Tagarchief: vergeten

VRIJESCHOOL – Ritme (3-19/1)

.
slapeloosheid

‘Ik heb de hele nacht geen oog dicht gedaan’

Het slapen blijkt vaak een moeizaam verworven toestand te zijn, die men dikwijls alleen bereikt door het innemen van slaapmiddelen, wanneer hulpmiddeltjes als schaapjes tellen en warme melk met honing ook niet meer helpen.

Uit de publikaties over het slaapmiddel ‘Halcion’ en de vele reacties erop, bleek dat zeer veel mensen een slaapmiddel nodig hebben om in slaap te kunnen vallen.

Behalve dat men zich zorgen kan maken over de – ongewenste – bijverschijnselen van de slaapmiddelen en de onzorgvuldigheid waarmee sommige hiervan op de markt gebracht worden, roept het feit dat deze middelen op zo’n grote schaal ingenomen worden, vragen op.

Waarom valt men aan het eind van de dag niet ‘gewoon’ in slaap?

Wat is slapen en wat is wakker zijn? Bob Witsenburg, arts, gaat in zijn artikel op deze vragen in.

‘Ik heb de hele nacht geen oog dichtgedaan’. Een thema dat in verschillende variaties voor velen van ons een proleem is, soms tijdelijk, maar soms ook blijvend. We blijven er vóór en met onszelf mee worstelen en vinden een enkele keer zelf een oplossing. Maar vaak ook wordt de slapeloosheid als een medisch probleem gezien, op te lossen door een tabletje.

Waarom hebben we eigenlijk slaap nodig? Deze vraag kun je op meerdere niveaus bekijken.

Lichamelijk kun je zeggen dat we ons lichaam tijdens het wakker-zijn, met ons bewustzijn ‘afbreken’, totdat het natuurlijke gevoel van vermoeidheid aangeeft, dat de afbraak zó ver is gevorderd, dat nu de periode van opbouw, de slaap, is aangebroken. Zo’n afwisseling is een ritme. Deze ritmische afwisseling is bijvoorbeeld terug te vinden in de lever, die van drie uur ’s nachts tot drie uur ’s middags een afbraakfase kent, waarbij suiker aan het bloed wordt afgegeven, en van drie uur ’s middags tot drie uur ’s nachts een opbouwfase, waarbij suiker tot leversubstantie (zetmeel) wordt opgebouwd. Mensen in ploegendienst en bijvoorbeeld stewardessen, ervaren dit ritme vaak zeer concreet. Zij merken bijvoorbeeld dat zij zich lichamelijk ’s nachts niet fit voelen, moe zijn, terwijl ze toch genoeg geslapen hebben. Of juist overdag niet kunnen slapen, wanneer dat bij hun werk zo uitkomt. Het lichaam is dan nog in de afbraakfase. Bij mensen die grote tijdsverschillen met vliegtuigen overbruggen, verkeert het leverritme nog in de fasen die hoorden bij de tijd van het land waar ze net vandaan kwamen. De aanpassing kan enkele dagen duren. Psychologisch betekent de slaap onder meer een verwerkingsproces, waarbij de gebeurtenissen en ervaringen van de dag ‘vergeten’ worden, en na verwerking in diepere bewustzijnslagen de volgende dag, of nog veel later, als levenservaring en vermogens te voorschijn komen.

Uitdrukkingen als ‘de ochtend is wijzer dan de avond’, of ‘ik zal er eens een nachtje over slapen’, zijn hier voorbeelden van.

Wat de geestelijke aspecten van het slapen betreft, kunnen we in de eerste plaats kijken naar het bewustzijn. Van dit bewustzijn zou je kunnen zeggen dat het overdag polair is aan ons nachtbewustzijn. Als we goed wakker zijn, beleven we onszelf door middel van onze zintuigen als centrum van de wereld, tegenover de wereld.

Letterlijk staan we in het centrum van onze eigen horizon. Ons waakbewustzijn is een centrum-bewustzijn. Ons slaapbewustzijn daarentegen is een omtrek-bewustzijn. Als centrum hebben we onszelf verloren, en we zijn in zekere zin in een wijde omtrek uitgespreid. Als overgangsbelevenis kennen we wellicht allemaal het verschijnsel -hopelijk zelden -, dat je eens bij een lezing bijna bent ingeslapen, en daarbij soms niet meer weet of datgene wat er in je omgaat je eigen gedachten zijn, of de gedachten van de spreker. Plotselinge zintuigindrukken, zoals iets dat valt, een stemverheffing en dergelijke, brengen je dan weer ineens ‘tot jezelf’.
Om het verwerken in de nacht van je dagervaringen mogelijk te maken, moeten deze belevenissen iets eigens gekregen hebben. Wat dit betekent, kunnen we ons voorstellen als we ons afvragen, hoeveel indrukken en ervaringen er op ons afkomen, die we ons niet eigen kunnen maken. Denk aan de veelheid, heftigheid en te snelle opeenvolging van informatie door televisie, radio, kranten, lawaai op werk of straat, snelverkeer, reclames, verstrooiing in vakanties, etcetera. Wie van ons kan zijn indrukken, informaties en ervaringen nog allemaal, of zelfs maar gedeeltelijk, zelf kiezen? En wie heeft daarna de rust om ze ook zelf te laten bezinken en te verwerken? Om maar te zwijgen over of het je lukt er ten slotte nog iets mee te doen.

Het zijn vaak de niet-eigen gemaakte indrukken, gevoelens en ervaringen, die ons het gezonde slapen belemmeren. Niet-eigen maken overdag, geeft een niet-zelfverwerken ’s nachts. De kwaliteit van onze dagervaringen is hierdoor meebepalend voor de kwaliteit van ons slapen.

Omgekeerd zal ook de kwaliteit van onze slaap ook de kwaliteit van ons werken overdag beïnvloeden.

Wat kunnen we nu aan slapeloosheid doen? Even kort iets over slaapmiddelen. Zij werken alleen symptomatisch, laten je wél slapen, maar de slapeloosheid zelf wordt erger. Hoe langer je ermee doorgaat, hoe moeilijker het is om te stoppen. En het nachtelijk verwerkingsproces gaat waarschijnlijk grondig de mist in.

Lichamelijk gezien is regelmaat het belangrijkste. In het algemeen is een ritmisch bestaan, met een steeds terugkerende regelmaat van activiteit en ontspanning, maaltijden en slaaptijden, essentieel. Hoe regelmatiger de periodes van activiteit (afbraak) en rust (opbouw) elkaar afwisselen, hoe sterker de uitslagen, dat zijn de dieptes en de hoogtes van onze slaap-waakcurve kunnen worden. Niet alleen is het nodig voor voldoende rust ’s nachts te zorgen, (en uren vóór 12 uur, het uur dat de zon weer aan zijn opmars begint tellen dubbel), maar ook dat de periode van ingespannen werk overdag, niet te lang duren. Niet voor niets duren colleges gemiddeld 45 minuten, en daarna is er even pauze. Soms is het zelfs noodzakelijk om aan het begin van de middag een echte middagpauze te maken, om alles even los te laten, bijvoorbeeld door te rusten, of te wandelen. Wandelen is sowieso een goede activiteit vóór het slapen, omdat het het denken tot rust kan brengen, en de bloedsomloop aanzet. En het is juist de bloedsomloop, die in nauwe relatie met onze opbouwprocessen, ’s nachts actief wordt. Met koude voeten bijvoorbeeld, kun je niet slapen.

Op meer psychologisch niveau zullen we eerst misschien wat vóóroordelen moeten overwinnen. Vaak hoor je mensen zeggen: maar ik móet toch slapen, want anders… Ja, wat anders?

Wat zou er gebeuren als je eens een week niet sliep? Weekje ziektewet? Extra vakantie nodig? Zal je tenslotte niet vanzelf in slaap vallen, als de vermoeidheid te erg wordt? Er zijn twee mogelijkheden: óf je haalt het slaapverlies wel weer in, óf je moet je leven anders inrichten, wat misschien wel hoog nodig is. En bedenk dat mensen die menen dat ze ‘de hele nacht geen oog dicht’ doen, vaak tussen door wel degelijk blijken te slapen, maar dat juist dié momenten zich aan de herinnering onttrekken. Laat dus dat moeten-slapen maar eens weg, het is juist een sterke belemmering tot inslapen. Bovendien geldt, dat hoe ouder je wordt, hoe minder slaap je nodig hebt. Maar we kunnen ook veel positieve dingen doen. Zo kunnen we proberen alle vluchtigheid in ons waarnemen te vermijden, want door iets echt waar te nemen, tot je te nemen, is ook een echt verwerken mogelijk. Lezen doen we bijvoorbeeld vaak veel te snel en te vluchtig. Het spreekt voor zich, dat we ondertussen niet de radio of televisie laten aanstaan. En het sterkste werkt, als we onze waarnemingen en informatie zélf kunnen kiezen, en er niet steeds voor ons gekozen wórdt. Daar hoort bij de vraag, of het juist is om allerlei krachtige indrukken emotioneel in je op te nemen, waarvan je weet dat je ze toch niet verwerken kunt. Verwerken in de zin van tot je te laten doordringen, en er daarna iets mee te kunnen doen. Horen hierbij niet vele live-uitzendingen over kapingen, gijzelingen, sensationele ongelukken, etcetera?

Wat de geestelijke kant betreft is er nog één soort persoonlijke oefening, die ik in verband met slapen en waken zou willen noemen, en die in de antroposofie bekend is als ‘rückschau’ en ‘vorschau’. In de rückschau, of terugblik, kijken we ’s avonds terug op onze dag, waarbij we de gebeurtenissen aan ons voorbij laten trekken, in omgekeerde volgorde, dat wil zeggen, het laatste het eerst. Het resultaat is, dat de dag nog eens in vogelvlucht via het denken in het voorstellingsleven vóór ons staat. Als dat lukt, zonder opnieuw de emoties van de dag te beleven, kunnen de belevenissen daarna, in de nacht, ‘vergeten’ worden. In dit vergeten geschiedt het verwerken.

Wat gebeurt er in het algemeen met dingen die we vergeten? Vergeten wil zeggen dat ze in een onbewuste laag van ons dóórwerken. Het betekent niet dat de ervaringen voor ons verloren zijn. Zoals we dingen, die we met veel moeite vroeger geoefend hebben, zoals muziekoefeningen, later als een vanzelfsprekendheid ter beschikking hebben. De moeizame oefeningen en probeersels die er vroeger aan voorafgingen, zijn vergeten. Ze zijn nu tot vermogen geworden, schijnbaar moeiteloos de muzikant ter beschikking staand. Zo is er een dergelijk verwerkingsproces met alle dagelijkse ervaringen. Als we ze uit de voorstelling loslaten, kunnen ze in de nacht tot vermogens worden. Het nachtbewustzijn is hetzelfde bewustzijn als van waaruit onze wilsimpulsen stammen. Vergeten ervaringen van gisteren, kunnen op deze manier geïntegreerd worden in de wilsimpulsen van morgen. Als je ergens een nachtje over moet slapen, betekent dit dat je je vragen van vandaag, de kans geeft om tot je eigen wilsimpulsen van morgen te gaan behoren. Als je metéén zou beslissen, doe je misschien iets wat niet echt bij je hoort.

In de vooruitblik ’s morgens, kun je je dan afvragen wat je die dag te doen staat. Welke dingen er allemaal moeten, maar vooral welke dingen je die dag met enthousiasme tegemoet gaat. Juist dit enthousiasme maakt persoonlijke inzet mogelijk. Zo’n enthousiasme maakt, dat je er helemaal bij bent. En hoe meer je er overdag zelf bij bent, hoe beter je het ’s nachts zelf weer los kunt laten. Zo kun je ook vanuit je intensiteit van beleven, je slaap-waakdiepte beïnvloeden.

Deze twee oefeningen kunnen helpen bij de twee slaapstoornissen die er zijn; de inslaapstoornissen, en de dóórslaapstoornissen. Bij de inslaapstoornissen blijven de dagbelevenissen, emoties en zorgen, aan ons vastkleven, en we kunnen of durven ze niet los te laten. De afbraakprocessen van het waakleven hebben ons te sterk te pakken, en belemmeren zo het inslapen. De dag terugdenken zonder de emoties, alsof het een ander betreft, kan ons er dan van bevrijden. Met vertrouwen kunnen we onze dag aan de vergetelheid van de nacht prijsgeven, want om in te slapen heb je vertrouwen in je levenssituatie nodig. Het vertrouwen, dat ook al laat je al je zorgen en problemen los, deze je niet zullen overweldigen.

De andere belangrijke slaapstoornis, is de doorslaapstoornis. Hierbij worden mensen juist vroeg wakker, bijvoorbeeld drie uur, en slapen dan niet meer in. Wat de lichamelijke kant hiervan betreft, heeft dit vroege ontwaken vaak te maken met het eerder genoemde leverritme. Hierbij is het opbouwproces in ons te zwak. Het kan ook samenhangen met te veel dingen in de dag die allemaal moeten, en waar we geen persoonlijk enthousiasme meer voor voelen, of waarin een eigen inbreng niet meer is te verwezenlijken. We schrikken terug voor de dag, waardoor die al op ons valt, nog vóór we uitgeslapen zijn. In de vooruitblik kunnen we proberen te ontdekken welke punten in de dag ons enthousiasme kunnen wekken, en welke punten in de dag de moeite van de eigen inzet toch waard zijn, waardoor je een moed stukje kunt vinden, om de dag te beginnen.

Om in te slapen heb je vertrouwen in je levenssituatie nodig. Om dóór te slapen heb je moed nodig om de volgende dag te beginnen. In de terugblik en de vooruitblik kunnen we dit vertrouwen en deze moed proberen te ontwikkelen.

Bob Witsenburg, arts, Jonas 3, 5-10-1979

.

Ritme: alle artikelen

.

1664-1559

.

.

VRIJESCHOOL – menskunde en pedagogie (18-2)

.

OVER HET GEHEUGEN

HET GEHEUGEN BLIJFT EEN MYSTERIE

Ons leven is niet verenigbaar met het ontbreken van een geheugen. Zonder dat vermogen moeten we ons elke dag leren wassen en aankleden en ook de naam en het adres zijn onbekend. De psychologie heeft allerlei indelingen van het geheugen gemaakt. Een aantal vormen wordt niet meer zo scherp van elkaar onderscheiden als vroeger omdat zij berusten op verschillende stadia van hetzelfde proces. Drie typen staan echter nog recht overeind

Het motorisch geheugen dient er voor om aangeleerde bewegingen te onthouden. Vergeten speelt daarbij nauwelijks een rol. We kunnen na lange tijd nog steeds fietsen of schaatsen. Dit geheugen heeft veel te maken met de kleine hersenen die kennelijk weinig onder vergeetprocessen te lijden hebben.

Een tweede type is het episodisch geheugen waarin gebeurtenissen vastliggen. Deze bestaan uit onderling verbonden elementen die bewaard blijven zonder dat het tafereel is herhaald. Het is niet nodig, drie keer een film te zien om te weten wat er ongeveer gebeurde. Ook is een nadrukkelijke poging tot inprenting niet noodzakelijk.
Dit geheugen lijkt moeiteloos te functioneren, maar het is allerminst volmaakt. Dat blijkt uit tegenstrijdige getuigenverklaringen bij ongevallen en uit ruzies over wat bij een bepaalde gelegenheid is voorgevallen. Mensen onthouden verschillende onderdelen van dezelfde gebeurtenis en vullen na verloop van tijd zonder dat te beseffen gaten in het geheugen met verzinsels op. Een merkwaardige variant hiervan is het „flitslicht geheugen”. Als een dramatische boodschap wordt vernomen herinneren we ons jaren later niet alleen dat bericht zelf, maar ook allerlei irrelevante details die op en om de plaats des onheils zichtbaar waren. Het episodisch geheugen legt dus veel dingen vast zonder dat er een bedoeling in die richting is, en de informatie kan zelfs volstrekt zinloos zijn,

Taal
Het omgekeerde daarvan is dat iets niet wordt onthouden hoewel we er al vaak mee te maken hebben gehad. Vrijwel niemand is in staat een gedetailleerde tekening van zijn voordeur te maken.
Een deur dient er in de eerste plaats voor om gebruikt te worden. Misschien is dat ook wel de reden waarom wij er grote moeite mee hebben op foto’s onze handen te herkennen.
Verder is het episodisch geheugen in die zin aan de taal gekoppeld dat weinig beklijft uit de tijd dat de taal nog niet zo intensief gebruikt werd. Toch is het soms mogelijk daar nog iets van terug te vinden. Herinneringen aan de kindertijd zitten vaak vast aan reuksensaties. Het opsnuiven van de typische „kinderlucht” in peuterspeelzalen kan allerlei vergeten taferelen weer oproepen. Een aantal passages in het boek „op zoek naar de verloren tijd” van Marcel Proust wijst in die richting.

Het derde type is het semantisch geheugen. Dit omvat het leren van betekenissen in een ruime zin van het woord zoals dat in het onderwijs gebeurt. Als de informatie als los zand aan elkaar hangt vindt inprenting alleen plaats na een aantal herhalingen en stampwerk. Ook daarna gaat echter veel teloor, en de vraag is hoe dat komt.

Vergeten
Vroeger werd het vergeten in zijn algemeenheid toegeschreven aan het uitwissen van sporen die in de hersenschors zaten. Strikt genomen heeft niemand echter zo’n spoor kunnen vinden. De aanwijzingen zijn erg indirect. Als het gebied van de hippocampus wordt beschadigd is iemand niet meer in staat iets nieuws aan zijn geheugen toe te voegen. Bij oude mensen gebeurt dat geleidelijk. Dat komt ten dele door verlies van interesse en het bedenken van „kapstokken”, maar ook fysiologisch is er iets aan de hand. De hippocampus raakt zijn zenuwcellen relatief snel kwijt en bovendien ontstaat een zeker tekort aan de overdrachtsstof acetylcholine. Zogenaamde leerpillen in de vorm van het hormoonfragment ACTH 4-9 of piracetam, alsmede het „waarheidsserum” scopolamine kunnen daar niets aan veranderen.

Een tweede interpretatie van het vergeten is dat de informatie nog wel bestaat maar niet terug wordt gevonden. Dat kan op een gebrekkige manier worden vergeleken met een bibliotheek waarin niets is gecatalogiseerd. Wat voorbeelden van verschijnselen die hierin passen. We komen in de keuken op het idee dat een tang gehaald moet worden om iets te repareren. Als dat gedachteloos gebeurt weten we in de schuur niet meer waarom we daar staan. Terug lopen is dan een feilloze remedie,

Inbedding in een bepaalde situatie speelt ook een rol bij het niet herkennen van mensen op een plaats waar we hen nooit gezien hebben (een winkeljuffrouw op straat tegenkomen). Wat in een bepaalde omgeving is ingeprent, kan in een andere situatie relatief moeilijk worden opgespoord, Studenten weten daarover mee te praten. Het komt vaak voor dat zij de stof op hun kamer menen te beheersen, maar dat van alles vergeten is als zij de kale tentamenzaal betreden. Wat je leert wordt als het ware gehecht aan allerlei objecten, en als die er niet zijn gaat het herinneren moeizamer.
Men heeft hierover in Amerika een experiment gedaan. Studenten die colleges volgden in een „aangeklede” zaal onthielden beter wat te berde was gebracht. Ook de emotionele toestand is hier in het geding. Wat in een bepaalde emotionele toestand is geleerd, wordt in diezelfde stemming het best gereproduceerd.

Spectaculair ten slotte, is de hypnose. Er zijn mensen die onder hypnose bijna woordelijk kunnen vertellen wat tijdens een operatie onder narcose is gezegd (visuele en tastgewaarwordingen ontbreken dan overigens). Blijkbaar is het zelfs onder narcose mogelijk, een zeker contact met de omgeving te onderhouden. Hypnose is ook met succes gebruikt om kentekens van auto’s na ongevallen op te sporen en deze techniek staat centraal bij de zogenaamde regressie- en reïncarnatietherapie.
Men gaat er dan van uit dat stoornissen veroorzaakt kunnen zijn door trauma’s in een ver en duister verleden, Het is in dit geval echter moeilijk een onderscheid te maken tussen echte herinneringen en verbeeldingskracht. Bovendien kan hier kryptomnesie in het geding zijn, wat inhoudt dat iemand zich in een trancetoestand dingen herinnert zonder te beseffen dat het om herinneringen gaat.
In de parapsychologie zijn gevallen bekend van media die zich enigszins uitdrukten in talen die zij nooit willens en wetens hadden geleerd. Een befaamd voorbeeld was een dame die in haar jeugd als dienstmeisje verliefd was op een dominee die de gewoonte had dergelijke teksten hardop te lezen. Kritiekloze onderzoekers interpreteren dit verborgen geheugen ak een verzameling inblazingen vanuit een hiernamaals of vroegere levens, enkel en alleen omdat de betrokkenen zelf niet weten hoe ze het een en ander hebben klaargespeeld.
De effectiviteit van hypnotherapie berust mogelijk hierop dat men een probleem beter aan kan als er een verklaring voor lijkt te zijn.

Verdringing
Geven hypnose en kryptomnesie aan dat het geheugen buitengewoon goed kan functioneren, de tegenvoeter is plotseling geheugenverlies. Ook dat komt regelmatig in het nieuws. Iemand kan er in zekere zin baat bij hebben, bepaalde gebeurtenissen te vergeten. Dat gold misschien voor Edward Kennedy die zich niets kon herinneren van een auto-ongeluk in 1969 waarbij een secretaresse om het leven kwam. Men noemt dat verdringing of gemotiveerd vergeten, uitdrukkingen die overigens eerder beschrijvingen dan verklaringen van het verschijnsel zijn. Bij verdringing worden zowel vervelende ervaringen uitgewist. Als de prettige gebeurtenissen weer op de een of andere manier boven water worden gebracht, duiken ook de andere herinneringen tot verdriet van de betrokkene weer op.
Er gebeuren echter ook dingen waarbij elk aanknopingspunt ontbreekt. In februari 1978 ging de 24-jarige Steven Kupacki skiën op het Michiganmeer. Hij raakte verdwaald en het eerstvolgende dat hij zich kon herinneren was dat hij op de grond lag in andere kleren en voorzien van andere spuilen. Het was mei 1979 en niemand weet wat zich in de tussentijd heeft afgespeeld. Iets dergelijks is onlangs gebeurd met de Friese bloemist J. Speelman. Het kan in zoverre nog gekker dat er mensen zijn die uit verschillende persoonlijkheden bestaan. In dat geval is er niet alleen een doorlopende wisseling van karakter of rol, maar heeft de ene persoon ook geen toegang tot de herinneringen van de andere.

Hoe het ook zij, het geheugen is even onmisbaar als mysterieus. Ondanks onderzoek dat al meer dan een eeuw duurt heeft geen enkele wetenschap een stevige greep gekregen op hetgeen zich hier allemaal afspeelt, Wat dat betreft is het onderscheid tussen „gewone” en paranormale verschijnselen merkwaardig. Misschien noemen we iets alleen maar gewoon omdat het vaak gebeurt en niet omdat we het begrijpen.

Piet Vroon, de Volkskrant 02-04-1983

Geheugen [18-1]

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1295-1209

.

.