Tagarchief: wereldbond voor vrij onderwijs

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (7)

.

 

SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

                        uit/in het archief

Tijdens de oprichting van de eerste vrijeschool in Stuttgart sprak Rudolf Steiner verschillende keren over een ‘Weltschulverein’. m.n. in GA 300A en 300B (nog) niet op deze blog vertaald)

In Nederland hield Hans-Peter van Manen zich daarmee bezig.

Lang voordat er in 1996 sprake was van problemen ontstaan door de behandeling van rassen in een 8e klas, belicht van Manen o.a. de rassen in het kader van deze ‘Weltschulverein.

Het artikel verscheen in een blad, Forum Internationaal, berichtenperiodiek van de Internationale Vriendenkring ter ondersteuning van Rudolf Steiners pedagogische en sociaal-pedagogische impulsen,
onder redactie van o.a. Paul de Roo, Paul Vink, Peter Clgnett, Marianne Veltman, Michiel Wijnbergh en onderscheidde zich door een reeks belangrijke artikelen.
Helaas bezit ik die niet meer, behalve deze, uit jan/feb. 1977/78

De ‘Weltschulverein’

het rassenvraagstuk en de eenheid der mensheid

Door Hans Peter van Manen – als leraar geschiedenis/maatschappijleer en Nederlandse literatuur – verbonden aan de Vrije School in Den Haag, werd er ook dit keer weer – evenals in Den Haag ’75 en Basel ’76 – op verzoek van de voorbereidingsgroep, in Stockholm gesproken over het thema ‘Weltschulverein’ (zie tevens f.i. nr. 2, blz. 9 t/m 12). Op zeer indrukwekkende en geniale wijze – 2-talig – wist hij in deze voordracht de in de 20-er jaren door Rudolf Steiner gegeven ‘Weltschulvereinsimpuls’ in samenhang te brengen met niet alleen de volkerendifferentiatie, maar tevens het rassenvraagstuk. Een nieuwe en wijdste dimensie van deze zoveelomvattende impuls, werd daarmee aan het licht gebracht.

Wij vonden hem bereid de inhoud van zijn voordracht voor ‘forum’ in een artikel weer te geven.

Volkenbond of ‘Weltschulverein’?

Toen de 20e eeuw begon, leefde in brede kringen de hoop, dat deze eeuw de eenheid der mensheid zou brengen. Deze hoop was gebaseerd op de steeds grotere prestaties in de techniek. En toen kwam als een diepe schok de le Wereldoorlog 1914-1918. Toch vatten daarna zeer velen weer hoop, toen in de zomer van 1919 bij het vredesverdrag van Versailles de Volkenbond in het leven werd geroepen. (De Volkenbond was de directe voorloper van de in 1945 gestichte V.N.). Zijn belangrijkste taak was het verzekeren van de wereldvrede. Later, in de jaren ’30, is dit een tragische illusie gebleken. In die tijd echter, 1919 en begin jaren ’20, geloofden velen, dat deze Volkenbond de eerste stap was op weg naar de eenheid der mensheid. Niet aldus Rudolf Steiner. In 1919 werd ook de Freie Waldorfschule in Stuttgart opgericht. Het zou natuurlijk wijs geweest zijn en voor de hand gelegen hebben om alle beschikbare krachten te gebruiken om dit nieuwe kiempje eerst maar eens een tijdje lang tot een zekere stabiliteit en kracht te laten groeien. Het was dan ook heel verrassend, dat Steiner al precies een jaar later, herfst 1920, toen de school nog midden in de beginmoeilijkheden was, aankondigde, dat er op korte termijn een wereldbeweging moest ontstaan. Een wereldbeweging om de nieuwe pedagogie en het streven naar een vrij geestesleven in alle werelddelen uit te zaaien.Voor deze door hem verlangde wereldbeweging improviseerde Steiner de voorlopige term ‘Weltschulverein’. Op de eerste leerlingen- en oudleerlingenconferentie van 1975 in Den Haag formuleerden wij de naam ‘Wereldbond voor vrij onderwijs’. (Weltbund für ein freies Bildungswesen – World League for Free Education).

Steiner verwachtte zeer veel van de op te richten bond. Niet zo iets ouderwets en diplomatieks als de Volkenbond, nee, de Weltschulverein zou de eenheid van de mensheid kunnen verwezenlijken! De Weltschulverein, dat zou pas de echte Volkenbond zijn…

Van de oprichting van een Weltschulverein is helaas nooit iets terechtgekomen. Hij had veel voor de mensheid kunnen betekenen. Maar de eenheid der mensheid? Een omvattender doel, een hogere verwachting is nauwelijks denkbaar en dan nog wel voor een nog niet bestaande menselijke organisatie! Zijn wij hier niet in de sfeer van schone illusies en luchtkastelen terechtgekomen? Of is er ook een reële gezichtshoek, van waaruit deze wereldschoolunie als wegbereider van een verenigde mensheid gezien kan worden?

Het versplinterde ideaal der goden

Zal de mensheid ooit een echte eenheid worden? Laten we een kort ogenblik deze vraag van de verre toekomst op het verre verleden richten: Was de mensheid oorspronkelijk ooit een eenheid? De scheppingsmythen der volkeren beantwoorden deze laatste vraag bevestigend. Het duidelijkst, ook het meest dramatisch, doet dat de Perzische mythe van de hemelse oermens. Toen de goden, die in alle licht en in het bijzonder in de zon werkzaam zijn, de hemelen hadden geschapen, bekroonden zij hun werk met de schepping van het laatste en schoonste wezen. Deze tot slot geschapen zoon der goden rustte als een stralende gestalte, als een hemellichaam in de waarste zin des woords, in de godenwereld. Dit voelden de machten van de duisternis en van het boze als een uitdaging. Zij waagden uit hun diepten een stormaanval op het rijk der goden. Voor deze aanval werd afgeslagen, lukte het de boze machten het hemelse mensenwezen te overrompelen. Zij scheurden het in stukken. Deze vele stukken zonken in de diepte. Door hun goddelijke herkomst hadden deze fragmenten toch een onverwoestbare levensvatbaarheid. Er gebeurden dus twee dingen. De oorspronkelijk ene Mens werd tot een menigvuldige veelheid – gesplitst in vele individuen, in man en vrouw, in volkeren, rassen enz. En in de tweede plaats werden de mensen tot aardse wezens.

Veel elementen van deze vrij en kort weergegeven mythe worden bevestigd en verklaard in Rudolf Steiners antroposofie. Dat geldt in het bizonder voor de verdeling van de mensheid in rassen.

De ontoereikendheid van een juist principe

Wie vandaag de dag op een serieuze manier over mensenrassen en hun verschillen spreekt, maakt zichzelf al gauw verdacht. Dit is begrijpelijk, meer nog, het is terecht. We hoeven alleen maar Hitler te noemen. De allergruwelijkste misdaad der wereldgeschiedenis, het uitmoorden van de Joden, is helemaal uitgegaan van deze man en zijn rassenwaan. Toen, na de 2e Wereldoorlog, laaide in de V.S. en meer nog in en rond Zuid-Afrika de strijd op om discriminatie van de zwarten door de blanken. De Zuidafrikaanse apartheidsideologie heeft een protest opgeroepen, dat nog steeds aanzwelt. Niet alleen in de V.N. en in de politieke wereld maar ook in de wetenschap heerst nu de mening, dat er eigenlijk geen mensenrassen bestaan. Natuurlijk zijn er duidelijke nuances in de wereldbevolking, die enigszins op rassenkenmerken lijken. Maar goedbeschouwd zijn deze kenmerken allemaal zuiver uitwendig – voornamelijk de huidskleur -en bovendien zijn ze relatief. Tussen gele en blanke en tussen gele en bruine volkeren zijn de overgangen zo geleidelijk, dat het niet eens mogelijk is om duidelijke grenzen tussen de rassen te trekken. Dus, van rassenverschillen in eigenlijke zin kan volgens de heersende opvatting geen sprake zijn. Alleen de mensheid als geheel is een ras in de biologische zin van het woord. Mensen die desondanks beweren, dat er wezenlijk verschillen tussen de mensenrassen bestaan, zijn wetenschappelijk gesproken amateurs en knoeiers. Zij zoeken alleen maar naar argumenten om de superioriteit van het eigen ras te bewijzen. In de meeste gevallen gaat het om de beweerde superioriteit van het blanke ras. In de 2e Wereldoorlog hebben ook de Japanners rassenpretenties in het geding gebracht.

Met andere woorden: wie in rassen differentieert, doet dat, bewust of onbewust, om racistische redenen. Differentiëren is discrimineren.

In deze formule kan de tegenwoordig heersende mening worden samengevat. Deze beantwoordt helemaal aan het ideaal van de gelijkheid. In de grond van de zaak zijn alle mensen gelijk. De sociale werkelijkheid moet met deze gelijkheid in overeenstemming worden gebracht.
Nu is het algemeen bekend, dat de mensheid praktisch gesproken nog erg ver van deze gelijkheid verwijderd is. Er zijn nog steeds verregaande, ja zelfs toenemende verschillen in welvaart en culturele ontwikkeling. Maar deze verschillen berusten volgens de heersende mening niet op biologisch-raskundige maar uitsluitend op sociale oorzaken.

Wanneer wij nu de wereldsituatie van 1977 bekijken, dan valt direct op wat de pijnlijkste ongelijkheid is. Een diepe kloof verdeelt de mensheid, niet meer in oost en west maar in noord en zuid, rijk en arm. Aan de ene kant staan de z.g. ontwikkelde landen van het noordelijk halfrond; hun rijkdom berust op techniek, organisatie en een door en door gespecialiseerd onderwijs- en opleidingsstelsel. In het andere kamp staan de arme ontwikkelingslanden van het zuiden met hun gebrek aan technologie. Deze kloof is – naast het vervuilingsgevaar – het klemmendste probleem van onze tijd.

Als wij nu echter deze tegenstelling Noord-Zuid in het licht van het rassenvraagstuk bekijken, kunnen wij een schokkende ontdekking doen. Welke zijn nu precies de ontwikkelde rijke landen van het noorden? De V.S., West-Europa, Oost-Europa, de Engels sprekende landen buiten Europa, Zuid-Afrika, Israël – allemaal behoren zij tot het blanke ras! De enige belangrijke uitzondering aan deze kant is Japan.

En wie vormen de arme zuidelijke meerderheid van de wereldbevolking? Azië met zijn bruine en gele volkeren, het zwarte Afrika, Latijns-Amerika met zijn rood, zwart, blank gemengde bevolking. (De Arabieren kunnen zowel geografisch als volkenkundig wat hun uiterlijke ontwikkelingspeil betreft half en half als overgangsstadium gezien worden. Hetzelfde geldt voor Perzië en Turkije). Over het grote geheel bezien is het onmiskenbaar: ontwikkelingskloof en rassentegenstelling vallen samen; tegenover het rijke, blanke noorden staat het arme gekleurde zuiden.

Is het nu ten aanzien van deze schokkende constellatie verantwoord om de rassenverschillen niet te willen zien? Of is het misschien toch mogelijk om op een rechtvaardige manier tussen rassen te differentiëren zonder te discrimineren?

Rassen en planeten

Antroposofisch-geesteswetenschappelijk gezien is dat inderdaad mogelijk en zelfs noodzakelijk. In Steiners visie belichamen de vijf hoofdrassen vijf verschillende aspecten van het oorspronkelijk ene wezen der mensheid. Dus ook hier komt de mensheid als geheel op de eerste plaats. Ieder verschil moet als ondergeschikt gezien worden aan het belang van de hele mensheid. Maar verschillen zijn er heus niet alleen aan de oppervlakte van de huid. Want de rassenmerken zijn heel diep verankerd.

Dat laatste blijkt al direct in de praktijk, zodra je ras en volk als begrippen met elkaar vergelijkt. Dat er veel verschillende volkeren bestaan, wordt tegenwoordig niet meer tragisch gevonden. Verschillen in taal en gewoonte brengen kleur en variatie in het internationale contact. Rassenverschillen daarentegen ontladen zich meestal in emotionele, dramatische conflicten. Waarom? Hoe beleven wij onszelf als volk en hoe als ras? Wij voelen ons als een volk, we spreken van ‘nationaal gevoel’. Gevoelens zijn half bewust, half onbewust. Dat is met het ras niet zo. Wij gebruiken de term rasseninstinct. Wat zijn instincten? Dat zijn de wortels waarmee onze geest en onze ziel in ons lichaam verankerd zijn. Zij horen helemaal tot het onbewuste. Wanneer instincten uit de onbewuste diepten plotseling in het bewustzijn staan, gebeurt er iets dat op een vulkaanuitbarsing lijkt: vurige substanties barsten tevoorschijn, kunnen op geen enkele manier beteugeld worden en richten verwoestingen aan.

Waardoor, zo moeten we vragen, is deze tragische splitsing van de mensheid in rassen veroorzaakt. In beeldvorm geeft de mythe van de hemelse oermens een antwoord op deze vraag. Nadere bijzonderheden zijn te vinden in Steiners evolutieleer en wel speciaal in zijn werk over de volkszielen. (Der Mission einzelner Volksseelen GA 121). (Niet vertaald)

Bij de schepping van de mens is een veelheid van geestelijke wezens betrokken geweest. De belangrijkste van deze machten werkten vanuit de geestelijke sfeer van de zon en zijn later ook als zonnegoden vereerd. De werking van deze zonnewezens was en is er altijd op gericht, dat steeds de hele mensheid het doel is. Zolang alleen deze zonnewezens de toon aangaven, bestond er alleen maar één mensenras. Op een zeer vroeg prehistorisch moment grepen ook andere wezens in.
Dit was het begin van het Atlantische tijdvak.

De aarde zelf, de mens en alle natuurwezens waren toen nog veel plastischer dan nu. De wezens, die nu ingrepen, hadden niet helemaal het hoge niveau en bij lange na niet de harmonische veelzijdigheid van de zonnewezens. Hun eveneens diepgaande werkingen waren eenzijdig. Kosmisch gezien werkten zij vanaf de vijf planeten: Saturnus, Jupiter, Mars, Venus, Mercurius. Deze planetenkrachten doordringen de aarde en de natuur overal. Maar iedere planeet heeft op een bepaald gebied van het aardoppervlak zijn zeer speciale invloedsfeer. Dat wil zeggen: er zijn gebieden, waar de kracht, die van de aarde zelf uitstraalt, de werking van een bepaalde planeet terugkaatst. Het is te vergelijken met de straling van de zon op een sneeuwlandschap. De sneeuw houdt de zonnestralen tegen, kaatst ze terug. Mensen, die zich in zo’n gebied bevinden, zijn dan extra blootgesteld aan de werking van de zon, van boven en van beneden, zij worden dubbel bruingebrand. Min of meer op eenzelfde manier werken de vormende krachten van een planeet dubbel zo sterk in dat gebied van de aarde waar ze worden teruggekaatst. Enkele voorbeelden. Amerika is het gebied van Saturnus. Saturnus wordt in de Grieks-Romeinse mythologie voorgesteld als een grijsaard met lange baard. Van alle zichtbare planeten beweegt Saturnus zich het voorzichtigst, langzaam gaat hij vooruit, telkens keert hij weer een eindweegs terug. De Indianen, het ‘rode’ ras, is ontstaan onder de inwerking van de krachten van Saturnus. Dat komt o.a. tot uitdrukking in het feit, dat de Indiaan al heel vroeg, kort na het volwassenworden, oude gezichtstrekken vertoont; de peinzende heldere blik, de strak gesloten mond en de vele rimpels en rimpeltjes. Als ras toonden de Indianen aan de ene kant een onovertroffen hardnekkige taaiheid, maar aan de andere kant een heel geringe vitaliteit. De ontmoeting met het binnendringende blanke ras was tegelijk het hoogtepunt en het einde van hun bestaan, het werd hun doodsstrijd waarin zij hun grootste heldhaftigheid ontwikkelden.

In Afrika ligt het centrum der Mercuriuskrachten. Mercurius is de schalkse jeugdige god met het korte krullende haar. Zijn planetenbaan toont, vanaf de aarde gezien, een veelzijdige bewegelijkheid. Kwikzilver is zijn metaal. Onder zijn invloed is het zwarte ras ontstaan. De Negers hebben van alle rassen de grootste vitaliteit. Een spelende groep negerkinderen is het kwikzilver: als ronde speelse druppeltjes uit elkaar stuivend om direct weer tot één onbewegelijke eenheid samen te vloeien. Zoals bij de indianen de ouderdom de karakteristieke levensfase is, zo bij de negers de kinderleeftijd.

Nu wordt juist deze vaak gesignaleerde kinderlijkheid van de negers gauw op een discriminerende manier misbruikt. ‘Het zijn maar kinderen!’ Het onrechtvaardige daarbij is, dat een eigenschap, die geldt voor de verschijningsvorm van de groep automatisch op het innerlijke peil van alle daarbij horende individuen wordt betrokken. Bovendien ontwikkelt het individu zich vaak boven zijn groep uit. Ook zouden de vertegenwoordigers van het blanke ras en van de christelijke beschaving het Christuswoord in gedachten mogen houden:‘Indien gij niet wordt als de kinderen…’ Wie b.v. de Bantoevolken van Zuid-Afrika ook maar enigszins kent, kan de indruk krijgen, dat in het kinderlijke zwarte ras ongelooflijk belangrijke toekomstreserves sluimeren, reserves die misschien eens onontbeerlijk zullen blijken te zijn voor het voortbestaan van de mensheid.

In Centraal-Azië werken de krachten van Mars. Daar is het gele ras ontstaan. Het is vanuit die streken van Oost- en Zuidoost-Azië getrokken, waar het ook andere invloeden heeft opgenomen. Verder zijn duidelijke sporen van Marswerkingen te vinden bij volkeren als de Hunnen en de Turken, die niet tot het gele ras behoren maar zich wel later in Centraal-Azië hebben opgehouden.

In Zuidoost-Azië stond de wording van het bruine, Maleise ras in het teken van Venus. In de verfijnde sierlijkheid van ledematen en bewegingen openbaart zich het esthetische karakter van de planeet der schoonheid.

Europa is het gebied van Jupiter. Hij werd afgebeeld als een man met golvend haar en volle baard, niet jong, niet oud maar in de kracht van zijn leven. Hij is de heerser onder de goden door zijn heldere overzicht en door bliksem en donder, die hij in zijn hand houdt. Dit zijn precies de eigenschappen, waarmee het blanke ras zijn heersende positie in de wereld veroverd heeft.

Er zijn dus inderdaad punten, waarop het blanke ras een zekere superioriteit heeft…of had. Want op het ogenblik lijkt het erop, dat geen ras zo energiek aan de eigen decadentie en de eigen ondergang werkt als juist het blanke ras.

Rassen en temperamenten, een vergelijking

Is het nu discriminerend om op zo’n manier tussen de rassen te differentiëren? In het vrijeschoolonderwijs wordt ook gedifferentieerd en wel in temperamenten. Bedoeld zijn de vier klassieke temperamenten, waarmee vooral in de basisschooljaren rekening wordt gehouden: melancholisch, flegmatisch, sanguinistisch, cholerisch. Èen klas, waar een van deze vier niet vertegenwoordigd is, is eigenlijk incompleet.

Nu zou een theoretische buitenstaander makkelijk kunnen zeggen: ‘Dat is onrechtvaardig. Alle kinderen zijn in principe gelijk. Allen hebben recht op dezelfde behandeling’. Wie in de praktijk staat, weet dat de werkelijkheid vaak precies het tegendeel verlangt. Een kind komt tekort, als het niet in zijn temperament wordt opgevangen. Wij nemen als voorbeeld het meest uitgesproken temperament, het cholerische. Hoewel het inderdaad zeer uitgesproken is – driftig, soms met een aanleg tot razernij – kan men tegenwoordig, althans in Nederland, vaak het volgende beleven.

Het gebeurt helaas vrij vaak, dat kleine kinderen door allerlei omstandigheden, al lang voor zij schoolkind geworden zijn, te weinig moederlijke en menselijke warmte gekend hebben. Bij een cholerisch aangelegd kind heeft dit tekort aan warmte vaak het gevolg, dat zijn innerlijk vuur helemaal terugzakt. Hij of zij maakt dan een doffe broedende indruk. Als het, vaak in de loop van de basisschooltijd, op een vrijeschool terecht komt, blijft ook daar de choleriek vaak onzichtbaar. De leerkrachten zeggen, dat het melancholisch is of flegmatisch of allebei of ‘dat het niet helemaal duidelijk is’. Alleen de stevige lichaamsbouw verraadt nog wel eens de verborgen cholericus. Maar wanneer het temperament niet wordt herkend en gewekt, kunnen de gevolgen hoogst ongelukkig zijn. Het kind groeit dan met zijn diepste wezen niet met de school en met het leven samen. Hij blijft enigszins een buitenstaander en hij blijft achter bij de anderen!

Wat voor de temperamenten geldt, geldt ook voor de rassen. Zoals de vier temperamenten de klas pas tot een geheel maken, zo vormen de vijf rassen samen pas de hele mensheid. Helaas ligt deze harmonie der rassen nog in de toekomst verborgen. De wereld worstelt zelfs in toenemende mate met verschijnselen van rassenongelijkheid. Hoe kunnen die overwonnen worden?

In ieder geval niet met politieke middelen. Het rassenrpobleem is in de grond van de zaak geen politiek probleem, ook al ontlaadt het zich in vele politieke conflicten. Dat wil dan ook niet zeggen, dat er in zuidelijk Afrika geen politieke verandereingen nodig zijn. Zulke veranderingen in de politieke sfeer, d.w.z. op rechtsgebied, zijn zelfs dringend nodig. Maar verbeteringen op rechtsgebied zullen de diepere lagen van het probleem niet raken. De verschillen tussen de rassen zijn geestelijk, psychisch van aard. Door de genoemde ingreep der planetengoden zijn deze geestelijke verschillen a.h.w. in het lichamelijke doorgeschoten.

Een dergelijk complex van geestelijke en lichamelijke eigenschappen kan eigenlijk alleen maar via de pedagogie worden aangepakt. Net als de temperamenten moeten ook de rassen ieder hun eigen pedagogiek krijgen. Dit kan vanuit de vrijeschoolpedagogie, c.q. de pedagogie van Rudolf Steiner gebeuren, eigenlijk alleen vanuit die hoek. Waarom? En hoe?

In de beginjaren van de Stuttgarter Waldorfschool ontwikkelde Rudolf Steiner het leerplan. In dit leerplan leeft het ware beeld van de mens, dat de goden bij de schepping voorzweefde. Dit mensenbeeld wordt nergens in poëtische woorden verheerlijkt, maar het straalt uit iedere verfrissende practische aanwijzing. In dit beeld leven de krachten van de opstanding. Want de opstanding van Christus, bijna 2000 jaar geleden, betekende de heroprichting van het oorspronkelijke mesenwezen in zijn veelzijdige zuiverheid. Deze doorwerking van de opstanding zoekt steeds nieuwe vormen. Het leerplan kan dan ook niet als iets gefixeerds beschouwd worden. In Steiners leerplanaanwijzingen is alles voorbeeld. Wie ermee werkt, moet de levende wetmatigheid van ieders leeftijd herkennen -wat niet makkelijk is – om er zelf creatief mee te worden.

Het leerplan en het daarin levende mensbeeld zijn werkelijk niet alleen voor Europa en voor de blanke mensheid bedoeld! De mensheid van andere werelddelen heeft er misschien nog wel dringender behoefte aan. Verkennende contacten met India en met Afrika zijn er al geruime tijd. Maar er zouden op korte termijn eigen vrije scholen in deze veraf gelegen landen moeten ontstaan, gebaseerd op een eigen variant van het leerplan. De cultuurschatten van ieder volk en ieder ras zouden in deze leerplannen hun plaats kunnen krijgen, waardoor ze meteen voor de toekomst behouden blijven. De vertelstof, de euritmie en veel andere vakken verlangen natuurlijk telkens een eigen vorm en een eigen kleur. Op deze manier moet het levensvatbare, ware beeld van de mens, de drager der vrijheid, in de wereld effectief worden. Want het vrijeschoolonderwijs is werkelijk een opvoeding tot vrijheid. Zoals gezegd, de andere rassen hebben deze opvoeding minstens zo nodig als wij. Krijgen zij deze kracht tot vrijheid niet, dan zal in de toekomst, achter een voorgevel van z.g. politieke vrijheid en rassengelijkheid. de economische en intellectuele overmacht bestendigd blijven van de blanke volkeren van het noorden en in het bijzonder van het noordwesten.

De taken van de ‘ware Volkenbond’

Voor het uitzaaien van de vrijeschoolpedagogie op deze manier, zijn energieke pioniers nodig. Natuurlijk moet altijd eerst ter plaatse een vraag ontstaan. Jonge en oude pioniers uit Europa zullen moeten samenwerken met inheemse collega’s. Opofferingsgezind pionierseerk is het eerst noodzakelijke. Maar het is niet genoeg.

Mij persoonlijk wordt het iedere dag duidelijker, dat Rudolf Steiner dit voor ogen had, toen hij begin 1921 erop hamerde, dat een Weltschulverein moest ontstaan, opdat er in korte tijd honderd vrije scholen over de wereld verspreid op poten zouden staan. Zoals in het begin opgemerkt zou de Weltschulverein een dubbel doel hebben gehad:

1. de financiering van al deze scholen en van verwante instellingen
2. een nooit aflatend actievoeren voor vrijheid van onderwijs – als belangrijkste onderdeel van een vrij geestesleven.

Stond in Steiners mondelinge oproepen van 1920 en 1921 het eerste doel (financiering) op de voorgrond, nu zou beslist het tweede de voorrang moeten hebben: onderwijsvrijheid moet als een van de grondrechten van de mens erkend worden, precies zoals gewetensvrijheid en vrijheid van overtuiging internationaal erkende mensenrechten zijn. Het heeft echter weinig zin om dit alleen maar in theorie te eisen. De volkeren van Azië en Afrika zullen beslist niet warmlopen voor onderwijsvrijheid, als zij niet in de praktijk de levensnoodzaak van de opvoeding tot vrijheid leren kennen.

De huidige wereldsituatie spreekt wat dit betreft een nog veel duidelijker taal dan de toestand van 1920; een wereldbond voor onderwijsvrijheid en vrije culturele ontplooiing zou een belangrijke stap zijn op de weg naar de eenheid der mensheid. En nog wel in deze eeuw.
.

100 jaar vrijeschool: alle artikelen

.

1751

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.