Tagarchief: autisme

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – autisme (7-1/6)

.

Waarom ik deze oudere berichten toch nog een plaats geef.

.
Volkskrant, 06-04-1991

.
autisme is te ingewikkeld voor medicijnen
.

Hoewel de inzichten in het ontstaan van autisme groeien, is een remedie nog steeds niet gevonden. Een onlangs getest experimenteel medicijn biedt weliswaar perspectief, maar zal autisten waarschijnlijk nooit werkelijk van hun kwaal verlossen.

Saskia was al acht maanden en we hadden nog nooit een lachje van haar gezien. Ze strekte nooit haar handjes naar ons uit, ze volgde geen vinger, ze maakte geen brabbelgeluidjes. Ze was te stil, te ernstig.”
Zo beschrijft een moeder het eerste levensjaar van haar dochter, die later autistisch blijkt te zijn.

Een kind dat haar moeder nooit aanraakt, een kleuter die zonder aanleiding in paniek raakt. Een kind dat er niet anders uitziet dan een ander, maar geen antwoord geeft en doet alsof anderen ‘lucht’ zijn, alsof het helemaal alleen in de wereld is. Zo zijn kinderen met autisme.

De handboeken beschrijven een autist als iemand die een behoorlijke stoornis in sociaal gedrag en communicatie vertoont, zich rigide en stereotiep gedraagt en een achtergebleven taalontwikkeling heeft. Volgens deze definitie zijn ongeveer vier van elke tienduizend kinderen echt autistisch; jongens twee tot vier keer vaker dan meisjes.

Het echte autisme komt niet veel voor, maar de aandoening is ernstig en intrigerend genoeg om talloze onderzoekers en hulpverleners in beslag te nemen. „Bovendien komt er meer aandacht voor lichtere, aan autisme verwante stoornissen bij kinderen die aan slechts een of twee van de eerder genoemde verschijnselen lijden”, zegt Jan Buitelaar.

Dinsdag promoveert de kinderpsychiater aan de Rijksuniversiteit Utrecht op een onderzoek naar een mogelijk geneesmiddel tegen autisme. „Het is wat natte-vinger-werk, maar als je die stoornissen meetelt, kom je op een voorzichtige schatting van tien tot twintig patiëntjes per tienduizend. Dat is dus één op de duizend tot vijfhonderd kinderen.

Buitelaar vroeg zich af wat kinderen bezielt om zich op zo’n afwijkende, in zichzelf gekeerde manier te gedragen. Met name die groep van autistische kinderen die over een gemiddelde intelligentie beschikken. „Die groep van intelligente autisten appelleert aan het beeld van de ‘mystieke autist’.

De intelligente autist die in een hoekje wegkruipt, zich onder tafel verschuilt en bij de minste of geringste verandering in paniek raakt.” De autist zoals verbeeld in de film Rain man, die onder zijn oppervlak van geslotenheid, afweer en paniek een uiterst gevoelige en intelligente persoon blijkt te zijn.

De werkelijkheid is vaak minder romantisch. Slechts tien procent van de autisten heeft een gemiddelde intelligentie. Het merendeel is zwakzinnig. Hoewel men aanneemt dat autisme en zwakzinnigheid verschillende aandoeningen zijn, komen ze veel vaker gezamenlijk voor dan op grond van het toeval mag worden verwacht. Blijkbaar is er toch een gemeenschappelijke factor.

Het onder tafel wegkruipende kind is slechts een van de drie typen autisten die de deskundigen onderscheiden. Naast deze ’vermijdende’ autisten is er de ‘passieve’ groep. Zij gaan niet op de loop, maar laten alles over zich heen komen en nemen geen initiatief tot contact. Zulke kinderen lopen op het schoolplein tussen hun leeftijdsgenootjes en maken contact volgens het toeval: alleen als anderen hen bij de gebeurtenissen betrekken.

Daarnaast zijn er de kinderen die ‘actief maar vreemd’ heten. Ze komen op je af en stellen vragen. Maar de conversatie neemt al snel stereotiepe en bizarre vormen aan en belandt soms na enige tijd weer op hetzelfde punt. „In wat voor auto rijd jij? Mijn vader heeft een Opel. Is Utrecht een stad? Is Amsterdam een stad?” Uiteindelijk blijkt wat als een leuk gesprek begon geen conversatie te zijn, maar eenrichtingsverkeer.

Buitelaar: „Kernpunt blijkt niet het vermijden van contact te zijn, maar dat autisten het vermogen missen om hun sociaal gedrag af te stemmen op de persoon tegenover hen.” Bij nadere beschouwing blijken autisten niet de juiste oogbewegingen (zoals aankijken tegen het eind van een betoog) en gebaren te maken of ontbreekt de in de sociale omgang geëigende lichaamshouding.

Ze lijken niet te begrijpen wat iemand wil, wat de bedoeling van een gesprek is. Bijvoorbeeld dat als je weet waar iemand vandaan komt, je iets van die persoon weet wat kan leiden tot een verdieping van het contact. Ze kunnen zich niet verplaatsen in het perspectief  van een ander. En beschouwen anderen  — en wellicht ook zichzelf — als dingen die geen vooropgezette bedoelingen hebben. 

Naast deze theory of mind-hypothese voor autisme — ontwikkeld halverwege de jaren tachtig — bestaat de ’emotionele herkennings’-theorie. Daarbij gaat het om het onvermogen van autisten om de sociale taal op te pikken; een gebrek om zich de grammatica van de non-verbale communicatie eigen te maken. 

„Het zijn mooie theorieën”, vindt Buitelaar. „Maar hoe zit dat neurobiologisch in elkaar? Het hangt nu nog erg in de lucht.” Ergens in de hersenen van autisten moet iets mis zijn gegaan, meent hij. 

Bekend is bijvoorbeeld dat bij rechtshandigen het centrum voor herkenning van gezichten en emoties in de rechter hersenhelft ligt. In toenemende mate wordt duidelijk dat stoornissen in de ontwikkeling van de specialisatie van de hersenhelften (lateralisatie) een rol spelen bij leesblindheid en andere leerstoornissen, en bij stoornissen in gezichtsherkenning. Ook bij ziekten als het syndroom van Gilles de la Tourette, de ziekte van Parkinson, hyperactiviteit worden stoornissen in de biochemie van de hersenen vermoed.

Buitelaar heeft altijd belangstelling gehad voor het onderzoek van neuropeptiden. Het fascineerde hem dat deze stoffen in de hersenen niet alleen van invloed zijn op het gedrag van mens en dier, maar dat omgekeerd ook een verandering in het gedrag van een dier de aanwezigheid en concentratie van de verschillende neuropeptiden in de hersenen beïnvloedt.

Zo blijkt een jonge rat of aap die bij zijn moeder is weggehaald gevoeliger voor pijn te worden. Dat blijkt samen te hangen met de afname van het aantal zogeheten opiaatreceptoren in de hersenen en een verandering van hun gevoeligheid. Opiaten remmen de pijnbeleving.
Opiaatsystemen behoren tot de systemen in de hersenen die betrokken zijn bij het reguleren van de prikkeloverdracht tussen de zenuwcellen. De hormoonachtige stoffen (neuropeptiden) die er een rol bij spelen, maken bepaalde delen van de hersenen gevoeliger of juist minder gevoelig voor prikkels. Daardoor verandert het contact met de buitenwereld.

Buitelaar onderzocht een van deze opiaatsystemen, het zogeheten pro-opio-melanocortine systeem (POMC). Daarin speelt een eiwit (het pro-opio-melanocortine) een centrale rol. Op verschillende plaatsen in de hersenen wordt dit peptide door enzymen in stukjes geknipt en die kleinere fragmentjes — bestaande uit enkele tot enkele tientallen aminozuren — hebben elk hun specifieke werking.

Uit experimenten met dieren blijkt dat een aantal van de POMC-producten een rol speelt bij het reguleren van de heftigheid van emoties en bij de angstreacties die optreden na ‘sociale isolatie’. Ze kunnen verstoringen in het gedrag normaliseren. In de afgelopen vijftien jaar hebben onderzoekers de werking van het systeem getracht te ontraadselen, met gedeeltelijk succes.

Wel hebben ze een stof van slechts zes aminozuren groot ontwikkeld, die naast een versterkend effect op het geheugen en het verwerken van nieuwe ervaringen, een gunstig effect op emoties en angst heeft. Dit door Organon geproduceerde neuropeptide, met de prozaïsche testnaam ORG 2766, is de geruchtmakende leerpil uit het in Utrecht gevestigde Rudolf Magnus Instituut van prof. David de Wied.

ORG 2766 lijkt ook een gunstig effect te hebben op autisme-achtige verschijnselen, zoals contactstoornissen en angst voor nieuwe indrukken. Sinds 1986 heeft Buitelaar bij 24 autistische kinderen van vijf tot vijftien jaar onderzocht of ORG 2766 een gunstig effect heeft op het sociaal gedrag.

Van zwaar geretardeerde (achtergebleven) kinderen kun je geen bruikbare antwoorden verwachten op vragen over hoe ze zich voelen, of ze vaker met vriendjes spelen en of ze minder bang zijn. Vandaar dat Buitelaar de kinderen heeft geobserveerd in een spelkamer waar een begeleider aanwezig was.

Net als gedragsbiologen het gedrag van een groep apen minutieus analyseren, keken Buitelaar en zijn medewerkers naar de interacties tussen kind en begeleider. Het gedrag van kind en begeleider werd uiteengerafeld in veertig gedragselementen, die in de tijd werden genoteerd. De computer onderzocht of er verbanden tussen deze elementen te vinden waren, of dat ze slechts toevallig achter elkaar voorkwamen. Bijvoorbeeld of er werkelijk een oorzakelijk verband is tussen achtereenvolgens het kijken en wijzen door de begeleider naar een stuk speelgoed, het kijken van het kind en het slaken van een uitroep.

Tussen het gedrag van autistische kinderen en dat van een controlegroep van ongeveer dezelfde leeftijd en intelligentie waren duidelijke verschillen. Het aantal interacties (zoals aankijken) tussen kind en begeleider was bijvoorbeeld veel geringer bij de autistische kinderen. Na vier tot acht weken ORG 2766 bleek het gedrag van de autistische kinderen wat op te schuiven richting controlegroep.

„Maar het blijven autisten”, waarschuwt Buitelaar. „We konden een aantal wezenlijke dingen beïnvloeden, maar niet hun hele gedragsstructuur. We durven niet verder te gaan dan de resultaten met ORG 2766 bemoedigend te noemen. Een langere behandeling — een half jaar à een jaar — zou meer effect kunnen hebben.”

Ook de ouders van de autistische kinderen die ORG 2766 hadden gekregen, bemerkten een positieve verandering. Maar Buitelaar waarschuwt voor te veel optimisme. „Slechts ongeveer de helft van de kinderen reageerde op ORG 2766. Bovendien is autisme een hardnekkige en levenslange stoornis. Ik denk niet dat het met medicijnen alleen valt weg te nemen. Een middel als ORG 2766 zal wellicht het effect van andere therapieën kunnen vergroten, doordat de kinderen zich wat meer kunnen openstellen.’
Welke kinderen wel of niet op de therapie met ORG 2766 zullen reageren, is buitelaar niet duidelijk. Ernstige autisten reageerden niet beter dan minder ernstige en intelligente kinderen, ook niet anders dan minder intelligente.

„Ik denk dat je psychische problemen — zeker die bij kinderen — nooit alleen met geneesmiddelen zult kunnen behandelen”, zegt Buitelaar. „De hersenen bieden de mogelijkheden voor gedrag. Met geneesmiddelen kun je iets aan die mogelijkheden veranderen. Ik denk dat die mogelijkheden pas tot werkelijke gedragsveranderingen leiden als je de kinderen in een geschikte omgeving plaatst.”

Dat betekent dat de behandeling van autistische kinderen ook in de toekomst vooral in de dagelijkse praktijk thuis, op dagverblijven en op school zal moeten blijven geschieden. Waarbij veel aandacht voor het creëren van een veilige herkenbare omgeving voor het kind voortdurend conflicteert met de noodzaak om het geforceerd die nieuwe dingen aan te leren die andere kinderen zich vanzelf eigen maken. Slechts met veel geduld, deskundige hulp en ten koste van veel pijn zal dat lukken. Medicijnen of geen medicijnen.

„Toen Saskia oud genoeg was om buiten te spelen, was ze bang voor de straat in de directe omgeving. Heel langzaam, na haar zesde jaar, werd de omgeving van het huis vertrouwd terrein voor haar. Als er kinderen buiten waren, durfde ze vaak niet op straat. Pas na haar negende verminderde haar angst voor andere kinderen. Nu durft ze overal op de fiets heen en moeten we haar ervan weerhouden dat ze te ver wegfietst”, aldus Saskia’s moeder.

.

Ontwikkelingsbelemmeringenalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3400-3198

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – autisme (7-1/5)

.

Waarom ik deze oudere berichten toch nog een plaats geef.

.
Eindhovens Dagblad, 06-12-1997

Autisten werden nog maar een paar jaar geleden automatisch onder de verstandelijk gehandicapten geschaard. De internaten leken een logische plek voor deze in zichzelf gekeerde en contactgestoorde mensen, van wie poorten van hun ziel hermetisch op slot zaten. Tachtig procent van alle autisten blijkt inderdaad verstandelijk gehandicapt te zijn, maar de rest is normaal begaafd tot zeer intelligent en vraagt om een andere benadering van de samenleving, door de hulpverlening. De groep heeft enkele handvatten nodig om in het leven van alledag mee te kunnen doen. Sint Marie*, het orthopedagogisch instituut in Eindhoven dat mensen met taal-, spraak- en hoorstoornissen helpt, probeert (twaalf) kinderen met autisme die handvatten aan te reiken. Sinds kort in een nieuw paviljoen. Een van onze verslaggevers was daar een dag te gast.
.

Een autistisch schiereiland
.

De kring is het begin, het vaste begroetingsritueel in het Mosveldje, de leefgroep van de kleintjes. Vijf vrolijke snoetjes zingen het goedemorgenlied. Elke dag opnieuw. ‘Structuur moet zijn’, zegt de leiding. Zonder die zekerheid zouden de op het eerste oog doodgewone kinderen onhandelbaar worden.

Joop wijst leidster Ilse van de Ven op zijn mond. „Tand is eruit gevallen”, meldt hij droogjes. „Onder uit de tanden komen de grootste tanden, hele grote mensentanden.”

Op een flapover tekent de leidster een gehavend gebit. Ze noteert ‘Joop’ en maakt een tekstballon. Hij mag de groep straks vertellen dat ook het gebit van jonge autisten wisselt. Ilse van de Ven: „Voor ons zijn zij in de eerste plaats kinderen en pas daarna kinderen met autisme. We zien de handicap, maar ook het persoontje’.

Tony mag het grote alfabet vasthouden. „Is de 0 een letter”, wil Jack weten. „Of een getal?” kaatst de leidster de bal terug. Jack met stemverheffing: „Nee, een letter.” Hij gooit van de weeromstuit z’n benen in de lucht. Autisme wil zich nogal eens openbaren in ongecontroleerde motoriek.
Anita Singor, ook groepsleidster, snelt vanuit de achtergrond toe om Jack te corrigeren. Jack moet eerst netjes leren zitten, pas daarna kan hij letters leren. Andersom is niet de bedoeling, zou ook zinloos zijn omdat Jack dan nauwelijks iets oppikt.

Schoolse zaken zijn bij Sint Marie ondergeschikt aan het bijbrengen van sociale vaardigheden en zelfredzaamheid, zonder welke een autist weinig hoop rest op een enigszins normaal bestaan. Over dat toekomstperspectief heeft men bij Sint Marie reële verwachtingen: de meeste autisten zullen nooit zonder bescherming kunnen leven in onze maatschappij. Ze krijgen bagage mee voor een meer zelfstandig en gelukkig bestaan, maar afhankelijk zullen ze blijven.

Ilse van de Ven: „Mensen denken dat autisme overgaat, maar het is een blijvende handicap.”

Gekleurde tekeningen van regen, sneeuw, wind en de jaargetijden sieren de muren van het klasje in het nieuwe paviljoen. Een pijl wijst naar de papieren herfst. ‘Praten is zien’. Op dit autistisch schiereilandje van Sint Marie moeten boodschappen zichtbaar zijn om begrepen te kunnen worden. Dat is de essentie van de gehanteerde Teacch-methode.

Voor de kinderen is een wereld geschapen van pictogrammen, eenvoudige afbeeldingen: een tandenborstel voor tanden poetsen, een lopend poppetje voor wandelingen. Elk kind heeft op de centrale gang een eigen dagschema met picto’s. Die wijzen hem of haar de weg door de dag. De tekeningen maken wat komen gaat voorspelbaar. Alsjeblieft voorspelbaar. Want verrassing is gevaarlijk. Verrassing bedreigt wat vertrouwd is. Dat maakt angstig. En angst lokt autistische stoornissen uit.

Voor kleine Bert, die niet praten kan, duurt De Kring iets te lang. Hij begint aan z’n kleren te trekken. Hij mag naar buiten gaan maar gooit de deur hard achter zich dicht. Joop schrikt en grijpt naar zijn hoofd. „Doet beetje pijn in de oren.” Een paar maanden geleden zou hij nog in grote paniek opgesprongen zijn.

Het voorlezen boeit Jack niet. Die schuift heen en weer op z’n stoel en bromt: „Ik heb hoofdpijn, godverdomme.” Het wordt tijd om De Kring te sluiten. Leidster Ilse deelt daartoe blanco overgangskaarten uit. Die zijn niet onpersoonlijk bedoeld, maar brengen de boodschap ‘einde activiteit, terug naar het dagschema’ beter over. Praten is zien.

De persoonlijke picto’s leiden Joop, Tony en Jack naar het zaaltje ‘Alleen Werken’. Op het bureau van Joop prijken gele kaartjes met cijfers die corresponderen met uit te voeren opdrachten in de werkkast. Tony heeft groene kaartjes met letters. Zijn tandenborstelbakje is ook groen. (Structuur moet zijn!)

De werkopdrachtjes van Jack staan in een rek naast zijn bureautje. Hij moet leren van boven naar onder en van links naar rechts te werken. Zonder die routine zou hij niet weten wat hij moet doen. Zou hij niets doen.

Alle drie zitten met het gezicht naar de muur om onnodige prikkels te vermijden. Als Bert binnenkomt, kijkt niemand op. Bert weet wat hij moet doen, hij sorteert in een noodvaart een bak met bestek. De structuur, de zekerheid geeft hem rust. Langzaamaan krijgt hij handelingen onder de knie die relevant zijn voor een zinvolle dagbesteding in de toekomst, thuis, op school of waar dan ook.

In het zaaltje met het bordje ’Leren’ krijgt Joop een praatpicto en Tony een luisterpicto. Leidster Ilse toont een ’f. ’Ffuhhh’, roept Joop. Van de letters ’i’ en ’k’ moet hij een woord vormen. „Ik”, is Tony hem voor. Wanneer die de praatpicto krijgt en met dezelfde plastic letters een woord moet maken, legt hij ’ki’. Praten is zien. De k-klank hoorde hij het laatst. Een woord als ’kin’ begrijpt het duo alleen als het lichaamsdeel wordt aangewezen.

Het dagelijkse halfuurtje in de speeltuin is vaste prik. Daar, in de zandbak, komt het egocentrisme bovendrijven. De kinderen spelen met verve, maar wel naast elkaar, ieder voor zich. Spelen mét een ander vinden ze leuk noch vervelend, voor hen is het spelen met een instrument. Vriendschap zegt hen weinig, vriendschap is met te veel twijfels omgeven.

Dus staat Bert in z’n uppie op het speelrek, rent Jack met een speelgoedauto heen en weer door de zandbak en fietst Joop alleen rond. Alsof je naar een slecht geregisseerd toneelspel kijkt.

Lunchtijd in de Heuvelakker, het paviljoengedeelte van zeven opgroeiende jongeren (9-14 jaar). Aan een van de tafels zitten Ben, Terry, Peter en leider Toon Meeuwis. Ben heeft een sigarenkistje en een handvol rode, papieren mondjes bij zijn bord liggen. Hij praat en plaagt – met Terry als slachtoffer – te veel tijdens het eten. Telkens als hij de maaltijd verstoort, moet hij een mondje in het kistje doen. Halverwege de lunch zijn de papiertjes op en moet Ben zwijgen. Dat doet hij grijnzend.

Peter hoort te veel. Hij hoort meer dan andere mensen, het ruisen van tl-buizen bij voorbeeld. De binnenkomende prikkels kan hij niet filteren. Speciale oordopjes moeten het volume verminderen. „Anders heb ik pijn en ga ik me vreemd gedragen”, vertelt hij kalm en duidelijk. Met zijn correcte voorkomen zet hij buitenstaanders makkelijk op het verkeerde been. Wat doe jij hier’, zou je hem willen vragen. Maar als hij even later met een elektrospel moet spelen en zich daarbij verveelt, begint hij zonder aanleiding met het spel hard op de tafel te slaan. En hij schreeuwt enigszins paniekerig naar anderen. Plotseling lawaai is olie op het vuur bij autisten. Ben laat Terry weer eens schrikken als deze nietsvermoedend van het toilet komt. Terry herstelt zich en grijpt onmiddellijk de rechterarm van Ben, draait die met een ruk om totdat Ben het uitschreeuwt van de pijn. Eerst zou Terry om hulp geroepen hebben, in paniek geraakt zijn. Nu, dank zij de intensieve, bijna een-op-een begeleiding, geeft hij steeds beter aan wanneer hem iets te veel wordt.
Soms dreigt hij daarbij naar de verkeerde kant door te slaan. Dan moet hij vijf minuten de ‘Time Out’ in, een kale isoleerruimte waar een verscheurd telefoonboek op de vloer de stille getuige is van Terry’s incidentele woede. Via een doorkijkwand houdt de leiding hem nauwlettend in de gaten: hij zou niet de eerste autist zijn die zichzelf verwondt.

Later in de middag zit Terry in de gezamenlijke woonkamer te dammen, tegen z’n alter ego. Wiegen is een andere geliefde, solitaire bezigheid. Als je ’t hem vraagt, dreunt hij woordelijk de Disney-film De Leeuwenkoning uit zijn hoofd op: elke dialoog, ieder stemmetje. Van nut is het niet en lol beleeft Terry er niet aan, maar hij kan het en daarmee basta.

Ook de anderen citeren uit het hoofd delen uit boeken en films. Uitgestelde echolalie heet dat. Soms plaatsen ze, onbedoeld, zinnen in de goede context. Het blijven holle frasen. (Een van de jongens was laatst het paviljoen binnengerend met de mededeling: ’Nu weet ik wat er met mij aan de hand is; ik heb een atypische pervasieve ontwikkelingsstoornis.’ Op de vraag wat dat inhoudt, was een veelzeggend zwijgen gevolgd.)

Picto’s tref je in De Heuvelakker al minder aan. In de hal hangen wel net als bij de kleintjes persoonlijke dagschema’s (structuur moet zijn!), maar dan met hoofdzakelijk geschreven taal. Zes van de zeven jongens blijven de hele week en soms ook in de weekenden intern, ze hebben ieder een eigen slaapkamer. Wanneer ze naar huis gaan, krijgen ze een schema mee dat vooraf doorgesproken wordt met de ouders.

‘Structuur moet zijn’ en ‘Praten is zien’. Daarom loodst een stappenplan sommige jongens door de douche. De lijst vermeldt op welke dagen zij hun haren moeten wassen met shampoo en geeft enkele wenken van logica: bij het wassen met het gezicht beginnen, niet met de piemel.

Op de deur van de woonkamer kleven nog enkele spelregels. Plagen of pesten is goed voor vijf minuten op de kruk op de gang. Weglopen kost tijd: hoe langer je wegblijft, des te eerder moet je naar bed. En iets vernielen kost een kwartje. (De kinderen krijgen per week een gulden zakgeld.) Leerdoelen zijn heel concreet en erop gericht dat de kinderen naar een school kunnen. Ze zijn in staat te leren hoe je veters strikt, maar ‘zelfvertrouwen kweken’ is te abstract voor hen. Ze worden getraind in het maken van keuzes. En ze oefenen in sociale omgang. Wat voor veel mensen iets vanzelfsprekends is, blijkt voor de meeste autisten een pad te zijn vol onvoorspelbare valkuilen en struikelblokken.

Onvoorspelbaarheid! Laat in de middag neemt leider Toon een gok door onderweg naar het bos de bestemming te wijzigen in Eindhoven Airport. Deze onverwachte wending doet de hele bups aanvankelijk gruwen (veel gewiebel en gestotter) totdat hun nieuwsgierigheid het van de angst en de onrust wint. Alleen Harrie draait wild met z’n arm. Hij heeft geen trek in het onbekende en wil naar huis. Structuur moet zijn!

De namen van de kinderen zijn op verzoek van instituut Sint Marie en de ouders gefingeerd

.
*De naam Sint Marie is nu verbonden aan een ander instituut

.

Ontwikkelingsbelemmeringenalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3396-3194

.

.

.

.

 

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – autisme (7-1/4)

.

Waarom ik deze oudere berichten toch nog een plaats geef.

.
Eindhovens Dagblad, 02-12-1998

.

Opzienbarende resultaten met Amerikaanse therapie

.

x*, een autist die zoent

.

X uit Y is vier jaar oud en lijdt aan een ernstige vorm van autisme. Volgens de klassieke leerboeken de meest onbeïnvloedbare variant van ernstige psychische gestoordheid en psychose. Met kenmerken als asociaal,gedrag, schijnbare doofheid, ontoeschietelijkheid, afkeer van fysiek contact, onvermogen tot mondeling contact of soms tot het maken van gebaren. En, ook karakteristiek voor autisten, het maken van ‘ismes’, steeds herhalende bewegingen, gewiebel of gedraai. A, de moeder: „Hij stond voor de televisie alsmaar met zijn hoofdje te wiebelen. Hartstikke gek werd je ervan.”

Dat wiebelen doet X niet meer en die andere ‘ismes’ van hem heeft hij al grotendeels afgezworen. Maar er is nog meer vooruitgang geboekt sinds hij volgens de Option-methode wordt begeleid.
In tegenstelling tot vroeger kijkt hij nu om als je hem roept. Dat is een klein wonder voor een autistisch kind. A en haar man B dachten zelfs dat hij doof was. Bovendien kregen ze indertijd met X vrijwel geen oogcontact. Nu wil hij communiceren. Een omwenteling: hij pakt je hand beet, trekt je mee en wijst aan wat hij wil. Ik ga naar de zolder, waar A en haar man een prikkelarme oefenruimte hebben ingericht. X roept er hartstochtelijk „bah”. Het plaspotje wordt tevoorschijn gehaald en X kwijt zich braaf van zijn plicht. Praten doet hij nog steeds niet, geluiden produceren wel. Maar nu floepen er soms wel woordjes uit dat roerige mondje van hem, zoals laatst: „Blauw!”

De wereld stortte in voor A en B toen de diagnose van autisme werd gesteld. Net zoals dat lang geleden het echtpaar Barry en Samahria Kaufman overkwam , ‘ en hun zeventien maanden oude zoon Raun als klassiek en diep autistisch werd bestempeld. Uit een van de testen bleek hij een IQ.-score van minder dan dertig te hebben.
‘Autisme is ongeneeslijk, laat hem in een tehuis opnemen: en besteed je tijd aan jullie gezonde kinderen’, waren kort samengevat de reacties van deskundigen en instellingen.

De Kaufmans namen daar geen genoegen mee, verslonden een boekenkast vol wetenschappelijke literatuur en ontwikkelden een volstrekt eigen behandelmethode die ze thuis op Raun toepasten. Een extreem intensieve therapie: acht, negen uur per dag, zeven dagen per week, vele maanden lang. Deze Option-therapie berust niet op traditionele drilmethodes, maar op het binnendringen in die schijnbaar gesloten wereld van het kind, een onvoorwaardelijke liefde voor hem en een volledige acceptatie van zijn afwijking. De Kaufmans hadden succes. Nu, ongeveer een kwart eeuw later is Raun volledig genezen en aan een Amerikaanse universiteit afgestudeerd. „Ik ben mijn ouders diep dankbaar dat ze indertijd tegen de stroom van de heersende deskundige opinies zijn ingeroeid”, zegt hij.

Trefwoorden in de therapie zijn: geen verwachtingen, geen oordeel, wel aanvaarding, erkenning. Bijvoorbeeld de erkenning dat ‘ismes’ oké zijn. Het autistisch kind mag vrijuit wiebelen, draaien of wat dan ook. Sterker, in plaats van de ismes af te keuren, wiebelt of draait de begeleider even heftig mee. Imitatie van zijn gedrag opent de deur van het vreemde universum van de autist, zoals Barry Kaufman in zijn boek ‘Verbroken stilte’ beschrijft.

De therapie vindt plaats in een ‘blanco’ oefenruimte, met zo weinig mogelijk zichtbare of hoorbare prikkels. Geen plaatjes aan de muur, geen uitpuilende dozen speelgoed, geen tv. Bij autisten kan het brein alle binnengekomen prikkels niet goed verwerken. Ze kunnen de belangrijke prikkels niet van de onbelangrijke onderscheiden. Om zich tegen die kakofonie van prikkels te beschermen, sluit het kind zich af.
„Het is een overlevingsstrategie”, zegt de Sittardse ergotherapeute Roelie Harlaar, die zich in de Option-methode heeft verdiept. „De wereld is zo onveilig voor het autistische kind, al die prikkels zijn zo overdonderend. Daarom richten deze kinderen zich eerder op levenloze dingen dan op mensen. Mensen zenden steeds veranderlijke prikkels uit, die ze niet kunnen bevatten.”

De begeleider doet in de prikkelarme ruimte urenlang spelletjes en andere stimulerende activiteiten die gericht zijn op ontwikkeling van (oog-)contact en van vaardigheden.

De methode is ongelooflijk arbeidsintensief. A volgde anderhalf jaar geleden in Amsterdam een korte cursus voor ouders, kwam razend enthousiast terug en stortte zich thuis op de therapie van X: „Dat red je op den duur dus niet. Je leeft alleen nog maar op de zolder.” Vandaar dat ze enkele vrijwilligers is gaan zoeken om een deel van de zware klus over te nemen. Zo ontfermt ergotherapeute Esther van Bool zich twee keer per week over X. „Hij is enorm vooruitgegaan”, bevestigt ze het positieve beeld van de afgelopen tijd.

De Option-methode heeft naam gemaakt. In 1983 richtte Barry Kaufman in Sheffield (Michigan) het gelijknamige instituut op. Ouders reizen, eventueel met hun zorgenkind, uit alle hoeken en gaten van de wereld naar deze afgelegen plaats om cursussen te volgen. Ook Jaap van Zweden, de bekende violist en dirigent, was er samen met zijn vrouw Aaltje en hun autistische zoon Benjamin op cursus. Diens toestand is sindsdien verbeterd. Raun Kaufman, tegenwoordig als docent aan het instituut verbonden: „We zien hier zo veel onmogelijke dingen gebeuren. Kinderen die gaan lopen of praten. Wij bieden dus hoop aan ouders. Valse hoop? Hoe kan hoop nu vals zijn? Wij geven ouders het ‘gereedschap’ waarmee ze een drastische verbetering kunnen bereiken. Ik geloof zeker dat autistische kinderen volledig kunnen herstellen. Of dit voor ieder kind geldt, weet ik niet. Ieder kind is weer anders, we kunnen de toekomst niet voorspellen.”

Het interview met A is afgelopen. Ik heb net mijn boeltje ingepakt, als X olijk lachend op me afkomt. Voordat ik me realiseer wat me overkomt, geeft dit ernstig autistisch kind die vreemde meneer een klinkende zoen op de mond. Er is hoop.

Barry Kaufman – Verbroken stilte. Uitg. Van Holkema & Warendorf.

Over de Option-methode

De namen van de betreffende personen stonden volledig in het artikel en een simpele zoekopdracht op Facebook toonde hun bestaan aan.
Vandaar het gebruik van willekeurige letters.

Ontwikkelingsbelemmeringenalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

.

3392-3190

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – autisme (7-1/3)

.
Waarom ik deze oudere berichten toch nog een plaats geef.
.

Maria Hendriks, 01-1985

VOOR- EN TEGENSTANDERS TWISTEN OVER VRAAG OF AFWIJKING TE GENEZEN IS

Autisme vraagt om een serieuze benadering

Opnieuw is de strijd opgelaaid over de vraag of autisme te genezen is en wat de oorzaak ervan is. Is het een hersenafwijking of een afwijking in de relatie tussen moeder en kind? Veertig jaar geleden werd aangenomen dat autisme het gevolg was van een kille houding van de moeder. Nu wordt veelal gedacht aan een hersenbeschadiging. Voor beide theorieën is nog onvoldoende bewijs. Nu een nieuwe behandelmethode is overgewaaid uit Amerika, staan voor- en tegenstanders weer lijnrecht tegenover elkaar.

Autisme is een ernstige stoornis van het vermogen contact te leggen. Een autistisch kind kijkt je niet aan, wil niet aangeraakt worden, lacht niet naar mensen (wel naar lantaarnpalen), luistert ogenschijnlijk niet en leert vaak niet of met zeer grote moeite praten. Autisten doen vreemd. Ze hebben vaak monomane gewoonten: eindeloos schommelen in een stoel of langdurig in een brandende lamp staren. Ze zijn vaak angstig, vooral als de dingen anders gaan dan ze gewend zijn. Tegelijkertijd lijken ze vaak geen angst of gevoel te kennen; branden hun vingers, maar trekken hun hand niet terug.

Autisme is pas als een op zichzelf staande handicap herkend toen Leo Kanner het in 1943 voor het eerst omschreef. Er zijn niet zo veel autistische kinderen, naar schatting vier of vijf op elke tienduizend, [de cijfers kloppen voor 2025 niet meer: het aantal is toegenomen] ongeveer net zoveel als het aantal dove en blinde kinderen. 

De opwinding die nu is ontstaan, is veroorzaakt door de New Yorkse kinderpsychiater Martha Welch, die begin deze maand in Utrecht was om haar ideeën over de behandeling nader toe te lichten.

Welch heeft in Amerika naar eigen zeggen veel succes met de holding-therapie (vasthouden, koesteren). Het contact-onwillige kind wordt net zo lang door de moeder vastgehouden totdat het uit zichzelf toenadering zoekt. De eerste keer zal het zich hevig verzetten en kan het een paar uur duren voordat het kind z’n moeder aankijkt of aanraakt. Het vasthouden moet net zo lang worden herhaald totdat het autistische gedrag is verdwenen.

Verzet

Welch was in Utrecht op uitnodiging van de afdeling stem- en spraakstoornissen van de universeit. De afdeling kinderpsychiatrie van diezelfde universiteit verzette zich echter zodanig tegen haar ideeën dat de lezingen van Welch in een ander gebouw moesten worden gehouden. Ook de Nederlandse Vereniging van Autisme, de vereniging van ouders van autistische kinderen wil niets met de praktijken van Welch te maken hebben.

Dat verzet van Nederlandse deskundigen tegen anderen die beweren dat autisme te genezen is, duikt steeds weer op. De bioloog Nico Tinbergen en zijn vrouw pleiten — als vervolg op zijn studies naar het gedrag van angstige dieren waarvoor hij de Nobelprijs kreeg— al jaren voor koestering van autistische kinderen. Maar Tinbergen en zijn vrouw zijn in Nederland altijd min of meer weggehoond met de mededeling dat hij zich maar bij z’n meeuwen moet houden.

De Tinbergens zijn niet de enigen die ervan uitgaan dat autisme te genezen moet zijn. Ook de Haagse kinderpsychiater Jo Stades-Veth gaat daarvan uit, getuige haar zojuist verschenen boek Autisme/verbroken symbiose. (Uitgegeven bjj Swets & Zeitlinger bv). Stades heeft al meer gepubliceerd over het verbroken contact tussen moeder en kind in het algemeen. In dit boek concentreert ze zich op het eerste begin van autisme: het ontbreken van oogcontact tussen moeder en baby.

De ogen van de moeder, zo verklaart Stades het ontstaan van autisme, zijn voor de baby de sleutel naar de wereld. De eerste weken heeft een baby een slecht geheugen. Het kan wel onderscheiden, maar het kan zich niets herinneren. Pas in de tweede maand gaat het kind voor korte tijd dingen onthouden. Als in die periode de vertrouwde ogen van de moeder een tijdje vervangen worden door steeds weer andere, vreemde ogen, wordt het kind angstig.

Het kind waant zich onbeschermd, in gevaar. Het is bang geworden voor het belangrijkste contact met de buitenwereld, de ogen, en durft niet meer te kjjken. Ook als de moeder daarna de verzorging weer overneemt zal die angst blijven, omdat het kind met zijn kortlopende geheugen zich de ogen van zijn moeder niet meer kan herinneren. Zij is dan net zo goed vreemd en gevaarlijk voor het kind.

Dit begin van autisme moet volgens Stades direct worden aangepakt. Daarbij moet de moeder het kind wel koesteren, maar vooral niet aankijken, want dat maakt het alleen maar angstiger. Het kind moet wel de kans krijgen de ogen van de moeder te bekijken. Pas als de baby niet meer schrikt als de moeder snel even kijkt, mag ze het kind langer aankijken.

Stades noemt een aantal kinderen waarbij op deze manier het contact tussen moeder en kind weer werd hersteld. Haar theorie sluit naar haar zeggen aan bij soortgelijke methoden van anderen: ‘Welch, Jirina Prekop die in Stuttgart met de Holding-methode werkt en waar volgens Stades al vijftien van de 57 behandelde autisten zijn genezen en de Nederlanders Van Rees en Biemans die met „lichaamstaal” contact proberen te krijgen met autisten (zonder overigens te spreken van genezing).

Zoals in zoveel boeken over het genezen van autisme (de Kaufmans met hun Option-methode; de harde-handmethode van de ouders van het Engelse meisje Ann) zijn de bewijzen van Stades weinig hard. Haar beschrijvingen klinken heel aannemelijk, want van autistische kinderen wordt altijd gemeld dat ze wegkijken, maar wetenschappelijk zijn ze nauwelijks getoetst.

Stades meldt niet bij hoeveel kinderen op deze manier het begin van autisme is vastgesteld en hoeveel kinderen met haar methode geholpen zijn. Bij de meeste kinderen wordt pas tussen het tweede en derde jaar vastgesteld dat ze autistisch zijn. Dat heeft ook te maken met de onbekendheid van artsen met de symptomen van deze handicap. Maar zijn ze dan nog te genezen volgens de methode-Stades? Heeft haar aanpak ook wel eens niet gewerkt? Kan het wegkijken niet gewoon overgaan?

Alles wat haar theorie een beetje aan het wankelen zou kunnen brengen, vermijd Stades te noemen. Alleen als ze schrijft over de aanpak van Welch zegt Stades dat het resultaat „uiteraard” afhankelijk is van het IQ van het kind en de al opgelopen ontwikkelingsachterstand. Tussen neus en lippen door wordt daar ineens een nogal belangrijke beperking genoemd, want uit andere gegevens blijkt dat tachtig percent van de autisten zwakzinnig is of is geworden.

Risico

Stades roept ouders op uitspraken over onherstelbaarheid van autisme niet meer te accepteren, zolang de moeder zelf nog niet al het mogelijke geprobeerd heeft. Dat bergt het risico in zich dat mensen jaren in de weer gaan en veel tijd, energie en emoties stoppen in een behandeling die niets oplevert. De psychologe Nan Snijders-Oomen, gespecialiseerd in dove en autistische kinderen en ook overtuigd van het feit dat autisme niet te genezen is, waarschuwde in 1978 al tegen „populaire artikelen” over autisme die een verwarrend effect zouden hebben op ouders. Al die valse hoop werkt hun ontevredenheid maar in de hand.

Waarschuwen tegen overdreven verwachtingen is niet slecht, maar zolang in het verlengde daarvan allerlei deskundigen blijven roepen dat er aan autisme niets te doen is en zich afsluiten voor andersluidende informatie, doen ze de zaak geen goed. Wie weet hebben Welch en Stades en de Tinbergens gelijk. Het minste dat van de critici-deskundigen mag worden verwacht is dat zij de methoden serieus bekijken en de resultaten wetenschappelijk onderzoeken. Oogkleppen opzetten is minstens zo erg als van de daken schreeuwen dat je het Ei van Columbus hebt gevonden.

.

Ontwikkelingsbelemmeringenalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3390-3188

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – autisme (7-1/2)

.
Over het waarom van deze berichten.

Krantenbericht ‘De Gelderlander’, 01-11-1995*
.

SPOREN VAN CONTACT
.

Het Leo Kannerhuis in Oosterbeek opent vrijdag* een trainings-en therapiecentrum voor autische jongeren, het eerste in zijn soort in Nederland. Het Leo Kannerhuis is het enige in autisme gespecialiseerde kinder-en jeugdpsychiatrisch ziekenhuis van ons land. Van elke tienduizend kinderen in ons land zijn er naar schatting 25 autistisch of hebben een aan autisme verwante contactstoornis. Een jongere moet gemiddeld zes jaar wachten op opname.
[de wachttijd is naar weken teruggebracht]
[Inmiddels uiteenlopende cijfers over de jaren]

De film Rain Man, waarin Dustin Hoffman een autist speelt, heeft de ogen van veel mensen geopend voor autisme. Niet die van de autisten zelf. Die staan erbij en kijken ernaar, alsof het hun helemaal niet aangaat. Ze herkennen de zich eindeloos herhalende bizarre spelletjes met voorwerpen, maar betrekken deze niet op zichzelf.
„Ze lijken zich buiten hen af te spelen”, zegt directeur ir. E.J. Borgmeijer van het Leo Kannerhuis in Oosterbeek. De film wordt overigens – als een mogelijk teken van herkenning- nog regelmatig ‘in huis’ gedraaid.

Autisten tonen een beeld van totaal in zichzelf opgesloten zitten. Oogcontact met anderen hebben ze niet. Bij hen krijg je eerder het idee van een muur, waar je doorheen moet. Ze hebben de neiging om veel meer houvast te hebben aan steeds terugkerende dingen dan aan mensen. Als je hier tenminste al van houvast zou kunnen spreken.
Volgens het Geneeskundig woordenboek van Hilfman is autismus ‘een ziekelijke geestestoestand, waarbij de patiënt een sterk afwerende en afsluitende houding aanneemt ten opzichte van de realiteit van de omgeving’.
Autisme, afgeleid van het Griekse woord autos (‘zelf), zou een aangeboren defect in de hersenen zijn waardoor een kind van jongs af aan niet in staat is om nieuwe, ingewikkelde gewaarwordingen te verwerken.

Contact maken met anderen is in die zin dan ook niet of nauwelijks mogelijk. Een autist sluit zich als het ware in zichzelf op als in een fort, waardoor hij de boze buitenwereld buitenhoudt. De omgeving kan daardoor regelmatig voor verrassingen komen te staan. Zo kwam Borgmeyer er op een gegeven dag tot zijn verbazing achter dat een van ‘zijn’ autisten op het punt stond zijn motorrijbewijs te halen. Niemand in huis had er ooit van geweten dat de betreffende autist met rijles bezig was.

Als de autist dan niet uit zijn schulp wil of kan kruipen, dan kruipt het Leo Kannerhuis maar in de huid van de autist. Zo ongeveer moet gedacht zijn met betrekking tot het inrichten van een gespecialiseerd trainings- en therapiecentrum, dat jonge autisten zover wil brengen dat ze – zij het onder begeleiding- op een gegeven moment weer aardig op eigen benen kunnen staan. In Oosterbeek kwamen ze erachter dat autisten wat hebben met treinen. Meer dan met auto’s. Dat bleek eind vorig jaar tijdens een expositie. Daar bleken jonge autisten heel knap treinen te tekenen en te schilderen. Daarop inhakend is het trainings- en therapiecentrum ‘de Wissel’ gedoopt. Het lestijdenschema heet er geen rooster, maar spoorboekje.

Voor het centrum staat sinds maandag een heuse treinwissel, een cadeautje van de Nederlandse Spoorwegen. De autisten konden niet langer wachten en hebben het centrum al dagen voor de officiële opening in gebruik genomen met een soort houseparty. Groepsleiders en groepsleidsters moesten er verschijnen in de kleren van treinconducteur of treinconductrice en het lichtspel bij de dansvloer had alles weg van een seinlichtinstallatie langs de spoorbaan.

Maar ook op zo’n dag pleegt niet elke autist het spelletje mee te spelen. En zo trekt er zich eentje van de hele feestelijkheid niets aan en laat met opgestroopte mouw aan iedereen, die het wel of niet wil, zijn spierballen zien. Een ander staat, alsof er om hem heen geen orkaan van lawaai is, gefascineerd naar een groot schoolbord aan de wand van deze vroegere lagere school te staren.

Volgens de medische definitie is autistisch denken een ernstig gestoord denken met allerlei vreemde, irreële, vaak magische en paranoïde gedachtegangen. Een autist kan vanwege zijn gebrek aan zelfinzicht en een gezonde sociale intelligentie dan ook heel vreemd uit de hoek komen.

Zo krijgt een therapeut in Oosterbeek op zijn vraag hoe de autist denkt dat zijn leven er in de toekomst zal uitzien, als antwoord: ‘Ik ga zelfstandig wonen in een bolwoning. Dat zal wel lukken want ik kan al alleen macaroni en Mexicaanse pannenkoeken maken’.

In het werkmodel van het ruim twintig jaar bestaande Leo Kannerhuis, genoemd naar de Amerikaan die het syndroom een naam – autistic aloneness – gaf, neemt de leefgroep een centrale plaats in. In de leefgroepen zitten steeds vijf à zes pupillen tussen de 14 en 21 jaar van hetzelfde sociaal niveau bijen. Ze mogen hooguit vijf jaar blijven. Er zijn ‘betere’ en ‘slechtere’ groepen. Dat is met opzet gedaan omdat autisten overgevoelig reageren op een omgeving die niet vormvast en strak omlijnd is. Een autist die goed zijn best doet kan op een gegeven moment wel van een lagere naar een hogere leefgroep verhuizen.

In zo’n leefgroep wordt zeer streng de hand gehouden aan roosters en gebruiken. Elke leefgroep heeft een eigen woonruimte met een eigen plekje voor elke pupil. Bij de behandeling voeren zoveel mogelijk vaste mensen vaste functietrainingsprogramma’s op vaste tijden uit. Dank zij de relatief homogene opbouw kunnen in de meeste gevallen alle pupillen binnen de leefgroep aan dezelfde behandelprogramma’s meedoen. Die programma’s behelzen onder meer trainingen in communicatie, sociale vaardigheden en zelfredzaamheid. Omdat bij autisten vaak ook houdingsproblemen voorkomen en haperingen in de motoriek, maken handenarbeid, gymnastiek en motore functietraining deel uit van het standaard behandelingspakket. Ook sport en spel horen erbij. Daarvoor gaan de jongeren wekelijks naar het Nationaal Sportcentrum Papendal.

Deze gezamenlijke en doelgerichte programma-activiteiten zijn zeer gewenst om autisten uit hun isolement te halen. Sommigen zijn zo zwaar contactgestoord dat ze niet of nauwelijks praten. Anderen hebben zich wel een zekere taalvaardigheid eigen gemaakt en stellen zich in bescheiden mate open voor toenaderingspogingen. Maar er zijn er ook die zich tamelijk goed kunnen redden op een school of bij een werkgever.
Hoewel.

Psycholoog dr. H. Berger, die net een nota over de behandeling van autisten heeft afgerond: „Na een twee uur durend ‘gesprek’ met een autist over diens toekomst, bleek dat hij op een totaal andere golflengte zat. Zijn enige vraag bij het afscheid was: ‘Hoe gaat het eigenlijk met de provincie Gelderland?’
.

.

Ontwikkelingsbelemmeringenalle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3386-3184

.

.

.

VRIJESCHOOL – Ontwikkelingsbelemmeringen – autisme (7-1/1)

.

Toen ik in de jaren 1960 voor onderwijzer studeerde, was er niet zo’n aandacht voor een pedagogie of didactiek voor het kind met ‘problemen’.

Ik ging me er in de loop van de jaren wel meer mee bezighouden, in de hoop die kinderen – mocht ik ze al kunnen waarnemen – te kunnen helpen.

Naast het bestuderen van de vrijeschoolpedagogie en het voorbereiden voor het klassenwerk, kwam er van ‘studeren’ op dit onderwerp niet veel terecht.
Ik behielp me aanvankelijk met het lezen van artikelen.

Ik heb die artikelen nog en ga ze nu opruimen door ze op deze blog te plaatsen.

Dat betekent dat hier niet ‘de laatste stand van zaken’ wordt weergegeven. Wel dat je een soort ontwikkeling ziet van wat er destijds werd gedacht en gedaan.
Veel zal weer veranderd zijn, achterhaald wellicht, maar er zullen toch ook aspecten zijn die nog steeds gelden. Misschien nog gezichtspunten waarmee de leerkracht rekening kan houden.

.

Op 19-12-1989 verscheen in ‘De Gelderlander’ dit artikeltje:

.

Doorbraak in behandeling autisme
.

Proeven en ruiken verdringen de zintuigen zien en horen

.

Bij autistische kinderen is de voorrang tussen de zintuigen gestoord. Bij autisten hebben zogenaamde nabijheidszintuigen als ruiken en proeven verre de overhand boven verte-zintuigen als zien en horen.

Op basis van deze verklaring voor het merkwaardige, ziekelijke gedrag van kinderen die nauwelijks contact maken met hun omgeving, niet reageren op mensen en dwangmatig handelingen herhalen heeft de Groningse psycholoog drs. M.H.G. van Soest een nieuwe behandeling ontworpen. Zeven inmiddels in behandeling genomen autistische kinderen zijn belangrijk vooruit gegaan.

In zijn proefschrift toont Van Soest aan, dat de behandeling van de sinds 1943 bekende autisme-aandoening niet langer uitzichtloos hoeft te zijn. De nieuwe behandeling van Van Soest is erop gericht de voorkeur die autisten hebben voor zintuigen als proeven en ruiken te doorbreken ten gunste van zien en horen, en daarmee ook van kijken en luisteren. Dat gebeurt door het gericht stimuleren van het horen en zien

Volgens Van Soest is het belangrijk dat de ontwikkeling van de zintuigen van kinderen al op het consultatiebureau door een psycholoog of orthopedagoog nauwkeurig worden gevolgd. Autisme moet naar zijn mening zo vroeg mogelijk ontdekt worden en zo snel mogelijk behandeld.
Ook na de behandeling dient het kind optimaal opgevangen te worden door een kindgerichte aanpak. Op die manier kunnen er grote bedragen in de gezondheidszorg bespaard worden, omdat autisten voor het grootste deel tot nu toe als onbehandelbaar gelden en levenslang verpleegd dienen te worden in psychiatrische inrichtingen.

Van Soest beschrijft in zijn studie de experimentele behandeling van zeven niet-sprekende autistische jongetjes met een zeer laag ontwikkelingsniveau. Na afloop van de behandeling bleken de kinderen zich te kunnen uiten in zinnetjes van twee of drie woorden. Van Soest wist met de kinderen ook de stap van baby- naar kleuterniveau te zetten, waarmee zij rijp werden voor opvoeding en ontwikkeling door ouders en leerkrachten.

Volgens van Soest is een van de belangrijkste kenmerken van autisme dat er een breuk is in de ontwikkeling van de zintuiglijke waarneming van kinderen. Bij normale kinderen ruimt het proeven en ruiken bij het ouder worden als vanzelf het veld voor zien en horen. Die stap is cruciaal voor de verdere ontwikkelingen van het kind, omdat je meer leert door luisteren en kijken dan door proeven en ruiken. Omdat autistische kinderen die stap niet zetten, kunnen zij lichamelijk, emotioneel, sociaal en communicatief niet verder groeien.
.

Een paar dagen later, op 23-12-1989 stond in de Volkskracht dit artikel:

.

Een omstreden behandeling van autisten

.

Dat een therapie effect heeft op autisme, zegt nog niets over de oorzaak. De psycholoog Van Soest slaagt erin autistische kinderen aan ’t praten te krijgen in korte zinnen. Hij is deze week op zijn onderzoek gepromoveerd. Maar tegenstanders blijven hun twijfels behouden.

IEDEREEN die wel eens autisten heeft meegemaakt, weet dat ze vaak ruiken, likken en voelen aan dingen en mensen. Vooral autisten die op een laag niveau functioneren, onderzoeken hun omgeving op deze manier, dus met behulp van de zogenaamde nabijheidszintuigen: smaak, reuk en tastzin. Op grond van deze waarneming heeft de psycholoog dr. M. van Soest een theorie opgebouwd die ervan uitgaat dat de oorzaak van autisme gelegen is in een foutieve hiërarchie van de zintuigen. Deze week promoveerde hij in Groningen op het proefschrift „Autisme als gevolg van een dysfunctionele zintuigenhiërarchie; de behandeling van autisme volgens de Van Soest-therapie”.

Een kind dat zich normaal ontwikkelt, stapt reeds als baby over van die nabijheidszintuigen op de vertezintuigen als zien en horen, stelt Van Soest, maar autisten maken die stap niet. Over de oorzaken daarvan blijft hij vaag. Alle afwijkende gedragingen die die groep verder kenmerken — zoals hun onvermogen oogcontact te maken, hun gestoorde cognitieve ontwikkeling, de moeite die ze hebben met taal en communicatie, hun verzet tegen veranderingen, hun stereotiepe handelingen als met de handen fladderen of wiegen — moeten worden verklaard uit deze overheersing van de nabijheidszintuigen, denkt Van Soest.

Hij maakte kennis met het verschijnsel autisme toen hij in 1973 de tienjarige Achim ontmoette in het psychiatrisch ziekenhuis in West-Duitsland waar hij werkte. Achim (in het proefschrift aangeduid als Guido) deed niets anders dan heen en weer schommelen en zich in het gezicht slaan. Van Soest kreeg te horen dat Achim autistisch was en dus een hopeloos geval. Hij legde zich daar niet bij neer; hij nam Achim onder zijn hoede en toen hij later van werkkring veranderde, nam hij hem bij zich thuis op. Achim genas van zijn autisme, zegt Van Soest. Hoger functionerende autisten kwalificeert hij eenvoudig als niet-autistisch.

Op dit punt vindt hij het overgrote deel van de wetenschappelijke wereld tegenover zich. Algemeen wordt aangenomen dat autisme niet over gaat; wel is het mogelijk autisten zo te helpen dat zijzelf en hun omgeving minder last hebben van de symptomen. Van Soest houdt zich uitdrukkelijk niet bezig met de oorzaak. Hij heeft altijd geschamperd op de bevinding van anderen dat die organisch van aard is. Toch zijn daarvoor zeer sterke aanwijzingen. Dat blijkt onder meer uit het onderzoek van H. van Engeland van de universiteit van Utrecht.

Deze houdt zich ook bezig met het waarnemingsvermogen van autisten, maar hij is aan de andere kant begonnen: hij trekt zijn conclusies niet op grond van het gedrag, maar op grond van de fysiologie. Hij heeft vastgesteld dat de reactie in de hersenen op prikkels van buitenaf bij autisten — globaal gezegd — langer op zich laat wachten dan gemiddeld. Met de verwerking van (vooral, inderdaad, visuele en auditieve) prikkels is iets mis. „Vooral de interpretatie van die prikkels blijkt een groot probleem”, aldus Van Engeland. „Die stelling over de nabijheidszintuigen is een oud standpunt. Maar de literatuur is er niet eenduidig over en onderzoek heeft het nooit bevestigd.” Hij kent het onderzoek van Van Soest overigens niet.

De „Van Soest-therapie” bestaat, kort gezegd, hieruit dat hij de „gedragsomgeving” van autisten kunstmatig vergroot. Doordat ze zich bijna uitsluitend bedienen van reuk, smaak en tastzin is het stukje wereld waarop ze zich richten erg klein. Van Soest dwingt hen dat uit te breiden door het gebruik van ogen en oren te stimuleren.

In Engagement, het maandblad van de Nederlandse Vereniging voor Autisme (NVA), beschreef Van Soest in 1976 hoe hij dat in de experimentele periode aanpakte, bij de behandeling van zijn eerste pupillen Achim en Susanne. Hij onderscheidt een eerste fase, waarin het gedrag van het kind wordt gestructureerd. Hij geeft het kind een opdracht en houdt het „met harde, korte stem” bij de les. „We laten het kind geen enkel initiatief.” Hij werkt op regelmatige tijden en is zelf uiterst consequent. Een dergelijke aanpak is overigens ook elders gebleken goed te werken bij autisten, voor wie de wereld een onbegrijpelijke chaos is. Hoe meer duidelijkheid, hoe beter.

Van Soest onthoudt autisten in die fase soms bewust prikkels. „Ik sluit bijvoorbeeld lange tijd de tastzin af (ik heb Susanne bijvoorbeeld bokshandschoenen aangedaan). Dan wordt het kind zeer onrustig en deze onrust gebruik ik om een opdracht in hoog tempo door te voeren.” Met een balspelletje is de gedragsomgeving steeds groter te maken.

In de tweede, begeleidingsfase gaat Van Soest soepeler met zijn pupillen om. Hij biedt dan ook meer materiaal aan. Pas als het kind een groter stuk van de wereld bestrijkt, kan een begin worden gemaakt met het aanleren van gewenst gedrag. Zo leerde Susanne het in deze fase af op haar tenen te lopen. Van Soest trok haar daartoe stijve, hoge schoenen aan waarop ze elke dag een stuk moest wandelen.

Na deze experimenten werkte Van Soest zijn methode uit. In zijn proefschrift beschrijft hij de behandeling van zeven laag functionerende, niet sprekende autisten die sinds 1982 in zijn praktijk kwamen. Alle zeven zijn zij nu in staat zich te uiten in twee- en drie-woordzinnen. Zij zijn, zegt Van Soest, nu „rijp voor opvoeding en ontwikkeling door ouders en leerkrachten. Ik krijg ze nu in vier- tot vijfhonderd uur aan het praten. Destijds werd mijn methode uitgelegd als een keiharde. Maar dat is helemaal niet waar. De ouders zijn er altijd bij. Er waren zelfs ouders die zo blij waren dat ik hun kind aan de praat had gekregen, dat ze 45 kilometer te voet aflegden naar Kevelaar, om Maria te bedanken.”

In Engagement van november 1982 haalt de ontwikkelingspsycholoog (inmiddels dr.) H. Baartman van de VU de Amerikaanse deskundige Rutter aan: „The cure is not the cause.” Dat wil zeggen: uit het feit dat een bepaalde geneesmethode of hulpmethode werkt, kan men niet automatisch afleiden wat de oorzaak is. (…) Het is zeer wel mogelijk dat Van Soest effect heeft met wat hij doet, maar dat rechtvaardigt op zich nog niet zijn theorie van de foutieve zintuigenhiërarchie!”

Bij de NVA, de belangenvereniging van ouders en deskundigen, is men niet enthousiast over de werkwijze van Van Soest. C. Hellingman zegt dat de NVA klachten bereiken van ouders die met hun kind naar de praktijk van Van Soest in Kleef gingen. Het zijn er „geen tientallen”, maar de berichten zijn volgens haar overwegend negatief, vooral omdat de behandeling veel tijd vergt en dus duur is.

De behandeling van de psycholoog wordt niet betaald door het ziekenfonds. „Terwijl bij de gevestigde autisme-teams de ervaringen voor 98 procent positief zijn. De enkele klacht betreft daar nu juist het gebrek aan tijd”, aldus Hellingman. De houding van de NVA is dan ook samen te vatten als: met zo’n zak vol tijd en geld zouden wij ook wel raad weten.

Van Soest heeft jaren gestreden voor erkenning, en zich over het gebrek daaraan herhaaldelijk verbitterd uitgelaten. In Engagement van november 1982 schrijft hij: „Ondanks herhaaldelijk verzoek van Van Soest om naar zijn resultaten te komen kijken en tot een gesprek te komen, geeft het ministerie niet thuis. Koelbloedig verlangt het ministerie dat Van Soest zijn behandelingsmethode door een objectief onderzoek laat analyseren. Wie zou daar nu bij gebaat zijn? Alsof je van het papier de praktijk kunt beoordelen.”

Van Soest nu: „Ouders hebben aan theorieën niets. Die vragen: kun je mijn kind helpen? Je kunt heel veel weten, maar zelf met de bal spelen is een heel andere aangelegenheid”’.

Met zijn dissertatie doet Van Soest een concessie aan „het papier”, maar door te promoveren heeft hij tegelijk zijn gram gehaald. „Ik vind het een hele eer dat ik na zoveel jaren eindelijk die wetenschappelijke erkenning heb gekregen.” 

.

Ontwikkelingsbelemmeringen: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3384-3182

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opspattend grind (42)

.

Aantal kinderen met autisme explodeert. Dit is waarschijnlijk de oorzaak

De psychiaters: speel met je kinderen, bouw een zandkasteel of maak een tekening, maar laat ze alsjeblieft niet de hele dag naar een scherm turen.

.

Peuters-kleuters: alle artikelen

Spel: alle artikelen

Opspattend grind  [16]   [19]   [29]

Opspattend grind: alle artikelen

.

1351-1263

.

.