VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 2 (2-3)

.

Enkele gedachten bij blz. 33, 34, 35 in de vertaling van 1993.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA295) [3]

OVER DE WIL

Bij de opvoeding hoort – volgens Steiner – dat we bij de kinderen voorstellen, voelen en willen opvoeden. De drie verschijnigsvormen – vanuit psychologisch gezichtspunt – van de ziel. En deze als het vermogen om de buitenwereld tot innerlijke aangelegenheid te maken, deze innerlijk te beleven en het vermogen vanuit deze binnenwereld ‘naar buiten te komen’.

Een van de eenvoudigste uitingen van ‘wil’ is, dat wát je wil, nog geen realiteit is. Was het realiteit, dan kun je het niet meer willen. Dat speelt zich op verschillend niveau af. In voordracht vier zal Steiner nog dieper op de wil ingaan en deze in verschillende gradaties karakteriseren. Door alles heen speelt ‘verlangen, zin, lust, begeerte, honger, dit in willekeurige volgorde. Als echter het object van deze verlangens bereikt, aanwezig is, verdwijnt dit verlangen: bevrediging, tevredenheid is ervoor in de plaats gekomen. 

Er doen zich in het leven vele situaties voor waarin we als mens iets van hunkering beleven. In bovenstaand voorbeeld gaat het voornamelijk om ‘wil’ die met het fysiek-etherische leven te maken heeft; het kunnen echter ook gevoelens zijn met een sterk verlangen naar iets wat boven de instandhouding van de eigen persoon uitgaat: naar vrede, naar geluk voor de eigen kinderen, kleinkinderen.

Maar ook bij het voorstellen, speelt de wil een rol: uit het artikel over voorstellen: 

plannen maken, ontwerpen

Je wilt je keuken verbouwen. Daar sta je dan, te kijken, alles in ogenschouw te nemen. In gedachten breek je dit weg, plaatst dat, doet zus en zo. En aan je werktafel gaat dat nog even door. Je plant. We maken een plan en dat neemt steeds meer vorm aan. En hoewel er nog geen tegeltje losgekapt is, zien we al helemaal voor ons, hoe het gaat worden.

En dit is nu zo karakteristiek voor het denken. Wij zien „het“ voor ons. Ik stel de nieuwe keuken al helemaal voor me op. De voorstelling van de keuken is daar.

Maar met de „stoffelijke“ keuken is nog niets gebeurd! Ik hoefde in de bestaande keuken – de „aardse werkelijkheid“ – nog helemaal niets te doen, dan daar te staan of aan mijn tafel te zitten. In mijn denken gebeurde echter van alles: wikken en wegen: zal ik zus of zo? Het ene beeld door het andere vervangen, veranderen, kortom: ik dacht.

denken

Denken is in hoge mate een beweeglijke activiteit, die onstoffelijk (wel een realiteit, maar geen aardse) is. Preciezer: deze vorm van denken is het zich voorstellen, met een toekomstkarakter: min of meer zal het zus of zo gaan: voorstellen wordt zo „fantaseren“. Voorstellen heeft ook een verledenkarakter: wanneer ik me iets voorstel: voor de geest haal, wat ik eerder met fysieke zintuigen waarnam. komt het beeld weer in de herinnering, d.w.z. in mijn innerlijk. Bij beide gaat het om beelden. Voorstellen heeft beeldkarakter, zoals we al zagen. 

In mijn planning bij het maken van de keuken, heb ik met allerlei atrributen lopen schuiven, dit kastje daar, nee, toch maar hier enz. In werkelijkheid was er geen kastje om te schuiven en ik heb met mijn fysieke lichaam niets verschoven. Als ik bewoog en schoof, deed ik dat met de voorstellingsbeelden. Die bewogen.

Om de mens beter te leren kennen, heeft Steiner o.a. de indeling gegeven van denken – voelen – willen. Wanneer we daardoor bijv. denken en willen als tegenstellingen zien die weinig met elkaar van doen hebben, kan dat zeker tot een bepaald inzicht leiden; tegelijkertijd is de realiteit dat er in ‘het denken veel wil zit’, zoals bovenstaand voorbeeld laat zien. 
Het gaat dus bij een indeling steeds op wélk accent je wáár legt.

Evenals de voorstelling heeft ook de wil in filosofie en psychologie veel aandacht gekregen. Maar het is voor velen een lastig onderwerp gebleken.
Ook in deze tijd. Zelfs zo, dat aan de kant van de hersenwetenschap men er helemaal geen raad meer mee weet en dus maar de conclusie heeft getrokken dat – in ieder geval de ‘vrije’ wil – niet bestaat.

Ik denk dat je wel mag zeggen dat ook hier opvalt, dat aan de wil geen realiteit wordt toegekend. Dat echter, is volgens Steiner nu juist het karakteristieke van de wil.

Steiner:

Für sich selber hat der Wille zunächst einen eigentlichen Inhalt nicht. Nun ist es wiederum so, daß keine Definitionen da sind für den Willen; diese Definitionen sind beim Willen um so schwieriger, weil er keinen rechten Inhalt  hat.

Op zichzelf heeft de wil in eerste instantie niet een eigenlijke inhoud. En nu is het zo dat er geen definities van de wil bestaan; het is ook zo moeilijk om de wil te definiëren omdat hij geen echte inhoud heeft.

Door denken, voelen en willen ook fysiek te localiseren: in het hoofd, in de borst, in de ledematen, bestaat het gevaar – waar Steiner uiteraard zelf op wijst – dat de indeling een onvruchtbaar, dus geen weten van de mens, oplevert – dat je de wil niet opzoekt in het voorstellen, waar deze aanwezig is wanneer je ‘scheppend’ denkt. Bij de ‘planning van de keuken’ is dat duidelijk: allerlei voorstellingen – dat blijven ‘beelden’, worden met elkaar verbonden, gaan van het ene naar het andere: deze beweeglijkheid is op het fysieke plan alleen voorbehouden aan de ledematen!, maar manifesteert zich ook hier op onstoffelijk niveau. In het dagelijks spraakgebruik noemen we dit ‘uit’denken, dat iets anders is dan ‘na’denken dat je bijv. doet wanneer je bepaalde gedachten reproduceert. Dit uitdenken is een vorm van scheppend denken, van fantaseren.
Het voorstellende element erin is duidelijker dan het wilelement: dit laatste onttrekt zich bijna aan je beleving. Daaraan kun je in zekere zin het ‘ongrijpbare’ van de wil beleven. 

En…die planning heeft nog altijd geen concrete vormen aangenomen. Pas als we ‘de handen uit de mouwen steken’, wanneer de voorstellingen gerealisserd worden, trekt de wil zich a.h.w. een beetje terug uit het denken: de plannen zijn klaar en worden nu uitgevoerd, het accent komt te liggen op de uitvoering: op de activiteiten van de ledematen. 

Wanneer je aan de hand van dit voorbeeld zegt: de wil is het sterkst aanwezig vóór dat er ‘realisatie’ is, kom je in de buurt van wat Steiner verder over de wil zegt: hij is nog geen realiteit, hij is toekomst, hij is kiem:

Vorstellung auf der einen Seite, die wir als Bild aufzufassen haben; Willen auf der anderen Seite, den wir als Keim aufzufassen haben für späteres.

Aan de ene kant voorstelling die als beeld gezien moet worden; aan de andere kant de wil die als kiem gezien moet worden voor iets wat later komt.

De toekomst die nog geen realiteit is: voor of boven het reale uitgaat, wat Steiner ‘über-real’ noemt.

Wanneer we bij onszelf te rade gaan, kunnen we uit eigen ervaring ook voorbeelden vinden van wat ik hierboven en in het artikel over de voorstelling heb gezegd. Moeilijker wordt het weer als Steiner naar de grenzen van ons leven gaat: geboorte en dood. 
Op een bepaalde manier is er nog wel een ‘logische’ manier van denken te ontwikkelen die het aannemelijk maakt dat er méér is voor de geboorte en na het sterven. Maar wát daarvoor en daarna gebeurt, kan ik niet meer bedenken en dan gaat het weer om Steiners woorden ‘na’ te denken, proberen ‘in’ te zien. 

En zoals ik hier heb aangegeven, doe ik dat met een open blik. Niet als bewijs, maar als een wijzen op.

Het voorstellen koppelt Steiner aan een ‘iets’ wat vóór de geboorte realiteit is/heeft. Dan hoeft het geen verwondering te wekken dat het ‘iets’ wat na de dood realiteit is/heeft, de wil genoemd moet worden.

Dat toekomstkarakter, dat we wél kunnen zien in ons eigen leven, moeten we ‘verder’ denken, over de grens van de dood. Er zit ‘iets’ in de wil als impulskracht, als kiemkracht, die na de dood pas realiteit worden. Natuurlijk roept dat allerlei vragen op: waar ‘zit’ die kiemkracht dan, waar blijft die, wat en hoe wordt er na de dood werkelijk. 
Daarop kan ik geen antwoord geven en ik denk niemand, behalve dan met de woorden van Steiner zelf.
Waar dat van belang is, zal ik proberen daarvan wat aan te geven. 
Essentieel is natuurlijk hoe het in dit leven gaat en vooral wat wij met de inhoud doen in ons dagelijks werk met de kinderen: het gaat hier toch om pedagogie!

Dus: wat is de wil?

Steiner:

Er ist nichts anderes, als schon der Keim in uns für das, was nach dem Tode in uns geistig-seelische Realität sein wird. Also wenn Sie sich vorstellen, was nach dem Tode geistig-seelische Realität von uns wird, und wenn Sie es sich keimhaft in uns vorstelleii, dann bekommen Sie den Willen.

De wil is niets anders dan de kiem van hetgeen na de dood in ons naar geest en ziel realiteit zal zijn. Dus wanneer u zich voorstelt wat er van ons na de dood realiteit zal worden op het vlak van geest en ziel en wanneer u dat als kiem voorstelt, dan heeft u daarmee de wil.

In unserer Zeichnung endet der Lebenslauf auf der Seite des Todes, und der Wille geht darüber hinaus.

In de tekening eindigt de levensloop bij de dood; de wil reikt verder dan de dood.

(de woorden ‘wil’ en ‘kiem’ staan niet in de vertaalde uitgave, wel in de Duitse voordracht)

Wir haben uns also vorzustellen: Vorstellung auf der einen Seite, die wir als Bild aufzufassen haben vom vorgeburtlichen Leben; Willen auf der anderen Seite, den wir als Keim aufzufassen haben für späteres. Ich bitte, den Unterschied zwischen Keim und Bild recht ins Auge zu fassen. Denn ein Keim ist etwas Überreales, ein Bild ist etwas Unterreales; ein Keim wird später erst zu einem Realen, trägt also der Anlage nach das spätere Reale in sich, so daß der Wille in der Tat sehr geistiger Natur ist. 

We moeten het ons dus als volgt voorstellen: aan de ene kant de voorstelling, die als beeld gezien moet worden van het leven voor de geboorte; aan de andere kant de wil, die als kiem gezien moet worden voor iets wat later komt. Wilt u alstublieft goed letten op het verschil tussen kiem en beeld. Een kiem is na­melijk meer dan reëel, een beeld is minder dan reëel; een kiem wordt pas later realiteit – en draagt dus als aanleg de latere realiteit in zich — waaruit blijkt dat de wil inderdaad zeer gees­telijk van aard is.

Nun haben Sie in einer gewissen Weise das menschliche Seelenleben in zwei Gebiete zerteilt: in das bildhafte Vorstellen und in den keimhaften Willen; und zwischen Bild und Keim liegt eine Grenze. Diese Grenze ist das ganze Ausleben des physischen Menschen selbst, der das Vorgeburtliche zurück- wirft, dadurch die Bilder der Vorstellung erzeugt, und der den Willen nicht sieh ausleben läßt und dadurch ihn fortwährend als Keim erhält, bloß Keim sein läßt. Durch welche Kräfte, so müssen wir fragen, geschieht denn das eigentlich?
Wir müssen uns klar sein, daß im Menschen gewisse Kräfte vorhanden sein müssen, durch welche die Zurückwerfung der vorgeburtlichen Realität und das Im-Keime-Behalten der nachtodlichen Realität bewirkt wird; und hier kommen wir auf die wichtigsten psychologischen Begriffe von den Tatsachen, die Spiegelung desjenigen sind, was Sie aus dem Buche «Theosophie> schon kennen: Spiegelungen von Antipathie und Sympathie. Wir werden – und jetzt knüpfen wir an das im ersten Vortrage Gesagte an -, weil wir nicht mehr in der geistigen Welt bleiben können, herunterversetzt in die physische Welt. Wir entwickeln, indem wir in diese herunterversetzt werden, gegen alles, was geistig ist, Antipathie, so daß wir die geistige vorgeburtliche Realität zurückstrahlen in einer uns unbewußten Antipathie. Wir tragen die Kraft der Antipathie in uns und verwandeln durch sie das vorgeburtliche Element in ein bloßes Vorstellungsbild. Und mit demjenigen, was als Willensrealität nach dem Tode hinausstrahlt zu unserem Dasein, verbinden wir uns in Sympathie. Dieser zwei, der Sympathie und der Antipathie, werden wir uns nicht unmittelbar bewußt, aber sie leben in uns unbewußt und sie bedeuten unser Fühlen, das fortwährend aus einem Rhythmus, aus einem Wechselspiel zwischen Sympathie und Antipathie sich zusammensetzt.

Daarmee is het zieleleven van de mens in zekere zin in twee gebieden verdeeld: in het voorstellen — als beeld — en het willen – als kiem – en tussen beeld en kiem ligt een grens. Deze grens is de gehele werkzaamheid van de fysieke mens zelf, de mens die enerzijds het leven voor de geboorte terugkaatst en daar­door de beelden van de voorstelling doet ontstaan, en die an­derzijds de ontplooiing van de wil verhindert en deze daardoor voortdurend in de kiem houdt, alleen maar kiem laat zijn. We moeten ons nu afvragen door welke krachten dat eigenlijk ge­beurt.
Het moet ons duidelijk zijn, dat er in de mens bepaalde krachten moeten bestaan die bewerkstelligen dat de realiteit van voor de geboorte teruggekaatst wordt en de realiteit van na de dood in de kiem bewaard blijft. En hier komen we bij de belangrijkste psychologische begrippen van de feiten, die een spiegeling zijn van dat wat u uit Theosofie al kent: spiegelingen van antipathie en sympathie. We worden – en hiermee sluiten we aan bij de eerste voordracht** – geboren in de fysieke wereld, omdat we niet meer in de geestelijke wereld kunnen blijven. Wanneer we in de fysieke wereld komen, ontwikkelen we tegen alles wat geestelijk is antipathie, zodat we de geestelijke realiteit van voor de geboorte weerkaatsen met een ons onbewuste anti­pathie. We dragen de antipathiekracht in ons en veranderen daardoor het element van voor de geboorte tot een louter voor- stellingsbeeld. En door sympathie verbinden we ons met wat als realiteit van de wil na de dood uitstraalt naar ons verdere bestaan. Van deze twee dingen, sympathie en antipathie, wor­den we ons niet direct bewust, maar ze leven onbewust in ons als ons voelen; ons voelen bestaat uit een ritme, een voortdu­rende wisselwerking van sympathie en antipathie.

Over de sympathie en antipathie (nog niet oproepbaar)

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

**o.a. hier

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

.

Algemene menskunde: voordracht 2: alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

1502

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.