Tagarchief: St.-Jan

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (6)

.

SINT – JAN: EEN FEEST IN DE BUITENLUCHT

Een feest vieren wil eigenlijk zeggen: bewust blijven stilstaan bij een bepaal­de gebeurtenis. Een hulpmiddel daarbij is het uiterlijk vertoon van versie­ringen, in welke vorm dan ook. Dat geldt voor elk feest. Maar als je het op de juiste wijze wil vieren, moet je toch een duidelijk beeld hebben van de ach­tergrond van het betreffende feest. Het kennen van die achtergrond geeft de zin aan en kan je tot richtsnoer zijn bij het vorm geven van dat feest. Is er eenmaal een bepaalde vorm gevonden, die bevredigend is, dan kan deze jaren­lang gehandhaafd blijven. Dat is de tijd van de traditie. Maar er komt een tijd dat die uiterlijke vorm zijn zin ver­liest, namelijk als de feestvierders zich niet meer bewust zijn van de achter­grond van het feest. Dan gaat de uiter­lijke vorm een eigen leven leiden. Het is heerlijk voor een huismoeder of een leraar om bij ieder jaarfeest te kunnen terugvallen op een bepaalde wijze van vieren. Het is een houvast in een druk, bezig bestaan. En toch zou je het moeten opbrengen om ieder jaar opnieuw, bij ieder jaarfeest, de diepere zin ervan in je bewustzijn te halen. Het heeft in de praktijk vaak het resul­taat, dat je ieder jaar toch weer be­paalde nieuwe vormen vindt, en enke­le oude vormen loslaat. Iedere keer wordt datgene dat je zelf, misschien jaren geleden, al tastend hebt opgezet, van binnenuit vernieuwd. Al is het nieuwe onderdeel dat je toevoegt, ook nog zo klein – daardoor kan je die feestdag, die feesttijd toch ieder jaar weer opnieuw ‘be-leven’, levend ma­ken in jezelf, in je gezin, in je klas. En dat werkt bevredigend. Je voelt je, voor deze keer tenminste, tevreden. Je krijgt voor je inspanning om iets nieuws toe te voegen, innerlijke vrede terug. Het jaarfeest dat we nu tegemoet gaan, is het feest van Sint Jan. In de Vrijekleuterscholen klinkt in deze tijd een liedje:

 Sint Jan, Sint Jan Sint Jan die komt eran !Sint Jan gaat komen, Je ziet het aan de bomen Sint Jan, Sint Jan, Sint Jan die komt eran!

Het Sint Janslot, de laatste frisgroene uiteinden van de takken in struiken en bomen, herinnert ons eraan dat de on­stuimige groeikracht van het voorjaar nu gaat af ebben. De sprankelende fris­heid van de lente is voorbij. Zo schoon, zo zuiver schoven de nieuwe bladeren uit de zwellende knoppen, teergroen van kleur. Het licht speelde er door­heen. Nu wordt de tint van de bladeren don­kerder, het blad zelf steviger, aardser -het schermt het licht af. Zie, hoe de kastanjeboom zijn honderden brede handen uitstrekt om zijn wortelvoet te beschutten tegen teveel zon of teveel regen. Zelfs de berk heeft zijn stralen­de prilheid verloren. In een lentebos wijs je elkaar de enke­le blaadjes die uitkomen. De ene boom is daarmee vroeger dan de andere, staat gunstiger om licht en zonne­warmte op te vangen. In de hoogzomer is het soms of je in broeierige hitte de aarde zwaar hoort ademen. Het zomerbos is één grote donkergroene koepel geworden, ge­steund door vele, vele zuilen, en je ze­gent de schaduwrijke koelte als de hitte buiten te groot wordt. Zover is het weliswaar nog niet in de tijd van Sint-Jan. Maar de zon heeft zijn hoogste punt overschreden en daalt langzaam, heel langzaam naar de aarde toe tot hij vlak voor Kerstmis de aarde het dichtst genaderd is.
Vlak na dat dieptepunt, in de allergrootste duisternis vieren wij de geboorte van het Christuskind, de komst van het Licht. Het feest van Sint-Jan, kort na het kosmische keerpunt van de zomerzonnewende, en het feest van Kerstmis kort na de winterzonnewende, staan lijnrecht tegenover elkaar. Maar de beide jaarfeesten hebben direct met elkaar te maken, vullen elkaar aan. Het één is niet zonder het ander te denken. In de kersttijd met de vier daaraan voorafgaande adventsweken, zal het ons moeite kosten om terug te denken aan het Sint-Jansfeest, in de hitte van de zomertijd. De warmte van het vuur beleven we, midden in de kou en de duisternis van de winter, anders dan een halfjaar geleden.

Johannes de Doper
Toch wordt het ons gemakkelijk ge­maakt om de verbinding te leggen. Als de engel Gabriël bij Maria binnen­treedt, kondigt hij haar niet alleen de geboorte aan van het kind Jezus, maar ook van het kind Johannes, dat later de Doper zal heten. Op 24 juni, de naamdag van Johannes de Doper, moeten we niet achteruit, maar vooruit denken. Hoog over de zomer heen, via Michael en Sint-Maarten en de stille adventsweken, komen we bij het Kerstfeest aan. Geen gemakkelijke opgave, en toch geeft dat de zin aan het Johannesfeest. Vergeleken met de welige woekering van uiterlijke vormen in de kersttijd, is het Sint-Jansfeest een so­ber feest. Eigenlijk is het zelfs een ver­geten feest, behalve enkele traditione­le vormen van vieren in bepaalde land­streken. Weliswaar hebben de vrijescholen dit feest in ere hersteld. Er brandt een vuur, voor zover de brand­weer dat toelaat, er wordt gezongen, er wordt muziek gemaakt en een ver­haal verteld. Het is een feest voor allen, voor velen en liefst in de buitenlucht. Er is echter meer nodig om de Johannestijd in zijn essentie te vatten. Waar­om is dit feest weer op de sokkel gehe­sen? In de uiterlijke gang van zaken lijkt het veel op het oude zonnewendefeest. Het kost ons echter moeite om dat natuurlijke, kosmische gebeu­ren in ons bewustzijn te dragen. We zijn ervan vervreemd door de civilisa­tie. Bovendien voldoet het ons niet meer om alleen ‘natuurmensen’ te zijn. Wij vragen naar een innerlijke oorzaak, een innerlijk houvast. En dat ligt bij het Sint-Jansfeest in de ommekeer. Net als in de kersttijd zouden we er een gewoonte van moeten maken de evangeliën op te slaan op de naamdag van Sint-Jan.
We lezen in Mattheus 3: ‘In die dagen trad Johannes de Doper op en verkondigde zijn boodschap in de woestijn van Judea. Hij sprak: ‘Komt tot inkeer! Want het Rijk der hemelen is nabij gekomen.’
Van Johannes de Doper werd gezegd, dat hij groter was dan wie ooit op aar­de was geboren, maar kleiner dan de minste in het hemelrijk. Op een Rus­sische icoon uit 1620 staat hij afge­beeld, reusachtig groot en met engelen­vleugels, oprijzend uit het kameelha­ren kleed. Tussen mens en engel staat hij. Johannes de Doper roept tot in­keer, hij schudt de mensen wakker, vaak met harde woorden die pijn doen –

Het is een situatie, die wij herkennen. Op een pijnlijke manier wakker ge­schud worden, is onaangenaam, maar het wekt iets in ons dat ons dwingt tot inkeer, tot confrontatie met onszelf. En als het ons lukt afstand te nemen en onszelf te bekijken als door de ogen van een ander, dan kunnen we komen tot een besluit dat leidt tot de ommekeer. Het is een zeer reële erva­ring, dat wij soms 180º moeten draai­en in ons leven. Wie op dood spoor zit, moet omkeren. Om deze gedachte wat meer inhoud te geven, moeten we zoeken naar een voorbeeld waaraan we de gedachte kunnen toetsen. Daartoe kiezen we een voorbeeld dat uitstijgt boven het leven van alledag; dat in zijn groots­heid voor ons allen herkenbaar is; dat voor ons een oerbeeld kan zijn. Zulke voorbeelden zijn te vinden in de Legenda Aurea, heilige legenden, verzameld en opgetekend door Jacobus de Voragine.

Heiligenlegenden 
In de tweede klas van de vrijescholen is het thema: fabels en heiligenlegen­den. Het kind op weg ontmoet zijn ‘dierlijke’ eigenschappen. De kinderen leven daar sterk in mee, want zij ken­nen en herkennen ‘het dier’ in anderen en soms ook in zichzelf. Aan de andere kant zijn er ongekende mogelijkheden in ieder kind: je kunt je als mens boven het dierlijke verhef­fen. Je kan leren je neigingen te be­heersen, te kanaliseren, uit de eenzij­digheid op te heffen door de tegenge­stelde kant te ontwikkelen. Maar dat kost vaak een ontzaglijke inspanning, een vaste wil en volharding. Kiezen voor die moeilijke weg vergt inkeer en kan resulteren in een ommekeer. Over die weg wordt de kinderen ook verteld. Het is toekomst voor ze, zoals de dierverhalen hen in beeldvorm wij­zen op eigenschappen die ze meene­men uit het verleden. Maar ze kunnen leven naar die toekomst toe, en de beelden uit de heiligenlegenden dragen zij mee op hun levensweg als een kost­bare schat. In vele van deze heiligenlevens voltrekt zich een dergelijke ommekeer als waarvan sprake is in de Johannestijd. Je zou dat het ‘Sint- Jansmotief’ kun­nen noemen. Prachtig is dat waar te nemen in het leven van Franciscus van Assissi. In zijn jonge jaren leeft hij er op los. Hij is rijk, vechtlustig, avon­tuurlijk, vrolijk en goedhartig. Dan wordt dit leven doorkruist door een zware ziekte. Franciscus krijgt ruim de tijd om na te denken, tot inkeer te ko­men. En als hij weer gezond is, heeft hij het besluit genomen een totaal an­dere weg in te slaan. Het is een moei­lijke weg, want dat wilsbesluit is het eerste van een hele reeks. Voortdu­rend wordt hij voor een keus gesteld, steeds weer moet hij aftasten wat de goede weg is. Maar hoe verder hij komt in zijn leven hoe zekerder hij weet te kiezen. Ook dat is voor ons een ervaringsfeit.

Sint-Joris
In de legende van de heilige George (Sint-Joris) is zijn strijd met de draak algemeen bekend. Minder bekend is dat George als legeroverste in dienst van de keizer op een goede dag ineens gesteld werd voor de keus, die zijn le­ven totaal veranderde. De haat tegen de christenen was weer opgelaaid, de vervolgingen waren in volle gang. Toen nam ridder Joris het besluit om niet langer zwijgend aan de kant te blijven staan. Hij had een hoge rang in het keizerlijk leger en hij moet geweten hebben, wat de gevolgen wa­ren. Hij ging voor de keizer staan en maakte hem verwijten over de wrede vervolgingen. De keizer wilde zijn uit­stekende overste niet missen en trachtte hem van gedachten te doen veran­deren. Maar George volhardde in zijn keus en moest ‘door duizend doden’ gaan voor hij stierf als martelaar.

Tot twee keer toe een ommekeer, de essentie van het Johannesfeest. Juist in een tijd van het jaar dat we geneigd zijn ‘er-uit’ te vliegen, worden we op­geroepen tot ‘in-keer’. Merkwaardige paradox. Het is de wekroep om jezelf niet te verliezen in de roes van de zo­mer. Toch is het goed te bedenken, dat we in ons dagelijks leven ook steeds weer trachten stand te houden in allerlei wisselende en verrassende si­tuaties, waarin we verzeild raken. Dat lukt alleen maar, als we ernaar streven steeds weer rustpunten te zoeken in die stroom van gebeurtenissen. Punten van ‘in-keer’, in wat voor vorm dan ook. Zo kunnen we het Sint-Jansmo­tief met ons meedragen door het jaar heen.

 Marieke Anschütz, Jonas’ nr.21, 16 juni 1978)

 

John_baptist_angel_of_desert

 Roemeens icoon, Sint-Jan

.
Sint-Jan: alle artikelen
.
Jaarfeesten: alle artikelen
.
2e klas: vertelstof
.
VRIJESCHOOL  in beeld: 2e klas

 

181-171

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (4)

.

Het feest van Sint-Jan

 

‘DE BIJL IS AAN DE WORTEL DER BOMEN GELEGD’

De christelijke feesten hebben alle iets te maken met de beleving van de natuur in de tijd waarin ze vallen. Dat wordt vaak verklaard als een slimme aanpassing van de christenen aan de heidense gebruiken. Het is de vraag of die verklaring juist is. In onderstaand artikel onderzoekt Jacobus Knijpenga in hoeverre er een wezenlijke verwantschap is tussen de jaarfeesten in christelijke zin en de
hoofd­momenten van het natuurlijke leven.

Opvallend is dat de data van de christelijke gedenkdagen steeds later vallen dan de hoog­tepunten in de natuur en wel enkele dagen. Zo valt midwinter op 21 of 22 december, Kerstmis op 24 december; Pasen op een zon­dag na de voorjaarsevening; dit kan zelfs wel eens vijf weken later zijn, maar ook twee da­gen. Het feest van Johannes de Doper (Sint- Jan) valt, evenals het Kerstfeest, twee à drie dagen na de zonnewende, terwijl tenslotte het feest van de aartsengel Michaël op 29 september ongeveer een week later valt dan de herfstevening. Daaruit kan reeds duidelijk blijken dat deze feesten niet bedoeld zijn als vervanging van de natuurfeesten. Ze zijn er als het ware aan toegevoegd zoals de doop aan de natuurlijke geboorte. In deze kenschetsing wordt ervan uitgegaan dat Hemelvaart en Pinksteren bij het paas­feest behoren. Ze hebben als het ware het­zelfde thema. Zo behoren ook de advents­tijd en de tijd van driekoningen bij het kerstfeest en ontstaat dus een groot kruis door het jaar: Kerstmis in de winter, het feest van Johannes in de zomer er precies tegenover en aan de andere arm van het kruis Pasen in het voorjaar en er tegenover in de herfst het feest van Michaël. Het is deze kruisvorm in het jaar, die in belangrijke mate het
gezichts­punt vormt waaruit gezocht kan worden naar de samenhang van de feesten met de natuur.

Zo is duidelijk dat het kerstfeest gevierd wordt als het licht weer toeneemt en het Sint-Jansfeest als de dagen korter worden. In de loop van het natuurlijke jaar zijn deze feesten elkaars tegenpolen. Het zijn beide lichtfeesten; als de zon nog zwak is vieren we het feest van het innerlijke licht, als de zon haar hoogtepunt zojuist gepasseerd is vieren we het feest van Johannes als van een groot kosmisch wezen. Johannes was veel meer dan een mens, ja zelfs meer dan een profeet naar de woorden die Christus over hem spreekt. Op Russische iconen wordt hij bij de doop in de Jordaan vaak bovenmenselijk groot geschilderd, waarbij Jezus normaal ge­schilderd wordt. Men kan hier denken aan de woorden van Johannes: hij moet toene­men, ik moet afnemen.

Het uiterlijke licht neemt af na de zomerzonnewende, we gaan de tijd tegemoet waarin het weer meer op verinnerlijking aankomt, al is dat in het begin nog niet goed merkbaar. Maar juist omdat het in ons natuurbeleven nog niet merkbaar is, roept het Johannesfeest ons tot bewustzijn. Vergelijkenderwijs is hetzelfde het geval wanneer men het mid­den van het leven gepasseerd is: het eigen­lijke beleven van het midden moet dan nog komen, maar zowel fysiek als psychisch be­ginnen de doodskrachten het te winnen van de geboortekrachten en men kan de tijd na 35 jaar beter vormen als men zich dat be­wust is. Dat kan bijvoorbeeld behoeden voor een ‘tweede jeugd’, die altijd toch ook een beetje ridicuul aandoet. Hierbij sluit een ander element van Johannes aan: hij is een boeteprediker. Dat wil zeg­gen dat hij de mensen steeds wijst op hun ei­gen innerlijke houding als voorbereiding op de ontmoeting met de Messias. Bij de Jor­daan woonde hij in de woestijn en zijn voed­sel bestond uit de eenvoudigste voortbreng­selen van de natuur. Dit leven in de woestijn was een ‘teken’. Een teken maakt een inner­lijke situatie doorzichtig. De bloeitijd van het jodendom was voorbij, het geestesleven van het joodse volk was een woestijn gewor­den, dor en droog terwijl het geestelijk voed­sel dat de leiders te bieden hadden hard was. Wie toch nog iets daarin vond moest de geva­ren van wilde bijen trotseren om nog enige zoetigheid te verwerven. Johannes sprak het zo uit: ‘De bijl is aan de wortel der bomen gelegd’. De boom is altijd een beeld van de verbinding van hemel en aarde. Alle religies kennen hun heilige bo­men. De boom strekt zijn kruin uit naar de hemel en ontvangt uit de hogere sferen het licht waardoor hij leven kan. Maar tegelijker­tijd wortelt hij in de aarde en haalt van daar­uit zijn voedsel. Beide elementen zijn nodig voor de geestelijke groei van de mens. Wan­neer de bijl aan de wortel van de bomen wordt gelegd, wordt deze geestelijke groei onmogelijk. Meestal is de boom dan ook al dood. Dat is de verkondiging van Johannes: de oude tijden zijn voorbij. In deze oude tij­den vond men de mogelijkheid tot geestelij­ke ontplooiing vanuit een bepaalde natuurlij­ke samenhang waartoe men behoorde.

Deze soort religie neemt nu met Johannes de Doper een einde. Een uiting van Jezus: ‘Jo­hannes is de grootste van degenen, die uit vrouwen geboren zijn maar de geringste in het rijk der hemelen is meer dan hij’ duidt aan dat de tijd waarin de geboorte in een be­paald volk of in een bepaalde familie beslis­send was voor het geestelijk leven van een mens, voorbij was. Men kan ook denken aan woorden als: ‘God kan uit deze stenen voor Abraham kinderen verwekken’. De afstamming geldt niet meer. Vanaf Jo­hannes de Doper geldt iets anders en Johan­nes maakt daarmee een begin: de individuele mens moet zelf zijn weg vinden. Bij Johan­nes betekende dit: eerst inzicht krijgen in de eigen ontoereikendheid. De doop bewerkte inzicht in de eigen zonden, de tekortkomin­gen. Deze zelfkennis is de eerste stap op de weg naar een eigen ontwikkeling wanneer ze niet verlammend werkt, maar wanneer er te­vens gewezen wordt op toekomstige moge­lijkheden. Johannes deed dat door de norma­le beroepsgewoonten van de mensen, die bij hem kwamen, te doorbreken. Soldaat zijn betekende: leven van plundering. Wie dat niet deed werd nooit rijk. Voor de belasting­ambtenaren gold iets dergelijks. Men pachtte het recht om belastingen (tol) te innen. Deze tollenaars moesten weer aan hun trekken ko­men door te overvragen. Dat was het norma­le beroepspatroon. Daarin een rechtvaardige houding te vinden, vereiste iedere keer weer een individuele beslissing. Men kon nooit meer handelen vanuit het groepsmotief.

Wanneer we nu terugkeren tot het feest van Johannes, dan zien we dat dit gevierd wordt na de zomerzonnewende. Historisch is dit ge­fundeerd in het feit dat Johannes een half jaar eerder werd geboren dan Jezus, volgens het evangelie van Lukas. Maar dat is niet be­slissend. Beslissend is het innerlijke karakter van Johannes: de tijd van de bloei van de na­tuur is voorbij en het zal er na de zomerzon­newende steeds meer op aankomen dat we gaan leven uit de krachten die we zelf ont­wikkelen. Deze krachten zijn als die van een boom. Ze moeten enerzijds van boven ko­men, anderzijds uit de aarde. Niemand van ons ontwikkelt zich los van het verleden. We brengen uit eigen incarnaties iets mee en we brengen iets mee door onze geboorte in een bepaald volk of een bepaalde familie. We kunnen dankbaar zijn voor wat we uit het verleden ontvangen, zoals we dankbaar kun­nen zijn voor wat de zomer ons brengt. Maar ook dat is niet alleen natuurlijk. In het voor­jaar waren het Pasen, Hemelvaart en Pinkste­ren, allemaal feesten die ons iets gegeven hebben van wat uit hogere werelden komt.
Dankbaar heffen we onze kruin omhoog, zoals we ook dankbaar kunnen zijn voor alles wat anderen voor ons doen, waardoor wij weer verder kunnen. In de natuur uit zich dat in de st.- jansloot, nog een laatste keer wordt ons iets geschonken, als het ware een wenk dat de schenkende machten ons niet in de steek laten. In de geestelijke ontwikkeling gaat het evenzo: wat wij eventueel aan vruchten voortbrengen, is nooit denkbaar zonder dat wat ons geschonken werd.

Zo wordt het feest van Johannes de Doper een dankfeest, maar met een zeer ernstige ondertoon  mens doe er wat mee. De wereld moet verder. En dat wordt gewild door geestelijke machten, maar ze hebben het aan ons toevertrouwd. Zo is het in de loop van de natuur: de vruchten komen straks door wat hemel en aarde ons schenken, maar wij moeten ze zelf oogsten en verwerken. Dat is de verantwoording waartoe Johannes oproept en die straks door Michaël zal worden opgenomen.
.

( Jacobus Knijpenga, ‘Jonas’ nr.21, 12 juni 1981)
.

St.-Jan: alle artikelen

 

Jaarfeesten: alle artikelen

 

180-170

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.- Jan (3)

.

ST.- JANSFEEST VIEREN

Enkele jaren terug maakte ik eens de hele rij jaarfeesten mee zonder kinderen. Van St.- Michaël over Kerst naar Pasen en Pinksteren tot St. – Jan.
Vooral op het laatste feest miste ik kinderen: voor mij was het maar een half feest geweest. Ik was méér gewoon. Het is alsof de kin­deren de volwassenen laten feest vieren, leren feest vieren, in plaats van omgekeerd. Zeker met St.- Jan, in het midden van de zomertijd, op 24 juni.
In deze tijd van het jaar reikhalst de aarde naar de kosmos. Na de koude kille wintertijd waar het leven zich binnen de aarde had teruggetrokken, groeien plant en bloem, boom en struiken nu naar de zon toe. Het leven op aarde dijt uit: bloemengeuren, muggen en insecten vullen de lucht. De vogels vliegen hoger.

Kinderen zijn groter dan we denken. Op een bepaalde manier zijn ze nog meer “uitgedijd’. Ze zijn nog meer één met de kosmos en de natuur. Ze reiken nog bijna tot aan de hemel.  Over zo’n klein wiegkindje ligt er nog een hemelse glans. Iedereen is lief en aardig: het brengt de hemel op aarde. De kleine peuter begrijpt nog de kosmische taal van de natuur. Met volle overgave laat het de keitjes in het beekje “ploepen”, het fladdert met de vlinders mee. Het is bijvoorbeeld geen fabeltje dat kleuters in de klas de storm en het onweer aankondigen met eigen geraas. Ze zijn nog veel gevoeliger voor de geladenheid van de lucht dan wij. Voor de natuurmens van vroeger – en denk maar gerust terug tot aan de oude Grieken – had de donder en de bliksem nog iets te ver­tellen.

“Word als de kinderen, word een natuurmens in dit heerlijke seizoen !”, zouden  we kunnen uitroepen.
De lentepracht lokte ons naar buiten. Zon en zee roepen. Op je rug in het warme zand, neemt de blauwe hemel je zo mee naar verre landen. En dan komt het St.-Jansfeest in een van de kortste nachten van het jaar! We zullen een groot vreugdevuur aansteken en eromheen dansen en zingen, het hoofd getooid met een weelderige bloemenkrans. Als de sterren al lang aan de hemel zullen stralen en het vuur zal gaan liggen zijn, zullen we erover springen. Over het vuur of over de sterren ? Laat ons dan vooral naar de kleine kinderen richten en blij zijn om de warmte en het licht, en eens dat het vuur brandt, er geen minuut meer van wijken. Proberen te doorvoelen wat het vuur van ons wil: het wil geestdrift, enthousiasme wekken. Uitbundigheid !

Voor de moderne mens is er echter een gevaar aan verbonden. Als we té uitbundig worden, té uithuizig dan verliezen we ons ware zelf en onze medemens uit het oog. Dan gaan we lekker genieten van wat de zomer ons biedt, en de rest kan ontploffen. Egotrippen heet dat met een modern woord.

Een kleuter heeft nog het recht egocentrisch in de wereld te staan. Wij, opvoeders, zijn het kind nog veel verschuldigd. Met de warme mantel van onze liefde kleden we het en leiden het zo de wereld bin­nen. In de lagere schoolleeftijd krijgt het kind de opdracht: nu moet je leren sociaal worden, je leren invoegen in de kring van grote en kleine mensen om je heen. De autoriteit is de stem – van buiten af – die dit zegt en naar wie het kind bereid is om te luisteren. Rond de puberteit leert de jonge mens voor het eerst luisteren naar de eigenste “stem” van binnen.
St.- Jan de Doper zei van die stem: ‘Niet ik, maar de Christus in mij” En ook nog: “Hij (de Christus) moet groeien, ik moet afnemen.”

Enkele jaren terug krijg ik een lijstje in handen met daarop 12 te oefenen deugden en hun relatie tot de 12 maanden van het jaar: een innerlijke ontwikkelingsweg waarvoor men kan kiezen. Voor de hoog-zomermaand juli staat er:
“Unselfishness, selbstlosigkeit, onzelfzuch­tigheid”.
Vanuit de gezichtshoek van het St.- Jansfeest kan ik dat be­grijpen. St.- Jan de Doper is diegene die het Christuswezen vooraf is gegaan en die Hem aankondigde. Hij zag dat het keerpunt in de tij­denronden was aangebroken.

Wij, moderne mensen, kunnen ons niet meer verenigen met de kosmos zoals vroeger om méér mens te worden. Wij zouden uitzinnig worden. Het typisch menselijke voor ons is niet “de inkeer”.
Als wij de Christus willen zoeken, moeten we hem niet meer in de kosmos zoeken, maar in onszelf.
Met het St.- Jansfeest begint de rij van jaarfeesten weer toe te gaan naar Kerstmis.   Toch heeft iedereen het gevoel dat het de laatste schakel is aan de ketting van Kerst over Driekoningen, Pasen, Pinksteren…    Dat komt omdat het St.- Jansfeest het keerpunt is. Ik vind St.- Jansfeest vieren op een mooie manier niet zo gemakkelijk. En u ?

Maar met de kinderen wordt het een stuk eenvoudiger.
Alvast een kleuterliedje uit het boekje ‘De gouden poort’ om in de sfeer te komen….

(87) Een liedje om te dansen:

Tot op het feest!

( juffie Martine, nadere gegevens ontbreken.)

 

St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

.

179-169

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (2)

.

ST.- JANSFEEST

In het midden van de Zomertijd
is ’t naamdag van Sint-Jan.
Wij vieren hem met zang en spel…..’

zingen de kinderen straks weer.

Zon, bloemen, muziek,  dansen,  zingen en een groot vuur, waar we overheen springen en waar we later omheen zitten, als het smeulend nog warmte geeft in de donkere avond. Nog wat zingen,  mijmeren,  luisteren naar de stilte die neerdaalt en met een warme gloed nog op de wangen, terug naar huis onder de wijde sterrenhemel….

Johannesfeest – 24  juni – valt vlak na de langste dag van het  jaar, die tevens een wendepunt is waarop de dagen langzaam weer gaan korten.

Johannesfeest ~ naamdag van Johannes de Doper die sprak: ‘lk moet afnemen,  Hij  (Christus) moet groeien.’ Ook Johannes stond op een wendepunt.

In vroegere tijden viel de langste dag op de 24e juni en was die zomerzonnewende een feest van extase, van het buiten zichzelf geraken. Zoals de mens in de winter meer naar binnen trekt, wakker bij zichzelf is, trekt de zomer hem eruit, als in een lome droom.

En het uitstijgen, als een soort inslapen was in de mid-zomernacht een toppunt van een religieus beleven, omdat de mens daarbuiten de Godheid vond in kosmische hoogten. De mens had nog die vanzelfsprekende verbondenheid met het ritme der natuur.

Die oude, natuurlijke extase bracht dan door de verbonden­heid met de Goddelijke wereld, inspiratie mee terug, nieuwe kracht weer mee naar beneden.

Maar deze natuurlijke verbondenheid verdween meer en meer (verbondenheid hield immers ook gebondenheid in) om plaats te maken voor een meer afstandelijk,  verstandelijk bewustzijn, een stuk vrijheid ook.

En Johannes stond op dat wendepunt. Hij vertegenwoordigt de oude natuurverbonden mens. lk moet afnemen, Hij moet  groeien.’

Johannes is in de zomer geboren, Christus is in de winter geboren.

De winter waarin innerlijke wakkerheid aan de orde is. Niet meer het uitstromen in de omgeving maar het innerlijk ruimte maken: niet ik;  maar Christus in mij.’ Zo wordt het vuur een offervuur op dat wendepunt.

Het Johannesfeest wat we nu ná de zonnewende vieren, spant de boog van ‘oud’ naar ‘nieuw’.

Eerst zingen we:

‘Onder de bomen op het gras,
dansen wij en springen wij in huppelpas.’

Maar, zegt Johannes zelf: ‘de bijl ligt aan de wortel van de bomen.’
De boom als verbondenheid tussen hemel en aarde.’Elke boom die geen vrucht draagt wordt in het vuur geworpen.’

Eerst dansen we om een laaiend, louterend, vreugdevuur.

‘Flamme empor leuchte uns
Führ uns zum Heil in dir…’ *

En dan de sprong erover.

Er is moed voor nodig om het uiterlijke vuur te bedwingen. En als we later rond het nog smeulende vuur zitten, nemen de vlammen steeds meer af, om innerlijk een  gloed te ontsteken.

En dat vuurtje van innerlijke activiteit moeten we dan brandend zien te houden in de tijd die komen gaat.
.

(Literatuur: Emil Bock De jaarfeesten als kringloop door het  jaar)
.

( Ivon Hummel, nadere gegevens onbekend)
.

St.-Jan: alle artikelen

Jaarfeesten: alle artikelen

 

* over dit lied doet een onzinnige bewering de ronde…..

.

178-168

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Jaarfeesten – St.-Jan (1)

.

HET JAARFEEST VAN ST.-JAN

In het midden van de Zomertijd
Is ’t naamdag van Sint-Jan!
Wij vieren hem met zang en spel,
Sint-Jan, de heil’ge man.
Johannesdag in zomertijd
Doet bloeien het leven al.
Wij toeven hier vol dankbaarheid
In ’t veld, bij berg en dal!’  (op berg,   in’t dal)

Zo luidt het aloude lied. Het Sint-Jansfeest wordt buiten gevierd, zelfs in de regen, als dat niet anders kan. Men trekt naar buiten, zingt, speelt en danst; en tenslotte wordt een prachtig vuur ontstoken.

Bij het knetteren van het hout en het loeien van de vlammen geniet men luidruchtig. Zo’n vuur zie je niet elke dag! Sommigen ook staren mijmerend in het vuur, denken aan van allerlei, herinneren zich veel.

Het feest heeft twee kanten. De vrolijke, luidruchtige en opgewonden stemming. En de meer nadenkende, bespiegelende kant. Waardoor komt dat?

De zon is steeds hoger gestegen, elke dag. Warmte, geurend gras, bonte bloemen, verse bloesems, het is alles opgewekt, mooi en gezond. De ziel wordt naar buiten gezogen. Men is gauw “buiten zichzelf”. Die uitdrukking is heel juist. Maar dit natuurgebeuren geeft de mens behalve vreugde ook een moment van bezinning.

Johannes, de grote profeet, was in het geheel niet vrolijk op zijn naamdag. Hij wist, dat andere tijden moesten komen. Hij wist ook, dat zijn tijd voorbij was; dat de mensen een geweldig gebeuren zouden missen, wanneer zij niet met andere ogen in het leven zouden gaan staan.

“Verandert uw gezindheid!” riep Johannes, staande bij de Dode Zee tussen de zoutkristallen, 400 meter lager dan de normale zeespiegel. Hij doopte de bekeerlingen in het hel­dere water van de heilige Jordaanrivier. Hier speelde zich ook het intieme drama af, waarvan de Evangelies gewagen: de jonge Jezus kwam daar om zich te laten dopen. De duif van de Heilige Geest daalde op Jesus neer, beeld voor de verbinding van het Christuswezen met het lichamelijke van Jezus, beeld van de éénwording van hemel en aarde. Johannes mocht deze doop, deze éénmalige, unieke gebeurtenis, voltrekken.

Maar zelf wist hij, dat zijn tijd voorbij was: “Hij moet groeien, ik moet afnemen.” En ook de zon begint na de Sint-Jansdag op 24 juni weer af te nemen. Het uiterlijke, glanzende en schone licht moet verdwijnen en zal vervangen moeten worden door een innerlijk licht, dat de mens moet ontwikkelen door méér mens te worden. Een tweede, politiek drama voltrok zich, toen Johannes korte tijd daarna gevangen werd genomen en in zijn cel werd vermoord op instigatie van koningin Herodias.

De vrolijkheid van het Sint-Jansfeest is niet zo zorge­loos als ze er uit ziet.

Ook in onze tijd is het hard nodig, dat men, naast de technische en cultuurhistorische verworvenheden een nieuwe gezindheid ontwikkelt.

Het materialisme is in onze tijd nog zeer machtig. Maar overal zoemen en snorren de vuurvliegjes van een nieuw bewustzijn, dat een geestelijk tegenwicht moet vormen tegen de geest van atomisme en computergestuurde onmenselijkheid. Daarbij kan het Sint-Jansfeest ons helpen.

(Paul Veltman, vrijeschool Leiden, nadere gegevens onbekend)

.

St.-Jan: alle artikelen

 

Jaarfeesten: alle artikelen

.

177-167

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.