Maandelijks archief: oktober 2015

VRIJESCHOOL – 1e klas – impressie (2)

 

Een heel oud artikel – de 1e vrijeschool in Nederland bestond nog geen 10 jaar.

IETS UIT HET ONDERWIJS VAN DE EERSTE KLAS. –
Een der eerste eischen van Rudolf Steiner aan leeraar en onderwijzer is, dat de leerstof niet als een opeenstapeling van kennis aan het kind gegeven wordt, maar eerst door den opvoeder zelf innerlijk verwerkt wordt en pas dan, als die in hem den  vorm van een organisch geheel heeft gekregen, aan het kind wordt gebracht.
Dr. Steiner wil, dat dit organisch geheel op het geheele organisme der kinderziel werkt. Bereikt men dit in zekere mate in een les of periode, dan kan dat machtig harmoniseerend op de kinderen inwerken, zoodat denken, voelen en willen er door geactiveerd worden.
Om dit aan een paar voorbeelden uit de eerste klas duidelijk te maken, mag hier misschien iets verteld worden van een periode, waarin iets kon invloeien, hoe onvolmaakt ook, van de scheppende krachten van den opvoeder en die daardoor de kinderen intensief kon aangrijpen.
Het was de week vóór de Kerstvacantie. Gedurende de voorafgaande weken had het periode-onderwijs zich gegroepeerd om een der allermooiste sprookjes: Van de groene Slang en de schoone Lelie van Goethe. Het was verteld en naverteld, gespeeld, geschilderd en geteekend. En — van de sprookjesbeelden uitgaande — waren voor de kinderen letterbeelden ontstaan: de W van het water, de S van de slang, de R van den reus, de K van den koning, en zoo verder.
De laatste week vóór de Kerstvacantie was nu aangebroken en het onderwijs verlangde een afsluiting en bekroning.
Wat moest het zijn?
„De eerste woorden” was het antwoord, dat in mij opkwam. Een plechtig, ja bijna heilig oogenblik moest dat voor de kinderen zijn!
Uit dit gevoel en den inhoud der laatste periode kwam nu de idee.
De drie koningen van het Goethe-sprookje, zij veranderden in de drie koningen, die aan den hemel geschreven zagen in sterrewoorden de geboorte van het Christuskind. Nu kon ik voor de kinderen een driekoningengedicht maken en een groote teekening, waarin de eerste woorden als sterrebeelden aan den hemel straalden. In ’t refrein van het gedicht werd steeds aangesproken de stralende ster der koningen. De teekening was als volgt. Een groote vijfhoekige ster omstraalt een machtige gestalte: Maria met ’t kind in de armen. Rechts van haar, kleiner, Jozef op zijn staf geleund, links de drie koningen met hun gaven, aanbiddend en offerend. De ster straalt in het midden van een sterrenmelkweg, die het geheel in een zachten boog overwelft. In dezen weg nu verschijnen de eerste woorden: STRAAL STERRE.

’t Was een wonder, wat sommige kinderen van deze moeilijke teekening, tevens schrijfopgave, terecht brachten.

Langen tijd daarna heb ik den eerbied van de kinderen voor ’t schrijven moeten beschouwen als ten deele voortkomend uit een begin, dat hun den ernst er van deed beleven.

Zooals men bij het schrijven tot beeldend onderwijs komt, zoo brengt een vak als rekenen ons in de sfeer van het muzikale.

Rhythme neemt hier een centrale plaats in.

Maar ook andere elementen der muziek kan men bij het rekenen afgespiegeld vinden. Evenmin als de muziek, kan goed rekenonderwijs buiten gevoelsspanningen. Gemeenschapvormend werkt de muziek, gemeenschapvormend moet ook het rekenonderwijs zijn, niet individualiseerend.

Verder wordt de eisch, om bij het onderwijs aan de kinderen een geheel te brengen, ook bij het rekenonderwijs doorgevoerd. Niet met het optellen — ’t gebruikelijke uitgangspunt — kunnen we hier dan ook beginnen, ’t Verdeelen moet het primaire zijn.

Een voorbeeld moge dit toelichten.

We zijn met onze klas in de eurhythmiezaal, staan in een kring. „Met z’n hoevelen zijn we?” Samen tellen we af. De kinderen moeten zich nu verdeelen over de vier hoeken, maar gelijkelijk verdeelen! ’t Is wonderlijk te zien, hoe de kinderen, die bijna alleen nog maar tellen kunnen, nog haast geen sommen maakten, dit kunnen vinden. Nu de eene helft naar den raam-, de andere naar den muurkant. Dit is al veel moeilijken Geen kind kan ’t alleen goed doen. Als één ’t niet kan, doet de heele klas ’t fout. Knap en dom bestaat nu niet. Ieder raakt in vuur en moet op ieder letten.

Een tweede voorbeeld!

Nadat we een tijdje gerekend hebben, maar nog volstrekt niet alle moeilijkheden van optellen en aftrekken b.v. onder de knie hebben, gaan we plotseling met „reusachtige” getallen rekenen. De kinderen vertoonen daar een ontzaglijk verlangen naar.

Ik zet ze in groepjes van vijf bij elkaar, zonder schoenen en kousen. Nu kunnen ze samen wel met 100 vingers en teenen rekenen! „Steekt 87 vingers en teenen op!” ’t Is, of vonken van enthousiasme in ’t rond spatten! „Nu wil ik er maar 76 zien!” „Nu 70!” „Nu 90!” „Nu 63!” Ze kunnen het door het heilige vuur, dat hun wangen dan ook rood kleurt.

In iedere les moet zoo ’t geheele zielewezen van ’t kind gegrepen worden. Dan stroomt gezondheid en levenslust door de klas en wordt het bewustzijn langzaam en natuurlijk gewekt.

J. GERRETSEN, vrijeschool Den Haag in ‘Ostara’ 3e jrg.5/6, okt.1930

1e klas: alle artikelen

888

 

 

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – Sint-Maarten (22)

ZAL ONS LICHTJE BLIJVEN BRANDEN?

Ook dit jaar* zullen op 11 november de knollen weer uitgehold worden. We halen er het vruchtvlees uit, dat gerijpt werd door de zomerzon en plaatsen er ons lichtje in, ons eigen zielenlicht. Dit ritueel heeft zoveel waarde als je beseft hoe wezenlijk dit lichtje is.

Als de kinderen in de optocht door de straten lopen, merken ze hoe moeilijk het kan zijn om je lichtje brandende te houden. Vaak waait het, soms regent het, soms ook loop je te hard. Het beste is om dicht bij elkaar te lopen om licht en warmte bij ons te kunnen houden.

Om ons heen zien we de afstervende natuur. Voor veel men­sen is dit niet de makkelijkste tijd van het jaar. Een tijd die er vaak donker, somber, mistig en troosteloos uit kan zien. Velen kennen rond deze tijd het gevoel van: “Mijn licht gaat uit”. We moeten dan zoeken naar het licht, want dat licht dat is er, als we maar goed kijken. Het leven kent ook zijn schaduwkan­ten, maar waar schaduw is, is ook licht. Wij moeten ons lichtje in de gaten houden, het inwendige licht van ons zielenleven dat wij allemaal in ons dragen. Soms is het onzichtbaar door alles wat er van buitenaf in ons komt. Het licht in ons moet blijven branden, daar moeten wij voor waken, zodat het kan gaan stralen en wij anderen kunnen verlichten en verwarmen. 11 November is de dag van St-Maarten. Toen St.-Maarten, toen nog Martinus, als jonge soldaat van 16 jaar aan de stadspoort van Amiëns kwam, zag hij daar een bijna naakte bedelaar. Martinus was te paard en droeg een rode mantel. Toen Marti­nus de man zag, die bijna bevroor van de kou, pakte hij zijn zwaard en sneed de mantel in tweeën. Een deel gaf hij aan de bedelaar en het andere deel was voor hemzelf. Die nacht zag Martinus in zijn droom Christus. Christus was de bedelaar die hij met een deel van zijn mantel omhuld had. De herfstheiligen leiden ons door de tijd naar Kerstmis. Met het zwaard houdt St.-Michaël de draak in toom. Met de kracht die daarbij vrijkomt kunnen wij aan het werk gaan. Met het zwaard snijdt St.-Maarten zijn krijgsmantel in tweeën. De tijd wordt hier gesplitst. De ene helft is het verleden om ons mee te verwarmen, de andere helft is voor ons hoger ik, voor de toekomst en voor onze naasten. Het zwaard is het heden, het ogenblik waarin wij zelf altijd weer moeten handelen. Wij hebben onze tekortkomingen, maar ook veel goeds in ons. Wij kunnen anderen zoveel geven. De kracht komt van binnenuit, uit de ziel en met die zielenkracht kunnen wij op onze beurt de ander helpen.

Hier (in mij) woont een rijk man
die mij hewel veel geven kan
Lang zal hij (in mij) leven
veel zal hij geven
Zalig zal hij sterven
de hemel zal hij erven
God zal hem lonen
met honderd duizend kronen
met honderd duizend lichten! aan
hier komt Sinte Maarten aan.

Het is ook de tijd dat wij naar binnen trekken. Het is het laat­ste feest, dat we nog even buiten zijn. Zo is dat ook met ons­zelf. We moeten van deze tijd gebruik maken om ook bij ons­zelf naar binnen te gaan. Dat is niet altijd zo gemakkelijk, want je komt jezelf tegen en je ziet ook je tekortkomingen. Maar het is de enige manier om aan jezelf te kunnen werken. Dan komt St-Nicolaas als derde herfstheilige bij ons aan. “St.- Nicolaas wil helpen een beter mens te zijn, opdat het kerstlicht strale in onze harten rein”. Het sinterklaasfeest staat eigenlijk bol van symbolen. De Sint die over de daken rijdt is de verbin­ding tussen hemel en aarde. Zijn baard is de wijsheid en zijn ouderdom het eind van het jaar. Hij komt met zijn knecht, die ons nog eens op onze tekortkomingen wijst. Zoals wij dat doen met onze surpises. Dan de geschenken in de schoen, de schoen het symbool van onze levensweg. En zo zijn er nog veel meer op te noemen. De Sint leert ons blij te zijn met dat­gene dat je geschonken wordt om dan op jouw beurt te leren een ander iets te schenken. Het is dus niet alleen maar een kinderfeest, het heeft ons veel meer te zeggen. Dit feest staat aan het begin van de advent. Een tijd van stilte. De stilte waar­aan we ons meer zouden moeten overgeven. Het zijn de laat­ste weken van voorbereiding op het Kerstfeest.

Stil nu, stil nu,
maak nu geen gerucht.
Stil nu, stil nu,
het ruist al door de lucht.
Het wonder komt heel zachtjes aan,
’t kerstkind wil naar binnen gaan.

Het feest van de geboorte van Christus, de geboorte van het ­licht dat wij ieder jaar weer mogen ontvangen, zijn licht. Wij staan nu nog voor het feest van Sint-Maarten. We maken ons klaar om de weg verder te gaan, de weg die we na de zomer met St.-Michaël zijn begonnen. Zal ons lichtje blijven branden? Om mijn lichtje brandende te houden en te laten stralen, zodat het kan verlichten daar waar het op dat moment het hardst nodig is, kies ik er voor om wat langzamer te gaan lopen.

Een goede herfsttijd wens ik U allen toe.

(José Berlage-Veldhuizen, schoolkrant Vrijeschool Brabant, okt.*1996)

St.-Maarten: alle artikelen

887

VRIJESCHOOL Vertelstof – biografieën – Senefelder

 Alois Senefelder

Uitvinder der steendrukkunst

Meer dan drie eeuwen na het uitvinden van de boekdrukkunst, om precies te zijn in het jaar 1771, werd Alois Senefelder geboren. Zijn vader was toneelspeler en bevond zich op dat ogenblik met zijn vrouw te Praag om daar een gastvoorstelling te geven. Toen Alois groter werd en ook toneelspeler wilde worden, maakte zijn vader er bezwaar tegen dat zijn zoon op de planken kwam. Hij had een heel andere loopbaan voor hem gedacht en stuurde hem naar de universiteit om rechten te studeren. De vader van Alois stierf echter al op jeugdige leeftijd, het gezin bleef onverzorgd achter. Alois moest zijn studie opgeven, doch hij ging niet bij de pakken neerzitten en probeerde op allerlei manieren geld te verdienen. Eerst zocht hij een kantoorbetrekking, toen hij hierin niet slaagde ging hij proeven nemen met verfstoffen, maar ook dit leverde niets op; daarop zocht hij zijn heil als dichter en schrijver. Dit laatste is de aanleiding geweest tot zijn latere zo belangrijke uitvindingen.

Zijn tweede grote werk, het ridderspel Mathilde von Altenstein, maakte hij naar de zin van de uitgever niet snel genoeg af, er ontstond daarop onenigheid, waarna Senefelder het eigenlijk maar zelf wilde uitgeven. Daar hij echter over weinig of geen geldmiddelen beschikte, kwam hij op het idee het werk zelf te drukken. Maar er was ook geen geld genoeg voor het kopen van letters en andere drukkersbenodigdheden. Hij wilde het drukken toen anders proberen, door de letters in staal uit te houwen en de plaat dan in perenhout in te slaan, waarbij de letters verhoogd achterblijven. Het geheel kon dan als houtgravure afgedrukt worden. Ook probeerde hij de letters in spiegelbeeld op een met etsgrond overtrokken koperplaat te schrijven en ze daarna met salpeterzuur in te etsen, om vervolgens de plaat bij een koperdrukker te laten afdrukken. Dit lukte, maar hij had maar één koperplaat ter beschikking en moest deze na gebruik afslijpen en polijsten, wat veel tijd kostte, terwijl de plaat steeds dunner werd. Hij nam daarop een zogenaamde keltheimertegel, die voor schrijfoefeningen gebruikt werd en ging zich hierop oefenen in het schrijven. Op een keer was hij bezig te oefenen en moest gauw een waslijstje schrijven, de wasvrouw stond al te wachten, en daar hij geen papier bij de hand had, schreef hij op de tegel met een inktsoort, samengesteld uit was, zeep en zwartsel. Toen hij de plaat later schoon wilde maken, kreeg hij de idee om hem eerst te bewerken met salpeterzuur en ziet, de geschreven letters waren iets hoger op de plaat blijven staan. Door daarop de plaat in te zwarten kon hij er afdrukken van maken. Een zekere professor Schmid had ditzelfde al tien jaar eerder uitgevoerd, Senefelder was hiervan niet op de hoogte en later is tussen Senefelder en Schmid over deze kwestie een grote strijd ontstaan, wie nu eigenlijk de uitvinder was.

De legende vertelt dat Senefelder op zijn uitvinding gekomen is, door iets af te drukken op een slijpsteen, tijdens zijn werk als toneelmeester bij het hoftoneel te München. Dit moet echter maar een sprookje zijn, daar Senefelder deze functie nooit vervuld heeft. In een leerboek, dat later van zijn eigen hand verschenen is, schrijft hij wel het verhaal van het wasbriefje, zodat wij kunnen aannemen dat dit inderdaad de aanleiding tot zijn uitvinding geweest is.

Met de verkregen resultaten was Senefelder niet tevreden, hij deed steeds nieuwe proeven, had wel succes, maar het gevolg was dat hij op het laatst geen geld meer ter beschikking had, om zijn experimenten voort te zetten. Toen hij nu probeerde geld te krijgen, werd hem een aanbod gedaan om voor tweehonderd gulden de plaats in te nemen van een loteling. Hier ging hij grif op in, en tijdens zijn militaire dienst zag hij een oud gezangboek, waarin de muzieknoten zeer slecht waren afgedrukt; dit bracht hem op het idee dat hij met zijn methode veel beter muziek zou kunnen drukken. Na afloop van zijn dienstverband begon hij er dan ook mee en kwam hierdoor in contact met de hofmusicus genaamd Gleiszner. Samen stichtten zij de firma Gleiszner en Senefelder, die zich in het bijzonder toelegde op het drukken van muziekwerken, waaronder er verschillende waren van de hand van Gleiszner.

In 1796, het eigenlijke jaar van de uitvinding der lithografie of steendrukkunst, vond Senefelder een inktsoort uit die geschikt was om er mee op een steen te schrijven, tevens ontdekte hij toen de eigenlijke chemische steendrukmethode. Bij alle oude methoden van drukken komt de inkt hoofdzakelijk terecht op het verhoogde gedeelte der clichés en geven deze delen bij het afdrukken uitsluitend de inkt af. Bij de scheikundige methode is dit geheel anders, het is onverschillig of de tekening vlak of verhoogd is. Het komt er slechts op aan, dat op de af te drukken lijn zich zulk een materie bevindt waaraan de inkt kleeft, terwijl de rest van de figuur van zodanige substantie is dat de inkt daar juist niet aan vast houdt. Het verschil in het vastkleven der inkt bij het besmeren is dus geen verschijnsel ten gevolge van verschil in mechanische aanraking, maar zuiver een verschil in scheikundige geaardheid.

Senefelder die dit alles uitvond, was een veelzijdig genie en bezat een buitengewone arbeidskracht. Naast al deze uitvindingen heeft hij nog veel gedicht en gecomponeerd, terwijl hij vaak zijn eigen werk voordroeg. Ook schreef hij heel wat krantenpolemieken en toen hij eens in Londen was en daar hoorde dat de Engelse koning 33000 pond beschikbaar stelde voor de uitvinder van een bestuurbare luchtballon, sloot hij zich vier weken in een bibliotheek op om er een studie van te maken. Na afloop van die vier weken besloot hij er maar mee uit te scheiden en zich weer bezig te houden met zijn steendrukkunst. In 1834 stierf deze man, van wiens uitvindingen wij thans nog steeds profijt trekken. Ter zijner nagedachtenis werd te München zijn borstbeeld opgericht.

alle biografieën

886

VRIJESCHOOL – Waarschuwing: valse informatie op Wikipedia

 

VRIJESCHOOLONDERWIJS op Wikipedia

Wat zegt Wikipedia over zichzelf:

‘De artikelen in deze encyclopedie worden geacht een neutraal standpunt uit te dragen. Wikipedia is in principe door iedereen te bewerken. Dat is ook een van de redenen dat Wikipedia geen garantie voor de juistheid en evenwichtige kwaliteit van de informatie kan geven. Daarnaast is, door het open karakter van het project, de kans op vandalisme altijd aanwezig’.

Het artikel ‘vrijeschoolonderwijs’ is voor het grootste deel geschreven door dezelfde figuur die vanaf deze blog – zonder mijn toestemming – dus gestolen – vele artikelen op een eigen blog heeft geplaatst.

Over het betreffende artikel.

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (3-2)

Nebukadnezar

Ten tijde van de geboorte van Nebukadnezar was zijn vaderland Babylonië een provincie van het machtige Assyrische Rijk. Toen Nebukadnezar68 jaar later  overleed, was hij de heerser van een norm Babylonisch Rijk, dat niet alleen Assyrië, naar ook  de meeste voormalige provincies omvatte. Hij regeerde zijn enorme gebied vanuit het prachtige paleis met de ‘hangende tuinen’ in Babylon. Tot zijn horigen behoorden ook de ‘kinderen Israels’ die hij vanuit Judea had laten wegvoeren en die hij in Babylon in ballingschap hield.

Deze verbazingwekkende omwenteling werd teweeggebracht door Nebukadnezar en zijn vader Nabopolassar. Zijn vader was tijdens de Assyrische heerschappij gouverneur in het zuidelijk deel van Babylonië. Hij zag dat de macht van de Assyrië afnam en kwam in opstand. Hij bevrijdde heel Babylonië. Daarna sloot hij een bondgenootschap met de koning van de Meden. Samen trokken ze op tegen Assyrië en verwoestten de hoofdstad Nïneve. Nebukadnezar begon zijn militaire loopbaan aan de zijde van zijn vader.
Zijn grootste overwinning behaalde Nebukadnezar toen hij nog kroonprins was. Dit was in een zeeslag tegen de Egyptenaren in 605 v. Chr. bij Karkemisj aan de Eufraat. De Egyptenaren waren opgerukt door Syrië en Palestina. Ze bezetten de gebieden die door de vluchtende Assyriërs werden
verlaten, in een poging hun oude bondgenoten voor de beslissende nederlaag te behoeden. Maar zelfs de Egyptische legers waren niet in staat de Assyriers te redden. Ze werden door Nebukadnezar vernietigend verslagen en moesten naar Egypte vluchten. Daardoor kregen de Babyloniërs de kans het hele gebied te veroveren. Nebukadnezar achtervolgde de Egyptenaren helemaal tot aan de Egyptische grens. Toen ontving hij het bericht dat zijn vader was gestorven en dat hij terug moest naar Babylon om daar de troon te bestijgen.

In de jaren daarna leidde Nebukadnezar vele veldtochten naar Syrië en Palestina. Hij deed dit om zijn rijk veilig te stellen en uit te breiden en om de opstanden – die meestal door de Egyptenaren werden uitgelokt – te onderdrukken.

Judea was een van de lastigste van zijn vazalstaten. Deze Hebreeuwse staat in Palestina had Jeruzalem als hoofdstad. In 600 v. Chr. kwam Judea in opstand tegen de Babylonische overheersing. Dit kon gebeuren omdat Nebukadnezar in een slag tegen de Egyptenaren zware verliezen had geleden en naar Babylon was teruggekeerd om na te denken over een nieuwe strategie. In 598 v. Chr. keerde hij naar Palestina terug en een jaar later viel hij Judea binnen. Hij trok Jeruzalem binnen en nam de koning mee naar Babylon. In 588 kwam Judea wéér in opstand. Deze keer werd Jeruzalem door Nebukadnezar belegerd. De stad gaf zich in 586 over. Nebukadnezar liet de stad plunderen en verwoesten. Ook de tempel van Salomo werd met de grond gelijkgemaakt. De meeste van de inwoners werden naar Babylon weggevoerd, waar ze 60 jaar in gevangenschap doorbrachten.

De stad waar de Hebreeërs terechtkwamen, was in die tijd de mooiste van de wereld. Nebukadnezar besteedde aan het opbouwen van Babylon evenveel aandacht als aan het instandhouden van zijn rijk. Onder zijn leiding werden er rond de stad een brede gracht gegraven en twee hoge muren opgetrokken. Een processieweg, bestraat met kalksteen, kwam door de Ishtarpoort de stad binnen en liep langs het koninklijk paleis en langs alle belangrijke tempels naar de rivier de Eufraat. Vele van de poorten en muren waren bedekt met geglazuurde tegels, met afbeeldingen van dieren. Nebukadnezar liet zijn paleis rond een aantal open binnenplaatsen bouwen. Op grote delen van het dak werden terrassen met tuinen aangelegd. Deze ‘hangende tuinen’ werden later door Griekse reizigers ‘één van de zeven wonderen van de Oudheid’ genoemd.

Nebukadnezar verliet in 567 v. Chr. voor de laatste keer de pracht en de luxe van Babylon, om ten strijde te trekken tegen de Egyptenaren. Het is bekend, dat hij de Egyptenaren in de buurt van hun land bestreed. Over de afloop van de veldslag is echter niets bekend. Er zijn maar weinig verslagen  over de laatste jaren van zijn heerschappij. In het Oude Testament wordt verteld, dat hij in deze
jaren waanzinnig werd, maar men heeft daarvoor geen bewijzen gevonden. Men acht het waarschijnlijker dat hij tot zijn dood het uitgestrekte rijk nog steeds doeltreffend regeerde. Het rijk waarvoor Nebukadnezar zo hard had gevochten bleef na zijn dood niet lang bestaan. Zijn opvolgers waren te zwak om de groeiende macht van de Perzen in het oosten te weerstaan. Binner paar jaar was Babylon weer onderworpen aan vreemde heerschappij, toen als deel van het Perzisehe Rijk.

Assurbanipal 4

5e klas: alle artikelen

885

VRIJESCHOOL – 5e klas – geschiedenis (3-1)

assurbanipal

Assurbanipal was de belangrijkste van de vele heersers van Assyrië. Dat hij dit is geworden had hij vooral te danken aan de leermeesters van zijn jeud. Een van zijn leermeesters was een generaal die hem alles leerde over de wrede oorlogsmethodes waarmee zijn voorvaderen het Assyrische Rijk hadden opgebouwd. Dit behelsde  het omsingelen en belegeren van de vijand, het plunderen en verwoesten van overwonnen steden, het wegvoeren van totale bevolkingen om opstanden te voorkomen.

Tijdens zijn koningschap liet Assurbanipal in zijn hoofdstad Nineve vele tempels en paleizen bouwen. Hij stichtte de eerste grote bibliotheek van de wereld en vulde deze met systematisch gerangschikte tabletten waarop in spijkerschrift onderwerpen als wetenschap, taal en geschiedenis werden beschreven. Ook werden op deze manier de fabels en heldendichten van die tijd en uit het verleden vastgelegd. Veel van wat we tegenwoordig over de Oudheid w eten, komt uit deze bron.
Het Assyrische Rijk werd opgebouwd vanuit Asyrië zelf. Het lag in het noorden van Mesopotamië en het was de beschaving, die ontstond na die van Sumer en Akkad. Vanaf de dertiende eeuw v. Chr. groeide het rijk onder de regering van opeenvolgende koningen onder wie Ttgiatpiler I en III, Asurnasirpal II. Sjalmaser III
en V, Sargon, Sennacherib en Esarhaddon, de vader van Assurbanipal.

Esarhaddon veroverde Egypte. Het werd zijn laatste overwinning, want hij stierf kort na de beslissende veldslag. Assurbanipal werd tot koning gekroond. De afgezette Egyptische vorst putte daaruit moed en probeerde zijn troon te heroveren. Assurbanipal was daardoor gedwongen tegen Egypte ten strijde te trekken. Er waren twee veldtochten nodig om de orde te herstellen. Assurbanipal veroverde en plunderde de oude hoofdstad van Egypte, Memphis, en de nieuwe hoofdstad, Thebe.

Een veel grotere bedreiging voor zijn heerschappij kwam uit Babylonië, ten zuiden van Assyrië. De jongere broer van Assurbanipal, Sjamasj-sjoem- oekin, was daar de machthebber. De jongere broer regeerde 16 jaar onder toezicht van de regering in Nineve. Maar na verloop van tijd kwam Sjamasj-sjoem-oekin onder invloed van het nationalisme van de Babyloniërs en andere onderworpen volkeren, zoals de Arabieren en de Elamieten. In 652 v. Chr. kwam hij in opstand tegen de Assyrische heerschappij. Assurbanipal reageerde op de opstand, door Babylon te belegeren. Hij wachtte rustig totdat de inwoners waren uitgehongerd. Twee jaar nadat het beleg was begonnen, doodde Sjamasj-sjoem-oekin zichzelf door in de vlammen van zijn brandend paleis te springen. De stad hield het nog twee jaar vol voordat de inwoners zich overgaven. Assurbanipal liet Babylon plunderen, maar in plaats van de verwoesting te voltooien liet hij de stad herbouwen en benoemde een Babyloniër als plaatselijk heerser.
De bondgenoten van de Babyloniërs, de Arabieren en de Elamieten, weigerden hun verzet te staken en  vochten in hun eigen landen verder. Het kostte Assurbanipal weinig moeite de Arabieren te verlsaan. Maar met de Elamieten was dat minder eenvoudig. De oorlog tegen hen woedde negen jaar. In 639 v. Chr. werd eindelijk de Elamietische hoofdstad Susa door de Assyriërs ingenomen en gebrandschat.

Er is weinig bekend over de laatste 12 jaar van de regering van Assurbanipal. Het grootste deel van het rijk bleef intact en er heerste voorspoed. Het werd door de provinciale gouverneurs kundig geregeerd. Ze konden daarbij rekenen op de steun van de Assyrische garnizoenen. De koning koos waarschijnlijk, net als zijn vader, twee van zijn zoons als troonopvolgers. Maar de opvolgers van Assurbanipal waren niet in staat een oplossing te vinden voor de problemen die hij achterliet. De voortdurende veldslagen hadden vele mensenlevens geëist. Dit leidde ertoe dat latere koningen voor hun legers afhankelijk waren van buitenlandse soldaten.

De koninklijke schatkist was door het enorme bouwprogramma en het weelderige hofleven van Assurbanipal leeggeraakt. In 612 v. Chr. werd Nineve door de samenwerkende Babyloniërs en Meden ingenomen en geplunderd. De Assyriërs vochten verder, maar ze werden al snel verslagen. De meesten van hen, in het bijzonder de ambachtslieden, werden tot slaaf gemaakt.

Vrijwel alle volkeren uit de Oudheid hebben tot de tegenwoordige tijd hun stempel op de beschaving gedrukt. Dat is met de Assyriërs niet het geval. Ze zijn werkelijk volledig in andere culturen opgenomen. Er zijn slechts de ruïnes van de Assyrische steden en de grote bibliotheek, om ons te herinneren aan het eens zo machtige Assyrische Rijk en de laatste grote leider, Assurbanipal.

Assurbanipal 1Assurbanipal op leeuwenjacht. De jacht was een van de favoriete vrijetijdsbestedingen van de Assyrische adel. Deze illustratie is een deel van een Assyrisch reliëf.

Assurbanipal 2

 

De wederopbouw van Nineve is vastgelegd op dit spijkerschrift-kleitablet. Het tablet is gevormd als een achthoekig prisma en beschrijft de 15 poorten die naar de stad leidden en het plan voor de aanleg van een park. Assurbanipal was in zijn tijd een toonaangevend geleerde. Hij was degene, die opdracht had gegeven voor de bouw van de schitterende bibliotheek in Nineve. Dit kleitablet en vele andere met spijkerschrift beschreven tabletten werden hier opgeslagen. Ze behandelden vele onderwerpen. Assurbanipal herbouwde Assurbanipai herbouwde Nineve tot de mooiste stad van de Oudheid. Van het Assyrische rijk maakte hij een wereldmacht.

Assurbanipal 3

Een reconstructie van Nineve, de hoofdstad van Assurbanipal. Op de afbeelding staan de paleizen van Nimrod kort nadat ze werden voltooid. De paleizen stonden aan de oever van de rivier de Tigris. Men kan zich er slechts een voorstelling van maken hoeveel vakmanschap en inzet er nodig was om – met slechts de primitiefste werktuigen als hulpmiddel – deze indrukwekkende bouwwerken tot stand te brengen. Deze illustratie komt uit het boek De Monumenten van Nineve van Austin Layard.

5e klas: alle artikelen


884

VRIJESCHOOL – 1e klas – impressie

een kijkje in de eerste klas

De eerste weken in de eerste klas hebben de kinderen o.a. veel liedjes gezongen, ritmes geklapt en gestampt en zich kunnen inleven in de beeldenwereld van de sprookjes.

Hoe leid je nu de kinderen binnen in hun nieuwe rijk? Enkele voorbeelden mogen dit misschien een beetje verduidelijken;
“s Morgens (in de Michaëlstijd)  in het hoofdonderwijs zing ik meestal enkele liedjes met de kinderen bijvoorbeeld ’t Michaëlslied:

‘Michaël, sterrenheld, kom ons te hulp hier op aarde;
Michaël, overwin de draak, de ddraak die ons steeds wil belagen,
Michaël, sta ons bij!’

Samen met de kinderen gaan we het nieuwe lied direct 1 of 2 keer zingen, daarna 1 à 2 keer de woorden langzaam en duidelijk uitsprken, waarna we het gezamenlijk nogmaals zingen. Hierna zingt een gedeelte van de klas (bv. alle meisjes, een bepaalde rij enz.) en luistert de rest van de klas (en uiteraard omgekeerd) Tenslotte wordt het lied opnieuw door de hele klas 1 of 2 keer gezongen. Het- zingen herhaalt zich op deze wijze enige dagen achtereen.

Het lopen van bepaalds ritmes (oriëntatie en beleven van en in de ruimte) begint met eenvoudige oefeningen. In de herfsttijd maak je enkele korte 3 tot 4-regelige gedichtjes als b.v.

Alle blaadjes dwarr‘len in het rond;
zie, daar liggen ze op de grond.n

Dit versje ga ik hooguit éénmaal zeggen met de kinderen; (ieder kind op zijn plaats), hierna gaan we meteen het ritme lopen in de kring. Dit gaat als volgt:
Alle in het gedichtje onderstreepte  woorden of woorddelen worden (aanvankelijk door mij, later door de kinderen) bij ‘t uitspraken beklemtoond en terwijl het kind deze woorden (woorddelen) spreekt, doet het tegelijkertijd een stop voorwaarts; na het woord ‘rond’ volgt een korte rust (bv. 2 tellen) waarna op de bovenstaande manier de rest van het gedichtje wordt gedaan. Na ‘grond!’ rapen de kinderen -als het ware- zoveel mogelijk blaadjes van de aarde, gooien ze in de lucht en laten ze dwarrelen -maken dwarrelende bewegingen. Hierna wordt het gedichtje herhaald. Soms wordt het door één jongen of één meisje apart gedaan, daarna weer door de hele klas.

Als de kinderen naar een verhaal geluisterd hebben, bv. over ‘De Bijenkoningin’,  leren ze vanuit dat verhaal een rijmpje of versje en/of liedje; zo’n rijmpje kan dan bijvoorbeeld zijn:

“De prins beschermt de bijen tegen het vuur,
de bijen helpen hem van uur tot uur’.

Het rijmpje wordt vele keren voorgesproken, waarna het door de kinderen wordt n1a-gesproken.
Dit gebeurt, opdat de kinderen zich het verhaal over de bijen kunnen herinneren, wanneer erop teruggekomen wordt in een latere taalperiode, waarbij dan tevens de ‘bijenletter’ tevoorschijn komt.

(1978, nadere gegevens ontbreken)

1e klas: alle artikelen

883