Tagarchief: klas 3 heemkunde

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (5)

.

broodbakken

leven O.T. 24

1.Koninklijke bakkerij in het oude Egypte
In de bovenste rij een korfzeef (a) en daarnaast een rij kruiken (b). Daaronder kneden twee slaven, met een stok in de hand het deeg (dat anders met de hand gekneed werd) met blote voeten in de trog (c). Rechts daarvan dragen twee slaven (d) deeg en een oliekruik (Levitikus 2 : 4) naar een arbeider, die het deeg op een tafel (e) dun uitspreidt en vormt. Rechts daarvan wordt een ringbrood (ƒ) door een bakkersknecht met twee staven omhoog gehouden. De pan (g) is door een vlak deksel met handvat gesloten; omdat het heet is moet de kok (h) het deksel met een soort van tang optrekken. Bovenaan is een vuur met een kookpot (i); een bakker kookt moes uit vruchten, die in twee korven (j) liggen; een knecht (k) brengt hout aan. Daaronder staat een man voor een bakoven (k); de bakker steekt zijn hand in de bakoven om de gebakken broden eruit te halen; de broden zijn op een tafel (l) neergelegd. Dezelfde bakoven ziet men nog eens in de onderste rij (m): het is „een bakoven, die heet gemaakt is van de bakker” (Hosea 7:4); het is een leemcilinder; het hout wordt er boven in geschud, dan aangestoken en als de oven heet is, wordt het deeg aan de binnenkant als broodvlaaien er tegenaan gekleefd en gebakken. Rechts draagt een bakker de deegvormen aan (n), die hij op een plank boven op het hoofd draagt (vgl. Genesis 40 : 16). In de smalle strook daarboven knielt een bakker (o) voor een lage tafel en garneert het brood met amandelpitten; rechts bestrooit een bakker (p) het brood met kruiden. Onderaan rechts is een brouwerij. Twee mannen (q, q) dragen een stang over de schouder; daaraan hing een bierkruik (de Egyptische tekening is hier stuk). Rechts staan twee brouwers (r, r) met puntmutsen; zij arbeiden bij een korfzeef (s). Daarboven zijn kruiken (t).

leven O.T. 25

2.Bakken op gloeiende as
Men legt dan het platte deeg (in de vorm van een pannenkoek) of op een verhitte steen en doet daarover hete as of men bakt het tussen twee aslagen. Het zo gebakken brood is ongezuurd en moet direct genuttigd worden. Zo’n „hete-as-brood (a)” werd door Elia gegeten (1 Kon. 19 : 6) en door de Heiland met de discipelen, (Joh. 21 : 9 en 13).

leven O.T. 26

3.Bakplaat.
De bakplaat (a) is een ronde schaal van gesmeed ijzer. De bakplaat rust op een paar stenen en daaronder is een vuurtje van takjes (b) en van mest. De bakplaat heet in de Statenvert. „pan” (Lev 2 : 5); in de vertaling van Prof. Noordtzij in Ezech. 4 : 3: een ijzeren bakplaat. — Achter de bakplaat staat een houten deegschotel (c) (in de Statenvert. „baktrog” bijv. Deu’t. 28 : 5).

leven O.T. 27

4.Bakoven
Deze vorm van bakoven (tannoer) is een cilinder van gebakken klei. Beneden bevindt zich een opening voor luchttoevoer (a). De bovenste rand is een weinig naar binnen gebogen (b), om het voor de bakkende vrouw gemakkelijk te maken de broodvlaaien (broodvladen) tegen de binnenwand te doen kleven. Daarnaast is een toestel (c) van hout en leem (c), waar bovenop het deeg kan gevormd worden.

leven O.T. 28

5.Bakoven
Een bakoven als deze heeft een aparte ruimte voor het vuur (a), daarboven is de bakplaat. Boven de bakplaat is een koepelvormig-gewelfde overkapping (b), aan de voorzijde daarvan is een opening (c) om het brood in te leggen. Naast de bakoven ligt een rond brood (d).

Landbouw in het O.T.  [1]   [2]   [3]   [4]

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1034-959

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (4)

.

METEN EN MALEN

leven O.T. 13

1. Landmeten op het veld (Egyptische voorstelling)
Op de achtergrond (a) enkele sycomoren of wilde vijgenbomen. Een oude boer (b) steunend met de linkerhand op een naakte jongen (c) in de rechterhand een staf (d) is de leider. Twee mannen hebben behalve het lendenschort ook een hemd (e, f); de anderen alleen het lendenschort. Het veld wordt gemeten met een meetsnoer (g).

leven O.T. 14

2. Het meetsnoer en de grensstenen.
Onder de dorpelingen in Palestina heeft ieder recht op een gedeelte, dat door het lot wordt aangewezen. Zo’n apart stuk land heet chakel (in de Hebr. Bijbel
chelka); bijv. 2 Kon. 9 : 25 het stuk land van Naboth of Ruth 2 : 3 het deel van het veld van Boaz. Het deel, dat aan een landbouwer voor een jaar wordt aangewezen, wordt gemeten met een meetsnoer (a). Amos bedreigt de goddeloze Israëlieten, dat hun land door het meetsnoer aan anderen verdeeld zal worden; in Psalm 105 : 11 wordt gezegd dat Kanaän aan Israël ten deel gevallen is door het meetsnoer; in Psalm 16 : 6 stelt de dichter er prijs op, dat God Zijn lot handhaaft, omdat de meetsnoeren vielen in liefelijke plaatsen. Was eenmaal ieders deel door het meetsnoer aangewezen, dan was men erop bedacht, de grenzen daarvan tegenover de buurman duidelijk af te bakenen. Men deed dit door het plaatsen van grensstenen (b) in de Statenvert. „landpale” genoemd. Het behoorde tot de schandelijke misdaden „zijns naasten landpale te verzetten” (Job 24 : 2) waarom in Deut. 27 : 17 de vloek wordt uitgesproken over hem, die zijns naasten landpale verrukt (Prof. Dr H. Th. Obbink).

leven O.T. 15

3. Handmolen.
Een ronddraaiende handmolen bevindt zich in Palestina in elke boerenwoning en elke Bedoeïenentent. Zij bestaat uit een vaste onbeweeglijke ondersteen (a) (Job 41 : 15), en een bovensteen (b). Het materiaal is bijna altijd basalt uit Basan. Beide molenstenen hebben in het midden een opening. In de bovensteen is op 4 a 5 c.m. van de rand een kleine opening, waarin een houten pen (c) is gestoken. De handmolen was een werktuig, dat men elke dag nodig had; daarom schrijft de wet voor: Men zal beide molenstenen, immers de bovenste molensteen, niet te pand nemen (Deut. 24 : 6).

leven O.T. 16

4. Twee vrouwen uit Bethlehem maalsters (Pred. 12 : 4) die tezamen de handmolen draaien (Matth. 24 : 41). De vrouw links is een getrouwde vrouw (a), die draagt een muts (b) met munten of penningen (c). Zij draagt een overkleed (d) met lange mouwen, (die zij heeft opgeslagen); en daaronder een gestikt jakje (e); rechts de ongetrouwde vrouw (ƒ) met witte hoofddoek (g) over de muts, waaraan een ketting van penningen (h) hangt. Het malen is het werk van de vrouw, als voorbereiding van het bakken en koken. Omdat ’s morgens gebakken wordt, geschiedt het malen vaak ’s nachts; zij maalt dan het meel dat voor één dag nodig is (Spr. 31 :15). De ene vrouw heeft een vlakke korf (i) met koren, waaruit zij het koren neemt om het te brengen in het gat van de bovenste molensteen. Als twee vrouwen malen, hebben zij beiden een hand om het handvat; de een boven, de ander onder. Malen is vrouwenwerk; het is niet toevallig, dat een vrouw een molensteen op Abimelech werpt (Richt. 9 : 53); het gold voor een vernedering en een schande als een man (Richt. 16 : 21) of jongelingen moesten malen (Klaagl. 5 : 13).

Landbouw in het O.T.  [1]   [2]   [3]   [5]

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1033-958

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (3)

.

WANNEN, ZEVEN, METEN

leven O.T. 8

1. Wannen (Egyptische voorstelling)
De zware korrels vallen loodrecht neer; het kaf (a) met een boog rechts en links in de lucht. De wannende vrouwen dragen een hoofddoek (b) en een lendenschort (c). Zij hebben een wannersschop in de hand, waarmee zij het koren opwerpen. Een vrouw veegt de korrels samen met gebundelde takken (d). Bovenaan een oogstoffer: een schaal water (e) en daarboven is een stellage waaraan gebonden zijn de eerstelingsgarven (ƒ) van de oogst.

leven O.T. 9

2. Werpschoffel
Bij het wannen in Israël waren twee werktuigen in gebruik gelijk Jesaja 30 : 24 leert, waar sprake is van de werpschoffel en de wan (soms vertaald als wannersschop en vork). De afb. vertoont een werpschoffel, zoals die gebruikelijk is in het land Gennesareth. Noodzakelijk voor het wannen is wind: niet te sterk (Jeremia 4 : 11), maar een bries, zoals die ’s avonds of ’s morgens nog waait (Ruth 3 : 2). Want door middel van de wannersschop en de werpschoffel wierp men het graan tegen de wind omhoog; de zwaardere korrels vielen loodrecht neer; en het stro ter zijde van de dorsvloer; als het hard woei zag men ver weg gaan „het kaf, dat wegstuift voor de wind” (Ps. 1:4). Het overblijfsel: het kaf werd wel met vuur verbrand (Matth. 3 : 12).

leven O.T. 10

3. Zeven van het koren op de dorsvloer
Het dorsen, wannen en zeven geschiedt op de dorsvloer (a) onder de vrije hemel, wat door de regenloze zomer mogelijk is. Reeds Amos spreekt „gelijk als zaad geschud wordt in een zeef” (Amos 9 : 9) en bekend is het doordringende woord van Jezus als hij zegt tot Simon: de Satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe (Lukas 22 : 31).
“De mazen in de zeef zijn zeer fijn, dat geen korrel er door kan vallen; alleen het ietwat kleinere onkruidzaad, kleine steentjes en kaf valt er door. Nu schudt men de zeef enkele malen krachtig heen en weer, waardoor zand, kaf en onkruidzaad door de zeef (b) valt en het lichte stro boven zich bijeen verzamelt. Daarna voert de zeefster (c) een andere beweging uit: zij houdt de zeef een weinig schuin voor zich uit en werpt handig de inhoud van de zeef in de hoogte. Onderwijl blaast ze uit alle macht in de opgeworpen massa. Als zij het goed doet, reinigt zij het koren, zó dat er niets onreins in blijft en zonder één korrel te verliezen. Hierop berust de beeldspraak van Amos 9:9: „Zie ik geef bevel, en ik zal het huis van Israël onder al de heidenen schudden, gelijk als zaad geschud wordt in een zeef; en niet één korrel zal ter aarde vallen” (Obbink). Op de achtergrond een muur of jedar van los opgestapelde stenen (d); wel verschillend van de huismuur (e).

leven O.T. 11

4. Zeef
Ronde houten omraming; ongeveer 8 cm. hoog, met een net gemaakt van schapen- of geitendarmen.

leven O.T. 12

5.Meten van het koren (bij het Bijbelsche Beëroth)
Het koren wordt op de dorsvloer gemeten. Door drukken en schudden wordt voor de goede vulling gezorgd („een goede, neergedrukte, en geschudde, en overlopende maat” Lukas 6 : 38). De „meter” (a) heeft voor zich het meetvat, de maat (b) tot dat doel heeft hij de mouwen van zijn mantel of overkleed (c) omhooggeschoven. De man draagt een hoofddoek (d) met een strik op het achterhoofd vastgemaakt. Op de achtergrond een muur van los opgestapelde stenen, een jedar (e).

Landbouw in het O.T.  [1]   [2]   [4]   [5]

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

1031-956

.

VRIJESCHOOL – 3e klas heemkunde – landbouw in het O.T. (2)

.

LANDBOUW

landbouw 6

1. Oogst (Egyptische voorstelling).
Een Egyptische man (a) slaat met een sikkel (6) in de rechterhand het koren, dat hij in de linkerhand vasthoudt. Hij snijdt de aren kort af; de vrouw (c) achter hem verzamelt het koren in een mandje (d).
De man is gekleed in een lang kleed; zijn hoogere stand blijkt ook uit zijn kunstbaard; de vrouw is gekleed in hemd en mantel (dit is natuurlijk niet de gewone kleedij bij de oogst; de tekening is een wensvoorstelling omtrent een gedroomde overvloed na dit leven).

landbouw 7

2. Dorsen (Egyptische voorstelling).
De eigenaar, gekleed in hemd (a) tot over de knie, geleund op een stok, ziet toe. Een man met vork of werpschoffel (c), als de andere arbeiders gekleed met lendenschort (d) werpt het koren om. Vier ossen onder het juk (e) treden het koren (de dorsende os is niet gemuilband!) De drijver (ƒ) jaagt ze met een tak voort. Een knecht met een schort als broekje vastgebonden (g) brengt het koren in twee korven (h) welke door een gezadelde ezel (i) zijn gebracht.

landbouw 8

3. Oogsttafereel
(Egyptische voorstelling). Mannen met een wannersschop (a) werpen het graan omhoog. Een jongen met een vork of werpschoffel (b) werpt het koren om. Drie runderen (c) treden het koren; zij worden gedreven door de drijver (d) die de dieren met een zweep (e) jaagt. Een man in geknielde houding drinkt water uit de lederen zak (ƒ), die opgehangen is in een sycomore of wilde vijgeboom (g). Een schrijver (h) noteert het getal korenmaten (i); een andere (j) tekent het aan voor de controle der graanschuren.

landbouw 9

4. Dorsslede
De dorsslede is een zwaar houten bord, dat aan de onderkant voorzien is met scherpe stukken steen of metalen punten (a) heeft; deze zitten in rijen aan de onderzijde. Vandaar dat Jes. 41 : 15 zegt: ik heb u tot een scherpe nieuwe dorsslede gesteld. Een trekdier wordt er voor gespannen en de fellah (boer) gaat op de dorsslede, om het gewicht te verzwaren. De dorsslede wordt over het koren heen en weer getrokken, waardoor de korrels uit de aar gaan en het stro tot grof haksel wordt.

landbouw 10

5. Dorswagen
Een dorswagen bestaat onder uit 2 sleebomen (a) die door dwarshouten aan elkander verbonden zijn; daarop staan houten stutten voor zitplaats (6) van de dorser, die op de dorswagen plaats neemt (als op een „Deense weidesleep”). Hij wordt getrokken door een paard of muildier aan een touw, dat aan het voorhout en de sleebomen bevestigd is. Tussen de sleebomen zijn ronde walsen (c) die bezet zijn met ijzeren of stalen schijven (d) ongeveer 32 cm. doorsnede en 3 mm. dikte; de tanden zijn ± 1 cm. breed en 8 mm. hoog. Wordt het bewogen dan draaien de schijven, die in de onderliggende aren snijden en de aren uiteen doen vallen in korrels.

landbouw 11

6.Tarwe en dolik
 Tussen de tarwehalmen (a) komen vaak ook die van de dolik (b). De bevolking in Palestina meent dat de dolik betoverde tarwe is. In werkelijkheid is de dolik het gevolg van onzuiver tarwezaad, terwijl de verspreiding van het dolikzaad ook wel schuld zal hebben. De dolik is misschien bedoeld in Job 31 : 40 waar de Statenvert. heeft „voor gerst stinkkruid”. In de gelijkenis van het onkruid onder de tarwe (Matth. 13 : 25 en 28) is waarschijnlijk van de dolik sprake.

Landbouw in het O.T. [1]  [3]   [4]   [5]

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

1029-954

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (1)

.

ZAGEN, SPADEN, HOUWELEN

.

landbouw 1

1. Zagen, spaden, houwelen
Het voorbereidende werk tot het aanleggen van akkers kon omvatten het uithouwen van geboomte (Jozua 17 : 15, 18) en het wegnemen van stenen (Jesaja 5:2). Daartoe werd gebruik gemaakt van zagen (a), spaden (b) en houwelen (c).

.

landbouw 2

2. Babylonische ploeg
Twee bultrunderen (a) trekken de ploeg (b) die door drie mannen bediend wordt. De hoofdpersoon, waarschijnlijk de eigenaar, in lang overkleed (c) houdt de beide ploegstaarten (d) vast in beide handen. De knechten hebben, omdat zij slaven zijn, een kleed tot aan de knieën. De een (e) met opgeheven handen drijft de runderen aan; de ander (ƒ) laat uit een zak het zaad vallen in een zaadtrechter (g) die met de ploeg verbonden is.

.

landbouw 3

3. Palestijnse ploeg,
om het land gereed te maken voor het zomerkoren in de vlakte van Jizreël. De ploeger heeft in de rechterhand de ossenstok (a) om de dieren te drijven (Richt. 3 : 31). Met zijn linkerhand houdt hij de ploegstaart (b) vast, die naar onder (onder de grond) eindigt in een punt (c), die te vergelijken is met de ploegschaar van onze ploegen. Tussen de runderen is de aanspanning (d), daaraan is verbonden de ploegboom (e); het houten stuk (ƒ) dient om de stompe hoek tussen de ploegboom en de ploegstaart niet te verkleinen. Door onze ploegen wordt de grond door het kouter deels losgesneden, door de ploegschaar van onderen losgesneden en opgelicht, en door het rister (het grote holle blad) omgelegd. De strook aarde, die uit de voor komt, wordt gekanteld en komt er naast te staan. De ploegen in het oosten maken met de dikke punt de grond meer los, dan dat de grondstrook wordt omgekanteld; de voren en de kluiten (g) (Psalm 65 : 11) zijn dus veel kleiner. De ploeg der oude Israëlieten had een metalen ploegschaar (1 Sam. 13 : 20 en 21) en werd door runderen getrokken (1 Kon. 19 : 19). De landman moet de ploegstaart bij het handvat goed vast hebben om de ploeg te sturen; grote stenen en struiken gaat men wel uit de weg, want de wrakke ploeg die onder een boomwortel of steen komt, zal gemakkelijk breken; het is dus een dubbele zorg om vooruit te kijken; de ploeger, die ziet naar hetgeen achter is (Lukas 9 : 62) is niet bekwaam.

.

landbouw 4

4. Ploegen naar Egyptische voorstelling
1. Een landarbeider met een soort van schoffel of hak (a) een voorwerp van hout in de vorm van de letter A; één der stukken eindigt puntig.
2. De ploeger, die met beide handen de ploegstaarten (b) vasthoudt.
3. De drijver (c) die de langgehoornde runderen aanspoort.
4. Een ton (d) die het zaad bevat.
5. Een Egyptenaar met lendenschort (e) evenals de andere in de typische houding de armen gekruist voor de borst, de handen op de schouders. Deze houding is de gewone.
6. Een andere ploeger (ƒ). De oude Egyptenaren waren klaarblijkelijk even verzot op praten tijdens het werk als hun nazaten.

.

landbouw 5

5. Zaaien (Egyptische voorstelling).
1.Egyptenaar, geknield, doet zaad in de korf (a).
2. De zaaier (b) neemt het zaad uit de korf en werpt het zaad uit achter de ploeger in het omgeploegde land.
3. Runderen voor de ploeg (c) daarvoor huppelt het „ongewende kalf” (d).
(ongewend: nog niet gewend aan (het trekken van de ploeg), nog dartel, speels)

.

Landbouw in het O.T   [2]    [3]    [4]   [5]

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

1023-948

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde (7)

3e klas heemkunde

Over de vierde klas kun je soms lezen hoe het kind van 9 à 10 daar kan gaan veranderen. Hoe daar een ontwikkelingsperiode wordt afgesloten en een nieuwe begint. “De poort is-gesloten”, staat daar dan te lezen.

Niet zonder begeleiding laten wij het kind de poort uitgaan.

In de derde klas proberen we het kind zekerheid en geborgenheid mee te geven. De vertelstof geeft dit gevoel zeer nadrukkelijk.

In de scheppingsverhalen [1] beleven ze nog eens hoe de gehele aarde doordrongen is van de God-Vaderwereld.
De verhalen van de drie Kaïnszonen vertellen hoe de mens langzamerhand. burger van de aarde wordt; hoe hij de aarde gaat ontdekken en bewerken.
Dan volgt de geschiedenis van het volk Israël; een doorlopende geschiedenis van vallen en opstaan, van het zich onttrekken aan de macht van Jahwe en dan weer terugvinden. Steeds weer is Jahwe er die hen tegemoed komt, die tot hen spreekt, die hun de helpende, hand reikt.

Geborgenheid en vertrouwen ook in de leerstof die in de derde klas duidelijk het karakter van oefenstof heeft.
Dat wat in de eerste twee jaren is aangelegd moet in de 3e klas een vaardigheid worden. Het kind moet er zich zeker in gaan voelen; van zichzelf het gevoel hebben dat hij de vaardigheden van schrijven, lezen, rekenen kan hanteren.

En dan de heemkunde, een vak waar voor het eerst in de derde klas periodes aan gewijd worden, in de lagere klassen wordt het eerder verwerkt in de leerstof.

In de verhalen laten we zien hoe de aarde is opgebouwd uit de krachten van de vier elementen. ln een verhaal heb ik verteld hoe wij aan onze bakstenen komen (later nodig voor de huizenbouw).

Hoe regen, wind, zon en vorst uitwerken op de massieve bergmassa’s en door de rivier afgezet, wij langs onze wateren de klei vinden, die later tot bakstenen gevormd in de wind staan te drogen en dan door het vuur weer tot bikkelhard gesteente wordt gevormd.

Steeds weer komen de elementen terug. Ook als we later met de hele klas bij de smid staan en de  smid het in het vuur verhitte ijzer in één slag buigt, (Een klassikaal ooh’! onderschrijft de verbazing én beleving van de kinderen).

Ja ook de ambachten horen tot de heemkunde, naast de periodes over het graan en de huizenbouw.
.

M.Brouwer in ‘Triangel, Zutphen, datum onbekend
.

[1] En het werd licht – Jakob Streit

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

heemkunde 4

.
1005-931

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde – huizenbouw (4-3)

.

huizenbouw in de derde klas

Ha fijn, huizenbouw. De hele klas gonsde van genoegen. Vol goede moed en met een blijde verwachting in hun ogen kwamen de kinderen – op maandagmorgen de klas in. Het beloofde een periode te worden vol verrassingen en fijne dingen. Nadat ik. maandag verteld had hoe Jabal, zoon van Kain, het eerste huis bouwde en hoe de mensen in die tijd hun hutten hadden gebouwd van takken en zand, gingen we het dinsdag zelf proberen in het bos. De drie groepen kinderen begonnen ijverig te sjouwen met takken, De eerste groep bouwde over een kuil ’n vlechtwerk van takken, takjes en bladeren heen, dat steunde op een stevige paal. De volgende groep koos een mosrijk stukje grond waar een boom bij stond. Deze boom had een lage vertakking zodat er met behulp van twee vorkachtige palen een driehoekig huis ontstond, want drie dwarspalen werden tussen de vork van de drie “steunen” geplaatst. Tegen deze dwarspalen werden takken neergezet en er bovenop een bladerdak. De derde groep bouwde rond een kuil en ’n boom een ronde hut. De takken werden tegen de boom aan gezet, daar waar een vertakking was. Sommige meisjes begonnen hun hut al gezellig te maken voordat de muren klaar waren.

Toen het tijd was om terug naar school te gaan zijn we met elkaar de hutten gaan bekijken. Alle drie waren het gezellige hutten, warm en veilig. Op school schreven en tekenden de kinderen in hun periodeschrift hierover.

Niet altijd hebben de mensen hun huizen van hout gemaakt. Immers, niet in elk land is er volop hout. Waar het koud is en altijd vriest, bouwen de mensen hun huizen van ijs – waar het droog en warm is maken de mensen huizen van doek – waar veel bergen zijn bouwen de mensen hun huizen van brokken steen – waar veel water en klei is, maken de mensen hun huizen van bakstenen. Uit het water en de klei vormen ze stenen en bakken die in hete ovens.

Met cement bouwen de mensen van deze stenen een muur en dat ging de derde klas ook leren.

We trokken, gewapend in overall of in werkkleding, naar de technische school op de Dijnselburgerlaan, waar we hartelijk ontvangen werden door de metselleraar in zijn grote metselklas. Aan een kant van de klas waren jongens bezig allerlei verschillende muurtjes te bouwen. Aan de andere kant stonden speciale tafels klaar waar wij op mochten metselen. Grote emmers specie en stapels stenen. De metselleraar liet zien hoe hij met zijn troffel de eerste laag specie op de tafel neerlegde. Daarna mochten de kinderen met z’n vieren aan een tafel (twee aan elke kant) het ook proberen. Vakkundig werd de eerste laag specie aangelegd, nadat er flink geoefend was kon het echte werk beginnen.

Hoe stoer stonden daar die kleine derdeklassers met hun grote troffels steen voor steen neer te zetten in de specie. En laag voor laag groeide daar een muurtje in halfsteensverband. Jammer dat de tijd juist dan zo snel gaat en dat de muurtjes weer afgebroken moesten worden en de stenen schoongemaakt. Maar we wisten in ieder geval hoe we moesten metselen. De volgende dagen hebben we veel samen gepraat over hoe je huizen bouwen moest en telkens ontdekten we weer nieuwe dingen. Elk huis heeft een stevig fundament nodig, anders is het niet stevig genoeg. We oefenden ijverig de verschillende verbanden. We tekenden ze heel precies op een groot stuk papier. Dat was behoorlijk moeilijk want als je de ene kop (dit is de korte kant van de steen) kleiner maakte dan de andere, dan klopte het hele verband niet. We leerden veel vaktermen: de kop is dus de korte kant van de steen. De strek de lange kant. Is er een laag van alleen koppen dan is dit een koppenlaag en een laag met alleen strekken heet een strekkenlaag. De specieranden tussen de stenen heten voegen. De horizontale voegen zijn lintvoegen en de vertikale stootvoegen. Bij een verband moeten stoot- en lintvoegen op een zodanige afstand van elkaar zijn dat de muur stevig wordt en niet omvalt. Dit hebben de kinderen zelf ontdekt toen ze aan het oefenen waren met “droge” stenen die vooraan in de klas op een tafel lagen.

Over het bouwen van een huis speelden we toneel. De gravers, heiers, metselaars, timmerlui, leidekkers, schilders, stucadoors, schrijners vulden de klas met hun gereedschap. Elk beroep werd door en door beleefd en met enthousiasme en ernst gespeeld. Jongens, wat was dat een feest, samen te bouwen aan een warm en gezellig huis. En de pret kon niet op toen we samen naar een steenfabriek gingen in Lienden.

In auto’s met de pont over het water, een steenfabriek vol dichtgevroren plassen – heerlijk baantje glijden; over enge bruggetjes lopen die tussen de machines in stonden en ademloos kijken hoe daar honderden, duizenden stenen gevormd werden uit die grote vette brokken klei; de lange hoge droogovens waar de stenen in drogen en dan het meest spannende van allemaal: de vuurovens. Als je door een luikje keek zag je langwerpige vlammen uit ’t plafond komen die vreselijk heet waren. We hebben lang naar het vuur staan kijken Na al die hitte was een flesje prik nog lekkerder dan anders en na een dankuwel aan de vriendelijke meneer en nog één keertje baantje glijden terug naar school.

De kinderen hebben genoten van dit alles. Heel belangrijk voor ze was de beleving, dat de vier elementen nodig waren voor het bouwen van ons huis en hoe alles in z’n werk ging. Ze hebben stenen gevoeld, ze hebben gezien hoe stenen worden gemaakt, ze hebben leren metselen, Ze hebben gegraven, geheid, gemetseld, getimmerd, daken gesloten, geschilderd, meubels gemaakt. We hebben op straat naar de verschillende vormen van huizen gekeken en naar hun verbanden.

We hebben bij de bouw van ’n huis stilgestaan, een huis om in te wonen. Samen met elkaar, maar ook ons eigen huis. Dat huis dat een derde klasser die naar z’n 10e levensjaar gaat, voor zichzelf moet gaan bouwen. Ons huis met een stevig fundament. Dat huis van het kind zelf van waaruit het de wereld kan gaan bekijken.

Tine Timmermans-van Merwijk, nadere gegevens onbekend)
.

huizenbouwspel; de paalwoning; voorbeelden van huizen

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

915-846

VRIJESCHOOL – 3e klas – heemkunde (4-2)

.


VAN HOLEN TOT PAALWONINGEN


Duizenden jaren lang woonden de mensen uit het stenen tijdperk in natuurlijke grotten en holen. Deze diepe, donkere holten werden zeer gewaardeerd door onze voorouders: Allereerst waren het door de natuur geboden schuilplaatsen die goed te verdedigen waren tegen aanvallen van wilde dieren.
Bovendien boden ze beschutting tegen regen en kou.

Maar na een zekere tijd ruilde de mens deze schuilplaats voor een geriefelijker en gezonder onderkomen. Men had zich bekwaamd in het vervaar­digen van gereedschap en jachtwapens. Men kon dus het hout bewerken en vaartuigen bouwen. Het bouwen van een hut aan het water bood aanzienlijke voordelen: het onderkomen was in ver­houding veel geriefelijker en veiliger. De paalwoningbewoner kon vis vangen om in zijn behoefte aan voedsel te voor­zien. Hij had drinkwater bij de hand en hij kon gemakkelijk aanvallen van vijanden afwenden.

De oudste nederzettingen van paalwoningen ontstonden in de loop van het nieuwe stenen tijdperk (6000 tot 4000 jaar v. Chr.). Ze kwamen tot bloei in het daaropvolgende late stenen tijdperk  (3500-2500 v. Chr.) en zetten zich voort in de bronzen- en ijzeren tijdperken (van 2500-1000 v. Chr.)   Ze kwamen voornamelijk voor in een gebied dat te vergelijken is met het tegenwoordige Duitsland, Zwitserland en Italië.

3e klas 1

In het jaar 1854 zakte, als gevolg van een langdurige droogte, het waterpeil van het Meer van Zürich tot ver beneden normaal.

De bewoners van het dorp Obermeilen benutten de kans om hun akkers uit te breiden door een stuk van het meer met een dam af te sluiten. Tijdens het aan­leggen van die dam kwamen de arbeiders een laag zwarte klei tegen, waar een woud van palen tot vier meter diepte in geheid was. Tussen de palen vond men een grote hoeveelheid voorwerpen, zoals gereed­schappen van steen en beenderen, handgemaakte potten, overblijfselen van kookplaatsen en ander huisraad.
Voor de eerste keer had men een grote nederzetting van paalwoningen uit het stenen tijdperk ontdekt, woningen die op palen boven het water waren ge­bouwd.

De gebruiksvoorwerpen die uit de modder te voorschijn kwamen waren vier tot zesduizend jaar geleden voor het laatst gebruikt. Later heeft men in heel Europa tientallen zeer gaaf bewaarde overblijfselen van paalwoning-neder­zettingen ontdekt en onderzocht.

Bouwen op palen

Om zo’n paaldorp te bouwen, waren tientallen mannen enige jaren bezig. In die tijd leefden de gezinnen bij elkaar in stammen. Er was geen gebrek aan mankracht.
Als bouwplaats voor zulke nederzettingen gaf men de voorkeur aan meren en moeras­sen. Rivieren waren minder geschikt vanwege hun steeds veranderende waterstan­den: de perioden van droogte en gevaarlijke overstromingen.

Allereerst werden boomstammen, voorzien van een scherpe punt, in de modderachtige bodem geslagen. De palen staken ongeveer twee meter boven de waterspiegel uit. Op de palen werd een vloer van boomstammen gelegd, die men vastzette met behulp van houten pennen. Op de zo tot stand gekomen vlonder ging men hutten bouwen.
De hutten waren vierkant of rond. Ze werden ook uit boomstammen opgetrokken. De kieren tussen de stammen werden dichtgesmeerd met klei. Deze klei, verhard onder invloed van zon en lucht, veranderde in een zeer sterke pleisterlaag.

3e klas 2

3e klas 3

3e klas 4

3e klas heemkunde: alle artikelen

Heemkunde: alle artikelen

3e klas: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

862-794

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde 3e klas (2)

.

EEN PERIODE HEEMKUNDE IN DE DERDE KLAS

De oude ambachten

De kinderen in de derde klas krijgen oog voor het feit hoe ZINVOL een handeling is. In de lagere klassen leerden ze spelenderwijs hun motoriek te verfijnen en stimuleerde de leerstof spelenderwijs hun denkvermogen. In de vierde klas verliezen de kinderen hun intuïtieve band met hun omgeving vaak dusdanig, dat de omgeving en medemens als “vreemd” be­leefd worden.

De acht- à negenjarige kinderen zien hun medemens echter voornamelijk als individuen, die met een zeker gemak hun weg in de wereld weten te vinden. Onze huidige wereld zit echter zeer gecompliceerd in elkaar en is voor kinderen vaak niet meer te begrijpen.

DE OUDE AMBACHTEN geven de derde klassers een mogelijkheid zich te identificeren met medemensen die hun plaats in de maatschappij hebben en zinvol werk verrichten voor het gemak en genot van anderen. In de oude ambachten valt ook de ZAKELIJKE omgeving t.o.v. mens en natuur nog goed te ont­dekken. Door de kinderen in meerdere ambachten wat mee te laten werken kan het RESPECT voor de werkende mens en de door de mens gemaakte producten groeien.

Het leven op de BOERDERIJ kan in zo’n periode een goed begin zijn, omdat daar vele ambachten verzameld zijn en vele am­bachten daar hun oorsprong hebben.

Deze derde klas is eerst opgewarmd door verhalen uit het Oude Testament. Kaïn was de eerste landbouwer, Abel de eerste schaapherder. Jabal temde wilde dieren en bouwde de eerste huizen, Jubal bracht de muziek en de muziekinstrumenten aan de mensen, Tubal-Kaïn is de vader van alle smeden. Daarna hebben we naar aanleiding van verhalen over de boerderijdieren ze met hun typische karakter met behulp van gedichten nagespeeld. Bij het varken bijvoorbeeld liepen er eerst vier kinderen door de klas te wroeten terwijl we het eerste ge­deelte van een varkensgedicht reciteerden. Daarna dirigeerde ik het knorrenkoor en gingen de vier wroeters over elkaar slapen, terwijl wij spraken:

Er lagen vier biggetjes in het land te ronken.
Ze sliepen in ’t slik aan de waterkant en stonken.
Ze waren zo zat van het smakken en smullen,
ze konden niet eens meer hun staarteindje krullen.

Bij de geit deden we het volgende spel, nadat we gehoord hadden hoe de geiten voor gezonde, dikke bomen zorgen door alle onderbegroeiing op te eten. We gingen in een kring zitten en twee kinderen waren een paal. Daaromheen kon aan een touw een geit rondlopen die alles op mocht knabbelen waar hij bij kon. Dat was rekken en strekken!  Zo verzamelde de geit schoenen, sokken, truien en haarbanden terwijl er in koor gesproken werd:

Wit geitje, gebonden
aan koord en paal
weidt ronden op ronden
zijn kantje kaal

Het scharrelt en krabbelt
zo danig en dol;
en knaagt en knabbelt
zijn buikje vol.

Elke keer spraken we het gedicht opnieuw en was er een nieuwe geit.
Zo kwamen de koe, het paard, de haan, de kippen en de schapen ook aan bod.

Zo waren we spoedig rijp voor een bezoek aan boer Roodenburg. Vele ouders reden ons in auto’s naar Wassenaar en daar ont­vingen boer en boerin Roodenburg ons onder de walnotenboom. Eerst walnoten zoeken en eten en daarna de stallen in. We mochten de varkens voeren in stinkende donkere stallen. We mochten wat hooi voeren aan pinken op de grup. We hebben naar de stier gezocht tussen meer dan 50 koeien.  “Ik heb hem gevonden,” klonk het meer dan eens. “Hij heeft geen uier!” “Hij heeft veel kortere horens!” En: “Hij heeft zijn trouwring door zijn neus!” klonk er schaterlachend. We bezochten het oude broodbakhuisje naast het washok en mochten allemaal hout in de huidige allesbrander stoppen (huisverwarming). En dan!  Eten in het stro naast een pasgeboren kalfje. Wat een aandacht kreeg het beestje. Lekker knus en warm in het stro kregen we ook allemaal nog verse melk van de koeien die we net bezocht hadden. Na het eten gingen we de weide in. Gedwaald door het hakhoutbosje, gekeken naar het slotenschonen én de boswachter ontmoet,  juist toen er drie hazen opschrokken en zigzaggend voor ons vluchtten. Tenslotte het hek overgeklommen en de strobalen allemaal weer keurig de berg opgetrokken.

In de klas reciteerden we het volgende gedicht:

Dagelijks werk voor alle boeren:
Elke dag de beesten voeren.
Hooi en haver voor het paard.
Stro en stronken voor likkebaard  (geit).
Kuilgras, hooi en bieten toe
of maïs en brokken eet de koe.
Kippen krijgen velerlei graan.
De varkens nemen alles aan.
Schapen vreten takken en stro
De kat krijgt alle muizen cadeau.
Nu zijn we toch de hond vergeten,
die moet dan maar dieven eten.

We zijn echter ook het land gaan bewerken. Bij de Cronestijn-schooltuinen mochten we graan gaan telen. Piet Anker leende ons een oeroude paardenploeg uit zijn museum “De Gesloten Beurs” (Vlietweg). In twee ploegen, de witte en de zwarte paarden, trokken we de ploeg door het land. Elke voor met een nieuwe boer en om en om trekkend. De “paarden” raakten spoedig nat van het zweet en telkens moest de “boer” ze aanmoedigen met een “Hu, paard! Hu!” Gelukkig was er een pauze en konden we in het in aanbouw zijnde leslokaal eten bij de timmerman en -vrouw. Na de pauze ploegden we de rest en toen lag er 2 are zij aan zij, net als in ons ploegspelletje waarbij geklonken had:

De boer, hij ploegt zijn akker om.
Hij keert de klei in felle zon.
Al koel en klef ligt zo de klei,
van buik op rug en zij aan zij.

Het ploeglied heeft op het land echter minder geklonken dan in de klas, want daarvoor waren ze al spoedig veel te moe en was het soppen in de modder veel te inspannend.

Ploeglied:
Hé, hó, span de paarden in.
Stevig trekken, kijk, ze hebben zin.
Akker laat het groeien.       2x      (5 strofes totaal)

Een week later zijn we gaan zaaien. Allemaal een echte zaai­doek om met zijn speciale knoop! Toen heeft het zaailied wél stevig geklonken, want op het ritme werd gezaaid. Alle handen graaiden en spreidden zich in een soepele 8-beweging op het ritme van het lied. De korrels vlogen met duizenden in grote bogen door de lucht en vielen door de zaaikunst mooi regelmatig verspreid op het land. Het lied zoemde nog weken daarna in de klas:

Zaailied
Joe hé, joe hé, de akkerman zaait.
De vogeltjes zingen, de korreltjes springen.
Joe hé,  joe hé, de akkerman zaait.

Ja, nu hadden we een reusachtige vogelvoerakker! Daarom zijn we toen nog gaan eggen. Dwars door het pas ingezaaide land trokken we de eg en heel langzaam verdwenen alle korrels om rustig in de donkere akker te ontkiemen. En dan? We wachten nu al maanden!
In de klas is ook wat graan gezaaid en zo kunnen we het toch nog vervolgen.  Maar in deze periode gaan we weer naar het land om te kijken en later nog eens om onkruid weg te eggen. Dan willen we het nog zien bloeien en tenslotte gaan
we het graan van de zomer oogsten, dorsen met vlegels, schonen in de wind, zeven, malen en tot brood bakken.

Nu zijn we echter net begonnen met een tweede periode heemkunde (de eerste was in november (1988). In deze periode gaan we meer naar de verschillende gereedschappen en hun gebruik kijken. We gaan op bezoek bij de molenaar, de bakker, de pottenbakker, de klompenmaker, de melker, de kaasmaker, de smid, de schoenmaker, de visser (netten boeten), de spinster en de plankenzager (molen).

We hebben net een kraal gemaakt van palen en takken ertussen gevlochten. Ook hebben we een pad gemaakt zoals een straten­maker en wel rond het kippenhok. Eerst zand gehaald,  gewicht leren verdelen in de kruiwagen, gegraven, zand gestort en toen passen tot alle stenen in verband en sluitend lagen. Invegen met zand én…. schone schoenen!

Nu zijn we bezig van het boerengeriefhout gereedschap te maken. Sommigen maken een bezem van wilgentakken, anderen een hooivork of een herdersstaf van essenhout. Er wordt hard gewerkt in de derde.

(Martin Stoop, nadere gegevens ontbreken)
.

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

Heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

481-444

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

VRIJESCHOOL – Heemkunde – 3e klas (1)

 

HEEMKUNDE 3E KLAS

De heemkunde van de 3e klas krijgt weleens de naam ‘boerderijperiode’ of  ‘(oude) ambachtenperiode’, ‘huizenbouwperiode’ en wellicht meer.

Het is heemkunde als directe voorloper van de aardrijkskunde in klas 4: vanaf ‘thuis’ de grotere en verdere wereld in.

Ja, hoe leid je de beroepen en ambachten in? Men kan uitgaan van een gesprek over het bekende verhaaltje (een sprookje is het niet) van Grimm: Het mooie Pieternelletje en Pief Paf Polleken. Vele kinderen zullen het zich nog herinneren. Bij het behandelen van stof voor oudere kinderen moet men de zorgvuldige voorbereiding in de leerstof van de lagere klassen zoeken. Nu, dat grappige Pief Paf Polleken wordt in de derde klas bekeken vanuit de invalshoek van de ambachten.

De jongelieden bevallen elkaar wel. Maar dan is het tijd voor het zakelijke.

‘Mooie Pieternelletje, hoeveel heb je als bruidsschat?’
‘Veertien penningen opgedoft,
‘Derde half stuiver opgepoft,
‘Een half pond appeltjes,
‘Een handvol kappertjes,’Een handvol klappertjes
en nog zo wat:
Is dat geen prachtige bruidsschat?’

En Pief Paf Polleken, wat is je handwerk?’ 

‘Ben je kleermaker?’
‘Nog veel beter’
‘Een schoenmaker?’
‘Nog veel beter’
‘Een boer?’
‘Nog veel beter’
‘Een meubelmaker?1
‘Nog veel beter’
‘Een smid?’
‘Nog veel beter’
‘Een molenaar?”
‘Nog veel beter’
‘Ben je misschien een bezembinder?’
‘Juist, dat ben ik,
is dat geen prachtig handwerk?’

Een komische dialoog. De kinderen mogen hem naspelen. Het zijn precies zeven beroepen in het verhaal. Zes ervan zijn vrijwel onmisbaar in een gewone mensengemeenschap. Vrijwel, want kleren, schoenen en meubels zou men nog zelf kunnen maken met handigheid, vlijt en inzicht.

Dat geldt niet meer voor de smid, de machtige heer van vuur en ijzer, de boer, de sterke bewerker van aarde en granen, de molenaar, de heer van wind en broodmeel.

Bezems kan werkelijk iedereen maken, maar het is zo’n werk! Een zeer eenvoudig beroep of handwerk dus. Sprookjes beginnen soms met ‘Er was eens een arme bezembinder’.

In principe schildert de leraar, hoe de molenaar te werk gaat, maar soms zijn de kinderen al heel uitgeslapen op het gebied van de techniek.

Een molen wordt bezocht. Eventueel wordt een modelletje van een molen gemaakt.

Men kan niet alles doen, een keuze moet gemaakt worden. De kinderen tekenen hun ervaringen op. De eerste opstelletjes ontstaan. En natuurlijk wordt er veel getekend.

Een bakker biedt ook vele mogelijkheden. Brood bakken kan zelfs in de klas, wanneer de moeders draagbare oventjes hebben. Voor het bezoek aan een ‘warme bakker’ kan een hele ochtend uitgetrokken worden. Het gelukt soms ook om een smid te vinden. In ieder geval kan er verteld worden.

Meubelmaker, glasblazer, schoenmaker, kleermaker, pottenbakker, zij kunnen allen de revue passeren.

Het bezoek aan pottenbakker of glasblazer is fascinerend. Belangrijk is, dat de kinderen hun tekeningen of opstelletjes aan de gastvrije handwerkers brengen.

Men behoeft niet steeds het woord dankbaarheid in de mond te nemen. Maar het is van het grootste belang, dat waardering voor het handwerk, interesse voor het materiaal en de werkmethode van de leerkracht uitstralen. De dankbaarheid voor het gebodene komt dan vanzelf. Maar het bedanken is op zichzelf een kunst, die geleerd wil worden. Het is ook mogelijk om ieder beroep, dat met de kinderen wordt behandeld, uitdrukking te laten vinden in een gedicht. Een gedicht bewaart de essentiële dingen beter dan proza en blijft ook beter in het geheugen hangen. Twee onderwerpen behoren ook in de derde klas thuis: het boerenbedrijf en de huizenbouw. Het bezoeken van boerderijen en bouwerijen is het eindstadium, dat lange tijd is voorbereid.

Het spelelement kan aanwezig zijn in het reciteren van gedichten en de juiste bewegingen die bij het beroep horen én bij het gedicht.

De graansoorten tarwe, rogge, gerst en haver worden groot en mooi uitgetekend. Ook boerderijen worden getekend en de betekenis van de verschillende ruimten uiteengezet.
Kleine boerderijtjes van karton ontstaan uit groot enthousiasme. De gang van
graankorreltjes tot boterham wordt zorgvuldig behandeld.

Het koren
Kaal ligt de aarde, kaal is de grond.
Geen vrolijke bloemen kijken meer rond.
De vogels vertrekken naar ’t warmere land.
Kaal staan de bomen langs wegen en kant.
Maar de landman ploegt en de landman graaft.
Hoe zijn paardje zwoegt,
hoe zijn paardje draaft!
Zij trekken de voren, waar zij gaan.
Daar kan het koren groeien en staan.

De Zaaier
De zaaier zaait met vaste hand
En strooit de korrels op het land.
Hij strooit met fors en breed gebaar
De aardeschoot ontvangt het maar.
De korrels rusten, kalm en zacht
Door heel de lange winternacht.

De Boer
Wij ploegen en wij eggen,
Wij zaaien op het land.
Maar wasdom en gedijen,
Die zijn in Godes hand.

Graankorrel
In het omgeploegde akkerland
Werd ik gelegd door mensenhand.
Toen kwam de milde regen
Als eerste lentezegen.
Maar nog leek ik dor en dood
Te liggen in de aardeschoot.
Dat was, omdat ik rustte,
Totdat de zon mij kustte.
Ja! toen hief ik mij omhoog,
Zocht de lichte hemelboog!
En ik was niet meer alleen.
Want vele andere halmen
Wiegden om mij heen…

Maailied
Zongebrand! Goud op ’t land
Zie je nu het koren staan:
Eerst gezaaid, dan gemaaid
En geoogst wordt ’t gouden graan.
Zet de schoven recht naar boven,
Bindt de halmen bij elkaar!

Zon en regen brachten zegen,
Vormden korrels groot en zwaar.
Aan de Aarde die ’t bewaarde.
Aan de regen en de wind.
Aan de zon en aan de mensen,
Brengen wij nu dank, m’n kind!

Dorslied
Klip en klap, klip en klap!
Klinkt het luid in het rond.
Klip en klap, klip en klap!
Door de stille avondstond,
’t Zijn de boeren op hun vloeren,
Die daar werken vlijtig aan.
En zij kloppen met hun vlegels
Alle korrels uit het graan.

Malen
De molenaar, de molenaar
Is flink aan ’t werk, wat doet hij daar?
Hij maalt er de korrels
Van al het gouden graan,
Terwijl daar de wieken
Al klapperend gaan.
En als dan des avonds
Het werk is volbracht.
Dan rookt hij tevreden
Zijn pijpje en lacht!

Bakken
De bakker, de bakker,
Die krijgt nu zijn deel
Van alle volle zakken
Met glanzend wit meel.
Dan kneedt hij het deeg
In een grote, houten trog.
De zakken zijn leeg.
Maar de bakkersknecht werkt nog!
Hij vormt met de handen
De broden rond en zwaar.
Hij schuift ze op een schep
In de hete oven daar.
Hij stookt flink het vuurtje,
Het wordt een felle gloed
En binnen een goed uurtje
Is ’t brood al gaar en goed!

Het Brood
Bruin gebakken, rond en gaar,
Ligt het brood op tafel klaar.
Heb je dan ook wel bedacht
Wie dat alles heeft gebracht?
Warme zon gaf gloed en kracht.
Aarde heeft het voortgebracht,
Boer, die het naar binnen haalde,
Molenaar die ’t graan vermaalde
En de Bakker bakken deed.
Wat je nu zo lekker eet.
Dank hen allen voor dit brood
Daar groei je van en je wordt groot!

De huizenbouw
Holen, rieten hutten*, tenten, huizen, van alles kan besproken worden.
Waarom bouwt de mens een huis? Bescherming, omhulling, warmte zoeken ook de dieren. Bij de mens draagt een afgesloten ruimte ook bij tot individualisering en socialisering. Bijen leven met een heel volk in een nest of kast, maar de mens kan ook andere mensen in zijn huis ontvangen en gastvrij zijn. Die andere mensen behoeven niet tot hetzelfde volk of ras te behoren.

De kinderen zoeken van alles uit, komen met allerlei aandragen, brengen boeken mee, plaatjes van iglo’s, wigwams, paalwoningen, modelletjes van Bedoeïenentent, berghut of Japans lakhuisje. Er heerst een koortsachtige activiteit in de klas.

Herinnering aan de vertelstof uit het Oude Testament komt op: Vroeger woonde de Heer in een tent, de Tabernakel! Later bouwde Salomo een stenen tempel, een Godshuis. Die tempel was drieledig van bouw, zoals een mens. De meeste culturen vertonen deze drieledigheid in hun tempels: voorhof met altaren, middenhof (al of niet met zuilen en heilige voorwerpen) en het ‘heilige der heiligen’.

Zonder dat de kinderen het met zoveel woorden horen, speelt een onbewust weten bij hen mee: het kind zelf bereikt in de derde klas het stadium, dat zijn lichamelijkheid een ‘huis’ gaat worden voor de ontwikkeling van zijn ziel en geest. Een kleine fase wordt afgesloten.

Het huis is een oerbeeld voor het lichaam, dat betrokken gaat worden door het wezen van de mens zelf. ‘Het huis’ kan wel een uitdrukking van het wezen zijn, maar niet het wezen zelf.

Men begint dan over de bouwmaterialen te spreken, waaruit het huis zal worden opgebouwd. De kinderen weten al heel wat: er moeten stenen, balken, planken, palen, betonelementen, latten, buizen, dakpannen zijn. Dat alles wordt neergelegd op het bouwterrein. Het wordt aangevoerd per schip of vrachtwagen.

De vraag: ‘Ligt daar nu een huis?’ wordt met bulderend gelach van de kinderen begroet. Losse materialen zijn nog geen huis, evenmin als losse woorden een zin vormen die zin heeft!

Eigenlijk blijken de kinderen veel intelligenter — niet intellectueler natuurlijk — dan vele, zelfs geleerde mensen, die menen, dat mens en heelal door toeval ontstaan zijn en dat nog wetenschap noemen bovendien. Neen, wat rondgooien van balken, stenen, buizen en pannen doet nog geen huis ontstaan. Er is een plan nodig, een ontwerp, een architect die het maakt, een aannemer en een uitvoerder en natuurlijk vele bouwers, bouwvakkers.

Een of ander huizenbouwspel wordt ingestudeerd. Zo’n spel vind je niet in de literaire tijdschriften: de leerkracht moet het zelf maken, of een spel krijgen van een oudere collega en het eventueel verrijken met eigen vindingen, er is geen auteursrecht op. Wanneer de jonge Mozart een thema van de oude Haydn gebruikte, betekende dat een eer voor de oude meester. Zodoende. Een voorbeeld:

Komt, krachtig aan het werk!
Een huis hecht en sterk,
Dat willen wij bouwen.
Helpt zwoegen en sjouwen!
Voor ’t heien wilt halen
De puntige palen!
Brengt balken en staken
Voor deuren en daken.
Ook stenen en pannen.
Dan kunnen de mannen
Vol ijver aan ’t werk!

Dit wordt gereciteerd met lopen, stampen of ritmisch klappen. Er wordt een tekening gemaakt van elke fase. Andere kinderen weer beginnen van klei stenen te maken, of een klein huisje. Misschien gelukt het soms van echte stenen een huisje in de klas te bouwen. Er wordt in groepen gewerkt.

De recitatie gaat, met de gehele klas. In het gedicht zijn we aan het grondwerk toe.

(spitbewegingen)
Wij spitten met spaden
De grauw-grijze grond
De klodders en kluiten
Zij vliegen in ’t rond!

(elk pakt zijn voorman bij de benen. Die loopt op de handen)

Dan duwen we dapper
Kruiwagens door ’t hek
En dragen de grond
Naar een andere plek.

Morgen kan er geheid worden. Er wordt niet alleen over het heien verteld, maar de kinderen beelden het ook uit. Eén is de paal. Die zakt steeds meer door de knieën, twee maken een stelling. Eén laat zijn vuisten als heiblok fungeren.

Richt recht de paal   /   juist op zijn plaats!
Het heiblok valt   /   met groot geraas.
De eerste klap   /   klinkt luid in ’t rond.
De lange paal   /   zakt in de grond.
Heft hoog het blok   /   trekt stevig neer!
Nu slap het touw   /   het blok valt weer!
Steeds dieper zinkt   /   de grote paal.
Steekt in de grond   /   haast helemaal.
Dan valt het blok   /   nog één keer neer
-Een doffe plof   /   en dan niet meer!

Ongetwijfeld is een moderne heimachine even boeiend als zo n oude heistelling. Toch moet men niet dadelijk het nieuwste technische bespreken. Dit is niet zo goed te doorzien voor een kind. De oude heistelling wel. En daarom gaat het.

Een heel belangrijk punt bij de huizenbouw is het metselen. Over de bereiding van specie wordt gesproken. Ook over steenfabricage. Verschillende soorten steen worden genoemd. Over baksteen en natuursteen wordt verteld.

Het tekenen van alles, wat er aan het huis gebeurt, is voor de derdeklassers moeilijk. Ze kennen immers nog geen perspectief. Maar ze mogen zelf metselen, met hun leerkracht en een stel enthousiaste ouders. Op het toneel wordt het dan:

Voor het metselen maken wij
In een trog de metselbrij!
Meng de kalk met flink wat zand,
Roer gestadig met je hand.
Water moet er ook nog bij.
Anders stolt de dikke brij.
Dan cement, een beetje maar
En de brij is voor elkaar.
Draag de rose stenen aan,
Wilt nu aan het metselen gaan.
Strijk de specie op de kant
Met de troffel in je hand.
Dan komt weldra steen na steen
Van de grote muur bijeen.

Nu, de kinderen zien, dat metselen moeilijker is dan het eerst leek. Er komen nog andere leuke dingen: het stellen van kozijnen en deurposten, heel nauwkeurig.

Om het huis worden stellingen gebouwd. Op de vloer van beton is een woud van blank, geurig timmerhout verrezen. De muren van het huis worden voltooid. De grote dakbalken, de spanten worden aangebracht. De overkapping wordt gevierd met vlag en ‘pannenbier’.

Wat geklap in ons huis!
Wat gebons en gedruis!
Overal, hoog en laag, wordt getimmerd vandaag.
Tikketak! Op het dak zitten wij met gemak.
Plank na plank, tikketok! Slaan wij vast tot de nok.
Komt het klaar deze dag?
Hijs dan hoog onze vlag!
De mannen drinken met plezier
Het helder, schuimend pannenbier!

Dakpannen leggen ‘als schubben van een vis’; afwerken van muren en houtwerk, het buizen werk voor gas, water en elektriciteit, het schilderen, het glaswerk, alles komt klaar.

Alles wekt ook een enthousiasme bij de kinderen. De huizen van papier en hout, de tekeningen, het spel met de benodigde rekwisieten, het komt alles voor elkaar.

Tot slot van de huizenbouwperiode — het kan drie tot vier weken zijn — kan nog gereciteerd worden:

Ons huis is klaar. We gaan er wonen.
Het werk zal steeds de maker lonen.
Bewaar het nu voor ons, o Heer!
Zie op ons werk genadig neer!

De derde klas is de klas van het Oude Testament tenslotte. De kinderen zijn door de heemkunde gebracht tot een overzicht van de praktische wijze waarop de mens gebruik maakt van de natuur en zijn eigen gaven.

(Uit ‘Het binnenste buiten”: eindrapportage ‘Project Traditionele Vernieuwingsscholen’ : tevens Schoolwerkplan [van de] Rudolf Steiner Kleuterschool, Voorschoten [en de] Rudolf Steiner school, Leiden. 1985)

*het kan zijn dat deze link  maar tijdelijk op te roepen is

voorbeelden van huizen uit een periode

3e klas heemkunde: alle artikelen

Heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

.

478-442

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.