VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner – Algemene menskunde – voordracht 12 (12-1)

.

Enkele gedachten bij blz. 173/174  in de vertaling van 1993.
.

ALGEMENE MENSKUNDE ALS BASIS VOOR DE PEDAGOGIE
.

luidt de titel van de vertaling van GA* 293 [1].

De voordrachten die Steiner hield hadden tot doel uiteen te zetten wat vrijeschoolpedagogie omvat.
Van 21 augustus tot en met 6 september 1919 volgden de leerkrachten voor de te beginnen school deze cursus die, naast de in de morgen gehouden voordrachten GA 293, ook nog bestond uit de over de rest van de dag verdeelde cursussen  (GA 294) [2] en (GA 295) [3]

De verbondenheid met de wereld

Op een bepaalde manier pakt Steiner de inhoud weer op van blz. 23 en 24 – hier beschreven – om daar nu weer uitgebreider en met meer details mee verder te gaan.

We zagen al bij het vierledige mensbeeld dat de mens het fysieke samen heeft met het minerale, plantaardige en dierlijke. Mineralen, planten en dieren kunnen zich alleen manifesteren in de aardewereld door hun stoffelijk aanwezig zijn. Datzelfde geldt ook voor de mens.

Blz. 179  vert. 172

 Wenn wir hinausblicken in unsere physisch-sinnliche Umwelt, dann nehmen wir in dieser physisch-sinnlichen Umwelt wahr mineralische Wesen, pflanzliche Wesen, tierische Wesen. Mit den Wesen des Mineralischen, des Pflanzlichen, des Tierischen ist unser physischer Leib verwandt.

Een blik in de fysiek-zintuiglijke wereld om ons heen leert ons dat er mineralen, planten en dieren bestaan. Ons fysieke lichaam is verwant aan het wezen van de mineralen, planten en dieren.

En om die relatie verder uit te diepen:

Aber die besondere Art der Verwandtschaft wird nicht ohne weiteres durch eine Oberflächenbetrachtung klar, sondern es ist notwendig, da tiefer in das Wesen der Naturreiche überhaupt einzudringen, wenn man die Wechselbeziehung des Menschen mit seiner physisch-sinnlichen Umgebung kennenlernen will.

Maar de bijzondere aard van die verwantschap wordt niet zonder meer duidelijk door een oppervlakkige beschouwing. Het is noodzakelijk om dieper door te dringen tot het wezen van die natuurrijken om de wisselwerking tussen de mens en de fysiek-zintuiglijke wereld om hem heen te leren kennen.

Nu somt hij op wat we aan ons lichaam kunnen waarnemen:

=het skelet
=de spieren
=de ademhaling
=de voedingsprocessen
=de vaten
=de organen
=de hersenen
=de zenuwen
=de zintuigen

Alsof je de inhoud van een anatomieboek voor je ziet!

Opnieuw over het hoofd

In voordracht 10 en 11 kwam al naar voren dat het hoofd – dat is embryonaal mooi te zien – in zijn ontwikkeling verder is dan de ledematen, waaronder de handen met de vingers en de voeten met de tenen. 
Het is niet alleen ‘dit verder’ dat de associatie oproept van ‘ouder’.
Voor Steiner is dat ook evolutionair zo.
Van het hersen- en zenuwstelsel zegt hij:

Blz. 179/180  vert. 173/174

Wir haben ja darin diejenige Organisation des Menschen, die die längste zeitliche Entwicklung hinter sich hat, so daß sie hinausgeschritten ist über die Form, welche die Tierwelt entwickelt hat. Der Mensch ist gewissermaßen durchgeschritten durch die Tierwelt in bezug auf dieses sein eigentliches Hauptsystem, und er ist hinweggeschritten über das Tiersystem zu dem eigentlich menschlichen System, das ja am deutlichsten in der Hauptesbildung zum Ausdruck kommt.

Dat is het stelsel in de mens dat de meest langdurige ontwikkeling achter de rug heeft en daardoor uitgegroeid is boven de vorm die in het dierenrijk tot ontwikkeling is gebracht. De mens heeft wat zijn eigenlijke hoofdstelsel betreft de wereld van de dieren achter zich gelaten en is tot het eigenlijke systeem van de mens gekomen.

Een kleine opstap om dit beter in te zien, leerde mij het feit dat op zeker ogenblik een kind gaat staan. Tot dan toe is zijn ruggengraat parallel met het aardoppervlak: horizontaal. Bij de meer ontwikkelde zoogdieren blijft dit zo. 
Je zou dus even kunnen zeggen dat het kruipende kind nog in een soort dierenstadium zit. Dat wordt verlaten wanneer het kind gaat staan: de verticaal wordt nu de ultieme tegenstelling van het horizontale. Onlosmakelijk verbonden daarmee is het spreken en denken (lopen-spreken-denken) en de belangrijkste gebeurtenis tijdens dit proces is dat het kind Ik gaat zeggen.
Ik heb Leen Mees – dieren zijn wat mensen hebben – dat weleens zo horen uitleggen: De vele diervormen hebben de menselijke gestalte voorbereid, zonder zelf ooit mens te zijn geworden. Als je die voorbereiding als lijn trekt, buigen de vele vormen op een zeker ogenblik af en lopen dood, de lijn loopt echter door. Dan komt er een ogenblik in de evolutie van de mens dat – onder inwerking van de hiërarchische wereld, de gestalte zo ver ontwikkeld is, dat deze drager van een Ik kan worden. 
Deze hiërarchische wereld wordt in Genesis beschreven als ‘de Elohim’ (meervoud!) die zeggen: ‘Laten we mensen maken naar ons beeld’. 
Dat is in zekere zin de ‘Ik-inslag’, zoals we die bij het kleine kind zien.

Vanaf die tijd zien we bij de mensen die dan de aarde beginnen te bevolken het hoofd veel meer in ‘evenwicht’ dan in de vooraf levende diergestalten die op een bepaalde manier hun oude, niet evenwichtige bouw tot op heden hebben bewaard.

Wat dit evenwicht betreft:

Deze illustraties kunnen enigszins de zin De mens heeft wat zijn eigenlijke hoofdstelsel betreft de wereld van de dieren achter zich gelaten en is tot het eigenlijke systeem van de mens gekomen’  verhelderen.

Zoals we al verschillende keren zagen: het hoofd is bij het kleine kind prominent aanwezig. En met het hoofd ook de zintuigen. En we kunnen aan de reacties van het kleine kind zien, dat wat het met de zintuigen waarneemt, verder gaat dan alleen die zintuigen, zoals dat bij de volwassene veel meer het geval is. 
Wanneer je tegen zo’n kindje spreekt, lacht, zingt, zie je vaak  een soort reflexachtige beweging die door het hele lichaampje trekt, tot in de voeten toe. En bij het drinken al helemaal, wanneer daarbij zelfs de vingers en de teentjes a.h.w. ‘meedrinken’. Vanuit die zintuigen, dus vanuit het hoofd gaan deze impulsen. Ook later, wanneer het kind nabootst, gebeurt dat doordat het eerst iets heeft gezien, gehoord en vervolgens beweegt hij het na met de ledematen die zich daardoor mede ontwikkelen.  
[In GA 302A maakt Steiner nog een belangrijk onderscheid tussen zien en horen]

GA 297A:

Wir blicken hin auf das eben geborene Kind. Wir wissen, daß in diesem eben geborenen Kind, vom Gehirn ausgehend, die bildsa­men, die plastischen Kräfte an der Gestaltung des Leibes arbeiten. Wir verfolgen das Wachstum des Kindes, wie es ausstrahlt gerade von der plastischen Gehirntätigkeit, wir verfolgen es bis zu einem gewissen Einschnitt im menschlichen Erdenleben, bis zum Zahnwechsel, bis gegen das siebente Lebensjahr hin.

We kijken naar het pas geboren kind. We weten dat in dit pas geboren kind, van de hersenen uitgaand, de vormende, plastische krachten aan de vorming van het lichaam werken. 
We volgen de groei van het kind, hoe die met name vanuit de plastische hersenactiviteit uitstraalt; we volgen die tot een bepaalde belangrijke gebeurtenis in het mensenleven op aarde, tot aan de tandenwisseling, zo tegen het zevende levensjaar.
GA297A/94
Op deze blog vertaald/94

De werking van deze krachten wordt afgesloten met de tandenwisseling
[via deze link vind je vele uitspraken uit de pedagogische voordrachten over de tandenwisseling]

Blz. 179/180   vert. 174

Der Kopf formt, er gestaltet fortwährend. Unser Leben besteht eigentlich darin, daß in den ersten sieben Lebensjahren eine starke Gestaltung ausgeht, die sich auch bis in die physische Form hineinergießt,( )

Het hoofd vormt voortdurend, geeft voortdurend gestalte. In de eerste zeven jaar van ons leven werken voornamelijk sterke vormkrachten in ons, tot in het fysieke toe.

Der Kopf hängt mit der Gestaltbildung des Menschen zusammen.

Het hoofd heeft te maken met de vorming van de menselijke gestalte.

Voor de pedagogie en het lesgeven is het belangrijk dat je als leerkracht weet wat er gebeurt als hoofd, romp en ledematen met elkaar in wisselwerking treden:

Was tut denn eigentlich der Kopf indem er seine Arbeit verrichtet in Zusammenhang mit dem BrustRumpfsystem und dem Gliedmaßensystem? Er formt, er gestaltet fortwährend. Unser Leben besteht eigentlich darin, daß in den ersten sieben Lebensjahren eine starke Gestaltung ausgeht, die sich auch bis in die physische Form hineinergießt, daß dann aber der Kopf immer noch nachhilft, die Gestalt erhält, die Gestalt durchseelt, die Gestalt durchgeistigt.

We dienen te weten wat er eigenlijk gebeurt wanneer het hoofd in wisselwerking staat met de organen van borst en ledematen. We moeten een antwoord zien te vinden op de vraag wat het hoofd eigenlijk doet wanneer het samen met het borst-rompstelsel en het ledematenstelsel aan het werk is. Het hoofd vormt voortdurend, geeft voortdurend gestalte. In de eerste zeven jaar van ons leven werken voornamelijk sterke vormkrachten in ons, tot in het fysieke toe. Daarna houdt de werking van het hoofd echter niet helemaal op: het hoofd houdt de gestalte in stand en brengt ziel en geest in de gestalte.

Wat dat in de praktijk betekent is onderwerp van een volgend artikel [nog niet oproepbaar] 

.

*GA= Gesamt Ausgabe, de boeken en voordrachten van Steiner

[1] GA 293
Algemene menskunde als basis voor de pedagogie
[2] 
GA 294
Opvoedkunst. Methodisch-didactische aanwijzingen
[
3] GA 295
Praktijk van het lesgeven

Algemene menskunde: voordracht 11 – alle artikelen

Algemene menskundealle artikelen

Rudolf Seineralle artikelen op deze blog

Menskunde en pedagogiealle artikelen

.

2502

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.