.
Walter Bühler, arts, Weledaberichten nr.152, dec. 1990
.
HET ADEMHALINGSRITME ALS PSYCHOSOMATISCH LEVENSPROCES
.
Het leven van de aardse organismen wordt door uiterlijke en innerlijke ritmen van allerlei soort gedragen en beheerst. Terwijl echter de planten volledig aan de periodieke afwisseling van de tijden van de dag en de jaargetijden zijn onderworpen, ontwikkelen de hoger georganiseerde levende wezens innerlijke ritmes die aan hen een steeds grotere onafhankelijkheid van het milieu en zelfstandigheid verschaffen.
Bij de gewervelde dieren en in het menselijk organisme heeft deze ontwikkeling met die van de wervelkolom en de borstkas tot in de structuur van de botten tot een eigen ritmisch systeem geleid. Dit omvat met hart en longen de twee centrale organen die door middel van de hartslag en de ademhaling het organisme doortrekken en in stand houden.
In het hierna volgende willen wij vooral aan de functie van de ademhaling aandacht besteden.
De ademhaling tussen levenswil en bewustzijnspool
Het ritme, dat het sterkst in ons leven ingrijpt, is de opeenvolging van waken en slapen. Dat bepaalt beslissend de wisselwerking van lichaam en ziel en is verwant met de ademhaling. Want bij het inslapen veranderen niet alleen de gecompliceerde fysiologische processen van de hersenschors, bijvoorbeeld in de zin van een soort “uitschakeling”, maar ook maakt het psychisch-geestelijke wezen zich vergaand los van het lichaam; het wordt in zijn bovenzinnelijke voorgeboortelijke oorsprong gebed. Bij het ontwaken betrekt de ziel dan weer het lichaam, wij “komen” letterlijk weer “tot ons zelf”. Er vindt – vanuit de totaliteit gezien – een ademhaling plaats tussen lichaam en ziel. Daarom kunnen wij, net zoals wij diep of oppervlakkig kunnen ademhalen, ook dieper of minder diep slapen. De diepte van de slaap kan men zelfs meten.
Maar ook bij de gewone aderademhaling, die de stofwisselingsprocessen aanvuurt en de uitwisseling van zuurstof en kooldioxide bewerkstelligt, hebben wij met een proces te maken dat door zielsprocessen op gang wordt gebracht en dat diep ingrijpt in het lichaam.
Zuiver fysiek bekeken kan men de functies van borstkas en longen met een blaasbalg vergelijken. Daarin kan alleen door de opgewekte onderdruk de omringende lucht worden opgezogen en door overdruk mechanisch worden uitgeperst. Maar de blaasbalg bij het haardvuur moet door een bezield wezen vanuit diens wil gericht worden bediend! Alle daarvoor nodige krachten zijn ook – op een primitief niveau – in het hoogst gecompliceerd gebouwde ademhalingsproces ingebouwd en actief. Zij werken evenwel in een instinct- en reflexachtig levensproces, aan het lichaam gekoppeld en dientengevolge onwillekeurig en onttrokken aan het bewustzijn. Daarbij kan men de ribben als gesublimeerde pijpbeenderen en de totale uiterlijke ademhalingsorganisatie met de twee lagen van de in- en uitademingsspieren als een gemetamorfoseerd ledematensysteem opvatten. Elk paar ribben, met gewrichten aan de daarbij behorende wervel bevestigd, lijkt op twee naar voren reikende armen, die alleen nog maar omhoog (inademing) en omlaag (uitademing) kunnen gaan. Net als in de hartspier is hier een gedeelte van onze onbewust blijvende levenswil actief, met behulp waarvan wij ons met elke ademhaling in het klein, a.h.w. voortdurend opnieuw en het organisme vernieuwend, belichamen.
Maar ook de bewustzijnspool met zijn zenuwzintuigprocessen heeft een wezenlijk aandeel in de ademhaling. In de neus met de toegangsopeningen voor de lucht zien wjj een bijzonder zintuig ingebouwd. De reuk maakt het mogelijk, de subtielste stoffelijke veranderingen van de lucht te registreren. De reukzenuwen monden rechtstreeks uit in de hersenen. Diep daarbinnen echter bevindt zich in de gedaante van het zogenaamde ademhalingscentrum een ander zintuig, de levenszin. Die controleert voortdurend het koolzuur- en zuurstofgehalte van het bloed, zodat van hieruit de ademhalingsdiepte gereguleerd en de ademhaling zelf op gang kan worden gehouden. Hoe belangrijk dit zenuw-zintuigproces is blijkt o.a. uit het feit, dat bij elke narcose er zorgvuldig op gelet moet worden, dat alleen de functies van de hersenschors, nooit echter de dieper gelegen, oorspronkelijke delen van de hersenen worden stilgelegd. Dit laaste zou ogenblikkelijk, tengevolge van een onmiddellijke ademstilstand, de dood van de patiënt betekenen.
Een spiegel van het menselijk organisme
Het wezenlijke van het ademhalingsproces blijft evenwel zijn ritmische verloop. Dit ontstaat zoals elk ritme vanuit een polariteit en bemiddelt tussen tegengestelde processen. In het onderhavige geval zijn dat de behoefte aan zuurstof van het organisme en de noodzaak om het stofwisselingsresidu kooldioxide uit te scheiden. Beide moeten met elkaar in evenwicht worden gebracht. Bij het opnemen van voedsel is er – psychisch gezien – altijd een zekere eetlust en sympathie voor de betrokken spijs nodig. Het opnemen van de zuurstof in de gedaante van frisse lucht kan men als een soort van gesublimeerde voeding zien. Voorts is voor elke inademing – onbewust – sympathiekracht nodig die de levenswil impulseert. De uitscheiding van de benauwende, met CO2 beladen lucht wordt daarentegen door aan het lichaam gebonden antipathiekrachten van het bezielde organisme droomachtig bewerkstelligd.
Daardoor echter blijkt het ademhalingsritme bij uitstek een psychosomatisch proces te zijn! Zijn door de levenswil (stofwisselingsdynamiek), gevoelens (de eigenlijke ritmische wisselwerking) en zintuigprocessen (aandeel van het zenuwstelsel) bewerkstelligde dynamiek is een spiegelbeeld van de driegeleding, het oerbeeld dat de grondslag is van het totale menselijke organisme.
Besturing door de wil
Het horizontaal uitgespannen middenrif is de grootste ademhalingsspier die als een koepel de ritmisch actieve organen van de borstholte anatomisch scheidt van de stofwisselingsorganen in de buikholte. Desondanks werkt de onophoudelijke beweging van het middenrif als een lichte eindeloze massage op de buikorganen: die is voor hun gezonde functie van betekenis. Er is echter nog een andere tussenzone die op een unieke manier bij de ademhalingsorganisatie blijkt en nog veel belangrijker schijnt te zijn. Dat is het grensgebied tussen de door het vegetatieve zenuwstelsel geleide onbewuste fysiologische processen en de bewuste, willekeurig bestuurde psychische activiteiten. Wij kunnen immers, als we wakker zijn, te allen tijde bewust ingrijpen in onze ademhaling, iets wat bij de hartslag niet mogelijk is. Dat gebeurt bijvoorbeeld als wij merken dat iets vies ruikt en we onze adem inhouden of wanneer we door te hoesten een kruimel die in “het verkeerde keelgat” is geschoten willen kwijtraken. De hoest wordt veroorzaakt door de overmatige prikkeling van het slijmvlies van de luchtpijp, d.w.z. door een te sterk zintuigproces. Dit wordt via de totale afsluiting van de luchtpijp en de stembanden van het strottenhoofd en de dientengevolge ontstane stuwing tot een explosieve uitademing, waarbij windkrachten als van een orkaan zijn gemeten. Zo’n radicale ingreep, die een volledige onderbreking van het ademhalingsritme betekent, heeft evenwel een zinrijke, en in zeker opzicht therapeutische functie die ook bij het ophoesten van slijm bij een bronchitis nuttig is. Bij de kink- of krampachtige hoest ontstaat daarentegen een echt ziekteproces. Hier grijpen de in het lichaam verankerde zielekrachten evenals bij astma te diep in het lichaam in; zij klampen zich a.h.w. daarin vast.
Klankvorming en taal
Wij benaderen aan de bovengenoemde grens een “openbaar geheim”, dat het probleem van krenking en de mogelijkheid van een ontwikkeling omvat. Dat wordt ons bewust, als wij het spinnen van een zich prettig voelende kat, het blaffen van een nijdige hond of het gefluit van een zangvogel horen. De eerst verborgen, immers geheel aan het lichaam gekluisterde zielenkrachten openbaren zich op deze veredelde trede van hun activiteit in de klanken van het bezielde organisme en verschaffen ons – zintuigelijk waarneembaar – een toegang tot het diepste innerlijk. Doordat de mens niet alleen – klinkers uitend – zielenstemmingen, maar uit zijn brein ontspruitende voorstellingen en gedachten in de uitademing hoorbaar maakt, wordt de klankvorming tot taal. Dit komt tot stand als de ademstroom aan het verhemelte, door de tong, tanden en lippen wordt gestuwd en gestuurd. Het resultaat zijn de medeklinkers. Door bewust te kunnen ingrijpen in de ademhalingsorganisatie ontstaat een nieuwe, hoogste vaardigheid.
Dit is onontbeerlijk voor de geestelijke verbinding met onze medemensen. Zonder de – hoewel steeds voorbijgaande – “storing” van het normale ademhalingsritme zou die niet hebben kunnen ontstaan. Uit de beschreven ontritmisering wordt echter bij de klankvorming en het spreken in de subtiele ritmen, die de basis van toon en klank zijn, een hogere ritmiek geboren. Nooit echter zou de geest-ziel van de mens via de ademwegen haar innerlijk leven kunnen openbaren, als niet de daarmee verbonden fundamentele levensfuncties en organen reeds met de beschreven opbouwende
zielenkrachten doordrongen en er door gevormd waren. Zij werken ook in het dierlijk organisme en openbaren zich bij de verscheidene diersoorten op de meest uiteenlopende manieren. De totaliteit ervan wordt in de antroposofische menskunde dientengevolge ook zielenlichaam (of astraallichaam) genoemd.
Kosmologische gezichtspunten
Ten slotte willen wij nog op een kosmologisch gezichtspunt m.b.t. het ademhalingsritme ingaan. Nieuwe onderzoekingen bevestigen, dat de gezonde mens gemiddeld 18 ademhalingen per minuut volbrengt. Vermenigvuldigd met 60 (minuten per uur) en 24 uren levert dit 25920 ademhalingen per dag op. Dat is hetzelfde getal, dat de zonnejaren in het majesteitelijk – langzame verloop van het lentepunt door alle 12 sterrenbeelden van de dierenriem in het zogenaamde platonische wereldjaar samenvat.
Zo’n intellectuele rekensom plaatst ons voor de vraag of wij hier te maken hebben met alleen maar een analogie. De moderne astronomie immers, die
slechts de buitenkant van de kosmos grondig onderzoekt, levert ons niet de geringste aanknopingspunten om een werkelijk verband van dit menselijke met het omvattende kosmische ritme te vinden.
Voor de mensheid uit de voorchristelijke tiid evenwel, die de mens als microkosmos een bezielde en van het goddelijke doortrokken macrokosmos zag, was deze samenhang een reële, bovenzinlijke ervaring. Vooral in het oude India trachtte men door meditatie in de vorm van doelgerichte ademhalingsoefeningen de beschreven grens tussen het onbewuste en het bewuste te benaderen. Men was zich van de betekenis hiervan ten volle bewust, beleefde klank- en woordvorming nog als een uitdrukking van mantrische scheppende krachten en kon de onbewuste zielenkrachten beseffend ervaren. Ook hier was het zaak – a.h.w. in omgekeerde richting zoals bij het opbloeien van de klanken – een nieuwe vaardigheid, n.l. bovenzinlijke waarneming te ontwikkelen. Een bijzondere bemiddelaar was het fysiologische feit, dat bij elke ademhaling het ruggemergsvocht naar de hersenen als de drager van het voorstellingsleven omhoog en omlaag stroomt. Het veranderde, als een morele scholing en bewuste besturing hierin werden betrokken.
Het alleen maar fysieke inhaleren van de lucht werd op een hogere trede tot inspiratie, d.w.z. bovenzinlijke ervaringen waren de vrucht daarvan. Bij die bewustzijnsverwijding werden de lichaamvormende zielenkrachten niet alleen als zodanig beleefd, maar tegelijkertijd besefte men hun oorsprong vanuit de kosmos. Planeten en sterrenbeelden zag men als een uiting van het innerlijk van de sterrenhemel. De krachten die het ijzer in de ademhalingsorganisatie betrekken bracht men bijvoorbeeld met de “sfeer” van de planeet Mars in verband. In een oude mysteriespreuk is er dientengevolge sprake van “het scheppend weerklinken van Mars”.
In de kring van de dierenriem beleefde men de uiting van de schepping bezielende, dus diervormende of astrale (uit de sterrenwereld stammende) krachten. De uit het wereldjaar ontspruitende maat van het normale ademhalingsritme was een inspiratieve ervaring en werd tot een niet te betwijfelen zekerheid. Om misverstanden te voorkomen moet evenwel uitdrukkelijk erop worden gewezen, dat de hiervoor genoemde oeroude ademhalingsoefeningen uit India absoluut niet meer geschikt zijn voor de huidige westerling. Diens bewustzijnskrachten hebben zich naar het hoofd als zetel van het ik-bewustzijn en van het logische en oordeelvormende denken verplaatst.
Een moderne scholing van de bewustzijnsverruiming door meditatie zoals die in Rudolf Steiners “De weg tot inzicht in hogere werelden?” is beschreven, moet daarom beginnen in het wakende voorstellingsgebied. Pas in de tweede plaats komen via de innerlijke rust, de overgave en de verering, gevoelens aan de orde die de basis zijn van het ritmische systeem.
Het voor onze tijd geldende besef van de geestelijke wereld, zoals de antroposofie dat brengt, kan dan ook op het diepere wezen van het waak-slaap ritme en de relatie daarvan met de ademhaling wijzen, zoals in het begin van deze beschouwing werd aangeduid.
Het menselijk leven – een werelddag
Uit dit verband blijkt de kosmische maat van het mensenleven op aarde. 25920 dagen of “ademhalingen van waken en slapen” omspannen een tijdsruimte van rond 70 jaar. In het Platonische wereldjaar, waarin een wereldmaand 2160 jaren duurt – zolang beweegt het lentepunt zich in een bepaald sterrenbeeld – duurt een werelddag 72 jaren. 25920 gedeeld door het kosmische getal 360 levert de tijdsruimte op waarin het lentepunt 1° verder gaat. Vanzelfsprekend sluit ook hier de kosmische maat van het menselijke leven de door de individuele situatie van het lot veroorzaakte veranderingen niet uit. Maar toch zien wij, dat ons aardse leven kan worden gezien als één grote ademhaling.
Bij de belichaming van de menselijke geest, die als zodanig in het dierenrijk niet bestaat, spreken wij van een incarnatie, letterlijk: de vleeswording van de geest. Ons ik verschaft zich met moeite een toegang in het eerste derde deel van het leven: de organische basis die door de erfelijkheid wordt aangereikt. Met het begin van het ouderdomsproces, dat zichtbaar wordt door de menopauze van de vrouw of de eerste grijze haren maken wij ons allengs los van het lichaam. Dit proces, dat is verbonden met een rijping van het vrij wordende ik-wezen, bereidt de uiteindelijke losmaking voor die zich in het sterven voltrekt.
Wie leert, het menselijke leven als een grote ademtocht tussen lichaam en geest-ziel in een kosmisch verband te beseffen, verovert zich niet alleen een nieuw levensgevoel, maar staat tevens voor de vraag, of niet ook hier een gebeuren zichtbaar wordt, dat zich in een ritme zou kunnen herhalen. Met deze vraag, die van de voorstelling van de in- en excarnatie naar de mogelijkheid van de reïncarnatie leidt, willen wij deze beschouwing beëindigen.
.
Ritme: alle artikelen
Menskunde en pedagogie: alle artikelen
.
448-417
.