VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde -voordracht 9 (9-1-1/16)

.

Enkele gedachten bij blz. 135/136 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

Op blz. 135/136 en verderop in de voordracht – zie daarvoor [9-5] zegt Steiner iets over de ontwikkelingsfasen van het kind.

Hier worden zijn uitspraken daarover uit andere voordrachten weergegeven.

Rudolf Steiner over de ontwikkelingsfase van 0 – 7 jaar 

in de voordrachtenreeks:

Die geistig-seelischen Grundkräfte der Erziehung

GA 305

Die spirituelle Grundlage der Erziehung (1)

Voordracht 1, Oxford 16 augustus 1922

Kind een en al zintuig

Blz. 17  vert. blz. 14

Wie arbeitet das Geistig-Seelische an dem Kinde bis zum Zahnwechsel hin? Wie arbeitet das Geistig-Seelische an dem Kinde, wenn wir es gerade in der Volksschule, in der Elementarschule zu erziehen, zu unterrichten haben? Wie haben wir da selbst mit dem Geistig-Seelischen mitzu­arbeiten?
Wir sehen zum Beispiel, wie in dem ersten Lebensalter des Kindes bis zum Zahnwechsel hin instinktiv – instinktiv für das Kind, instinktiv auch für die Umgebung des Kindes – die Sprache ausgebildet wird. Wir denken heute vielfach darüber nach, ich will heute nicht sprechen von dem Historischen in der Entstehung der Sprache, sondern nur von dem Sprechenlernen des Kindes, wie eigentlich das Kind sprechen lernt, ob es gewissermaßen einen Instinkt hat, sich in den Klang, den es von der Umgebung hört, hineinzufinden, oder ob aus irgendwelchem an­deren Zusammenhang mit der Umgebung der Trieb, Sprache zu ent­wickeln, besteht. Sieht man aber genauer in das Leben des Kindes hin­ein, so merkt man, daß alle Sprache, alles Sprechenlernen auf der Nach­ahmung beruht desjenigen, was das Kind durch seine Sinne in der Um­gebung beobachtet, unbewußt beobachtet.

Hoe werkt het geest-zielenwezen in op het kind tot aan de tandenwisseling? Hoe werkt het geest-zielenwezen in op het kind juist als wij het op de lagere school, op de basisschool te onderwijzen hebben? Hoe moeten wij dan zelf met het geest-zielenelement meewerken?
Wij zien bijvoorbeeld hoe in de eerste levensfase van het kind tot aan de tandenwisseling instinctief – instinctief voor het kind, instinctief ook voor de omgeving van het kind – de taal gevormd wordt. Wij denken daar tegenwoordig veel over na – ik wil vandaag niet spreken over het historische in het ontstaan van de taal maar alleen over het leren spreken van het kind – hoe het kind eigenlijk leert spreken, of het in zekere zin een instinct heeft om z’n weg in de klank, die het van zijn omgeving hoort te vinden; dan wel of uit een of andere samenhang met de omgeving de aandrift ontstaat taal te ontwikkelen. Als men echter nauwkeuriger waarneemt in het leven van het kind, dan merkt men dat alle taal, al het leren spreken, berust op het nadoen van hetgeen het kind door zijn zintuigen in de omgeving waarneemt, onbewust waarneemt.

Das ganze Leben des Kindes bis zum 7. Jahre ist ein fortwährendes Imitieren desjenigen, was in der Umgebung vor sich geht. Und in dem Augenblick, wo das Kind irgend etwas wahrnimmt, sei es eine Bewegung, sei es einen Klang, entsteht in ihm der Drang nach innerlicher Gebärde, nach Nacherleben des­jenigen, was wahrgenommen wird aus seiner ganzen Innerlichkeit heraus. Das Kind ist ganz Sinnesorgan. Sein Blut wird noch in einer viel lebendigeren Weise durch seinen ganzen Körper getrieben, als es später der Fall ist. Und wir merken gerade durch eine feine Physiologie, worauf die Ausbildung unserer Sinnesorgane, zum Beispiel des Auges beruht.

Het hele leven van het kind tot aan het zevende jaar is een voortdurend imiteren van hetgeen er in de omgeving plaats vindt. En op het ogenblik waarop het kind wat dan ook bemerkt, of het nu een beweging is of een klank, ontstaat in hem de drang naar een innerlijk gebaar, naar het óók beleven van hetgeen er vanuit de volheid van zijn innerlijk wordt waargenomen.
Wij begrijpen het kind alleen als wij het zo bezien, zoals wij in een later stadium van zijn leven zijn oog of oor bezien. Het kind is helemaal zintuig. Zijn bloed wordt nog op een veel levendiger wijze door zijn hele lichaam gestuwd dan het later het geval is. En juist door een nauwkeurige fysiologische waarneming merken wij waarop de vorming van onze zintuigen – bijvoorbeeld het oog -berust.

Blz. 18    vert. 15/16

Das Auge entwickelt sich dadurch, daß in ihm zuerst das Blut prä­ponderiert, die Blutzirkulation, in den allerersten Lebensjahren des Menschen. Dann überwiegt später immer mehr und mehr das Nervenleben in den Sinnen, und eine Entwicklung von Blutzirkulation zum Nervenleben hin ist die Entwicklung des Sinneslebens im Menschen. Man kann sich eine feine Beobachtungsgabe aneignen dafür, wie all­mählich im Menschen übergeht das Blutleben ins Nervenleben.
So aber, wie es beim einzelnen Sinn ist, so beim ganzen Menschen. Das Kind muß so viel schlafen, weil es ganz Sinnesorgan ist, weil es die Außenwelt noch nicht mit ihrem Blenden, mit ihren Lauten vertragen würde. Wie das Auge sich schließen muß, wenn das blendende Sonnen­licht herandringt, so muß sich dieses Sinnesorgan Kind – denn das Kind ist ganz Sinnesorgan – abschließen gegenüber der Welt, muß viel schla­fen; denn dann, wenn es der Welt gegenübergestellt ist, muß es beob­achten, innerlich reden. Jeder Laut der Sprache entsteht aus der inner­lichen Gebärde. Das, was ich hier sage aus einer spirituellen Erkenntnis heraus, das ist, ich möchte sagen, naturwissenschaftlich heute schon voll zu belegen.

Het oog ontwikkelt zich doordat het bloed, de bloedcirculatie, er in de allereerste levensjaren van de mens een overwegende rol in speelt. Dan overweegt later steeds meer het zenuwstelsel in de zintuigen en de ontwikkeling van het zintuiglijke leven in de mens is de ontwikkeling van bloedcirculatie naar het leven van de zenuwen. Men kan zich het vermogen eigen maken om precies waar te nemen hoe in de mens het leven in het bloed langzamerhand overgaat in het leven in het zenuwgebied.
Zoals het is bij een enkel zintuig, zo is het ook bij de mens als geheel.
Het kind moet zoveel slapen omdat het geheel en al zintuig is, omdat het de verblindende en verdovende buitenwereld nog niet zou verdragen. Zoals het oog zich moet sluiten voor het verblindende zonlicht, zo moet het zintuig kind – want het kind is helemaal zintuig – zich afsluiten voor de wereld, moet het veel slapen; want als het tegenover de wereld staat moet het waarnemen, innerlijk spreken. Iedere klank van de taal ontstaat uit het innerlijke gebaar. Hetgeen ik hier zeg vanuit een geestelijk kennen, is – zou ik willen zeggen – tegenwoordig vanuit de natuurwetenschap volledig te bewijzen.

Es gibt eine naturwissenschaftliche Entdeckung – gestatten Sie mir, weil diese Entdeckung mich ja während meines ganzen Lebens verfolgt hat, die persönliche Bemerkung, daß diese naturwissenschaftliche Ent­deckung so alt ist wie ich selber; sie ist in dem Jahre gemacht worden, wo ich geboren bin -, diese naturwissenschaftliche Entdeckung besteht darin, daß des Menschen Sprache beruht auf der Ausbildung der linken Schläfenwindung im Gehirn. Die wird plastisch im Gehirn ausgebildet. Aber diese Ausbildung geschieht durchaus während des kindlichen Alters selber aus jener Plastik heraus, von der ich Ihnen gesprochen habe. Und wenn wir den ganzen Zusammenhang betrachten, der besteht zwischen der Gebärde des rechten Armes und der rechten Hand, die präponderieren bei denjenigen Kindern, die das normal bilden – über Linkshänder werde ich noch zu sprechen haben, inwiefern sie sich zu den Allgemeinen verhalten; sie machen eine Ausnahme; aber gerade sie sind Beweise, wie das, was Sprechenlernen bedeutet, zusammenhängt mit jeder Gebärde, bis ins einzelnste hinein mit dem rechten Arm und der rechten Hand -, so werden wir sehen, wie durch einen inneren geheimnisvollen 

Er bestaat een natuurwetenschappelijke ontdekking – neemt U mij deze persoonlijke opmerking niet kwalijk maar deze ontdekking heeft mij mijn hele leven achtervolgd omdat hij zo oud is als ikzelf; hij is gedaan in het jaar waarin ik geboren ben -, die ontdekking nu bestaat daaruit dat de menselijke taal berust op de vorming van de linker slaapbeenkwab in de hersenen. De taal wordt ruimtelijk in de hersenen tot vorm. Maar deze vorming geschiedt volledig gedurende de kindertijd zelf vanuit de vormende werking waarover ik tot U heb gesproken. En als wij de totale samenhang bezien die er is tussen het gebaar van de rechter arm en de rechter hand, die dominant zijn bij de kinderen die dit normaal ontwikkelen – (over de linkshandigen zal ik nog spreken en over de manier waarop zij staan ten opzichte van het algemene; zij vormen een uitzondering; maar juist zij vormen het bewijs hoe het leren spreken, met elk gebaar van de rechter arm en de rechter hand tot in detail samenhangt) – dan zullen wij zien hoe door een geheimzinnige

Blz. 19

Zusammenhang von Blut, Nerven und der Windung des Gehirns aus der Gebärde heraus durch Imitation der Umgebung, die Sprache sich bildet.
Wenn wir schon eine feinere Physiologie hätten, als wir sie heute haben, so würden wir für jedes Alter nicht nur das Passive, sondern auch das Aktive entdecken. Aber dieses Aktive ist besonders regsam in diesem großen Sinnesorgan, das das Kind ist. Daher lebt das Kind so in seiner Umgebung, wie im späteren Leben unser Auge in der Um­gebung lebt. Unser Auge ist besonders herausgestaltet aus der allge­meinen Kopforganisation, liegt, ich möchte sagen, in einer besonderen Höhlung, damit es das Leben der Außenwelt mitmachen kann. Das Kind macht so das Leben der Außenwelt mit, lebt ganz in der Außen­welt drinnen, ist noch nicht in sich, fühlt noch nicht sich, lebt ganz mit der Außenwelt.
Wir entwickeln heute mit Recht innerhalb unserer Zivilisation eine Erkenntnis, die eine sogenannte intellektualistische Erkenntnis ist, die ganz in uns lebt. Wir glauben die Außenwelt zu erfassen. Aber alle Gedanken, vor denen wir, und vor deren Logik wir allein gelten lassen die Erkenntnis, sie leben ja ganz in uns.

innerlijke samenhang van bloed, zenuwen en de winding van de hersenen vanuit het gebaar, door imitatie van de omgeving, de taal zich vormt.
Als wij over een fijnere fysiologie zouden beschikken dan wij nu hebben, dan zouden wij voor elke leeftijd niet alleen het passieve maar ook het actieve ontdekken. Maar dit actieve is bijzonder levendig in het grote zintuig dat het kind is. Vandaar dat het kind zó in zijn omgeving leeft, als in het latere leven ons oog in de omgeving leeft. Vanuit de algemene aanleg van het hoofd is het oog op een nadrukkelijke manier naar buiten toe gevormd en het ligt – zou ik willen zeggen – in een speciale holte, opdat het het leven van de buitenwereld kan meemaken. Het kind maakt zo ook het leven van de buitenwereld mee, leeft helemaal in de buitenwereld, is nog niet in zichzelf, voelt zichzelf nog niet, leeft helemaal met de buitenwereld.
Wij ontwikkelen heden ten dage binnen onze beschaving terecht een wijze van kennen, die de intellectualistische wordt genoemd en die helemaal in ons leeft. Wij menen de buitenwereld te vatten. Alle gedachten leven in onszelf. Maar van deze gedachten laten wij alleen gelden wat er aan logica in wordt gevonden en wat er van past binnen onze wijze van kennen.

Und das Kind lebt ganz außer­halb seiner selbst. Dürfen wir glauben, daß wir mit unserer intellek­tualistischen Erkenntnis jemals herankommen an dasjenige, was das Kind, das ganz Sinnesorgan ist, mit der Außenwelt erlebt? Das dürfen wir niemals. Das dürfen wir nur hoffen von der Erkenntnis, die selber ganz aus sich herausgehen kann, ganz untertaucht in das Wesen des­jenigen, was lebt und west. Eine solche Erkenntnis ist nur die intuitive Erkenntnis, nicht die intellektuelle, mit der wir in uns bleiben, wo wir uns bei jeder Idee fragen: Ist sie auch logisch? – es ist eine Erkenntnis, mit der der Geist hinunterdringt in die Tiefen des Lebens selber, eine intuitive Erkenntnis. Wir müssen uns bewußt aneignen eine intuitive Erkenntnis, dann werden wir erst selbst so praktisch, damit wir mit dem Geiste tun können dasjenige, was mit dem Kinde zu geschehen hat zunächst in den ersten Lebensjahren.

Het kind leeft echter geheel buiten zichzelf. Zouden wij dan mogen denken dat wij met onze intellectualistische kennis ooit zouden kunnen benaderen wat het kind, dat geheel en al zintuig is, aan de buitenwereld beleeft? Dat mogen wij nooit. Dat mogen wij slechts hopen van de kennis, die zelf geheel en al buiten zichzelf kan treden en helemaal onderduikt in het wezenlijke dat leeft en wordt. Een dergelijke kennis is alleen de intuïtieve kennis, niet de intellectuele, waarbij wij in onszelf blijven, waarbij wij ons bij ieder idee afvragen: is dat wel logisch? het is een wijze van kennen waarbij de geest afdwaalt in de diepte van het leven zelf: een intuïtieve wijze van kennen. Wij moeten ons bewust een intuïtieve wijze van kennen eigen maken opdat wij zelf zó praktisch worden, dat wij door middel van de geest kunnen doen wat er vóór alles met het kind moet gebeuren in de eerste levensjaren.
GA 305/17-19
Vertaald /14-17  oudere vertaling gebruikt waardoor de bladzijnr. kunnen verschillen

Die spirituelle Grundlage der Erziehung (2)

Voordracht 2, Oxford 17 augustus 1922

Blz. 27     vert. blz. 25

Wenn wir uns eine   wirkliche Einsicht, eine unmittelbare, tatsäch­liche Erkenntnis von demjenigen verschaffen können, was in dem ganz kleinen Kinde bis zum Zahnwechsel hin innerlich wirkt so, daß es aber nicht direkt wahrgenommen werden kann, sondern nur angeschaut werden kann in den Wesensäußerungen des Kindes, mögen uns diese noch so primitiv vorkommen, das ist «Geist», und das ist «Seele». Wir haben sonst, wenn wir die Natur und das Menschenleben an­schauen, niemals in dem Sinne Geist und Seele vor uns, als nur, wenn wir dasjenige, was Lebensäußerungen des ganz kleinen Kindes sind, beschauen. Da arbeiten, wie ich gestern sagte, in der Plastik des Ge­hirnes, in der Ausbildung des ganzen Organismus, die geistigen Kräfte darinnen, da arbeiten die seelischen Essenzen darinnen. Dasjenige, was wir sehen, sind die Lebensäußerungen des Kindes; sie nehmen wir durch die Sinne wahr. Aber dasjenige, was durch den Schleier des sinnlich Wahrnehmbaren hindurch wirkt, ist Geist, ist Seele; so, wie wir sie nie­mals sonst im Leben ohne eine innere seelische Entwicklung wahr­nehmen können.

De geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst (2)

Als wij ons een werkelijk inzicht, een directe, feitelijke kennis eigen kunnen maken van hetgeen er in het zeer kleine kind werkzaam is tot aan de tandenwisseling, werkzaam zó, dat het niet direct waarneembaar is maar alleen kan worden gadegeslagen in de uitingen van het wezen van het kind, hoe primitief die ook mogen lijken, dan vinden we daar ‘geest’ en ‘ziel’. Voor het overige hebben wij als wij het leven van de mens en de natuur bezien, nooit in die zin geest en ziel voor ons dan alleen wanneer wij het gedrag van het zeer kleine kind gadeslaan. Daar, in het vormen van de hersenen en in het tot gestalte komen van het hele organisme werken zoals ik gisteren al zei de krachten van de geest en het wezenlijkste deel van de ziel. Wat wij hier zien is het gedrag van het kind; dat nemen wij met onze zintuigen waar. Maar hetgeen zich via de versluieringen van het zintuiglijk waarneembare doet kennen is de geest, is ziel. Zo kunnen wij die verder nooit in het leven waarnemen zonder dat er een ontwikkeling van de ziel aan voorafgegaan is.

Blz. 35   vert. 34

Indem wir uns unsere Begriffe, Ideen, das­jenige, was bloße Intellektualität darstellt, mit Realität durchdrungen haben, spüren wir wiederum, wie der Geist in uns schöpferisch ist.
Dann können wir nachfühlen, was in dem Kinde real wirkt. Nicht das wirkt, was wir als «mind» in uns ausfuhrten . Das wurde nicht schöpferisch sein in dem ganz kleinen Kinde. Das würde nur dazu führen, uns zu verlieren. Aber dasjenige, wozu wir kommen auf die eben beschriebene schöpferische Art, ist das, was in dem Kinde wirkt, was die zweiten Zähne nachbildet den ersten Zähnen, und was mit dem 7. Jahre aufhört plastisch zu wirken.

Wanneer wij onze begrippen, ideeën, al hetgeen het zuivere intellect oplevert, met de realiteit hebben doordrongen, dan bespeuren wij opnieuw hoe de geest scheppend in ons werkt. Dan kunnen wij meevoelen wat in het kind reëel werkzaam is. Niet hetgeen wij als onze ‘mind’ hebben aangeduid is werkzaam. Dat zou geen scheppende kracht hebben in het zeer kleine kind. Dat zou er alleen maar toe leiden onszelf te verliezen. Maar hetgeen wij bereiken met de zojuist beschreven scheppende werkwijze is hetzelfde als wat bij het kind het vaste gebit vormt naar het beeld van het melkgebit, en dat met het zevende jaar langzaam ophoudt met zijn vormende werkzaamheid.
GA 305/35
Vertaald /25  oudere vertaling gebruikt waardoor de bladzijnr. kunnen verschillen

Die spirituelle Grundlage der Erziehung (3)

Voordracht 3, Oxford 18 augustus 1922

Blz. 54    vert. blz. 53/54

Hat man diese Begriffe, die ich jetzt nur in einigen Richtlinien an­deuten konnte – sie werden durch ihre Anwendung, die sich uns in den nächsten Tagen ergeben wird, in allen Einzelheiten klar werden -, hat man diese elementaren Richtlinien, dann öffnet sich einem das Auge für alles dasjenige, was einem auch in der kindlichen Natur entgegen­tritt. Denn in der kindlichen Natur ist es noch nicht so. Zum Beispiel, das Kind ist ganz Sinnesorgan, eigentlich ganz Kopf, wie ich schon auseinandergesetzt habe.
Insbesondere ist es für eine Anschauung der spirituellen Erkenntnis interessant zu sehen, wie das Kind anders schmeckt als der Erwachsene. Der Erwachsene, indem er das Schmecken schon in die Vorstellung einbezogen hat, er schmeckt auf der Zunge und gibt sich dann Auf­schluß darüber, wie der Geschmack ist. Das Kind – in den allerersten Lebenswochen namentlich – schmeckt mit dem ganzen Körper. Das Geschmacksorgan geht durch den ganzen Organismus. Es schmeckt mit dem Magen, es schmeckt noch, wenn der Nahrungssaft von den Lymph­gefäßen aufgenommen wird und in den ganzen Organismus übergeht. Das Kind ist ganz durchdrungen von Schmecken, wenn es an der Mut­terbrust liegt.

De geestelijke grondslagen voor de opvoedkunst (2)

Deze begrippen [die van denken, voelen en willen] kan ik op dit moment slechts in de vorm van een aantal richtlijnen aanstippen. Het is door de toepassing ervan, waaromtrent ons in de komende dagen het een en ander zal blijken, dat zij ons geheel en al duidelijk zullen worden. Bezit men echter deze elementaire richtlijnen dan worden ons ook de ogen geopend voor al hetgeen ons vanuit de kinderlijke natuur tegemoetkomt. Want bij het kind is het immers nog anders. Zo is het kind bijvoorbeeld een en al zintuig, eigenlijk een en al hoofd, zoals ik eerder reeds heb uiteengezet. Het is met name interessant om, waarnemend vanuit de geestelijke kennis, te zien hoe het kind heel anders proeft dan de volwassene. De volwassene proeft omdat hij de smaak al bij de voorstelling betrokken heeft, met de tong en bepaalt zo hoe iets smaakt. Het kind proeft – met name in de allereerste levensweken – met het hele lichaam. Het smaakorgaan is overal in het lichaam. Het kind proeft met de maag, het proeft nog als de voeding door de lymfevaten wordt opgenomen en het gehele organisme vervult. Het kind is helemaal van smaak doordrongen als het aan de moederborst ligt.

Das ist dasjenige, was uns darauf hinweist, wie, ich möchte sagen, das Kind durchleuchtet und durchglänzt wird von dem Schmecken, von einem Seelischen, das wir später nicht mehr im ganzen Leibe noch haben, das wir später nur im Kopfe noch haben. Und so lernen wir das kleine Kind, so lernen wir auch das größere Kind anschauen, wenn wir wissen, das eine Kind errötet leichter bei dem oder jenem, das andere wird blaß bei dem oder jenem, das eine Kind gerät leicht in eine gewisse Emotion hinein, bewegt seine Glieder leicht; das eine tritt stark auf, das andre trippelt fast nur und so weiter. Wenn wir diese Grundlinien haben, daß wir wissen können, wo irgend etwas sitzt, ob im Stoffwechselsystem, indem es seelisch im Wollen zum Ausdrucke kommt, ob im rhythmischen System, indem es seelisch im Fühlen zum Ausdrucke kommt, oder im Nervensystem, indem es see­lisch im Denken zum Ausdrucke kommt, dann lernen wir das Kind beobachten, dann wissen wir erst, wohin wir die Augen zu richten haben.

Dat is hetgeen er ons op wijst hoe het kind, ik zou willen zeggen, wordt doorstraald en doorglansd met smaak, met iets zielsmatigs, dat wij later niet meer in ons gehele lichaam hebben, maar alleen in ons hoofd.
En zo leren wij het kleine kind, zo leren wij ook het grotere kind te bezien, wanneer we weten dat het ene kind snel bloost bij het een of ander, het andere juist snel bleek wordt, dat het ene kind snel op een bepaalde manier geëmotioneerd raakt, makkelijk beweegt, stevig stapt, of juist haast alleen maar wat trippelt, enzovoort. Wanneer wij deze richtlijnen bezitten, zodat wij weten waar iets tot uitdrukking komt, in het ritmische stelsel doordat het wat de ziel betreft in het voelen tot uitdrukking komt, of in het zenuwstelsel doordat het wat de ziel betreft in het denken tot uitdrukking komt, dan leren wij hoe we het kind moeten gadeslaan, dan weten wij pas waar we naar moeten kijken.
GA 305/54
Vertaald /53/54  oudere vertaling gebruikt waardoor de bladzijnr. kunnen verschillen

58

Die Erziehung des kleinen Kindes und die Grundstimmung des Erziehers

Voordracht 4, Oxford 19 augustus 1922

Blz. 58      vert. blz. 59

In dem ersten Lebensalter, bis zum Zahnwechsel hin – ich habe es schon ausgesprochen -, ist das Kind in einem mehr als sinnbildlichen Sinne ganz Sinnesorgan. Es ist gewissermaßen ganz Kopf; und alle seine Entwicklung geht vom Ner­ven-Sinnessystem aus. Da liegen die Ursprungsstellen für die formenden Kräfte des ganzen Organismus. Das Nerven-Sinnessystem durchdringt als Hauptakteur den ganzen Organismus; und alle Eindrücke der Außenwelt wirken durch den ganzen Organismus hindurch, während sie im späteren Leben nur an der Peripherie des Sinnessystems physisch, aber weiter in den Körper hinein bloß seelisch wirken

In de eerste levensfase, tot aan de tandenwisseling is het kind – ik heb het al eerder gezegd – in meer dan overdrachtelijke zin helemaal zintuig. Het is tot op zekere hoogte helemaal hoofd, en heel zijn ontwikkeling gaat uit van het zenuw-zintuigstelsel. Daar ligt de herkomst van de vormende krachten van het gehele organisme. Het zenuw-zintuigstelsel vervult als hoofdrolspeler het gehele organisme, en alle indrukken van de buitenwereld gaan tot in het gehele organisme, terwijl zij in het latere leven fysiek slechts in de periferie van het zintuigstelsel, en verder in het lichaam alleen maar zielsmatig aanwezig zullen zijn.

Blz. 59      vert. blz. 59

Man möchte sagen: Der reife Mensch ist so organisiert, daß das Licht mit seinen physischen Wirkungen im Auge halt macht und daß es weiter hinein in den Organismus nur die vom Gefühl durchdrungene Vor­stellung vom Lichte schickt. Beim Kinde ist es so, daß gewissermaßen jedes Blutkörperchen innerlich vom Lichte physisch erregt wird. Man darf diese Wirkungen allerdings nicht so verstehen, als ob sie mit gro­ben physischen Methoden nachweisbar seien. Das Kind ist noch ganz den Wirkungen derjenigen ätherischen Essenzen hingegeben, die im späteren Leben nur an der Oberfläche des Leibes, in den Sinnesorganen wirken, damit der Mensch innerlich etwas ganz anderes entwickeln könne; Das Kind bis zum Zahnwechsel ist durch den ganzen Organis­mus hindurch Sinn; der mehr erwachsene Mensch ist an seiner Ober­fläche Sinn, im Inneren Seele. Man beachte das in konkreten Einzel­heiten. Derjenige, der als erwachsener Mensch einem ganz jungen Kinde, einem Säugling zugesellt ist, der wird als Mensch mit seinem ganzen inneren Erleben zum Erzieher des Kindes. Angenommen, es befinde sich an der Seite des Kindes ein sorgenvoller Mensch, ein sol­cher, der auch Grund hat, Sorgen zu entwickeln.

Men zou kunnen zeggen: De lichamelijke structuur van de volwassene is zo, dat de fysieke werking van het licht niet verder gaat dan het oog en dat het licht dieper in het organisme slechts de van het gevoel doordrongen voorstelling van licht zendt. Bij het kind is het zo, dat tot op zekere hoogte elk bloedlichaampje innerlijk fysiek door het licht geprikkeld wordt. Men mag zich echter deze processen niet zo voorstellen alsof zij met grove fysieke methoden aantoonbaar zouden zijn. Het kind is nog volstrekt die essentiële etherische processen toegedaan die in het latere leven slechts aan de buitenkant van het lichaam, in de zintuigen plaatsvinden, opdat de mens innerlijk iets geheel anders kan ontwikkelen.
Het kind is tot aan de tandenwisseling in zijn gehele organisme zintuig, de meer volwassen mens is aan de buitenkant zintuig, en innerlijk ziel. Bekijk dat eens tot dat tot in de concrete details. Degene die als volwassene de zorg voor een klein kind, voor een zuigeling krijgt, wordt als mens met geheel zijn innerlijke beleving tot opvoeder van het kind. Laten we aannemen dat het kind begeleid wordt door een bezorgd mens, iemand die ook reden heeft zich zorgen te maken.

Beim reifen Menschen kommt nur schwach dasjenige zur Offenbarung, was als physische Wirkung dieser seelischen Sorgen in Konstitution, Mimik und Bewe­gung in seinem Körper ist. Wenn wir Sorge haben, so ist immer unser Mund etwas trocken. Und wenn bei gewissen Menschen die Sorge habi­tuell wird, wenn sie dauert, dann gehen diese mit immer trockenem Munde, mit klebender Zunge, mit einem bitteren Geschmack im Mun­de herum; sogar mit leichter Atembeklemmung. Beim erwachsenen Menschen sind diese physischen Zustände nur leise Untertöne des Lebens.
Das Kind, das neben den Erwachsenen heranwächst, ist aber ein Imitator auch der schwächsten physischen Zustände des Erziehers. Es richtet sich ganz nach dem physiognomischen Ausdruck, nach dem, was es wahrnimmt, nach der Art und Weise, wie der Erwachsene sor­genvoll spricht, sorgenvoll empfindet, ein, weil es ja ganz Sinnesorgan ist. Imponderable Wechselwirkungen spielen sich ab zwischen dem Erwachsenen und dem Kinde. Hat der Erwachsene Sorge, die seelisch ist, aber sich in den physischen Folgezuständen offenbart, so nimmt das

Nabootsing

Bij de volwassene openbaart zich slechts zwak hetgeen aan fysieke uitdrukking van die zorgen – (die in de ziel liggen) – in zijn constitutie, mimiek en bewegingen, lichamelijk aanwezig is.
Als wij zorgen hebben, dan is onze mond altijd wat droog. En als bij bepaalde mensen die zorgen chronisch worden, als die blijven duren, dan lopen deze mensen voortaan rond met een altijd wat droge mond, een tong die aan het verhemelte blijft plakken, een bittere smaak in de mond, en misschien zelfs met een wat moeilijke ademhaling. Bij volwassenen vormt een dergelijke fysieke toestand slechts een lichte ondertoon in het leven.
Het kind, dat in de omgeving van de volwassene opgroeit is echter een imitator van ook maar de lichtste fysieke toestand van de opvoeder. Het vormt zich helemaal naar de gelaatsuitdrukking, naar dat wat het waarneemt, naar de manier waarop de volwassene bezorgd, bekommerd spreekt, naar de bezorgde wijze waarop hij waarneemt, omdat het kind immers helemaal zintuig is. Tussen de volwassene en het kind spelen zich wisselwerkingen af waarvan het gewicht niet te peilen is. Wanneer de volwassene zorgen heeft, die in het zielengebied liggen maar zich in hun fysieke uitingen vertonen, dan neemt het

Blz. 60   vert. blz. 60

Kind als Imitator die physischen Folgen wahr und gestaltet das eigene Innere darnach, wie sich das Auge mit der Lichtwirkung durchdringt. Das Kind nimmt eine innerliche Geste, eine innerliche Mimik auf, was sich durch die klebrige Zunge, den bitteren Geschmack offenbart. Es entwickelt sich bei ihm durch den ganzen Organismus hindurch ein konstitutioneller Abdruck des physischen Erlebens beim Erwachsenen. Es nimmt das in die Länge gezogene Blaßwerden des Gesichtes an, das der sorgenvolle Erwachsene hat, aber es kann den seelischen Inhalt der Sorge nicht in sich aufnehmen; es imitiert nur die physische Folge der Sorge. Und das Ergebnis ist, daß beim Kinde sogleich seine physische Konstitution von den geistigen Formkräften, die im Sinnes-Nerven­system ihren Sitz haben, ergriffen wird. Die inneren physischen und feineren Organe bauen sich im Sinne dessen auf, was das Kind an physischem Abbild der Sorge in sich aufgenommen hat. Es bekommt einen zur Sorge disponierten Organismus, der später auch leicht Lebenseindrücke in Sorge aufnimmt, die eine andere Konstitution nicht dazu treiben.
Das Kind wird auf diese Art zu einem sorgenvollen Menschen durch seinen physischen Organismus erzogen. Solche Erkenntnisse von fei­neren Lebenswirkungen muß man haben, wenn man im richtigen Sinne Erzieher sein will. Es sind dies für Lehrer und Erzieher Vorbedingungen wie für den Maler die Beobachtungsgabe für Farbenwirkungen.

kind als imitator die fysieke gevolgen waar en vormt het eigen innerlijk naar de manier waarop het oog met de werkzaamheid van het licht doordrongen wordt. Het kind neemt een innerlijk gebaar, een innerlijke mimiek op, die zich openbaart in de plakkerige tong, in de bittere smaak. Er ontwikkelt zich bij hem door zijn gehele organisme heen een afdruk in zijn gestel van wat bij de volwassene fysiek beleefd wordt. Het kind neemt van de bezorgde volwassene het bleke, lange gezicht over, maar het kan de psychische inhoud van die zorgen niet in zich opnemen, het imiteert slechts de fysieke gevolgen van die zorgen. En het resultaat is dat het fysieke gestel van het kind direct wordt aangegrepen door de geestelijke vormkrachten die in het zenuw-zintuigstelsel hun zetel hebben. De innerlijke fysieke én de fijnere organen bouwen zichzelf op naar wat het kind als fysiek evenbeeld der zorg in zich heeft opgenomen. Zo krijgt het een organisme dat voor het zorgelijke gedisponeerd is, en dat later ook gemakkelijk allerlei indrukken in het leven als zorgelijk ervaart, die bij een andere lichamelijke constitutie daartoe geen aanleiding zouden geven.
Het kind wordt zo door zijn fysieke organen opgevoed tot een bezorgd, een bekommerd mens. Dit soort kennis van subtielere levensprocessen moet men bezitten wanneer men opvoeder wil zijn in de juiste betekenis van het woord. Dit zijn voor leraren en opvoeders absolute voorwaarden zoals voor de schilder de kennis van de werking der kleuren.

Blz. 61   vert. blz. 61

Die Vererbung ist in der allerersten Lebenszeit des Kindes das Wich­tigste; aber immer mehr und mehr tritt die Anpassung des Menschen an die Welt auf. Es werden die vererbten Eigenschaften allmählich so um­gestaltet, daß der Mensch nicht nur das in sich trägt, was er von seinen Eltern und Voreltern vererbt hat, sondern daß er offen ist durch alle seine Sinne, durch seine Seele, durch seinen ganzen Geist, der Welt seiner Umgebung. Sonst wird er ein Mensch, der in einem weltfremden Wesen erstarrt, ein Mensch, der nur das will, was im Sinne seiner ver­erbten Eigenschaften liegt und einen Gegensatz zu der Welt seiner Um­gebung bildet. Der Grad von Befriedung am Leben, der ihm sonst zukäme, wird herabgemindert. ( )
Man muß in allen Einzelhei­ten beobachten können, wie in den ersten Lebensjahren des Kindes die Vererbung in einem inneren Kampf liegt mit der Anpassung an die Welt.

De erfelijkheid is in de allereerste periode van het leven van het kind het belangrijkste, maar steeds meer treedt er een aanpassing van de mens aan de wereld, aan het milieu, op. De geërfde eigenschappen worden langzamerhand zo omgevormd, dat de mens niet slechts in zich draagt wat hij van zijn ouders en voorouders geërfd heeft, maar dat hij ook open staat via al zijn zintuigen, door middel van zijn ziel en met zijn hele geest, voor de wereld van zijn omgeving. Anders wordt hij een mens die verstart tot een wereldvreemd wezen, een mens die slechts datgene wil wat in het verlengde ligt van zijn geërfde eigenschappen en die een tegenstelling vormt tot de wereld die hem omgeeft. De mate waarin hij anders vrede zou hebben met de wereld, wordt verminderd.
Men moet tot in de kleinste bijzonderheden kunnen waarnemen hoe in de eerste levensjaren van het kind de erfelijkheid in een innerlijke strijd gewikkeld is met de aanpassing aan de wereld.

Blz. 63   vert. blz. 64

Wenn man als erwachsener Mensch im Leben steht, weiß man oft­mals außerordentlich gut, was als Richtiges zu tun ist; man kann es aber nicht ausführen. Man fühlt nicht die Kraft dazu. Es ist manchmal dasjenige recht verborgen in dem Menschen, was ihn kraftlos macht gegenüber dem, was er tun soll. Eine wahre Menschenkenntnis ergibt dann, daß es der physische Organismus ist, der irgendwo so etwas sitzen hat, wie die Imitation der Sorge, die ich charakterisiert habe. Diese Imitation hat sich dem Organismus einverleibt; es ist eine gewohn­heitsmäßige Orientierung im Leben durch den physischen Organismus entstanden. Es kann aber der Fall eintreten, daß die Welt etwas von dem Menschen verlangt, das gar nicht seiner Organisation im Sinne der Sorge entspricht. Aber die ist durch den Verkehr mit dem Erzieher ent­standen. Man hat die Folge der in der Kindheit durch Nachahmung erworbenen Haltung des Sorgen-Organismus zu tragen. Man muß, wenn man Erziehungskunst ausüben will, in solch feine Zusammen­hänge des Lebens hineinschauen können.

Wanneer men als volwassen mens in het leven staat weet men vaak bijzonder goed wat juist is om te doen, maar men kan het niet uitvoeren. Men gevoelt niet de kracht daartoe. Soms is diep in de mens verborgen wat hem krachteloos maakt ten opzichte van hetgeen hij zou horen te doen. Ware kennis omtrent de mens leert ons dan dat er ergens in het fysieke organisme iets aanwezig is als die nagebootste zorg die ik gekenschetst heb. Deze nabootsing is een deel gaan uitmaken van het organisme; dankzij het fysieke organisme is een bepaalde levenshouding tot gewoonte geworden.
Er kan zich echter het geval voordoen, dat de wereld iets van de mens verlangt dat helemaal niet aansluit bij zijn innerlijke structuur, die zo in het zorgelijke ligt. Maar die is door de omgang met de opvoeder ontstaan. Men moet de gevolgen dragen van die in de kindertijd door nabootsing verworven houding van het zorgen-organisme. Men moet, wanneer men de opvoedkunst wil beoefenen dergelijke subtiele samenhangen in het leven kunnen doorzien. 

Blz. 65       vert. 66/67

Man muß ganz durchschauen, wie im ganz kleinen Kinde, ungefähr bis zu seinem 7. Jahre die Nerven-Sinnestätigkeit, rhythmische, At­mungs- und Zirkulationstätigkeit, Bewegungstätigkeit und Stoffwech­seltätigkeit überall ineinander wirken, aber so, daß die Nerven-Sinnestätigkeit das Beherrschende ist. Beim Kinde sind Atmungs-, Blutbewegungsrhythmus, Stoffwechseltätigkeit Vorgänge, die in ihrem Wesen nur durchschaut werden, wenn man in ihnen die Nerven-Sinnestätig­keit fortschwingend schaut.
Schaut das Kind ein Antlitz an, das sorgenvoll durchfurcht ist, so wirkt das zunächst auf das Kind als Sinneseindruck. Aber dieser springt über auf die Art seines Atmens, von da auf seinen ganzen Bewegungs- ­und Stoffwechselapparat.
Wenn man das Kind in dem Lebensalter nach dem Zahnwechsel zu erziehen hat, also ungefähr nach dem 7. Jahre, dann überwiegt in ihm nicht mehr das Nerven-Sinnessystem herrschend wie zuvor. Dieses sondert sich nunmehr von der anderen Körpertätigkeit relativ ab; es wendet sich mehr der Außenwelt zu. Es tritt mehr an die Oberfläche der physischen Organisation.

Men moet een goed inzicht hebben in hoe bij het zeer kleine kind, ongeveer tot het zevende jaar, de zenuw-zintuigprocessen, de ritmische processen, ademhaling en bloedsomloop, alles wat met de beweging te maken heeft en met de stofwisseling, wat hun werkzaamheid betreft steeds in elkaar overvloeien, maar dan zo, dat het zenuw-zintuigstelsel al het andere beheerst. Bij het kind zijn het ritme van ademhaling en bloedsomloop alsmede de stofwisseling, processen waarvan het wezen pas begrepen kan worden, als men ziet hoe het zenuw-zintuigstelsel daarin voortdurend beweging schept.
Wanneer het kind een van zorgen doorgroefd gelaat ziet, dan is dat voor het kind in de eerste plaats een zintuiglijke indruk. Maar deze slaat over op zijn manier van ademen, en van daar op zijn hele bewegingsapparaat en stofwisselingsstelsel.
Wanneer men een kind heeft op te voeden in de leeftijd van na de tandenwisseling, dus na ongeveer het zevende jaar, dan is in hem het zenuw-zintuigstelsel niet meer zo allesoverheersend als daarvoor. Dit scheidt zich nu verhoudingsgewijze af van de overige lichamelijke activiteiten en wendt zich meer tot de buitenwereld. Het is voortaan meer werkzaam aan de oppervlakte, aan de buitenkant van onze lichamelijke structuur.
GA 305/58-65
Vertaald /59-67  oudere vertaling gebruikt waardoor de bladzijnr. kunnen verschillen.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Over de werking van de omgeving op een kind: zie het ‘hersenvoorbeeld‘ in dit artikel.

Rudolf Steiner over spel in deze voordrachten: zie hier

Over de werking van tv op kleine kinderenopvoedingsvragen onder nr. 19  m.n. [19-10]

Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2166

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.