VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde -voordracht 9 (9-1-1/11)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar 

in de voordrachtenreeks:

Menschenerkenntnis und Unterrichtsgestaltung

GA 302

Voordracht 6, Stuttgart, 21 juni 1921

Blz. 88   vert. 88

Wir müssen uns ja klar sein darüber, daß das Leben in Wirklichkeit doch ein einheitliches ist, daß wir aus dem Leben nur zum Schaden dieses Lebens selbst ein Stück herausnehmen können. Das Leben bietet uns zunächst dasjenige dar, in das wir als Menschen von Kindheit auf hineinwachsen. Wir werden so hereingestellt in die Welt, daß wir in sie zunächst hereinschlafen. Bedenken Sie nur, wie das Kind in den ersten Lebensjahren in völliger Unbewußtheit der Welt gegenübersteht. Dann wird es immer mehr und mehr bewußt. Was heißt das aber: es wird bewußt? Das heißt, es lernt sich mit seinem inneren Leben an die äußere Welt anpassen. Es lernt die äußere Welt auf sich beziehen, sich auf die äußere Welt beziehen. Es lernt eben die äußeren Dinge bewußt kennen, sich von ihnen unterscheiden. Das tritt ihm dann immer mehr und mehr, je mehr es heranwächst, entgegen. Es schaut hinauf in den Umkreis des Erdenlebens, sieht die kosmische Welt, ahnt ja wohl, daß in dieser kosmischen Welt eine Gesetzmäßigkeit ist; aber es wächst doch in das Ganze hinein wie in etwas, in das es aufgenommen wird, ohne irgendwie völlig fertig zu werden mit dem Geheimnis, das besteht zwischen dem Menschen und der kosmischen Welt. Dann wächst das Kind heran, wird immer mehr und mehr in die bewußte Sorgfalt der übrigen Menschen aufgenommen. Es wird erzogen, es wird unterrichtet. Es wächst so heran, daß aus seiner ganzen Individualität das hervorgeht, daß es selbst in irgendeiner Weise in das Weltgetriebe eingreifen muß.

We moeten voor ogen houden dat het leven in werkelijkheid een eenheid vormt, en dat we door er een stukje uit te nemen, het leven alleen maar schade kunnen berokkenen. Allereerst biedt het leven ons de dingen aan waar we als mens vanaf onze kindertijd ingroeien. We worden zó in de wereld geplaatst dat we er eerst slapend in binnenkomen. Bedenkt u alleen maar eens hoe een kind tijdens zijn eerste levensjaren volkomen onbewust tegenover de wereld staat. Vervolgens krijgt het steeds meer bewustzijn.
Maar wat betekent dat nou: het krijgt bewustzijn? Dat betekent dat het zich met zijn innerlijk leven leert aanpassen aan de buitenwereld. Het leert de buitenwereld op zichzelf te betrekken, zichzelf op de buitenwereld te betrekken. Het leert de dingen buiten zich bewust te kennen en zich daarvan te onderscheiden. Hoe verder het opgroeit, des te meer ontmoet het die dingen. Het gaat naar boven kijken naar de omgeving van het aardse leven, het gaat de kosmische wereld zien, heeft er wellicht een vermoeden van dat in deze kosmische wereld een wetmatigheid schuilt; maar het groeit toch in dat geheel binnen als in iets waarin het wordt opgenomen, zonder dat het het geheim dat er bestaat tussen de mens en de kosmische wereld helemaal kan bevatten.
Dan groeit het kind op. Het wordt steeds meer opgenomen in de bewuste zorg van de overige mensen; het wordt opgevoed, het krijgt onderwijs. Het groeit zó op dat uit zijn hele individualiteit iets voortkomt waardoor het zelf op de een of andere manier moet gaan ingrijpen in het ‘wereld-raderwerk’.
GA 302/88
vertaald/88

Over de nabootsing:

Voordracht 8, Stuttgart 19 juni 1921

Blz. 123  vert. 122

Dazu ist es notwendig, daß wir uns selbst mit solchen Grundsätzen zu durchdringen wissen, die uns eine richtige Anschauung geben von dem Aufwachsen des Kindes. Theoretisch eignen wir uns ja durch die Geisteswissenschaft diese drei wichtigsten Gesichtspunkte an. Das Kind ist bis in das 7. Jahr hinein, bis in die Zeit, wo es die Zähne wechselt, im wesentlichen ein nachahmendes Wesen. Es wächst eigentlich dadurch heran, daß es dasjenige tut, was ihm von außen her vorgemacht wird, was es sieht. Es ist im Grunde genommen alle Betätigung des Kindes in dieser Zeit ein Nachahmen. Dazu müssen wir uns aber über die Bedeutung des Nachahmungstriebes
klar sein.

Daarom is het nodig dat we onszelf kunnen doordringen met principes die ons een juiste visie geven op het opgroeien van kinderen. Theoretisch maken we ons deze drie belangrijkste gezichtspunten eigen door middel van de geesteswetenschap. Het kind is tot aan zijn 7e jaar, tot aan zijn tandenwisseling, in essentie een nabootsend wezen. Het groeit op doordat het de dingen doet die hem van buiten af worden voorgedaan, die het ziet. In wezen is alles wat het kind in die tijd doet nabootsing. Maar daarvoor moeten we ons de betekenis van de nabootsings-drang goed voorstellen.

Blz. 124  vert.

Dieser Nachahmungstrieb, was stellt er denn eigentlich dar? Man kann ihn nicht verstehen in seiner Bedeutung, wenn man sich nicht klar darüber ist, daß das Kind eigentlich aus der geistigen Welt herauswächst. Ein Zeitalter, das lediglich davon überzeugt ist, daß das Kind durch Vererbung heranwächst, daß es von seinen Voreltern und Eltern abstammt, ein solches Zeitalter kann sich eigentlich über das Wesen der Nachahmung nicht aufklären.

Die nabootsingsdrang, wat is dat eigenlijk voor iets? We kunnen niet begrijpen wat die betekent als het voor ons niet duidelijk is dat het kind uit de geestelijke wereld afkomstig is. In een tijd waarin de mensen er enkel en alleen van overtuigd zijn dat het kind opgroeit door middel van overerving, dat het van zijn voorouders en ouders afstamt, in zó’n tijd kan men zich eigenlijk geen goede voorstelling vormen van het wezen van de nabootsing. 

Blz. 127  vert.  126

Wenn das Kind mit seiner Seele in der geistigen Welt drinnen ist, bevor es konzipiert wird, dann lebt es so in seiner geistigen Umgebung drinnen, daß es selbstverständlich alles aufnimmt, was in dieser seiner geistig-seelischen Umgebung ist. Und wenn es jetzt geboren worden ist und sich hereinlebt in dieses Leben, dann setzt es eigentlich die Tätigkeit fort, die es aus der geistig-seelischen Welt vor der Geburt gewohnt war. Das Kind zeigt uns in seinem Nachahmungswesen, daß es noch die Gewohnheit beibehalten hat von vor der Geburt, nur daß es, man möchte sagen, die Sache gewendet hat. Vorher hat es sich nach dem gerichtet, was sich im Inneren herausgestalten soll, was seine Weltumgebung war, und jetzt steht es der Welt von außen gegenüber. Es ist wirklich, wenn das Kind der Welt gegenübertritt, so, wie wenn es erst in einer Kugel drinnen war, und dann sich die Kugel von außen anschaut. Die Welt, die man mit den Augen sieht, bietet die Außenseite von demjenigen dar, was man sich vorher von innen angeschaut hat. Und dieses nachahmende Wesen ist ein Trieb in aller Regsamkeit des Kindes, eine Fortsetzung desjenigen, was in der geistigen Welt erlebt worden ist, und deshalb bildet sich in diesem Alter im Nachahmen

Wanneer een kind met zijn ziel in de geestel i jke wereld is, voordat het gekoncipiëerd is, leeft het zó in zijn geestelijke omgeving dat het als vanzelfsprekend alles opneemt wat zich in zijn ziele-geest-omgeving bevindt. En als het dan geboren is en in dit leven binnenkomt, dan zet het de aktiviteit voort die het voor zijn geboorte uit de ziele-geest-wereld gewend was. In zijn nabootsende wezen laat het ons zien dat het nog de gewoonte heeft behouden van voor de geboorte, alleen heeft het de zaak omgedraaid. Voordien richtte het zich op wat zich in zijn innerlijk moest ontwikkelen, wat zijn wereld-omgeving was; en nu staat het van buiten tegenover de wereld. Als het kind tegenover de wereld komt te staan is het echt alsof het eerst in een bol zat en vervolgens van buiten naar die bol kijkt. De wereld die het met zijn ogen ziet, biedt de buitenkant van dat wat het eerder van binnen uit bekeek. En dit nabootsende wezen is een drijvende kracht in heel de levendigheid van het kind, een voortzetting van wat er in de geestelijke wereld is beleefd.

De wereld is waar

Blz. 128  vert. 126

zuerst überhaupt in der sinnlichen Welt das Verhältnis zur geistigen Welt aus.
Bedenken Sie nur, was das heißt! Bedenken Sie, daß das Kind sich der Außenwelt nach den Prinzipien der geistigen Welt> die es in den ersten Lebensjahren festhält, anbequemen will; daß das Kind in diesen Lebensjahren den Sinn für das Wahre entwickelt und daß es so in die Welt hineinwächst, daß es sich das Grundurteil bildet: die Dinge um mich sind ebenso wahr um mich herum, wie alles wahr war, was mir in durchsichtiger Helle in der geistigen Welt erschienen ist. Der Sinn für das Wahre bildet sich aus, noch bevor das Kind zur Schule gebracht wird. Gerade die letzten Phasen erleben wir noch, wenn uns das Kind zur Schule gebracht wird, und wir müssen jetzt diesen Sinn für das Wahre in der richtigen Weise empfangen. Denn empfangen wir ihn nicht in der richtigen Weise, dann stumpfen wir ihn ab, statt daß wir ihn richtig weiterentwickeln.

Daarom ook wordt er op deze leeftijd in het nabootsen voor de eerste keer in de zintuiglijke wereld de relatie tot de geestelijke wereld ontwikkeld.
Realiseer u eens wat dat betekent! Realiseer u dat een kind zich aan de buitenwereld aanpast volgens de principes van de geestelijke wereld, waaraan het tijdens zijn eerste levensjaren nog vasthoudt; dat het kind in die jaren waarheidszin ontwikkelt, en dat het zó ingroeit in de wereld dat het zich dit fundamentele oordeel vormt: de dingen om mij heen zijn net zo waar als alles waar was wat mij in transparante helderheid in de geestelijke wereld verschenen is. De waarheidszin wordt gevormd nog vóór het kind naar school wordt gebracht. De laatste fase ervan beleven we nog juist wanneer het kind naar school wordt gebracht, en we moeten die waarheidszin nu op de juiste wijze ontvangen. Want als we die niet goed ontvangen, dan stompen we hem af in plaats van hem werkelijk verder te ontwikkelen.
GA 302/123-127
vertaald/122-126

.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Over de werking van de omgeving op een kind: zie het ‘hersenvoorbeeld‘ in dit artikel.

Rudolf Steiner over spel

Over de werking van tv op kleine kinderenopvoedingsvragen onder nr. 19  m.n. [19-10]
.
Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2139

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.