herdersspel moet streng de hand worden gehouden aan de driehoek: de herders staan en dansen altijd in de driehoek. Pas aan het einde komt de oude Crispijn erbij, dan ontstaat het vierkant.
In de Kerstboom worden o.a  de  driehoek  en het   vierkant als tekens gehangen» De driehoek is de oude ontwikkeling, het vierkant de nieuwe ontwikkeling: het Ik-principe komt in de persoon van Crispijn op eigen (zwakke) kracht erbij, hij heeft het in het volk, bij geruchte gehoord, dus niet van de Engel, maar op aarde.
Crispijn wordt dus achtereenvolgens gezien als Wintergod, herdersgroepziel, de slechte die te laat komt, en het jonge Ik»

Aan de heer van Wettum had ik geschreven over het feit dat bij Crispijn alles omgekeerd is: binnen en buiten, groot en klein. Dit deed mij denken aan wat Rudolf Steiner zegt over de geestelijke wereld en over de droom. Ook daarin is veel omgekeerd. Het getal 123 in de geestelijke wereld wordt 321 in de fysieke wereld; jonge kinderen schrijven nog vaak spiegelbeeldletters. Verscheurende dieren die ons in de droom aan­vallen, zijn imaginaties van driften die van ons uitgaan. Enzovoort. Dat Crispijn dus ‘iets’ in de geestelijke wereld representeert, is voor mij zeker. Zijn gebogen houding, ja, eigenlijk zijn opgerolde houding, doet mij denken aan de houding van het jonge embryo die hij nog niet of nauwelijks heeft afgelegd. Hij is, in die ziens­wijze, nog maar zonet geboren, dat hij nog niet goed kan verstaan (dubbele betekenis !) wat er gezegd wordt. Hij is dus niet doof uit ouderdom. Hij herhaalt de woorden ‘kindeken, eselken’ enz. als het ware nog uit een kortdurende nabootsingsdrang.
De drie Herders geven, uit de natuur, geschenken zoals W.J.Stein die beschreef voor de Asklepios-Mysterien» Crispijn geeft echt iets van zich zelf. Onze vice-voorzitter dr. J.van Dam bracht dit in een gesprek met mij als volgt tot uitdrukking: de slip van de pelsjas is een door ontwikkeling zelf verworven, omgewerkt deel van het astraallichaam dat door het Ik geschonken wordt aan de Christus» Hij zag hier een samenhang met de sage van het Gulden Vlies. Het zoeken naar het Gulden Vlies heeft de betekenis van het zoeken naar de oorspronkelijk zuiver gouden “Flusz” van het astraallichaam van vóór de verduistering tengevolge van de afdaling van de mens (Rudolf Steiner: “Ägyptische Mythen und Mysterien”, GA 106)» Tot zover dr. J.van Dam»

Het is wel merkwaardig dat het artikel van Walter Johannes Stein “Die Mysterien der Asklepios” ook uitmondt in de sage van het Gulden Vlies»

‘So kann es uns nicht verwundern wenn von Asklepios die griechische Sage berichtet, er sei beteiligt gewesen an dem Zuge der Argonauten, er sei mit hinübergezogen an das schwarze Meer um nach Besiegung des Drachens das goldene Fliess zu holen.’
Zo hoeft het ons niet te verbazen dat wanneer er van Asklepios sprake is de Griekse sage dan verhaalt dat hij deelgenomen heeft aan de reizen van de Argonauten, dat hij meegetrokken is naar de Zwarte Zee om het gulden vlies te halen na de overwinning op de draak.

Het is niet onmogelijk dat al deze zienswijzen waarheden op verschillend niveau bevatten die tot een groter geheel kunnen worden samengevat. Wie kan het ?

*Dr.Nordlohne 
**[1] foto t.o. titelblad: figuur beneden uiterst rechts

kompanij

[1] Karl Julius Schröer Über die Oberuferer Weihnachtsspiele.
1963 Verlag Freies Geistesleben
[2] J.W. von Goethe Het sprookje van de groene slang en de schone lelie
[3] Rudolf Steiner Mysteriedrama’s
.

Kerstspelen: alle artikelen

Kerstmis: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: kerstspel

75-72

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

VRIJESCHOOL – Kerstspelen – inleiding

.

WOORD VOORAF  


Zolang ik op de vrijeschool werkte, speelde ik mee in de kerstspelen – in het Paradijsspel – het Herdersspel en het Driekoningenspel.

Ook regisseerde ik deze spelen.

Toen ik in Den Haag werkte, had ik het geluk veel van Willem Veltman –ik noem hier zijn naam met dankbaarheid – te kunnen leren; niet alleen over de regie, maar ook over de aard van het toneelspelen.

Als regisseur veel te weten over deze spelen geeft een grotere zekerheid hoe ze uit te voeren. Veel weten betekende vooral veel overleg met andere regisseurs en anderen die voor deze spelen een diepere belangstelling hadden.

Veel aantekeningen waren het gevolg:
.
Kerstspelenalle artikelen
.
Wie denkt waardevolle aantekeningen te bezitten, kan ze hier plaatsen.Stuur ze naar het emailadres: pieterhawitvliet (voeg toe)gmail(punt)com
.
Kerstmis: alle artikelen
.
VRIJESCHOOL in beeld: kerstspel
.

74-71

.