Tagarchief: schoolbestuur

VRIJESCHOOL – Sociale driegeleding (5-9)

.
In de jaren eind vorige eeuw was er binnen de vrijeschoolbeweging een streven om zoveel mogelijk (bestuurlijk) te werken vanuit de gedachte van de sociale driegeleding.
Dat lijkt in het eerste kwart van deze eeuw flink verwaterd.

Als archiefstuk, en wellicht weer als toekomstige kiem, hier een aantal gezichtspunten.
Die zijn ook vandaag nog actueel: wat stralen we uit naar on ze leerlingen, hoe gaan we met elkaar om? Enz.
.

Verslag van de tweede studiebijeenkomst “Vrije School en sociale driegeleding”, d.d. 29 maart 1983 op de Reehorst te Driebergen.
.

Vrij geestesleven als scholingsweg voor de sociale omgang in de school.

Inleider: Jack Moens

Aan het begin van de avond stelde JM de vraag wat er gedaan was met de ervaringen van de vorige bijeenkomst, in de concrete situatie op school. De meeste aanwezigen hadden de avond ervaren als stimulerend, krachtgevend en inspirerend; het toen gezegde was voor iedereen herkenbaar en toepasbaar in de eigen situatie. Over het algemeen werden de ervaringen, zowel schriftelijk (via mededelingenbladen) als mondeling doorgegeven aan ouders, colleges en besturen. Veel concrete initiatieven waren er echter nog niet uit voortgekomen.

Aanhakend aan de opmerkingen over de heersende onzekerheid bij de drie geledingen binnen de school, over eigen doel, status, verantwoordelijkheden en onderlinge werkwijze, merkte JM op, dat we in een ik-gerichte tijd leven. Men is daarbij zeer sterk op zichzelf betrokken, zoekende naar de werkelijkheid, de werkelijke waarde van dat “ik”. In die onzekerheid over het eigene ligt de oorzaak van veel storingen in het omgangsleven. Maar in diezelfde onzekerheid ligt ook de bron, de aanzet tot nieuwe ontwikkelingen. Want het is onze opdracht om onszelf te vinden, te zoeken naar onze wezenlijke kern, de geestelijke mens. Onder de druk der omstandigheden (economische recessie, staatsbemoeienis etc) worden we echter steeds meer gebonden aan aardse materialistische krachten en steeds weer afgehouden van een opstijging naar de geestelijke wereld. Willen we krachten ontwikkelen, die ons in staat stellen uit onszelf te komen, die ons in staat stellen de juiste sociale inrichtingen te scheppen, dan moeten we teruggaan naar de bron, waaruit ons die krachten toestromen, het geestesleven.
Ook Steiners beginpunt om te komen tot maatschappelijke hervormingen was.- (en is) het vrijmaken van het geestesleven uit de omklemming van economie en staat (zie  GA 23     De kernpunten van het sociale vraagstuk

Geestesleven

Wat is dat nu: geestesleven? We zijn vanavond bijeen in een gezamenlijke zorg voor de Vrije School. In die zorg ontmoeten we elkaar. Willen we echter verder komen, dan moeten we ons ervan bewust zijn dat we ons niet ten bate van onszelf, maar voor de ander moeten ontwikkelen. Wij moeten leren in onszelf ruimte te laten ontstaan opdat we de ander innerlijk kunnen ontvangen, die ander wezenlijk, als geestelijke realiteit, kunnen ontmoeten.

We moeten leren de ander te zien in zijn geestelijke kern, daarbij onze eigen gevoelens, begeertes, sympathieën en antipathieën terughoudend. Deze oefenweg brengt ons geleidelijk tot het erkennen van de geestelijke wereld als realiteit. Het gaat er daarbij niet om antroposofische literatuur van buiten te leren, want dan begrijp je nog niets van de geestelijke wereld. Verdiep je daarom eerst in de mens tegenover je, in diens karakteristieken, zijn biografie, en leer zijn wezenskern kennen. We zijn echter nog zo sterk met onszelf, onze groep, onze school bezig, dat we te weinig open staan voor de ander en geen wezenlijke interesse hebben. Volgen we echter de oefenweg, dan worden we wakker aan die ander, want we zien het geestelijke altijd eerst bij de ander, en dan pas bij onszelf.

Wij herkennen dan ook wat ons bindt, onze gemeenschappelijke idealen, onze oergedachten, de wezenlijke ideeën die ons drijven, die ons de vraag voorleggen: waarom zijn we hier, wat doen we hier, waarom ben jij leerkracht, ouder etc? Dan zien we de mens werkelijk als geestdrager, dan ervaren we de geestelijke wereld, (zie ook GA 257/104   De antroposofische beweging, voordracht VI).

Wij leven in het ik-tijdperk, dat is al vaker geconstateerd. Dat “ik” is kwetsbaar en uit onzekerheid overschreeuwt het zichzelf: ik heb niks te maken met een ander,.. dat is mijn goed recht, wie doet me wat, etc. etc.

Dat begrip van wat vrijheid is, was niet datgene wat Rudolf Steiner met Vrij Geestesleven bedoelde. Het was niet de vrijheid maar te doen wat je wilt; integendeel, het is de vrijheid dat te doen wat in je diepste wil ligt, niet voor jezelf, maar voor de ander. Die onbaatzuchtigheid moeten we in onszelf wekken. En met die onbaatzuchtigheid moeten we dan onze scholen zó inrichten dat we onze oergedachten kunnen verwezenlijken tussen de mensen, zodat de jonge mens tot werkelijk mens kan uitgroeien, uitgroeien tot een mens die zich zelf bewust is geworden, een wezenlijk “ik” heeft. Dat “ik” is dan geen illusie, geen product van de omgeving, het is een kracht, een directe ervaring van het Vrije Geestesleven.

Het zal duidelijk zijn dat in een vrij geestesleven zich allerlei verschillende “ik-ken” manifesteren. Leidt dat nu niet tot versplintering? Tot desintegratie?

Om deze vragen te beantwoorden moeten – we wederom – teruggaan tot de voorgeboortelijke, geestelijke wereld. Vanuit die spirituele wereld komen impulsen op aarde, incarneren de mensen. Op een ogenschijnlijk willekeurig moment komen een aantal mensen bijeen en willen iets: ze nemen het initiatief tot het stichten van een school.
In de eerste fase van zo’n geestelijke impuls komt tot uiting dat het initiatief gedragen wordt door een aantal individuen, “ik-ken”, die verbonden zijn in een groot enthousiasme, een grote werkkracht, een persoonlijke lotsverbondenheid.

In de daarop volgende fase merkt men dat die geestelijke impuls dan ook werkelijk op aarde gekomen is, en onderworpen raakt aan aardse beperkingen. Men moet onderkennnen dat de mens steeds meer gekluisterd is aan de aarde, aan de materie, en dat de opening naar boven, naar het geestelijke zich sluit. Op dat moment openbaren zich binnen de scholen de grootste problemen. Er ontstaan organen (colleges, ouderraden etc.) die als het ware los staan van het ‘lichaam’ van de school. Ieder orgaan meent dan dat het belangrijker is dan een ander. Die versplintering is alom te zien. Zoals ook in een menselijk lichaam het ene orgaan niet boven het andere staat (dan word je ziek), zo ook geldt dat voor de Vrije School: ook die kan ziek worden. Dit ziekteproces kan in twee richtingen uitgroeien:

1. Naar een creatieve chaos, waarin angst om zich vast te leggen, uit te spreken, afspraken te maken, hoogtij viert.

2. Naar een over-georganiseerd geheel, een super-structuur, die door een overmaat aan bureaucratie zichzelf verstikt.

Daartussenin ligt de derde weg: een levend organisme, dat de ontwikkelingen van het kind ten goede komt; een orgaan heeft daarbinnen alleen een functie in het geheel van het lichaam. 

In deze tweede fase moeten we dus trachten een levende schoolorganisatie op te bouwen, waarin het zgn. functie-organisme geen kans krijgt.

In de derde fase moet de school, eenmaal volgroeid, zich bewust worden van haar culturele opgave, en maatschappij-vernieuwend naar buiten treden. De school moet daartoe aan de wereld laten zien een levende impuls op spiritueel gebied te zijn.

Dit gebeurt nu nog te weinig; voor de toekomst echter is dit van groot belang. Concluderend kunnen we zeggen dat ook de school een levensweg doormaakt: een initiatief komt op aarde en zaait zich uit onder de mensen; nieuw leven ontstaat voor weer nieuw zaad in de toekomst. Juist in deze tijd is dat nieuwe leven zichtbaar in de Christus-figuur: Christus als ware mens, die zich voortdurend openbaart tussen mensen die elkaar wezenlijk ontmoeten.

Na de pauze
waarin in kleine groepen werd gediscussieerd over de consequenties van het hierboven gestelde in de eigen concrete schoolsituatie, kwamen direct een aantal vragen en opmerkingen naar voren die door JM en passant werden behandeld.

Over de werkelijkheid van het geestesleven

Het geestesleven moet absoluut merkbaar, voelbaar zijn. Alleen een zoeken, een streven ernaar kan niet voldoende zijn. De spirituele ‘substantie’ moet aanwezig zijn, anders kan het niet stimulerend werken, pakkend zijn voor jonge leerkrachten en jonge ouders, onervaren bestuursleden.

De enige overlevingskans voor de VS is het opbouwen en in standhouden van die innerlijke kracht. Dat geestesleven moet dus concreet zijn, sterker nog, je kan je afvragen wat dat wezen wil, welke richting het wil gaan. Dat proces kun je beschrijven in een beeld, bv. in een biografie van de school. Dat is dan ook helemaal niet abstract, dat beeld leeft vanuit de offerkracht van de mensen die de school dragen: daar wordt de geestelijke wereld tot realiteit.

Over de ‘ik-cultuur’ en de persoonlijke tegenstellingen

Wij moeten af van de illusie dat het op een VS altijd harmonieus zou moeten toegaan.
In onze tijd geldt dat harmonie-model niet meer. De individualiteit van de mens is nu eenmaal geboren, oude normen en waarden vallen daarmee weg. Tegelijkertijd ontstaan echter nieuwe gemeenschappen op grond van wat mensen gemeenschappelijk willen. We zijn natuurlijk wel verschillend, uniek, eigen persoonlijkheden, maar we zijn ook direct afhankelijk van elkaar. Niets kan er gebeuren zonder de ander, en je kunt alleen verder komen als je je spiegelt aan de wil van de ander, daarna ruimte maakt om de individualiteit van de ander zichtbaar te maken in jezelf. Op deze wijze kunnen individuen toch samen iets nieuws maken. Men moet dus a.h.w. die verschillen productief maken, vruchtbaar maken t.o.v. het geheel.

We moeten ervoor oppassen echter niet te zeer aardse krachten (scheidende krachten) te laten overwinnen: dat leidt tot verharding, eigenliefde, specialisatie en eenzijdigheid. Daarom ook moeten we de zin van het anders-zijn leren begrijpen, zodat we met al die verschillende krachten iets kunnen opbouwen. Dit nu kan alleen als er ondanks verschillen een werkelijk onderling vertrouwen heerst. Want dan pas kunnen we in een structuur werken die we uit eigen vrije wil scheppen, en die toch hiërarchisch is. Dit kan ook, nl. in een mandaat-organisatie, als tussenweg tussen de verlammende beperkingen van aristocratie en democratie. Ontbreekt dat vertrouwen dan is het dodelijk, dan is er geen basis voor een gemeenschap die een school draagt. Ook in dat vertrouwen moeten wij ons oefenen, leren onbaatzuchtig te zijn. We moeten leren verantwoordelijkheden te delegeren, verantwoordelijkheden op ons te nemen, en ieder de gelegenheden te geven fouten te maken.

Over besluitvorming en menselijke omgang

Het zal van steeds groter belang zijn tot een zuivere besluitvorming te komen. We zullen tot een goede wederzijdse informatie-verzorging moeten komen, vooral moeten leren goed te luisteren, en af te tasten of een besluit wel door alle geledingen van de school gedragen wordt. In een besluit moet datgene gezaaid worden, wat in alle geledingen kan ontkiemen tot heilzame impulsen voor de toekomst. Besluiten moeten zó genomen worden dat de gehele gemeenschap ze kan dragen, ook al zijn individuen het er niet mee eens.

Het omgangsleven, dat uitgaat van de realiteit van het vrije geestesleven, overbrugt de spanningen tussen het individuele ‘ik’ en het geheel (school of maatschappij).

In de gelijkwaardigheid van de ontmoeting van mens met mens manifesteert zich het geestesleven dat als bron van kracht en inspiratie onuitputtelijk is.

Verslag: Rob Zijlma

.

Sociale driegeledingsamenwerking

Sociale driegeleding: alle artikelen

Opvoedingsvragen: alle artikelen

Menskunde en pedagogiealle artikelen

Vrijeschool in beeld: alle beelden

.

3404-3202

.

.

.

VRIJESCHOOL – 100 jaar vrijeschool (3-1/1)

.

  SLUIMERENDE ACHTERGRONDEN

Na 100 jaar vrijeschool kun je niet zeggen dat de vrijeschoolbeweging heeft bijgedragen aan een grotere ‘vrijheid van onderwijs’; aan de impuls voor een vrijer geestesleven.

In zijn nawoord bij de uitgave van Steiners ‘Opvoedkunst-methodisch-didactische aanwijzingen‘ schrijft Christof Wiechert:

‘De avond voordat de cursussen op 20 augustus 1919 begonnen werd een bijeenkomst belegd, waarin Steiner de cursisten voor­hield dat deze nieuwe pedagogie niet beperkt bleef tot het les­geven alleen. Ook de sociale ‘gestalte’ van de school zou de geest van deze nieuwe pedagogie tot uitdrukking brengen. Een nieuwe werkwijze vraagt om nieuwe sociale vormen. Het zou bijvoorbeeld geen school worden waarin een directeur zou bepalen wat er moest worden gedaan. Het zou geen werk worden dat je vanuit een luie stoel zou kunnen doen. Ieder zou volledig verantwoordelijk wor­den voor alles wat hij deed, voor alles wat de school zou betreffen.

‘Daarom zullen we de school niet volgens overheidsprincipes, maar volgens organisatorische principes inrichten, namelijk repu­blikeins. In een werkelijke lerarenrepubliek zullen we niet achter­over kunnen leunen, niet kunnen aanleunen tegen regels die van de schoolleiding komen, maar moeten we zelf inbrengen wat ons de mogelijkheid geeft, wat ieder van ons de volle verantwoorde­lijkheid geeft voor wat ons te doen staat. Ieder moet individueel volledig verantwoordelijk zijn.

Dat wij geen schoolleiding zullen hebben, kunnen we onder­vangen door deze voorbereidende cursus te houden, door ons daarin eigen te maken wat de school tot een eenheid smeedt. We zullen die eenheid bereiken door deze cursus, als we ons echt se­rieus inzetten.’

Opmerkelijk aan deze toespraak is dat schoolleiding opgevat wordt als richtinggevend, identiteit stichtend, eenheid schep­pend. Eenheid in de zin dat uit één geest gewerkt wordt, uit één herkenbare, eenduidige kwaliteit. Later werd deze functie overge­dragen aan de lerarenvergadering. De toekomstige leraren wisten dus wat hen te wachten stond.’

Geen schoolleiding betekende toen vooral ook geen directie, geen directeur. Het ging om andere vormen van leiding geven – in overeenstemming met de idee van de sociale driegeleding.
Deze idee is m.i. indrukwekkend uitgewerkt door Dieter Brüll in zijn: ‘De sociale impuls van de antroposofie’.

Nu ook alle vrijebasisscholen een directie, c.q. een directeur hebben – de middelbare scholen liepen voorop – is dat een indicatie dat ook op dit gebied de ‘sociale impuls van de antroposofie’ geen realiteit is geworden.

Jaren geleden al werd Steiners oproep om ‘een republikeinse leiding’ al uitgewerkt door een van de leerkrachten van de vrijeschool in Stuttgart, Ernst Lehrs. Zijn opvattingen zijn niet door iedereen geaccepteerd als dat wat Steiner bedoelde. (Dieter Brüll: republikeins en democratisch (nog niet oproepbaar)

ERNST LEHERS:

REPUBLIKEINS, NIET DEMOCRATISCH

Toen Rudolf Steiner vanuit het lerarencollege van de Waldorfschool in Stuttgart in de eerste jaren van haar bestaan eens gevraagd werd, wat voor een vorm de juiste voor zo’n college zou zijn, gaf hij ten antwoord: Een republikeinse, geen democratische.

In de loop van de volgende jaren, toen we na Dr. Steiners dood worstelden om een doelmatige vorm van samenwerking binnen dit college, werd het ons duidelijk, wat met deze aanwijzing bedoeld werd, en dat daarmee een geheel nieuwe sociale opgave gegeven was die aan de geest van onze tijd beantwoordde. In het beleven en ondervinden van dit worstelen, kon ook duidelijk worden wat de moeilijkheden voor een juiste oplossing van deze opgave zijn. Aan de andere kant bleek, dat aan de Antroposofische Vereniging, die tijdens de “Weihnachtstagung” opgericht werd, juist deze sociale taak in het groot gesteld werd. Rudolf Steiner heeft zelf het beste voorbeeld voor republikeins handelen gegeven, daar hij de oprichting tot in details in de hand had.

Het wel en wee van de Vereniging maakt het wenselijk dat ook eens van deze kant de grondbeginselen belicht worden.

Om niet gelijk met een begripsbepaling te beginnen, begin ik liever met een praktisch voorbeeld dat mij, nog voordat ik kennis genomen had van Dr. Steiners aanwijzing, vlak voor het begin van mijn eigen leraarschap aan een Waldorfschool, opviel. Dit voorbeeld heb ik, vanwege de betekenis die ik er meteen aan toekende steeds levend in mijn herinnering gehouden. Het was na een generale repetitie voor een maandelijks schoolfeest, die ik enige tijd voor mijn verhuizing naar Stuttgart tijdens een voorbespreking met Dr. Steiner had bijgewoond.

Daar hoorde ik twee euritmiejuffen kritiek geven op de volgorde van het programma, waaraan zij met een of meer opvoeringen deelnamen.

Daar hun kritiek eensluidend was, vroeg ik hun verbaasd, waarom ze de volgorde niet veranderden of lieten veranderen. Toen legden zij mij uit dat het een besluit van het gehele college was om aan één collega het bepalen van de programmavolgorde toe te vertrouwen. Tussen de repetities en de generale repetitie had hij deze volgorde vastgelegd, waarna een verandering niet meer mogelijk was. Als iedereen tot op het. laatste ogenblik zich ermee zou blijven bemoeien, zou er nooit iets tot stand komen.

Als wij eenmaal zelf iemand uit ons midden een opdracht gegeven hebben, moeten wij ons natuurlijk bij zijn besluiten neerleggen, al zijn wij het er innerlijk niet mee eens. Had ik toen Rudolf Steiners principiële aanwijzing al gekend (die het college als geheel echter nooit bewust in zich opgenomen had) dan was mij het “republikeinse” trekje hierin meteen duidelijk geweest. Toen hiertegen later zo bedroevend veel gezondigd werd, moest ik vaak aan deze belevenis terugdenken.

Wat onderscheidt een republikeinse van een vroegere theocratisch-hiërarchische bestuursvorm en wat had Rudolf Steiner in de zin toen hij deze in tegenstelling tot een democratische bestuursvorm juist een “republikeinse” noemde?

Zoals wij weten, waren de sociale structuren van de mensheid puur verticaal door de geestelijke leiding van boven af bepaald. Het invoeren en handhaven van deze structuren was voor de ingewijde priesters weggelegd.
De stand waar de leden van deze samenleving toe behoorden, was op grond van de door de geboorte bepaalde bloedsbanden vastgelegd. Daardoor waren de capaciteiten en daarmee de mogelijkheden tot functioneren van de enkeling in de gemeenschap, bepaald. Het was de taak van de ingewijde die de godheid vertegenwoordigde, respectievelijk de godheid die door de ingewijde werkte om deze kwaliteiten op de juiste plaats in te zetten.

In de plaats van deze verordening kwam in Griekenland voor het eerst de democratie; in Rome de Republiek. Van deze democratie maakt men zich echter een verkeerde voorstelling wanneer men het hedendaagse begrip van de democratie hierop toepast. Het woord betekent weliswaar volksheerschappij en het moest uitdrukken dat datgene wat vroeger puur van bovenaf geordend en bestuurd werd, nu in handen van de leden van het sociale organisme zelf gelegd werd. Maar het volk was nog steeds een door bloedsbanden verbonden groep met een gemeenschappelijke groepsziel, waardoor de werking van een bepaald goddelijk wezen ervaren werd.
Op deze groepsziel beriep men zich daarom ook bij alle gemeenschappelijke aangelegenheden en men voelde dat men aan de groepsziel ook verantwoording schuldig was.
We herinneren ons hoe Rudolf Steiner het geval Aristides beschreef, een individualiteit, die zijn tijd ver vooruit was, door zijn medeburgers hoog geëerd en zelfs met de bijnaam “de rechtvaardige” aangeduid werd. Tegelijkertijd werd hij echter verbannen omdat hij uit de groepsziel viel. Pas in Rome verdween deze nog steeds verticale blik naar boven en voor het eerst kwam het begrip van de “socius” van de kameraad op (waaruit dan de uitdrukking “sociaal” met al haar verschillende toepassingen ontstaan is) overeenkomstig de nieuwe in vergelijking met de vroegere horizontale blik. En zo legt de Romein er de nadruk op dat de ordening en regeling van de gemeenschappelijke aangelegenheden “openbare zaak -res publica- is”.

Wel was het nodig dat het sociale geheel verticaal gerangschikt werd, maar dit kwam voort uit besluiten van de socii, die genomen waren op grond van de hun allen toegankelijke inzichten in de gemeenschappelijke belangen en op grond van hun zelfgevormd oordeel over de geschiktheid van hun medeburgers, die zij een bepaalde functie willen toevertrouwen.

En toch had Rome aan het begin van zijn geschiedenis nog een tot op zekere hoogte kosmisch verbonden koningschap nodig. En het blijkt uit het uitmonden van de romeinse geschiedenis in het keizerschap met zijn zelfvergoding van de almachtige heerser, hoe weinig de mensheid in staat is op den duur meester over een dergelijke sociale ordening te blijven.

Voor ons doel moeten we nog een ander sociologisch begrip verduidelijken, namelijk de aristocratie. Het moderne taalgebruik kent dit woord als aanduiding voor een bevolkingslaag die zich door een bepaalde bloedsband van andere lagen onderscheidt. Met deze bloedsband waren rechten en plichten van een hogere aard binnen de menselijke maatschappij verbonden die echter tegenwoordig, niet meer gelden.
Daarmee is dit woord echter ver afgedwaald van zijn oorspronkelijke betekenis. Want ten eerste betekent het letterlijk een sociale ordening en geen stand, net als het woord democratie, en ten tweede betekent het op zich een heerschappij der besten, waarbij het sociale “beter-zijn” echter door de bloedsband bepaald was.

In de strijd tegen de traditionele aanspraken van een verticale “aristocratische” sociale ordening die puur en alleen gebaseerd is op door bloedsbanden bepaalde voorrechten, kwam in de nieuwe tijd het begrip van de democratie op, nu echter zonder die antieke relatie met de bovenzinnelijke kant van de “demos”. Ieder maakt in dezelfde mate deel uit van het volk en bepalen als gelijken onder elkaar hun gemeenschappelijke aangelegenheden.
Het is niet mogelijk en ook niet nodig om er hier in detail verder op in te gaan, hoe dit tot het parlementarisme heeft geleid met zijn verschillende systemen van vertegenwoordiging van groepsbelangen door gekozen vertegenwoordigers en hoe door de methode van de meerderheidsbesluiten de uitwerking wan de sociale impuls die op zich aan de eisen van de tijd voldeed, juist tegengehouden werd. (Zie voordracht III in “Geschichtliche Symptomatologie” gehouden op 20 oktober 1918 in Dornach GA. 185).

Het is echter juist deze vervalsing – veroorzaakt door de aanvankelijk bestaande onbekwaamheid van de mensen van de nieuwe tijd om voor de nieuwe sociale impuls de overeenkomstige begrippen te vormen – die tegenwoordig in de Westerse wereld algemeen als democratie wordt aangeduid. Op dit begrip van de democratie had Rudolf Steiners aanwijzing “niet democratisch” betrekking.

We willen nu proberen om aan de hand van het begin geschetste voorval uit het leven van de Waldorfschool te verduidelijken wat in tegenstelling tot de democratie, in de laatst genoemde betekenis, een republikeinse gemeenschapsordening is.
Graag knoop ik daarbij nog eens aan bij mijn ervaringen, die ik opdeed tijdens de lange periode als Waldorfleraar.

De lerarenconferenties van onze scholen zijn altijd in een pedagogisch en een organisatorisch gedeelte opgesplitst (met verschillende namen voor dit laatste gedeelte). Het is dit laatste gedeelte waar wij vaak het moeilijkst vat op kunnen krijgen, juist omdat het de scholingsbasis voor het nieuwe sociale gedrag vormt. Wij willen ons daarom hier slechts bezighouden met dit organisatorische gedeelte. Het is kenmerkend dat dit gedeelte in een school met een directeur niet bestaat. Want alleen daar waar de “zaak” (res) van de school een aangelegenheid is van alle leraren (publica) is zo’n organisatorisch gedeelte nodig.

In zo’n college heeft dus elk lid het recht en de plicht om over alle interne of externe aangelegenheden betreffende de school geïnformeerd te worden. Ook heeft elk lid het recht en de plicht om aan gemeenschappelijke meningsvorming over de te nemen maatregelen voor het bestuur van de school – in het groot en in detail – mee te werken. Voor de uitoefening van afzonderlijke zaken zoals – de relatie met de overheid met de ouders, het beheer van de financiën, het beheer van de gebouwen en de leermiddelen enz. het voorzitterschap van de conferentie – zijn mensen nodig die deze functies toevertrouwd krijgen.

Zij worden door het college benoemd vanuit het gezichtspunt dat zij op dat moment de “besten” voor deze functie zijn. Deze benoeming mag en moet – om voor de hand liggende redenen, waar wij echter nog dieper op in zullen gaan – in het algemeen voor een bepaalde tijd gelden.

De duur van deze tijd wordt ook gemeenschappelijk vastgelegd. Indien de gemeenschap op deze in eerste instantie democratische wijze een hiërarchie van functionarissen opbouwt, is de relatie hiertoe vanaf dat moment niet meer puur democratisch.
Want nu wordt die regel van kracht, waarvoor ik het eerder geschetste voorbeeld uit het leven van de school ter verduidelijking aanhaalde.
Want voor de duur van hun ambtsuitoefening vormen deze functionarissen t.o.v. het college een “aristocratie” met wiens maatregelen het volk in moest stemmen. Bij deze tussenfase van democratie naar de ware republiek die zoals hier duidelijk wordt geenzins in tegenstelling tot het ware begrip van de aristocratie staat, komen nu echter twee wezenlijke factoren naar voren. Als men hier niet steeds rekening mee houdt en ze bewust handhaaft, dreigt de republiek voortdurend of tot een pure democratie of tot een oligarchie (heerschappij der weinigen) te vervallen. Het zijn deze factoren waartegen vanuit de menselijke aard steeds weer gezondigd wordt en het is een ware kunst deze te herkennen en in ons levenspatroon op te nemen. Maar daarin schuilt nu juist de moeilijke, maar eigenlijke sociale taak. Want zoals we zullen zien is dat niet zonder een offer van beide kanten mogelijk.
Als de functionarissen eenmaal hun taak op zich hebben genomen, moeten zij deze naar beste weten kunnen vervullen. Maar een mens kan nu eenmaal op zijn best werken als hij in meerdere of mindere mate creatief bezig kan zijn. Daarvoor moet hem echter de mogelijkheid geboden worden vrije initiatieven te ontplooien, want slechts dan is hij in staat vanuit zijn ik te werken. Daarbij mag hij dus niet worden gehinderd omdat men er zich voortdurend democratisch mee bemoeit, of zelfs op democratische wijze besluiten over zaken neemt die op zijn terrein liggen en hem dan ook nog dwingt deze uit te voeren. In de praktijk is het al niet meer makkelijk om op dat punt een stapje terug te doen. Want de functionaris wordt door de groep weliswaar gekozen omdat hij naar verhouding de beste is, maar niemand is volmaakt en het kan gebeuren, dat in het ene of andere geval een niet functionaris de zaak werkelijk beter had gedaan. Dan moeten zij achter hun besluit om een enkeling uit te kiezen, blijven staan en moeten zij elke consequentie van de handelwijze van de functionaris aanvaarden en broederlijk met hem dragen. Als hij op den duur ongeschikt blijkt te zijn, dan heeft men de mogelijkheid hem na afloop van zijn ambtstermijn – of in uitzonderingsgevallen reeds eerder, hem door iemand anders te vervangen.
Maar een vermeend of, werkelijk falen in zijn functie mag er echter niet toe leiden dat men de verdere ontplooiing van zijn vrije initiatieven beperkt of verhindert. Want dan zal hij stellig steeds meer fouten gaan maken! En terwijl men denkt dat hij zelf het bewijs aangedragen heeft om zijn capaciteiten te wantrouwen, ziet men niet dat men daaraan zelf schuldig is.
Toen ik in het begin van de jaren twintig lid van de Vereniging werd, waren er in Stuttgart veel van zulke “lijken”, een uitdrukking die Dr. Steiner zelf gebruikte.

Ik kan mij nog menig geval herinneren, waarbij het college van leraren in de democratie was afgegleden, waarbij de kracht van het individu om initiatieven te nemen verlamd en zelfs bijna geheel vernietigd was.

En daaraan veranderde ook niets toen men van meerderheidsbesluiten afstapte in de veronderstelling dat daardoor de democratie vermeden zou worden, en men unanimiteit tot een voorwaarde voor besluitvorming maakte. De betreffende functionaris kon dan wel een goed bedacht plan ter tafel brengen, maar de tegenspraak van slechts één collega was al genoeg om de uitvoering van het plan te vrhinderen. Velen stelden zich dan gerust met de gedachte dat er “tenminste” niets gebeurde.

Maar in werkelijkheid ligt deze situatie geheel anders. Ik wil dit illustreren aan de hand van het beeld dat vóór het ter tafel brengen van het initiatief in het college een “nulniveau” met een positief veld erboven en een negatief veld eronder bestond. Door het inbrengen van het initiatief ontstaat in eerste instantie een situatie boven het nulniveau. Als het initiatief echter op de geschetste manier de grond in geboord wordt, zakt de situatie niet op het nulniveau terug maar zakt even ver eronder als het voordien erboven lag.
Op deze wijze worden in het levensorganisme van een dergelijke instelling geestelijke lege ruimten gecreëerd, waarin juist het tegenovergestelde van de goede geesten van de betreffende groep mensen gaan werken.
De zaak ligt anders als door de ruggenspraak van de functionaris met de groep de functionaris zelf ervan overtuigd is geraakt dat hij beter niet of anders moet handelen.

Maar dat brengt ons op het andere aspect van het hier besproken sociale probleem. Ondanks de grote “aristocratische” vrijheid, van de functionarissen moet de “res” immers een “publica” blijven, de zaak is de zaak van de gemeenschap.
Dat maakt het noodzakelijk dat de groep voortdurend door juiste informatie de hun betreffende belangen in het bewustzijn heeft, en wel zo dat de enkelingen over de voorwaarden beschikken om een objectief oordeel te kunnen vormen en daardoor de functionarissen doelmatig te kunnen adviseren. Aan de kant van de functionarissen bestaat het gevaar dat het bij hun taak behorende aristocratische element in oligarchie ontaardt, als zij op grond van hun behoefte om hun handelingsvrijheid te behouden de groep niet genoeg informatie verstrekken, noch rekenschap afleggen. Deze situatie ontstaat gemakkelijk juist daardoor dat de groep haar adviesrecht overschrijdt doordat zij, zoals reeds werd geschetst, de in haar kring geuite meningen als richtlijnen aan de functionarissen proberen op te dringen. Het is zijn plicht om serieus naar elke mening en elk advies te luisteren, of en in hoeverre hij ze voor zijn handelen gebruikt, is zijn eigen keuze.

“Vrijheid opofferen ter wille van een hogere vrijheid”, heeft Rudolf Steiner eens als motto voor geestelijk verplichtende menselijke samenwerking gebruikt. Zonder dit is een echte republiek of zoals wij haar nu misschien wel mogen noemen een echte aristo-democratie niet mogelijk. Als men er aan beide kanten elke dag weer naar streeft het noodzakelijke offer te brengen – aan de kant van de “demos”: het handelen van de “aristoi” als zelf gekozen lot te aanvaarden en mede te dragen en aan de kant van de aristoi: aan de “demos” de rol van het eigen bewustzijnsorgaan toe te kennen – dan ontstaat er tussen twee polen een ritmische tussensfeer waarin het ik van de gemeenschap tot leven kan komen.

De atmosfeer die ontstaat doordat er met de wederzijdse belangen welwillend rekening gehouden wordt, maakt dat het lichaam van de gemeenschap daarin gezond kan ademen.

In het oorspronkelijke artikel gaat Lehrs met de hieronder staande woorden verder. Voor het onderwerp van het besturen van een vrijeschool is het niet direct onmisbaar, vandaar dat het in de genoemde Erziehungskunst* niet is opgenomen.

Als iemand meent dat het proces van het oprichten van de Vereniging kerstmis 1923 geen in de geschetste zin republikeins proces is geweest en dat de opbouw van de Vereniging niet republikeins is, dan heeft hij beide niet wezenlijk begrepen. Men zou geneigd zijn te geloven dat het in dit geval anders ligt omdat Rudolf Steiner als ingewijde in de zin van de door hem beoogde vernieuwing van de mysteries – overeenkomstig de vroegere mysterieleiders – de Vereniging vanuit de geest heeft opgericht en haar zijn geestelijke fundamenten heeft gegeven.
Zeker had men hem nodig met al zijn capaciteiten om dit allemaal op deze manier tot stand te kunnen brengen. Maar voor het republikeinse element betekende het slechts een metamorfose, niet de vervanging door een wezenlijk ander element.
Ja, zoals wij nog zullen zien, geldt iets wat men eigenlijk slechts op een gebeurtenis als de Weihnachtstagung zou willen toepassen principieel wel degelijk voor elk republikeins georiënteerd sociaal streven.

Laten we eens beschouwen hoe Dr. Steiners positie als voorzitter van de Vereniging tot stand is gekomen. Het is echt niet zo gegaan dat hij een vereniging heeft opgericht met zichzelf als voorzitter en hij ons dan gevraagd heeft om er lid van te worden. Integendeel, hij heeft ons aangeboden met hem samen een vereniging op te richten en hij was bereid er voorzitter van te worden. Hij stelde als voorwaarde dat wij een bepaalde groep mensen als zijn medewerkers in het bestuur zouden accepteren, want slechts samen met deze mensen zou hij het werk kunnen doen. Toen ervoer men voor het eerst dat als een sociaal principe van onze tijd vrijheid tegenover vrijheid kwam te staan, zoals wij later nog vaak zouden ervaren, en hoe hij zelf uitdrukkelijk verklaarde dat dit voor de handhaving van de esoterische school gold. [1]

Want wij hadden de vrijheid om dit voorstel te accepteren en Rudolf Steiner had de vrijheid door de condities die met zijn voorstel verbonden waren. Zijn positie werd pas reëel toen wij onze toestemming aan zijn keuze van medewerkers gegeven hadden. Hij heeft daarna dit bestuur wel voortdurend en nadrukkelijk als esoterisch aangeduid.

Maar dit betekende slechts dat de redenen waarom deze persoonlijkheden als de voor deze taak meest geschikten beschouwd konden worden uit een wereld stamden die boven de zintuiglijke waarneming en het verstandelijke oordeel uitging. Daarmee appelleerde hij niet aan ons oordeel over deze mensen, maar aan ons oordeel over hemzelf als iemand die in staat was in deze esoterische wereld objectief onderzoekingen te kunnen verrichten.
Al zijn handelen had ons de basis gegeven voor dit oordeel. Desondanks vond hij het niet overbodig om aan de toenmalige vergadering de leden van het op te richten bestuur een voor een voor te stellen met een korte karakterisering van enige eigenschappen, die zintuiglijk waarneembaar waren. Dan liet hij elk lid apart door acclamatie bevestigen. Hij wees er toen nadrukkelijk op dat dit bestuur niet op de normaal gebruikelijke wijze door verkiezing was ontstaan, dus niet langs democratische weg, [2] maar het was in de juiste zin van het woord republikeins. En hoe geduldig heeft hij dan het publiek uitleg gegeven en hun vragen over elke paragraaf in de grondbeginselen van de vereniging gedetailleerd beantwoord.
Aansluitend liet hij elke paragraaf apart door de aanwezigen bekrachtigen. Alles werd zo gedaan dat de nieuwe “res” ook werkelijk een “publica” zou worden. Daartoe behoorden alle antroposofen uit die tijd. Want de vergadering werd immers geheel in de trant van wat er in alinea 2 van de grondbeginselen staat, gehouden: “De vaste kern van deze vereniging wordt gevormd door de Kerstmis 1923 bijeengekomen persoonlijkheden, zowel de enkelingen als ook de groepen die zich lieten vertegenwoordigen. De algemene vergaderingen die in de toekomst gehouden zouden worden waren dan ook niet anders bedoeld. [3]

Rudolf Steiner betrok dus allen tezamen bij zijn handelingen en hij sloot daarvan niet eens de daad van de geestelijke grondsteenlegging uit. Natuurlijk was hij bij dit cultische gebeuren in zekere zin een hogepriesterlijke bemiddelaar tussen de geestelijke werelden en de aarde.
Maar men kan in de grondsteen lezen hoe consequent hij de aanwezige aardse zielen aanspreekt en ze bij elke stap van de handeling actief betrekt.
In plaats van verdere voorbeelden te noemen die gemakkelijk te vinden zijn als men het oprichtings(procedé?) bestudeert, wil ik het liever over een aanwijzing hebben die Rudolf Steiner mij na de Weihnachtstagung gaf.

Deze aanwijzing belicht de andere kant van de Republikeinse opbouw, geheel op de wijze zoals wij het in het bovenstaande hebben trachten te verduidelijken. Het was in verband met een bepaalde vraag over de afdelingen dat hij mij met als voorbeeld de medische afdeling het volgende zei:
Niet alle artsen in de wereld kunnen door persoonlijke aanwezigheid in contact treden met de afdeling en dit contact onderhouden. Daarom moet er op den duur een correspondentie tussen de leiding van de afdeling en de artsen ontstaan, doordat er brieven aan de leden van de afdeling worden gestuurd met informatie maar ook met vragen waarop dan antwoorden binnenkomen die op hun beurt weer tot gevolg hebben dat de leiding van de afdeling opnieuw een brief schrijft (hierin herkent men de ene pool van de republikeinse opbouw). Maar alle correspondentie zou wel aan mevrouw dokter Wegman gericht moeten zijn. Brieven over aangelegenheden betreffende de medische afdeling die aan hem gericht waren zou hij ongelezen in de prullenbak doen verdwijnen. Terwijl ik naar deze woorden luisterde moest ik aan de uitspraak over de “lijken” in Stuttgart denken.
En blij merk ik op, dat hierdoor de levensstroom voortdurend naar de nu eenmaal voor deze functie verantwoordelijke persoon geleid werd, – voor deze opgave de “beste”- zodat hij door deze stroom beïnvloed, steeds “beter” kan worden en niet door omleiding van de stroom verdroogt tot hij zo “slecht” is geworden, waartoe hij door degenen die de stroom omgeleid hebben reeds bij voorbaat veroordeeld was.

Dit moge voldoende zijn om te laten zien dat het feit dat Rudolf Steiner als ingewijde de vereniging – met zichzelf als voorzitter – heeft helpen oprichten en hij in deze hoedanigheid haar een esoterische grondsteen en een esoterisch bestuur heeft gegeven, wat niet uitsloot dat deze een republikeinse levensvorm kreeg.

Nu moet nog aangetoond worden dat een gewone werkgemeenschap als zij, maar republikeins leeft, zich fundamenteel nauwelijks onderscheidt van hetgeen eigenlijk slechts door het initiatief en de persoonlijke betrokkenheid van de ingewijde kan ontstaan. Wij hadden het eerder over de geboorte van het “groeps-ik” van een dergelijke gemeenschap en over de gezonde ademhaling van haar organisme, die kan ontstaan als men de van beide kanten noodzakelijke offers blijft brengen. Dit wil ik nog op de volgende manier illustreren.

Rudolf Steiner heeft het eens gepresteerd om tijdens de stijgende inflatiegolf voor een toekomstig gebouw bij het bekijken van de tekeningen van de architect een veel hoger bedrag te noemen dan de architect, wat het gebouw uiteindelijk tegen de verwachting van de architect in, ook werkelijk ging kosten. Toen hem werd gevraagd hoe hem dit gelukt was, antwoordde hij dat men daarvoor imaginatieve vermogens moest hebben. Daardoor kon men de juiste prijs van de dingen gewaarworden.

Op de volgende vraag hoe men dan echter ooit op de genezing van de economie kon hopen, zolang de daarin werkenden deze imaginatieve vermogens niet bezaten (het was ten tijde van de Driegeledingsbeweging), antwoordde hij dat hij voor dat doel de associatieve opbouw van de economie had aangegeven.
Want als meerdere mensen met bewustzijn elkaar in welwillende uitwisseling ontmoeten, dan kunnen zij samen bereiken, wat een enkel mens met bewustzijn pas door inwijding op hoger gebieden kan bereiken. Dat is een algemeen geldende wetmatigheid.

Zo mogen we dus zeggen dat indien er voorwaarden zijn die passen bij het wezen van de echte republiek de gemeenschap zulk een karakter krijgt dat daarin het initiatieprincipe tot het principe van de sociale vorming wordt. Ook dit hoort dus bij de inspanningen in de zin van de vernieuwing van de mysteriën die Rudolf Steiner als taak van de op de Weihnachtstagung opgerichte vereniging gesteld heeft.

Hoe moeilijk het echter is om de daarvoor noodzakelijke offers – zowel van de kant van de oligarchie als van de kant van de democratie te brengen, heeft de geschiedenis van de antroposofische vereniging tot nu toe pijnlijk bewezen.

Ernst Lehrs, Mededelingen ‘Anthroposophischer Arbeit in Duitsland, jaargang 1956, nr.3’.
In *’Erziehungskunst jrg. 52, nr. 1-1988 gaat Ernst Lehrs opnieuw in op zijn eigen artikel, zoals dat hierboven staat.

In dezelfde Erziehungskunst staat een antwoord van Dieter Brüll: Republikeins EN democratisch.

[1] ‘Bij wat ik in eerste instantie als 1e klasse vorm zou willen geven, gaat het erom de verhouding tussen de leiding en het individuele lid in zekere zin als een vrije verdragsverhouding moet worden voorgesteld, maar als een vrije verdragsverhouding die men daadwerkelijk aangaat. Zodat de leiding zich op geen enkel ogenblik zich gebonden voelt om wat dan ook maar in de 1e klasse gedaan moet worden, met een lid te doen, wanneer het lid de tegenverplichting niet op zich neemt. Dus het gaat werkelijk om een vrije verdragsrelatie.’
Als bron wordt gegeven: ‘Die Kondition der Freien Hochschule für Geisteswisschaft, Dornach 1944, blz. 42/3. Deze titel vinden we terug in GA 260a
De juiste blz. kon ik daarin nog niet vinden.

[2] ‘Er werd gezegd: het bestuur wordt gevormd; daarbij is erop gewezen dat dit noch gekozen, noch benoemd is, maar als een vanzelfsprekend, door de redenen die opgenoemd zijn, voorlopig benoemd bestuur, vanuit de zaak een voorlopig benoemd bestuur, dus bij deze oprichtingsvergadering vastgelegd is…..Dan verzoek ik u nu niet in de zin van stemmen zoals eerder stemmen ging, maar met het gevvoel: u doet dit grondkarkater van de leiding van een echte antroposofische vereniging recht, ik vraag u daarmee in te stemmen dat dit bestuur hier voor de oprichting van de antroposofische vereniging gevormd wordt.’ (Langdurig applaus).
GA 260, blz. onbekend
Vertaald

[3] Dit blijkt uit de volgende passage uit de protocollen van de Kerstbijeenkomst:
De heer Donner, Helsinki: ‘bij dit punt (jaarlijkse algemene vergadering in Dornach) is het wel een vraag of de verenigingen uit de verschillende landen eerst hun eigen algemene vergadering moeten houden en dat dan pas de algemene vergadering van de Antroposofische Vereniging wordt gehouden. Of het praktisch is dat dit iedere keer gebeurt?”
Dr.Steiner: ‘Het zou misschien wel heel praktisch kunnen zijn, wanneer de gewoonte zou ontstaan dat de landenverenigingen eerst hun vergadering zouden houden, waarin ze hun afgevaardigden benoemen voor de onderhavige vergadering en dat er dan in een volgende vergadering verslag zou worden gedaan van wat hier is gebeurd. Dat zou weleens de beste gewoonte kunnen worden.’
GA 260, blz. onbekend
Vertaald

.


100 jaar vrijeschool: alle artikelen

Sociale driegeledingalle artikelen

Vrijeschool en vrijheid van onderwijsalle artikelen

.

1474-1382

.