Tagarchief: katjesdragers

VRIJESCHOOL – 5e klas – plantkunde

.
Gem. dienst school- en kindertuinen, febr. 1976
.

KATJESDRAGERS

De els, berk, populier en wilg behoren alle tot de zgn. katjesdragers. Deze naam danken zij aan de wijze waarop zij bloeien, die enigszins doet denken aan het vel van een kat. Katjes zijn uit een groot aantal merkwaardige bloempjes samengesteld. In tegenstelling tot de meeste bloemen vinden we hier:

1. aparte stamperbloemen en aparte meeldraadbloemen;

2. geen kelk- en kroonbladeren;

3. een groot aantal bloemen zijn verenigd tot zogenaamde katjes: mannelijke of vrouwelijke meeldraadkatjes, vrouwelijke of stamperkatjes.

De berk

De mannelijke en vrouwelijke katjes zitten aan dezelfde boom (eenhuizig). De mannelijke katjes zitten meestal in V-vorm aan het eind van de tak; van de vrouwelijke katjes is nu nog niets te zien, want ze zitten in de bladknoppen.

In tegenstelling tot de andere katjesdragers bloeien bij de berk de katjes niet vóór, maar tegelijk met het verschijnen van het blad. De wind zorgt voor de bestuiving. De berk is een van de mooiste bomen van onze bossen. Door de sterk vertakte kroon heeft de berk een fraaie vorm, die wordt geaccentueerd door de witte bast op de stam. De berk groeit snel en heeft daardoor betrekkelijk zacht hout dat veel vocht bevat. De boom is dan ook weinig brandbaar en wordt daarom vaak aan de randen van bossen aangeplant als een soort brandbeveiliging (brandsingels). De fijne, witte bovenbast geeft berkenolie en juchtolie (te gebruiken bij de bereiding van juchtleer). De daaronder liggende laag geeft eveneens looistoffen. Berkenbast is heel duurzaam en kan daarom gebruikt worden voor de vervaardiging van touw en matten. Berkenhout is geschikt voor het maken van disselbomen, van houten lepels en bakken. Het sap van de boom wordt verwerkt in berkenhaarwater en berkenwijn.

De els

Evenals bij de berk vinden we beide soorten katjes aan één boom. Deze boom is dan ook eenhuizig. Het onderscheid tussen beide soorten katjes is eenvoudig: de mannelijke katjes zijn veel langer en zitten vol meeldraden, de vrouwelijke katjes zijn aanzienlijk kleiner, hebben een roodachtige kleur en kleverige stampers.

Een enkel mannelijk katje levert ruim 6 miljoen stuifmeelkorrels, terwijl een vrouwelijk katje ± 100 stampers bevat. Deze getallen wijzen erop dat we, net als bij de berk, met een windbloeier te maken hebben. De bloemen zijn klein, onopvallend en bezitten geen honing om insecten aan te trekken. Hier fungeert de wind als postbode van het stuifmeel. De grote produktie van stuifmeel vergroot alleen maar de kans dat enige stuifmeelkorrels op het juiste adres worden bezorgd, nl. op de stampers. In tegenstelling tot de berk heeft de els het voordeel dat de katjes bloeien voordat de bladeren uit de gesteelde knoppen verschijnen, zodat ze het bestuivingsproces niet kunnen hinderen.

Elzenproppen

Wellicht vindt u aan de tak deze merkwaardige houtige “kegeltjes”. Het zijn de vrouwelijke katjes van vorig jaar, die helemaal houtig zijn geworden. Tussen de schubben ervan bevinden zich misschien nog de enigszins gevleugelde zaden. De els staat vaak op plaatsen, waar andere bomen het niet kunnen uithouden. Hij staat vaak zo dicht bij sloot en plas, dat de voet van de stam in het water staat als het in het voorjaar hoog water is. Het geheim schuilt in de wortels. Overal ontdekt men hieraan kleine knolletjes; het lijkt wel of de boom ziek is. In die knolletjes zitten heel kleine organismen, een soort zwam, die stikstof uit de lucht kunnen opnemen. Op deze manier kan de plant beschikken over stikstof, die ze anders uit de bodem zou moeten opnemen. Hiervan profiteren vaak ook kruiden in de buurt van de boom. Men noemt een dergelijke vorm van samenwerking tussen planten (en van dieren) onderling symbiose. De els kan uit delen van het wortelstelsel nieuwe uitlopers vormen; vandaar dat men vaak bomen ziet met meer dan één stam. Het hout van de els is roodachtig van kleur en is goed geschikt voor houtsnijwerk. De els groeit vaak samen met wilgen en populieren in het zogenaamde elzenbroekbos, dat in ons land het meest op vochtige veengronden voorkomt.

De populier

De derde katjesdrager is de populier, die bekend staat als een snelle groeier en tevens als een boom, die gemakkelïjk gestekt kan worden.
Bij els en berk zagen we dat zowel de mannelijke als de vrouwelijke katjes op een boom voorkomen (eenhuizig); bij de populier vinden we op de ene boom alleen de mannelijke en op de andere boom alleen de vrouwelijke katjes (tweehuizig). Ook hier zorgt de wind voor het transport van het stuifmeel naar de stamperkatjes. Na de bloei vallen de mannelijke katjes af en vormen een dik tapijt aan de voet van de boom. Omdat ze enigszins op rupsen lijken, worden ze dan vaak door kinderen meegenomen.

De wilg

Evenals de populier is de wilg tweehuizig: er komen op één boom maar één soort katjes voor. Sommige wilgentakken vormen dus betrekkelijk kleine, weinig opvallende katjes, andere hebben grote gele katjes, waaruit honderden helmknoppen tevoorschijn komen. Als een mannelijke wilgenboom in bloei staat en bedekt is met de gele katjes, dan zal men er steeds een zwerm insecten, vooral bijen, rond omheen vinden. De katjes zitten weinig beweeglijk aan de boom bevestigd; de wind heeft er weinig vat op. De stuifmeelkorrels zijn dan ook groot en kleverig en bijzonder geschikt voor transport door insecten.

Wie in de buurt van een wilgeboom komt zal bovendien al op een afstand de nectargeur kunnen waarnemen. De bijen en hommels hebben in het vroege voorjaar grote behoefte aan aanvulling van hun voedselvoorraad. Het eiwitrijke stuifmeel en de nectar (honing) zijn dus bijzonder welkom. Vliegt een bij van een stuifmeelboom weg en komt hij op een boom met vrouwelijke katjes dan kan de bestuiving gemakkelijk plaatsvinden. De vrouwelijke katjes hebben een rijke voorraad nectar beschikbaar en oefenen dus ook een grote aantrekkingskracht op de insecten uit.
Na de bevruchting is de wilgenboom afhankelijk van de wind. Het vruchtje is voorzien van een pluisachtige parachuut en wordt door de wind verspreid.

 

 

 

 

 

 

De els, de duivel en de geit

Als u wel eens in een pas geveld elzenbos geweest bent ziet u, dat overal waar de bijl een stam velde, de stobbe rood kleurt. Vooral in de nevelige winterlucht biedt zo’n bos een bloederige aanblik. Het is te begrijpen, dat dit wonderlijke verschijnsel al vroeg de aandacht trok en dat er alle mogelijke volksverhalen over de herkomst van dat “bloed” bestaan. Natuurlijk hangen ze allemaal op de een of andere wijze samen met de “boze”.

Een van die verhalen wil ik kort vertellen. Nadat de duivel een hele lange dag over de aarde gedoold had zonder ook maar één zieltje te kunnen verschalken, richtte zijn woede zich op een onschuldige geit, die vredig langs een wegberm graasde. Toen de geit de duivel zag, trachtte ze nog te vluchten, maar de boze was haar te vlug af en greep haar bij haar Iange staart. Door veld en wei trok de duivel de tegenstribbelende geit onbarmhartig aan haar achtereinde voort tot ze in het elzenbroek kwamen. Daar, tussen de stammen en het gewirwar van de ondergroei, kon de geit zich beter schrap zetten zodat de duivel haast niet vorderde. Woedend rukte hij aan de staart tot …. deze plotseling afbrak. De geit was in een ommezien verdwenen en de duivel stond beteuterd met de bloedende geitenstaart in het elzenbroek. De elzenwortels zogen gretig het geitenbloed op, maar sindsdien bloeden de elzen zodra hun stam verwond wordt.
’t Is een wonderlijk en haast ongeloofwaardig verhaal, maar ’t korte staartstompje van de geiten is er om te bewijzen, dat er toch echt wel zoiets gebeurd moet zijn.

.

5e klas plantkunde: alle artikelen

5e klas: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: 5e klas

.

3540-3326

.

.

.

.