Tagarchief: lopen spreken denken GA 310 vdr. 2 blz. 41 e.v. vert.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde (9-1-1/27)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

In de ontwikkeling van het kind vóór de tandenwisseling ziet Rudolf Steiner het LOPEN, SPREKEN en DENKEN als een belangrijk verschijnsel, waar hij in diverse voordrachten bij stilstaat.

Rudolf Steiner over lopen, spreken, denken

in de voordrachtenreeks:

Der pädagogische Wert der Menshcnerkenntnis

GA 310

Vertaald

Voordracht 2, Arnhem 18 ju;i 1924

Blz 38/39     vert. 41/42

Das Gehen ist ja nicht bloß gehen, das man lernt mit dem Gehen, denn das ist nur eine einzelne Erscheinung, sondern es ist das Sich-im-­Gleichgewicht-Hineinstellen in die Welt; gehen ist nur die gröbste Erscheinung 310/39 dabei. Vorher ist man außer diesem Gleichgewicht, jetzt lernt man sich im Gleichgewichte in die Welt hineinstellen. Woher kommt das? Es kommt davon her, daß der Mensch mit einem Kopfe geboren wird, der eine ganz bestimmte Gleichgewichtslage verlangt. Dieses Geheimnis des menschlichen Kopfes tritt ja schon im Physischen sehr stark hervor. Denken Sie nur daran, daß ein menschliches Durch­schnittsgehirn zwischen 1200 bis 1500 Gramm schwer ist. Wenn aber ein solches Gewicht auf die feinen Adern, die an der Gehirnbasis sind, drücken würde, so würde es diese sogleich zerquetschen. Daß sie nicht zerquetscht werden, kommt davon her, daß dieses lastende Gehirn in Wahrheit im Gehirnwasser schwimmt, das unser Haupt ausfüllt. Nun werden Sie sich aus dem Physikunterricht erinnern, daß ein Körper, wenn er in einer Flüssigkeit schwimmt, so viel von seinem Gewicht verliert, als das Gewicht der von ihm verdrängten Flüssigkeit aus­macht. Wenden Sie das auf das Gehirn an, dann bekommen Sie heraus, daß unser Gehirn auf die Gehirnbasis nur mit einem Gewicht von etwa 20 Gramm drückt; das andere liegt im Gehirnwasser und wird ver­loren. Der Mensch wird also so geboren, daß sein Gehirn so gelagert sein muß, daß es in ein Gewicht kommt, wo gerade dieses Verhältnis zum verdrängten Gehirnwasser herauskommt.

Het lopen is niet slechts lopen dat je leert tijdens het lopen, want dat is maar één aparte verschijning; maar het is het zich-in-evenwicht-plaatsen in de wereld. Lopen is daarbij slechts de grofste verschijning. Vóór die tijd bevind je je buiten dit evenwicht, nu leer je je in het evenwicht in de wereld te plaatsen. Waar komt dat vandaan?
De mens wordt zo geboren dat het hoofd een heel bepaalde evenwichtstoestand vraagt. Dit geheim van het menselijk hoofd komt al in het fysieke zeer sterk naar voren. Denkt u er maar aan dat de hersenen gemiddeld tussen de 1200 en 1500 gram wegen. Als een dergelijk gewicht op de fijne adertjes drukte die aan de onderkant van de hersenen lopen, dan zouden die meteen kapot worden gedrukt. Dat ze niet kapot worden gedrukt komt omdat deze zwaar wegende hersenen in werkelijkheid drijven in het hersenvocht waarmee ons hoofd is gevuld.
Nu zult u zich uit de natuurkundelessen herinneren dat een lichaam dat in een vloeistof drijft, zo veel van zijn gewicht verliest als het gewicht van de door hem verplaatste vloeistof. Past u dit toe op de hersenen, dan ziet u dat onze hersenen slechts met een gewicht van ongeveer 20 gram op de schedelbasis drukken. De rest ligt in het hersenvocht en oefent geen drukt meer uit. Dus wanneer de mens wordt geboren, liggen zijn hersenen zo dat ze een gewicht krijgen waarbij deze verhouding tot het verplaatste hersenvocht te voorschijn komt. 

Dies richtet sich ein, während wir uns vom Kriechen zum Uns-Aufrichten orientieren. Der Kopf muß so lagern, wie wir es mit dem übrigen Organismus machen; Gehen und Greifen ist das, was vom Gehirn in einer bestimmten Lage vom Menschen gefordert wird. Es geht vom Gehirn aus das Ins-Gleich-gewicht-Kommen des Menschen.
Gehen wir weiter. Der Kopf des Menschen ist verhältnismäßig schon weit organisiert, wenn der Mensch geboren ist, denn während der Embryonalzeit ist der Kopf bis zu einem gewissen Grade ausgebil­det; fertig ist er erst mit dem Zahnwechsel. Was sich aber erst einrichtet während der Zeit bis zum Zahnwechsel, was eine besondere äußere Organisation sich erwirbt, das ist das rhythmische System des Men­schen. Würde man darüber mehr physische, physiologische Beobach­tungen anstellen, so würde man sehen, wie wichtig für die ersten 7Jahre die Einrichtung des Zirkulations- und Atmungssystems ist, was man vor allem dann verderben kann, wenn man nicht in der richtigen Weise

Dit regelt zich terwijl we ons oriënteren van het kruipen naar het ons-oprichten. Het hoofd moet de houding aannemen die we met de rest van het organisme aannemen; voor het lopen en grijpen is een bepaalde positie voor de mens nodig, verlangd door de hersenen. Het in-evenwicht-komen van de mens gaat van de hersenen uit.
Laten we verdergaan. Het hoofd van de mens is relatief al verregaand georganiseerd wanneer de mens geboren is. Want in de embryonale tijd is het hoofd tot op zekere hoogte al ontwikkeld; klaar is het pas b bij de tandenwisseling. Maar wat zich pas organiseert tijdens de periode tot aan de tandenwisseling, wat zich een speciale lichamelijke organisatie verwerft, dat is het ritmische systeem van de mens. Zou men daaromtrent meer fysieke, fysiologische onderzoeken doen, dan zou men zien hoe belangrijk de organisatie van het systeem van bloedsomloop en ademhaling voor de eerste zeven jaren is. Je kunt dat vooral bederven als je het kind het lichamelijke leven niet op de goede manier

Blz. 40   vert. 42/43

das körperliche Leben des Kindes entwickelt. Deshalb muß man in den ersten Lebensjahren damit rechnen: da ist etwas im Zirkulations- und Atmungssystem, das sich da erst in seine Gesetzmäßigkeiten hinein­bringt. Das Kind spürt unbewußt, wie da die Lebenskraft am Zirkula­tions- und Atmungssystem arbeitet. Und gerade so, wie sich ein Kör­perliches, das Gehirn, in die Gleichgewichtslage hineinbringen muß, so muß sich das Seelische einstellen auf diese Entwicklung des Atmungs-und Zirkulationssystems in den ersten Lebensjahren. Das Physische muß sich einstellen in der Erringung der Gleichgewichtslage vom Haupte aus; das Seelische, indem es sich in der richtigen Weise hinzu organisiert, muß sich einstellen zu der sich umwandelnden Zirkulation und Atmung. Und so wie im Zusammenhange mit dem, was im Gehirn zum Ausdruck kommt, der aufrechte Gang und die Orientierung mit den Händen und Armen zum Vorschein kommt, so kommt im Zusam­menhange mit der Einrichtung des Zirkulations- und Atmungssystems die Sprache beim Menschen heraus. Indem der Mensch sprechen lernt, richtet er sein Zirkulations- und Atmungssystem eben so ein, wie er sein Gehen und Greifen einrichtet, wenn er den Kopf so aufsetzen lernt, daß vom Gehirn in der richtigen Weise an Gewicht verloren wird.

laat ontwikkelen. Daarom moet je er in de eerste zeven jaar rekening mee houden dat er iets in de bloedsomloop en het ademhalingsstelsel zit wat zich dan pas in zijn wetmatigheid kan uitleven. Het kind bespeurt onbewust hoe de levenskracht aan de bloedsomloop en ademhalingsstelsel werkt. Net zoals iets lichamelijks, de hersenen, in de evenwichtstoestand moeten worden gebracht, zo moet de ziel zich instellen op deze ontwikkeling van bloedsomloop en ademhalingsstelsel tijdens de eerste zeven jaren. Het fysieke moet er zich op instellen, de evenwichtstoestand vanuit het hoofd te veroveren; de ziel, doordat zij zich op de juiste wijze daarbij organiseert, moet zich instellen op de zich omvormende bloedsomloop en ademhaling. En net zoals in samenhang met wat er in de hersenen tot uiting komt, het rechtop lopen en de oriëntering met handen en armen te voorschijn komt, zo komt in samenhang met het zich inrichten van bloedsomloop en ademhalingsstelsel het spreken bij de mens te voorschijn. Doordat de mens leert spreken, richt hij zijn bloedsomloop en ademhalingsstelsel in zoals hij zijn lopen en grijpen inricht wanneer hij het hoofd zó leert overeind te zetten, dat de hersenen op de juiste wijze aan gewicht verliezen.

Schult man sich dafür, eignet man sich einen Blick für diese Zusammen­hänge an, und hat man dann einen Menschen vor sich, der so spricht, daß er bei gehobener Stimmlage besonders begabt erscheint für das Sprechen von Hymnen oder Oden, oder auch für Moralpaukenhalten, wo also eine gehobene Sprache vorliegt, so weiß man auch, daß das mit besonderen Bedingungen im Zirkulationssystem zusammenhängt. Oder wenn man bei einem Menschen sieht, wie er schon im Kindesalter mit rauher Stimme spricht, mit einer Stimme, wie wenn Messing mit Blech zusammengeschlagen wird, so weiß man wiederum, daß dies mit dem Atmungs- oder Zirkulationssystem zusammenhängt. Aber dabei bleibt es nicht allein. Indem man einem Kinde zuhören lernt, ob es eine har­monische, weich-sympathische Stimme oder eine schmetternde Stimme hat und dies zusammenhängen sieht mit den Lungenbewegungen, mit der Herzbewegung und Blutzirkulation – bis in die Finger- und Zehen­spitzen hinein den ganzen Menschen innerlich durchvibrierend, da sieht man in dem, was in seiner Sprache sich ausdrückt, zugleich Seelisches.

Als je leert om op zulke dingen te letten en je je een blik eigen leert maken voor deze verbanden, dan zul je zulke samenhangen zien: heb je een mens voor je die zo spreekt dat hij bij een verheven stem bijzonder begaafd lijkt voor het spreken van hymnen of oden, of ook wel voor morele preken, dus daar waar we bij het spreken met een verheven toon hebben te maken, dan weet je ook dat dit samenhangt met speciale condities in de bloedsomloop. Of als je bij iemand ziet dat hij al tijdens zijn kindertijd met een rauwe stem spreekt, met een stem alsof messing met blik tegen elkaar worden geslagen, dan weet je wederom dat dit met de ademhaling of de bloedsomloop samenhangt.Maar daarbij blijft het niet alleen. Terwijl je leert naar een kind te luisteren, of hij een harmonische, zacht-sympathieke stem heeft, of een schetterende stem, en dit in samenhang leert zien met de bewegingen van longen, hart en bloedsomloop – tot in de vingertoppen en topjes van de tenen de hele mens innerlijk doortrillend, dan zie je in wat zich in het spreken uitdrukt, tegelijk een ziele-element.

Blz. 41   vert. 43/44

Da tritt sozusagen etwas auf wie ein höherer Mensch, der in diesem Bilde sich ausdrückt, das die Sprache zusammenfaßt mit den körper­lichen Vorgängen der Zirkulation und der Atmung. Und von da aus sieht man dann in das vorirdische Leben des Menschen hinauf, das be­herrscht ist von denjenigen Bedingungen, die wir uns zwischen dem Tode und unserer neuen Geburt angeeignet haben. Da spielt das hin­ein, was der Mensch im vorirdischen Dasein erlebt hat. Da lernt man erkennen, wenn man das Wesen des Menschen in wahrer Menschenerkenntnis ergreifen soll, wie man sich das Ohr spirituell schulen muß für das Anhören der Kinderstimmen. Und man kann dann wissen, was man tun kann, um einem Kinde, das bei einer schmetternden Stimme uns verrät, daß es ein stockendes Karma hat, dazu zu verhelfen, daß dieses Karma herauskommen kann.

Dan treedt er zoiets op als een hogere mens, die zich uitdrukt in dit beeld dat het spreken samenbrengt met de lichamelijke processen van bloedsomloop en ademhaling. Je leert van daaruit kijken naar het vooraardse leven van de mens, dat beheerst wordt door wat we ons tussen dood en nieuwe geboorte eigen hebben gemaakt. Daar komt wat de mens in het vooraardse bestaan heeft doorgemaakt, binnen. Wanneer je het wezen van de mens menskundig wilt begrijpen, leer je hoe je je oor spiritueel moet scholen om naar kinderstemmen te luisteren. Dan kun je ook weten wat je moet doen om een kind dat ons met zijn schetterende stem verraadt dat zijn karma dreigt te stokken, te helpen om dit karma te voorschijn te laten komen.
GA 310/38-42
Vertaald/41-44

Voordracht 3, Arnhem 19 juli 1924

Blz. 46   vert. 48/49

Indem der Mensch hereinwächst in die physisch-irdische Welt, ent­wickelt sich sein Inneres so, daß diese Entwicklung zunächst ausgeht von der Geste, von der Gebärde, von Bewegungsverhältnissen. Im Inneren des Organismus entwickelt sich aus den Bewegungsverhältnissen heraus die Sprache, und aus der Sprache heraus entwickelt sich der Gedanke. Das liegt wie ein tief bedeutsames Gesetz der mensch­lichen Entwicklung zugrunde. Alles was im Laute, in der Sprache zutage tritt, ist, vermittelt durch das Innere der menschlichen Organi­sation, Resultat von Gesten.
Wenn Sie Ihre Aufmerksamkeit darauf richten, wie ein Kind, indem es nicht nur sprechen lernt, sondern auch, sagen wir, gehen, auftreten lernt, dann können Sie beobachten, wie das eine Kind stärker auftritt mit dem Hinterfuß, mit der Ferse, ein an­deres mehr mit den Zehen auftritt. Sie können Kinder beobachten, welche, indem sie gehen lernen, mehr die Tendenz haben, ihre Beine vorwärtszubringen, bei anderen können Sie bemerken, wie sie mehr die Tendenz haben, gewissermaßen sich festzuhalten zwischen zwei Schrit­ten. Es ist ungeheuer interessant, ein Kind gehen lernen zu sehen. Das muß man beobachten lernen.

Doordat de mens in de fysiek-aardse wereld binnengroeit, ontwikkelt zijn innerlijk zich zo dat deze ontwikkeling uitgaat van de geste, van het gebaar, van bewegingsverhoudingen. Van binnenuit groeit uit het bewegen het spreken, en uit het spreken ontwikkelt zich het denken. Dat ligt als een diepzinnige en belangrijke wetmatigheid ten grondslag aan de menselijke ontwikkeling. Alles wat in de klank, in het spreken te voorschijn komt, is, met hulp van innerlijke processen in de mens, het resultaat van gebaren. Als u uw aandacht niet alleen richt op hoe een kind leert spreken, maar ook op hoe het leert lopen, dan kunt u zien dat het  ene kind sterker rust op de hak of de hiel, en een ander kind meer op z’n tenen loopt. U kunt kinderen zien die, terwijl ze leren lopen, meer de tendens hebben om hun benen naar voren te brengen. Bij anderen kunt u merken dat ze tussen twee stappen in in zekere zin even stilhouden. Het is geweldig interessant te zien hoe een kind leert lopen. Dat moeten we leren waarnemen.

Blz. 47/48   vert. 49/50

Und in diesem Sich-Bewegen tritt sogleich die Tendenz auf, an den andern sich anzuschmiegen: eine sol­che Bewegung so auszuführen, wie sie Vater oder Mutter oder die sonstigen Mitglieder der Familie ausführen. Das Nachahmungsprinzip tritt in der Geste, in der Gebärde zutage. Denn alle Gebärde ist als erstes in der menschlichen Entwicklung vorhanden. Und die Gebärde setzt sich innerlich um in die besondere Einrichtung des menschlichen physischen, seelischen und geistigen Organismus, und sie setzt sich um in die Sprache. Wer das beobachten kann, weiß ganz genau: ein Kind spricht so, daß die Sätze wie gehackt aussehen, wenn es mit den Fersen auftritt; ein Kind spricht so, daß die Sätze ineinander übergehen, wenn es mit den Zehen auftritt; ein Kind hat den Sinn, das Vokalische zu betonen, wenn es mit den Fingern leichter greift; ein Kind ist so, daß es mehr für die Betonung des Konsonantischen veranlagt ist, wenn es mit dem ganzen Arm nachhilft beim Greifen. In der Sprache bekommt man genau einen Abdruck davon, wofür das Kind veranlagt ist. Und die Welt verstehen, sie sinngemäß, gedankengemäß verstehen, das entwik­kelt sich wieder aus der Sprache heraus. Der Gedanke bringt nicht die Sprache hervor, sondern die Sprache den Gedanken. So ist es in der Kul­turentwickelung mit der ganzen Menschheit, erst haben die Menschen gesprochen, dann gedacht. So ist es auch beim Kinde, erst lernt es aus der Bewegung heraus sprechen, artikulieren, dann erst schlüpft aus der Sprache heraus das Denken. Daher werden wir diese Reihenfolge als et­was Wichtiges ansehen müssen: Geste-Sprache-Gedanke oder Denken.

In de aard van het bewegen treedt meteen de tendens op dicht tegen iemand anders aan te kruipen: zo’n beweging uit te voeren net zoals vader of moeder of andere gezinsleden. Het principe van de nabootsing komt tevoorschijn in de geste, in het gebaar. Want alles aan gebaren is principieel aanwezig in de menselijke ontwikkeling. En het gebaar vormt zich innerlijk om tot de bijzondere arrangementen van het menselijk fysieke, psychische en geestelijke organisme, en het vormt zich om tot het spreken. Wie dat kan waarnemen, die weet heel precies: een kind spreekt zo dat de zinnen eruit zien alsof ze in stukjes gedeeld zijn wanneer het z’n hakken eerst neerzet; een kind spreekt zo dat de zinnen in elkaar overlopen als het met z’n tenen eerst op de grond komt; een kind heeft er gevoel voor om speciaal het vocale te benadrukken als het gemakkelijker met de vingers iets beetpakt; het heeft meer aanleg om het consonantische te benadrukken als het met heel z’n arm een beetje helpt bij het beetpakken. In het spreken krijg je een nauwkeurige indruk van waar het kind aanleg voor heeft. De wereld begrijpen, zinvol en gedachtematig begrijpen, dat wordt op zijn beurt uit het spreken ontwikkeld. De gedachte brengt nooit het spreken te voorschijn, maar het spreken wel de gedachte.
Zo is het in de cultuurontwikkeling met de hele mensheid gegaan: eerst spraken de mensen, toen pas dachten ze. Zo gaat het ook bij het kind: eerst leert het vanuit d
e beweging spreken, articuleren, dan pas kruipt uit het spreken het denken te voorschijn. Daarom zullen we deze volgorde als iets belangrijks moeten beschouwen: gebaar—spreken—gedachte of denken.
GA 310/46-48
Vertaald/48-50

Voordracht 4, Arnhem 20 juli 1924

Blz. 67   vert.  69/70

In der Hauptsache, im wesentlichen organisiert sich das Kind zwischen dem 1. und 7.Lebensjahre hinsichtlich der Gesten; zwischen dem 7. Und 14. Lebensjahre, approximativ, hinsichtlich der Sprache, wie ich es gestern auseinandergesetzt habe; und in bezug auf das Denken organi­siert es sich zwischen dem 14. und 21.Jahre, wiederum annähernd aus­gedrückt. Aber was so in einem Zeiträume von 21 Jahren hervortritt, das bildet sich in der Anlage eben auch schon in der ersten Lebensepoche, zwischen der Geburt und dem Zahnwechsel aus. Was also die eigentliche Aneignung der Gesten betrifft, die sich im Orientieren, im Gehen, aber auch im freien Orientieren, ohne aufzustützen, wie im Be­wegen der Arme und auch der Gesichtsmuskeln zum Ausdruck bringt, was also ein Gesamtorientieren, ein Einleben in die Gesten und Gebär­den ist, das entwickelt sich der Hauptsache nach rein im ersten Drittel dieser 7 Jahre, das heißt also in den ersten 2 1/3 Jahren. In diesem Zeit­räume liegt die Hauptentwicelung des Kindes in der Herausbildung der Gesten.

In hoofdzaak, in wezen ontwikkelt het kind tussen het le en 7e levensjaar de gebaren; tussen het 7e en bij benadering het 14e jaar ontwikkelt het kind het spreken, zoals gisteren uiteengezet; en tussen ongeveer het 14e en 21e jaar het denken. Maar wat zo in een periode van 21 jaar naar voren komt, dat ontwikkelt zich in aanleg ook al in de eerste levensfase, tussen geboorte en tandenwisseling.
Het feitelijke zich-eigen-maken van de gebaren drukt zich uit in het zich oriënteren, in het lopen; maar ook in het vrije oriënteren, zonder zich ergens op te richten, zoals in het bewegen van de armen en eveneens van de gezichtsspieren. Dus dit totaal-oriënteren, dit zich inleven in de gestes en gebaren, dat ontwikkelt zich in hoofdzaak zuiver in het eerste derde deel van deze 7 jaren, dat wil dus zeggen gedurende de eerste 2 1/3 jaar. In deze periode is de voornaamste ontwikkeling van het kind gelegen in het vorm geven aan de gebaren.

Die Entwickelung in den Gesten geht dann weiter; aber es kommt dazu die Anlgeentwicklung zum inneren Einprägen des Sprachlichen im Intimeren. Wenn das Kind auch früher schon Laute hervorbringt, das Einleben in die Sprache geschieht dann, nach 2 1/3 Jahren, in der Anlage. Das Durchfühlen der Sprache bildet sich aus zwischen dem 7. und 14. Jahre, aber in der Anlage haben wir es zwi­schen 21/3 und 42/3 Jahren. Das alles natürlich durchschnittlich. Und danach entwickelt das Kind die Fähigkeit, in der ersten Anlage Ge­danken innerlich zu erleben. Was später erst, zwischen dem 14. und dem 21.Jähre herauskommt und blüht, das entwickelt sich in derKeim­anlage zwischen 4 2/3 und 7 Jahren. – Die Gestenbildung dauert natür­lich fort, aber das andere schiebt sich hinein; so daß wir die Zeit, die Ausdruck der Ausbildung der Gesten in der Hauptsache ist, zu verlegen haben in die ersten 2 1/3 Jahre. Was während dieser Zeit erworben wird, das sitzt natürlich am ällertiefsten; denn wir müssen uns nur vorstellen, wie gründlich das Imitationsprinzip gerade in der allerersten Lebens­zeit wirkt.

Vervolgens gaat deze ontwikkeling door, maar daarbij ontwikkelt zich de aanleg tot het innerlijk inprenten van het taalelement. Ook al brengt het kind voordien al geluid voort, het zich inleven in de spraak vindt in aanleg plaats na 2 1/3 jaar. Het doorvoelen van de taal ontwikkelt zich tussen het 7e en 14e jaar, maar wij hebben dat in kiemvorm tussen 2 1/3 en 4 2/3 jaar. Die leeftijd is natuurlijk gemiddeld bedoeld. Daarna ontwikkelt het kind het aanvankelijke vermogen om innerlijk gedachten te beleven. Wat pas later, tussen het 14e en 21e jaar, te voorschijn komt en gaat bloeien, dat ontwikkelt zich in de kiem tussen 4  2/3 en 7 jaar. – De vorming van de gebaren duurt natuurlijk voort, maar het andere voegt zich erin; zodat we de tijd waarin zich voornamelijk het ontwikkelen van de gebaren uitdrukt, moeten plaatsen in de eerste 2 1/3 jaar. Wat het kind zich gedurende die tijd verwerft, dat zit natuurlijk het allerdiepst. Want we hoeven ons maar voor te stellen hoe grondig het imitatieprincipe juist in deze allereerste levensperiode werkt.
GA 310/67
Vertaald/69-70

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2236