VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (6)

.

Gerbert Grohmann:

‘Leesboek voor de plantkunde”

blz.23, hoofdstuk 6                                                        alle hoofdstukken

 

6-OVER DE BLOEMBODEM, OVER DE SLEEDOORN EN DE         APPELVRUCHT


zo zien bloembodems eruit. Links de tulp, rechts de aardappel, in het midden mimosa

Het is voor ons nu een vertrouwde gedachte dat de bloem een tweede, meer volmaakte en mooiere plant is, die boven op de eerste zit. Alles wat de eerste plant heeft, vind je in de tweede opnieuw. Ze vormt blaadjes en stengeldelen, die hier weliswaar meteen in de stamper veranderd worden. Nu is het merkwaardige dat, wanneer de zon bloemen te voorschijn roept, ze tevens ook een klein stukje aarde laat ontstaan, net alsof ze een beetje van de grote aarde wil afzonderen en dat voor zichzelf wil hebben. Dit kleine stukje aarde is de bloembodem, waarop de kroonbladeren, meeldraden en stamper zitten.
Het is wel zo dat deze bloembodem meestal echt heel klein is, bijna net een stip. Alleen een enkele keer, wanneer deze zich tot een nietig schoteltje ontwikkelt, kun je hem wat duidelijker herkennen. Het makkelijkst leer je dit kleine stukje aarde kennen, wanneer je aan het madeliefje, de kamille of zelfs aan de zonnebloem denkt, waar veel kleine bloemen samen één grote bloem, een korfje of een hoofdje vormen. Natuurlijk moet daar de bloembodem bijzonder breed worden en dikker en je kunt je ervan overtuigen dat hij op een kleine zonneheuvel lijkt waar de bloemen zich naast elkaar verdringen.

Laten we maar eens naar de eenvoudige bloemen teruggaan en bestuderen hoe deze verrassend kunnen veranderen! Het kan namelijk gebeuren dat het vruchtbeginsel zo maar in de bloembodem verdwijnt, zodat alleen de stijl en de stempel er nog bovenuit kijken. Dan heeft de bloem een onderstandig vruchtbeginsel gekregen.

lengtedoorsnede door de sleedoorn-
bloesem (bovenstandig vruchtbeginsel)

                                                                        lengtedoorsnede door een                                                                                   appelbloesem. Het vruchtbegin-
sel is in de bloembodem                                                                                       verzonken.
Alleen de 5 meeldraden steken                                                                         er bovenuit

Van de bloemen met een onderstandig vruchtbeginsel kun je bijzonder veel leren.
Laten we nog eens kijken naar de vruchtvorming van een gewone bloem, de sleedoorn. Wanneer ze uitgevallen is, zie je het kleine vruchtbeginsel, alsof het in een heel klein schoteltje staat. Meteen begint het te groeien, dikker te worden, tot een ronde vrucht te rijpen. Als laatste krijgt de vrucht haar blauwe kleur. De bloemsteel is dan vruchtsteel geworden. Bij de pruimen en kersen is het net zo; je hoeft alleen maar nauwkeuriger te kijken als ze bloeien.

zo ziet een appelbloesem er vanonder uit

Precies tegenovergesteld is het bij de appelboom en zijn familie, de peer en de kweepeer. Wanneer je een appelbloesem omkeert en van de achterkant bekijkt, zie je dadelijk dat alles er anders uitziet dan bij de pruim en de kers.

De bloemsteel is verdikt, omdat het vruchtbeginsel erin afgedaald is. Dat staat nu onder het bloembekleedsel. Daarom noem je dat dan ook onderstandig. Alleen de vijf stijlen steken nog boven de meeldraden uit.

Bij de rijpe vrucht vormt het vruchtbeginsel alleen maar het perkamentachtige klokhuis, dat de zaden, de pitten dus, bevat. Snijd je een appel door, dan zie je dadelijk dat het klokhuis net als de bloem, een vijfster is.

Wanneer we nu een appel met een kers vergelijken, dan moeten we vaststellen dat wat de hele kers is, bij de appel alleen maar het perkamentachtige klokhuis is.

Dat het klokhuis van de appel en de pit van de kers, of de pruim of kwets iets met elkaar te maken hebben, kun je nu met gemak begrijpen. Wat we het ‘bloemetje’ bovenop de appel noemen, is niets anders dan de verdroogde rest van het bloembekleedsel. Soms zie je er zelfs nog wel eens resten van de meeldraden bij.

lengetedoorsnede van de appel.
De bloesem zit boven op de vrucht, want de vrucht is de vlezig geworden bloemsteel, het klokhuis het daarin ingesloten vruchtbeginsel en de kern en de zaden

De verstandige natuuronderzoeker zal zo zijn eigen gedachten hebben, wanneer hij vruchten eet. Als hij een sleebes, kers of pruim of kwets in zijn handen houdt, zal hij tot zichzelf zeggen: ‘Nu eet ik een echte vrucht met een bovenstandig vruchtbeginsel!’  En wanneer hij in een appel bijt zal hij nog weten dat dit de gezwollen en in vruchtvlees veranderde bloembodem is, die hem zo voortreffelijk smaakt.


Zo verschillend kunnen de planten hun vruchten vormen. Sommige, zoals de appel, peer, kwets, pruim en kers, zien eruit, alsof er reuzegrote druppels aan de boom hangen. Daarin zendt de plant haar zoete smaak en de zon doordringt ze met een aangename smaak, het vruchtaroma. Vruchten smaken niet alleen lekker, ze zijn ook kleurig rood, blauw of geel, ja ze hebben zelfs iets waardoor ze op bloemen lijken: hun heerlijke geur. Zo bereiken deze bomen dan tweemaal per jaar een hoogtepunt, eerst, wanneer ze de bloemen vormen, dan opnieuw, wanneer ze de vruchten dragen.

terug naar de inhoud

 

Plantkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 5e klas: plantkunde

 

8-6

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

Advertenties

2 Reacties op “VRIJESCHOOL – Grohmann – leesboek voor de plantkunde (6)

  1. Pingback: LEESBOEK VOOR DE PLANTKUNDE-inhoud | VRIJESCHOOL

  2. Pingback: WAT STAAT OP DEZE BLOG | VRIJESCHOOL

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s