Tagarchief: linkshandigheid

VRIJESCHOOL – Taalontwikkeling bij het kleinste kind (‘Kind danst’ 12)

.



Onderstaand artikel is een samenvatting door Helmut von Kügelgen van een onderzoek over hoe kleine kinderen leren spreken en een taalschat opbouwen.
Hij omlijst de samenvatting met allerlei uit de vrijeschoolse ontwikkelingspsychologie.

Mensen die in die kinderopvang werken en voor de jongste kinderen zorgen, zullen ongetwijfeld proberen waar te nemen hoe de kinderen zich ontwikkelen.
Vroegtijdig constateren dat er wellicht ontwikkelingsproblemen zijn, kan een zegen zijn voor de toekomst van het kind.
Er werd vastgesteld dat bewegen o.a. met de vingers van grote positieve invloed is op de ontwikkeling van taal.
Zie op deze blog: peuters en kleuters: alle artikelen.

In het laatste deel schrijft von Kügelgen – destijds een van de grote dragers van de ‘Internationale Vereinigung der Waldorfkindergärten’ een nawoord, geheel gebaseerd op zijn antroposofische visie. 

 

Prof. dr. M.M. Koltsova, hoofd van de onderzoekseenheid voor hogere zenuwfuncties bij kinderen, Instituut voor Fysiologie van Kind en Adolescent, Academie voor Pedagogische Wetenschappen van de USSR, Leningrad.

.

Over de verankering van de wil in de organen van het lichaam door middel van beweging
.

Hoe de spirituele en mentale vorm het lichaam als orgaan van de wil vormgeeft door middel van activiteit – vingerbewegingen en taalontwikkeling
.

“De vroege kindertijd is van fundamenteel belang voor de mentale ontwikkeling. Zij vormt de basis van alle constructieve mentale activiteit.”¹
Wat bedoelt Piaget, de belangrijke psycholoog en experimentator die de stadia van de bewustzijnsontwikkeling in de vroege kindertijd onderzocht en benoemde, met “mentale activiteit”?
Met deze uitspraak verwijst hij naar het vermogen van schoolkinderen en volwassenen om geometrische en fysieke kennis te verwerven, omdat in het eerste levensjaar de ruimte wordt verkend door de activiteit van de ledematen en zintuigen – dat wil zeggen, door beweging en waarneming. Maar welk verband bestaat er tussen het lichaam en “cognitieve vermogens”? Wat betekent “mentaal” concreet?

¹Jean Piaget und Barbel Inhelder, „Psychologie der frühen Kindheit” in „Handbuch der Psychologie” hcrausgcgeben von David und Rosa Katz, Stockholm; Basel, Stuttgart 1960.
.

In zijn “Medische observaties over de wereld van de jongere” 2 plaatst Alfred Nitschke het woord “spiritueel” tussen aanhalingstekens, alsof hij zich verontschuldigt voor het gebruik van een onbepaalde term. Hij, de natuurwetenschapper, wordt meegesleept door verwonderende observaties en woorden die afkomstig zijn uit andere, “onwetenschappelijke” domeinen: “Het ‘spirituele’ is onlosmakelijk verbonden met het fysieke… Wij zijn vleesgeworden geest en geestgeworden vlees. Het ‘geestelijke’ manifesteert zich in het lichaam; het is geïncarneerd.” Nitschke ontleent het woord aan de religieuze sfeer, aan Marcel (Mysterie van het Zijn). Vervolgens keert hij terug naar zijn eigen taal: “Hoe past het kind in de wereld? De mens, wanneer hij ter wereld komt, heeft niets. Hij is afhankelijk van handelen. Zijn oorspronkelijke natuur is zijn handelende essentie.”
Het is een van de grootste pijnpunten die we tegenwoordig in veel gesprekken en discussies ervaren, dat we dezelfde woorden gebruiken voor volkomen tegenstrijdige begrippen en ideeën. Met andere woorden, de ene persoon begrijpt iets totaal anders onder hetzelfde woord dan de andere, waardoor misverstanden ontstaan.

2Untertitel von Alfred Nitschke, Das verwaiste Kind der Natur, 2. Auflage, Max Niemeier Verlag, Tübingen 1968, S. 169.
.

De ‘oorspronkelijke aard van de mens is zijn handelende essentie’. Zou het kunnen dat Nitschke het nu heeft over het mysterie van het Ik, dat vanuit het ongeboren bestaan ​​ontstaat – dat liefde uit de hemelse wereld meebrengt en zijn wezen openbaart in de wil – in de wil die zich in de organen van het lichaam kenbaar maakt en zich met het licht voor het licht, met de klank voor het hoorbare uitvormt?
Nitschke vervolgt anders: “Actie betekent met andere woorden: motoriek , preciezer gezegd: willekeurige motoriek.
Alles wat de volwassen mens uiteindelijk heeft ontvangen, verworven, ontvangt hij via motorische vaardigheden. De bewegingen van de baby zijn bewegingen van de basale ganglia. Ze worden geactiveerd door externe of interne prikkels…”

In een visie op de mensheid die de door Rudolf Steiner herhaaldelijk beschreven gedifferentieerde concepten mist, die het spirituele van het mentale en fysieke onderscheiden en specificeren, valt het bewustzijn dat gevormd wordt door een mechanistisch wereldbeeld ten prooi aan het beeld van de motor als de belichaming van beweging. De handelende mens – een machine; wie drijft de motor aan? Grove motoriek beweegt de ledematen, fijne motoriek de spraakorganen, gezichtsuitdrukkingen – zijn het de fijnste motorische vaardigheden die de gedachten bewegen? Welke brandstof verbrandt in de motor waarvan de bewegingen worden veroorzaakt door externe of interne prikkels? Het ‘handelende wezen’ kan net zo min worden verklaard vanuit de basale ganglia of het fysieke lichaam als de krachten die een kompasnaald noord-zuid richten, kunnen worden verklaard vanuit de kompasnaald zelf.³

³ Rudolf Steiner, Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer Grundlage, Oslo 23. 11. 1921. GA 304/146 e.v.  Op deze blog vertaald/146
.

Dat zou een fysieke dwaasheid zijn: de hele aarde, als magnetisch veld, behoort haar toe, waarin de kompasnaald zich richt. De richting ervan, de naald zelf, is slechts een onderdeel; We moeten veel verder kijken dan de kompasnaald, naar de Noord- en Zuidpool van de aarde, als we het kompas willen verklaren. Wanneer we de embryovorming in het moederorganisme bestuderen, mogen we, volgens de gangbare dwaasheid, de krachten die het embryo vormgeven niet alleen binnen de ruimtelijke grenzen van de ouderorganismen, in de erfelijkheid, zoeken. “We moeten in de hele kosmos zoeken wat het embryo vormgeeft. Maar wat erop inwerkt, is datgene waarmee de psychisch-spirituele essentie van de mens verbonden is, zoals die voortkomt uit spiritueel-psychische werelden.” en afdaalt naar het fysieke bestaan.4

4 Rudolf Steiner, idem.
.

Als we dieper willen begrijpen wat Nitschke “incarnatie” noemde, moeten we aan het concept van de onsterfelijkheid van het spirituele wezen het concept van ongeborenheid toevoegen. Het wezen dat vóór conceptie en geboorte onder de hoede van hiërarchische wezens leeft, dat aan het einde van zijn leven via de dood terugkeert naar zijn geestelijke thuis, grijpt het geërfde lichaam en betreedt actief zijn aardse omgeving.

 

In de eerste leeftijdsfase, tot aan de tandenwisseling rond het zevende jaar, zien we hoe een innerlijk, wilskrachtig element steeds creatiever werkt tot aan het zichtbare oppervlak van het lichaam. Het hoofd, het meest afgewerkte, meest materiële deel van het organisme, beeldt het heelal af in zijn bolvorm — het onhandige lichaam, dat nog niet kan zitten, staan, lopen, begint te bewegen. Het is alsof twee stromingen elkaar ontmoeten en kruisen: groei en waarneming stromen naar beneden — wil en kracht om zich op te richten stromen omhoog. Het bewustzijn grijpt steeds meer de coördinerende bewegingen, de wil grijpt vormend in, de organen vormgevend tot aan die van de hersenen. De ledemaatmens ontwikkelt de “hersen-wil-organisatie” van de mens. “wanneer de mens leert lopen, vormt hij van beneden naar boven, vanuit zijn ledematen, in zekere zin vanuit zijn periferie naar zijn centrum lopend zijn wilsorganisatie in de hersenen..” 5

Rudolf Steiner, Erziehungs- und Unterrichtsmethoden auf anthroposophischer Grundlage, Oslo 23. 11. 1921. GA 304/143 e.v.  Op deze blog vertaald/143
.

Rudolf Steiner beschrijft dat de hoofdorganisatie ten minste aanvankelijk verbonden is met datgene wat wil incarneren als de geestelijke ziel van de mens. Als beeld van het universum zou het hoofd, het centrum van het zenuwzintuig-zijn, moeten leren de hele wereld aan het bewustzijn af te beelden. Maar dit gebeurt door de orgaanvormende doordringing van de onbewust actieve wilsstromen.
“En wanneer je dan ziet hoe in iedere trek, in de hele fysionomie van het kind, in de uitdrukking van de ogen, naar buiten komt, naar de buitenkant van de mens, wat er aan geest-ziel in hem verborgen zit, dan ziet iemand die het antroposofisch ziet, hoe geest en ziel, die zich eerst in de ontwikkeling van de ledematenbewegingen vanaf het kruipen tot het lopen, laten zien en dan in de prikkels voor het spraakorganisme, het ademorganisme, dat actief is in het ontstaan van het blijvende gebit, hoe dus dit geest-zielenaspect van onderaf omhoogwerkt, om vanuit de buitenwereld op te nemen wat allereerst onbewust moet worden opgenomen om het in het meest materiële in te lijven: de hoofdorganisatie van de mens, in het denken, voelen en willen.”

6 Idem. Blz. 147/148
.

Het betekent buitengewoon veel voor de houding, de gemoedstoestand van de opvoeder, om zulke gedachten in het hart mee te beleven: Wat de wezens van de goddelijk-spirituele wereld hebben gebracht en aan je toevertrouwd, helpt je om  steeds meer het lichaam te gaan doordringen en te vormen, totdat het zich kan uitdrukken en zichzelf als individualiteit kan vinden!
“Maar alleen dan staan wij met het juiste heilige ontzag, met de juiste eerbied voor de vormende geest die van binnenuit het kind vormt en vormt door de stroom van onderen naar boven. De ziel, met de geest die zij ontvangt uit het leven vóór de geboorte, vormt het organisme in de eerste zeven levensjaren. Daar bevindt de mens zich in een zeer elementaire, directe verbinding met de omgeving.”
En als men op zoek is naar een gewoon woord dat deze liefdevolle toewijding uitdrukt, deze actieve verbinding met mensen en omgevingsprocessen, waardoor wil, voelen en denken in de organen worden geïntegreerd, dan is het het woord nabootsing.
Als betekenisvolle activiteiten, liefdevolle handelingen, gecontroleerde temperamenten en ware, devotionele gedachten worden nagebootst, dan wordt deze waarheidsgetrouwheid en morele kracht als gezondheid op de organen van het lichaam geprent. Toen Rudolf Steiner als het ware de opzet van zijn project uiteenzette vóór de voordrachten over “Algemene menskunde als basis van de pedagogiek”, die de basis vormden van het Waldorfonderwijs, karakteriseerde7 hij:
“Vrij wordt men pas, wanneer men als kind zo intens mogelijk heeft kunnen nabootsen. De natuurlijke kracht van het kind moet intensief ontwikkeld worden, met name voor het tijdperk waarin het socialisme zal aanbreken. De mensen zullen geen vrije wezens worden, alle declamaties en al het politieke gekrakeel over vrijheid ten spijt, wanneer de daartoe benodigde kracht van de nabootsing tijdens de kinderleeftijd niet wordt ontwikkeld. Want alleen wat zo in de kinderleeftijd wordt ontwikkeld, kan een basis voor de sociale vrijheid leggen.”

“Wanneer de nabootsing niet op de juiste manier ontwik­keld wordt, groeien de dierlijke driften.”

7 Rudolf Steiner GA 296  blz.  18/19
Vertaald/blz. 28 en 31
.

 In zijn latere voordrachten over Waldorfonderwijs zoekt Rudolf Steiner naar een nog treffender en gedurfder woord om de betekenis van nabootsing te begrijpen. Immers, de Ik-achtige maar nog niet zelfbewuste wil van het “handelende wezen” is actief om lichaam te worden, te incarneren. De verschijning van het geestelijk-zielenwezen in materie, in het orgaan van het lichaam is transformatie, is een sacramenteel proces. Zo is Steiners paradoxale uitdrukkingsvorm begrijpelijk:

“Die vorm van ervaring die door deze nabootsing heen gaat als het bloed van het leven is… lichamelijke religie “,8

8 Rudolf Steiner: GA 306/52    op deze blog vertaald/52   

Als we de stromen die elkaar tegenkomen in een schema samenvatten, voel je de behoefte om het onmiddellijk te laten opgaan in een muzikaal motief waaruit een hele “levensloopsymfonie” wordt gecomponeerd.
Want wat er gebeurde in de eerste drie jaar met het leren lopen, spreken en denken als een incarnatie van de wil, wat de stroom van bewustzijn en groei van boven ontmoet, van het opheffen van het hoofd, het bereiken van het ademhalingsritme van de rechtopstaande borst (waar in het hartgebied gevoeluitdrukking zoekt) tot het binnengaan in de ledematen, door wiens beweging en oprichten het bemachtigen van het eerste “ik”-zeggen mogelijk wordt — dit herhaalt zich, gebruikmakend van wat is bereikt, in de drie fasen van de eerste zeven jaar, dat wordt intenser in de drie 7-jaarsfasen in de opvoedingstijd, — dit openbaart zich als de vorming van het lot wanneer men de levensfase tot volwassenheid het “leren lopen” noemt, het midden van het leven tot aan de “Zwabische leeftijd” rond 40, 42 de ontwikkeling van de ziel, de tijd van het ouder worden tot 63 de spirituele rijping van de mens en als zodanig ervaren:

Bij het overwegen en tot leven brengen van zo’n plan moet de beslissende ommekeer rond het 21e jaar worden bekeken. Het lichaam is “volwassen” wanneer de wil eindelijk de armen en benen volledig heeft ontwikkeld als organen van de wil en nu steeds duidelijker de toekomst (excarnatie) voorbereidt die voorbij de dood wijst. In het handelende, lotsvormende Ik-wezen, het onvoltooide, het schuldig blijven, de impulsen voor de toekomst — in het Ik dat ervaring en wijsheid vergaart, worden de vruchten van wat geworden is verzameld. Maar het Ik is volledig aanwezig in het centrum van de ziel. Vanuit het centrum van de ziel leven we het heden.

Taalontwikkeling en vingerbeweging

Aangezien dit artikel zich primair richt op het wortelen van de wil in de organen van het lichaam, keren we terug naar de eenvoudigste activiteit van het kind in de eerste leeftijd.
Ook in de materialistisch-wetenschappelijke beschouwing van de mens zijn er voldoende observationele resultaten om de orgaanvormende kracht van handeling, beweging en actieve wil aan te tonen.
We willen graag één voorbeeld in detail geven, omdat het illustratief materiaal levert voor Rudolf Steiners onderzoeksresultaten en representaties in een onbevooroordeelde ontdekkingsvreugde en zonder intellectueel onderscheiden concepten.

Prof. M. Mariela Koltsova heeft het materiaal voor haar boek “Het Kind leert spreken” verzameld in het “Huis van het Kind” in Leningrad — samen met logopedist M. N. Rudneva.
Een hoofdstuk eruit is vertaald door Dr. med. Vera Premer en gepubliceerd in de Mededelingen van de Beroepsvereniging van Kinderartsen “De Kinderarts” in juni 1975.
Hier geven wij de essentiële delen van deze publicatie:

Het is niet ongewoon om een vertraging in de taalontwikkeling te zien, zelfs als de kinderen volledig gezond zijn, er geen gehoorstoornissen zijn en geen abnormale ontwikkeling van het centrale zenuwstelsel. Het is niet moeilijk om de reden van spraakachterstanden bij kinderen in kindertehuizen of kinderdagverblijven te verklaren: het zorgzame personeel kan niet voldoende aandacht aan het individuele kind besteden. Maar hoe kan men een verklaring vinden als het kind meer dan goed wordt verzorgd en er veel tijd aan hem wordt besteed?
Soms spreekt het kind in het tweede levensjaar in totaal vier tot vijf woorden, hoewel het veel meer begrip van taal heeft. De bezorgde ouders komen dan naar de dokter met de vraag: “Wat zijn de redenen voor deze vertraging?” Tot nu toe werd aangenomen dat de mate van taalontwikkeling gemeten moet worden aan de mate van duurzaamheid waarmee het kind met volwassenen omgaat in hun taalomgang, en terwijl het luistert naar de spraak van anderen, begint het deze na te bootsen en leert het de woorden te articuleren door middel van imitatie. In zulke gevallen doen de ouders meer hun best, grijpen ze elke gelegenheid aan om het kind aan te spreken; het kind blijft echter bij individuele geluiden en gebaren.

Sasha, 20 maanden oud – een gezond, sterk kind, begrijpt behoorlijk wat zinnen waarmee hij wordt aangesproken – als je ze noemt, brengt hij de gevraagde voorwerpen, let op de uitleg van foto’s – maar hij zegt zelf alleen “Mama” en “Oma” “njam-njam”; voor de rest zegt hij “i-i-i”.
“I-i-i” roept Sasha en reikt naar de sinaasappel.
“Saschenka, zeg eens ‘Gib-gib’.[geef – geef] Maar hij blijft koppig bij “i-i-i” en het bijbehorende handgebaar.
De oppas wil Sasha op de arm nemen, maar hij wijst haar af met hetzelfde “i-i-i”, en zeker met een geërgerde intonatie. 
De moeder, de grootvader, de grootmoeder spreken uitgebreid met de jongen; weken, maanden gaan voorbij, maar zijn spreken blijft op hetzelfde niveau. Hij uit zich nog steeds met gebaren en individuele klinkers.

Juist in zulke gevallen, vergelijkbaar met Sascha’s geval, wanneer het kind volledig gezond is en de individuele genegenheid aanwezig is en het aanspreekpunt meer dan voldoende is – en het kind aanhoudend zwijgt – rijzen twijfels of de taalontwikkeling van het kind daadwerkelijk uitsluitend gebaseerd is op de duurzaamheid van taalkundige interactie met volwassenen. Om het belang van taalkundige interactie voor de taal van kinderen te begrijpen, hebben we speciale waarnemingen gedaan.

In het “Huis van het Kind”, in een bepaald district van Leningrad, selecteerden we met de logopedist M. N. Rudneva 20 gezonde en fysiek goed ontwikkelde kinderen van 13 tot 16 maanden.
De taalontwikkeling van deze kinderen was ernstig vertraagd. Al deze kinderen draaiden hun hoofd en keken naar de spreker (d.w.z. ze toonden de oriënterende reactie op de stem); drie kinderen begrepen enkele zinnen, maar alleen voor een bepaalde situatie, bijvoorbeeld “Neem de lepel”. Ze reageerden correct en namen de lepel – maar alleen aan tafel tijdens de maaltijden; aan de andere kant reageerden ze niet op hetzelfde verzoek wanneer ze op een speelplek waren of in bed lagen.
In het geval van twee kinderen zagen we soms een nadoen van de individuele lettergrepen, maar geen van hen kon een woord herhalen. Met deze groep werden dagelijkse gedurende twee maanden oefeningen uitgevoerd, die bestonden uit het tonen van speelgoed aan het kind dat bij zijn naam werd genoemd. Zo liet de pedagoog een speelgoedpuppy zien en zei “woef”, of wees naar een koe en zei “moe-boe”, enzovoort, terwijl hij tegelijkertijd probeerde een nabootsing van het kind uit te lokken. Daarnaast werd er speciale aandacht aan elk kind besteed door het groepspersoneel en het personeel van het onderzoekscentrum: ze spraken met hen tijdens het uitkleden, tijdens het wassen, voeden en speelden individueel met hen. De duur van de algemene taalaandacht duurde bijna een uur over een dag verspreid, en dat is heel veel. De resultaten die we behaalden waren echter zeer klein, zelfs onbeduidend: de controle na een maand en een later na drie maanden vertoonde een lichte verschuiving — we kregen tijdens het bezig zijn zwakke vocale reacties (“ach-u-u-u-u-u-u-” enz.).
Hieruit volgt dat de mate van intensiteit van taalkundig contact met volwassenen niet de rol speelt die eraan wordt toegeschreven. Natuurlijk is dit de voorwaarde voor het begin van elke taalontwikkeling, maar het lijkt erop dat er ook andere omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen. Welke? Dat moet worden verduidelijkt.

Onwillekeurig wordt je herinnerd aan het grapje: “Wanneer kan de zwarte kat het makkelijkst het huis binnensluipen?” Meestal antwoordt men: als het donker wordt – maar het juiste antwoord is: als de deur open blijft.
Het raadsel sluit aan bij de stereotiepe manier van ons denken; het (verkeerde) antwoord is gericht op de zwarte kleur van de kat, maar als alle deuren gesloten blijven, heeft zelfs de duisternis geen nut voor de kat om het huis binnen te sluipen.

Als we het hebben over de taalontwikkeling van kinderen, verbinden we die vanaf het begin met de duurzaamheid van taalinteractie met volwassenen – dit lijkt al een kwestie te zijn. Maar zou het mogelijk zijn om een “deur” te vergeten die geopend moet worden?
De beroemde Russische fysiologen Y. M. Ssechenov en Y. P. Pavlov beschouwden de spierwaarnemingen die tijdens articulatie ontstaan als zeer belangrijk. Ssechenov schreef: “Het lijkt mij zelfs dat ik nooit in woorden denk, maar in spierwaarnemingen.”
Pavlov wees er ook op dat spraak voornamelijk bestaat uit spierwaarnemingen, die leiden van de spraakorganen naar de grijze hersenschors.9

9 Deze tussenopmerking is zo interessant omdat in de spieren, oftewel in het “vlees”, de wil zijn diep onbewust blijvend lichaamsorgaan heeft: we willen de arm optillen – magisch gehoorzamen de spieren in ingewikkelde samentrekkingen en uitzettingen om het besluit e realiseren. Of we willen een vriendelijk gezicht opzetten – onmiddellijk reageren de fijn afgestemde gezichtsspieren om de gewenste uitdrukking te maken. Of we willen iets toeroepen, uiten  – en de “fijne motoriek” van de spraakorganen vormen de gewenste woordvorming in de ademstroom.
.

Daarom moet je bij het zoeken naar hulpmiddelen voor de taalontwikkeling van kinderen overwegen de spierwaarnemingen van het taalapparaat te gebruiken. Maar hoe moeten deze aan het licht worden gebracht? We weten dat spraakimitatie bij de baby ontstaat op zo’n manier dat het de gezichtsuitdrukkingen van de volwassene observeert en reproduceert.
Maar we weten ook iets anders: in de zevende maand wordt de nabootsing geïmiteerd; en in het geval van kinderen van één jaar of ouder, die vanuit onderwijstechnisch oogpunt worden verwaarloosd, is het zeer moeilijk om zenuwimpulsen te verkrijgen van de articulatieorganen. Daarom blijft deze deur gesloten en moeten we naar een andere zoeken. Als we het beeld van de grote hersenen voor ons hebben (Fig. 1),

Fig. 1: Weergave van de taalzones volgens U. Penfïeld. De geblokte velden tonen de taalzones, namelijk de anterieure (Brocasche) links, de posterieure (Wemingksche) rechts en de extra zone bovenaan. Cijfer 1 duidt de voorste centrale groef (motorisch gebied) aan, nummer 2 de achterste centrale groef (zintuiglijk gebied).
.

is het opvallend dat het motorische taalgebied heel dicht bij het algemene motorische gebied ligt – het is eigenlijk een onderdeel van het laatste. Zou het niet mogelijk zijn dat de ontwikkeling van motorische taal afhangt van de algehele motorische ontwikkeling?

Op basis van deze aanname werden de volgende observaties gedaan:
In hetzelfde huis werden 19 gezonde kinderen van 13 en 15 maanden gekozen, maar met een haperende taalontwikkeling. Negen van deze kinderen – laten we ze groep 1 noemen – kregen de kans om twintig minuten per dag op de grond te bewegen (fig. 2);

Fig. 2: Opname van de bewegingen van het kind op de vloer.
.

de andere tien kinderen bleven in hun vertrouwde omstandigheden, dat wil zeggen dat ze de tijd dat ze wakker waren, doorbrachten op de speelplek, waar hun bewegingen beperkt waren – waar de kinderen probeerden te kruipen of te lopen, stootten ze op de begrenzing van de ruimte of op de andere kinderen.10

10 Het gaat om grotere loopruimtes in de kinderdagverblijven, waar ook meer kinderen tegelijkertijd kunnen verblijven.
.

Met beide groepen werden spraakoefeningen van elk twee minuten uitgevoerd, zoals hierboven beschreven.
Het bleek dat de kinderen van groep 1 hun pogingen de klanken na te bootsen, gemiddeld op de 7e dag begonnen, maar het nadoen was zwak. Als bijvoorbeeld de volwassene “wau-wau” of “ga-ga” uitsprak, antwoordde het kind altijd met hetzelfde geluid: “a-a-a” of “u-u-u.” Tegen de twintigste dag was te zien dat de poging tot imitatie iets meer vooruitgang boekte.

In de tweede groep verscheen de imitatieve stemreactie gemiddeld pas op de dertiende dag, dat wil zeggen na twee keer zo lange tijd; deze was ook zwak en van stereotiep karakter, en zelfs na 30 dagen konden er geen veranderingen worden waargenomen.
Als we de resultaten van beide groepen vergelijken, zien we dat de mogelijkheid van vrije beweging die groep 1 had, tot op zekere hoogte het begin van degelijke imitatie kon faciliteren. Maar het succes voldeed niet aan onze verwachtingen. Blijkbaar was ook deze deur gesloten en moeten we onze zoektocht voortzetten.

Afb. 3: De aanduidingen die loodrecht op de omtrek, d.w.z. radiaal, zijn aangebracht, van links naar rechts (met de klok mee) gelezen: „Grote teen, onderbeen, knie, bovenbeen, romp, schouder, elleboog, onderarm, pols, pink, ringvinger, middelvinger, wijsvinger, duim, nek, ooglid en oogbol, gezicht, lippen, tong, slikspieren.“
De drie in een cirkelboogvorm parallel aan de omtrek aangebrachte benamingen, van binnen naar buiten gelezen: „Kauwen, speekselafscheiding, stembesturing.”

Als we nog eens naar de anatomische verhoudingen kijken, valt ons op dat bijna een derde van de totale oppervlakte van de motorische projectie11 wordt ingenomen door de projectie van het polsgewricht, die zich in de onmiddellijke nabijheid van de motorische spraakzone bevindt. Het buitenproportionele aandeel van de polsprojectie wordt bijzonder duidelijk weergegeven in afb. 3; het betreft de zogenaamde „homunculus Penfildi“. Hier worden de projecties van alle lichaamsdelen in het motorische gebied beeldend toegelicht.

11Hiermee wordt het oppervlak van het motorische gebied bedoeld, zoals dat in de projectie op het hier afgebeelde beeldvlak verschijnt.
.

Recenter onderzoek heeft uitgewezen dat e.e.a. genuanceerder ligt.

Het feit dat de projectie van het polsgewricht opvallend groot is en zich in de onmiddellijke nabijheid van de motorische spraakzone bevindt, deed de gedachte rijzen dat het trainen van de vingers een grotere invloed heeft op de actieve spraakontwikkeling van het kind dan het trainen van de algemene motoriek.

Om dit vraagstuk te onderzoeken, werd in ons laboratorium door L. W. Fomina een uitgebreide reeks experimenten uitgevoerd. In het „Huis van het Kind“ werden drie groepen kinderen in de leeftijd van tien tot vijftien maanden samengesteld en met deze kinderen werd stelselmatig als volgt te werk gegaan:

1e groep:
Geen extra oefening       

2e groep:
Dagelijkse taaloefeningen van tweeënhalve minuut 
Dagelijks vrij bewegen op de vloer, gedurende 20 min.     

3e groep:
Dagelijkse vingeroefeningen van 20 minuten (knopen aan een draad rijgen, piramides bouwen enz.)

De resultaten bij de eerste en tweede groep waren als volgt:
in de eerste groep traden vocale reacties gemiddeld op de twintigste dag op; deze waren echter zwak en stereotiep.
In de tweede groep begonnen de pogingen tot geluidsimitatie op de zesde dag. Tegen de vijftiende dag werd in tien procent van de gevallen een vrij nauwkeurige reproductie van de geluiden waargenomen.
De resultaten bij de derde groep waren zelfs voor ons verrassend: vocale reacties traden al op de derde dag op. Tegen de zevende dag vertoonde 41 procent van de gevallen – en tegen de vijftiende dag 67,3 procent – ​​zelfs een nog nauwkeurigere geluidsimitatie!

Op deze manier leidde het oefenen van fijne vingerbewegingen niet alleen tot een aanzienlijk vroegere nabootsing van geluiden (zeven keer sneller dan in de eerste groep), maar ook tot een grotere mate van perfectie. Ook opmerkelijk is dat de fijnmotorische vingeractiviteit bij de derde groep enkele dagen later ook buiten de oefensessies waargenomen kon worden: zo reikten de kinderen bijvoorbeeld naar de pop, raakten ze de neus en ogen aan, of pakten ze met hun vingers een broodkruimel van het tafelkleed, enzovoort.

De kinderen in de eerste en tweede groep maakten daarentegen geen onderscheid tussen de fijnere details van de voorwerpen. Ze pakten het speelgoed vast en sloegen ermee tegen waarop dit lag of stopten het in hun mond.

Daarnaast onderzocht dezelfde auteur (L. W. Fomina) meer dan 500 kinderen in uiteenlopende kinderopvangvoorzieningen en stelde vast dat het niveau van hun taalontwikkeling steeds direct verband hield met hun ontwikkelingsstadium en de fijne motoriek van hun vingers. (Het niveau van de taalontwikkeling kwam daarentegen niet altijd overeen met het niveau van de grove motoriek.) De onderstaande tabel illustreert deze verbanden:

Ontw. van vingerbew.           taalontw.        ontw. totaal motoriek

norm                                          norm                             norm
norm                                          norm                 onder norm
onder norm                        onder norm                        norm
boven norm                       boven norm                        norm
onder norm                       onder norm             boven norm

We kunnen dus concluderen: als de ontwikkeling van de vingerbehendigheid overeenkomt met de leeftijdsnorm, dan valt ook de taalontwikkeling binnen de normale grenzen; omgekeerd geldt dat als het eerstgenoemde achterblijft, ook de taalontwikkeling achterblijft – zelfs wanneer de algemene motoriek normaal of zelfs vergevorderd is. Waarnemingen bij een groot aantal kinderen wijzen erop dat dit verschijnsel geen toeval is, maar een vast patroon volgt.

We voeren momenteel experimenten uit met jonge kinderen om hun taalontwikkeling te beoordelen: we vragen het kind om één vinger op te steken, dan een tweede en vervolgens een derde (“Doe het zo”, terwijl we de juiste handeling voordoen). Kinderen die hun vingers onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen, zijn de kinderen die spreken; omgekeerd geldt dat als de vingers stijf zijn – en alleen gezamenlijk bewegen (tegelijk buigen of strekken) – of juist slap zijn en niet in staat tot geïsoleerde bewegingen, de kinderen niet spreken.

Op deze manier kan men het stadium van de taalontwikkeling vaststellen zonder ook maar één woord van het kind te horen. Zolang de vingers niet vrij en onafhankelijk kunnen bewegen, zal de taalontwikkeling niet op gang komen. Opmerkelijk hierbij is niet zozeer dat vingerbewegingen de taalontwikkeling beïnvloeden, maar wel dat het zo lang heeft geduurd voordat we op het idee kwamen om van dit verband gebruik te maken.

Binnen de neuropathologie en de orthopedagogie bestaan ​​al lang waarnemingen over de nauwe samenhang tussen spraak- en handfuncties. Zo is het al geruime tijd bekend dat letsel of een bloeding in het spraakcentrum van de linkerhersenhelft niet alleen leidt tot verlies van het spraakvermogen, maar ook tot verlies van de fijne motoriek in de vingers van de rechterhand – zelfs wanneer het specifieke gebied dat de vingerbewegingen aanstuurt niet direct was aangedaan.

Tegen het einde van de vorige eeuw werden gevallen beschreven van schade aan het frontale gebied van de linkerhersenhelft, waarbij de spraakfunctie desondanks intact bleef. Nader onderzoek wees uit dat deze personen linkshandig waren en dat hun motorische spraakcentrum zich in de rechterhersenhelft bevond. De ontwikkeling van spraakcentra in de linker- of rechterhersenhelft – afhankelijk van of iemand links- of rechtshandig is – vormt een bijzonder overtuigend bewijs voor het verband tussen spraak- en handfunctie.

Aanvullend bewijs is te vinden in onderzoek naar de hersenontwikkeling: zoals eerder vermeld, vertoont bij rechtshandige kinderen het motorische spraakcentrum in de linkerhersenhelft tijdens de eerste twee levensjaren een versnelde groei en cellulaire rijping, terwijl dit proces bij linkshandige kinderen in de rechterhersenhelft plaatsvindt.

Ook waarnemingen van specialisten in de orthopedagogie zijn zeer veelzeggend: het is onomstotelijk vastgesteld dat het dwingen van een linkshandig persoon om over te schakelen op het gebruik van de rechterhand (bijvoorbeeld door de linkerhand achter de rug vast te houden of op de hand te slaan) leidt tot stotteren of andere spraakstoornissen.

Later onderzoek heeft aangetoond dat dit niet per se het geval hoeft te zijn. Stotteren kan ook andere oorzaken hebben.

Bewijs wordt ook geleverd door waarnemingen tijdens het onderwijs in gesproken taal aan doofstomme kinderen. Sommige van deze kinderen leren al op jonge leeftijd met hun omgeving te communiceren via grove gebaren – dat wil zeggen… …met de hele hand; anderen leren het zogenaamde dactylologische alfabet (vingeralfabet), waarbij ze letters met hun vingers uitbeelden en de woorden als het ware ‘schrijven’.

Wanneer doofstomme kinderen naar school gaan en onderwijs in gesproken taal krijgen, hebben kinderen die voorheen met grove gebaren ‘spraken’ meer moeite om de lesstof te begrijpen; dit proces vergt bij hen vele maanden. Daarentegen leren kinderen die al vroeg met hun vingers ‘spraken’, de gesproken taal zeer snel en gemakkelijk beheersen.

Als we al deze feiten op een rijtje zetten, kunnen we de volgende conclusie trekken: wanneer we de periode bespreken waarin een kind zich voorbereidt op actief spreken, moeten we niet alleen kijken naar het oefenen van het articulatieapparaat, maar ook naar de bewegingen van de vingers.

De bovengenoemde waarnemingen rechtvaardigen – althans zo lijkt het ons – de classificatie van de pols als onderdeel van het spraakapparaat en het beschouwen van de polsregio als een extra spraakgebied in de hersenschors. Hier moeten we dus zoeken naar de gesloten deur waardoor onze “zwarte kat” – de spraak – naar binnen is geglipt.12

12 Hier gaat Mariela Kolzowa in op speculaties over hoe taal zich in de loop van millennia zou kunnen hebben ontwikkeld vanuit de oermens, die communiceerde via gebaren en kreten. Ook een ander experiment is voor ons van belang: v. K.
.

EEG-veranderingen na vingertraining:
De elektrische activiteit van de hersenen werd geregistreerd bij zuigelingen van zes weken oud in het “Kinderhuis”; vervolgens werd bij sommige zuigelingen de rechterhand getraind en bij andere de linkerhand. De training bestond uit massage van de pols en het passief buigen en strekken van de vingers.

Na één en twee maanden werd de elektrische hersenactiviteit opnieuw geregistreerd en werden de mate van weerstand en het verschijnen van hoogfrequente golven wiskundig bepaald of berekend – dit zijn indicatoren voor hersenrijping. Het bleek dat na één maand training hoogfrequente ritmes verschenen in de motorische gebieden, en na twee maanden verschenen ze in het toekomstige spraakgebied – gelegen in de hemisfeer tegenover de getrainde hand! Soortgelijke onderzoeken (waarbij maandelijks bio-elektrische stromen werden geregistreerd, gevolgd door wiskundige analyse) werden ook uitgevoerd bij kinderen van dezelfde leeftijd die dergelijke oefeningen niet hadden gedaan. De resultaten toonden aan dat de training het rijpingsproces van de taalcentra met tweeënhalve maand versnelde – in de linkerhemisfeer bij rechtshandige kinderen en in de rechterhemisfeer bij linkshandige kinderen. Deze feiten leveren direct bewijs dat taalcentra zich ontwikkelen onder invloed van impulsen die vanuit de vingers afkomstig zijn.13

13 Tot de volkswijsheid van alle volkeren behoren de vele tedere, vrolijke vingerspelletjes die met baby’s en jonge kinderen worden gespeeld. Wanneer M. Kolzowa gebruiken herontdekt die vanouds thuishoren in de kinderkamer en de kleuterschool, is dat van betekenis voor het bewust herstellen van verloren gegane zorginstincten. Het zou echter weer een vorm van intiem spel moeten zijn, in plaats van training, exploitatie of massage. v. K.
.

Vingertraining kan beginnen wanneer kinderen zes tot zeven maanden oud zijn. In dit stadium kan massage gunstig worden toegepast: het strijken over de handpalm richting de vingertoppen en terug, en het vasthouden van elk vingertje afzonderlijk om het te buigen en te strekken. Deze routine kan gedurende twee tot drie maanden worden uitgevoerd.

Vanaf de leeftijd van tien maanden kan men een kind grotere, felgekleurde voorwerpen aanbieden, gevolgd door kleinere; houten kralen aan een elastisch koord zijn hiervoor zeer geschikt. Hoewel kinderen graag met losse kralen spelen, bestaat het risico dat ze deze in hun mond stoppen en inslikken.

Spelen met de vingers tijdens het zingen van kinderliedjes vormt een uitstekende oefening. Een ander geweldig hulpmiddel om de vingerbehendigheid te ontwikkelen, is het spel ‘Vingertheater’. Kinderen vanaf anderhalf jaar spelen dit met veel enthousiasme. Bij dit spel worden dieren- of mensenkopjes op de vingers geschoven om allerlei scènes uit te beelden. Wanneer volwassenen met kinderen van één tot drie jaar spelen, dienen zij de activiteit te begeleiden. Op deze leeftijd imiteren de kleintjes de vingerbewegingen van de volwassenen, aangezien ze zelf nog niet in staat zijn het verhaal voor een dergelijk spel te bedenken. Rond hun vierde levensjaar beginnen ze zelfstandig eenvoudige handelingen te improviseren.

Het is belangrijk te benadrukken dat deze spelletjes niet te lang moeten duren. Uit onze waarnemingen blijkt dat vijf minuten ruim voldoende is om de taalontwikkeling van een kind te stimuleren.

Bij het bespreken van vingeroefeningen mogen linkshandigen niet onvermeld blijven.

Linkshandigen worden soms ‘ambidexter’ genoemd – wat in zekere zin betekent dat ze ‘twee rechterhanden’ hebben. In werkelijkheid beheersen linkshandigen het gebruik van beide handen; ze streven er van nature naar alles met hun linkerhand te doen, terwijl hun omgeving hen probeert te leren de rechterhand te gebruiken.

Is linkshandig zijn goed of slecht? 14

14 Het advies van Rudolf Steiner hierover is helder en weloverwogen: links en rechts zijn niet onderling uitwisselbaar. Onze gehele beschaving is gericht op de actieve rechterhand en niet op de “harthand”, die meer aanleg heeft voor het artistieke. Daarom is het juist en passend om alle dagelijkse handelingen van meet af aan aan de rechterhand toe te vertrouwen en – in het geval van linkshandigen – hen voorzichtig om te scholen (zonder dwang, want dat brengt risico’s met zich mee zoals stotteren, enz.). Hij waarschuwt nadrukkelijk tegen tweehandigheid. Het kan slechts leiden tot verwarring en stoornissen wanneer het iemand wordt aangeleerd vanuit een primitief intellectualisme en een utilitaire instelling. v. K.
.

Het is juist gunstig: het trainen van beide handen stimuleert de ontwikkeling van de bijbehorende gebieden in de hersenschors. Neuropathologen beschouwen dit als een veiligheidsfactor bij eventuele schade aan de linkerhersenhelft.
I.P. Pavlov was van mening – juist omdat er in zowel de rechter- als de linkerhersenhelft taalgebieden aanwezig zijn – dat linkshandigen in het voordeel waren ten opzichte van rechtshandigen wat betreft een hoger niveau van intellectuele ontwikkeling. Hij wees erop dat een aantal prominente figuren linkshandig was. (Pavlov zelf was linkshandig!) …

Ook als de spraakontwikkeling van uw kind goed verloopt, is het belangrijk om aandacht te besteden aan de ontwikkeling van de fijne vingerbewegingen; als de spraakontwikkeling van uw kleintje echter achterblijft, leg dan extra nadruk op vingeroefeningen. Dit kost u slechts enkele minuten per dag en zal op de lange termijn zijn vruchten afwerpen.

We hebben gezien dat de taalontwikkeling van een kind vrij nauwkeurig de stadia van de menselijke ontwikkeling weerspiegelt: gebaren, vervolgens gebaren vergezeld van primitieve klanken, het ontstaan ​​van woorden en ten slotte gesproken taal met slechts zeer geringe overblijfselen van gebaren.

Niet alleen de stadia van taalontwikkeling herhalen zich; ook de drijvende krachten achter dit proces zijn dezelfde: arbeid en activiteit. Uiteraard sluit de vorm van deze activiteit aan bij de vermogens van het kind.15

15 Het is opvallend dat het woord ‘spel’ wordt vermeden om redenen die geworteld zijn in de ideologie van de Sovjet-Russische arbeidsethos. Rudolf Steiner wijst herhaaldelijk op de betekenis van metamorfose, waarbij aangeboren aanleg in de kindertijd een proces doorloopt langs de stadia van opvoeding en onderwijs: spel verandert in werk, en het intense vermogen tot spelen ontwikkelt zich tot een toegewijd vermogen tot beroepsmatige activiteit. Het geheim dat zowel aan spel als aan werk ten grondslag ligt, is de wil – uitgeoefend door het ‘handelende wezen’ of het ‘Ik’ – die via spelenderwijs handelen eerst de lichamelijke organen vormgeeft, om ze vervolgens in te zetten voor de arbeid van het zich ontwikkelende individu. v. K.
.

Toch vormt de afhankelijkheid van taalontwikkeling van de activiteit van het jonge kind een rode draad door elke fase van het proces – van het begrijpen van taal tot het actief spreken zelf. De volledige rijkdom aan begrippen die kinderen van ons overnemen, wordt geïntegreerd in hun eigen activiteiten en hun interacties met voorwerpen. Wanneer deze activiteit wordt beperkt, verliest de verworven talige rijkdom bovendien haar betekenis; de reikwijdte van hun begrippen neemt af en hun woordenschat verarmt.

Nergens vinden wetenschappelijke conclusies over de rol van arbeid in de menselijke ontwikkeling zo’n treffende en overtuigende bevestiging als in de taalontwikkeling van het kind!

Uit de studie van kindertaal komt nog een feit van enorm belang naar voren: niet alleen de taalcentra, maar de gehele grote hersenen zijn betrokken bij dit proces – het meest complexe van alle processen.16

16 Deze waarnemingen – en niet zozeer theorieën of een mechanistische mensopvatting – vormen de basis voor deze opmerkingen: taalontwikkeling komt voort uit beweging – uit lopen, in de breedste zin van het woord – en denken komt voort uit het woord. Zie het schema dat de samenhang illustreert tussen lopen, spreken en denken, en tussen hoofd, borst en ledematen.
v. K.
.

Er zijn hier diverse feiten aangehaald die wijzen op de belangrijke rol die verschillende hersengebieden spelen bij de totstandkoming van taal – al geven deze bij lange na niet de volledige omvang van de huidige wetenschappelijke kennis weer. En hoeveel vragen wachten er nog op een antwoord! Wanneer wetenschappers in staat zijn een verschijnsel bevredigend te verklaren, impliceert dit inzicht in de onderliggende mechanismen; zodra we die mechanismen doorgronden, kunnen we het verschijnsel zelf beïnvloeden en vormgeven.

We kunnen ons een beeld vormen van de mechanismen (zij het niet tot in het kleinste detail) die ten grondslag liggen aan de transformatie van een woord tot de aanduiding van een concreet object – tot een concept – en we kunnen dit proces in de gewenste richting sturen. Ook de mechanismen die de taalontwikkeling van een kind vormgeven, zijn in grote lijnen verklaard en er zijn methoden gevonden om dit proces te stimuleren en te verfijnen.

Er ligt echter nog veel buiten onze macht; we moeten ons onderzoek richten op die mechanismen die de mens een nog grotere beheersing zullen geven over heverloop van de taalontwikkeling en het “denken in woorden” – die “buitengewone gave van de menselijke soort” (I.P. Pavlov).

0-0-0

Von Kügelgen:

Laten we tot slot ingaan op de verbinding met drie onderscheiden sferen van de geestelijke wereld – sferen waarin de mens staat door middel van het vermogen om voorstellingen te vormen, het gevoelsleven te ontplooien en de wil uit te oefenen. Als we de gewone taal serieus nemen en haar nauwkeurig begrijpen, kunnen we proberen de zaak als volgt te verwoorden: we zijn gewend te spreken over de ‘tijdgeest’ of de ‘geest van een tijdperk’. Ook nemen we de ‘genius’ van een taal – of de volksgeest – direct als een werkelijkheid waar. En we ervaren de wijze leiding van de beschermengel – de metgezel van het individuele lot – als een werkelijkheid, althans in allegorische zin. Wie de werkelijkheid van de geestelijke wereld in zijn wereld- en mensbeeld heeft opgenomen, ziet  achter woorden als ‘geest’, ‘genius’ en ‘engel’….. de werkelijke wezens.

Tot de aangrijpende beschrijvingen van Rudolf Steiner – waarin de stadia van de vroege kinderontwikkeling vanuit steeds nieuwe gezichtspunten worden belicht – behoort zijn uiteenzetting over de betrokkenheid van wezens uit de Derde Hiërarchie.

Door het zich oprichten, staan ​​en lopen – en door de gehele statica en dynamiek van onze bewegingen en de ontplooiing van onze wil – worden wij tijdgenoten van ons tijdperk; een verheven wezen uit de Hiërarchie van de Archai speelt een rol bij het geven van de impuls tot handelen. De innerlijke drang tot nabootsing en taalverwerving leidt ons naar een verbinding met de werkelijke volksgeest en de genius van een taal – wezens die behoren tot de Hiërarchie van de Aartsengelen. De behoefte om begrippen in woorden te zoeken – en om onszelf als denkende wezens te ervaren – danken wij aan onze persoonlijke metgezel: de engel die ons van het ene aardse leven naar het volgende begeleidt.

Door de poort van de geboorte heen straalt nog steeds de glans van wezens wier bestaan ​​de geestelijk-hemelse wereld vormt. Hun kracht is werkzaam in de levenswil en in de toewijding aan het nabootsen. Dit vertoont gelijkenis met de ‘gewoonte’ die we meebrengen uit ons leven met geestelijke wezens – een gewoonte die ons geleidelijk verlaat naarmate de kracht tot nabootsing afneemt. Wanneer we de kindertijd achter ons laten en – vanuit het standpunt van het ‘Ik’ – de persoonlijke verantwoordelijkheid voor ons eigen lot op ons nemen, kunnen we ons bewust worden van onze verbinding met de geestelijk-hemelse wereld en deze zo hervinden.

Zelfs voor het gewone bewustzijn – zonder het vermogen om rechtstreeks in de geestelijke wereld te blikken – is het duidelijk dat we op drie manieren met hogere werelden verbonden zijn. Ons voorstellingsleven, dat herinneringen en gedachten omvat, is niet van fysieke aard; toch wijst het, door de wijze waarop het ons leven als deel van onze innerlijke ervaring vormgeeft, op een sfeer die voorbij het fysieke ligt. Liefde en haat, sympathie en antipathie – het hele rijke spectrum van de gevoelsbeleving – vormen een tweede, intiemere en wezenlijk andere aanwijzing voor het onzichtbare. Het derde aspect bestaat uit onze beslissingen en initiatieven: onze wilsimpulsen.

Op de drempel van het inslapen kunnen we waarnemen op welke verschillende manieren deze drie gebieden van het zielenleven aanvankelijk met ons eigen wezen verbonden zijn. Het leven van gedachten en voorstellingen beheerst ons vanaf het moment van ontwaken tot aan het inslapen; het vervaagt naarmate we in slaap sukkelen. We vallen in slaap wanneer we vermoeid raken door een zwaar boek – wanneer de gepresenteerde ideeën ons innerlijk niet meer beroeren. Een meeslepende roman of een verhaal dat onze emoties diep raakt, houdt ons daarentegen wakker. Ook gevoelens van wroeging of schuld, intense vreugde of medeleven beletten ons te slapen; ze zijn nauwer verbonden met onze wezenlijke aard en hebben zelf een droomachtig karakter. Ze roepen beelden op en vergezellen ons in onze dromen.
‘Het zijn de emoties die de droombeelden aantrekken. Dit komt doordat ze veel nauwer verbonden zijn met de ware essentie van de mens dan het voorstellingsleven.’  17

 17 Rudolf Steiner, GA 130/109
Vertaald
.

Wie het moment van inslapen aandachtig observeert, kent het gevoel van welbehagen dat ermee gepaard gaat. Voorstellingen vervagen als in een nevel; vreugde en verdriet verstommen; toch blijft er iets over als een echo van de wilsimpulsen – zowel goede als slechte – van de voorbije dag.
“Wanneer iemand voor het inslapen de goede wilsimpulsen voor zijn ziel haalt, voelt hij zich des te verkwikt en vitaal.”  18

 18 Zie 17: Ook de volgende citaten zijn aan deze voordracht ontleend.

We ervaren onze wilsimpulsen als iets dat ons bezielt – en dan volgt de overgang: het fysieke scheidt zich van het geestelijke en we zinken weg in de slaap.
“Het leven van onze wilsimpulsen is nog nauwer met ons bestaan ​​verbonden dan onze emoties; en wie het moment van inslapen vaak observeert, voelt aan dat – als men niet kan terugkijken op goede wilsimpulsen gedurende de dag – het voelt alsof iets in ons, iets dat overgaat in de slaaptoestand, wordt uitgedoofd. Zo zijn wilsimpulsen verbonden met gezondheid en ziekte, en met onze levensenergie.”

In de geesteswetenschap worden de werelden beschreven waarin wij ons begeven door middel van fysieke zintuigwaarneming, gedachten, zielsbewegingen en wilsimpulsen – en van waaruit, terwijl ons lot steeds dieper wordt beroerd, het antwoord komt wanneer dwalingen, lage gevoelens of immorele impulsen ons bewegen. In de hier aangehaalde voordracht beschrijft Rudolf Steiner ze als volgt:
“Wanneer wij via de uiterlijke zintuigen waarnemen, kunnen wij daardoor alles waarnemen wat in de fysieke wereld bestaat. Wanneer wij ons voorstellingen vormen, staan ​​onze ideeën en ons gedachteleven in relatie tot de astrale wereld; onze zielsbewegingen brengen ons in verbinding met wat wij de hemelse wereld noemen – het lagere Devachan – en de wereld van morele impulsen brengt ons in verbinding met het hogere Devachan, oftewel de wereld van de geest. Zo is de mens door middel van gedachten, ziel en wilsimpulsen met drie werelden verbonden. En voor zover de mens tot de astrale wereld behoort, kan hij zijn gedachten in de astrale wereld dragen; hij kan zijn zielsbewegingen in de devachanische wereld dragen; en in de hogere hemelse wereld kan hij alle wilsimpulsen dragen die in zijn ziel aanwezig zijn.”

Laten we onze blik nu weer richten op het begin van onze bespreking. De betekenis van opvoeding tijdens de levensfase waarin het lichaam wordt gevormd tot instrument voor ons wilsinitiatief en onze levenskracht – de betekenis van opvoeding tijdens de eerste zevenjarige levensperiode – is hopelijk duidelijk geworden. De geestelijke werkelijkheid, met eerbied beschouwd, geeft ons de kracht om als opvoeders de juiste houding te ontwikkelen in kleine, alledaagse zaken – en daarbij steeds bewuster, liefdevoller en heilzamer te worden.

.

Menskunde en pedagogie: hand en intelligente [5]

Rudolf Steiner: handvaardigheid: artikelen met de relatie hand-intelligentie

Spel: alle artikelen

Rudolf Steiner over nabootsing: alle artikelen

Rudolf Steiner over lopen spreken, denken: alle artikelen

Ontwikkelingsfasen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: peuter-kleuterklas

.

3622-4014

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – GA 309 – toespraak

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom: pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 309: vertaling
inhoudsopgave;  voordracht  [1]  [2]   [3]  [4]   [5]
vragenbeantwoording [1]
vragenbeantwoording [2]

RUDOLF STEINER

UITGANGSPUNTEN VAN HET VRIJESCHOOLONDERWIJS

5 voordrachten gehouden in Bern van 13 t/m 17 april 1924, met beantwoording van vragen en een toespraak bij een pedagogische euritmie-opvoering.(1)

bLZ. 103

ANSPRACHE
vor einer Vorführung pädagogischer Eurythmie
Bern, 14. April 1924

TOESPRAAK
bij een pedagogische euritmie-opvoering

Meine sehr verehrten Anwesenden, vor kurzer Zeit durften wir hier in Bern im Theater aufführen Proben der eurythmischen Kunst, welche vom Goetheanum aus gepflegt wird. Damals handelte es sich vorzugs­weise darum, Eurythmie als Kunst vorzuführen. Die Eurythmie ist eine Kunst, die mit heute noch ungewohnten Kunstmitteln arbeitet, in heute noch ungewohnten künstlerischen Formen spricht, und über die vielleicht daher ein paar Worte der Verständigung im voraus not­wendig sind.
Der Mensch offenbart dasjenige, was in seiner Seele lebt, durch das Gesanglich-Musikalische und durch die Sprache. Beides, sowohl das Gesanglich-Musikalische wie die Sprache, sie gehen hervor aus dem­jenigen, was der Mensch in sich erlebt; aber sie sind gewissermaßen konzentriert auf ein gewisses Organ, ein organisches System: auf die Sprach- und Gesangsorgane. Nun sehen wir schon im gewöhnlichen Leben, wenn wir sprechen, wie wir so häufig das Bedürfnis haben, das­jenige, was wir durch die Sprache zum Ausdruck bringen, möglichst zu unterstützen durch allerlei Gebärden, und wir
.

Zeer geachte aanwezigen,
een korte tijd* geleden mochten we hier in het theater van Bern onderdelen van de euritmische kunst uitvoeren die vanuit het Goetheanum verzorgd wordt. Toen ging het er voornamelijk om euritmie als kunst te laten zien. De euritmie is een kunst die tegenwoordig nog met ongebruikelijke kunstmiddelen werkt, tegenwoordig nog zich uitdrukt in ongebruikelijke kunstzinnige vormen en waarover daarom misschien een paar woorden vooraf nodig zijn voor een beter begrip.
Wat in de ziel van de mens leeft, uit hij zingend, muzikaal en door het spreken. Beide, én het zingend-muzikale én de apraak komen uit wat de mens van binnen beleeft; maar in zekere zin concentreert zich dat op een bepaald orgaan, een orgaansysteem: op het spraak- en zangorgaan. Nu zien we als we in het dagelijks leven spreken, hoe we zo vaak de behoefte hebben om wat we door het spreken uitdrukken, wanneer het maar mogelijk, is te ondersteunen door allerlei gebaren en we

vermeinen, wenn wir das auch nicht immer uns klarmachen, daß die Gebärde geeignet ist, den Anteil des Seelischen an dem, was wir da aussprechen, größer zu gestalten, als wenn wir die Sache bloß aussprechen. Das ist das eine, was als eine Beobachtung aus dem gewöhnlichen Leben hergenommen wer­den kann, und woraus wir dann sehen werden, wie es sich zum Euryth­mischen verhält.
Ein anderes ist ein kleines Stück von einer Erkenntnis, die die heu­tige Wissenschaft schon hat, während eine ganze Erkenntnis daraus werden kann. Die heutige Wissenschaft weiß, daß das Sprachzentrum, das gewöhnliche Sprachzentrum des Menschen, in der linken Hirn-hälfte liegt, daß da ein ganz bestimmtes Organ ist, aus Hirnwindungen bestehend, ohne das der Mensch unfähig ist zu sprechen – nicht des­halb, weil seine Sprachorgane in irgendeiner Weise unfähig wären, die können ganz intakt sein; der Mensch kann doch nicht, wenn dieses

denken, ook al weten we dat niet altijd, dat het gebaar in staat is de betrokkenheid van de ziel bij wat we dan uitspreken groter te maken dan wanneer we het alleen maar uitspreken. Dat is één ding dat je als waarneming uit het dagelijks leven kan nemen en waaraan we dan zullen zien hoe dit zich verhoudt tot het euritmische.
Het andere is het kleine beetje kennis dat de huidige wetenschap al heeft, terwijl daaruit heel veel kennis komen kan. De huidige wetenschap weet dat het spraakcentrum, het gewone spraakcentrum van de mens, in de linkerhersenhelft ligt, dat zich daar een heel bepaald orgaan bevindt, uit hersenwindingen bestaand en zonder dat kan de mens niet spreken – niet omdat zijn spraakorganen op de een of andere manier niet te gebruiken zouden zijn, die kunnen helemaal intact zijn; de mens kan toch niet, wanneer dit

*Vor kurzer Zeit: am 26. Januar 1924 hatte im Stadttheater Bern eine öffent­liche Eurythmie-Aufführung stattgefunden, in der u. a. die Ariel-Szene aus «Faust» II eurythmisch dargebracht worden war.

blz. 104

Gehirnorgan nicht in Ordnung ist, sprechen und singen, weil er Sinn nicht in diese Sprachlaute hineinlegen könnte. Nun ist das Merkwür­dige dieses, daß die meisten Menschen dieses Sprachzentrum in der linken Hirnhälfte haben. Die rechte Hirnhälfte in ihren Windungen zeigt dieses Sprachzentrum gewöhnlich bei den Menschen nicht. Da ist das Gehirn nicht in den Formen, in denen es geformt ist in der lin­ken Seite des Gehirnes. Nur die wenigen linkshändigen Menschen haben die Sache umgekehrt; sie haben auf der linken Seite einen ungeformten Teil und auf der rechten Seite das geformte Sprachzentrum des Ge­hirns. Daraus kann man sehen, daß die Bewegung des Armes und der Hand etwas zu tun hat mit dem Sprechen. Das Kind führt zunächst das, was aus seiner Seele heraus leben will, in den Handbewegungen aus, und wir haben die Handbewegungen dazu veranlagt, ausdrucks-volle Gesten zu bilden, ausdrucksvolle Gebärden zu formen. Bei dem­jenigen Menschen, dessen rechte Hand und rechter Arm dazu veran­lagt sind, ausdrucksvoll zu werden, Sprache zu werden, bei ihm geht durch eine geheimnisvolle innere Organisation dieser Impuls aus Arm und Hand über auf die linke Seite des Kopfes, und man kann durchaus davon sprechen, daß es bei den Linkshändern auf die rechte Seite des Kopfes übergeht. Als muß die Sprache mit der Veranlagung von Arm und Hand etwas zu tun haben.

hersenorgaan niet in orde is, spreken en zingen, omdat hij  deze spraakklanken geen betekenis kan geven. Nu is het merkwaardige dit, dat de meeste mensen dit spraakcentrum in de linkerhersenhelft hebben. In de rechterhersenhelftwindingen wordt dit spraakcentrum bij de mens gewoonlijk niet gevonden. Daar zijn de hersenen niet zo gevormd als in de linkerkant van het brein. Alleen een handjevol linkshandige mensen hebben het omgekeerd; zij hebben aan de linkerkant een ongevormd deel en aan de rechterkant het gevormde spraakcentrum van de hersenen. Daaraan kan je zien, dat de beweging van de arm en de hand iets te maken heeft met het spreken. Het kind drukt meteen dat wat vanuit zijn ziel naar buiten wil, uit met handbewegingen en in aanleg maken onze handbewegingen het mogelijk, betekenisvolle gebaren te maken, gebaren, uitdrukkingsvolle gebaren te vormen. Bij de mensen bij wie de rechterhand en de rechterarm in aanleg uitdrukkingsvol worden, spraak worden, gaat door een geheimzinnige inwendige organisatie deze impuls uit arm en hand over op de linkerkant van het hoofd en je kan gerust zeggen dat het bij de linkshandigen op de rechterkant van het hoofd overgaat. Dus moet de spraak iets te maken hebben met de aanleg van arm en hand.

Anthroposophische Geisteswissenschaft, wie wir sie in Dornach trei­ben, ist nun imstande, diese Sache, die nur ein kleines Stück Weg be­kannt ist, weiter auszubilden; und da sieht man zuletzt, daß alles, was im Menschen organisch veranlagt ist, etwas zu tun hat mit der Fähig­keit zu sprechen. Wer das durchschauen kann, der braucht nur zu sehen, wie ein Mensch auftritt, wie er ein Bein vor das andere setzt im Gehen. Er kann aus diesem heraus sehen, ob dieser Mensch eine Sprache hat – auch wenn er ihn nie sprechen gehört hat – in scharfer Abgren­zung, ob er einzelne Laute betont oder alles gleich sagt. Wenn man einen Menschen anschaut, wie er Arme und Beine bewegt, bekommt man eine Anschauung vom Rhythmus seiner Sprache; das Mienenspiel des Gesichtes deutet das Melos der Sprache, ihre Melodie an. Der Mensch bildet das im Verlaufe seines Lebens nicht aus, sonst würden wir alle merkwürdige Betrachtungen fortwährend machen, wenn wir

Antroposofische geesteswetenschap zoals we die in Dornach uitoefenen, is nu in staat dit, waarvan maar een klein deel bekend is, verder uit te werken; en dan zie je uiteindelijk dat alles wat in de mens organisch aangelegd is, iets te maken heeft met de mogelijkheid te kunnen spreken. Wie dat kan inzien, hoeft alleen maar te kijken hoe de mens zich gedraagt, hoe hij het ene been voor het andere zet bij het lopen. Hieraan kan hij zien of deze mens – het is niet nnodig dat hij hem heeft horen spreken – afgemeten praat, of hij de nadruk legt op bepaalde klanken of alles hetzelfde zegt. Wanneer je kijkt hoe een mens zijn armen en benen beweegt, krijg je een beeld van het ritme van zijn spreken; de mimiek op zijn gezicht duidt op de melodie van de spraak. De mens ontwikkelt dit tijdens zijn leven niet verder, anders zouden we voortdurend die merkwaardige bespiegelingen hebben, wanneer wij

blz. 105

die Seele im Ausdruck der Sprache zur Offenbarung kommen lassen. Wir unterdrücken die Begleiterscheinungen, die unser Organismus da ausführen will für die Sprache. Sie können sogar sehen, wie es die An­gehörigen der einen Nation mehr tun als die Angehörigen der anderen Nation. Die Engländer stecken die Hände in die Hosentaschen, wenn sie reden; die Italiener bekräftigen das, was sie sagen wollen, was sie auf der Seele haben, mit allerlei Gebärden. Man kann wirklich, wenn man ein exaktes Anschauen von diesen Dingen hat, jeden Sprachlaut zurückführen auf eine Bewegung des menschlichen Organismus. So wie sich die Bewegung, die sich aber im Leben unterdrückt, in die Sprache verwandelt, so kann man die Sprache zurückverwandeln in Bewegung. Dieses gibt dann Eurythmie. Diese Eurythmie gibt das, was wir in meistens nicht sehr ausdrucksvollen Bewegungen, mit denen wir unsere Sprache begleiten, zeigen. Wie sich das unartikulierte Lallen des Kindes verhält zur ausgebildeten Sprache der Menschen, so verhält sich die Gebärde der gewöhnlichen Sprache zur Eurythmie. 

onze ziel door het spreken tot uitdrukking brengen. We dempen de verschijnselen die dat begeleiden; die ons organisme wat het spreken betreft naar buiten wil brengen. Je kan zelfs zien hoe mensen uit het ene land het meer doen dan die uit een ander land. De Engelsen steken de handen in de broekzak, wanneer ze praten; de Italianen zetten alles wat ze willen zeggen wat ze op hun hart hebben, met allerlei gebaren kracht bij. Je kan werkelijk, wanneer je exact naar deze dingen kijkt, iedere spraakklank terugleiden naar een beweging van het menselijk organisme. Zoals de beweging die in het leven afgeremd wordt, verandert in spraak, zo kun je de spraak weer veranderen in beweging. Dat doet de euritmie. Euritmie laat zien, wat wij meestal niet met té uitdrukkingsvolle bewegingen waarmee we ons spreken begeleiden, doen. Zoals het ongearticuleerde brabbelen van een kind zich verhoudt tot de gevormde spraak van de mens, zo verhouden de gebaren van het gewone spreken zich tot de euritmie.

Das, was der Mensch hat als Unterstützung seiner Sprache, ist ein Lallen seiner Gebärden; hier in der Eurythmie sehen Sie die ausgebildete Bewe­gungssprache, eine sichtbare Sprache, die aber ausdrucksvoller ist, die kunstvoll ist, weil sie nicht der Konvention unterliegt wie die gewöhn­liche Sprache.
Was den Gesang betrifft, so kommt ja in ihm zum Ausdruck das­jenige, was im Menschen – man kann schon sagen – als Musikalisches lebt. Da ist die Sache noch viel interessanter. Wenn der Mensch nämlich dasjenige in sich erlebt, was ihn über das Tier hinaushebt, dann wird das im Menschen unterbewußt als das Musikalische erlebt. Daher ha­ben wir für die anderen Künste überall Vorbilder in der Natur, weil in den Reichen der Natur das da ist, was in den anderen Künsten ge­pflegt wird. Für die Musik haben wir kein Vorbild der Natur. Wenn jemand musikalisch komponieren will, kann er nicht die Natur nach­ahmen. Derjenige, der den Menschen, ich möchte sagen, mit musika­lischer Anschauung betrachten kann, der findet in dem, was der Mensch innerlich durch Atmung, durch Blutzirkulation betätigt und wiederum durch dasjenige, was mit Atmung und Blutzirkulation in seiner Ge­staltung zusammenhängt, er findet im Menschen ein lebendes, ein fortwährend

Wat de mens heeft om zijn spreken te ondersteunen, is een brabbelen van zijn gebaren; hier in de euritmie zien we de uitgewerkte spraakbewegingen, een zichtbaar spreken dat echter meer uitdrukkingskracht heeft, dat kunstvol is, omdat ze niet onderhevig is aan conventie zoals het gewone spreken.
Wat het zingen betreft, daarin komt tot uitdrukking wat in de mens – je kan wel zeggen – als muzikaliteit leeft. Daar is het nog veel interessanter. Wanneer de mens namelijk beleeft wat hem boven het dier verheft, beleeft hij dat onderbewust als iets muzikaals. Voor de andere kunsten vinden we overal in de natuur voorbeelden, omdat in de natuurrijken aanwezig is wat in de andere kunstvormen gedaan wordt. Voor muziek is er in de natuur geen voorbeeld. Wanneer iemand iets componeren wil, kan hij de natuur niet nabootsen. Degene die de mens – ik zou willen zeggen – met een muzikale blik bekijken kan, vindt in wat in de mens inwendig met de adem, de bloedsomloop in zijn gestalte samenhangt, een levendig, een

blz.106

bewegliches musikalisches Instrument. Ach, es ist so trost­los pedantisch und philiströs, wenn wir nur mit der gewöhnlichen Ana­tomie und Physiologie den Menschen beschreiben; dieses wunderbare Gefüge von Nerven, das im Menschen verläuft und aufgefädelt ist, möchte ich sagen, auf dem Rückenmark, das da ausläuft in das Ge­hirn. Dieses ganze Nervensystem, angeschaut, ist eigentlich eine wun­derbare Abstufung von musikalischen Wirkungen, die von der Atmung übergehen durch die Blutzirkulation in das Nervensystem, die im Ner­vensystem sich absetzt als die wunderbarste, im Menschen lebendige Musik. Was musikalisch erlebt wird, überträgt sich wieder in die Ge­stalt des menschlichen Organismus. Geradeso wie die Handbewegung, die Beinbewegung, die Fußaufstellung, wie das lebt in der Sprache, so lebt das, wie der Mensch innerlich rhythmisch veranlagt ist, in dem Musikalischen, in dem, was er gesanglich hervorbringt. So wie das Ge­hirn nach den Bewegungen sich zum Mittelpunkt der Sprache macht, des sinnvollen Sprechens, so macht sich ein anderer Teil des Gehirnes zum Mittelpunkt dessen, was nicht äußerlich erscheint in Bewegung, sondern was innerlich in Blutzirkulation erscheint. Wir lernen das In­nere des Menschen kennen, wenn wir diejenige Bewegung, die eigent­lich im Inneren des Menschen verläuft als musikalische Bewegung des Gesanges, in die äußere Gebärde übersetzt, kennenlernen.

voortdurend zich bewegend muzikaal instrument. Ach, het is troosteloos pedant en filistreus, wanneer je met de gebruikelijke anatomie en fysiologie de mens beschrijft; deze wonderschone compositie van zenuwenbanen die door de mens lopen en met elkaar verbonden zijn, naar het ruggenmerg toe en vandaar naar de hersenen. Gekeken naar dit hele zenuwsysteem is het eigenlijk een wonderbaarlijke nuancering van muzikale invloeden die via de adem door de bloedsomloop in het zenuwsysteem komen en daar blijven als de wonderbaarlijkste, levendige muziek in de mens. Wat muzikaal beleefd wordt, gaat ook weer over in de gestalte van het menselijk organisme. Net zoals de beweging van de hand, van het been, van de plaatsing van de voet, hoe dat in de spraak leeft, zo leeft wat de mens ritmisch als aanleg heeft, in het muzikale, in wat hij zingend laat horen. Zoals de hersenen door de bewegingen zich tot het centrum van de spraak vormen, van het zinvolle spreken, zo maakt een ander deel van de hersenen zich tot middelpunt van wat niet uiterlijk zichtbaar wordt in beweging, maar wat in de bloedsomloop verschijnt. We leren het innerlijk van de mens kennen, wanneer we die beweging die eigenlijk in het innerlijk van de mens verloopt, als muzikale beweging van het zingen, in het uiterlijke gebaar omgezet.

Dadurch ent­steht die Toneurythmie. Sie ist eine Darstellung dessen, was aus dem rhythmischen Menschen heraus ist. So entsteht sichtbare Sprache und sichtbarer Gesang, die ebenso ausdrucksvoll sind wie die Lautsprache und der Tongesang selber. Nun, das alles kann künstlerisch ausgestal­tet werden, ist künstlerisch ausgestaltet und tritt als Kunst zu den an­deren Künsten hinzu.
Nun stellt sich noch ein anderes heraus. Wir haben in der Waldorf­schule in Stuttgart durch die ganze Volksschule hindurch und weiter die Eurythmie eingeführt als obligatorischen Lehrgegenstand neben dem Turnen. Sie ist ein geistig-seelisches Turnen. Wenn man das Tur­nen, das eigentlich heute etwas überschätzt wird, ansieht, dann ent­steht es so in der Zeit des Materialismus als ein Bewegen des Menschen auf Grundlage der Anschauung seiner Körperlichkeit. Ein sehr be­rühmter Physiologe der Gegenwart, der einmal einer Eurythmievorstellung

Daardoor ontstaat de tooneuritmie. Zij laat zien wat uit de ritmische mens komt. Zo ontstaat een zichtbaar spreken en een zichtbaar zingen die net zo uitdrukkingsvol zijn als de spraakklanken en het zingen van tonen. Welnu, dit allemaal kun je een kunstzinnige vorm geven; het is in een kunstzinnige vorm gebracht en bestaat als kunst naast de andere kunsten.
Nu is er nog iets anders. We hebben op de vrijeschool in Stuttgart in de hele basisschool en hoger euritmie ingevoerd als verplicht vak naast de gymnastiek. Het is de gymnastiek voor ziel en geest. Wanneer je de gymnastiek, die eigenlijk tegenwoordig wat overgewaardeerd wordt, bekijkt, dan ontstaat deze op die manier in de tijd van het materialsime als een bewegen van de mens op basis van het kijken naar het lichaam. Een zeer beroemde fysioloog* van nu, die op een keer een euritmie-

* Ein sehr berühmter Physiologe der Gegenwart: bezieht sich auf Prof. Emil Abderhalden, 1877-1950.

blz. 107

beigewohnt hat und diese Worte von mir gehört hat, als ich sagte: Das Turnen ist etwas Einseitiges und sollte durch solche geistig­seelische Eurythmie ergänzt werden -, dieser gar wohlbekannte Herr sagte von seinem Physiologen-Standpunkt aus, also nicht ich, sondern er sagte das, und wenn ich seinen Namen nennen würde, würden Sie einen Schreck bekommen, er sagte: Ich nenne das Turnen eine Barbarei; es ist gar kein Erziehungsmittel. – Jedenfalls möchte ich nicht so weit gehen, aber in der Waldorfschule führen wir das, was nun ebenso na­turgemäß aus dem menschlichen Organismus heraus entfalten läßt eine Sprache und einen Gesang, wir führen es im Unterricht als ein geistiges Bewegungsspiel ein, und als solches werden Sie es hier sehen, so aus­geführt durch die Schülerinnen von unserer Fortbildungsschule am Goetheanum in Dornach. Man kann dabei sagen, daß sich vom 6., 7. Lebensjahr ab durch alle Schulklassen durch Eurythmie zieht. Man kann sie in allen Lebensaltern treiben. Ich werde oftmals gefragt, wann man abfhören soll damit. Ich sage dann gewöhnlich: Jedenfalls nicht vor dem 80. Lebensjahr. Aber eigentlich sollte man sie bis zum Tode treiben. Es ist immer etwas, was in so harmonischer Weise aus dem Organismus herauskommt. 

voorstelling had bijgewoond en deze woorden van mij had gehoord, toen ik zei: ‘De gymnastiek is eenzijdig en zou moeten worden aangevuld door de euritmie voor ziel en geest’; deze welbekende heer zei vanuit zijn fysiologiestandpunt, dus niet ik, maar hij zei dat en wanneer ik zijn naam zou noemen, zou u schrikken, hij zei: ‘Ik noem gymnastiek barbaars; het is helemaal geen opvoedingsmiddel.’ Ik zou in ieder geval niet zo ver willen gaan, maar op de vrijeschool brengen wij dat wat nu eenmaal van nature uit het menselijk organisme spraak en zang laat ontplooien, wij brengen het in het onderwijs als een bewegingsspel van de geest en als zodanig zal u het hier zien, uitgevoerd door de studenten van onze vervolgschool aan het Goetheanum in Dornach. Je kunt daarbij zeggen dat er vanaf het 6e, 7e levensjaar in alle schoolklassen euritmie is. Je kunt het op elke leeftijd uitoefenen. Mij wordt dikwijls gevraagd, wanneer je ermee moet ophouden. Ik zeg dan meestal: ‘In ieder geval niet voor je 80e. Maar eigenlijk zou je het tot aan je dood moeten doen. Het is steeds iets wat op zo’n harmonische manier uit het organisme tevoorschijn komt.

Die Kinder finden sich mit demselben inne­ren Wohlgefallen, mit derselben inneren Behaglichkeit in die Eurythmie hinein, wie sie sich hineinfanden als viel kleinere Kinder in Sprache und Gesang. Daraus sieht man schon, daß sie mit Notwendigkeit her­auskommt aus der ganzen menschlichen Organisation.
Und als drittes haben wir die Eurythmie entwickelt als Heileuryth­mie, wo sie, weil sie hervorgeht aus der gesunden Bewegung des mensch­lichen Organismus, in der therapeutischen Entwickelung wesentlichen Krankheitsprozessen entgegenarbeiten kann und anderen therapeuti­schen Methoden als Hilfsmittel dienen kann. Wohlgemerkt, im Anthro­posophischen wird man nicht einseitig. Die Dinge werden genommen so, wie sie sich allseitig im Leben darbieten. Es fiele dem niemals ein, der Anthroposophie kennt, ein Allheilmittel in eurythmischer Therapie zu sehen. Aber sie wird manchen Heilprozeß wesentlich unterstützen, und die Heileurythmie ist deshalb eingeführt als ein wesentlicher Teil der Therapie. Nur so, wie ich es gesagt habe, ist am Klinisch-Therapeuti­schen Institut, das Frau Dr. Wegman in Arlesheim in Verbindung mit

De kinderen vinden in de euritmie innerlijk hetzelfde plezier, hebben innerlijke hetzelfde fijne gevoel, als ze als veel kleinere kinderen hadden bij het spreken en zingen, dat ze fijn vonden. Daaraan zie je al dat ze onvermijdelijk uit het hele menselijke organisme naar buiten wil.

Ten derde hebben wij ook euritmie ontwikkeld als therapeutische euritmie, die omdat ze tevoorschijn komt uit de gezonde beweging van het menselijk organisme, in de therapeutische ontwikkeling wezenlijke ziekteprocessen tegen kan werken en als ondersteuning kan dienen bij andere therapeutische methoden. Let wel: met antroposofie word je niet eenzijdig. De dingen worden genomen zoals ze zich in het leven van alle kanten voordoen. Wie de antroposofie kent, komt nooit op het idee in de euritmische therapie een wondermiddel te zien. Maar ze kan veel genezingsprocessen wezenlijk ondersteunen en de therapeutische euritmie is daarom ingevoerd als een wezenlijk deel van de therapie. Alleen zo, zoals ik zei, is in het Klinisch-Therapeutische Instituut dat mevrouw Dr.Wegman* in Arlesheim in samenwerking met het

*Frau Dr. med. Ita Wagman, 1876-1943.

blz. 108

dem Goetheanum leitet, Heileurythmie eingeführt. Da zeigt sich auch die ganze Bedeutung der Heileurythmie.
Schon daraus sieht man, wie Eurythmie hervorgeht aus dem, was der gesunde Organismus will. Für das Therapeutische mußte sie etwas abgeändert werden. Nicht das, was Sie hier sehen, und was Sie im Theater als eurythmische Kunst gesehen haben, ist Heileurythmie. Eu­rythmie muß für das Therapeutische abgeändert werden, so daß ihre Wirkung so gestaltet wird, daß sie auf den kranken Organismus wirkt.
Heute werden wir uns bemühen, das vorzuführen, was ich an zwei­ter Stelle genannt habe: den pädagogischen Teil der Eurythmie, der sich dadurch bewährt, daß er den Menschen so ausbildet, daß dabei Geist, Seele und Leib gleichermaßen zur Geltung kommen. Aber es zeigt sich dabei allerlei. Nur eines möchte ich erwähnen. Die Dinge, die man beim Erziehen und Unterrichten als Waldorflehrer findet, sind manch­mal sehr im Verborgenen der menschlichen Entwickelung gelegen. Es zeigt sich, daß pädagogische Eurythmie entgegenwirkt der Lügen­haftigkeit der Kinder.

Goetheanum leidt, therapeutische euritmie ingevoerd. Daar zie je ook de totale betekenis van de therapeutische euritmie.
Daaruit alleen al zie je hoe euritmie tevoorschijn komt uit wat het gezonde organisme wil. Voor de therapie moest ze wel iets veranderd worden. Niet wat u hier ziet en wat u in de schouwburg als euritmische kunst gezien hebt, is therapeutische euritmie. De euritmie moet voor de therapie veranderd worden, zodat de werking zo wordt, dat die op een ziek organisme werkt.
Tegenwoordig moeten we moeite doen te laten zien wat ik in de tweede plaats genoemd heb: het pedagogische deel van de euritmie, die zich bewijst door in de vorming van de mens geest, ziel en lichaam in gelijke mate tot hun recht te laten komen. Maar daarbij kun je van alles zien. Eén ding wil ik noemen. Zaken die je bij opvoeding en onderwijs als vrijeschoolleraar tegenkomt, zitten zeer vaak in de menselijke ontwikkeling verborgen. Het blijkt dat pedagogische euritmie oneerlijkheid van kinderen tegengaat.

Es ist auch eine Erfahrung, daß nicht ganz wahr­haftige Kinder die einzigen sind, die Eurythmie nicht lieben. Die an­deren Kinder treiben sie als etwas Selbstverständliches. Die Menschen haben nur gelernt, etwas unwahrhaftig zu nennen, was durch die Spra­che ausgedrückt wird. Wenn man aber Lügenhaftigkeit auch durch die Bewegung offenbaren kann, kann man die Lüge wieder aus der Seele zurückdrängen, so daß für die Erziehung zur Wahrhaftigkeit die Eu­rythmie ein ganz ausgezeichnetes Heilmittel ist.
Wir wissen es alle, denn wir sind die strengsten Kritiker unserer selbst, daß die Eurythmie erst im Anfange der Entwickelung steht. Sie wird sich weiter auf den drei genannten Gebieten nach und nach ein­führen. In jeder Aufführung kommt dieses Einführen zum Ausdruck. Immerhin darf ich sagen, daß wir uns bewußt sind, einen Anfang zu haben, und ich glaube, daß es reizvoll ist, etwas, was eine bedeutsame Zukunft hat, im Anfang zu sehen. Nach und nach wird sich Eurythmie schon hineinstellen in die ganze menschliche Zivilisation, in alles, was künstlerisch, pädagogisch und auch therapeutisch angestrebt wird für die ganze menschliche Entwickelung, sowohl in der Erziehung wie auch in der Kultur.

Het is ook een ervaring dat niet helemaal waarheidslievende kinderen de enigen zijn die niet van euritmie houden. Andere kinderen doen het als iets vanzelfsprekends. De mensen hebben nu geleerd iets onwaarachtigs te zeggen, wat door de spraak uitgedrukt wordt. Wanneer je oneerlijkheid ook door beweging tot uitdrukking kan brengen, kun je de leugen weer uit de ziel bannen, zodat voor de opvoeding tot waarachtigheid de euritmie een heel uitstekende therapie is.
We weten het allemaal, want wij zijn onze eigen strengste critici, dat de euritmie pas aan het begin van een ontwikkeling staat. Ze zal langzaam maar zeker voor de drie genoemde gebieden verder ingevoerd worden. Bij iedere opvoering komt dit tot uitdrukking.
In elk geval mag ik zeggen dat wij ons bewust zijn aan het begin te staan en ik geloof dat het aantrekkelijk is iets wat een belangrijke toekomst heeft, aan het begin daarvan te zien. Langzamerhand zal de euritmie wel een plaats krijgen in de hele menselijke cultuur, in alles wat kunstzinnig, pedagogisch en ook als therapie nagestreefd wordt voor heel de menselijke ontwikkeling, zowel in de opvoeding als ook in de cultuur.

1) GA 309: Anthroposophische Pädagogik und ihre Voraussetzungen
De uitgave op de site is van 1972 – die is ook hier gebruikt.

Steiner: alle pedagogische voordrachten

Steiner: alle artikelen op deze blog

1121-1042

.

,

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – GA 309 – vragenbeantwoording (1)

.

Hier volgt een eigen vertaling. Bij het vertalen heb ik ernaar gestreefd Steiners woorden zo veel mogelijk in gangbaar Nederlands weer te geven. Met wat moeilijkere passages heb ik geprobeerd de bedoeling over te brengen, soms met behulp van wat er in andere voordrachten werd gezegd. Ik ben geen tolk en heb geen akten Duits. Er kunnen dus fouten zijn gemaakt, waarvoor excuses. De Duitse tekst gaat steeds vooraf aan de vertaling. Verbeteringen of andere vertaalsuggesties e.d. zijn meer dan welkom): pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

GA 309: vertaling
inhoudsopgave;  voordracht  [1]  [2]   [3]  [4]   [5]
vragenbeantwoording  (2)
vragenbeantwoording (3}
toespraak (nog niet oproepbaar)

RUDOLF STEINER

UITGANGSPUNTEN VAN HET VRIJESCHOOLONDERWIJS

5 voordrachten gehouden in Bern van 13 t/m 17 april 1924, met beantwoording van vragen en een toespraak bij een pedagogische euritmie-opvoering.(1)

Vragenbeantwoording na de voordracht van 15 april 1924 [3]

blz. 89

Frage:    Sind krankmachende Wirkungen von Erziehungsfehlern im Erwachsenenalter zu überwinden?
Gewiß kann der Erwachsene Krankheitskeime, die ihm in der Kind­heit anerzogen worden sind, überwinden; aber es handelt sich doch eigentlich darum, daß diese Arbeit dem Erwachsenen erspart werden kann, wenn man eben richtig erzieht. Natürlich ist es etwas anderes, wenn man, sagen wir, in der Kindheit so erzogen wird, daß auf dem Umweg durch das Seelische zum Beispiel Gichtkeime in den Menschen gelegt werden. Wenn man nicht gichtig wird, kann man etwas anderes tun, als sich der Gicht widmen in den Vierzigerjahren. Das ist gewiß angenehmer! Man betrachte nur diejenigen Menschen, die an solchen Dingen leiden, was alles sie damit zu tun haben! Natürlich muß dann alles dasjenige getan werden, was diese Dinge beseitigen kann – aber die eigentliche pädagogische Frage berührt das ja nicht. Es scheint mir, daß es von vornherein unbedingt einleuchten muß, daß, wenn man seelisch und geistig die Zusammenhänge erkennt, man so erziehen muß, daß der Körper durch die Erziehung zu solchen Anlagen nicht kommt. Dasjenige, was so keimhaft veranlagt ist, muß, wenn es ausbricht in einem späteren Lebensalter, dann natürlich physisch-therapeutisch ge­heilt werden, und man sollte nicht allzuviel halten von seelisch-geisti­gen Kuren, die im hohen Alter angewandt werden. Es gehört viel dazu; insbesondere solche Keime, die so gründlich im Organismus sitzen, wie die durch die Erziehung aufgenommenen, sind außerordentlich schwer auszumerzen, obwohl sie wie alles Krankhafte bekämpft werden sollen.
.

Vraag:
Zijn ziekmakende invloeden van opvoedingsfouten op volwassen leeftijd te overwinnen?

Ziekmakende impulsen die de volwassene als kind door de opvoeding heeft meegekregen, kan hij zeker overwinnen; maar het gaat er toch eigenlijk vooral om dat de volwassene die moeite bespaard kan blijven, wanneer hij maar juist wordt op[gevoed. Natuurlijk is het een andere zaak, wanneer  je, laten we zeggen, als kind zo wordt opgevoed dat je via de omweg van het psychische bijvoorbeeld de kiemen van jicht aangelegd krijgt. Waneer je die niet krijgt, kun je in je veertiger jaren wat anders doen dan je met jicht bezig moeten houden. Dat is zeker aangenamer! Bekijk die mensen eens die aan zulke dingen leiden: wat ze er allemaal mee uit te staan hebben! Dan moet natuurlijk alles gedaan worden om hiervan af te komen – maar de eigenlijke pedagogische vraag tast dat niet aan. Mij schijnt het dat het van begin af aan zonder meer duidelijk moet zijn, dat wanneer je de psychische en geestelijke samenhangen kent, je zo moet opvoeden dat het lichaam door de opvoeding zo’n aanleg niet krijgt. Wat als kiem aangelegd is, moet wanneer het tevoorschijn komt op latere leeftijd, dan natuurlijk lichamelijk-therapeutisch genezen worden en je moet niet te veel verwachten van psychisch-mentale kuren die op hoge leeftijd worden aangewend. Het is veel bij elkaar; in het bijzonder die kiemen die zo vast in het organisme zitten zoals zulke die er door de opvoeding zijn gekomen, zijn moeilijk uit te bannen, hoewel ze zoals alles wat ziekelijk is toch bestrreden moeten worden.

Frage:    Hat das Kind keine Kräfte des Ausgleiches in sich gegen die Schäden der
Erziehung?
Die hat es schon in sich. Gerade in einer sachgemäßen Schule wer­den solche Kräfte des Ausgleiches wirklich entwickelt. Die Keime kön­nen aufgehen, müssen es aber nicht. Diese Kräfte müssen aber in Wirk­lichkeit aus den Anlagen des Kindes hervorgerufen werden.|
.

Vraag:
Heeft het kind geen vermogen om schadelijke gevolgen van zijn opvoeding ongedaan te maken?

Die heeft het in zich. Met name in een school die adequaat werkt, worden dergelijke krachten daadwerkelijk ontwikkeld. De ziektekiemen kunnen zich manifesteren, maar dat hoeft niet. Die krachten moeten echter in werkelijkheid uit de aanleg van het kind opgeroepen worden.

blz. 90

Frage:    Wie sind Linkshänder in das Schreiben einzuführen?
Bei einem Linkshänder ist es schon notwendig, daß man versucht, möglichst viel dazu zu tun, ihn in einen Rechtshänder umzuwandeln. Nur wenn man sieht in der Praxis, daß es gar nicht gelingt, muß man natürlich mit der Linkshändigkeit fortarbeiten. Aber das einzig wün­schenswerte ist, solche Linkshänder in Rechtshänder umzuwandeln; und das wird im wesentlichen ganz besonders mit Bezug auf das Schrei­ben, das zeichnende Schreiben meistens gelingen. Es ist im allgemeinen natürlich notwendig, daß man ein solches Kind, das man versucht, vom Linkshändigen zum Rechtshändigen überzuführen, sehr stark beob­achtet; beobachtet namentlich, wie sehr leicht in einem gewissen Sta­dium, wenn man eine Zeitlang Anstrengungen gemacht hat, um die Linkshändigkeit in Rechtshändigkeit überzuführen, da gewisse Ideen-flüchtigkeiten eintreten; daß das Kind auch unter Umständen wegen zu schnellen Denkens sich fortwährend im Denken ins Stolpern bringt, und dergleichen. Das muß man sorgfältig beachten und dann gerade die Kinder aufmerksam machen auf solche Dinge, weil es viel wesent­licher ist für die Entwickelung des ganzen Menschen, wie dieser Zu­sammenhang ist zwischen Arm- und Handentwickelung und Sprach­zentrumentwickelung, als man gewöhnlich denkt; und vieles andere hat darauf einen Einfluß, ob ein Kind links- oder rechtshändig ist.
.

Vraag:
Hoe kunnen linkshandige kinderen leren schrijven?

Bij iemand die links is, is het wel noodzakelijk dat je probeert hem zoveel mogelijk rechtshandig te maken. Alleen wanneer je ziet dat het in de praktijk niet lukt, moet je natuurlijk met de linkshandigheid verder werken. Maar het enig wenselijke is, dergelijke linkshandigen om te vormen tot rechtshandigen; en dat zal grotendeels juist in het bijzonder met betrekking tot het schrijven, het tekenen en het schrijven meestal wel lukken. In het algemeen is het natuurlijk noodzakelijk, dat je zo’n kind waarbij je probeert hem van linkshandig naar rechtshandig te krijgen, heel goed waarneemt; vooral observeert of er heel gemakkelijk in een bepaald stadium, wanneer je een tijdje pogingen hebt gedaan van linkshandig naar rechtshandig te komen, een bepaalde ideeënvluchtigheid optreedt; dat het kind ook onder omstandigheden door te snel te gaan denken voortdurend als het denkt struikelt o.i.d. Dat moet je zorgvuldig waarnemen en de kinderen op die dingen attent maken, omdat voor de ontwikkeling van de totale mens deze samenhang tussen arm- en handontwikkeling en spraakcentrumontwikkeling veel belangrijker is dan men gewoonlijk denkt; er is nog veel meer van invloed op het links of rechts zijn van een kind.

Frage:    Ist es empfehlenswert, Kinder von 10 bis 12 Lebensjahren in der Spiegel­schrift sich üben zu lassen?
Warum es eigentlich irgend empfehlenswert sein soll, einem Kinde von 10 bis 12 Jahren in Spiegelschrift Schreiben und Lesen beizubrin­gen, ist mir nicht verständlich. Ich kann nicht annehmen, daß das aus irgendeiner Ecke des Lebens heraus irgend wünschenswert sein sollte. Die Sache ist so, daß wenn man zum geistigen Schauen aufsteigt, so bekommt man in der Regel für alles dasjenige, was noch wie eine Nach-wirkung aus dem physischen Leben da ist, ein Spiegelbild. Es ist durch­aus so, daß wenn man hinaufträgt in die geistige Welt ein Geschrie­benes, so hat man oben ein Spiegelbild. Nehmen wir ein Beispiel: Je­mand versuchte – ich will über diese Dinge ganz frank und frei sprechen
.

Vraag:
Is het aan te raden kinderen van 10 tot 12 spiegelschrift te laten oefenen?

Waarom het eigenlijk aan te bevelen zou zijn een kind van 10 tot 12 in spiegelschrift te leren schrijven en lezen, begrijp ik niet. Ik kan niet aannemen dat dit uit welke richting van het leven dan ook  wenselijk zou zijn. De zaak zit zo dat wanneer je tot geestelijk schouwen komt, je als regel voor alles wat nog zo als nawerking uit het fysieke leven aanwezig is, een spiegelbeeld krijgt. En het is echt zo dat wanneer je iets wat geschreven is meeneemt de geestelijke wereld in, je daarboven een spiegelbeeld hebt. Als voorbeeld: iemand probeerde – ik wil over deze dingen frank en vrij spreken

blz. 91

– sich an eine Menschenwesenheit, die durch den Tod gegangen ist, an eine Post mortem lebende Persönlichkeit zu wenden, und zu dem, was man da erlebt mit dieser Persönlichkeit, hätte man nötig irgendein Geschriebenes aus dem physischen Leben zum Vergleichen. Dann erscheint diese Schrift, die man sonst kennt, so wie sie geschrie­ben ist, so, wie wenn man sie in Spiegelschrift durchlesen würde. Es übersetzt sich das physisch in normaler Weise Geschriebene, wenn man ins Geistige hinüberschaut, in das Spiegelbild seiner selbst. Würde man einem Kinde künstlich Spiegelschrift beibringen, so würde man sehr viel tun, um das Kind erdenfremd zu machen, vor allen Dingen, um es fremd des Gebrauches seines Kopfes zu machen. Das sollte man nicht tun; es könnte das unter Umständen enden mit bedeutsamen seelischen und geistigen Störungen. Gerade die anthroposophische Erziehungs­kunst ist darauf bedacht, die Menschen nicht hinaufzuführen in Wol­kenkuckucksheime, sondern sie auf das physische Leben vorzubereiten. Herausreißen könnte das Kind aus dem physischen Leben eine solche Maßnahme, es Spiegelschrift schreiben und lesen zu lehren.

zich tot een mensenwezen te wenden die gestorven was, zich te wenden tot een post mortem levende persoon en voor datgene wat men dan beleeft met deze persoon zou men dan iets nodig hebben van wat geschreven is in het aardse leven, ter vergelijking. Dan verschijnt dit schrift dat men anders nog kende, zoals het geschreven werd, alsof men het in spiegelschrift zou moeten lezen. Wat fysiek op een normale manier is geschreven, gaat over in het spiegelbeeld ervan, wanneer men het geestelijk ziet. Zou je een kind gekunsteld spiegelschrift aanleren, dan zou je er veel toe bijdragen het kind wereldvreemd te maken, met name bij het gebruiken van het hoofd. Dat moet je niet doen; dat zou onder bepaalde omstandigheden kunnen eindigen met psychische en mentale stoornissen. Juist de antroposofische opvoedkunst is erop bedacht de mens niet in een ivoren toren te plaatsen, maar hem op het aardse leven voor te bereiden. En zo’n maatregel een kind spiegelschrift te leren schrijven en lezen, zou het kind kunnen wegtrekken van het aardse leven.

Frage:    Warum ist die Schreibrichtung in den europäischen Sprachen von links nach rechts, im Hebräischen von rechts nach links, im Chinesischen von oben nach unten?
Was die Anordnung der Schrift betrifft, Schreiben von links nach rechts und so weiter, so führt das in sehr starke Tiefen der Kulturge­schichte hinein. Es kann höchstens eine kleine Andeutung gegeben wer­den. Es handelt sich darum, daß in früheren Zeiten der menschlichen Entwickelung ein instinktives Schauen bei den Menschen vorhanden war, daß die Menschen die physischen Erscheinungen tatsächlich nicht so intensiv gesehen haben, wie sie das heute tun, dafür aber das in den physischen Erscheinungen lebende Geistige. Man stellt sich gewöhnlich nicht klar genug vor, wie anders der Mensch in alten Zeiten in die Welt geschaut hat als heute. Die Menschen denken so leicht, ein alter Grieche habe etwa zum Himmel hinaufgeschaut und habe die Bläue, weil das südliche Blau noch intensiver ist als das nördliche, in derselben Schön­heit gesehen, wie es der heutige Grieche sieht. Das ist nicht der Fall. Das griechische Auge hat noch nicht so einen lebendigen Eindruck von
.

Vraag:
Waarom is de schrijfrichting in de Europese talen van links naar rechts, in het Hebreeuws van rechts naar links en in het Chinees van boven naar beneden?

Wat de volgorde van schrijven betreft, schrijven van links naar rechts enz.: dit brengt ons diep binnen in de cultuurgeschiedenis. Er kan hoogstenns een kleine aanwijzing gegeven worden. Het gaat erom dat in vroegere tijden van de mensheidsontwikkeling de mens over een instictief schouwen beschikte; de mensen zagen de fysieke verschijningen zeker niet zo intensief als tegenwoordig; in plaats daarvan het levend geestelijke. Men stelt het zich tegenwoordig niet duidelijk genoeg voor hoe anders de mens in oude tijden naar de wereld keek dan tegenwoordig. Men denkt zo gemakkelijk dat een oude Griek naar de hemel heeft gekeken en dat hij in het blauw, omdat het blauw in het zuiden nog intensiever is dan in het noorden, daarin dezelfde schoonheid heeft gezien als tegenwoordig. Dat is niet het geval. Het oog van de Griek had nog niet zo’n levende indruk van

blz. 92

dem Blau haben können. Das läßt sich nachweisen durch das Wort, das den Griechen fehlt. Die Griechen haben alles in mehr nach dem Rot und Gelb hinneigenden Nuancen gesehen, haben den Himmel mehr grünlich als bläulich gesehen. Das ganze Seelenleben der Menschen, in­sofern es auch von den Sinnen abhängig ist, hat sich im Laufe der Zei­ten geändert. – Weil das Hebräische mit Recht genannt werden kann eine derjenigen Sprachen, die den lebendigen Zusammenhang haben mit der menschlichen Urschrift, so haben sie gerade dieses noch erhalten, den Zug von rechts nach links, der sich bei uns nur noch erhalten hat in dem Rechnen, das wir zwar auch als eine alte Erbschaft in unserer Zivilisationsära haben – eine viel ältere Erbschaft als unsere Hand­schrift -, von dem wir es aber nur nicht bemerken. Wenn Sie addieren oder subtrahieren, also rechnen – was aus morgenländischer Anschau­ung stammt-, so schreiben Sie zwar zunächst die Zahlen von links nach rechts, aber die Natur der Zahlen selbst erfordert von Ihnen, daß sie von rechts nach links die Rechnung machen. Daraus können Sie noch gut ablesen, wie unser Zahlensystem viel älteren Ursprungs ist als un­ser Schriftsystem. Das ist dasjenige, was darüber etwa zu sagen ist. Wenn Sie dann die Schrift nehmen im Chinesischen: Nun, da brauchen Sie nur den ganzen Habitus der chinesischen Kultur ins Auge zu fas­sen, die darauf angelegt ist, statt desjenigen, was wir ganz lebendig ha­ben im Kosmos oder aus dem Kosmos – das Umkreisen um die Erde, die Richtung von links nach recht oder von rechts nach links -, das hat der Chinese in seinem Gefühl nicht so. Er hat in der Richtung von unten nach oben oder von oben nach unten die zunächst älteste Rich­tung, in die sich das menschliche Fühlen hineinsetzen konnte.

het blauw kunnen krijgen. Dat de Grieken dat woord niet hebben, wijst daarop. De Grieken hebben alles meer in naar rood en geel neigende nuances gezien, de hemel meer groenachtig dan blauwig. Het hele zielenleven van de mens, voor zover het ook van de zintuigen afhankelijk is, is in de loop der tijd veranderd. – Omdat het Hebreeuws met recht een van die talen genoemd kan worden  die een levende samenhang hebben met het menselijke oerschrift, hebben deze dit nog bewaard, de gang van rechts naar links die bij ons nog zichtbaar is in het rekenen, dat we weliswaar ook als een oude erfenis in onze beschaving hebben – een veel oudere erfenis dan ons handschrift – maar daarvan merken we het alleen niet. Wanneer je optelt of aftrekt, dus rekent – wat uit de waarneming van het Morgenland stamt, – schrijf je de getallen weliswaar van links naar rechts, maar de aard van de getallen zelf eist van je dat je de som van rechts naar links maakt. Daaruit kun je nog goed aflezen hoe ons getallensysteem van een veel oudere oorsprong is dan ons schrijfsysteem. Dat is erover te zeggen. Wanneer je dan het Chinese schrift neemt: nu, dan hoef je maar naar de totale aatd van de Chinese cultuur te kijken, die zo gestructureerd is, i.p.v. wat wij heel levendig in de kosmos of uit de kosmos hebben- het rondgaan om de aarde, de richting van links naar rechts of van rechts naar links-, heeft de Chinees dat niet zo in zijn gevoel. Hij heeft de richting van beneden naar boven of van boven naar beneden, de aanvankelijk oudste richting waarin het menselijk voelen zich in het innerlijk kon (ver)plaatsen.

Frage:    Zur Frage des Religionsunterrichts.
Ich habe schon erwähnt, daß wir in der Waldorfschule das so einge­richtet haben, daß wir den Religionsunterricht der katholischen Kin­der durch den katholischen Priester, den der evangelischen Kinder durch den Pastor besorgen lassen, daß wir nur diejenigen Kinder frei-religiös erziehen, deren Eltern dies wünschen. Für diese Kinder ist zu-nächst eine Art von Pädagogik-Didaktik für den Religionsunterricht
.

Vraag:
Over het godsdienstonderwijs

Ik heb al gezegd dat wij op de vrijeschool het zo georganiseerd hebben, dat wij het godsdienstonderwijs voor de katholieke kinderen door de katholieke priester, voor de evangelische kinderen door de pastor laten verzorgen, dat wij alleen die kinderen op een vrij-relieuze manier opvoeden van wie de ouders dat willen. Voor deze kinderen moest eerst een soort pedagogie-didactiek voor het godsdienstonderwijs

blz. 92

auszuarbeiten gewesen. Für die Pflege des katholischen und evange­lischen Unterrichtes sind die betreffenden Lehrer maßgebend. Das­jenige, was in unserem freien Religionsunterricht gepflegt wird, unter­liegt ganz denselben Gesetzen wie der übrige Unterricht, insofern sie auf geistiger Menschenerkenntnis überhaupt beruhen. Man richtet den Religionsunterricht so ein, daß man vor allen Dingen davon ausgeht, das im Kinde seelisch-geistig entwickeln zu lassen in der zweiten Le­bensepoche, was in der ersten Lebensepoche naturhaft vorhanden ist. Ich habe auseinandergesetzt, wie in der ersten Lebensepoche der Leib des Kindes sich naturhaft-religiös zu der Umgebung verhält. Das tritt dann zurück ins Seelische, indem der Leib sich emanzipiert, und man muß nun im Seelisch-Geistigen wiedererwecken diese Hingabe an die Umgebung. Das erreicht man am besten, wenn man versucht, ein Ge­fühl vor allen Dingen in dem Kinde zu entwickeln für das, was man ihm märchenhaft, legendenhaft übermittelt. Darum handelt es sich vor allen Dingen, daß man versucht, in ihm die Empfindung der Dank­barkeit für das Dasein, für die Schönheiten, die die Welt bietet, zu er­wecken. Ist man in der Lage, die Dankbarkeit zu erwecken, dann geht dieses schon allmählich über in das Gefühl der Liebe. Daraus läßt sich das Moralische entwickeln.

uitgewerkt worden. Voor de verzorging van het katholieke en evangelische onderwijs zijn de betrreffende leerkrachten leidinggevend. Wat in ons vrije godsdienstonderwijs verzorgd wordt, is aan dezelfde eisen onderhevig als de rest van het onderwijs, voor zover dit berust op geestelijke menskunde. Het godsdienstonderwijs wordt zo georganiseerd dat men er boven alles vanuit gaat, dat in de ziel en de geest van het kind zich dat in de tweede levensfase laat ontwikkelen, wat in de eerste fase van nature aanwezig is. Ik heb uiteengezet hoe in de eerste levensfase het lichaam van het kind in een natuurlijk-religieuze verhouding staat tot de omgeving.Dat trekt zicht terug in de ziel, wanneer het lichaam zelfstandiger wordt en in ziel en geest moet je nu weer deze overgave aan de omgeving wekken. Dat bereik je het beste wanneer je probeert in het kind een gevoel voor alles te ontwikkelen, wat je dan in de vorm van sprookjes, legenden vertelt. Daarom gaat het er in de eerste plaats om dat je probeert in hem een gevoel van dankbaarheid op te roepen voor het bestaan, voor het mooie dat de wereld biedt. Ben je in staat dankbaarheid te wekken, dan gaat dit al langzaam over in een gevoel van liefde. Daaruit kan het morele dan ontwikkeld worden.

Frage:    Zur pädagogisch-didaktischen Behandlung der Temperamente.
Das sanguinische Kind hat seine Eigentümlichkeit darin, daß es aus einer inneren Anlage heraus von einem Eindruck zum anderen überspringt, bei einem Eindruck nicht lange festgehalten werden kann, aber diesen Eindruck doch lebendig aufnimmt. Das Kind kann tatsäch­lich am besten dadurch behandelt werden, daß man zunächst als Leh­rer und Erzieher versucht, dieser Eigentümlichkeit des Kindes nach-zugeben. Man versucht, dasselbe Tempo einzuhalten im Überspringen von einem Eindruck zu dem anderen; und versucht dann die Sache noch zu erhöhen, so daß man schneller, als das Kind eigentlich aus sei­nem sanguinischen Temperament heraus nach neuen Eindrücken ver­langt, ihm solche neuen Eindrücke bringt, Eindrücke, die es ganz gut interessieren, bis zu einem Momente, wo sich etwas in dem Kinde regt. Man wird es immer bemerken, daß sich so etwas in dem Kinde regt,
.

Vraag:
Over de pedagogisch-didactische behandeling van de temperamenten

Het karakteristieke van het sanguinische kind is dat het uit een innerlijke aanleg van de ene indruk naar de andere overgaat, niet door een indruk geboeid wordt, maar deze indruk wel levendig in zich opneemt. Je kan het beste zo met het kind omgaan, dat je als leerkracht en opvoeder probeert aan deze eigenschap van het kind tegemoet te komen. Je probeert hetzelfde tempo waarmee het van indruk naar indruk gaat, aan te houden en dat nog op te voeren, zodat je sneller dan het kind eigenlijk vanuit zijn sanguinisch temperament naar nieuwe indrukken verlangt, het die indrukken laat hebben; indrukken waarvoor het zich heel goed interesseert, tot het ogenblik dat er iets in het kind gebeurt. Je zal steeds merken dat er iets in het kind gebeurt

blz. 94

so daß es zu der Empfindung kommt: man soll nicht so schnell vor­wärtsgehen, soll etwas länger verweilen bei dem einen Eindruck. Hat man es so weit gebracht, daß das sanguinische Kind gewissermaßen übersanguinisiert worden ist, daß es das empfunden hat, wird man sehr leicht finden, wie in der Tat dieses sanguinische Kind, wenn man das bemerklich macht: eigentlich wollte man schneller vorwärtsgehen, als es mitkann, wird man also allmählich bemerken – natürlich müssen solche Dinge mit großer Konsequenz durchgeführt werden -, wie ge­sundend man so allmählich auf das sanguinische Kind wirken kann. Wie man überhaupt gegenüber den Temperamenten des Kindes beach­ten muß, daß man als Lehrer, als Erzieher die Dinge so zu behandeln hat, daß man Gleiches durch Gleiches korrigiert; daß man einen rich­tigen Eindruck hat von der besonderen Art des Kindes, und daß man dann Gleiches durch Gleiches korrigiert, indem man die Dinge stei­gert. Alles kommt darauf an, daß man als Lehrer und Erzieher sich wirklich in die Kinder hinüberversetzen kann, in ihnen aufgehen kann: mit dem sanguinischen Kinde sanguinisch, mit dem cholerischen Kinde cholerisch, mit dem melancholischen Kinde melancholisch, mit dem phlegmatischen Kinde phlegmatisch sein kann. Das phlegmatische Kind wird am besten dadurch kuriert, daß man mit ihm phlegmatisch wird, und es dadurch in einer phlegmatischen Selbsterkenntnis auf sein Temperament aufmerksam wird. Man wird finden, daß Regeln nicht viel nützen; daß es sich in dieser Schulpraxis vielmehr darum handelt, mit dem Kinde cholerisch, phlegmatisch und so weiter werden zu kön­nen. – Es ist notwendig, daß man über ein ausgesprochenes Tempera­ment, das man als Lehrer selber hat, hinauskommen kann. Ein Lehrer, der immer dasselbe zornmütige Gesicht hat und die Kinder immer an-fährt, oder der sanguinisch ist und das in der Schule auslebt, wird nicht imstande sein, in das Temperament des Kindes überzugehen. Das zu können, ist aber wichtiger als alle Regeln, die man sonst geben kann.

dat het het gevoel krijgt: niet te snel verder, bij deze indruk wil ik wel wat langer stil blijven staan. Ben je zover gegaan dat het sanguinische kind oversanguinisch is geworden, dat het dat gevoeld heeft, dan zal je eenvoudigweg merken dat dit sanguinische kind, wanneer je het laat voelen: eigenlijk zou je nog vlugger willen gaan dan het mee kan komen, dan zal je geleidelijk zien – natuurlijk moeten zulke zaken zeer consequent uitgevoerd worden -. hoe gezondmaken je zo op het sanguinische kind werken kan.
Ten opzichte van het temperament van het kind moet je als leerkracht, als opvoeder goed in de gaten hebben dat je zo met deze zaken omgaat dat je het gelijke door het gelijke rechtzet; dat je de juiste indruk hebt van de bijzondere geaardheid van het kind en dat je dan het gelijke door het gelijke rechtzet door de dingen overmatig te doen. Alles komt erop aan, dat je je als leerkracht en opvoeder daadwerkelijk in het kind kan verplaatsen, in hem opgaat: met het sanguinisch kind sanguinisch, met het cholerische kind cholerisch, met het melancholische kind melancholisch, met het flegmatische kind flegmatisch kan zijn. Het flegmatische kind wordt het best harmonischer gemaakt door met hem flegmatisch te worden en dat het zo, met een flegmatische zelfkennis, zijn eigen temperament gaat zien. Je wel merken dat regels niet erg helpen; dat het er in de schoolsituatie veel meer om gaat met het kind cholerisch, flegmatisch enz. te kunnen worden. – Het is noodzakelijk dat je je eigen uitgesproken temperament dat je als leerkracht zelf hebt, kan overwinnen. Een leerkracht die steeds zelf een boos gezicht heeft en steeds naar de kinderen uitvalt, of die sanguinisch is en dat in school uitleeft, zal niet in staat zijn mee te gaan met het temperament van het kind. Dat je dat wel kan, is belangrijker dan alle regels die je anders zou geven.

Frage:    Wie stellt sich anthroposophische Pädagogik zur Anwendung des Dia­lektes in der Volksschule für die unteren oder die oberen Klassen?
Es ist im allgemeinen da, wo ein Dialekt lebt, von außerordentlich großer Wichtigkeit, ihn in der Schule zu pflegen; sonst ist es so, daß
.

Vraag:
Hoe staat antroposofische pedagogie tegenover het gebruik van dialect op de basisschool in de lagere en hogere klassen?

In het algemeen is het zo dat wanneer er een dialect gesproken wordt, het buitengewoon belangrijk is het op school te verzorgen; anders is het zo dat

blz. 95

das Kind zu einer Sprache, die ihm fremd ist, ein abstraktes Verhält­nis gewinnt, während es das konkrete Verhältnis zum Dialekt hat. Man sollte erst einmal aus dem Dialekt heraus dasjenige entwickeln, was sich in der allgemeinen Sprache, wie man sie nennen kann, findet; aus dem Dialekt, der auch gewöhnlich innerlich lebendiger, reicher ist. Wenn ein Kind im Dialekt lebt, nimmt man ihm etwas von dem leben­digen Verbundensein mit dem inneren Sprachgenius, wenn man seinen Dialekt nicht respektiert und das Kind in eine andere Sprache einführt.

een kind met een taal die vreemd voor hem is, een abstracte verhouding krijgt, terwijl het een concrete relatie tot zijn dialect heeft. Uit het dialect zou je eerst datgene moeten ontwikkelen wat in de gangbare spraak, zoals je dit zou kunnen noemen, is te vinden; vanuit het dialect, dat gewoonlijk innerlijk levendiger, rijker is.  Wanneer een kind in het dialect leeft, neem je het iets van het levend verbonden zijn met de innerlijke taalgeest af, wanneer je zijn dialect niet respecteert en het kind een andere taal laat spreken.

Frage:    Ist es bedeutsam, ob man mehrere Sprachen vor oder nach dem Zahn-wechsel an das Kind heranbringt?
Wir haben es in der Waldorfschule so, daß wir mit den Kindern, die in die Schule kommen, sogleich nicht nur die deutsche, sondern auch die englische und die französische Sprache pflegen; so daß das Kind, vom Zahnwechsel angefangen, sich sogleich in die anderen Spra­chen hineinfindet. Es findet sich das Kind, weil in diesem Lebensalter die innere plastische Tätigkeit am größten ist, dann am leichtesten hin­ein. Fraglich ist es, ob es für das Kind gut ist, wenn es etwas vor dem Zahnwechsel die verschiedenen Sprachen nebeneinander lernt, aus dem Grunde, weil das innere Verbundensein mit der Sprache etwas außer­ordentlich Gutes ist. Es wird der ganze Mensch mit Leib, Seele und Geist mit der Sprache verbunden. Das Kind will ja sich an der Sprache erziehen. Wenn das Kind sogleich alle möglichen Sprachen lernt, kann diese Erziehung zu sehr auseinanderfallen
..

Vraag:
Is het van betekenis of je een kind meer talen aanleert voor of na de tandenwisseling?

Op de vrijeschool hebben we het zo dat we met de kinderen die op school komen, van meet af aan niet alleen Duits, maar ook Engels en Frans oefenen; zodat het kind, vanf de tandenwisseling begonnen, zich meteen in de andere talen thuisvoelt. Het kind raakt er dan, omdat in deze fase de innerlijke plastische activiteit het grootst is, het makkelijkst in thuis. Twijfelachtig is het of het voor het kind goed is, wanneer het, iets vóór de tandenwisseling, verschillende talen naast elkaar leert, omdat het innerlijk verbonden zijn met de taal buitengewoon goed is. Het kind wil aan de taal groot worden. Wanneer het kind tegelijk alle mogelijke talen leert, kan dit teveel uit elkaar vallen.

1) GA 309: Anthroposophische Pädagogik und ihre Voraussetzungen
De uitgave op de site is van 1972 – die is ook hier gebruikt.

Menskunde en pedagogie:15:  temperamenten 

1114-1035