.
een onderwerp in de plantkundeperiode
waarvan je je af kan vragen:
is het antroposofie in het onderwijs
kan ik er iets mee; moet ik er iets mee?
In voordracht 12 [12-3] spreekt Steiner over de relatie borst/romp en de plantenwereld.
In GA 295 – de werkbesprekingen met de leerkrachten van de 1e Waldorfschool – werkt hij dit verder uit:
Ik heb gisteren geprobeerd om de romp van de mens te tekenen als een soort onvolledige bol. [Algemene menskunde] Wat daar nog bij hoort, wat men zou krijgen als men die bolvorm volledig zou maken, dat nu heeft een zekere gelijkenis met de plant in haar verhouding tot de mens. Ja, men zou nog een stap verder kunnen gaan en zeggen: als u de mens zou ‘opvullen’ met name wat zijn middelste zintuigen betreft, de warmtezin, het gezicht, de smaak en de reuk, dan zou u allerlei plantenvormen krijgen. Neem me de vergelijking niet kwalijk! U zult hem nog in een voor kinderen begrijpelijke vorm moeten omzetten. Eenvoudig doordat u een of ander zacht materiaal in de mens stopt, zou dat vanzelf vormen van planten aannemen. De plantenwereld is in zekere zin een soort negatief van de mens.
Met andere woorden: als u inslaapt gaat uw eigenlijke ziel uit uw lichaam. Als u wakker wordt gaat uw ziel, uw ik en uw eigenlijke ziel, weer het lichaam binnen. Met dat lichaam, dat in bed blijft liggen, kunt u de plantenwereld niet goed vergelijken. Maar u kunt de plantenwereld wel vergelijken met de ziel zelf die in en uit het lichaam gaat. En als u door velden en weilanden loopt en de glanzende bloemen van de planten ziet, dan kunt u zich heel goed afvragen: wat is dat voor een temperament dat daar verschijnt? Dat is vurig! U kunt die overweldigende groeikrachten die in de bloemen aan u verschijnen vergelijken met eigenschappen van de ziel. Of u loopt door een bos en u ziet zwammen, paddenstoelen, en u denkt: wat is dat voor een temperament dat daar verschijnt? Waarom staat dat niet in de zon? Dat zijn de flegmatici, die paddenstoelen.
Dus als u de stap maakt naar de zielenwereld, dan vindt u overal vergelijkingsmogelijkheden met de plantenwereld. Probeert u die maar eens te ontwikkelen!
Terwijl u de dierenwereld meer met het lichaam van de mens moet vergelijken, moet u de plantenwereld meer vergelijken met de ziel van de mens, met datgene wat de mens ‘opvult’ wanneer hij ’s morgens wakker wordt, de ziel namelijk. De plantenwereld is een aanvulling van de mens, zoals zijn ziel hem aanvult. Zouden we de vormen opvullen, dan zouden we vormen van planten krijgen. U zou ook zien, als het u zou lukken om de mens als een mummie te conserveren en dan alle bloedvaten en zenuwbanen leeg te laten en er een heel zachte stof in te gieten, dan zou u allerlei soorten vormen krijgen in de holten van de mens.
Zo is de relatie van de plantenwereld met de mens, en u moet proberen om de kinderen uit te leggen dat de wortels vooral verwant zijn aan de gedachten van de mens en de bloemen vooral aan de gevoelens van de mens, zelfs aan zijn affecten, zijn emoties. Daardoor komt het ook dat de meest volmaakte planten, de hogere bloeiende planten, het minst dierlijk lijken. Het meest dierlijk zijn de paddenstoelen. en de lagere planten, die men ook het minst kan vergelijken met de ziel van de mens. Werkt u er dus aan dat u deze gedachte – uitgaan van de ziel en naar het karakter van planten zoeken – uitbreidt tot de meest verschillende planten.
( ) De plantenwereld is overal het omgekeerde van de mens.
( ) Ieder mens die in zijn jeugd planten leert kennen volgens wetenschappelijke principes, moet ze eigenlijk eerst leren kennen zoals wij ze beschrijven, in vergelijking met zieleneigenschappen van de mens.
De plantenwereld is de zichtbaar geworden zielenwereld van de aarde.
( ) De plantenwereld is de zichtbaar geworden zielenwereld van de aarde en kan daarom vergeleken worden met de ziel van de mens.
En als voorbeeld volgt dan:
De anjer is koket. De zonnebloem is zo’n echte boerenbloem. Zonnebloemen houden ervan zo boers te glimmen. Bijzonder grote bladeren van planten zouden in de zielenwereld betekenen: niets kunnen afmaken, veel tijd voor alles nodig hebben, onhandig zijn, vooral dingen niet af kunnen maken. Je denkt: nu is hij klaar, maar nee hoor, hij is nog steeds bezig.
Zoek de zielenwereld in de vormen van de planten!
De mens neemt zijn gevoelens, hartstochten en affecten en dergelijke mee in de slaap, maar in de slaap zouden ze er uitzien als planten. Wat wij onzichtbaar in onze ziel hebben, de verborgen eigenschappen van de mens, koketterie bijvoorbeeld, dat wordt zichtbaar in de planten. Bij iemand die wakker is zien we dat niet, maar bij iemand die slaapt zou het helderziend waargenomen kunnen worden. Koketterie, ja, die ziet eruit als een anjer. Een kokette dame zou uit haar neus voortdurend anjers laten groeien. Bij een saai iemand zouden uit zijn hele lichaam reusachtige bladeren groeien, als u hem zou kunnen zien.
Ik heb me zelf wel serieus beziggehouden met dit onderwerp, maar ik mis ten enenmale het vermogen om bv. in de anjer ‘behaagzucht, koketterie’ te zien en al helemaal niet dat ik die vorm uit de neus van een behaagzieke kan zien komen, wanneer deze slaapt.
Aan dit deel, ondanks Steiners oproep, heb ik me niet gewaagd.
Het gaat hier ook om een vormenwereld en daar kun je met de kinderen heel goed naar kijken, m.n. als je duidelijk in het oog lopende tegenstellingen neemt, zoals bv. de eik en de berk, of het fijne blad van paardenbloem of boterbloem t.o.v. het blad van het groot hoefblad.
En op de vraag ‘als dit nu een mens was, hoe zou die dan in het dagelijks leven zijn?’ kwamen antwoorden vanuit een bepaalde vorm van fantasievolle, vaak beeldende inleving en dat vonden ‘mijn’ kinderen leuk om te doen. Ik heb zelf nooit een bevestiging gegeven van ‘juist of onjuist’ simpelweg omdat ik het niet weet. Op de een of andere manier werd de band tussen kind en plant er wel wat door verdiept en voor mij daarom toch waardevol.
Ik heb maar heel weinig aan beschrijvingen van dit deel van de plantkundeperiode gevonden.
Op zijn site ‘Vrijeschoolcoaching’ besteedt Ruud Gersons er wel aandacht aan:
Hoe dit te doen?
We blijven nu dus in ons eigen land en verzamelen in een onderling klassengesprek alles wat de leerlingen van “onze” planten weten. Karakteristieke planten nemen we er uit: de eik tegenover de berk; de lelie tegenover de roos; de rijst tegenover de mais enz. Men voelt de tegenstellingen!
Al gauw geven de leerlingen zelf de eigenaardige karaktertrekken aan. We zien in de eik moed en kracht uitgedrukt: moed en kracht in de wortels, de stam, de takken en bladeren; in de berk kunnen we bescheidenheid en eenvoud en een zekere “elegantie” herkennen. ( )
Deze ontdekking, dat het is alsof de planten uitdrukking geven aan verschillende zieleneigenschappen, wordt een vreugde voor de leerlingen en het stroomt van voorbeelden:
• de vrolijke, frisse brutaliteit van de paardenbloem,
• de vrome reinheid van de lelie,
• de behaagzucht van anjeliertjes,
• de haast van de tulp om snel tot bloei te komen;
• de eenvoud en trouw van de den,
• de ijdele, luie zelfgenoegzaamheid van de waterlelie, enz. enz.
Bron klik HIER
De tegenstellingen bekijken onthullen zeer zeker iets van het wezen van de plant, zoals hier genoemd eik en berk. Of lelie en roos.
Maar daarmee zijn we nog niet bij wat Steiner beoogde: dat die en die plant corresponderen met dit of dat specifieke gevoel.
Het behaagzieke, het kokette van de anjelier is rechtstreeks op Steiner terug te voeren. Het kan zijn dat bij Gersons een kind dit heeft gezegd – en dan is het juist? – maar wat, als het wat anders zegt.
Ga je dan Steiners antwoorden geven, of wat je wellicht nog bij anderen hebt gevonden, bv. bij Kranich ‘Pflanzen als Bilder der Seele‘?*
*Aan de hand van fijnzinnige waarnemingen van bloemen en een verkenning van zielstemmingen laat Ernst-Michael Kranich zien dat de kleuren, vormen, groeipatronen en bloesemstructuren van individuele planten corresponderen met specifieke menselijke emoties. Houdingen en gebaren van de ziel manifesteren zich niet alleen bij de mens, maar ook in de plantenwereld. Dit leidt tot het besef van een wereld waarin mens en natuur op innerlijk niveau bij elkaar horen.
De kleurenfoto’s bij deze nieuwe uitgave – die een aanvulling vormen op de beschrijvingen – brengen de lezer nog dichter bij de afgebeelde planten.
In vijfentwintig studies van bekende bloeiende planten onderzoekt Ernst-Michael Kranich hun unieke kenmerken en bevordert hij het inzicht in hoe de plantenwereld – die zich door de seizoenen heen ontwikkelt – aansluit bij menselijke gemoedstoestanden; individuele planten vertonen een verwantschap met gevoelens die we in onszelf kunnen ontdekken en waarnemen. De plant fungeert als beeld dat op indirecte wijze de innerlijke staat van de mens weerspiegelt – variërend van het verlangen in de vroege lente, via hoop en enthousiasme, tot de weemoed van de herfst. Met methodische helderheid ontwikkelt Kranich een benadering die kan helpen de kloof tussen mens en natuur te overbruggen.
.
Plantkunde: alle artikelen
5e klas: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: 5e klas plantkunde bloemvormen uit de natuur
.