Tagarchief: zwaartekracht

VRIJESCHOOL – 8e klas – natuurkunde (1-3)

.
Thor Michael Keller, Erziehungskunst jrg.33 1969

.

De wereld en de mens begrijpen

.
Uit een natuurkundeperiode voor de achtste klas

Het is een opgave van ons cultuurtijdperk om de uiterlijke indrukken die mensen opdoen zodanig te verwerken, dat niet alleen technische processen worden begrepen, maar ook de daaraan ten grondslag liggende geestelijke werkelijkheid zichtbaar wordt.
Juist het natuurkundeonderwijs biedt hiervoor unieke mogelijkheden. [1]
Aan de hand van een eenvoudig voorbeeld uit een les voor de achtste klas illustreert deze tekst een poging om kinderen enerzijds te begeleiden naar een steeds beter inzicht in onze hedendaagse leefomgeving, en anderzijds naar een dieper begrip van de mens.

Nadat eerst akoestiek, optica en elektriciteitsleer – het trillingsgedrag van klinkende lichamen en lucht, de constructie van telescopen en de fundamentele verschijnselen van elektriciteit en hun toepassingen in elektrische apparaten (zoals het thermisch effect van elektriciteit, elektromagnetisme, elektromotoren, dynamo’s, transformatoren en de drie belangrijkste elektrische eenheden: volt, ampère en watt), behandeld zijn, is het raadzaam de hydromechanica, voortbouwend op de mechanica die in de zevende klas aan de orde te stellen.
“Wat is zwaar als het leeg is en licht als het vol is?” Dit paradoxale raadsel – waarvan het antwoord iedereen bijna dagelijks in het eigen leven en de omgeving tegenkomt – dient als een uitstekende inleiding op dit deel van de natuurkunde. We beginnen met de fascinerende experimenten van Hermann von Baravalle [2] over wat we gezamenlijk de “vormgevende kracht van het water” zouden kunnen noemen. Eerst draaien we een waterkraan langzaam open en vervolgens weer dicht, waarbij we observeren hoe het water naar buiten stroomt – aanvankelijk druppel voor druppel, daarna in een straal die geleidelijk sterker wordt – en hoe dezelfde verschijnselen in omgekeerde volgorde optreden wanneer de kraan wordt gesloten.
Vervolgens brengen we waterdruppels aan op zowel een ingevet als een niet-ingevet horlogeglas, waarbij we opmerken dat de druppel op het ingevette glas een vorm aanneemt die veel meer op een perfecte bol lijkt dan die op het niet-ingevette glas. Daarna laten we de kinderen waarnemen hoe het wateroppervlak naar beneden buigt tegen de ingevette wanden van een bekerglas. Tot slot dopen we een droge aquarelkwast in het water en observeren we hoe de haren, bij het eruit halen, een veel compactere en samenhangendere vorm aannemen dan daarvoor. We laten een scheermesje op het water drijven en herinneren ons dat bij een schip dat naar zee vaart, de romp als eerste en de mast als laatste uit het zicht verdwijnt; omgekeerd verschijnt bij een naderend schip eerst de top van de mast boven de horizon, gevolgd door de romp. Deze reeks experimenten wordt afgesloten met een demonstratie van communicerende vaten, waarbij het water altijd op hetzelfde niveau blijft staan, zelfs wanneer we een van de buizen omhoog of omlaag bewegen.

Al deze experimenten tonen aan dat water – wanneer dat mogelijk is, oftewel wanneer de omgeving de noodzakelijke voorwaarden biedt of schept – de neiging heeft een bol te vormen; de meest volmaakte van alle geometrische vormen. Alle oceanen ter wereld vormen samen de grootste bol, terwijl een enkele waterdruppel de kleinste vormt. Water streeft ernaar zijn vorm te behouden; daarom zinkt een scheermesje er niet in weg. Zelfs bij communicerende vaten neigt water er altijd toe een bolvorm aan te nemen. [3]
Door de werking van communicerende vaten met leerlingen uit de achtste klas te bespreken, krijgen zij inzicht in een belangrijk aspect van onze moderne technologische omgeving. Ze gaan begrijpen waarom er zelfs op de vijfde verdieping water uit de kraan komt, of wat een gemeente moet doen om ervoor te zorgen dat elk gezin voldoende van zijn “dagelijkse water” ontvangt. Fonteinen en artesische putten werken volgens ditzelfde principe. Het principe geldt ook voor de S-vormige sifon in afvoersystemen, die dient als afsluiting tegen rioolgeuren. Tot slot kan men denken aan koffiepotten en de peilglazen op boilers.

Het volgende hoofdstuk over hydromechanica behandelt soortelijk gewicht en waterdruk. We bepalen het soortelijk gewicht van verschillende stoffen met behulp van bekende methoden en kunnen ons afvragen hoeveel kubieke meter zand, ijzer, lood of zelfs goud een goederenwagon van 20 ton zou kunnen vervoeren. De klas is verbaasd te ontdekken dat zo’n wagon nog geen kubieke meter goud kan dragen. Het edelmetaal wordt zo als fysiek zwaar ervaren – een tastbare realiteit – nadat de kinderen al hebben geleerd over de waarde ervan (die door mensen willekeurig is vastgesteld) en de gevolgen daarvan (zoals de geschiedenis van de ontdekking van Amerika). In deze context demonstreerde ik de kinderen de hydrostatische paradox: de druk die een vloeistof op de bodem van een vat uitoefent, hangt niet af van de totale hoeveelheid vloeistof, maar uitsluitend van de hoogte van de vloeistofkolom die boven een vierkante centimeter van de bodem staat. Voor het ongeoefende oog wekt een ondiepe schaal met veel water de illusie van een hogere druk dan een smalle buis met heel weinig water. Na het bevestigen van buizen met verschillende breedtes – het is het beste om te beginnen met een buis van gemiddelde breedte – vraagt ​​men de kinderen te raden hoeveel water erin gegoten moet worden om dezelfde druk te bereiken.
Het is zeer waardevol voor kinderen om te ervaren hoe hun gedachten en ideeën door feiten worden bijgestuurd. Juist op deze leeftijd – gekenmerkt door ontwakende denkvermogens, het opkomen van een sterk zelfbewustzijn en een streven naar vrijheid en zelfstandigheid – moet elke kans worden aangegrepen om het eigen, nog sterk subjectieve denken te corrigeren. Bovendien hangt iemands vermogen tot liefhebben of intellectueel potentieel niet af van het aantal gelezen boeken of gevolgde semesters, maar van wat men doet met wat men heeft gehoord, gezien en ervaren: hoe men dit verwerkt en met anderen deelt. Een klassengesprek kan leiden tot vergelijkingen tussen de intensiteit van iemands aard en de hoogte van een waterkolom.
Bijna iedereen heeft wel eens geprobeerd een gieter te vullen in een bak water. Hoe moeilijk is het om de lege gieter verticaal onder water te duwen; hoe gemakkelijk is het om hem op te tillen terwijl hij ondergedompeld is; en hoe zwaarder hij wordt naarmate hij verder uit het water wordt getild. Door dergelijke handelingen ervaren kinderen de wet van Archimedes, zoals beschreven door Hermann Bauer. [4] Deze ervaringen worden vervolgens vertaald naar de bekende experimenten die dienen om het principe te begrijpen en te formuleren.
Toch mag in dit stadium de wiskundige berekening niet achterwege blijven. Juist het wiskundige aspect van een dergelijke wet biedt de nodige zekerheid bij het begrijpen ervan. Nu kunnen kinderen ook berekenen waarom een ​​schip – gebouwd van ijzer en beladen met zware vracht – blijft drijven in plaats van te zinken.
We willen het laatste hoofdstuk van onze lesreeks over hydromechanica de titel “Over de opwaartse kracht” meegeven. Enkele leerlingen gaan zijdelings tegen een muur staan ​​en drukken gedurende twee minuten de achterkant van hun afhangende arm stevig tegen de muur, alsof ze proberen deze weg te duwen. [5] Vervolgens stappen ze van de muur weg en stijgt de arm spontaan op tot een horizontale stand. Als men de arm laat zakken, stijgt deze opnieuw. Dit gaat gepaard met het gevoel van een sterke luchtstroom tegen de handpalm. Een dergelijke directe ervaring – zeker een die zo verbazingwekkend is – opent de harten en geesten van de leerlingen voor de daaropvolgende experimenten en de bespreking ervan.
In tegenstelling tot vaten met ingevette wanden staat het water hoger tegen de wanden van niet-ingevette glazen. Dit verschijnsel wordt duidelijker wanneer twee glasplaten onder een scherpe hoek in water worden geplaatst (kleur het water). Hoe dichter de platen bij elkaar staan, des te hoger stijgt het water; het vormt een kromme.
Als de wanden aan alle kanten gesloten zijn en zo een zeer smalle (capillaire) buis vormen, stijgt het water nog hoger boven het algemene waterniveau uit. [6] Hetzelfde effect wordt waargenomen wanneer voorwerpen met fijne spleten en poriën (krijt, spons, vloeipapier, textiel) in water worden gehouden.
Bij al deze experimenten doet zich hetzelfde verschijnsel voor:
wat anders aan de zwaartekracht onderhevig is, wordt er niet alleen van bevrijd, maar zelfs gegrepen door krachten die in tegengestelde richting werken. Dit zijn de door Ernst Lehrs beschreven krachten van de lichtheid. Ze kunnen actief worden wanneer de stoffen of vloeistoffen zeer fijn worden – dat wil zeggen: wanneer ze weinig massa of materialiteit bezitten.

Laten we nu eens kijken naar de vier natuurrijken om te zien of we ook daar ‘krachten van lichtheid’ aan het werk kunnen zien. In de bodem stijgt water op door fijne capillairen en verdampt het in de omringende lucht; door het oppervlak te schoffelen, vernietigen boeren en tuiniers deze capillairen en voorkomen zo dat de bodem overmatig uitdroogt. Elk voorjaar en elke zomer zien we opnieuw het effect van deze krachten van lichtheid bij planten. Enorme hoeveelheden materie en water worden van de wortels naar de toppen omhoog getransporteerd om bladeren en vruchten te vormen – die in de herfst op de grond vallen of per honderdtal kilo’s en tonnen worden geoogst (inclusief natuurlijk de koolhydraten die door koolstofassimilatie zijn verkregen). [7]
Wie heeft er niet met diepe verwondering gekeken naar de wonderbaarlijke sprong – ja, het bijna gewichtloze zweven – van een ree? Een dier van 15 tot 20 kilogram beweegt zich voort met een ongeëvenaarde lichtheid, voortgestuwd en weer opgevangen door slanke poten. Elk hoger ontwikkeld dier draagt ​​zijn zwaarste deel – het lichaam – hoog boven de grond; hoe lager een dier op de evolutionaire ladder staat, des te dichter bevindt het zich bij de aarde.
Ook mensen zouden geen seconde rechtop kunnen lopen of zitten als de krachten van lichtheid niet in hen werkzaam waren. Zelfs een klein kind tilt al snel zijn zwaarste lichaamsdeel – het hoofd – op en onttrekt het daarmee in zekere zin aan de zwaartekracht.
Het wordt duidelijk dat de krachten van lichtheid nauw verbonden zijn met onze geest en ziel. Wanneer we wakker zijn, duidt dit op de aanwezigheid van geest en ziel in het lichaam. Als ze het lichaam verlaten – door vermoeidheid, slaap, bewusteloosheid of de dood – bezwijkt het onder zwaarte, onder de trekkracht van de zwaartekracht. Hoe vrijer en vitaler we ons voelen, des te rechter is onze gang. Op dit punt kan het paradoxale raadsel waarmee dit hoofdstuk over natuurkunde begon, in een klassengesprek worden opgelost: een lichaam dat vervuld is van vitaliteit, tegenwoordigheid van geest en zielskracht, is licht! Iedereen die ooit een bewusteloos persoon of een lichaam heeft gedragen, kan dit beamen.

Met behulp van deze krachten van lichtheid kunnen bijzonder fijnzinnige onderzoeken worden uitgevoerd. Hierbij kunnen aan leerlingen foto’s worden getoond van zogenaamde ‘stijgbeelden’ (*Steigbilder*) – zoals die welke Lili Kolisko vervaardigde met gepotentieerde metaalzoutoplossingen tijdens de zonsverduistering van 1927. Op deze wijze wordt de invloed van de planeten op metalen zichtbaar. Dit kan aanleiding geven tot tal van verdere gesprekken.
Met deze ene, eenvoudige les over hydromechanica in de achtste klas is gepoogd te laten zien hoe het mogelijk is om kinderen enerzijds te brengen tot een steeds nauwkeuriger en vollediger begrip van hun directe omgeving, en hen anderzijds een stap verder te helpen op de weg naar menselijke zelfkennis.

1 Zie bv. M. Hoyer, H. Rebmann, Anfangsunterricht in der Physik, Erziehungskunst 1950, Heft 6.
2 Hermann v. Baravalle, Zur Physik, Bd. I, Mechanik, S. 161 ff.
3 Hermann Bauer, Zur Physik des Wassers, Erziehungskunst 1966, Hefl: 1/2, S. 18
4 H. Bauer, op. cit., p. 20.
5 Ernst Lehrs, *Mensch und Materie*, 1953, p. 166.
6 H. v. Baravalle, n. a. 0., S. 165.
7 Wanneer in de plantenfysiologie een beroep wordt gedaan op het concept van capillaire werking (naast dat van osmose) om dit opstijgen van sap te verklaren, plakt men in feite slechts een etiket op een verschijnsel dat onverklaard blijft; aan de oorzakelijke factor wordt volledig voorbijgegaan.

8e klas natuurkundealle artikelen

8e klasalle artikelen

natuurkundealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3611-4004

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rekenen – eenhedenstelsels (8-1/6)

.

Het vergelijken van massa’s

In het vorige artikel hebben wij verteld, dat men de hoeveelheid van een stof kan geven door de massa ervan te vermelden. Daar de massa een nogal nieuw begrip is, zijn er van deze natuurkundige grootheid slechts enkele eenheden in gebruik geweest. Voor ons is alleen van belang de kilogram als eenheid van massa en de daarvan afgeleide grotere en kleinere eenheden.

Het woord massa is afkomstig van het Griekse woord madza (in ons schrift weergegeven), wat klomp deeg betekent; de Griekse werkwoordsvorm masso betekent ‘ik kneed. Het Latijnse woord massa heeft een meer algemene betekenis, behalve een stuk deeg kan het ook een stuk kaas voorstellen en een stuk metaal met de toevoeging van de naam van het metaal. Op die wijze spreken wij over een baar goud. In de moderne talen wordt massa bij alle stoffen gebruikt. Als u dit woord in „Koenen” opzoekt, kunt u zich hiervan overtuigen en ook de andere betekenissen ervan vinden.

De stoffen hebben eigenschappen, die met de massa samenhangen, en eigenschappen, die onafhankelijk van de hoeveelheid zijn. Een stuk koper heeft een metaalglans als het gepolijst is; de grootte van het stuk is hierbij niet van belang. Ook onafhankelijk van de hoeveelheid is de kleur van het koper en de temperatuur. De prijs van koper is wel afhankelijk van de massa.

Een groot stuk koper kunnen wij niet optillen, een klein stuk wel. Een groot stuk koper is zwaar, een klein stuk is licht. Een klein stuk koper doet een veer weinig uittrekken, een groter stuk veel uitrekken. De oorzaak van deze verschijnselen is de wederzijdse aantrekkingskracht van de lichamen, die des te groter is, naar mate hun massa groter is. Ook de afstand van de zwaartepunten van deze lichamen is van belang; wordt de afstand tweemaal zo groot, dan worden de wederzijdse krachten viermaal zo klein; wordt de afstand driemaal zo groot, dan worden zij negenmaal zo klein. Deze krachten zijn omgekeerd evenredig met het kwadraat van hun afstand en recht evenredig met de massa’s van de lichamen. Deze kracht heet gravitatiekracht of zwaartekracht.

Van de gravitatie, veroorzaakt door de Aarde, kunnen wij een dankbaar gebruik maken, als wij de massa’s van verschillende voorwerpen wilIen vergelijken. Wanneer een van die voorwerpen een kopie is van het standaardkilogram, vinden wij de massa van het andere in kilogram.

Met behulp van een veerbalans heeft men reeds eeuwen massa’s vergeleken. Nog steeds gebruikt men veerbalansen of unsters, al is hun nauwkeurigheid niet groot. Een unster is een klein apparaatje, dat gemakkelijk is mee te nemen en dat niet gauw kapot gaat. Men let op de uitrekking van de veer ten gevolge van een belasting; deze uitrekking is recht evenredig met de massa van het aan de unster gehangen voorwerp. Met een bekende massa moet de unster van te voren zijn geijkt. Daarna kan men een schaalverdeling erop aanbrengen.

Een veel nauwkeuriger toestel is de balans met twee schalen. Dit instrument is zeer gevoelig, daar er vrijwel geen wrijving is bij het schommelen van de schalen. Maar de balans is kwetsbaar en moet op een tafel staan, die niet in trilling kan worden gebracht. Ook kan de balans gemakkelijk ontregeld worden. Op een van de schalen plaatst men het voorwerp met onbekende massa, op de andere „gewichten”, totdat er evenwicht is. De massa van ieder „gewicht” is bekend, door optelling kan men de massa van het gewogen voorwerp vinden.

Het wegen met gewichten berust erop, dat op een zelfde plaats op Aarde stilstaande voorwerpen een zelfde massa hebben, als er even grote krachten door de zwaartekracht van de Aarde worden uitgeoefend. Het verschil in plaats van de beide schalen van een balans kan verwaarloosd worden. En als men daarvan niet overtuigd is, moet men bijvoorbeeld met droog zand evenwicht maken; daarna wordt het voorwerp van de balans gehaald en vervangen door gewichten, totdat er juist evenwicht is.

De bekende éénarmige schalen in winkels werken met een vast contragewicht. Hoe groter de massa van de gekochte waren, hoe meer het contragewicht verplaatst wordt en des te verder een wijzer over een geijkte schaalverdeling beweegt.

Het vergelijken van massa’s door wegen lukt niet in een satelliet, die om de Aarde beweegt. De voorwerpen zijn onder die omstandigheden „gewichtsloos”. De stand van een balans verandert daar niet bij het opzetten of weghalen van gewichten.

Wanneer men op zeer grote hoogte uit een vliegtuig valt, kan men ook niet wegen. Wij veronderstellen, dat de lucht daar nog zo ijl is, dat de weerstand ervan tegen het vallen te verwaarlozen is. Daar de val niet geremd wordt, dient de gravitatie alleen tot het krijgen van meer snelheid en van de zwaartekracht is verder niets te merken. Ook dan is er gewichtsloosheid.

Er is nog een mogelijkheid van gewichtsloosheid, namelijk ergens tussen de Aarde en de Maan, vrij dicht bij de Maan, waar de gravitatiekracbten van de Aarde en de Maan even groot zijn, maar tegengesteld gericht. De krachten heffen elkaar op, zij doen elkaars uitwerking teniet.

De genoemde beperkingen bij het wegen zullen u niet afschrikken, want niet ieder beoefent de ruimtevaart of is gewoon uit vliegtuigen te vallen. Wel moet men op de beperkingen bij het wegen letten, bijvoorbeeld als het.juk van een balans erg lang is. Wij krijgen dan last van doorbuigen. Maar ook moeten wij er aan denken, dat de Aarde geen homogene bol is. Bovendien draait de Aarde om een as. De gravitatie verandert met de plaats op Aarde en met de hoogte. Bij het beklimmen van een berg wordt de gravitatie iets minder, al is dit niet direct te merken.

De waarde van de gravitatie kan met behulp van een slinger worden bepaald. Door veel slingeringen te laten uitvoeren door uiterst gevoelige slingers, kan men de gravitatie nauwkeurig onderzoeken. Men doet dit in de geologie om meer over dieper gelegen aardlagen te weten te komen. Daardoor kan men aanwijzingen krijgen over het voorkomen van ertsen en aardolie.

Als standaardeenheid heeft men geen kracht, bijvoorbeeld de zwaartekracht, gekozen. Men kan een kracht moeilijk ergens in een laboratorium opbergen. De zwaartekracht is bovendien ongeschikt om te dienen bij het vastleggen van een eenheid, daar deze op Aarde niet constant is. Blijvende op zeeniveau is de zwaartekracht werkend op een massa van bijvoorbeeld 1 kilogram bij de polen ongeveer 0,5 % groter dan bij de evenaar.

Hoe kan men tenslotte massa’s vergelijken, als dat door wegen niet gaat? Men moet in een dergelijk geval gedurende een zekere tijd op een voorwerp een kracht uitoefenen en de beweging onderzoeken, die het voorwerp daardoor krijgt. Dit vereist een hele opstelling. Want hierbij moet zeer nauwkeurig worden gewerkt, wil men betrouwbare waarden krijgen. Met een balans gaat het heel veel gemakkelijker.

Over krachten leest u meer in het volgende artikel*.

Drs. E. J. Harmsen, Vacature nadere gegevens onbekend

.

*rekenenalle artikelen   uit deze serie onder nr.8

.

4e klas rekenenalle artikelen

rekenenalle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld4e klas

.

1528-1433

.

.