Tagarchief: wakker-slapen

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (15-2)

.
Een mededeling van een kinderarts, Weledaberichten nr 143, dec. 1987
.

SLAAPSTOORNISSEN BIJ KINDEREN
.

Wij maken in ’t algemeen een onderscheid tussen moeilijkheden bij het inslapen of tijdens de hele slaap. Beide vormen zijn, vooral bij kinderen, meestal een uitdrukking van een totale stoornis. Dit geldt ook voor chronische vermoeidheid, d.w.z. het onvermogen om volledig wakker te zijn. Wij moeten in samenhang met stoornissen van de slaap altijd bedenken, dat de slaap geen “activiteit”, geen organisch-fysiologisch proces zoals bijv. de spijsvertering is, maar een toestand van de totale mens gedurende een zich ritmisch herhalend tijdsverloop. Wat de slaap van de waaktoestand onderscheidt, is het feit dat denken, psychische en zintuiglijke gewaarwordingen in hun activiteit in hoge mate zijn onderbroken, terwijl de organen – hart, longen, maag, darmen, nieren, klieren – onafgebroken werken. Het leven in het organisme verloopt dus tijdens de slaap op praktisch dezelfde manier als in de waaktoestand; het wordt echter niet met ons bewustzijn doordrongen.

Gedurende de ontwikkeling van het kind treden er verschillende vormen van stoornissen van de slaap op. De verschijningsvorm ervan is afhankelijk van de constitutie en het karakter van het kind, voorts van het geboorteproces en van invloeden van de omgeving waarin het leeft.

Het slapen van kinderen en volwassenen verschilt principieel van dat van de zuigelingen tijdens hun eerste levensweken en -maanden. Meestal stuit men op de voorstelling dat het leven van de zuigeling alleen maar bestaat uit een regelmatige afwisseling van het opnemen van voedsel en slapen. Recente onderzoekingen evenwel hebben aangetoond, dat de ontwikkeling na de geboorte wordt gekenmerkt door min of meer onregelmatig over een etmaal verdeelde, relatief korte periodes van slapen en waken. De langste samenhangende slaapperiode, die in de eerste levensweek werd waargenomen, bedroeg 3 uur en 40 minuten. Typisch voor het gedrag in de slaap van de zuigeling is een onregelmatige, dikwijls snelle afwisseling van waken en slapen, zonder een duidelijk ritme en zonder enige geleding in het dagverloop. Pas langzaam, dikwijls met gekreun, allerlei bewegingen en diepe ademhalingen past zich het opgroeiende wezen aan het aardse ritme aan.

Vormen van onrust zijn een uitdrukking van de activiteiten van onze levens-, zielen- en geestelijke krachten, die in vaak op en af golvende aanpassingsprocessen de menswording mogelijk maken. Als die activiteiten de “normale” maat overschrijden, dan noemen wij dat geen slaapstoornissen.

Wij beschouwen dan deze toestand als de uitdrukking van een bemoeilijkte incarnatie. Men stelle zich de zuigeling voor: alles aan hem is rond – het grote hoofd, de buik, de naar het lichaam toegetrokken beentjes – alles vertoont bijna uitsluitend een “hoofd”, met alles wordt er waargenomen. Het hele organisme blijkt een zintuig te zijn, alles, van het hoofd tot in de tenen, is leven (de zuigeling spartelt met handen en voeten, als hij gretig drinkt aan de moederborst). Dit zintuigorganisme is nog een grote eenheid en dus nog lang niet gedifferentieerd. Stap voor stap, door het toenemen van het zielenleven (de eerste glimlach) wordt de baby aldoor meer wakker. De zintuigen ontwaken, allengs beginnen zij de omgeving waar te nemen. Als die ontwikkeling zich niet harmonisch voltrekt, dan kan het hierboven beschreven zachte gekreun, de subtiele veranderingen in de ademhaling zich verhevigen tot duidelijke onrust, schreeuwen en krampen. Vanuit het gezichtspunt van die levende, vormende, de ontwikkeling bevorderende slaap van de zuigeling wordt het begrijpelijk, dat elk kind zijn eigen ritmen heeft, dat gemiddelden van de waak-slaap-fasen en van hun duur voor het afzonderlijke kind niet gelden. Normaal gesproken verovert de zuigeling zoveel slaap als hij voor zijn ontwikkeling nodig heeft. Wanneer kunnen wij van een gestoord ontwikkelingsproces spreken dat zich manifesteert in de slaap van de zuigeling? Enerzijds, als de fasen van de slaap duidelijk te kort zijn, anderzijds als het ontwaken gepaard gaat met schrik en geschreeuw. In deze gevallen komen alle mogelijke oorzaken: gasvorming, tanden krijgen, verborgen infecties (bijv. van de oren) in aanmerking of – last not least – een te onrustig verloop van de dag wat de zuigeling stoort tot in de nacht. In de eerste tijd van het aardeleven zijn korte ogenblikken van onrust – vooral bij het eerste kind – vanzelfsprekend: dikwijls zijn de ouders al bij het eerste gerucht bezorgd. Hoe rustiger men – natuurlijk met de nodige zorgvuldigheid – de zuigeling zich laat ontwikkelen, des te meer beloont hij de ouders met een ongestoorde nachtrust.

Als de onrust gepaard gaat met zweten, vooral tijdens het inslapen ’s avonds, dan moet de arts eerst stoornissen van de minerale stofwisseling (bijv. door niet of onzorgvuldig toegediende rachitisprofylaxe) of constitutionele bijzonderheden uitsluiten.

Dikwijls klagen ouders, dat hun zuigeling van de nacht een dag en van de dag een nacht maakt. Maar al te vaak, niet altijd, leven in dit geval de volwassenen “chaotisch”, d.w.z. zonder ritme. Regelmaat, bijv. door gelijke afstanden tussen de maaltijden, kan harmonie brengen in het verloop van dag en nacht, ook voor de zuigeling.

Een verdere oorzaak voor slaapstoornissen is de gewoonte van zuigelingen om steeds als ze ’s nachts wakker worden te willen drinken, hetzij uit de fles of aan de borst. Volgens mijn ervaring treedt deze storing meestal op bij zuigelingen, bij wie overdag het ritme van het drinken aan hen zelf wordt overgelaten. Hier is het zaak tussen de maaltijden een pauze van 3½ – 4½ uur te bereiken, ’s Nachts zou men, als het dan toch al nodig is, alleen maar water moeten geven. 

Zuigelingen, die ouder zijn dan één jaar of kleuters kunnen vaak alleen maar in de armen van hun moeder of in haar bed inslapen. Aan deze gewoonte ging wel in de meeste gevallen een inbreuk vooraf in het harmonische verloop van de ontwikkeling, hetzij door een schok, hetzij door een ziekte. Hier is het van belang, door een gesprek met de arts de oorzaken te vinden en – dikwijls met behulp van een medicament – een weg te zoeken om het kind van zijn onzekerheid af te helpen. Van belang is, dat er bij deze nachtelijke onrust veel geduld en begrip wordt opgebracht door de ouders.

Met betrekking tot de gestoorde slaap van baby’s kan heel in ’t algemeen worden opgemerkt: niet zelden worden die kinderen in de nacht onrustig en schrikken zij op uit de slaap, als de dag was vervuld van onrust in de omgeving. Te veel en al te verschillende optische en akoestische indrukken, zenuwachtige ouders, onbeheerst optreden van de medemensen in hun omgeving bijv. beïnvloeden in hoge mate op ongunstige wijze de kwaliteit van de slaap van het kind.

Ook een al te overvloedige maaltijd, nog kort voor het naar bed gaan, is voor de slaap niet bevorderlijk, omdat de spijsverteringsorganen daardoor overbelast zijn. Steeds weer zien wij, dat dikke, plompe van beweging afkerige kinderen, die gauw gaan zweten, niet op de goede manier een toegang tot de slaap vinden.

Het meeste echter komt de angst voor, die als een grote, donkere wolk boven de hemel van het inslapen in de avond boven de kinderen hangt. Angst heeft, zoals wij dat uit andere situaties (bijv. astma) kennen, met de adem, de benauwdheid te maken. Bij het angstige kind, dat niet kan inslapen, ziet men de klassieke veranderingen van de ademhaling: de borstkas vernauwt zich, het middenrif wordt naar boven gedrukt, de spieren van de ademhaling komen in een kramptoestand, de ademhaling wordt flauw, het volume van de longen wordt minder. Het gevolg is: zuurstofvermindering, versnelling van de hartslag (”mijn hart klopt me in de keel”). Alle pogingen om het inslapen in deze situatie te bewerkstelligen zijn vergeefs. Natuurlijk vertonen niet alle angsttoestanden ’s avonds zulke krasse vormen, maar toch geven de meesten aanleiding tot een luidkeels geuite behoefte aan licht en de smeekbede, bij het inslapen niet alleen te worden gelaten. Het ene kind ligt, de hand van de moeder stevig omklemmend, onrustig in zijn bedje, het andere klimt er steeds weer uit, dikwijls met fantasievolle redenen; bij veel kinderen is de behoefte aan beschutting zo groot, dat ze bij de moeder in bed willen inslapen. Nu is het stellig gemakkelijker de oorzaken van een slaapstoornis aan te wijzen, dan raad te schaffen, hoe men een kind van deze, vaak alleen maar ’s avonds optredende angst kan afhelpen. Natuurlijk is het mogelijk en ook nodig, de oorzaken uit de weg te ruimen: dit echter heeft niet in alle gevallen onmiddellijk succes. Een warme drank met een beetje honing kan hier helpen.

Van oudsher is het, zowel voor gezonde als zieke kinderen, een beproefd middel om de dag altijd met een gesprek ’s avonds af te sluiten. De belangrijkste gebeurtenissen van overdag zouden nog een keer als beeld in de herinnering moeten terugkeren; wat mooi en goed is kan worden geprezen, misschien moet er een beetje worden berispt, in elk geval moet er altijd vergiffenis zijn. Een gebed of een lied besluit de kleine, intieme “plechtigheid”. Men kan zich als volwassene nauwelijks voorstellen hoe positief en genezend de krachten zijn, die van zo’n hulp van de ouders uitgaan voordat het kind de wereld van de slaap binnengaat. Ouders zouden er ook niet voor moeten terugschrikken over de beschermende werking van de engelen te vertellen: voor de meeste kinderen zijn engelen een realiteit en ze zijn dankbaar, als volwassenen aan hun wereld oprecht deelnemen. Bij kinderen die min of meer goed inslapen maar waarvan de slaap niet ongestoord verloopt, zien wij de meest verschillende varianten van onrust: schreeuwend wakker worden, gejammer dat in hevigheid kan toenemen als er geen aandacht aan wordt geschonken, verlangen naar eten, drinken of spelen, in het bed van de ouders slapen, om maar een paar voorbeelden te noemen. Wij zien dan kinderen, die zich om allerlei redenen in de nacht niet volledig kunnen losmaken van hetgeen zij overdag hebben beleefd. Op de een of andere manier spoken er nog zintuigelijke indrukken, belevenissen, gevoelens in hun binnenste waarvan zij zich in de nacht niet volledig kunnen bevrijden.

Dan wordt het gesprek met de arts nodig, die samen met de ouders probeert de oorzaken te vinden en die kan aangeven hoe zij door hun gedrag ertoe kunnen bijdragen om uit de crisis te komen. De arts zal ook proberen een beeld van de disharmonie te verkrijgen een een therapie te vinden. Er staan vele geneesmiddelen ter beschikking (dit geldt voor alle hier besproken stoornissen). Het is evenwel voor de arts niet altijd eenvoudig, het voor ieder kind juiste medicament te vinden.

.

meer over ‘slaap’

zie de artikelen onder [1-8] Algemene menskunde

Opvoedingsvragenalle artikelen

Leerproblemenalle artikelen

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

2770-2599

.

.

.

.

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (15)

.

Kinderen hebben vaak last van slaapproblemen. Kinderpsychiater Dick Hütter† over de oorzaken, de gevolgen en de remedies. De boze droom ontleed.

het spook in de nacht

’s Avonds gaan alle kinderen evenals de bloemen, de dieren en de zon zoet slapen om de volgende ochtend fris en uitgerust weer aan een nieuwe dag te beginnen. Talloze slaapliedjes en verhaaltjes-voor-het-naar-bed-gaan heb- ben deze strekking, maar legioenen ouders verzuchten: ‘Ach, was het maar zo’. Trouwens het feit dat er zoveel slaapliedjes bestaan zou hen al wantrouwig moeten maken of het zoet inslapen wel zo vanzelfsprekend is.

Is het niet eerder zo dat zij bedoeld zijn om het kind te leren ordentelijk in te slapen? Want vanuit zichzelf doet het dat niet, hoe vreemd dat misschien ook klinkt. En zoals bijna met alles heeft het ene kind meer pedagogische ondersteuning nodig dan het andere. Slapen is niet even ‘gemakkelijk’ als ademen, maar wel even belangrijk. Misschien dat we daarom zo nerveus reageren als ons kind laat inslaapt of ’s nachts regelmatig wakker wordt. Maar dit soort ‘stoornissen’ horen er in zekere zin bij, het is alleen verschrikkelijk belangrijk hoe wij hierop als ouder reageren.

Kijken we naar het (in)slaapgedrag van kinderen in verschillende leeftijdsfases, dan zien we het volgende:

Baby’s zijn in principe geweldige slapers, zelfs zo dat ze zich de eerste maanden absoluut niet storen aan het normale dag- en nachtritme.

Toch blijkt uit onderzoek dat vijfenzeventig procent van alle drie maanden oude baby’s een groot deel van de nacht doorslaapt, onafhankelijk van het voedingsregime en andere prikkels, zoals een natte luier. Als ze één jaar oud zijn, hebben negen van de tien dit ritme zeker te pakken en zijn ze, zoals ze dat in het Engels zeggen, ‘gesettled’. Je zou kunnen zeggen dat dit het moment is waarop ze werkelijk op aarde zijn neergestreken en ze zich voegen naar dit typisch aardse ritme. Maar observatie wees ook uit dat dit niet betekent dat de baby’s niet wakker worden ’s nachts, alleen de reactie daarop van ieder kind is verschillend. De helft draait zich bij wijze van spreken weer om en slaapt verder, de andere helft daarentegen ‘roept’ om zijn ouders, met niet meer redenen dan dat het even wakker is. Deze waarneming kan ons sterken in de overtuiging dat we bij nachtelijk hulpgeroep van de kleine zo min mogelijk toestanden maken. Kijken of er iets storends is kan en even laten zien dat je ‘er nog bent’ ook, maar liefst met zo min mogelijk ingrepen. Niet te veel activiteit, alles in de slaapsfeer houden. Hier kan gewoontevorming de wissel zetten voor vele jaren. Het devies moet eigenlijk zijn, dat dit even wakker worden er nu eenmaal bijhoort, niets bijzonders is en dus ook geen opwinding behoeft van de betrokken partijen.

Niet al te gezellig

Op de peuterleeftijd (van een tot vier jaar) komen er vaak problemen bij het inslapen. Het kind wil geen afscheid nemen van zijn ondernemingslust en activiteiten en het is soms bang om alleen gelaten te worden. In deze leeftijdsfase wordt het zich geleidelijk aan bewust een afzonderlijk wezen te zijn en dat geeft bij alle vreugde ook seperatie-angst: angst om op zichzelf teruggeworpen te worden. De peuterleeftijd is bij uitstek de tijd van de bedrituelen, waarbij ouders zich als ware evenwichtskunstenaars op het slappe koord kunnen beleven tussen hun eigen wens om het niet te lang te laten duren (meestal hebben we haast) en de wens van het kind om allerlei uitbreidingen toe te voegen aan het ritueel. Waardoor ze zich tenslotte gaan voelen als de hofhouding van een nogal grillige kroonprins of prinses.

Het is inderdaad een subtiel evenwicht. Natuurlijk is het goed als je inspeelt op de onlustgevoelens van het naar bed te brengen peutertje, maar houd de regie in eigen handen. Blijf degene die de grenzen trekt, ook al om te voorkomen dat je niet prikkelbaar wordt en je geduld verliest. Want dat laatste verhoogt de kinderlijke seperatie-angst en als ouder val je dan van de regen in de drop. Hier kunnen bovenvermelde slaapliedjes een uitkomst bieden al was het alleen maar om de juiste stemming op te roepen. ‘Slaap kindje slaap, daar buiten loopt een schaap.’

Tegen het derdejaar kunnen bange dromen de nachtrust gaan verstoren. De moeilijkheid daarbij is dat het jonge kind aan dromen dezelfde realiteitswaarde toekent als aan de gebeurtenissen van overdag. Dus hen vertellen dat het ‘maar een droom is’, stelt het kind nauwelijks gerust. Er zit niets anders op dan de tijd te nemen om de droom te laten ‘vervliegen’, bijvoorbeeld door ze te laten vertellen wat ze allemaal hebben meegemaakt in hun slaap. Het nachtelijk wakker worden zal echter ook zonder dromen blijven voorkomen en het is van groot belang het kind te leren daar zelf mee klaar te komen. Veel kinderen kunnen zichzelf en hun ouders op zo’n moment wijs maken dat het toch om een bange droom ging en zo een ‘gezellig’ momentje in de nacht ensceneren. Je kunt als ouder die behoefte aan onrust of troost natuurlijk niet bot negeren, maar er zijn andere en betere oplossingen te bedenken zoals een klein lichtje in het stopcontact, de kamerdeur op een kier of een extra troeteldier of pop in bed. Soms helpt het om het kind een tijd samen met een broertje of zusje op één kamer te laten slapen. Het horen van de ademhaling van een slaapgenoot geeft vaak voldoende rust en veiligheidsgevoel om zonder hulp weer in te slapen. En ‘vlieg’ je als ouder eens in dat bange droomverhaal, maak het dan niet al te gezellig.

Oudere kleuters en jonge schoolkinderen (ongeveer van vier tot negen jaar) kunnen af en toe nachtmerries hebben, hetgeen eigenlijk hevige angstdromen zijn. Op zich is dit ook niet alarmerend. Het kind kan op die leeftijd waarin het zich steeds meer op de wereld om hem heen gaat richten, gebeurtenissen beleven waar het emotioneel nog niet rijp voor is. De oplossing kan dan een nachtmerrie zijn, wat heel gezond is. Pas wanneer deze regelmatig optreden is het zaak om te onderzoeken of er geen ontwikkelingsconflict bestaat. Het zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat er eisen aan het kind gesteld worden op school waaraan het niet kan voldoen of die mogelijk tegenstrijdig zijn met datgeen wat thuis van hem verlangd wordt. Van zoiets kan een kind vreselijk in verwarring raken.

Hetzelfde geldt voor de zogenaamde ‘Pavor Nocturnus’, een verschijnsel dat voor de betrokkenen nogal verontrustend is, maar in een normale ontwikkelingsgang zo nu en dan kan voorkomen. Het beeld is dat in het begin van de slaap het kind met een schreeuw wakker wordt en men het vervolgens rechtop zittend in bed aantreft met angstig-opengesperde ogen, trillend, zwetend, met versnelde adem en hartslag. Het slachtoffer is niet aanspreekbaar, onrustig en lijkt soms dingen te zien die er niet zijn. Na enkele minuten zakt de aanval, het kind zelf herinnert zich er dan niets meer van en gaat gemakkelijk weer verder slapen. Terwijl de ouders in zo’n geval nog enige tijd nodig hebben om te bekomen van de schrik.

Pubertijd

Pavor Nocturnus is evenals slaapwandelen te zien als een toestand waarin slapen en waken in zekere zin gelijktijdig optreden. Niet elkaar aflossen maar op een verschillende manier in elkaar overlopen. Oorzakelijk is er meestal sprake van een rijpingsachterstand die zich in de loop van de tijd spontaan herstelt, doch die het kind gevoeliger maakt voor psychische belasting zoals bijvoorbeeld oververmoeidheid. Hoe angstaanjagend ook, over zo’n enkele aanval hoeft niemand zich ongerust te maken. Herhalen de aanvallen zich echter, dan wijst dat op ‘onderliggende’ problemen en moet er hulp ingeroepen worden.

Zijn de kinderen eenmaal goed in de schoolleeftijd aangeland, dan zijn het normaliter goede slapers geworden, hoewel je blijft houden dat er momenten zullen zijn dat ze langer wakker liggen dan gewenst. Pas in de puberteit komen er bij een normale ontwikkelingsgang vaak weer wat problemen met in-en doorslapen.

Al de bovenstaande slaapperikelen van de baby tot de puber zijn misschien voor het kind zelf en de ouders vervelend, maar omdat ze niet wijzen op een ernstige onderliggende ontwikkelingsproblematiek en ook het gezond functioneren van het kind niet nadelig hoeven te beïnvloeden, noem ik ze normaal. Met rustig, vriendelijk en vooral zakelijk optreden is het beslist mogelijk de zaak op te lossen. En wat vaak over het hoofd wordt gezien: er bestaan ‘langslapers’ en ‘kortslapers’, al vanaf jonge leeftijd. Stop je een kortslaper te lang in zijn bed, dan kan het niet anders of hij ligt een poos wakker. Men spreekt eigenlijk pas van ernstige slaapstoornissen als de kinderen overdag duidelijk niet uitgerust zijn, dus slaperig, vermoeid, prikkelbaar en ongeconcentreerd zijn. Net als bij volwassenen is er een groot verschil tussen klachten over slapeloosheid en werkelijke slaapstoornissen. Observatie heeft aangetoond dat klagende ‘slapelozen’ vaak vele uren doorslapen en dat omgekeerd mensen die niet klagen soms tijden lang in bed liggen zonder te slapen, en bovendien overdag goed fit zijn. Bij kinderen komt daar nog bij dat men ook van ernstige problemen moet spreken als de ouders uitgeput raken en het gezinsleven min of meer ontwricht dreigt te worden. Wat men dan bij onderzoek voor oorzaken van deze noodsituatie kan vinden, is in feite te gevarieerd om uitputtend op te sommen.

In het algemeen kan men zeggen dat het vaak gaat om kinderen met een enigszins extreme constitutie of een ontwikkelingshandicap, die daardoor belemmerd worden ‘autonoom’ te worden, of wel zich een zekere zelfredzaamheid eigen te maken zoals dat normaal is op hun leeftijd. Of het gaat om een opvoedingsklimaat dat onvoldoende voorwaarden biedt om het kind te leren slapen, zoals te weinig structuur of te weinig leermomenten om zijn eigen problemen op te lossen, of te veel spanningen en gejaagdheid.

Het kan de thuissituatie zijn, maar evengoed de school en soms is het derde milieu de storende factor, dat wil zeggen de kinderen in hun omgeving. Misschien wordt het wel doorlopend geplaagd door een ander kind of heeft het een dominerend vriendje. Ook ontdekt men soms een acuut psychotrauma, ontstaan door een bedreiging of een angstige situatie waarin het kind verzeild is geraakt. Vaak zonder daar thuis over te reppen. Belangrijk lijkt me de ervaring dat onschuldige slaapproblemen bij een foutieve aanpak in hardnekkige slaapstoornissen kunnen overgaan. Als goede gewoonten een heilzame werking in de opvoeding kunnen hebben, is het te begrijpen dat foute gewoonten eveneens een groot effect kunnen hebben.

En dat is dan ook de weg waarlangs onaangename voorvalletjes uitgroeien tot ware rampen. Is men in zo’n extreme situatie beland, dan zal men met deskundige hulp en veel inzet van de ouders tot een gewoontevorming moeten komen die het probleem weer tot hanteerbare proporties terugbrengt om een eventueel medische of orthopedagogische therapie een kans van slagen te bieden.

Informatieverwerking

Slapen is gezond, zegt men. Maar wat is slapen eigenlijk, wat gebeurt er precies? De gegevens uit wetenschappelijke onderzoeken geven ons iets meer inzicht. Met een Electro-encefalogramonderzoek (eeg) kan men de elektromagnetische spanningsvelden bestuderen die ontstaan tijdens de fysiologische activiteiten van de hersenen. Die ‘velden’ veranderen, naar gelang de situatie en de leeftijdsfase van een mens. Dus ook bij waken en slapen verschillen ze. Een normale achturige nachtslaap blijkt in golven te verlopen van één à twee uur met een wisselende slaapdiepte. Als ik de slaap in een beeld vat: Het is een schip dat met de ziel als lading in de nachtwereld vaart en enkele malen per nacht in een ritmische golfbeweging de kust van het dagleven weer aanloopt, zonder echt de haven binnen te komen. Bij een lichtere slaapdiepte versnelt de ademhaling en de hartslag en treden er bewegingen op van het gelaat en de ledematen. Ook blijkt dat de slaper met zijn gesloten oogleden snelle oogbewegingen te maken. Men noemt dit de ‘REM-fase’ van de slaap (Rapid Eye Movement). Het interessante is nu dat het eeg op zo’n moment een activiteit registreert die deels bij het waakbewustzijn hoort. Als men de slaper in zo’n fase wakker maakt, herinnert hij zich zijn dromen het beste.

Naar aanleiding van de observaties bij de EEG-onderzoeken vermoedt men dat de diepe slaap het lichamelijke herstel en regulatie dient, terwijl de REM-fase de functie heeft van ‘informatieverwerking’. Deze constatering, namelijk dat de slaap een tweeledige functie heeft, komt overeen met de gegevens uit geesteswetenschappelijk onderzoek.

Van Rudolf Steiner weten we dat die nachtwereld de geestelijke wereld is, waaruit de ziel bij de geboorte van de mens op aarde is neergedaald. Dat die ziel daar ieder etmaal weer in terugkeert en in die nachtwereld de ervaringen – opgedaan in de dagwereld – verwerkt, is daarom zo belangrijk omdat de mens daardoor nieuwe kracht opdoet om weer in het aardse bewustzijn te ontwaken. Ons lichaam herstelt ondertussen in de nacht van de afbrekende invloed die ons bewustijn overdag op de levensprocessen heeft uitgeoefend. De slaap heeft dus kennelijk twee functies: één voor de ziel en één voor het lichaam!

Rondspoken

Er bestaat een duidelijke samenhang tussen ‘goed slapen’ en ‘je prettig voelen’. Zo kun je – zeker tegenwoordig – omgekeerd een verband constateren tussen het optreden van nervositeit en slaapproblemen.

Er is een interessant onderzoek van een huisarts uit Geldrop waaruit (eigenlijk tegen verwachting) bleek dat vijftig jaar geleden* de mensen niet beter sliepen dan nu. Ze gingen er echter anders mee om, ze bleven er rustig onder. Over zichzelf schrijft de huisarts: ‘Als kind lag ik veel wakker in bed en maakte van de wolken landen, dieren, gekke koppen. Zo beleefde ik door het dakraam kijkend de gekste avonturen en construeerde ik mijn wereld en mijn fantasie, mogelijk het belangrijkste dat wij als mensen hebben’. Uit deze zinnen komt een duidelijke beeld te voorschijn van een kind dat nog in staat was om zichzelf, vrij van de opgedane dagindrukken, dromend in de eigen ziel te beleven.

Alles is door de jaren heen in een versnelling geraakt. Ook de zintuigen worden vaker en heftiger aangesproken, waardoor het kind teveel indrukken opdoet om ze voldoende te kunnen verwerken. Wat staat er niet allemaal op het programma op een ‘kinderdag’: de school met de verkeersdrukte onderweg, sport en spel en buitenschoolse lessen en clubjes, baantjes om het zakgeld aan te vullen, televisie, feestjes. Het is of het zijn voedsel haastig door moet slikken zonder te kauwen en te proeven. Dat gaat bij sommige kinderen wel wat zwaar op de maag liggen. Zij krijgen zo de kans niet meer om de indrukken te verteren, ze ‘klaar’ te maken voor de slaap.

Een goede pedagogie en didactiek moet erop gericht zijn om het kind op de juiste manier te leren slapen.[1] De betekenis daarvan kunnen wij gaan inzien wanneer we de blik niet eenzijdig op het lichaam blijven richten maar gaan beseffen wat de ziel aan een gezonde slaap doormaakt. Indrukken die een kind verwerkt heeft, zich ‘eigen’ heeft gemaakt, worden door het verblijven van de ziel in de geestelijke wereld tijdens de slaap, omgevormd tot vermogens, tot zielekrachten. Dat kan niet gebeuren met half-verteerde indrukken, die blijven hoogstens in dromen rondspoken (hetgeen overigens eveneens een poging is om hen te verwerken). Om te bevorderen dat niet alleen het lichaam maar ook de ziel door de slaap nieuwe krachten opdoet, is het dus van belang het kind indrukken aan te bieden, die bij hem passen. Die het niet alleen met zijn verstand maar ook met zijn gemoed kan beleven, waar het met zijn eigen fantasie en creativiteit iets eigens aan kan toevoegen. In onze haastige, intellectuele en technische cultuur is dit niet meer een vanzelfsprekende zaak en vandaar dat we als opvoeders zulke indrukken bewust moeten aanreiken. Natuurlijk, zullen we dan eerst voor onszelf moeten gaan ontdekken waar deze te vinden zijn.

Dick Hütter, Jonas 6, *10-11-1989.
.

zie de artikelen onder [1-8] Algemene menskunde

.

meer over ‘slaap’

opvoedingsvragen: alle artikelen

leerproblemen: alle artikelen

menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1565-1465

.

.