Tagarchief: geestelijke wereld

VRIJESCHOOL – Ruimte en tijd in het onderwijs (1-2)

.

Ruimte en tijd in het onderwijs [2]

Verreikende gezichtspunten

{Vervolg van Deel 1 van dit artikel:)

Er zijn echter nog verder reikende gezichtspunten. Die kan de lezer rustig laten liggen, maar wellicht willen andere lezers ze gezien en innerlijk gehoord hebben. Ze gaan over de mens als burger van twee werelden. Wie denkt dat we dat zijn, zal ook de vraag stellen of die andere wereld dan ook bewoond is.

Daarop gaf Dionysius de Aereopagiet als antwoord dat die wereld door wezens wordt bewoond.[1] Volgens Rudolf Steiner speelt de relatie tot de mens in die wereld een wezenlijke rol [2] en in die relatie zijn woord en beeld betekenisvol:

“…Echter dit geheel nu berust op een belangwekkend kosmisch feit. De ruimtelijke aanschouwing namelijk, is een menselijke aanschouwing. De goden, met wie de mens hoofdzakelijk verkeert in zijn leven tussen dood en nieuwe geboorte, hebben weliswaar een uitgesproken aanschouwing van de tijd, maar de ruimtelijke aanschouwing die de mensen hebben, hebben ze in het geheel niet. De ruimtelijke aanschouwelijkheid is specifiek menselijk. Sinds de cultuurontwikkeling van het westen, sinds de vijftiende eeuw, hebben de mensen deze ruimtelijke zienswijze zich eigen gemaakt…”

Steiner gaat dan verder en legt uit dat dit typisch menselijke ruimtebewustzijn ontoegankelijk is voor de wezens van de geestelijke wereld. Het gevolg is onbegrip aan gene zijde van de werkelijkheid, de mens wordt voor de wezens onnavolgbaar. Echter; indien “…de ruimtelijke aanschouwing door de mens gespiritualiseerd wordt, kunnen weer bruggen gebouwd worden en dan kunnen de mensen, juist in de tijd waarin zij zich het sterkst geëmancipeerd hebben van de goddelijke wereld, door deze spiritualisering van het ruimtelijke bewustzijn, voor de goden een ‘stuk Wereld’ veroveren. Als de mens niet bij het ruimtelijke blijft staan, maar aan de ruimtelijke aanschouwing weer de geestelijke toevoegt…”[2]

We moeten de vraag beantwoorden wat we moeten verstaan onder het ‘spiritualiseren’ van het ruimtelijke bewustzijn. Zeker is dat alles wat met fenomenologie en het Goetheanisme samenhangt, een weg beschrijft hoe fenomenen in een spirituele context kunnen verschijnen, waardoor de ‘platte’ aanschouwing ‘verrijkt’ wordt. (Vanuit deze samenhang is het begrijpelijk dat de fenomenologie in de opvattingen van de mainstream-wetenschap heeft afgedaan sinds de negentiger jaren.)

Echter, wat betekent het spiritualiseren van het ruimtelijk bewustzijn voor de pedagogie? Met de beantwoording van deze vraag wordt deze beschouwing afgerond.

Als een leerkracht tijdens het lesgeven iets vertelt, gebeurt er iets in de leerlingen. De woorden worden opgenomen en worden voorstelling. De leerling stelt zich iets voor, het wordt een (innerlijk) beeld (‘mental image’). Dat beeld is tijdelijk, het is in de tijd. De tijd wordt (innerlijk) ruimtelijk.

In de geschiedenisles, biologieles en in de meetkundeles, wordt iets beschreven; de leerlingen horen het en maken er voorstellingen bij. Dat geeft ze een ander realiteitsbeeld dan wanneer de inhoud in de geschiedenisles, biologieles of in de meetkunde al te voren verbeeld wordt. In dat geval is de overgang naar innerlijk beelden niet actief.

Als we op de juiste manier lesgeven, dan kunnen we stellen dat we spreken om het de leerlingen mogelijk te maken innerlijk beelden te hebben. Dat is een spiritualisering van de ruimtelijke aanschouwing en een activeren van de denkvermogens. Dat is de zin van het lesgeven door het woord, door te spreken.

Nu treffen we ook de kern van de werking van de media: tv, video en film brengen deze innerlijke activiteit, die we rustig ook ‘verbeelding’ kunnen noemen en die een intellectuele activiteit is, tot zwijgen, want: de beelden zijn er al. Daarmee is niets tegen deze media gezegd. Het roept echter wel op tot het juiste gebruik, een inzet waarmee de creativiteit niet wordt geremd.

Er zijn ook lessen waarin het omgekeerde plaatsvindt. Een voorbeeld: we hebben met de klas geschilderd. De schilderingen zijn gedroogd en we stellen ze voor de klas op en de leerlingen geven bij elk schilderij (beeld) hun commentaar: beeld wordt tot woord. Het is een bezigheid die we in de kunstgeschiedenis in de bovenbouw graag aanwenden: het beeld wordt een gedachte en die is altijd in de tijd. Beide situaties, die van woord naar beeld en van beeld naar woord, hebben gemeenschappelijk dat ze innerlijk denkende activiteit en creativiteit oproepen.

Dit alles kan betekenen dat degene die les geeft met een nieuw bewustzijn naar ruimte en tijd binnen het onderwijsgebeuren kijkt. Wellicht ontstaat er een nieuw enthousiasme voor het gericht gebruiken van het woord en van het beeld. Dan krijgt zoiets traditioneels als het periodeschrift een dimensie erbij, een contragewicht voor het gesproken woord en wellicht net zo belangrijk. Het periodeschrift heeft zin zolang de leerkracht een sprekende is. Dan krijgt ook het traditionele verhalen vertellen een dimensie van betekenissen erbij, niet door de inhoud maar door het feit dat verhalen verteld worden. Daarna maken we een tekening. Tegenstellingen komen samen en dat geeft ritme. En ritme is per definitie gezonder dan eenkennige sleur.

Zo ontstaat ook een nieuw begrip van de euritmie op school: beide stromen komen erin samen.

De kosmische samenhangen

In het bovengenoemde citaat stelde Steiner dat door de spiritualisering van de ruimtelijke aanschouwing de goden iets krijgen wat alleen de mens hen kan geven, een stuk wereld wordt voor hen inzichtelijk.

Een geweldige gedachte! De mens is in staat eraan bij te dragen dat de goden aardse samenhangen kunnen gaan begrijpen, die zonder de werkzaamheid van de mens gesloten voor hen blijven. Het betekent een begin van een mogelijke samenwerking tussen ‘hier’ en ‘daar’.

Dat is toch een adembenemende gedachte: in de tijd van de sterkste emancipatie uit de oorsprong, in de tijd dat individualisering het credo van het leven is, in de tijd waarin de vrijheid mogelijk werd, blijkt een samengaan en samenwerking mogelijk met die oorsprong. Samenvattend: dat is de bewustzijnsziel, die leert de vrijheid te kunnen dragen. Daarom moest ook een tegenbeweging komen om die vrijheid te garanderen. Die tegenbeweging, die tegenpositie, heeft een aparte samenhang met ruimte en tijd en wordt als volgt gekarakteriseerd: Hij wil in zijn gang uit de tijd, de ruimte veroveren.[3] Uit de tijd naar de ruimte!

De tweede industriële revolutie, de elektrische, begon met de telegraaf, de telex, de telefoon en de radio. Daarna kwamen de beelden: tv, film, video. Nu, in de 21° eeuw, geraakt deze ontwikkeling in een versnelling. In het jaar 2000 (dus ruim 20 jaar geleden) hadden we nog geen smartphone (die meer en meer als beeldvastlegger gebruikt wordt), geen facebook, whatsapp, instagram, snapchat, om slechts enkele media te noemen. Allemaal ver-ruimtelijkingen uit de tijd die adembenemend snel onze samenleving binnendringen. Om daar de juiste pedagogische antwoorden op te vinden, moeten we wellicht beginnen met een beschouwing van onze verhouding tot ruimte en tijd. Kan het eenvoudiger?

Zulke gezichtspunten af en toe in het oog vatten en met elkaar bespreken: dat zal het onderwijs niet schaden.

Dit is een bewerkte vertaling van een bijdrage van mijn hand in de Rundbrief der pädagogischen Sektion, Nr. 70, Kerst, 2020, die ook in het Engels beschikbaar is.

1 Michiel ter Horst, Dionysius de Aereopagiet,
Christofoor 2015.

2 Steiner, GA 219, Lezing, Dornach, 17-12-1922, blz. 98-99.

3 Steiner, GA 26, Leitsätze, het werelddenken in de werkzaamheid van Michael en in de werkzaamheid van Ahriman.

.

Rudolf Steiner over periodeonderwijs

Rudolf SteinerAlgemene menskunde:  alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Rudolf Steineralle artikelen op deze blog

Vrijeschool in beeldalle beelden

Met toestemming van de auteur hier gepubliceerd.

Nog geen lid/abonnee van Vereniging voor Vrije Opvoedkunst?
Aanmelden kan via dsite

.

2873-2694

.

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 1 (1-2-1)

.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE – GA 293

GA= Gesamt Ausgabe, (volledige uitgave): de genummerde reeks boeken en voordrachten van Steiner.

Duitse tekst       Vertaling
.

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat. Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293 [1], ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen (GA 294) [2] en (GA 295) [3].

Aan de hand van een aantal persoonlijke gedachten en ervaringen, wil ik bij alle voordrachten een context geven voor leerkrachten die op de vrijeschool (gaan) werken. De tekst in groen is van Steiner; in zwart is de vertaling. In blauw is mijn tekst.

Blz. 17

Steiner spreekt hier over ‘de geestelijke wereld’, over de hiërarchieën. Hij noemt inde ongedrukte passage’ de wezens van de zgn. 3e hiërarchie: de engelen, de aartsengelen en de geesten van de persoonlijkheid; resp. in het Latijn: angeloi, archangeloi en archai.
In dit artikel over Michaël geeft de schrijver aan hoe je als lezer – en in dit geval als vrijeschoolleerkracht die net met de vrijeschoolachtergronden heeft kennis gemaakt – een bepaalde verhouding kunt vinden tot dit gebied van bovenzintuiglijke mededelingen.
In vele (niet-pedagogische) voordrachten schetst Rudolf Steiner vanuit verschillende gezichtspunten deze bovenzintuiglijke, hiërarchische wereld(en).

Voor mij was het nauwelijks mogelijk om me daarmee intensief te verbinden. Simpelweg door het vele schoolwerk en ik vond de bestudering van de pedagogische voordrachten belangrijker en voor mij noodzakelijker. In de loop van de tijd, nadat ik in 1970 met het vrijeschoolwerk was begonnen, kreeg ik wel een veel breder perspectief van de wereld te zien dan daarvoor, door o.a. artikelen te lezen en voordrachten te bezoeken.
Het gaat bij antroposofie toch vaak om ‘het verruimen van de gezichtspunten’, om de grenzen van het denken allereerst te zien als jouw begrenzing.

Waarom zouden de 4 rijken: het minerale, het planten-, het dieren- en het mensenrijk, als rijtje naast of onder elkaar opgeschreven, links en rechts of boven en onder niet nog verder kunnen gaan; aan de ene kant de wereld van het elementaire en aan de andere kant de engel als hoger mens, maar dan in het rijk van de hiërarchieën. De mens als ‘tiende hiërarchie’, met nog negen andere boven hem en een aantal rijken onder hem.
Ontegenzeggelijk is het zo dat de mens door zijn daden en zijn wandaden, door zijn verantwoordelijkheid of juist onverantwoordelijkheid invloed op de overige natuurrijken uitoefent. In een bepaald opzicht maakt hij het mogelijk of onmogelijk dat ze voortbestaan, gedijen. Zou het dan kunnen zijn dat dit ook geldt t.a.v. de hiërarchische wereld? Dat die wereld ons óók nodig heeft om te kunnen gedijen en zich te ontwikkelen? En als de natuurrijken ons veel schenken, zou de geestelijke wereld dat dan ook niet kunnen of doen?

Misschien ben je als (nieuwe) vrijeschoolleerkracht afgekomen op wat de vrijescholen over leerlingen zeggen: ‘worden wie je bent’, misschien vind je dat onderwijs méér is dan ‘een vat vullen’ met kennis; spreekt ‘hoofd, hart en handen’ je aan in je onderwijzersziel.
De vraag ‘wie ben jij’ vraagt uiteindelijk toch naar de diepste wezenskern van een mens en dat is voor de vrijeschoolpedagogie het Ik en dit is meer dan materie, erfelijkheid, resultaat van de omgeving of van het brein. Het behoort niet tot de stoffelijke wereld – daarin manifesteert het zich – maar is een geestelijke realiteit.

Als je dit onzin vindt, moet je volgens mij niet aan een vrijeschoolleraarschap beginnen. Dat is niet hetzelfde als ‘je moet dit dus geloven’. Het vraagt wel een oprecht openstaan voor deze wellicht totaal nieuwe wereld, deze totaal andere gezichtspunten die je tot nog toe volkomen onbekend waren.

Kortom: de wil om ervoor open te staan.

Zo verging het mij: aanhoren, in je opnemen, onderzoeken, kijken waar in de wereld er iets zichtbaar van wordt, enz. Niet klakkeloos aannemen, niet een automatisch nazeggen, omdat ‘Steiner het gezegd heeft’, maar zeker ook niet een bij voorbaat afwijzen; wel ervoor openstaan, met geduld ermee bezig zijn; er niet meer over zeggen, dan je verantwoorden kan; vertrouwen hebben, dat áls het een realiteit is, deze je eens wat te zeggen zal hebben.

Uiteindelijk betekent dit toch weer Steiner erop nalezen en overdenken.
In een van zijn vroegste beschouwingen over de pedagogie vind je bv. dit – dat het hier over gymnastiek gaat is niet zo wezenlijkover ‘resultaten van de geesteswetenschap‘:

.

Daß Turnen und Leibesübungen in dieser Richtung gepflegt werden können, dazu gehört dasjenige bei dem Erzieher, was ihm nur die Geisteswissenschaft und vor allem eine geistes-wissenschaftliche Gesinnung geben kann. Man braucht dazu nicht etwa gleich das Hineinschauen in die geistigen Welten, sondern nur den Sinn dafür, im Leben das anzuwenden, was sich aus der Geisteswissenschaft ergibt. Wenn insbesondere in solchen praktischen Gebieten, wie bei der Erziehung, die geisteswissenschaftlichen Erkenntnisse angewendet würden, dann würde bald auch das völlig unnütze Reden darüber aufhören, daß diese Erkenntnisse doch erst bewiesen werden müssen. Wer sie richtig anwendet, dem werden sie sich im Leben dadurch beweisen, daß sie dieses gesund und stark machen. Er wird gerade dadurch, daß sie sich in der Praxis bewähren, ­ersehen, daß sie wahr sind, und dadurch muß er sie besser­ bewiesen finden, als durch alle «logischen» und sogenannten «­wis­senschaftlichen Gründe». Die geistigen Wahrheiten erkennt man am besten an ihren Früchten, nicht durch einen angeblich noch so wissenschaftlichen Beweis, der doch kaum viel anderes sein kann, als ein logisches Geplänkel.

Een dergelijke gymnastiek, zulke lichamelijke oefeningen kunnen alleen maar beoefend worden, wanneer de opvoeder put uit datgene, wat slechts de geesteswetenschap en vooral een geesteswetenschappelijke gezindheid hem schenken kunnen. Daarvoor hoeft men nog niet dadelijk bovenzinnelijke waarnemingen te kunnen doen, maar men moet wel de innerlijke houding hebben om in het leven slechts dat toe te passen, wat uit de geesteswetenschap voortvloeit. Wanneer de geesteswetenschappelijke inzichten toegepast zouden worden vooral juist op zulke praktische gebieden als de opvoeding, dan zou spoedig het volkomen nutteloze gepraat ophouden over de noodzakelijkheid, dat deze inzichten eerst bewezen moeten worden. Wie ze op de juiste manier toepast, zal in zijn leven zelf deze bewijzen vinden en wel daardoor, dat ze dit leven gezond en sterk maken. Doordat de inzichten van de geesteswetenschap in de praktijk deugdelijk blijken, zal men beseffen, dat ze waar zijn en dit bewijs uit ervaring is overtuigender dan alle ‘logische’ en zogenaamd ‘wetenschappelijke argumenten’. De geestelijke waarheden kent men het beste aan de vruchten, die zij dragen, niet door bewijzen, want al zijn deze nog zo wetenschappelijk, ze kunnen toch nauwelijks veel meer zijn dan een steekspel op het terrein van de logica.
GA 34/341
Vertaald*/59
*Vertaling: De opvoeding van het kind in het licht van de antroposofie’ 1980. Er is een nieuwere uitgave: ‘De opvoeding van het kind

Het noemen van de hiërarchieën is niet nieuw en zeker niet door Steiner ‘bedacht’. Al in de 1e eeuw na Christus stelde Dionysius de Areopagiet [4] een indeling op van de geestelijke wezens:

Drie-eenheid        Vader – Zoon (Logos) – Heilige Geest

1.Hiërarchie
Geesten van de liefde (Seraphim)
Geesten van de harmonie (Cherubim)
Geister van de wil (Thronen)

2.Hiërarchie
Geesten van de wijsheid (Kyriotetes)
Geesten van de beweging (Dynameis)
Geesten van de vorm (Exusiai)

3. Hiërarchie
Geesten van de persoonlijkheid (Archai)
Aartsengelen (Archangeloi)
Engelen (Angeloi)

Steiner gebruikt de naamgeving van Dionysius, maar beschrijft het wezen en de werking van de hiërarchische wezens op vele plaatsen in zijn voordrachten soms zeer gedetailleerd, vanuit zijn eigen bovenzintuiglijke waarnemingen.

GA 193 blz. 110

«So wie wir nach unten angegliedert sind an die drei Reiche, an das Tierreich, Pflanzenreich und Mineralreich, so sind wir nach oben angegliedert an die drei Reiche der Angeloi, Archangeloi und Archai. Und erst dann sagen wir nicht eine halbe, sondern eine volle Wahrheit, wenn wir nicht nur sagen, wir blicken nach unten auf das Tierreich, Pflanzenreich und Mineralreich, sondern wenn wir auch nach oben hinblicken können auf das Reich der Angeloi, der Archangeloi und der Archai. So wie unser physischer Leib ein gewisses Verhältnis hat zu dem Tierreich, Pflanzenreich und dem Mineralreich, so auch unser Geistig-Seelisches zu dem, was die drei Hierarchien über uns ausmacht. Aber gerade in unserer Zeit ist es so, dass, während wir auf der einen Seite das Verhältnis zu den drei Rei-Aber gerade in unserer Zeit ist es so, dass, während wir auf der einen Seite das Verhältnis zu den drei Reichen der Natur sehr ändern, wir auch das Verhältnis zu den drei Reichen der Hierarchien, die über dem Menschen stehen, ändern. Auf diese ernste Angelegenheit der Menschheits­entwickelung möchte ich Sie heute hinweisen ( ).

Zoals we naar beneden bij de drie rijken horen, bij het dierenrijk, plantenrijk en mineraalrijk, zo horen we naar boven bij de drie rijken van de engelen, aartsengelen en geesten van de persoonlijkheid (Archai). Pas dan zeggen we geen halve, maar een hele waarheid, wanneer we niet alleen maar zeggen dat we naar beneden kijken, naar het dieren-, planten- en mineraalrijk, maar wanneer we ook naar boven kunnen kijken naar het rijk van de Angeloi, Archangeloi  en Archai. Zoals ons fysieke lichaam een bepaalde verhouding heeft tot het dieren-, planten- en het mineraalrijk, zo heeft ons geest-zielenwezen tot de hiërarchieën boven ons zijn verhouding. Maar met name in onze tijd is het zo, dat terwijl onze houding tot de drie rijken van de natuur erg verandert, wij ook onze houding tot de drie rijken van de hiërarchieën die boven de mens staan, veranderen. Op dit ernstige feit in de ontwikkeling van de mensheid, zou ik u vandaag willen wijzen.

Wenn wir auf das zurückblicken, was sich in der Menschheits- entwickelung in den früheren Zeiträumen zugetragen hat, die gewisser- maßen mit der Mitte des 15. Jahrhunderts ihren Abschluss finden, so müssen wir sagen, wenn wir von den höheren [Stufen der] Hierarchien noch absehen: Die Wesen der Angeloi, der Archangeloi und der Archai haben sich immer mit dem Menschen beschäftigt … Aber die Beschäfti- gung der Wesen dieser drei Hierarchien mit dem Menschen hat in gewis- ser Beziehung einen Abschluss gefunden in unserem Zeitalter. Unter den mannigfaltigen Tätigkeiten, denen die Wesen dieser drei Hierarchien ob- gelegen haben, ist diese: mitzuarbeiten an dem Bilde, das dem physischen Erdenmenschen, der physischen Organisation des Erdenmenschen zu- grunde liegt.

Wanneer we terugkijken naar de gebeurtenissen die plaatsvonden in de eerdere ontwikkelingsfasen van de mensheid die in het midden van de 15e eeuw een einde nemen, dan moeten we, wanneer we de hogere hiërarchieën nog buiten beschouwing laten: de engelen, aartsengelen en de Archai hebben zich steeds aan de mens gewijd. (  ) Maar de toewijding van de wezens van deze drie hiërarchieën met de mens is in zekere zin in onze tijd tot een einde gekomen. Onder de vele activiteiten die deze wezens van deze drie hiërarchieën zich tot hun plicht rekenden is deze: meewerken aan het beeld dat aan de fysieke aardemens, aan de fysieke organisatie van de aardemens ten grondslag ligt.

Blz. 111

Wir treten durch die Geburt in unser physisches Dasein, wachsen heran in diesem physischen Dasein: das Bild der Menschheit prägt sich in uns aus. Dieses Bild war in uralten Zeiten der Menschheits- entwickelung ganz anders. Es hat manchen Wandel durchgemacht… Das Bild der Menschheit hat sich geändert, und an diesem Bilde zu arbeiten, oblag den Wesenheiten dieser drei höheren Hierarchien … Aber nun liegt das Eigentümliche vor, und eine wirkliche geistige Beob- achtung der Menschheitsentwickelung zeigt dies: Mit der eigentlichen Ausbildung dieses Menschheitsbildes sind die Wesenheiten dieser drei Hierarchien in unserem Zeitalter im Wesentlichen fertig. Dieses Mensch- heitsbild, insofern es der physischen Organisation des Menschen zugrun- de liegt, ist eigentlich abgeschlossen … Und wir leben in dem Zeitalter, in dem diese Wesenheiten der drei höheren Hierarchien sich sagen: Wir ha- ben gearbeitet an dem Menschheitsbilde, aber wir sind fertig geworden. Wir haben den Menschen hineingestellt in diese Erdenwelt als physischen Menschen, und wir sind nun fertig! … Wer im geistigen Schauen diese Tatsache überblickt, der empfindet na- mentlich erschütternd die Tatsache, dass das Interesse der Wesenheiten dieser drei höheren Hierarchien in diesem Zeitalter nicht nur abgenom- men hat, sondern geschwunden ist.»

Door de geboorte komen we in ons fysieke bestaan, hierin groeien we: het beeld van de mensheid drukt zich in ons uit. Dit beeld van de mens was in oeroude tijden van de mensheidsontwikkeling heel anders. Het is vaak veranderd. (  ). Het beeld van de mens is veranderd en aan dit beeld te werken was de plicht van deze drie hogere hiërarchieën. (  ) Maar nu doet zich het merkwaardige voor en een werkelijke geestelijke waarneming van de mensheidsontwikkeling laat dit zien: met de eigenlijke vorming van dit mensbeeld zijn de wezens van deze drie hiërarchieën in onze tijd a.h.w. klaar. Dit mensbeeld, in zoverre het ten grondslag ligt aan de fysieke organisatie van de mens, is eigenlijk afgesloten. (  ) En we leven in de tijd waarin deze wezens van de drie hogere hiërachieën zeggen: ‘We hebben aan het mensbeeld gewerkt, maar we zijn klaar. We hebben de mens op deze wereld zijn plaats kunnen geven als fysieke mens, en nu zijn we klaar ( ) Wie geestelijk schouwend dit overziet, ervaart het als een schok dat de interesse van deze drie hogere hiërarchieën in de vorming van het fysieke mensheidsbeeld in deze tijd niet alleen maar minder is geworden, maar weg is.
GA 193/110-111
Niet vertaald

Dat betekent dat er in onze tijd zich een basale verandering zou voltrekken! De menselijke lichamelijkheid is rijp geworden voor de aarde, de vorm van het lichaam bijna vervolmaakt, in het bijzonder de hersenorganisatie, zodat de daaraan werkende hiërarchische wezens hun interesse aan het werk of de mens waaraan ze tot dan toe werkten, verloren hebben – tenzij dat ‘wij zelf aan onze ziel en geest werken.’ Dat is de voorwaarde waarbij de interesse van de hogere wezens blijft. [5]

GA 193

 «Und was wir seelisch-geistig arbeiten, was wir durch geistes-wissenschaftliche Forschung aus der geistigen Welt heraus offenbaren, das wird in unserer Menschenseele etwas werden, was die Wesenheiten der drei höheren Hierarchien wieder interessieren wird. Sie werden in den Gedanken und Empfindungen sein, die wir aus der geistigen Welt heraus- holen. Dadurch werden wir wieder die Beziehungen zu den Wesen dieser Hierarchien anknüpfen … Der Mensch muss an seinem Seeleninhalt an- fangen zu arbeiten, damit er wieder den Weg zurückfindet zu den drei höheren Hierarchien.»

En onze activiteit wat geest en ziel betreft, wat wij door geesteswetenschappelijk onderzoek uit de geestelijke wereld zichtbaar kunnen maken, zal in onze ziel tot iets worden waarin de wezens van de drie hogere hiërarchieën weer geïnteresseerd zullen zijn. Zij zullen bij de gedachten en gevoelens zijn die wij uit de geestelijke wereld verkrijgen. Daardoor worden we weer verbonden met de wezens van deze hiërarchieën. (  ) De mens moet beginnen met aan zijn ziel te werken om de weg weer terug te vinden tot de drie hogere hiërarchieën.
GA 193/113
Niet vertaald [6]

Met dit als achtergrond kun je je nu afvragen waar je als mens staat in een wereld waarin de geestelijke wereld ‘werkt’ en hoe je met deze wereld verbonden bent. Kun je een antwoord vinden op de vraag wat de wezens die deel hebben aan de scheppende Logos van de mens willen, het wezen dat sinds de ‘zondeval’ van deze wezens werd afgezonderd en intussen tot vrijheid is gekomen. Het kan nooit meer gaan om een stilzwijgende en onbewuste ‘leiding’ van de mens door de geestelijke machten. 

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

[4] Dionysius de Areopagiet; tevens
[5] E.e.a uit Leber
[6] Het lezen van de hele voordracht geeft je nog meer inzicht in het thema dat hier maar summier is weergegeven.

.

Algemene menskunde: over de geestelijke wereld [1-2]

Algemene menskunde: voordracht 1alle artikelen

Algemene menskunde: alle artikelen

Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

1306-1219

.

*

.

.

.