VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-1/7)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

 

GA 297A

Blz. 53                             2e   voordracht, Amsterdam 28-02-1921

Ein nachahmendes Wesen ist das Kind, sagte ich, bis zum sieben­ten Jahre ungefähr. Und ich sage diese Zahl Sieben wahrhaftig nicht aus irgendeiner mystischen Neigung heraus, sondern weil tatsäch­lich der Zahnwechsel ein Wichtiges in der ganzen Lebensentwick­lung des Kindes ist. – Das Kind lernt durch Nachahmung die be­sondere Artung seiner Bewegungen, auch seine Sprache; es entwik­kelt sogar auf diese Weise die Form seiner Gedanken. Weil der Zu­sammenhang zwischen der Umgebung des Kindes und dem Kind

Ik zei dat het kind een nabootsend wezen is, tot ongeveer het zevende jaar. En ik noem dit getal zeven echt niet vanuit een of andere mystieke neiging, maar omdat daadwerkelijk de tandenwisseling een heel belangrijk iets is in de hele levensontwikkeling van het kind. Het kind leert door nabootsing zijn bijzondere manier van bewegen, ook zijn taal; het ontwikkelt zo zelfs zijn manier van denken. Omdat de relatie tussen de omgeving van het kind en het kind

Blz. 54  

selbst nicht nur von dem Äußerlichen abhängig ist, sondern Impon­derabilien in sich birgt, müssen Eltern oder Erzieher, die in der Umgebung des Kindes leben, sich klar darüber sein, wie das Kind sich anpaßt an das, was die Erwachsenen in seiner Umgebung nicht nur äußerlich tun – nicht nur, was sie sprechen -, sondern was sie empfinden, was sie fühlen, was sie denken. Man glaubt das gewöhn­lich nicht in unserem materialistischen Zeitalter, daß auch ein Unterschied besteht in bezug auf die Heranbildung des Kindes, ob wir uns edlen oder unedlen Gedanken in der Nähe des Kindes hin­geben, weil man die Lebenszusammenhänge nur nach äußerlichen materiellen Entitäten sieht, und nicht, wie die Dinge innerlich durch Imponderabilien zusammenhängen. Das sieht man, wenn man das Leben wirklich seinen innerlichen Strukturen nach beob­achtet.
Ich möchte an einem Beispiel erhärten, auf was es eigentlich bei solchen Dingen ankommt: Es kam einmal ein Vater zu mir, der klagte bitterlich – und ich könnte manches ähnliche Beispiel anfüh­ren -, sein fünfjähriges Knäblein habe gestohlen. Er war darüber sehr unglücklich. Ich sagte: 

zelf niet alleen maar van uiterlijkheden afhankelijk is, maar er ook onweegbare zaken in meespelen, moeten ouders en opvoeders die in de omgeving van het kind verkeren, duidelijk weten dat een kind zich aanpast aan wat de volwassenen in zijn buurt niet alleen maar voor het uiterlijke oog doen – niet alleen maar wat ze zeggen – maar ook wat ze beleven, wat ze voelen, wat ze denken. In onze materialistische tijd gelooft men gewoonlijk niet dat er ook verschil bestaat als het om de vorming van het kind gaat, of wij in de omgeving van het kind vervuld zijn van nobele of onedele gedachten, omdat men wat er in het leven met elkaar te maken heeft, alleen maar als uiterlijk stoffelijke grootheden ziet en niet hoe de dingen innerlijk door het imponderabele met elkaar samenhangen. Dat zie je als je het leven werkelijk waarneemt wat de innerlijke structuur betreft.
Ik zou met een voorbeeld willen staven waarop het eigenlijk aankomt bij dergelijke dingen.
Er kwam eens een vader naar me toe, die er heftig over klaagde – en ik zou meer van dergelijke voorbeelden kunnen geven – dat zijn zoontje van vijf had gestolen. Hij zat er heel erg mee. Ik zei: 

Wir wollen einmal nachsehen, ob der fünfjährige Knabe wirklich gestohlen hat. – Ich ließ mir den Fall beschreiben. Was war eigentlich geschehen? Der Junge hatte aus der Schublade, in der die Mutter ihre Pfennige verwahrte, die sie immer brauchte für die täglichen kleinen Bedürfnisse, etwas Geld heraus­genommen, Näschereien dafür gekauft; er hatte nicht einmal aus Egoismus das getan, sondern er hatte die Näschereien verteilt unter andere Kinder Ich sagte zu dem Vater: Das Kind hat nicht gestoh­len, sondern was die Mutter immer tut, das hält das Kind auch für richtig, daß es das tun dürfe, denn es ist ja in dem Alter von fünf Jahren noch durchaus ein nachahmendes Wesen. Dessen müssen wir uns bewußt sein: nicht durch Ermahnungen, durch Gebote wirken wir auf die Kinder. sondern lediglich durch das, was wir in ihrer Umgebung tun.
Und wir gelangen erst zu einem gesunden Urteil über die ganze Seelenkonfiguration des Kindes, wenn wir wissen: Mit dem Zahn-wechsel wird diese Seelenkonfiguration des Kindes eine wesentlich

Laten we eens kijken of het vijfjarige ventje nu echt gestolen heeft. – Ik liet het voorval beschrijven. Wat was er nu gebeurd? Het jongetje had uit de tafella waar moeder het geld in bewaart dat ze nodig heeft voor de dagelijkse boodschappen, wat geld weggepakt en er snoep voor gekocht; dat had hij niet uit egoïsme gedaan, maar hij had dit snoep uitgedeeld aan andere kinderen.  Ik zei tegen z’n vader\; het kind heeft niet gestolen, maar wat het kind zijn moeder ziet doen, houdt het voor juist en dat mag hij dus ook doen, want hij is op de leeftijd van vijf jaar door en door een nabootsend wezen. En we moeten goed weten dat we niet door vermaningen en geboden op de kinderen kunnen inwerken, maar enkel en alleen door wat we in hun omgeving doen. 
GA 297A/53-54

Blz. 72             Vragenbeantwoording Darmstadt, 28-07-1921

Das Kind ist Nachah­mer bis in dieses Lebensalter hinein. Das geht so weit, daß in diesem Lebensalter, im Kindergartenalter also, eigentlich nicht im gewöhn­lichen Sinne gelehrt werden sollte, sondern auf die Nachahmefähig­keit des Kindes gerechnet werden sollte.
So kam einmal ein Vater zu mir, ganz unglücklich, und sagte: Was sollen wir machen, unser Junge, der immer ein braver Junge war, hat gestohlen. – Ich fragte den Vater: Wie alt ist der Junge? – Vier bis fünf Jahre. – Dann, sagte ich, müssen wir doch erst untersuchen, ob er wirklich gestohlen hat.
– Die Untersuchung ergab, daß er gar nicht gestohlen hatte, der kleine Junge, trotzdem er Geld aus einer Schublade genommen hat­te. Er hatte nur jeden Tag gesehen, daß die Mutter den Lieferanten aus ihrer Schublade Geld gibt. Er dachte: Die Mutter hat es so ge­macht, dann ist es doch so richtig – und er hat einfach auch Geld aus der Schublade genommen. Er hat Naschereien gekauft, aber sie nicht selber verzehrt, sondern er hat sie verschenkt. Das Kind war eben seinem Alter entsprechend ein Nachahmer. Was es tat, war einfach eine Handlung der Nachahmung. Es handelt sich darum, daß man den Kindern in diesem Alter tatsächlich nichts vormacht, was sie nicht nachahmen dürfen.

Tot op deze leeftijd (rond het 7e jaar) is het kind een nabootser. Dat gaat zover dat in deze leeftijdsfase, dus de kleuterschoolleeftijd, eigenlijk niet op een gewone manier iets aangeleerd zou moeten worden, maar door te rekenen op het vermogen van het kind te kunnen nabootsen.
Er kwam eens een vader naar me toe, helemaal ongelukkig, die zei: ‘Wat moeten we doen. ons zoontje dat altijd een lief jongetje was, heeft gestolen’. Ik vroeg aan de vader: ‘Hoe oud is het jochie? – Vier, vijf jaar. Dan, zei ik, moeten we toch eerst eens nagaan of hij daadwerkelijk gestolen heeft. Uit onderzoek bleek dat de kleine jongen niet gestolen had, hoewel hij uit de tafella geld gepakt had. Hij had echter wel iedere dag gezien dat moeder geld uit de la aan leveranciers aan de deur had gegeven. Hij heeft gedacht: moeder doet dat zo, dus is het goed – en hij heeft toen simpelweg ook geld uit de la gepakt. Hij kocht er snoep voor, maart niet voor zichzelf, want hij gaf het weg. Het kind was helemaal in overeenstemming met zijn leeftijd, een nabootser. Wat hij deed was gewoon een nabootsingshandeling. En nu gaat het erom dat je de kinderen op deze leeftijd daadwerkelijk niets voordoet, wat we ze niet mogen nabootsen- 
GA 297A/72-73

Blz. 141    5e voordracht, Den Haag, 04-11-1922

Aber was gerade für den Erzieher vor allen Dingen wichtig ist, ist, daß das Kind in den ersten Lebensjahren bis zum Zahnwechsel hin ganz und gar als nachahmendes Wesen an die Außenwelt hinge­geben ist. Das Verhältnis des Kindes zur Außenwelt beruht darauf – ich sage das nicht, um ein Paradoxon auszusprechen, sondern um etwas ganz Wirkliches zu treffen -, daß das Kind in den ersten sie­ben Lebensjahren, annähernd in diesen sieben Lebensjahren, fast ganz Sinnesorgan ist, daß es die Umwelt nicht nur mit den Augen, mit den Ohren wahrnimmt, sondern daß sein ganzer Organismus an die Umwelt hingegeben ist, ähnlich wie im späteren Leben die Sinnesorgane. Und wie in den Sinnesorganen sich die Bilder von äußeren Dingen und Vorgängen vorbereiten, die dann im Innern nur seelisch nachgebildet werden, so ist es beim kindlichen Organismus 

Maar wat voor de opvoeder nu vooral zo belangrijk is, is dat het kind in de eerste levensjaren tot aan de tandenwisseling helemaal als een nabootsend wezen aan de buitenwereld is overgeleverd. De relatie van het kind tot de buitenwereld berust – ik zeg dat niet om iets paradoxaals uit te spreken, maar om iets werkelijk kernachtigs te zeggen – dat het kind in de eerste zeven jaar, ongeveer deze zeven levensjaar, bijna helemaal zintuigorgaan is, dat het de omgeving niet alleen maar met zijn ogen, met z’n oren waarneemt, maar dat zijn hele organisme aan de omgeving overgeleverd is, net zoals in het latere leven de zintuigen. En zoals in de zintuigorganen beelden van uiterlijke dingen en processen voorbereidend gemaakt worden die innerlijk alleen maar psychisch nagevormd worden, zo is dat bij het kinderlijk organisme

Blz. 142

dagegen so, daß das Kind als nachahmendes Wesen alles das, was es außen sieht, innerlich nachahmen will. Es will sich ganz und gar an die Außenwelt hingeben. Es will alles dasjenige in seinem Inneren imitieren, was sich außen darbietet. Ganz Sinnesorgan ist das Kind. Und würde man mit demjenigen hellseherischen Sinn, mit jener exakten Clairvoyance, von der ich in den letzten Tagen ge­sprochen habe, in den kindlichen Organismus hineinsehen, so würde man wahrnehmen, wie zum Beispiel der Geschmack, der sich für den erwachsenen Menschen an Zunge und Gaumen auslebt, beim Kinde viel weiter in den Organismus hineinreicht. So geht man nicht fehl, wenn man sagt: Beim Säugling zum Beispiel ist es so, daß er auch mit dem ganzen Körper die Muttermilch nach dem Geschmacke erlebt.

zo, dat het kind als nabootsend wezen alles wat het in de buitenwereld ziet, innerlijk wil nadoen. Het wil zich helemaal aan de buitenwereld overgeven. Het wil innerlijk alles imiteren wat zich in de buitenwereld aanbiedt. Het kind is helemaal zintuigorgaan. En zou je met die helderziende blik, met die precieze bovenzintuiglijke waarneming waarover ik de laatste dagen heb gesproken, in het kinderlijke organisme kunnen waarnemen, dan zou je zien hoe bijv. de smaak die bij de volwassene op de tong en in het verhemelte werkzaam is, bij een kind veel verder zijn organisme in gaat. Je zit er niet naast als je zegt: bij de zuigeling bijv. is het zo dat hij met zijn hele lichaam de moedermelk proevend beleeft.

Man muß schon auf solche Intimitäten des menschlichen physi­schen Lebens eingehen, wenn man wirklich jene zarte Erkenntnis gewinnen will, die für die Erziehungskunst notwendig ist.
Und wenn man darauf hinschaut, wie das Kind ganz und gar Nachahmer ist, dann begreift man, ich möchte sagen in jedem ein­zelnen Zuge, wie das Kind sprechen lernt. Man kann förmlich ver­folgen, wie das Kind veranlaßt wird, dasjenige, was angeschlagen wird als Laut, im Innern Stück für Stück nun auch durch Nach­ahmung zu verfolgen und sein eigenes Inneres dem äußerlich Wahr­genommenen ähnlich zu machen. Und man kann so in alle Einzel­heiten des Kindes hineinschauen und wird überall sehen, wie das Kind ganz Sinnesorgan, ganz Nachahmer ist, ganz hingegeben ist an die sinnliche Außenwelt.
Man kann in dieser Beziehung das Kind verstehen in bezug auf gewisse Dinge, die nicht so wie beim älteren Kinde oder gar wie beim Erwachsenen beurteilt werden dürfen. Ich will das durch ein Beispiel verdeutlichen. Ein Vater fragte mich einmal – das hat sich wirklich im Leben zugetragen -: Ja, was soll ich mit meinem Kna­ben machen? Der hat der Mutter Geld gestohlen. – Ich fragte den Vater: Wie alt ist das Kind? – Das Kind war noch nicht sechs Jahre alt. Ich mußte zum Vater sagen: Wer das Kind wirklich versteht, der kann hier nicht von Diebstahl sprechen; das Kind hat – wie sich im

Je moet wel op zulke intimiteiten van het menselijk fysieke leven ingaan, wil je daadwerkelijk die verfijnde kennis ontwikkelen die voor de opvoedkunst nodig is.
En wanneer je aandachtig kijkt hoe het kind helemaal nabootser is, begrijp je – ik zou willen zeggen in ieder detail, hoe het kind leert praten. Je kan direct volgen hoe een kind aangezet wordt om wat als klank geuit wordt, innerlijk alles door nabootsing te volgen en zijn eigen innerlijk in overeenstemming te brengen met wat het uiterlijk waarneemt. En zo kun je tot in alle details het kind waarnemen en overal zien hoe het kind een en al zintuig is, helemaal nabootser, zich helemaal overgevend aan de zichtbare buitenwereld.
Zo kun je wat dit betreft het kind begrijpen bij bepaalde dingen die niet zo, als bij oudere kinderen of zelfs bij volwassenen beoordeeld mogen worden. Ik wil dat door een voorbeeld duidelijk maken. 
Een vader vroeg me eens – dat is waar gebeurd – Tja, wat moet ik nu met mijn zoontje doen? Hij heeft geld van zijn moeder gestolen. Ik vroeg de vader: ‘Hoe oud is het kind?’ Het kind was nog geen zes jaar. Ik moest tegen de vader zeggen: ‘wie het kind echt begrijpt, kan hier niet van diefstal spreken; het kind heeft – zoals

Blz. 143 

Wechselgespräch mit dem Vater herausstellte – täglich gesehen, wie die Mutter aus der Schublade Geld herausnahm. Das Kind ist Nachahmer; es nahm auch Geld heraus, weil es das gesehen hat. In der Nachahmung ist die ganze Handlung erschöpft, denn das Kind hatte überhaupt gar keinen Wert darauf gelegt, selber von dem sogenannten gestohlenen Gelde etwas zu haben. Es hat dafür Näschereien gekauft und sie sogar an andere Kinder verteilt. Solche Beispiele könnten zu Hunderten angeführt werden.

bleek uit het gesprek met de vader – iedere dag gezien hoe zijn moeder geld uit de tafella nam. Het kind is een nabootser; het pakte er ook geld uit omdat het dat had gezien. De hele daad is met het nabootsen klaar; het kind hechtte totaal geen waarde aan het geld, het nam er eigenlijk zelf niets van. Het kocht er snoep van dat hij dan aan andere kinderen uitdeelde. Je kan honderden van die voorbeelden geven.

Bis zum Zahnwechsel ist das Kind ein nachahmendes Wesen.

Tot aan de tandenwisseling is het kind een nabootsend wezen

Blz. 144

das Kind ist in den ersten sieben Lebensjahren – das ist alles approxima­tiv, annähernd so – ein nachahmendes Sinnenwesen

Het kind is in de eerste zeven jaar – dit alles bij benadering – een nabootsend zintuigwezen.

Blz. 152/153

Das Kind ist eben ganz der Außenwelt hingegeben; es verliert sich an die Außenwelt. Wie sich das Auge an die äußere Farbenwelt, an die äußere Lichtwelt verliert, so verliert sich das Kind an die Außenwelt. Das Innere dämmert nur ganz allmählich auf. Aus noch ganz in der Außenwelt lebenden und webenden Träumen tauchen allmählich die bestimmteren Vorstellungen auf. Das ist in Wahr­heit die fromme Stimmung, das ist in Wahrheit die religiöse Stim­mung, die religiöse Stimmung mitten in die Sinneswelt hineinge­stellt. Mag das Kind im übrigen noch so ein starker Wildfang sein: in bezug auf sein Verhältnis zur Sinneswelt, in bezug auf seine Hin­gabe an die Sinneswelt ist das Kind religiös gestimmt. Es will selber ganz dasjenige sein, was es in seiner Umgebung schaut. Es ist noch keine Religion, in der das Kind ist. Aber diese Stimmung, die im Kinde gerade in den ersten Jahren vorhanden ist und bis zum Zahn­wechsel hin allmählich ganz abglimmt, diese Stimmung, die dann nicht mehr vorhanden ist, wenn das selbstverständliche Autoritäts­gefühl mit dem Zahnwechsel eintritt – sie taucht für den einsich­tigen Lehrer in einer merkwürdigen Weise später wiederum auL

Het kind is helemaal gericht op de buitenwereld; het verliest zich erin. Zoals het oog zich verliest in de uiterlijke wereld van de kleuren en het licht, zo verliest het kind zich in de buitenwereld. Langzaam wordt het innerlijk wakker. Vanuit nog helemaal in de buitenwereld levende en bewegende droombeelden duiken geleidelijk de bepaalde voorstellingen op. In waarheid is dit de vrome stemming, de religieuze stemming. midden in de zintuigwereld. Ook al is het kind overwegend nog zo’n grote druktemaker: wat zijn verhouding tot de buitenwereld betreft, in z’n overgave aan de zintuigwereld heeft het kind een religieuze stemming. Het wil helemaal zijn wat het in zijn omgeving ziet. Het is nog geen religie waarin het kind zich bevindt. Maar deze stemming die het kind juist in deze eerste jaren heeft en die tot de tandenwisseling langzamerhand afneemt, deze stemming die er dan niet meer is wanneer het vanzelfsprekende autoriteitsgevoel ontstaat met de tandenwisseling, duikt voor de leerkracht die inzicht heeft, op een bijzondere manier later weer op.
GA 297A/141-153

Blz. 166   6e voordracht, Praag 04-04-1924

( ) Anthroposophie betrachtet nicht einseitig das Leibliche, wie es in der naturwis­senschaftlichen Weltanschauung geschieht. Sie erhebt sich zu einem geistigen Schauen und blickt dadurch in jedem Lebensalter des Menschen auf die Art, wie der Geist am Leibe des Menschen schafft und wie die Seele im Leibe lebt.
Vor solcher Anschauung treten deutlich unterschiedliche Epo­chen im heranwachsenden Menschen auf.Eine erste Epoche läuft von der Geburt bis zum Zahnwechsel, um das siebente Lebensjahr herum. Das Heraustreten der zweiten Zähne ist nicht bloß ein lokalisierter Prozeß im Organismus des Menschen. Es geht, wenn die ersten Zähne ausfallen und die zweiten erscheinen, im ganzen Organismus etwas vor sich. Die Entwicklung ist bis dahin so, daß das Geistig-Seelische an der Leibesbildung intensiv mit-arbeitet. Leib, Seele und Geist sind in dieser Zeit der menschlichen Entwicklung noch im hohen Grade eine Einheit.

( ) Antroposofie kijkt niet eenzijdig naar het lichamelijke zoals dat gebeurt bij de natuurwetenschappelijke wereldbeschouwing. Ze werkt zich op tot een geestelijk schouwen en kijkt daardoor naar iedere levensfase van de mens, naar de manier waarop de geest aan het lichaam van de mens bouwt en hoe de ziel in het lichaam leeft.
Voor zo’n beschouwing zijn er duidelijk te onderscheiden fasen in de opgroeiende mens .
Een eerste fase loopt van de geboorte tot aan de tandenwisseling rond het zevende jaar. Het doorbreken van de vaste tanden is niet alleen een plaatselijk proces in het organisme van de mens. Er gebeurt in heel het organisme iets wanneer het melkgebit uitvalt en de blijvende tanden verschijnen.
De ontwikkeling gaat tot dan zo dat het geestelijk-psychische intensief meewerkt aan de vorming van het lichaam. Lichaam, ziel en geest zijn in deze tijd van de menselijke ontwikkeling nog in hoge mate een eenheid.

Blz. 167

Der ganze Mensch ist deshalb wie ein umfassendes Sinnesorgan. Was später nur in der Sinnesorganisation konzentriert ist, das wirkt in dieser Zeit noch im ganzen Menschen. Dieser ist deshalb wie ein Sinnesorgan ganz an das Tun und Treiben der Umgebung hingege­ben. Er ist im ausgesprochenen Sinne ein nachahmendes Wesen. Sein Wille wirkt wie im Reflex auf alles, was in der Umgebung vorgeht. Man kann deshalb in diesem Lebensalter nur erziehen, indem man als Erziehender sich so verhält, daß das Kind alles, was man tut, nachahmen kann. Dies muß im umfassendsten Sinne genom­men werden. Zwischen dem Kinde und seinem Erzieher wirken Imponderabilien. Das Kind hat Eindrücke nicht nur von dem, was es in seiner Umgebung mit den äußeren Sinnen wahrnimmt, son­dern

Vandaar dat de hele mens een omvattend zintuigorgaan is. Wat later alleen maar geconcentreerd is in de zintuigen, werkt in deze tijd nog in heel de mens door. Vandaar dat hij als een zintuigorgaan overgeleverd is aan het reilen en zeilen van de omgeving. Hij is in de meest uitgesproken betekenis een nabootsend wezen. Zijn wil werkt als een reflex op alles wat er in zijn omgeving gebeurt. Vandaar dat je in deze leeftijdsfase alleen kan opvoeden wanneer je je als opvoeder zo gedraagt dat het kind alles wat je doet, kan nabootsen. Dat moet heel omvattend worden opgevat. Tussen het kind en zijn opvoeder zijn werken onweeegbare zaken. Het kind krijgt niet alleen indrukken van wat het in zijn omgeving met de uiterlijke zintuigen ziet, maar het neemt ook uit het gedrag van de andere mensen hun stemming waar, hun karakter, hun goede en slechte wil. Daarom zou je als opvoeder in de omgeving van het kind tot in je gedachten en je gevoelens toe jer moeten beijveren voor het zuivere in het leven, zodat het kind zo kan worden zoals je zelf bent.

Opm. fotograaf: Papa en z’n jongens zijn naar de eendjes aan het kijken, papa deed z’n handen achter z’n rug, vervolgens onze oudste ook, en daarna onze jongste 😍kon er snel een foto van maken!

‘Hij is in de meest uitgesproken betekenis een nabootsend wezen. Zijn wil werkt als een reflex op alles wat er in zijn omgeving gebeurt.’

es empfindet aus dem Verhalten der anderen Menschen deren Gesinnung, deren Charakter, deren guten und bösen Willen. Man sollte daher als Erzieher in der Umgebung des Kindes bis in die Gedanken und Empfindungen hinein sich der Reinheit des Lebens befleißigen, so daß das Kind so werden kann, wie man selber ist.
Aber man sollte sich auch bewußt sein, daß man durch sein Ver­halten nicht bloß auf die Seele, sondern auch auf den Leib wirkt. Was das Kind aufnimmt und reflexartig in seinen Willen über-strömen läßt, vibriert in der Organisation seines Leibes weiter. Ein jähzorniger Erzieher bewirkt am Kinde, daß dessen Leibes-organisation gewissermaßen spröde wird, so daß sie im späteren Lebensalter leicht zu der Beeinflussung durch krankmachende Einflüsse neigt. Wie man nach dieser Richtung erzieht, das wird im späteren Leben in der gesundheitlichen Verfassung des Menschen zutage treten. Die anthroposophische Erziehungskunst sieht auf das Geistig-Seelische in der Erziehung nicht, weil sie einseitig bloß dieses zur Entwicklung bringen möchte, sondern weil sie weiß, daß sie das Körperliche nur richtig entwickeln kann, wenn sie das Geistige, das am Körper schafft, in der rechten Art entwickelt.

Maar je moet ook weten dat je door je gedrag niet alleen op de ziel, maar ook op het lichamelijke werkt. Wat het kind in zich opneemt en reflexmatig in zijn wil laat stromen, werkt in de organisatie van zijn lichaam door. Een opvliegende opvoeder bewerkt in het kind dat zijn lichaamsorganisatie in zekere zin droog wordt, zodat het op latere leeftijd eerder neigt naar ziekmakende invloeden. Hoe je in deze richting opvoedt, zal in het latere leven in de gezondheidstoestand van de mens aan het licht komen.
De antroposofische opvoedkunst kijkt niet naar geest en ziel in de opvoeding omdat ze die eenzijdig tot ontwikkeling zou willen brengen, maar omdat zij weet dat het lichamelijke alleen goed ontwikkeld kan worden wanneer zij het geestelijke dat aan het lichaam werkt, op een goede manier ontwikkelt. 
GA 297A/166-167

Korte opmerkingen op blz. 196/197 in de pdf-uitgave:

Das Kind ahmt nach d.h. es gestaltet sich nach dem, was es sieht.

Het kind bootst na. d.w.z. het vormt zich naar wat het ziet.

Das nachahmende Kind = aus der Hingabe heraus / unbewusst religiös = / sich selbst machen zu dem, / was man wahrnimmt – /

Het nabootsende kind – uit overgave/ onbewust religieus -/zich zelf vormen tot wat je waarneemt.

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Over de werking van de omgeving op een kind: zie het ‘hersenvoorbeeld‘ in dit artikel.

Rudolf Steiner over spel

Over de werking van tv op kleine kinderenopvoedingsvragen onder nr. 19  m.n. [19-10]
.
Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2132

 

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 9 (9-1-1/7)

  1. Weer erg treffend en leuk deze foto.

    • Ja, en nu ik er zo mee bezig ben, valt het me op hoe makkelijk onder iedere foto een stukje tekst van Steiner te plakken is, m.a.w. in die foto’s zie je simpelweg terug wat hij beweert.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.