Tagarchief: radio en kleine kind

VRIJESCHOOL – Opvoedingsvragen (19-7)

.
Peter van Domburg en Hugo Verbrugh, 2 editie
Uitgegeven onder auspiciën van de
Werkgroep Neurowetenschappen en Filosofie
van de Vereniging voor Filosofie en Geneeskunde
Rotterdam / Roermond 2009
.

Over de invloed van radio en televisie op kleuters en jonge kinderen 

Frits Wilmar (1915 – 1992) 

Eén relevant feit is afdoende vastgesteld: veel televisie kijken is niet goed voor kinderen. Jonge kinderen maar liever helemaal niet.

Dit boek is een heruitgave van het boekje met dezelfde titel dat de eerstgenoemde auteur in 1964 publiceerde, aangevuld met een Ten geleide, annotaties in de vorm van aanvullende uitleg, toelichtingen en commentaren bij de tekst van Wilmar, een nabeschouwing en documentatie door de beide andere auteurs.
In 2008 zijn 200 genummerde exemplaren van deze heruitgave gedrukt. Ze waren in het bijzonder bedoeld als materiaal ter bespreking op een studiedag waarvoor betrokkenen uit alle relevante sectoren van de maatschappij en wetenschappelijke disciplines waren uitgenodigd: opvoeding, onderwijs en jeugdzorg, politiek, omroep, cultuur en media, journalistiek, neurowetenschappen en cognitieve psychologie en ontwikkelingspsychologie, sociale wetenschappen, antroposofie, en, als onmisbaar bindmiddel, de filosofie en, niet te vergeten, ervaringsdeskundigen, die op 24 oktober 2008 plaatsvond.
Van deze tweede editie van deze heruitgave zijn 300 exemplaren, niet meer genummerd gedrukt. ISBN 978 90 9023 064 4

De oorspronkelijke uitgave van dit boek verscheen in 1964 bij Uitgeverij Vrij Geestesleven te Zeist.
Deze heruitgave is mede mogelijk gemaakt door een subsidie van Het Johan Borgman Fonds.
Omslagontwerp: Jasper Sevenhuijsen

Correspondentieadres van de Werkgroep Neurowetenschappen
en Filosofie van de Vereniging voor Filosofie en Geneeskunde:
Mecklenburglaan 34, 3062 BK Rotterdam

Voorwoord bij de tweede editie

De eerste editie van deze heruitgave van Wilmars boekje uit 1964 verscheen in februari 2008. Tweehonderd genummerde exemplaren werden vonden hun weg naar belangstellenden, met name naar de mensen die we uitnodigden voor de studiedag die op blz. 4 genoemd wordt.
Sindsdien is er veel gebeurd. De ‘studiedag’ werd omgedoopt tot ‘expert meeting’, als doel ervan werd omschreven ‘… primair een inhoudelijke gedachtewisseling tot stand te brengen over de inhoud van het boek. Vervolgens is de vraag aan de orde hoe de conclusies hieruit een vaste plaats kunnen krijgen op de agenda van het publieke debat over “Kind en Televisie”’.

Ruim tweehonderd mensen werden, deels persoonlijk deels als vertegenwoordigers van organisaties, uitgenodigd. Meer dan honderd personen zegden, deels onder voorbehoud, toe. Daarvan meldde ongeveer de helft zich later weer af. Op 24 oktober debatteerden we met vijftig deelnemers in het Descartes Centrum van het Universitair Medisch Centrum Utrecht.
Om te bevorderen dat de genodigden niet alleen uit onze informatie zouden weten waar het over zou gaan en wat de bedoeling was, probeerden we enige publiciteit te krijgen. Dat lukte matig, maar een onverwachte gebeurtenis bracht daar verandering in. Op 22 augustus werd bekend dat per 1 november
in Frankrijk televisieprogramma’s speciaal voor baby’s en peuters verboden zouden worden.
Vooral als gevolg daarvan kreeg de heruitgave van Wilmars boekje aardig wat publieke aandacht. In het Nawoord, blz. 237-000, vatten we samen wat tijdens de voorbereidingen van de expert meeting en kort daarna zoal in de publiciteit verscheen.
Op deze plaats melden we alleen dat kort na de expert meeting nagenoeg alle tweehonderd exemplaren van de eerste editie een bestemming hadden gevonden.

Intussen melden zich nog steeds belangstellenden aan die het boek willen aanschaffen.
In deze tweede editie is de tekst slechts in één opzicht veranderd ten opzichte van die van de eerste: we hebben zo veel mogelijk druk- en type-fouten verwijderd.
Wel is het boek aangevuld. Op blz. 237- 243 staat een Nawoord bij de tweede editie waarin we verslag doen van hoe we getracht hebben de benadering van het thema kind en televisie volgens Wilmar in de publieke aandacht te brengen, van de resultaten daarvan tot nu toe, en van onze plannen om daar de komende tijd mee door te gaan.

Tot slot wijzen we even op de beide postzegels op de achteromslag die we via TNT Persoonlijke Postzegels hebben laten maken.
Die van de tekening op de voor-omslag spreke voor zich zelf, die van het kleine meisje bij de wasmachine is bedoeld als een illustratie van wat we tijdens het werk aan deze tweede editie ‘de parabel van de peuter bij de wasmachine’ zijn gaan noemen. Op blz. 77 en elders wordt dit toegelicht.

Ten geleide bij deze heruitgave

In 1964 verscheen een boekje van de arts Frits Wilmar over de invloed van radio en televisie op kleine kinderen. Het telde amper vijftig bladzijden, maar het vond veel weerklank. Het onderwerp was ook actueel. Vooral de televisie begon in die tijd populair te worden. Er kwamen steeds meer toestellen, zenders en programma’s, en mensen begonnen zich af te vragen of dat allemaal wel goed was. Vooral de vraag of dat misschien ook schadelijk zou kunnen zijn voor kleine kinderen kreeg aandacht, en sommigen oordeelden dat er inderdaad reden tot zorg was.

Geest-dodend

Ook Wilmar oordeelde dat televisie niet goed is voor kleine kinderen, maar zijn oordeel week in drie opzichten af van dat van alle anderen.

Ten eerste
richtte zijn kritiek zich uitdrukkelijk niet op de inhoud van de programma’s. Hij was alleen geïnteresseerd in de wijze waarop het medium op en via de zintuigen werkt, en nam doelbewust als uitgangspunt van zijn analyse de bijzondere aard van de vorm van de auditieve en visuele overdracht via
radio en televisie.

Ten tweede
baseerde hij zijn analyse op specifieke, destijds nog niet algemeen bekende inzichten met bijbehorende theorie over hoe de zintuigen en het zenuwstelsel functioneren, in het bijzonder hoe ze bij kleine kinderen werken en zich
ontwikkelen.

Ten derde
was zijn oordeel radicaler afwijzend dan dat van enige andere criticus. Op grond van zijn analyse concludeerde hij onomwonden dat ‘televisie voor het jonge kind in de letterlijke betekenis van het woord geest-dodend is’.

Dat was ruim veertig jaar geleden. Intussen zijn we bijna een halve eeuw verder. In die tijd is immens veel veranderd. Die veranderingen gaan nog steeds door. Ze betreffen ook niet alleen radio en televisie. Wél spelen de audiovisuele media een doorslaggevende rol, maar er is veel meer gaande.

De beeldvormende technieken en de informatie- en communicatietechnologie (ICT) worden steeds geraffineerder en meer sophisticated. Begrippen als ‘mediacratie’, ‘infotainment’, ‘cyberspace’ en de plaats van televisie-performances en ICT in de beeldende kunst illustreren hoe ver dit wijd vertakte en veelomvattende veranderingsproces thans doorwerkt in de sociale en maatschappelijke omstandigheden.
Inzake radio en daaromtrent is het ‘akoestisch behang’ intussen zó standaard geworden, dat steeds meer mensen zelfs het woord niet meer kennen. Wie zijn auto start, zet zodoende meestal ook meteen de radio aan en vrijwel geen jongmens van onder de, pakweg, dertig jaar loopt of fietst nog door de stad zonder iPod. Het begrip ‘muziek’ betekent tegenwoordig ook in de eerste plaats elektronisch vastgelegde en ten gehore gebrachte muziek.

Aapjes

Een veelzeggende illustratie van de mate waarin het begrip ‘muziek’ tegenwoordig als vanzelfsprekend gebruikt wordt in de betekenis van ‘elektronisch gereproduceerde muziek’ levert onderstaand bericht onder de titel ‘Kleine aapjes hebben liever stilte dan muziek.‘
De meeste mensen horen liever snelle muziek maar penseelaapjes en klauwaapjes horen het allerliefst niks. En als er toch muziek moet zijn — en als ze tijdens een experiment moeten kiezen — prefereren ze een langzaam op de fluit gespeeld Russisch volksliedje boven snelle Duitse techno (Nobody Gets Out Alive door Alec Empire (Cognition, september 2007).
Het lijkt een beetje flauw, om deze kleine aapjes tot een keuze tussen verschillende muzieksoorten te dwingen, maar de achtergrond van dit onderzoek door Josh McDermott (MIT) en Marc Hauser (Harvard) is verre van triviaal.
De centrale vraag is: wat zijn de biologische wortels van de enorme
menselijke gevoeligheid voor muziek.
Vooralsnog lijkt de mens vrij uniek met zijn voorkeur voor muziek boven stilte. Klauw- en penseelaapjes staan evolutionair ver verwijderd van de mens.
Bij niet-menselijke primaten is nog maar weinig muziekonderzoek gedaan. De aapjes zijn getest in een eenvoudige maar ingenieuze opzet: ze werden in een kooi met twee armen gezet, met aan het einde van iedere arm een onopvallende luidspreker. Als ze zich in de ene arm bevonden ging daar de luidspreker aan, liepen ze naar de andere gang dan klonk daar andere muziek, of het bleef stil.
De aapjes konden dus stemmen met hun voeten. De gang waar ze het langst waren, gold als hun muziekvoorkeur.
Hauser en McDermott vergeleken niet alleen de Duitse techno met het Russische slaapliedje, maar ook de ritmes ervan: 60 klikken per minuut met 360, en pure tonen met slagwerkachtige geluiden (geen voorkeur), muziek met stilte (liever stilte), enz. Zelfs hebben Hauser en McDermott ritmes laten horen in typische klauw- en penseelaapjes-tsjirpgeluiden, misschien maakte dat nog wat uit. Maar ook dan hoorden de aapjes liever langzame ritmes dan snelle.’Tot zover citaat.

Twee vraagjes van ons.
(1)
Zou het verschil maken als de aapjes levende (‘live’) in plaats van elektronische muziek te horen zouden krijgen?
(2)
Of is dat geen wetenschappelijke vraag?

Geboorte’kaartje

In de visuele sfeer is het mutatis mutandis net zo. Daar kan, bij wijze van spreken, het kind terwijl het in de meest letterlijke zin ‘in statu nascendi’ verkeert, zijn eigen geboorte gadeslaan op monitoren in de verloskamer. Maanden eerder gaf de ‘echoscopiste’ met behulp van de gecombineerd auditief-visuele techniek van de echoscopie aan zijn ouders en andere prenatale
begeleiders trouwens al inzicht in hoe het met hem of haar gaat.
Modieus-moderne ouders sturen soms geboorte’kaartjes’ in de vorm van een elektronisch bericht met daarbij een video-opname van de bevalling en de eerste levensminuten van het nieuwe mensenkind. Amper een jaar of wat later zit de peuter voor de buis elektronische spelletjes te spelen, en dat gaat voor veel
mensen het hele leven zo door. Fotograferen, televisie en internet op het mobieltje zijn alledaagse fenomenen, en ook in de visuele dimensie is praktisch niemand meer ‘innocent bystander’: bewakingscamera’s zijn tegenwoordig bijna overal werkzaam.

De destijds nog controversiële stelling van de Engelse filosoof George Berkeley (1685-1753): ‘Esse est percipi’ (je bestaat alleen; je bent alleen, voor zover je door anderen waargenomen wordt) krijgt postuum een opmerkelijk nieuwe betekenis: meer dan ooit is onze identiteit mede afhankelijk van audiovisuele bemiddeling.

De conclusie is onontkoombaar: het wordt steeds meer onmogelijk zó om te gaan met kinderen, dat ze niet, gewild of ongewild, bewust of onbewust, geconfronteerd worden met elektronisch aangeboden auditieve, visuele en audiovisuele zintuigindrukken.
Deze spelen een steeds meer dominerende rol in hun directe leefklimaat. De sociale en maatschappelijke, om niet te zeggen: de totale existentiële context waarin Wilmar bijna een halve eeuw geleden tot zijn oordeel kwam, heeft daarmee een ongekende ontwikkeling doorgemaakt. Vrijwel ieder mens leeft
nu op een manier en in een mate waarvan men zich destijds geen voorstelling kon maken, ondergedompeld in een soort oceaan van elektronisch gemedieerde gehoors- en gezichtsindrukken.
Maar waarom willen wij dan zo een inmiddels, voorzichtig gezegd, enigszins gedateerde tekst als die van Wilmar nieuw leven inblazen?
Wij hebben hiervoor vier redenen.


(1) Sociale Cognitie

Onze kennis, maar ook ons alledaagse handelen, zijn in belangrijke mate bepaald door de wijze waarop wij de wereld waarnemen. Maar net zo is ons waarnemen mede bepaald door onze kennis van en verhouding tot die wereld. In ditspanningsveld komt de ‘werkelijkheid’ tot stand. Deze is dan ook voort-
durend aan verandering onderhevig, al is in onze normale beleving natuurlijk maar plaats voor één enkele realiteit. Dat is een paradox die niet voor niets een van de centrale thema’s vormt in de geschiedenis van de filosofie.
Inmiddels leven we in een cultuur waarin we de wereld in toenemende mate indirect, door bemiddeling van apparatuur, leren kennen, wat aan talloze voorbeelden wordt geïllustreerd.
Aan de vooravond van deze, vanaf de jaren zestig razendsnel gegroeide, cultuur wijst Wilmar op twee van de belangrijkste ‘bemiddelaars’ voor onze zintuiglijke waarneming: radio en televisie.

Op een manier die nu op ons bijna naïef overkomt, beschrijft hij hoe deze apparaten eigenlijk slechts ‘schijnklanken’ en ‘schijnbeelden’ voortbrengen. Hij vraagt zich af wat dit voor onze werkelijkheidszin zou betekenen, als wij daar niet al door ‘herinneringsbeelden’ of ‘herinneringsvoorstellingen’ kennis van zouden hebben, en bovenal hoe nu de werkelijkheid van het kleine kind eruit zal zien, als dat niet eerst voldoende kennis heeft kunnen nemen van die werkelijkheid zonder audiovisuele bemiddeling.
Dat zijn intrigerende vragen, die oproepen tot bezinning over zo een ‘virtuele werkelijkheid’, die voor menige kleuter wellicht de bagage zal worden waarmee later de confrontatie met een onbemiddelde realiteit moet worden aangegaan.

(2) Cognitieve neurowetenschappen: actieve nabootsing

Onze eigen persoonlijkheid komt tot ontwikkeling door een samenspel en wisselwerking van aangeboren en verworven invloeden, die worden aangeduid met ‘nature and nurture’.
Nadat decennia lang de nature-component alle aandacht opeiste, met een zich snel ontwikkelende genetica (culminerend in het zogenoemde Humane Genoom Project), zien we inmiddels een herwaardering van de nurture-component. Vooral de zich met revolutionair élan ontwikkelende cognitieve neurowetenschappen, bieden steeds meer argumenten voor een structurerend effect van waarnemingen en ervaring op de ontwikkeling van het centrale zenuwstelsel. Dit vindt zijn weerslag in actuele begrippen als ‘plasticiteit’, ‘spiegelneuronen’ en ‘neurale netwerken’.

Wilmar heeft al, nog voor hij kennis kon nemen van deze zaken, gewezen op de structurerende werking van zintuigprikkels op het ‘zintuig-zenuwstelsel’ in een cruciale fase van de ontwikkeling van het kind, waarin het brein meer dan ooit ontvankelijk is voor de ‘input’ van buiten.

Wij wisten al hoe belangrijk vroegkinderlijke ervaringen zijn voor de ontwikkeling van een plooibare ‘ziel’, maar naar huidige inzichten lijken de daarbij horende zintuig-waarnemingen zelfs een fysieke bijdrage te leveren aan de vorming van neurale netwerken in het brein, die de structurele basis vormen voor ons latere denken, voelen en handelen. Wilmars betoog vormt een goede leidraad om deze nieuwe inzichten voor velen toegankelijk te maken.
De mens, en met name het kleine kind, leert door actieve eigen nabootsing van wat hij om zich heen waarneemt. Voor de gezonde ontwikkeling van de zintuigen en het zenuwstelsel is interactieve nabootsing van wat levende mensen in levende interactie met het kind doen, absoluut noodzakelijk.
Dit leerproces wordt door het effect van de levenloze radiogeluiden en televisiebeelden nadelig beïnvloed, aldus de kortst mogelijke samenvatting van Wilmars analyse.
En daarmee daagt hij als arts-pedagoog ons ook uit te speculeren over de betekenis daarvan voor een aantal stoornissen in de ontwikkeling van de ‘sociale cognitie’. Want ook de toenemende prevalentie daarvan kan waarschijnlijk toch niet alleen toegeschreven worden aan betere screeningsmethoden of de hogere eisen die aan het kind worden gesteld.

(3) Antroposofie en fenomenologie

Wilmar was antroposoof, het mensbeeld van de antroposofie was een belangrijke inspiratiebron voor zijn benadering. In zijn boekje noemt hij dat echter niet met zoveel woorden. Ook indirect verwijst hij er nauwelijks naar. Alleen kenners worden bij zorgvuldig lezen iets gewaar van deze antroposofische signatuur. Datzelfde geldt voor zijn hantering van de fenomenologie, de filosofische oriëntatie die streeft naar kennis van het wezen van de dingen via zo zuiver mogelijke benadering van de verschijnselen als zodanig. Alleen wie het al weet, leest tussen de regels hoe Wilmar vertrouwd was met de antroposofie, hoe
goed hij de verwantschap met de fenomenologie onderkende.
Deze terughouding was anno 1964 begrijpelijk, want antroposofie en fenomenologie waren destijds minder bekend – en meer omstreden – dan nu, en het geestelijk klimaat van die tijd bood minder ruimte voor inbreng van argumenten die daarop geïnspireerd waren.
Dat is tegenwoordig anders. Over antroposofie is nu veel meer bekend, ze wordt door veel meer mensen gewaardeerd, en er kan thans veel vrijer over worden gedacht, gesproken, geoordeeld en gepubliceerd, dan destijds. Mede dat maakt een fenomenologische benadering mogelijk waarin een beroep wordt gedaan op ervaring en intuïtie bij de lezer, en waarin inzichten kunnen worden verwoord die in een meer epidemiologisch georiënteerde benadering veel minder tot uitdrukking kunnen komen.

(4) Een historisch nieuw fenomeen

Waar Wilmar nog sprak van ‘canned music’ leven wij inmiddels in een totale ‘informatie-in-blik-maatschappij’ waarvan we de reikwijdte niet meer kunnen overzien omdat we er in ons dagelijks leven afhankelijk van zijn.
Natuurlijk plukken wij er ook de vruchten van, zoals blijkt uit het dankbare gebruik dat wij zelf hebben gemaakt van ingeblikt overleg in de vorm van e-mailverkeer, voor het redigeren van deze tekst.
Maar we kunnen ons daardoor steeds moeilijker verplaatsen in de situatie van iemand voor wie telecommunicatie en alles wat daarmee samenhangt nog zaken zijn waarvan men naar eigen vrije keuze wel of niet gebruik kan maken.
Terwijl deze ontwikkelingen in de communicatiemiddelen van de laatste jaren maken dat delen van de tekst van Wilmar achterhaald zijn, kan in historisch perspectief dit kenmerk juist worden beschouwd als een ‘défaut de sa qualité’: als een gebrek dat direct samenhangt met zijn goede eigenschappen.
Wilmar werd omstreeks 1960 geconfronteerd met een historisch nieuw fenomeen: de onstuitbare opkomst van radio en televisie, van de telecommunicatie. Hij realiseerde zich niet alleen de culturele omwenteling die daarmee werd ingezet, maar stelde indirect, zonder daarbij zelf vergaand door die toen beginnende mediacratie beïnvloed te zijn, ook de vraag of toekomstige generaties nog wel in staat zullen zijn tot een oordeel hierover.
Voor ouders en opvoeders is het gedurende de eerste circa drie levensjaren sociaal-‘technisch’ weliswaar moeilijk maar nog steeds niet onmogelijk het kleine kind te vrijwaren van radio en televisie en de digitale media. In die fase heeft het kind daar zelf nog geen oordeel over. Geconfronteerd met die keuze, zullen sommige moderne volwassenen vanuit hun historisch gegroeide referentiekader wellicht een min of meer sterke weerstand voelen tegen, voorzichtig gezegd, de aanbeveling die in de tekst van Wilmar wordt gedaan om de telecommunicatie als zodanig minstens drie jaar totaal buiten het bereik van het kleine kind te houden. Dat kan tot heftige debatten leiden met mensen die intuïtief juist wél meegaan in Wilmars gedachtegang. Een speciale verdienste van Wilmars, oppervlakkig beschouwd, wellicht totaal achterhaalde tekst is nu, dat hij het voor mensen die hier en nu hun eigen oordeel willen vormen wat makkelijker maakt om zich te verplaatsen in zo’n wereld, waarin die keuzemogelijkheid nog wél bestaat. Daardoor kan de lezer als ervaringsdeskundige in staat worden gesteld zich een eigen oordeel te vormen, waar anders alleen het oordeel van theoretische geschoolde deskundigen in acht wordt genomen. Deze twee oordelen zijn ‘incommensurabel’, zoals we op blz. 190 toelichten.

Ander tijdperk

Het boekje verdient het daarom zeker opnieuw onder de aandacht te worden gebracht, juist nu de daarin verwoorde gevaren en andere negatieve aspecten alleen maar urgenter zijn geworden.
Minder zeker is op welke wijze Wilmars analyse anno 2007 het best opnieuw gepresenteerd kan worden. Alleen staat vast, dat een herdruk zonder meer niet zinvol zou zijn.
Daarvoor zijn verschillende redenen.

Ten eerste
is de oorspronkelijke versie van het boekje in veel opzichten gewoon verouderd.
Dat geldt vooral inzake de techniek van radio en televisie, waarin Wilmar een autodidactisch amateur was.
De kern van zijn betoog over de werking van de zintuigen en het zenuwstelsel en ontwikkeling daarvan bij het kind is echter allerminst verouderd. Daarom zou het zinvol zijn het hele betoog te herschrijven. Maar dat zou een veelomvattend karwei zijn dat lange tijd werk voor een team deskundigen zou eisen.
Daarnaast wilde Wilmar een boekje schrijven dat zonder moeite door alle ouders en opvoeders van kleine kinderen gelezen en begrepen zou kunnen worden. In zijn streven om de technische bijzonderheden toegankelijk te maken, schoot hij vaak over zijn doel heen. De tekst bevat daardoor een aantal onjuistheden, vereenvoudigingen, tegenstrijdigheden, uitspraken die technisch gesproken nauwelijks begrijpelijk zijn, en andere gebreken, die op zich zelf al maken dat een herdruk zonder meer niet zinvol zou zijn.
Daar staat weer tegenover dat Wilmar als arts, speciaal voor kinderen die bijzondere medisch-pedagogische zorg behoeven, veel ervaring had. Het resultaat is een mix van specifiek professionele deskundigheid inzake kinderen en hun ontwikkeling, met name op neurofysiologisch en psychologisch gebied, en amateuristische ondeskundigheid op het gebied van de fysische en technische aspecten van radio en televisie.
Bij dit alles streeft hij naar een zo eenvoudig mogelijke weergave, in fenomenologische ‘stijl’, van de verschijnselen waar het om gaat, en wil hij in zijn formuleringen het tegendeel van dogmatisch zijn. Zijn keuze van sommige beelden, zoals bij voorbeeld dat van het fenomeen ‘resonantie’, zijn echter discutabel of zelfs onjuist. Maar die discutabele passages en onjuistheden zijn nu juist op intieme wijze verweven met de tekst als geheel, want dit alles straalt authentiek dóór in Wilmars geheel eigen, veelal bevlogen idioom. En dat blijft alleen bewaard in de originele versie. Die is nog steeds een inspirerend betoog uit één stuk dat voor ouders en andere opvoeders inzichtelijk maakt dat en waarom radio en televisie en alles wat daarmee te maken heeft, voor het opgroeiende kind gewoon slecht zijn.

Om dit veelzijdige probleem zó op te lossen dat aan Wilmars tekst zo goed mogelijk recht wordt gedaan, hebben wij het volgende bedacht. Allereerst wilden we de oorspronkelijke opzet van Wilmar bewaren. Tegelijk wilden we de meer kritisch ingestelde lezers tegemoet komen door aanvullende uitleg te geven bij passages die onjuistheden, onbegrijpelijkheden of andere gebreken bevatten of om andere redenen nu niet meer zo geschreven kunnen worden. Deze opzet hebben we aldus gerealiseerd. Eerst geven we de originele tekst van Wilmar met daarin alleen enkele minimale taalkundige en redactionele aanpassingen. Verder hebben wij de tekst ingedeeld in paragrafen en alinea’s, en hebben we de titels daarboven aangebracht. Ook hebben we tussen de hoofdstukken en paragrafen samenvattingen toegevoegd van wat gaat komen. Soms hebben we daarin ook enig commentaar van ons verweven.
Verder hebben we de tekst aangevuld met toelichtend, kritisch, aanvullend of illustrerend commentaar. Dit commentaar staat op het onderste deel van de zelfde bladzijden als de tekst, die we daarom hebben voorzien van regel-nummers. In dit commentaar verwijzen we soms naar de Nabeschouwing die we voor deze heruitgave geschreven hebben. En omdat in feite de hele tekst
bedoeld is als materiaal voor de discussie over het thema kind en televisie in de specifieke benadering volgens Wilmar, hebben we die regelnummers ook in de hele tekst laten staan.
Vooruitlopend op deze discussie durven wij zelf nu echter al te concluderen dat de specifieke benadering die Wilmar gevolgd heeft voor zijn analyse van het thema ook nu nog overtuigende argumenten levert voor de stelling dat de radio en, vooral, de televisie op het kleine kind in letterlijke zin geestdodend werken en daarom voor het kleine kind taboe zijn.

Roermond, Peter van Domburg,
Rotterdam, Hugo S. Verbrugh
Januari 2008

Inleiding

De werking van radio en televisie, in het bijzonder op de zich nog helemaal in ontwikkeling bevindende zintuigen en zenuwstelsel van het kind, verdient, helemaal los van de inhoud van de programma’s, meer kritische aandacht dan ze tot dusver gekregen heeft.
Over radio en televisie en hun invloed op kinderen is een enorme literatuur verschenen.* En nog steeds is de discussie aan de gang. Vooral ten opzichte van de televisie zal dit niemand verwonderen. Enerzijds ziet men er ongekende mogelijkheden in, bijvoorbeeld voor het onderwijs, aan de andere kant wordt allerwegen gerept over de schadelijke invloeden, die er op het kinderlijke gemoed zouden worden uitgeoefend.
De reden tot het schrijven van dit boekje is er in gelegen, dat ik meen, opmerkzaam te moeten maken op een aspect van het vraagstuk, dat nog onvoldoende onder de aandacht is gekomen.**
Elke benaderingswijze van een probleem geschiedt vanuit een bepaalde gezichtshoek. Men kan het radio- en televisievraagstukals paedagoog bezien, als kunstenaar, als religieus mens.
Meestal neemt men dan als uitgangspunt de inhouden, die door deze moderne media worden geboden, de programma’s, en hun paedagogische, aesthetische, religieuze waarde of onwaarde.
Men kan deze scheppingen van onze beschaving als natuurkundige of technicus beschouwen, en een grote, gerechtvaardigde bewondering hebben voor zulke grandioze resultaten van menselijk vernuft, alsmede een begrijpelijke behoefte gevoelen, deze bewondering ook bij anderen te wekken.
_____________________________________________________

*: Die enorme hoeveelheid is sinds 1964 alleen maar nog enormer geworden. Een klein deel ervan komt in onze toevoegingen ter sprake.

**: ‘… onvoldoende onder de`aandacht is gekomen’ was in 1964, en is nog steeds een understatement. Ons is althans ook anno 2008 behalve het boekje van Patzlaff (zie blz. 179) geen publicatie bekend met de benadering van radio en televisie zoals Wilmar die hier volgt.
_____________________________________________________

Nu kan men de radio en televisie echter ook aan een beschouwing onderwerpen vanuit een zuiver medisch-hygiënisch standpunt*. En men kan de probleemstelling nog verder preciseren, door zich te beperken tot een bespreking van de kwalitatieve inwerking van radio en televisie als technische scheppingen op respectievelijk het gehoor en het gezichtsvermogen.**
En dit dan nog in het bijzonder op het zich ontwikkelende horen en zien van opgroeiende kinderen. Het zal de opzet zijn van dit geschrift, de fenomenen*** van radio en televisie te confronteren met typische lichamelijke en psychische kenmerken en daarmee samenhangende bijzondere behoeften van het opgroeiende kind.
En dan zal worden getracht, vanuit deze tegenoverstelling te komen tot een oordeel omtrent het nut, of de onbruikbaarheid ervan in de wereld van het kind.
_____________________________________________________

*De uitdrukking ‘(vanuit een zuiver) medisch-hygiënisch (stand-
punt)’ is in het reguliere discours niet erg gebruikelijk en was dat ook in 1964 niet. Hij was toen echter al wel, en is nog steeds gangbaar in medisch-antroposofische kringen. Het begrip ‘hygiënisch’ wordt door antroposofische auteurs ruimer, althans enigszins anders gebruikt dan in de context van de reguliere geneeskunde. Daar heeft het begrip bij uitstek betrekking op gezondheidsbevordering en ziektepreventie inzake infecties. In de antroposofie wordt het zó gebruikt dat het betrekking heeft op alle effecten en omstandigheden die een gezonde ontwikkeling kunnen tegengaan. In deze zin kunnen radio en televisie voor kleine kinderen ‘onhygiënisch’ zijn.

** ‘technische scheppingen op respectievelijk het gehoor en het gezichtsvermogen’. Destijds, toen de eerste uitgave van dit boekje verscheen, was het nog zinvol radio en televisie afzonderlijk te bespreken. Nu is dat om verschillende redenen anders.

***Het woord ‘fenomenen’ lijkt ons in dit verband niet zo geschikt.
Wij zouden het in deze zin willen vervangen door ‘werking’ of
‘effecten’.
_____________________________________________________

1 Wat betekent radioweergave voor het oor?

Fenomenologisch beschouwd hebben klanken, als zij via radio of vergelijkbare media tot ons komen, ook bij een technisch optimale weergave, een wezenlijke verandering ondergaan.
Deze, nog onbestemde, verandering wordt door Wilmar uitgedrukt in het woord ‘schijnklank’. Na de transformatie van geluid, tussen zender en ontvanger, kan het frequentiespectrum daarvan weliswaar onveranderd worden doorgegeven, maar er blijken dan drie wezenlijke aan de klank gekoppelde kenmerken te ontbreken:

1. Nooit exact reproduceerbaar

In hun natuurlijke staat zijn klanken nooit exact zó reproduceerbaar als zij door een mens zijn voortgebracht. Zowel in spraak als muziek openbaren zich ook voortdurend wisselingen die samenhangen met neuropsychologische zaken als stemming. ‘Canned music’, zoals Wilmar dat noemt, biedt geen ruimte voor zulke wisselingen, zodat het kind in ontwikkeling die niet leert waarnemen.
Men bedenke daarbij dat onze zintuigen zich evolutionair vooral ook hebben ontwikkeld om het ‘nieuwe’ in een bestaande situatie waar te nemen. Evenzo is voor ieder mens de waarneming van een gehoorsignaal uniek voor de persoon, ook als het gehoororgaan als zintuig exact hetzelfde functioneert als bij een ander mens.

2. Altijd in een context

In hun natuurlijke vorm treden waarnemingen nooit geïsoleerd op, maar altijd in een context. Deze context verleent er –in Wilmars woorden – een dramatisch element aan. Jonge kinderen beschikken nog niet over ‘herinneringsbeelden’, die door volwassenen aan het gehoorde gekoppeld kunnen worden om er een juiste betekenis aan te geven. Jonge kinderen leren door radio en televisie een blik op de wereld te werpen, zonder te weten dat ze een blik op een apparaat werpen, omdat ze de werkelijkheid die hen daaruit tegemoet treedt niet eerst in ware gedaante hebben leren kennen.
Biologisch gezien bepaalt vervolgens ook de context óf en hoe ook andere zintuigen (of cognities) ingeschakeld moeten worden voor de waarneming. Een belangrijk ontwikkelingsaspect voor de aanvankelijk nog overwegend synesthetische waarneming van het jonge kind.

3. Eenrichtingsverkeer

Het geluid presenteert zich als eenrichtingsverkeer.
In de natuurlijke situatie hebben door de mens voortgebrachte klanken altijd een min of meer interactief karakter. Dit komt tot uitdrukking in het woord communicatie. Reacties van de toehoorder(s), hoorbaar, zichtbaar, of misschien alleen vermeend, hebben telkens hun weerslag op de productie van klanken door een mens. Bij de radioweergave is geen sprake van interactie of communicatie. Voor een goede ontwikkeling van het gehoor, van alle zintuigfuncties, in ruimere zin van alle cognitieve vermogens, moet het jonge kind niet alleen op zulke kwantitatieve, maar juist ook op de kwalitatieve aspecten enigerlei invloed leren ervaren. De invloed van de toehoorder beperkt zich tot aan- en uitzetten of verandering in volume.
Het lijkt in dit hoofdstuk misschien alsof Wilmar meer expliciet de
invloed van ‘schijn-klanken’ op het oor bespreekt. Maar gaandeweg wordt toch ook bij hem duidelijk dat het oor niet los gezien kan worden van het centrale zenuwstelsel. Het centrale zenuwstelsel kan vervolgens niet los gezien worden van de persoon als geheel – in elk geval waar het de ‘waarneming’ betreft. Het zal immers nooit lukken om een ‘oor’ of zelfs een ‘zintuig-zenuwstelsel’ te laten waarnemen als dat geen deel uitmaakt van een levende persoon of ten minste een wezen waarvan de biologische integriteit behouden is.

***

Zoals reeds in de inleiding werd aangeduid, is het hier niet de opzet, ons met de inhouden van het per radio of grammofoon* gebodene bezig te houden, maar met het fenomeen als zodanig, en zijn beïnvloeding van het horen, als psychische en lichamelijke activiteit.
_____________________________________________________

*‘… of grammofoon …’: De grammofoon was in de Inleiding nog niet genoemd, en het is in verschillende opzichten deels een ander verhaal dan de radio. In sommige opzichten zijn de verschillen te vergelijken met die tussen film en televisie. Zie in verband hiermee onder andere blz. 38 regel 10-16
_____________________________________________________
Hiervoor is allereerst een korte verklaring van het principe van de radio overdracht van het geluid noodzakelijk. De techniek van radio-uitzending en radio-ontvangst berust op het principe van resonantie.*
Iedereen kent dit verschijnsel uit eigen ervaring. Men heeft bij voorbeeld in zijn huiskamer in de hoek een gitaar staan. Zingt men dan een toon overeenkomende met de toon van een der snaren van die gitaar, dan kan die snaar ‘spontaan’ gaan
meeklinken.**f wanneer men ergens een gong heeft hangen, en men zingt in de buurt een toon, die met die van de gong correspondeert, dan gaat de gong in zijn eigen toon meeklinken.
_______________________________________________________
*:‘… resonantie’. Dit is niet juist, d.w.z. Wilmar gebruikt het begrip ‘resonantie’ hier zó sterk overdrachtelijk, dat het meer misverstanden oproept dan dat het begrip bevordert. Het betoog over resonantie dient als een treffende vergelijking en niet als een verklaring gelezen te worden. Waar het om gaat is dat het ‘resonerende’ object klinkt op een voor dat object kenmerkende wijze.

** ‘… ”spontaan” gaan meeklinken’. Hier wil Wilmar door het woord ‘spontaan’ tussen aanhalingstekens te zetten vermoedelijk zeggen dat het begrip ‘spontaan’ in de zin van ‘vanzelf, zonder oorzaak of aanleiding’ hier niet correct is. Er is namelijk wel degelijk een aanleiding, maar die is buiten het voorwerp gelegen en het voorwerp klinkt mee op grond van fysieke eigenschappen en niet op
grond van een ‘vrije wil’. Dit is van belang om de betekenis te begrijpen van wat Wilmar later uitwerkt over de invloed van ‘schijnklanken’ op het kleine kind.
_______________________________________________________

Bij de radio-uitzending produceert men met de zender een zogenoemde draaggolf*, waarop de radio-ontvanger zal moeten gaan resoneren. Deze draaggolf bestaat uit een reeks elektro-magnetische impulsen met een bepaalde golflengte en een bepaalde frequentie, die zich met de snelheid van het licht door
de ruimte heen uitbreiden. Wat dit te betekenen heeft, kan men zich als volgt aanschouwelijk maken.
Als men in een vijver een steentje gooit, ontstaan er kringen om de plek heen, waar het steentje gevallen is; deze kringen worden wijder en wijder en volgen elkaar met een bepaalde regelmaat en afstand op. De afstand tussen twee kringen kan men de golflengte noemen, het aantal kringen, dat per seconde is ontstaan, de periode.
Zo stelt men zich nu ook voor, dat de zender-antenne rond om zich heen kringen van elektro-magnetisme verspreidt, die elkaar als golven opvolgen en met gelijke, zeer kleine tussenpozen uit de zender-antenne worden uitgezonden. Ze verspreiden zich niet alleen in horizontale richting rondom de zender, maar in alle richtingen, dus ook naar boven en beneden.
_______________________________________________________

*..een zogenoemde draag-golf…’. Als men een elektrische stroom door een geleider van bepaalde afmeting stuurt, waarbij de sterkte van de stroom in hoog tempo ritmisch verandert (‘vibreert’), dan kan zo’n geleider een elektromagnetische golf uitzenden, die zich over grote afstanden verplaatst met de (vaste) snelheid van licht. Zo’n draag-golf beantwoordt aan de natuurkundige wetten van het elektro-magnetisme. De ‘periode’ is de (ultrakorte) tijd die voorbijgaat als een golfbeweging passeert (waarbij de frequentie f = 1/periode). In de telegrafie werd aanvankelijk gebruik gemaakt van een serie korte draaggolven van verschillende lengte en met onderbrekingen. Een seingever/telegrafist kon daarmee informatie overdragen in het zogenoemde ‘morse-schrift’. Tegenwoordig ‘moduleert’ men de draaggolf op velerlei wijze, waarmee een ongekende hoeveelheid aan informatie door het luchtruim kan worden verplaatst en kan worden afgestemd op diverse typen ontvangers. Daartoe wordt dan het spectrum aan gebruikte frekwenties (bandbreedte) aangepast aan het doel van de informatie-overdracht (zie verder volgende bladzijden).
Men zou dus beter van ’bollen’ van elektro-magnetisme kunnen spreken, die zich zeer snel (met de voortplantingssnelheid van het licht) verwijden, en elkaar met een afstand opvolgen, die men de golflengte van de radio-draag-golf noemt. Wanneer de zender in de zogenoemde middenband uitzendt, kan deze golflengte bij voorbeeld 300 meter bedragen. Dan worden er door de radiozender per seconde 1.000.000 onderling gelijke elektro-magnetische impulsen opgewekt
en verspreid. Men zegt dan in de radiotaal, dat de zender uitzendt met een periode van 1.000.000 Hertz of 1000 Kilohertz.
De radio-ontvangst* komt nu in principe hierop neer, dat men door technische voorzieningen in het ontvangtoestel een zogenoemde stroomkring zodanig kan instellen, dat die stroomkring bereid is, via de antenne op de uitgezonden draag-golf te gaan resoneren, d.w.z. door de inwerking van die draaggolf in een toestand van elektrische spanningen en ontspanningen, van ladingen en ontladingen te komen, in dit geval eveneens met een periode van 1.000.000 per sec. (Men noemt dit instellen: ‘afstemmen’ van het ontvangapparaat).
______________________________________________________
Op de ultrakorte samenvatting van wat er bij de productie en overbrenging van radio-geluid gebeurt die Wilmar hier geeft, is veel meer kritiek mogelijk dan wij in deze aantekeningen kunnen geven. Bovendien is veel ervan verouderd. In nog sterkere mate geldt dit voor wat in het volgende hoofdstuk over de televisie staat. In deze aantekeningen gaan we alleen in op details als die de beeldvorming van dit proces bij de lezer zouden kunnen verstoren.

*‘De radio-ontvangst’: Een radio-ontvanger heeft veel gemeen met een zender, net zoals een microfoon een zekere overeenkomst vertoont met een luidspreker. Cruciaal voor het betoog is dat achtereenvolgens geluid, in de vorm van mechanische luchtdruk-schommelingen, wordt omgezet in een vibratie van een medium dat deze signalen omzet in elektrische signalen van het zendapparaat. Deze worden overgedragen op een elektromagnetische draaggolf. In het ontvangstapparaat (op grote afstand) verloopt de informatie-overdracht dan weer in omgekeerde volgorde. elektrosche signalen, in het gewenste frequentiespectrum, worden weer overgedragen op een luidspreker die er op mechanische wijze luchtdrukschommelingen van maakt.
Bij de uitzending gebeurt er nu echter ook nog wat anders: op de geproduceerde draaggolf wordt ’gemoduleerd’, d.w.z. zijn periode blijft praktisch dezelfde, maar zijn aard wordt beïnvloed, doordat er in de radiozender iets aan wordt toegevoegd, namelijk de in elektromagnetische impulsen omgezette luchttrillingen van door een microfoon opgevangen geluid (muziek, menselijke stem). Deze impulsen hebben op zichzelf veel lagere trillingsgetallen; die liggen namelijk binnen de grenzen van de trillingsgetallen van het hoorbare, dat is van 16 per sec. — 20.000 per sec. (dus 16—20.000 Hertz).

De draag-golf is nu dus niet meer een eenvoudige, gelijkmatige, gelijkvormige elektromagnetische trilling, maar is door de microfoon-trillingen veranderd in vorm en sterkte (amplitude).
In het afgestemde ontvangtoestel wordt nu, door een vernuftige inrichting, die ingewikkelde veranderde draaggolf, waarop dus het ontvangtoestel met zijn eerste stroomkring is gaan resoneren, ontleed, doordat een tweede stroomkring uitsluitend gevoelig wordt gemaakt voor de die draaggolf veranderd hebbende
impulsen van 16—20000 perioden per sec. (Deze inrichting heet in de radiotaal ‘detector’) Nu heeft men in de ontvanger na ‘uitschakeling’ van de draaggolf wissel-stroompjes gekregen van eenzelfde periode, ‘vorm’ en amplitude als die, welke in de microfoon van de zender ontstonden, en kan men die wisselstroompjes via een versterkerkring omzetten in mechanische trillingen, die dan een membraan tot trillen brengen. Deze membraan bevindt zich in de zogenoemde luidspreker die daarmee geluid produceert.

Opvatting

De door de mens voortgebrachte klanken zijn méér dan een samenstelling van mechanische of elektromagnetische processen.
Wat is er nu eigenlijk gebeurd? ‘Ergens’ is klank omgezet in elektromagnetische verschijnselen,*die zich, wanneer de ‘draaggolf’ maar krachtig genoeg is, om de hele aarde heen verspreiden. Ergens anders wordt een elektrisch apparaat zodanig ’afgestemd’, dat het op die elektromagnetische verschijnselen gaat reageren. En door zeer vernuftige technische voorzieningen wordt het mogelijk gemaakt, dat in dat elektrische apparaat (het ontvangtoestel) nu die elektromagnetische verschijnselen worden omgezet in mechanische, waardoor een membraan gaat trillen, wat men dan als geluid zal horen. Dit alles berust op een technisch toepasbaar gemaakte opvatting over klank en geluid, namelijk dat klank en geluid uit niets anders bestaan dan uit mechanische verschijnselen, die zich door de lucht voortplanten. Die mechanische verschijnselen zet men om in elektromagnetische, zendt die uit, en na de ontvangst zet men de elektromagnetische verschijnselen weer om in mechanische. Men neemt aan**dat het door de luidspreker geproduceerde geluid in zijn kwaliteit hetzelfde is, als dat wat door de microfoon werd opgevangen.
_______________________________________________________

*: indien Wilmar had geschreven ‘… nu die elektromagnetische verschijnselen worden omgezet in achtereenvolgens elektrische en dán mechanische …’, zou hij zich duidelijker hebben uitgedrukt.
** Men neemt aan, dat het door de luidspreker geproduceerde geluid … werd opgevangen’. Deze uitspraak is niet correct. Velen, met name mensen die veel van geluidstechniek weten, nemen dit helemaal niet aan. Ze gaan er eerder van uit dat er wel verschillen zijn, onderzoeken hoe dat precies werkt, en hebben daarin sinds 1964 immense vooruitgang geboekt. Afgezien van het feit dat geluidstechnici zich maar al te vaak bewust zijn van de toch nog onvolwaardige kwaliteit van het gereproduceerde geluid, stuiten we hier op een veronderstelling die ten onrechte de kritiek van ‘metafysische speculatie’ over zich kan afroepen. Zij herinnert ook aan Goethe’s theorie over het licht en het ‘wezen’ van de kleuren. Maar daarnaast zal duidelijk worden dat het gereproduceerde geluid, afgezien van eventuele technische onvolkomenheden, in de waarneming van de
toehoorder een aantal onvolkomenheden krijgt door het ontbreken van die aspecten die in de samenvatting van dit hoofdstuk zijn opgesomd (blz. 21-22). Zie in dit verband ook regel 7-8 op bladzijde 28: ‘……of de mens horende in staat is, nog iets anders op te nemen, waar te nemen, en wel door de aard van zijn gehoor’.
Dit nu willen we hier niet als een uitgemaakte zaak beschouwen.

Maar we willen ons afvragen, of werkelijk de mens bij het horen niets anders waarneemt dan mechanische trillingen — hetzij van het klinkende voorwerp, of de stem, hetzij van de lucht, die klank en toon voortplant — of dat er in de klank nog iets anders leeft; en of de mens horende in staat is, nog iets anders op te
nemen, waar te nemen, en wel door de aard van zijn gehoor.
Om een antwoord op deze vragen te vinden, moeten wij het probleem dus van twee kanten benaderen* namelijk ten eerste door ons opnieuw met het wezen van geluid, toon, klank enz. bezig te houden, en ten tweede door te bespreken, waaruit het menselijk horen als zintuigfunctie bestaat en waartoe de mens
horende en luisterende, waarnemend een toegang kan vinden.
Uiteraard zou de bespreking van het wezen van geluid, klank en toon op zichzelf een onderwerp zijn, dat een heel boek zou vereisen. We kunnen dan ook in dit bestek niet anders doen, dan een richting aangeven, waarin men de opvattingen, zoals ze hier worden vertegenwoordigd, verder zelf observerende en denkende kan vervolgen.
_______________________________________________________
* ‘… van twee kanten benaderen …’: hier komt tussen de regels door een essentieel motief in Wilmars analyse tot uitdrukking: de wisselwerking tussen het geluid voortbrengend object of organisme of wezen en de het geluid horende of ernaar luisterende mens. Door deze ‘wederkerigheid’, ontwikkelt de betekenis van een signaal zich verder tijdens de overdracht/waarneming. Een fenomeen
dat vooral ook aandacht heeft gekregen in het werk van Viktor von Weizsäcker (Der Gestaltkreis – Theorie der Einheit von Wahrnehmen und Bewegen, 1940) en de Nederlandse psycholoog F.J.J. Buitendijk, waarmee Wilmar vertrouwd was. Binnen het bestek van een fenomenologische aanpak is ook het ongebruikelijke woord ‘wezen‘ (van dit-of-dat) niet misplaatst. Eigenlijk komt dat ‘wezen’ dus voort uit de activiteit die bij de luisteraar kan plaatsvinden, als het geluid in zijn oorspronkelijke hoedanigheid wordt weergegeven, terwijl het wordt beleefd als een eigenschap van de klank zelf (en is daar ook door bepaald).

Stem en spraak

De vraag uit de vorige paragraaf (over het ‘wezen’ van de klanken) krijgt een eerste antwoord, culminerend in enkele opmerkingen over klanken die de mens voortbrengt.
Klinken kan alleen iets, wat uit zijn toestand van stabiele rust wordt gehaald. Bijvoorbeeld: een stabiel liggende steen kan niet klinken. Men moet hem oprapen en ergens op laten vallen. Of men moet er tegen aan stoten. Zo is het met alle vaste voorwerpen. Een klok klinkt pas, als hij vrij wordt opgehangen, en dan wordt aangeslagen. Een blaasinstrument klinkt op, als de luchtkolom, die er door wordt omsloten, in werveling en trilling wordt gebracht, waarbij de aard van het omsluitende materiaal (hout, koper, of een andere stof) de aard, het timbre* van de toon bepaalt. Een zilveren muntstuk klinkt anders, dan een koperen, maar beiden pas, als men ze op een vaste onderlaag laat vallen, en laat
’rinkelen’.
_______________________________________________________
* ‘… timbre …’. Iedereen kent en gebruikt het woord ‘timbre’, maar het is moeilijk zo niet onmogelijk om precies te omschrijven wat het betekent. De Grote Van Dale geeft ‘Het karakteristieke van een stem of een instrument, synoniem klankkleur of toonkleur’. Het gebruik van het woord ‘kleur’ in dit verband is interessant omdat het illustreert hoe we bij de beschrijving van kenmerken van zintuigelijke modaliteiten (in dit geval de akoestische) vaak noodgedwongen gebruik maken van begrippen die aan andere modaliteiten zijn
ontleend. Dit is relevant in het perspectief van een van de hoofdthema’s van Wilmars analyse, namelijk het gegeven dat wij spontaan altijd in meerdere zintuigmodaliteiten tegelijk waarnemen.
Misschien wel de meest sprekende parallel vinden we in de oenologie, waar kenners vaak in bloemrijke bewoordingen als ‘bouquet’ en ‘afdronk’ hun intieme reacties debiteren op wat ze aan wijn proeven. Ieder mens raakt onder invloed van de alcohol die in de wijn zit, maar voor het overige reageren mensen individueel hoogst verschillend.
Maar op de skeptische amateurdrinker maakt dat weinig indruk.
____________________________________________________

Dit zijn maar enkele voorbeelden.* Verder kunnen we nog denken aan de klank van water- en luchtbewegingen.
In de plantenwereld klinkt het op, als de wind of het water met de planten speelt of als er onder invloed van temperatuurverschillen veranderingen optreden (het openklappen van zaaddoosjes bij voorbeeld).
In de dierenwereld klinkt het op door eigen activiteit. Bij de lagere dieren gebeurt dit vaak nog door aan technische snufjes herinnerende bewerktuigingen (sjirpen van de krekels bij voorbeeld).
Bij de hogere dieren (de gewervelde dieren) hebben we al een begin van stemvorming**. Dit is enigszins te vergelijken met wat in een blaasinstrument gebeurt. Het is de luchtkolom (in de stemvormende ademhalingsorganen) die de klank draagt en voortplant, maar het wezen van de klank wordt bepaald door de aard van het stemorgaan dat die luchtstroom omgeeft.
Zo onderscheiden wij de dierenstemmen, de dierengeluiden, de plantengebeurtenissen, de klanken aan de dode materie eigen.
Bij de menselijke stem, in spraakvorming en in zang, kunnen we waarnemen, hoe daarin ten minste twee karakteristieke elementen vertegenwoordigd zijn. Door zijn stem openbaart de mens ons in woord en zang iets van zijn diepste innerlijke wezen: door de aard van die stem, door het timbre ervan, door toonhoogte en intensiteit.
_______________________________________________________
*: en nog een voorbeeld: In tegenstelling tot elektro-magnetische golven hebben geluidsgolven een veranderlijke snelheid. Kenners van Western-stripverhalen weten dat: de Indiaan die wil weten of in de verte (onhoorbaar) een trein nadert, legt zijn oor op de rails en neemt daarin de versterkt en versneld voortgeplante schokgolf waar, als geluid. Dit geluid is door de geleiding in stalen rails aanzienlijk vervormd, maar wordt niettemin in zijn speciale context door de actief luisterende mens direct herkend als dat van een naderende trein.

**: ‘..een begin van stemvorming..’ Over taal wordt meestal gesproken in termen van syntaxis, maar evolutionair gezien hebben woorden vaak ook een ‘fonologische’ betekenis. Diergeluiden kunnen daarvan een (betekenisvolle) voorloper zijn.
____________________________________________________

Dit alles wordt tenslotte mechanisch mogelijk gemaakt door de vorm en de voor iedere mens specifieke wijze van functioneren van de stemvormende organen; dat zijn dus: strottenhoofd, longen en luchtpijp, mond, neus en neusbijholten; maar ook door de mindere of meerdere mogelijkheid van controlerende
beïnvloeding door het eigen gehoor van die mens. Al die stemvormende organen zijn in hun vorm en functie uitdrukking van het innerlijke bezielde wezen.
Het tweede karakteristieke element van de menselijke spraak en zang is, dat daarmee niet alleen het eigen gemoed, de innerlijke ziele-gesteldheid hoorbaar wordt, maar dat de mens daarmee de hem omgevende en tegemoetkomende wereld kan vertolken.
Kort gezegd: hij kan de dingen benoemen, een naam geven*. En met die naam kan hij meer of minder juist het wezen van de dingen tot uitdrukking brengen. Hiermee bereikt de klank in de mens een niveau, dat hem boven alle andere klanksoorten in de natuur verheft.
We moeten dus in gedachten vasthouden, dat voor de specifieke kwalitatieve eigenschappen van klank, geluid en natuurlijk in het bijzonder van muziek en zang, de aard van het klank-gevende voorwerp of wezen bepalend is. Dat voorwerp of dat wezen openbaart door zijn klank, zijn toongeving, resp. door zijn stem of spraak veel meer van zijn innerlijke wezen, dan bijvoorbeeld zijn zichtbare uiterlijk dat doet. Wij zien van de dingen letterlijk de buitenkant (ook als ze doorzichtig zijn — het zou te ver voeren, daar in dit bestek nader op in te gaan).
_______________________________________________________

 *‘….een naam geven….’: taal is het vermogen tot abstractie van een waargenomen beeld. Evolutionair gaan aan taal een fonologische (diergeluiden) en een semantische (denkinhouden) ontwikkeling vooraf. De (steeds weer veranderlijke) klank van het uitgesprokene heeft dus ook betekenis voor de inhoud ervan. Evenzo is het duidelijk geworden dat in de hersenen zowel de linker als de rechter hemisfeer betrokken zijn bij een optimale productie en waarneming van taal.
________________________________________________
Het is een onbewust of bewust bekende ervaring, dat klank niet bedriegt, de (optische) schijn wel.
Nu bereikt geluid, hoe dan ook voortgebracht, ons oor altijd via de lucht. Dat is het medium, waardoor geluid zich door de ruimte verspreidt en voortplant. Dit medium, de lucht, bezit alle eigenschappen waardoor de klankvoortplanting in haar totaliteit kan plaatsvinden, terwijl de lucht zelf niets er aan toe of afdoet.
De radio-overbrenging nu, schakelt nog een extra medium in. Zij herleidt de bewogen lucht (of bij directe overbrenging het klinkende voorwerp) tot elektro-magnetische verschijnselen en vormt die bij de ontvangst weer om tot luchtbeweging door de luidspreker wat wij dan als geluid ervaren.

Wat hier gebeurt, wordt door de Engelsen treffend met een term weergegeven: men noemt daar radio- en grammofoonmuziek: ’canned music’ — muziek-in-blik. Zoals blikgroente kwalitatief iets anders is dan verse groente, zo is dat met ‘muziek in blik’, voelt de Engelsman aan: er is door de vertaling van het geluid in elektromagnetische verschijnselen iets wezenlijks van de kwaliteit verloren gegaan. En uit de luidspreker komt dan ook een min of meer volmaakte imitatie van geluid, klank, die echter door een aan het geluid wezensvreemd element (elektro-magnetisme) is teweeggebracht. Men zou dus voorlopig als antwoord op de hierboven gestelde vraag kunnen geven: de microfoon ontvangt hetzelfde geluid, als het menselijk oor zou horen, wanneer het zich op de plaats van de microfoon zou bevinden, maar de microfoon behandelt het zo, dat er iets anders
uit wordt gemaakt*).
*) Een gebruikelijke bijkomstigheid is hier nog, dat de microfoons meestal zo zijn geconstrueerd, dat zij de geluiden en klanken met trillingsgetallen van meer dan circa 5000 per seconde niet opnemen en verwerken, en dat die dus ook niet door de luidspreker worden gereproduceerd [dit gebeurt overigens omdat het menselijk gehoor geluiden met hogere frequentie toch niet meer hoort (PvD / HV)].
Dit heeft een vervorming van alle geluiden en klanken bij radioweergave tot gevolg, aangezien in en door deze weergave bij voorbeeld allerlei boventonen van de stem en van muziekinstrumenten worden geëlimineerd.
Dit voert ons verder tot de vraag: maar wat ’maakt’ het menselijk oor dan uit geluid, klank enz.? Ter beantwoording van deze vraag moeten we ons nu wijden aan een korte beschouwing van de bouw en functie van onze gehoorsorganen.

Actief luisteren en de functie van het oor

In de nu volgende paragraaf behandelt Wilmar aan de hand van de auditieve zintuigmodaliteit het centrale motief van zijn betoog: de stelling dat luisteren een (inter-)actief proces is, waaraan het gehoororgaan slechts een bijdrage levert.
Geluid, in de vorm van luchtdrukvariaties, wordt door de gehoorbeentjes omgezet in nauwkeurige bewegingen van het ovale venster. Dit draagt de energie over op een vloeistofkolom, die daarmee de ‘gehoorsnaren’ in beweging brengt.
(Aardig is dat evolutionair gezien het transport van ‘boodschappen’ aanvankelijk vooral ook in water geschiedde. Mogelijk hebben daarom bijvoorbeeld dolfijnen een disproportioneel groot brein, dat kennelijk nodig is om de vele subtiele geluidsvariaties, zoals die zich in het water kunnen voordoen, te kunnen interpreteren.)
De beweging van de ‘gehoorsnaren’, vervolgens, lijkt weer sprekend op die van het piëzo-element in de microfoon, waarmee eveneens beweging wordt omgezet in elektrische stroom. Al met al zou ons horen niet zoveel verschillen van dat van een radio-ontvangsttoestel, als het niet zo nadrukkelijk gekoppeld was aan de werking van een daaraan gekoppeld brein.
Ons gehoorapparaat wordt echter gecorrigeerd door de menselijke verbeelding: men ‘weet’ vaak wat men moet horen. Dit fenomeen heeft vooral bekendheid gekregen voor het visuele systeem, in het begrip ‘beeldconstante’.
In de vorming van een ‘beeldconstante’ is de mens actief betrokken.
Daarmee kan hij desgewenst ook horen maar niet luisteren, selectief luisteren of zelfs ‘verborgen’ boodschappen waarnemen.
Dit sluit aan bij moderne inzichten over de verwerking van auditieve prikkels door het brein, waarbij ook gebieden actief blijken te zijn waarvan men aanvankelijk dacht dat ze geen deel zouden uitmaken van het zogenoemde ‘auditieve systeem’.
Daarover is veel wetenschappelijke literatuur beschikbaar en het zijn juist deze inzichten waarop Wilmar lijkt te hebben geanticipeerd.
Uiteraard begint men bij de bespreking van het menselijk gehoor, met van de gehoorzintuigen, de oren uit te gaan. Deze bestaan, zoals bekend, uit de gehoorschelpen met de uitwendigegehoorgangen, die eindigen bij de trommelvliezen. Elk trommelvlies is een strak gespannen, zeer dun vlies, dat het eind van de gehoorgang vormt, en naar binnen toe de middenoorholte
afsluit. In deze met lucht gevulde holte bevinden zich drie heel kleine gehoorbeentjes, die met elkaar een hefboomsysteem vormen. De zogenoemde hamer rust met zijn steel midden op het trommelvlies. De hamer bezit ook een spiertje, waardoor het trommelvlies min of meer strak gespannen kan worden. Het is van belang, hierbij te vermelden, dat naarmate een geluid harder, luider is, het spiertje het trommelvlies strakker spant, zodat het minder zal meetrillen. De drie gehoorbeentjes brengen de trillingen van het trommelvlies over naar een ander vlies aan de binnenkant van het middenoor, het zogenoemde ovale venster. Het hefboomsysteem van de gehoorbeentjes werkt nu zo, dat de overbrenging van de trillingen van het trommelvlies naar het ovale venster neerkomt op een verzwakking van de intensiteit* van die trillingen. Het ovale venster scheidt het middenoor van het ‘slakkenhuis’ ook binnenoor genaamd, inderdaad een zeer klein ‘slakkenhuisje’ naar zijn vorm, met vloeistof gevuld. Door de trillingen van het vlies van het ovale venster geraakt de vloeistof van het slakkenhuis eveneens in trilling.
_______________________________________________________
*‘… verzwakking van de intensiteit van die trillingen.’: ‘Ter verduidelijking voegen wij toe: het gaat om een omzetting van druk (groot oppervlak trommelvlies) naar kracht (klein oppervlak ovale venster) die de gehoorsnaren nauwkeurig in beweging moet zetten. De mechanische energie wordt daarbij omgezet in elektrische energie.
Tot zover zijn de details van het proces zo goed inzichtelijk en na te bootsen dat men tegenwoordig met een ‘cochleair implantaat’ de handicap van een aantal dove mensen redelijk weet te compenseren.
Zie in dit verband echter ook onze opmerking hierover in de
Nabeschouwing blz. 112.
_______________________________________________________

Wanneer men nu met een functionele instelling*de beschreven opbouw van de oren beschouwt, dan valt het op, dat de hele ’techniek’ van dit apparaat erop gericht is**om luchtbewegingen of luchttrillingen in hun intensiteit te verminderen, af te remmen. Bovendien is alles er op ‘geconstrueerd’, dat de
gehoorselementen niet in het gevaar komen op één of andere toon of geluid te gaan resoneren. (Zou dat gebeuren, dan wordt het oor ernstig beschadigd. Dat gebeurt ook wel eens bij bepaalde geluiden.) Kort gezegd: het oor heeft geen eigen resonantie, het is er zelfs op ingericht om resonantie te voorkomen; en alles wat aan het geluid beweging is (lucht-trilling) wordt in het oor in intensiteit verminderd, afgeremd, tot rust gebracht .
_______________________________________________________
*‘Wanneer men nu met een functionele instelling … , dan valt het op, … ‘: hier vat Wilmar tussen de regels door aardig samen hoe men fenomenologisch onderzoek doet. Men ‘beschouwt’ iets, dat wil zeggen: kijkt er zo onbevangen mogelijk naar zonder er meteen handtastelijk aan te worden, overweegt dat datgene wat men bekijkt waarschijnlijk een of ander doel of functie heeft of volgens een bepaald plan zo geconstrueerd c.q. evolutionair ontstaan is als het is, en probeert dan introspectief inzicht te krijgen in deze functie of dit doel of plan. Voor nadere uitleg zie de Nabeschouwing, blz. 103-104.

**erop gericht is, om luchtbewegingen … in hun intensiteit … af te remmen.’: dit is enigszins slordig geformuleerd. De bewegingsenergie wordt omgezet in elektrische energie. Het raadsel van het ‘actief tot rust brengen’ treedt pas op als de bio-elektrische energie in de menselijke geest tot ‘waarneming’ wordt. Deze waarneming is uniek voor de waarnemende persoon en kan niet meer in termen van ‘energie’ of ‘signaaleigenschappen’ worden uitgedrukt.
_______________________________________________________
Hoogst interessant is het nu, te bedenken, dat de luisterende mens primair de neiging heeft, in zijn geheel mee te ‘klinken’, om als het ware te resoneren op de gehoorde klanken. Men denke bij voorbeeld aan kleuters, hoe die meedeinen, meedansen op een muzikaal ritme, hoe ze de neiging hebben mee te zingen.
Het kost activiteit, om deze primaire wijze van reageren in te houden.
Maar naarmate de mens de aldus in zijn hele levende bezielde lichaam ontstaande resonantie actief inhoudt, tot rust brengt, is hij beter in staat tot intensief luisteren.
Dit brengt ons ertoe te constateren, dat er een merkwaardige correlatie bestaat tussen het actieve luisteren van de mens als psychisch-lichamelijke werkzaamheid enerzijds, en de functie van het oor anderzijds, waarvan de bouw dan weer een afspiegeling is. Immers zowel bij het luisteren als bij de functie van het oor wordt primair opgewekte resonantie afgeremd, actief tot rust gebracht.
Anders gezegd: het menselijk oor kan ons door zijn bouw en functie leren, hoe wij ons moeten gedragen, om luisterende zo intensief mogelijk waar te nemen.
Het is nu voor onze beschouwingen van belang om op te merken, dat wij, en onze oren, bij het luisteren niet alleen een kwantitatieve hoeveelheid geluidsenergie tot rust hebben te brengen, maar dat onze activiteit ook een kwalitatief karakter zal hebben. Het ene geluid, de ene klank moet bij het hoorproces op een andere wijze — al naar zijn klankkwaliteit — actief tot rust worden gebracht dan de andere. Deze kwalitatieve activiteit van lichaam en ziel brengt ons de kwaliteit van het gehoorde tot bewustzijn.
Plastisch gezegd: wij horen een fluittoon*met een ander deel van ons lichaam, en van ons oor, dan een viooltoon (want een fluittoon zou iets anders in ons lichaam tot resonantie** brengen, dan een viooltoon).
Muzikaal sensibele mensen*** kunnen zelfs aangeven, ‘waarmee’ zij verschillende muziekinstrumenten beleven.
_______________________________________________________

*Wij horen een fluittoon met een ander deel van ons lichaam, en van ons oor, dan een viooltoon…’ Dit lijkt niet heel letterlijk opgevat te kunnen worden. Bij de waarneming van verschillende klanken zijn vooral diverse en ook wisselende delen van de hersenen actief, afhankelijk van de betekenis van die klank. Daarbij spelen ook aangeleerde associaties een rol. Kleine kinderen lijken bovendien
synaesthetisch waar te nemen: een klank kan nog tot de beleving van een beeld of geur leiden, en andersom. Daarnaast hebben klanken invloed op zogenoemde ‘spiegelneuronen’ in de auditieve hersenschors (die juist primair betrokken zijn bij meer uitvoerende functies).
Het zal ook duidelijk zijn dat ‘waarnemen’ alleen door een mens kan gebeuren en niet door een orgaan, als dat geen deel zou uitmaken van een levend wezen. (zie ook blz. 22 / 21-23 en de Nabeschouwing).

** We wijzen er opnieuw op dat het begrip resonantie niet letterlijk dient te worden opgevat. Vgl. ons commentaar op blz. 23 / 15.

***‘Muzikaal sensibele mensen kunnen zelfs aangeven ..’. Hier komt tussen de regels door een belangrijk aspect van de benadering van Wilmar aan de orde. We kunnen het benoemen als het verschil tussen het vermogen van ‘de’ mens en de vaardigheden van concrete afzonderlijke mensen. Ieder mens die een normale lichamelijke ontwikkeling heeft doorgemaakt heeft het vermogen tot zien, en ziet ongeveer even goed. Een gebrekkig gezichtsvermogen is meteen een aanleiding voor medisch-oogheelkundige correctie. Dat zelfde geldt voor het vermogen tot horen resp. doofheid. Maar de ene mens kan geen grote terts van een kleine secunde onderscheiden en de andere is ‘muzikaal sensibel’. Mensen vertonen een grote variatie in de mate waarin zij kunnen waarnemen, terwijl ‘horen’ en ‘zien’ als louter zintuigfunkties weinig spreiding vertonen onder mensen die geen
beschadiging aan die zintuigen hebben.
_____________________________________________________

Bij het horen van de menselijke stem is het het eigen strottenhoofd, dat meeluistert, en dat de kwaliteit van die andere stem tot bewustzijn doet komen (luistert men naar iemand met een hese stem, dan begint men zelf de noodzaak te gevoelen de keel te schrapen, door vermeerderde slijmvorming, die reflectoir in de eigen keel wordt opgewekt). Het luisteren is dus niet alleen tot het oor beperkt, doch ook een deel van ons overige lichaam is erbij betrokken.
Wanneer men nu een radio-ontvangtoestel of grammofoon beluistert, dan is wat men hoort, in feite het door een technisch apparaat geproduceerde ‘geluid’. Dat wil zeggen: dit apparaat, deze luidspreker klinkt niet, maar produceert luchtbeweging. Het is zelfs een technische eis, dat een luidsprekerinstallatie geen
enkele eigen klankkwaliteit bezit, maar wel in staat is, elke klank wéér te geven.*)
En luisteren wij nu naar de radio of grammofoonweergave, dan is de activiteit, die bij dit luisteren in aanmerking komt, er een, die uitsluitend beperkt is tot het opnemen, en verwerken van de kwaliteiten van de in luchtbewegingen omgezette elektro-magnetische verschijnselen. Het gehele horende organisme wordt uitsluitend beïnvloed door een eenvormig geluidsfenomeen. Dat het toch ontegenzeggelijk op ons een veelvormige indruk maakt, ook veelvormig van kwaliteit, hangt niet rechtstreeks samen met het horen als waarnemende activiteit, maar is te danken aan een andere psychische werkzaamheid. Wij
begeleiden namelijk het waarnemen, merendeels onbewust of halfbewust, met herinneringsvoorstellingen van eerder opgedane waarnemingsinhouden. En in het geval van het luisteren naar radio- of grammofoonweergave herkennen wij, wat wij horen, en dus ook de veelvormigheid ervan, door de herinnering aan gehoorservaringen, die wij eerder, langs andere wegen hebben opgedaan.
*) Dit staat dus in tegenstelling tot elk ander klinkend ding, zoals eerder (op blz. 28 en verder) is beschreven.

Fysiologisch ervaren wij bij het horen van radio of grammofoon* niets meer en niets minder dan een door elektromagnetische verschijnselen opgewekte schijnklank** van een technisch apparaat (de luidspreker). Psychisch interpreteren wij dat als muziek, spraak etc. De psycho-fysiologische*** inspanning, die wij anders opbrengen om de wereld van klank, toon en stem in haar onuitputtelijke verscheidenheid in ons op te nemen, wordt herleid tot een enkelvoudige, ongedifferentieerde activiteit van onze gehoorswaarneming, maar overheerst door een psychische activiteit: namelijk van herkenning van wat er door wordt voorgesteld.
Dat wat wij zouden moeten doen terwijl wij horen, namelijk klank en toon in ons doen verstillen doordat wij actief waarnemen, en ons door die activiteit bewust worden van wat wij horen als stem, muziek, geluid of andere akoestische modaliteit die in elk geval een bepaalde eigen kwaliteit heeft …:
_______________________________________________________

* ‘… grammofoon …’: hier debiteert Wilmar een onjuistheid, want bij overbrenging van geluid door een grammofoon, is geen sprake van(een) elektromagnetische verschijnsel(en). Overeenkomsten en verschillen tussen radio en grammofoon lijken enigszins op die tussen televisie en film

** ‘… schijnklank …’: Wilmar zegt met zoveel woorden nauwelijks iets of zelfs helemaal niets over het onderscheid tussen een ‘schijnklank’ en een, in contrast daarmee te kwalificeren als ‘echte’ klank.
Met dit onderscheid zitten we midden in de fenomenologie, en dat zou een uitvoeriger toelichting vragen: zie Nabeschouwing blz. 103-104.

***‘…psycho-fysiologisch…‘: de voormalige Cartesiaans dualistische benadering, waarbij een zintuigprikkel als een soort ‘voorwerp’ werd getransporteerd naar het centrale zenuwstelsel, om daar te worden opgeslagen en verwerkt, werd vooral sinds het werk van H. von Helmholtz in de 19de eeuw herzien. Uit die tijd stamt het begrip ‘psychofysiologie’, waarmee wordt benadrukt dat de prikkelverwerking geschiedt door een ‘als eenheid functionerende, lichaam, ziel en geest’, waarnaar Wilmar hier verwijst.
_______________________________________________________

… deze activiteit wordt ons door de radio-overbrenging ontnomen.*

De zenderontvangcombinatie neemt over, wat anders wij doen. De microfoon ‘hoort’, wat er te beluisteren valt, maar de zender-ontvang-combinatie ‘vertaalt’ **dat eerst in elektromagnetische verschijnselen en vertaalt het daarna terug in mechanisch opgewekte luchttrillingen.
Men ziet dat men, ook als men radio en grammofoon van deze kant benadert, tot de conclusie komt dat radio- (grammofoon-) muziek iets wezenlijk anders is dan rechtstreeks gehoorde muziek, zij is ‘muziek-in-blik’. Men hoort geen muziek, stem enzovoort als men een radio-luidspreker beluistert, men hoort de luidspreker, dat wil zeggen een wezenloze mechanische installatie. Maar men hoort toch muziek?*** Ja, omdat men al langs andere weg ervaren heeft, wat muziek is.
_______________________________________________________

*‘… deze activiteit wordt ons door de radio-overbrenging ontnomen’. Dit is wat ongelukkig geformuleerd. Waar het om gaat is dat in het door de radio getransformeerde geluid elementen ontbreken die wij actief waarnemen en verwerken als wezenlijk onderdeel van de betreffende klanken. De radio heeft ook een wezenlijk andere relatie met de waarnemer dan het gehoororgaan!

** ‘…‘‘vertaalt’’ dat eerst…en…vertaalt het daarna terug …’: de woorden ‘eerst’ en ‘daarna’ hebben wij ter verduidelijking toegevoegd.

***: ‘ … men hoort toch muziek? Ja, omdat men …’ : hier wordt in één, veel te compact geformuleerde zin, iets gezegd over wat er ‘in wezen gebeurt’ als de mens hoort. Misschien had Wilmar het beter kunnen formuleren als (bij voorbeeld): men hoort wel muziek, maar men hoort niet het muziekinstrument met zijn muzikant. Men hoort letterlijk een re-productie, die alleen door de herinnering kan worden aangevuld tot het origineel. Daarbij zijn andere hersendelen actief dan bij het luisteren in oorspronkelijke staat. Bij volwassenen werkt dat al zo, maar bij kleine kinderen anders en nog veel sterker. Zie ook de Nabeschouwing over nieuwere inzichten in de werking van het brein..
_______________________________________________________

Om deze conclusie in zijn vèrstrekkende betekenis te illustreren, het volgende: Er zijn gezinnen, die door emigratie naar primitieve gebieden jarenlang niet in de gelegenheid zijn, een orkest te horen. Ze moeten zich met grammofoon en radio tevreden stellen. Zo’n gezin kan kleine opgroeiende kinderen hebben. Die kunnen zich bij een orkestplaat of orkestuitzending nog niets voorstellen. Ze zijn geheel aangewezen op hun nog onbevangen horen, luisteren. De ouders of oudere broer of zuster kunnen tegen hen zeggen: ‘luister, dat is nu een fagot, en dat is een hobo’. Ze nemen het aan, en kunnen het dan bij een volgende gelegenheid, bij een volgende uitzending als fagotgeluid, als hobogeluid herkennen.
Nu komen de kinderen, inmiddels ouder geworden, in een omgeving, waar een orkestconcert in de concertzaal kan worden bijgewoond. Er is dan niet aan te ontkomen*: de hobo, de fagot klinkt toch anders, als men ze voor het eerst in de werkelijkheid hoort, dan voordien uit het, zij het nog zo volmaakte Hi-Fi**, stereofone toestel. Men moet zijn radio-evaringen corrigeren aan de werkelijkheid. Zou men, vóórdat men naar de rimboeging, al de ervaring gehad hebben van een orkest, dan zou men bij het luisteren naar uitzendingen steeds parallel met het luisteren de herinneringsvoorstellingen hebben, die het waarnemen van de radioweergave zouden begeleiden.
______________________________________________________
*’Er is dan niet aan te ontkomen: de hobo, de fagot klinkt toch
anders, …’: de hier gewekte suggestie dat iedereen van nature het
verschil hoort, lijkt ons niet terecht. Mensen verschillen in de mate
waarin ze het algemene vermogen van de mens tot gedifferentieerd
luisteren hebben ontwikkeld als eigen vaardigheid. Maar waar het om
gaat is dat er iets ontbreekt aan het wezen, ook al is de luisteraar niet
altijd in staat te formuleren wat er ontbreekt.

**‘… Hi-Fi …’: deze destijds gangbare afkorting voor high fidelity
heeft inmiddels een andere lading door de technische ontwikkelingen.
Op gelijkwaardige wijze lijkt tegenwoordig vaak de uitdrukking
‘digitaal’ een garantiecertificaat voor kwaliteit te zijn geworden.
_______________________________________________________

Dit doet men in feite altijd, en als volwassene kan men genoeg akoestische ervaring hebben, om dan bij het horen van radio en grammofoon meteen te weten, dat men het met dit of dat instrument, met deze of gene spreker te doen heeft.
Maar een kind, dat in de rimboe opgroeiende, voor zijn eerste muzikale ervaringen is aangewezen op radio of grammofoon, krijgt nu inderdaad slechts radio of grammofoon, krijgt om zo te zeggen stenen voor brood. Zijn, met het luisteren ingeboren behoefte, in het wezen van de klinkende materie binnen te dringen, wordt hem door radio of grammofoon niet bevredigd.
Er blijft iets te wensen over, en dat is juist het allerbelangrijkste. Natuurlijk merkt het kind dat niet, want het weet niet, wat het mist. En de volwassene, die dat wél weet, is tevreden, omdat hij zijn luisteren naar radio of grammofoon steeds halfbewust begeleidt met zijn herinneringsvoorste1ling
Men hoort in radio of grammofoon niet de werkelijkheid, maar men hoort, wat men zich (uit de herinnering) vóórstelt te horen.

In werkelijkheid hóórt men alleen maar de luidspreker, een wezenloos ding. Maar de mens vermag* horende nog meer, dan kwaliteit en kwantiteit van een toon, klank of geluid te ondergaan. De mens kan namelijk een samengesteld geluid uiteenleggen, analyseren.
Men denke weer een ogenblik, hoe men een orkest, of een koor kan beluisteren. Men kan dan het geheel in zich opnemen en genieten. Maar men kan bijvoorbeeld ook alléén** naar de strijkers, de blazers, of naar de tenorstemmen luisteren.
_______________________________________________________
*‘Maar de mens vermag … nog meer dan … te ondergaan.’ Een huisdier zal ook de radio en televisie slechts waarnemen als een kast met geluid en licht variaties, zonder deze als zodanig te interpreteren.
Het kleine kind bevindt zich in dit verband in een soort grenssituatie: het moet juist leren onderscheiden tussen ‘echt’ en ‘onecht’.

* ‘Maar men kan bijvoorbeeld ook alléén … luisteren’: lang niet iedereen kan dat, maar de mens kan zich er wel in trainen om het beter te doen. Zie Nabeschouwing.
_______________________________________________________

Een andere dagelijks voorkomende ervaring is de volgende: bij een door elkaar heen praten, zoals dat bijv. bij een verjaarsvisite* kan gebeuren, kan men naar één van de gasten luisteren en de stemmen van de anderen die praten, al luisterende onderdrukken. Het oor vangt alles op; maar door de menselijke aandacht**, de inschakeling van de wil bij dit zintuiglijk waarneembare gebeuren, kan er een scheiding worden gemaakt tussen datgene wat men horen wil, en dat wat men wil onderdrukken.
Nu is er nog een volgende stap mogelijk. Wat men eerst al horende uiteen heeft gehaald, kan men hierna actief weer in samenklank waarnemen. Nemen we weer de koorzang*** als voorbeeld. Bij een vierstemmig koor (bijv. een koraal van Bach) kan men elke ‘stem’ apart beluisteren. Maar men kan ook de samenklank van de sopranen en de bassen beluisteren, of die van de sopranen en tenoren, enz. Men kan dus, terwijl men luistert, klanken als samenklank ervaren, men kan ze laten consoneren.
Hierdoor is de mens tot muzikaal beleven in staat. Het harmonische element in de muziek, voorzover dat eruit bestaat, dat tegelijk klinkende tonen als accoorden kunnen worden beleefd, dankt hieraan zijn bestaan.
Een samenspel, samenstel van klanken als muziek te ondergaan, is pas mogelijk, doordat men dit samenstel als een met elkaar harmoniërend geheel van zelfstandige onderdelen vermag te ervaren. De gehele polyphonie en contrapuntiek berusten op dit specifiek menselijk vermogen.
_______________________________________________________

*‘… verjaarsvisite …’: de psychologie van de geluidswaarneming kent dit als het ‘cocktailparty-effect’. Dit begrip werd in 1953 geïntroduceerd door Colin Cherry naar aanleiding van onderzoek naar de akoestische omstandigheden in het werk van luchtverkeersleiders.

**‘… menselijke aandacht …’: zie Nabeschouwing blz. 109 e.v..

*** ‘… koorzang ..’: Zie blz. 234 / 29-31 over Frits Wilmar: ‘Al gauw
kende de kleine Frits alle aria’s van Caruso en concerten van Kreisler
uit zijn hoofd.’
_______________________________________________________

Dit specifiek menselijke vermogen maakt het überhaupt eerst mogelijk, dat stemmen of instrumenten tot samenzingen of samenklinken worden gebracht, namelijk al luisterende naar de medezangers of medespelers. (Het mechanische de maat volgen en aftellen is bij orkestmuziek of koorzang nog geen musiceren!).
Een ander belangrijk element bij het horen is de mogelijkheid, het vermogen tot ruimtelijke localisatie van wat men hoort.
Klinkt iets ver af of dichtbij, vóór of achter de luisteraar? Op dit punt is er echter een duidelijke verwantschap* van het horen met het zien, en is het horen mede afhankelijk van het optische waarnemingsbeeld.
Het menselijk horen is dus in staat**, te analyseren, te synthetiseren en te localiseren. De mens kan luisterende een samenstel van klanken en geluiden uiteen rafelen in zijn onderdelen, hij kan het dan weer actief in zijn samenklank ervaren, als consonantie of als dissonantie. Hij kan bij een vioolconcert (ook met de ogen dicht) uitsluitend de vioolsolist volgen, hij kan echter ook het samenspel van solist en orkest volgen en genieten; verder is het hem mogelijk om al horende het samenspel van de solist met uitsluitend de blazersgroep, of met de strijkersgroep te bestuderen.
Is dit bij radio en grammofoonweergave mogelijk? Ja, voorzover men weet wat men hoort, vanuit de herinneringsvoorstellingen.
_______________________________________________________

* ‘Op dit punt …verwantschap … ’. Hier komt tussen de regels door weer iets tot uitdrukking van het integrerend samenspel van alle zintuigfuncties dat een van de motieven is die het betoog van Wilmar tot een eenheid maken. Het verschijnsel ‘compensatie’ bij voorbeeld bij slechtzienden past in deze gedachtegang.

**‘Het menselijk horen is dus in staat… . De mens kan … ‘: dit is alweer geheel ‘ideaaltypisch’ gesteld. Het nogal wisselende vermogen hiertoe wordt bepaald door een combinatie van aanleg en ontwikkeling.
_______________________________________________________

Om dit te kunnen staven*, moeten we weer even terugkomen op de radiotechniek. Door de opname met de microfoon wordt het totale samenstel van geluiden, zoals dat de microfoon bereikt, omgezet in een zeer gecompliceerd samengestelde reeks van elektromagnetische verschijnselen.
De geluidsgolf van de microfoon is hierbij echter de resultante, de mathematisch samengestelde som van alle opgevangen geluiden. Deze som heeft tot resultaat, een weliswaar zeer ingewikkelde, maar toch kwalitatief uniforme elektromagnetische trillingsreeks. Deze kwalitatief uniforme, qua mathematische structuur natuurlijk uiterst ingewikkelde elektromagnetische impulsenreeks wordt dan in het ontvangtoestel door de detector weer geïsoleerd, door de versterker versterkt en door de luidspreker hoorbaar gemaakt. Wat is het resultaat? Een optelsom van alle klanken, die de microfoon opving, met hun gedifferentieerde aard en timbres, nu uit de luidspreker klinkend. Dit is voor een onbevangen waarnemend oor niet meer te analyseren en te synthetiseren, in zijn delen uiteen te nemen en weer samen te horen want, het is een ondeelbaar, uniform geheel geworden, zoals het door de versterker wordt gereproduceerd.
Hoe komt het dan, dat men toch in staat is een vierstemmig koor, of een orkest, of een sprekend gezelschap, of combinaties ervan daaruit te onderscheiden? Kortom al datgene, wat een radio te bieden heeft? Alweer: omdat men reeds weet, wat men horen moet; omdat de gehoorswaarneming vergezeld gaat van de herinneringsvoorstellingen van eerder in de werkelijkheid gehoorde overeenkomstige verschijnselen. Maar horen kinderen — zonder die ervaringen — dat er dan ook uit?
_______________________________________________________

* ‘Om dit te kunnen staven…’: ook hier moet worden aangevuld dat met moderne audiotechnieken een veel beter ruimtelijk effect kan worden bereikt. Maar dan nog geldt dat het beter mogelijk is een strument te lokaliseren (en de aandacht daarop selectief te richten) in een live-concert dan tussen een aantal strategisch opgestelde boxen.
Wanneer men het ze vraagt** blijken ze er geen bevredigend antwoord op te kunnen geven. Zij horen niet het orkest, in zijn kwalitatieve verscheidenheid, maar …. de radio*).
*) Al zeer vroeg in hun ontwikkeling onderscheiden kinderen de menselijke stem bij de radioweergave, immers de menselijke stem ervaren ze al vanuit de wieg. Doch een uit de radio klinkende menselijke stem als zodanig te herkennen, is de kleuter pas gegeven, wanneer hij over herinneringsvermogen beschikt, dat is in zijn derde levensjaar. Voordien kan men nog niet van een werkelijke stemwaarneming tijdens de radioweergave spreken bij een kleuter: die hoort dan geen menselijke stem, maar … (een wellicht eigenaardig bekend aandoend) geluid uit een wonderlijk kastje. Hij is dan nog weerloos overgeleverd aan het eigenlijke verschijnsel van de elektromagnetische geluidsproductie.

* ‘Wanneer men het ze vraagt …’: Hier spreekt Wilmar kennelijk uit ervaring. Ons is niet bekend of hij daar elders over heeft gepubliceerd. Over deze vroegkinderlijke waarneming (of: perceptie, maar niet ‘ervaringen’) is in de ontwikkelingspsychologie wel veel geschreven. Zie Nabeschouwing blz. 107.

In zijn column in de NRC Handelsblad van 16 april 2007 gaf Frits Abrahams een voorbeeld van dit fenomeen. Hij gaat met zijn dochter en kleinzoon (vermoedelijk ongeveer twee jaar oud) naar een radiostudio waar de vader van de kleinzoon zal spreken. Wij citeren:
‘Even later stonden we in de controlekamer, met een glazen wand gescheiden van de studio. … Achter het glas leidde de vader … een gesprek … (Het kind) kon het niet zien, … hij keek tegen het ondoorzichtige deel van de wand onder het glas. Hij kon wél de stem van zijn vader horen, maar daar vond hij niets bijzonders aan. Na een poosje (nam) mijn dochter hem op de arm. Op dat moment zag hij voor het eerst zijn vader achter die tafel zitten, een microfoon voor zijn mond en een koptelefoon op. Hij viel helemaal stil. Hij had kunnen zwaaien en roepen, maar hij deed niets, de verbijstering was hem te machtig. Hij moet zijn vader al in tal van poses hebben gezien, maar (deze) overtrof kennelijk alles. Het was of er een personage uit een van zijn kinderboekjes was gekropen en nu in levenden lijve voor hem zat. Maar de volgende morgen, toen zijn vader weer naar zijn werk ging, zei hij opeens: “Papa naar studio.”’
_______________________________________________________
Ook een volwassene kan zich onder bepaalde omstandigheden van de juistheid van deze uiteenzetting overtuigen. Diegenen, die zich de afgelopen oorlog herinneren, herinneren zich ook de gestoorde uitzendingen. Typisch was het, dat hoe men zich ook inspande, toch haast niet te verstaan was, wat er bij die door de storingstoon belemmerde uitzendingen werd gezegd. Dus anders dan in een roezemoezig café, waar men toch wél kan isoleren door de eigen wilsinspanning, wat en wie men horen wil, anders dan dit, was het bij dergelijke gestoorde uitzendingen niet mogelijk, de storing te scheiden van het gesprokene en de storing in het bewustzijn te onderdrukken! Waarom niet? Omdat de berichtgeving en de storingsimpulsen door het ontvangtoestel tot een onontwarbare elektromagnetische impulsenverzameling werd gemengd! Een extra element bij de grammofoon is nu nog, dat wanneer iets op de plaat is vastgelegd, elke keer, dat die plaat speelt, ook inderdaad precies dezelfde weergave volgt. Het levende element in klank, geluid, muziek, menselijke stem is eruit. Het is een verstarde dode afdruk van wat eenmaal in het moment geboren was. ‘Canned music’ …
Verder moeten wij opmerken, dat de microfoon door zijn plaats de aard van de weergave bepaalt. Wat wil dit zeggen? Iedereen heeft wel eens tijdens een concert boven het orkest één of meer microfoons zien hangen, en geweten, dat het concert, waarnaar hij luisterde, tegelijkertijd werd opgenomen en uitgezonden.

Uiteraard worden die microfoons op de gunstigste plaatsen gehangen, zodat een evenwichtig geheel kan worden opgenomen, waarbij bij voorbeeld de blazers niet overheersen, of de slaginstrumenten. Maar het resultaat bij zo een opname en uitzending is dan toch een bepaalde vastgelegde verhouding van de klanken, bepaald door de localisatie en de instelling van de microfoons temidden van het orkest. Wat in de concertzaal de luisteraar naar eigen willekeur vermag te doen: luisterende zijn aandacht op de strijkers of de blazers te concentreren, en al het andere in zijn bewustzijn door zijn wil te onderdrukken, en wel onafhankelijk van de plaats, die hij in de concertzaal heeft, dat wordt nu door de microfoon, of de combinatie van microfoons overgenomen.
Dat wil zeggen datgene waar de microfoon zich het dichtst bij bevindt, komt het luidst door, overheerst in het klanksamenstel.
Er zijn nog allerlei andere mogelijkheden bij de opnametechniek: hoge tonen onderdrukken, of juist lage enz. wordt nu door de microfoon, of de combinatie van microfoons overgenomen. Dat wil zeggen datgene waar de microfoon zich het dichtst bij bevindt, komt het luidst door, overheerst in het klanksamenstel.Er zijn nog allerlei andere mogelijkheden bij de opnametechniek: hoge tonen onderdrukken, of juist lage enz. Het resultaat is echter: een weergave, die voor alle radioluisteraars uniform is, dezelfde is. Anders gezegd: het standpunt van de microfoon geldt voor alle luisteraars. Alleen geoefende oren (wat dit betekent, is na het voorgaande duidelijk: dat zijn oren, die kunnen weten, wat ze horen) zullen nog in staat zijn te onderscheiden, te analyseren en ook weer te synthetiseren, wat de luidspreker biedt. En dit dus alleen, als men kan herkennen, interpreteren, wat men te horen krijgt. Vandaar, dat het zo moeilijk is, om met een nog nooit eerder gehoord muziekstuk bij een radio- of grammofoonweergave iets te kunnen beginnen *)

*) Dat bij de jazzmuziek de microfoon of meerdere microfoons, en in de muziekinstrumenten ingebouwde microfoon-versterkercombinaties
(jazz-gitaar!) vaak een ‘onontbeerlijke’ rol spelen, ook daar waar men zich in de concert- of danszaal bevindt, en het jazzorkest ziet, maar de muziek door de zaalluidsprekers hoort, kan in het verband van deze beschouwingen tot nadenken stemmen wat betreft de aard van het fenomeen jazzmuziek.

Zintuiglijke rijpheid

Pas in de puberteit is het kind ver genoeg ontwikkeld om zonder
schade aan zijn zintuiglijke ontwikkeling radiogeluiden en
televisiebeelden te ondergaan. Dat leren de antroposofie en demoderne neurowetenschappen.

Wat kan men uit het voorgaande nu concluderen? Radio en grammofoonweergave zijn niet schadelijk, en kunnen nuttig zijn, voor al diegenen, die weten kunnen, wat ze zullen horen.
Dat zijn al diegenen wier gehoor fysiologisch en psychisch volgroeid is, en die bovendien over een zeker fundament aan oordeelsvermogen en onderscheidingsvermogen beschikken. En hier komen we op een zeer subtiel punt van dit probleem. Wat houdt in de kinderjaren de ontwikkeling van het gehoor in?
Toch in de eerste plaats dit: dat men de kinderen de mogelijkheid geeft, zich een grote schat van verschillende klankindrukken eigen te maken* Men neemt ze mee in de natuur, maakt ze opmerkzaam op het spel van de wind, op de vogelzang, op andere dierengeluiden, op het ruisen van de zee, enz.
Men leert ze zang en instrumentele muziek kennen en beoefenen. Men leert ze de eigen taal horen, en vreemde talen. Men leert ze opmerkzaam te worden op de wijze, waarop iemand spreekt (het dramatische element). Alles leerstof voor de kleuter- en lagere schooljaren. Aan dit oefenen van het gehoor ontwikkelt zich de grondslag voor het eigen oordeel op auditief gebied. De ontwikkeling van de gehoorswaarneming als psychofysiologische activiteit komt dan met het optreden van de puberteit tot een zekere afronding. Behalve van geslachtsrijpheid kan men bij de puberteit ook van zintuiglijke rijpheid spreken.
Alle zintuigfuncties hebben dan een zodanige ontwikkelingsgang doorgemaakt, dat zij elk voor zich en in hun onderlinge samenhang grondslag kunnen zijn geworden voor een zelfstandig oordelende en integrerende intelligentie.

Deze ontwikkeling van de zintuigfuncties kan echter alleen dan zo gunstig mogelijk verlopen, wanneer de zintuigen in de jaren vóór de puberteit het voedsel krijgen, dat hun toekomt, dat voor hen is bestemd. Dit betekent voor het gehoor: een rijk gedifferentieerde schat van klankervaringen. In de puberteit is de kinderziel dan zo ver, dat op de grondslag van de voordien verworven zintuiglijke ervaringen nu het eigen oordeelsvermogen ontwaakt, en naar mogelijkheid ook moet worden gestimuleerd.
_______________________________________________________
*… eigen te maken’. Bij het kleine kind is de ‘verhouding tot’ een klankindruk meer ‘synesthetisch’, maar ook meer ‘lichamelijk’. Bij het ene kind ‘passen’ meer ritmische, bij het andere vooral melodische klanken. Soortgelijke overwegingen gelden voor de taal waarmee we opgroeien. Onze zintuiglijke ontwikkeling is mede bepaald door, maar bepaalt wederom ook, onze cultuur.
_______________________________________________________

Welke rol speelt daarbij het vele luisteren naar radio en grammofoon tijdens de kinderjaren vóór de puberteit? Dat het gehoor niet wordt geoefend en verfijnd, gedifferentieerd, maar integendeel wordt vervlakt, lui gemaakt, gewend als het wordt aan één communicatiemiddel, waardoor ‘alles’ wordt weergegeven, en dan nog wel op een wijze, die met klank in wezen niets te maken heeft* zoals uit het voorgaande is kunnen blijken.
Deze invloed van veel radio en grammofoon luisteren in de kinderjaren manifesteert zich nog op een andere wijze. Iedereen weet,**at mensen en kinderen, die de radio veel hebben aan staan, de neiging hebben, het apparaat steeds harder aan te zetten. Het is duidelijk, deze wijze van geluidsweergave stompt het gehoor af, in plaats van het te scherpen.
Hoe komt dat? Het scherpen van het gehoor ontwikkelt zich, doordat men zich oefent in het luisteren naar velerlei, gedifferentieerde klanken en geluiden. Naarmate men actiever leert luisteren, kan het volume van de klank steeds minder sterk zijn. Door de actieve opmerkzaamheid wordt het oor gevoeliger, ook voor de verschillen in kwaliteit van wat men hoort. Het uniforme van het luidsprekerfenomeen daarentegen doemt door zijn aard de luisteraar tot passiviteit, tot ‘willoos’ aanhoren.
Daaruit ontstaat de halfbewuste neiging zich nog minder in te spannen, en. … men zet de radio harder aan. In dit opzicht is de radio dus het tegendeel van pedagogisch werkend.
_______________________________________________________

*… die met klank in wezen niets te maken heeft, zoals uit het voorgaande is kunnen blijken.’ Deze formulering is wat ongenuanceerd. Er is natuurlijk wel een duidelijk verband tussen de originele klank en de gereproduceerde, maar er ontbreekt iets aan.

**iedereen weet, dat mensen en kinderen, die de radio veel hebben aan staan, de neiging hebben, het apparaat steeds harder aan te zetten.’ Dat was, zoals mensen die in 1964 volwassen waren, zich kunnen herinneren, destijds zeker het geval. Tegenwoordig moeten we het probleem misschien eerder zoeken in de koptelefoons en oordopjes, waarmee men zich nog verder buiten de oorspronkelijke context begeeft.
_______________________________________________________

De passiviteit van het wilsleven in het gehoor bij radio-luisteren wreekt zich. Doordat een deel van het zieleleven, en wel het luisteren als ziele-activiteit, bij veel radio en grammofoon‘spelen’ braak blijft liggen, ja, zoals boven werd opgemerkt, zelfs wordt afgestompt, baant zich de onbenutte energie een
uitweg naar een óverbeweeglijkheid en ongeconcentreerdheid.
Deze twee symptomen hangen rechtstreeks met het luisteren samen: een geoefend luisteraar is tevens in staat tot concentratie, en kan zich stil houden. Wordt het luisteren niet geoefend, ja zelfs verwaarloosd, dan is óverbeweeglijkheid en ongeconcentreerdheid een rechtstreeks gevolg. En dit gebeurt onder andere, wanneer een opgroeiend kind zich teveel aan radio
en grammofoon overgeeft.
Het voorafgaande schept de mogelijkheid de volgende drie typisch voor radio geldende verschijnselen verklaarbaar te maken. Men kan ze als slechte gewoonten betitelen, maar ze hebben hun oorsprong, hun oorzaak in de ware aard van het fenomeen radio.

Ten eerste
Het voordurend aan laten staan van het toestel. We zagen, dat radio het gehoor niet oefent en scherpt, integendeel het lui maakt, en passief; het afstompt. Men hóórt de radio al gauw niet meer, heeft er hoogstens een aangename ’ondergrond’ voor andere bezigheden in.

Ten tweede
Radio tijdens de maaltijden en het huiswerk.
Het uniforme karakter van de geluidsimpressies door het technische apparaat, dat enerzijds de gehoorswaarneming verarmt en afstompt, anderzijds echter een aangename, weinig actieve aandacht opeisende muzikale ondergrond biedt, brengt kinderen (en volwassenen) in de verleiding, het medium bij allerlei andere bezigheden als begeleiding daarvan te gebruiken. Maar daarmee worden de andere plaatsvindende activiteiten toch gehinderd en nadelig beïnvloed.
Het instampen van geheugenstof met radio-ondergrond gaat de jeugd gemakkelijk af. Dat is niet tegen te spreken. Maar er is geen sprake van, dat de op deze wijze ingestampte geheugenstof de belangstelling, de actieve werkzaamheid van de kinderziel kan stimuleren.
(Dat dit natuurlijk in samenhang moet worden gezien met de inderdaad vaak dodelijke vervelendheid van het opgelegde huiswerk, is een hoofdstuk op zichzelf; het verhaast de sluiting van vicieuze cirkels*).

Ten derde
Kinderen volgen het voorbeeld van de ouders die zeggen: ‘die vervelende vent moet zijn mond houden’, en men draait de knop verder, hoort een paar maten muziek, ‘ook niks gedaan’ en zo voort, totdat gevonden is, wat de willekeur van het moment toestaat. Deze macht over de weergave, deze mogelijkheid, een stem- of muziekweergave tot zwijgen te brengen, of even willekeurig tot spreken, resp. klinken te brengen, ondermijnt eerbiedskrachten.
Het is maar al te begrijpelijk, dat kinderen (en volwassenen) er geen been in zien, door een radioweergave heen te praten. (Het is immers maar een muziekdoos). Maar deze gewoonte wordt, wanneer de radio een overheersend bestanddeel in het huiselijk leven is, zo ingeslepen, dat kinderen (en volwassenen), die in die sfeer leven, er evenmin een been in zien, om wanneer ze zich ergens bevinden, waar nu echte muziek wordt gemaakt, of een gesprek aan de gang is, daar óók dwars doorheen te praten. Dit is weer een gevolg van het aankweken van gebrek aan onderscheidingsvermogen, van het aankweken van vervlakking en afstomping, dat het fenomeen radio veroorzaakt.
Nogmaals wordt hier opgemerkt: wij hebben het fenomeen als zodanig op het oog, niet de inhouden, die er door worden gebracht!
_______________________________________________________
* ‘… vicieuze cirkels.’: over de geldigheid van de uitdrukking ‘vicieuze cirkel’ voor dit proces is discussie mogelijk. Eerder zou Wilmar misschien moeten spreken van ‘een effect dat het probleem van huiswerk maken nog vergroot’.
_______________________________________________________

Men kan al het voorafgaande samenvatten in deze conclusie: De radio voedt op, op een wijze, die onverbrekelijk samenhangt met zijn aard. Maar het is een opvoeding tot armoede op het gebied van het horen, tot vervlakking, afstomping van ons waarnemingsvermogen voor geluid, toon, klank, en de menselijke stem. Daarom moet de conclusie luiden: radio (en grammofoon) is een onontbeerlijk middel geworden in de samenleving der oudere kinderen en volwassenen. Maar in de kleuterkamer en in de huiskamer met lagere schoolkinderen vóór de puberteit is de radio niet op zijn plaats. En indien men het apparaat niet kan missen, dan diene men zich bewust te zijn, dat telkens, als het toestel ‘aan staat’ in de tegenwoordigheid van kinderen onder de 14 jaar wier gehoorsperceptie zich nog in het ontwikkelingsstadium bevindt, dit zich ontwikkelende gehoor een tegennatuurlijke* en dus schadelijke invloed ondergaat. Met deze wetenschap kunnen verantwoordelijke ouders of opvoeders zich de wijze zelfbeperking opleggen, die het kwaad voor de opgroeiende kinderen tot een minimum
zal kunnen beperken.
_______________________________________________________
* ‘… tegennatuurlijke …’: dit is een uitdrukking die anno 1964 gangbaar was, maar die nu zoveel misverstanden oproept dat hij beter vermeden kan worden. Zie ook onze opmerkingen over natuur en cultuur in de Nabeschouwing.
_______________________________________________________

Over de wisselwerking tussen de televisie en het menselijk zien

In dit hoofdstuk ontplooit Wilmar de gedachte dat ‘televisie als fenomeen bestaat uit schijnlicht, dat schijnbeelden oproept, die een schijnbare beweging zijn in een schijnruimte’ (citaat blz. 77).
In de ‘virtuele werkelijkheid’ die daaruit ontstaat, krijgt waarnemen fenomenologisch een nieuwe gedaante (waar het kleine kind zich niet automatisch van bewust wordt).

Van nature voltrekt zich in de waarneming een ‘beweging’.
Die wordt nu bij televisiekijken ten dele overgenomen door de  technische voorzieningen in de beeldapparatuur zelf. Het jonge kind leert daarbij onvoldoende regie te voeren over de bewegingsimpuls die bij het waarnemen hoort en die een rol speelt bij bijvoorbeeld het zien in perspectief, het richten van aandacht en het leggen van verbanden tussen diverse beelden.
De visuele waarneming onderscheidt zich daarin ook van het gehoor,
waar de geluidsindrukken juist in bewegingloosheid tot ‘rust’ moeten komen om tot zinvolle reflectie te leiden.
Aandachtig luisteren betekent vooral stil en bewegingloos zijn.
Aandachtig kijken vereist beweging, vooral ook van de ogen.
In deze beschouwingen sluit Wilmar niet alleen aan bij voorgangers als Maurice Merleau-Ponty en Victor von Weizsäcker, die uitvoerig over de verwevenheid van waarnemen en bewegen hebben gepubliceerd, maar ook bij nieuwe neurowetenschappelijke inzichten over de verwerking van audiovisuele prikkels (waarover in de Nabeschouwing meer gezegd wordt).
Evenzo wordt in de gangbare fysische, zuiver elektromagnetische beschouwing van het licht tekort gedaan aan de kwaliteiten die van nature aan het licht eigen zijn.
Wilmar komt in dit verband tot overwegingen die nauw aansluiten op de fenomenologisch onderbouwde kritiek die Goethe had op de fysicalistische
kleurenleer van Newton.
Bij de televisie hebben we, behalve met het geluid, met twee elementen te maken, namelijk met het beeld en met de beweeglijkheid van het beeld.*
______________________________________________________
*‘…de beweeglijkheid van het beeld …’: bewegende beelden worden anders waargenomen dan stilstaande. De verwerking van bewegende beelden door de hersenen kan dan ook selectief gestoord zijn (men spreekt dan van ‘akinetopsie’), waarbij mensen alleen stilstaande beelden kunnen herkennen. Maar het is niet waarschijnlijk dat Wilmar naar dit onderscheid in de centrale verwerking van beelden verwijst. Met ‘beweeglijkheid’ zal hij eerder verwijzen naar datgene
wat, fenomenologisch, als ‘verandering’ wordt geregistreerd. Onze zintuigen zijn immers evolutionair vooral ontwikkeld om veranderingen in de ons omgevende werkelijkheid te registreren. Door hun bijzondere intrinsieke beweeglijkheid zullen de schijnbeelden van beeldapparatuur ons (maar vooral ook het onwetende kind) veel minder aanzetten tot een vergelijking met de werkelijkheid buiten die beeldapparatuur.
Mogelijk duidt Wilmar tussen de regels door ook op een belangrijk motief van het mensbeeld voor de antroposofie. Relatief neutraal geformuleerd houdt dit idee in, dat een mens bij zijn geboorte niet als een ‘tabula rasa’, een ‘onbeschreven blad’, ter wereld komt, maar iets meebrengt uit de zogenoemde ‘geestelijke wereld’, de dimensie waar hij vandaan komt. Wat het kind onder meer uit die wereld meebrengt, is de herinnering aan het feit dat daar alles ononderbroken in beweging is. Stilstand, rust, de constantheid in wat de zintuigen waarnemen, is voor het nieuw geboren mensenkind een
nieuw fenomeen.
Voor de wetenschappelijk georiënteerde lezer is het misschien meer geloofwaardig als we spreken van biologische predispositie, waarmee het visuele systeem beter in staat is bewegende dan stil-staande beelden waar te nemen. Het jonge kind beschikt immers nog niet over het juiste ‘referentiekader’ (abstracte kennis) die leidt tot her-kenning, van een beeld dat op zich zelf vrijwel nooit geheel identiek wordt waargenomen.
De begrippen ‘beeld’ en ‘beweeglijkheid van het beeld’ zijn neurowetenschappelijk uitermate complex, maar zij staan ook model
voor onze kennis van de verwerking van andere zintuigprikkels en de
wijze waarop daarbij ‘bewustzijn’ tot stand komt.
Hierop komen we in de Nabeschouwing terug.
_______________________________________________________
Voor het geluid kunnen we verwijzen naar wat in het vorige hoofdstuk over de radio is geschreven.
Voordat de optische elementen van de televisie ter sprake komen, willen we ons met het menselijke zien, en met de eigenschappen van het menselijk oog** bezighouden.*
_______________________________________________________
* ‘Voor het geluid kunnen we verwijzen …’. Deze eenvoudige manier om de akoestische component van de televisie in één zin af te doen was misschien in 1964 gewettigd, maar is om verschillende redenen nu niet meer zinvol. Te denken valt aan onder meer de integratie van de functie van de verschillende zintuigen en de moderne inzichten in samenwerking van meerdere zintuigen, de moderne mediatechniek waardoor je bij voorbeeld bij een televisie-uitzending van bij voorbeeld een symfonieconcert kunt meemaken hoe beeld- en geluidopname zó geraffineerd op elkaar afgestemd en met elkaar gecombineerd zijn dat je de afzonderlijke instrumenten kunt horen terwijl je ze in de ‘zoom’ van de televisiecamera ziet.
Op de hier gesuggereerde strikte scheiding van beeld en geluid in de bespreking van de invloed van radio en televisie op kleine kinderen kan dus met recht kritiek worden uitgeoefend.
En om geen onrecht te doen aan het medium televisie en film, moet hierbij ook meteen worden gezegd dat daarmee het geluid juist weer enigszins in zijn oorspronkelijke context kan worden teruggebracht. Bovendien weten we hoe filmbeelden juist weer een extra lading krijgen door de daaraan toegevoegde muziekfragmenten.

** ‘… de eigenschappen van het menselijk oog …’ ook hier geldt dat de kennis van het visuele systeem enorm gegroeid is sinds het betoog van Wilmar in 1964. Dit geldt echter vooral voor de centrale verwerking van visuele signalen en minder voor onze kennis van het oog als zintuigorgaan. Voor de uiteindelijke gedachtegang kan Wilmars beschrijving van de werking van het oog wel als toereikend worden beschouwd, al kan zo?n beschrijving vergaand worden verfijnd met gegevens uit de huidige leerboeken.
_______________________________________________________

Het is van belang, meteen voorop te stellen, dat oog en oor bij de mens**, wat bouw en functie betreft in velerlei opzicht elkaars tegengestelde zijn. De beschrijving zal dan ook vanuit dit gezichtspunt van polariteit*+ geschieden).
*) ‘Polariteit’ moet in dit verband worden opgevat in de zin, die
Goethe er in zijn biologische werken aan gaf.
_______________________________________________________** ‘… oog en oor bij de mens, wat bouw en functie betreft in velerlei opzicht elkaars tegengestelde zijn. …’.

Hier verwijst Wilmar impliciet naar een belangrijk hoofdstuk uit de antroposofie, namelijk de zintuigleer van Rudolf Steiner, die niet vijf maar twaalf zintuigen onderscheidde. De lezer zij hiertoe verwezen naar het boek van Albert Soesman over De Twaalf Zintuigen, dat een belangrijke aanvulling biedt op het artikel van zijn hand waarnaar in de referenties van Wilmar wordt verwezen.
+Polariteit: In zijn fenomenologische methode, die Goethe bedreef bij zijn natuurkundige observaties, worden waarnemingen bij voorkeur vergeleken met andere waarnemingen of ervaringen die voor de meeste mensen vertrouwd zijn. Zo gaat Goethe in zijn ‘kleurenleer’ uit van de polariteit tussen licht en donker, die het ontstaan van kleuren, als tussenvormen, mogelijk maakt (waarvan een verdere uitwerking buiten het bestek van dit betoog valt).
Als mensen het over hun waarnemingen hebben zullen zij daarbij meestal niet verwijzen naar een enkelvoudig zintuigsignaal.
Telkens speelt de kennis en ervaring die men heeft op grond van andere zintuiglijke waarnemingen een belangrijke rol. Horen en zien vormen in zoverre een ‘polariteit’ dat veel van onze dagelijkse waarnemingen elementen uit beide zintuigsferen bevatten, in een sterk wisselende verhouding. Pas als men heel bewust alléén gaat ‘luisteren’ of ‘kijken’ merkt men dat deze activiteiten in hun eenzijdigheid een zekere tegenstelling bevatten.
Terwijl fenomenologisch voor geluid ‘het tot stilstand komen’, de discontinuïteit in de natuurlijk aanwezige ruis, van het grootste belang is, zal bij beelden de aandacht vooral worden gewekt als er vanuit stilstand een beweging ontstaat (waarvan de betekenis evolutionair gezien evident is) of men zelf vanuit een beweging waarneemt. Essentieel voor het begrip hiervan is het onvertaalbare Duitse begrip ‘Zeitgestalt’.

Kijken is bewegen – zelfs zien is bewegen

Het actieve oog toont meerdere vormen van beweging (zoals voor
accommodatie, diepte zien en het ‘scannen’ van beelden). Deze beweeglijkheid ontwikkelt zich in wisselwerking met de waarneming (waarbij het ‘luie oog’ een sprekend voorbeeld is van een gestoorde ontwikkeling). De onnatuurlijke beweeglijkheid van kunstmatige beelden kan bijdragen aan een stoornis in de ontwikkeling van het oog als actief waarnemingsorgaan.

Het oog is het actiefste menselijke zintuig. Ogen spreken een levendige taal. Voortdurend in beweging, volgt het oog alles, wat er te zien valt. Het tast de wereld als het ware met de blik af.
Daarbij zijn niet alleen de beide ogen gelijkgericht samen in beweging. Ze stellen zich bovendien steeds op één punt in, dan weer ver af, dan weer dichtbij, waarbij telkens de oogassen elkaar kruisen in het punt, dat ‘in het oog wordt gevat’. Men noemt dit: convergeren der ogen naar het blikpunt. Dan is er het pupillenspel: het verwijden en vernauwen, al naar de lichtinval.
Maar ook bij concentratie van de aandacht en emotie wisselen de pupillen in grootte.
Het zal de lezer verder bekend zijn, dat zich achter de irissen (de regenboogvliezen) de ooglenzen bevinden, en dat deze dikker en dunner kunnen worden, door de werking van fijne spiertjes om de ooglenzen heen, waarmee die aan de binnenste oogwand bevestigd zijn. Dunner worden van de lens bewerkt scherp zien op grote afstand (de ruststand van de lens), dikker worden ervan bewerkt scherp zien van dichtbij (het zogenoemde accommoderen). Dus bij het rondkijken wisselen de lenzen voortdurend in dikte. Achter in de oogbollen, binnenin, bevinden zich de netvliezen, de zintuig-zenuwelementen. Zelfs daar is beweeglijkheid, processualiteit!*
_______________________________________________________
*‘ … processualiteit!’ Het uitroepteken verwijst tussen de regels
door naar het idee van polariteit tot in de kleinste eenheid. Dit wordt
bij voorbeeld geïllustreerd door de magneet. Wanneer men die in een
gedachtenexperiment in twee delen breekt, heeft men niet een aparte
noord- en zuidpool maar twee nieuwe magneten en zo voort.
_______________________________________________________
Al naar behoefte ontstaat en verdwijnt er het zogenoemde ‘staafjesrood’, dat in verband staat met de lichtperceptie. Deze stof beschermt tegen verblinding door te grote lichtintensiteit.
Maar zelfs de eigenlijke ‘zintuigcellen’, de staafjes en kegeltjes, reageren bewegelijk op het licht! Bij sterke belichting treden de kegeltjes het licht tegemoet, bewegen zich dus binnenin het netvlies naar voren, en trekken de staafjes zich naar de pigmentlaag (dat is de achter in het netvlies gelegen laag) terug; terwijl bij zeer zwakke belichting omgekeerd de staafjes zich naar het licht toe, dat is naar voren bewegen, en de kegeltjes zich naar achteren terugtrekken*).
Dan willen wij wijzen op het spel van de oogleden. Wanneer de mens rust of slaapt,** zijn de ogen gesloten. Is hij daarentegen wakker, dan zijn de ogen open; bij allerlei gemoedsbewegingen zelfs wijd open, of juist nauw. De ogen zijn gevat in de oogkassen. Deze zijn echter heel wijd en hebben geenszins de bolvorm van de ogen (men kan dit aan de schedel — het doodshoofd — goed zien.). Ze zijn gevuld met vet en spieren: In het vet zijn de oogbollen gevat en worden elk door zes oogspieren bewogen naar boven en beneden, naar links en rechts, en ook draaiend in de ene en andere richting.
*) Men meent, dat de kegeltjes te maken hebben met het kleurenzien bij daglicht, de staafjes daarentegen meer te maken hebben met het zien in de schemering en het onderscheiden van verschillen van licht en donker zonder kleur.
_______________________________________________________
** ‘… slaapt …’: het bijzondere van de droom is dat de mens dan waarneemt zonder tussenkomst van zintuigprikkels. Dat bevestigt opnieuw de nauwe relatie tussen zintuiglijke waarneming en bewustzijn. De waarneming in de droom geschiedt in de verlaagde bewustzijnstoestand van de slaap. De ogen maken daarbij ook snelle repeterende bewegingen (Rapid Eye Movements = REM), maar deze zijn stereotype en onafhankelijk van de waarneming.
_______________________________________________________
Dezelfde oogspieren zorgen mede voor het richten van de beide oogassen op één punt bij het scherp zien; een functie die onder andere bij het afstand schatten een rol speelt. In tegenstelling hiermee zijn de inwendige gehoorsorganen, middenoor en binnenoor, beiderzijds zorgvuldig passend ingebouwd in het hardste bot van het lichaam, het rotsbeen.
Men ziet: zoals bij het oor alles zich in een statische toestand bevindt, en ook de uitwendige gehoorschelpen bij de mens niet bewegelijk zijn (er zijn mensen, die hun oren kunnen bewegen, maar dit wordt als ongewoon beleefd!), en de hele functie van het oor bij de mens bestaat uit het actief tot rust brengen van beweging — zo is het bij het oog geheel tegengesteld.
Alles, letterlijk alles aan de ogen is in beweging* en op bewegelijkheid ingesteld. Het zien, het kijken is een uiterst actieve aangelegenheid. En wil men nóg meer zien, dan beweegt men het hele hoofd mee, ja zelfs het hele lichaam (bukken, zich uitrekken, zich naar links en naar rechts draaien, zich helemaal omdraaien).
Er is nog meer op te merken! Als men kleuren ziet, hebben onze oog-zintuigen de werking, zelf de complementaire kleuren te produceren. Men kan dit constateren als volgt. Men kijkt naar een helbelichte witte muur. Nu houdt men daar bij voorbeeld een stuk effen rood papier tegen aan, en kijkt naar dat rood op witte achtergrond. Nu neemt men het rode papier ineens weg; op de plek, waar men het gehouden had, ziet men nu een groene vlek van dezelfde vorm.
______________________________________________________
* ‘… letterlijk alles aan de ogen is in beweging …’: de ogen
moeten ook bewegen om de positie van een beeld in de omgeving te
schatten. Bij de oren daarentegen is het de afstand die de drukgolf van
het geluid moet overbruggen naar beide oren, waaruit de positie van
de geluidsbron wordt afgeleid. Sommige dieren bewegen daartoe hun
oren.
_______________________________________________________

Men noemt dit de fysiologische nawerking* van de kleuren. Heeft men het verschijnsel eenmaal ontdekt, dan komt men het overal tegen (bij voorbeeld bij het kijken in de ondergaande oranje zon: kijkt men daarna in een andere richting, dan krijgt men een blauw-paarse ‘zon’ middenin het gezichtsveld te zien, die snel zwakker van intensiteit wordt*). Dus ook het kleuren-zien vertoont het element van de beweeglijkheid, de actieve veranderlijkheid.
Samenvattend kunnen wij zeggen: de kijkende mens is één en al beweeglijkheid, hoe actiever hij zijn ogen gebruikt, hoe beweeglijker hij is (Vergelijk hiermee de uitdrukking: je kent een zaak pas**, als je hem van alle kanten bekeken hebt). Wil je iets goed bekijken, dan loop je er omheen, je bukt je, je rekt je uit, je verandert je standpunt. Dit gebaar is typisch voor het waarnemen van alles, wat gezien kan worden, doch niet alleen als gebaar van de ziende mens over het geheel genomen, maar zoals wij beschreven ook voor de ogen alleen, en zelfs voor de verschillende onderdelen van de ogen.
*) Bij nauwkeurig opletten zal men constateren, dat dit fenomeen gecompliceerder verloopt, dan hier wordt aangeduid. Dit te beschrijven,voert te ver, zou echter nog meer bewijskracht opleveren voor wat ermee wordt geponeerd.
______________________________________________________
*‘… fysiologische nawerking …’: Er bestaan talloze voorbeelden en experimenten waarbij die nawerking tot gezichtsbedrog leidt.

Daarnaast is die nawerking soms ook van belang voor het ontstaan van de ‘beeldconstante’ (waarvan al eerder sprake was), die er bijvoorbeeld voor zorgt dat gras in geel zonlicht toch als ‘groen’ wordt gezien, ondanks dat dit niet geheel in overeenstemming is met het spectrum van de uitgezonden lichtstraalfrequenties.
**‘… je kent een zaak pas … gebaar van de ziende mens …’:
Hier debiteert Wilmar een variant van het befaamde dictum van Kur Lewin: ’If you want to know how things really are, try to change them’ – om te weten te komen hoe iets is, is het niet voldoende het alleen te bekijken. Wat je ziet, inspireert onmiddellijk tot actief onderzoeken.
_______________________________________________________

alleen te bekijken. Wat je ziet, inspireert onmiddellijk tot actief onderzoeken.
Heel anders is het met de gehoorswaarneming gesteld. Bij het luisteren verstilt de mens*, hij brengt zijn uiterlijke en innerlijke beweeglijkheid tot rust, ja de hele fysiologie van het oor heeft deze signatuur, zoals we in het vorige hoofdstuk hebben aangeduid.

Kijken en zien versus televisie-kijken

Ook nu nog spreekt men van ‘naar de buis kijken’, of zelfs ‘aan de buis hangen’, en de door Gerrit Komrij bedachte sarcastische uitdrukking ‘treurbuis’ voor televisietoestel is zelfs in de Grote Van Dale opgenomen, maar de techniek van de zogenoemde beeldbuis zoals Wilmar die beschrijft, is in veel opzichten verouderd. Toch is de kritische analyse van Wilmar onverminderd geldig.

De beelden op deze ‘beeldbuis’, maar ook die op meer moderne beeldschermen, ontstaan door een beweeglijke opbouw van beeldpunten, die voor het oog onnatuurlijke beelden vormen. Bovendien leidt dit tot beeld-scènes, die het oog onvoldoende betrekken bij de beweeglijkheid zoals die zich van nature voltrekt in opeenvolgende gebeurtenissen.
Nadat we aldus een indruk hebben gekregen van wat eigenlijk het menselijke zien, het gezichtsvermogen inhoudt, willen wij nu komen op ons eigenlijke onderwerp: de televisie.
_______________________________________________________
* ‘Bij het luisteren verstilt de mens’. Hier zou tussen de regels door een tegenspraak geproefd kunnen worden. Eerder heeft Wilmar immers – met recht – opgemerkt dat luisteren de mens vanzelf in beweging brengt. Zijn verwijzingen naar dansen etc. (blz. 36) zijn voor iedereen aan de dagelijkse ervaring herkenbaar. Maar in dat geval is sprake van luisteren in een ‘premature’ fase van ontwikkeling. Waarnemend luisteren heeft juist een reflectief karakter, waarbij de uiterlijke fysieke beweging lijkt plaats te maken voor innerlijke geestelijke activiteit.
_______________________________________________________

En wij hebben ons daartoe bezig te houden met een korte principiële uiteenzetting* over de techniek van de televisie-ontvangst.
Het gaat bij de televisietechniek, die in luttele decennia al zozeer is vervolmaakt, om heel gecompliceerde technische finesses. Het is hier niet de bedoeling, en voor ons doel ook niet noodzakelijk, om in deze finesses te treden. Wel moeten wij ons voor ons doel de vraag stellen: hoe ontstaat het beeld op het televisiescherm?
Een televisietoestel bestaat, wat zijn omvang betreft, voor het grootste deel uit een soort ‘radiobuis’ (men zou vroeger gezegd hebben: ‘radiolamp’) waarvan de voet binnenin het apparaat naar achteren is gericht, zodat die buis als in het televisie-apparaat liggend kan worden voorgesteld. Het deel van de buis, dat zich tegenover de voet bevindt, ligt dus vóór in het televisietoestel, en de voorwand van de buis maakt tevens het beeldvlak, het beeldscherm van het ontvangapparaat uit. In deze grote ‘buis’ nu worden vanuit zeer gecompliceerde apparaturen in de buisvoet elektromagnetische impulsen opgewekt, die van een overeenkomstige aard zijn, als die welke bij de radiotechniek in de radiobuizen een rol spelen. Zij hebben ook hier stralingskarakter.
_______________________________________________________

*: een … principiële uiteenzetting …’: Wellicht ten overvloede wijzen wij er op dat de technische details minder relevant zijn voor de kern van Wilmars betoog. Ook voor onze ‘gedigitaliseerde’ telecommunicatie geldt dat de signaaloverdracht niet plaats vindt in oorspronkelijke vorm, maar in beelden die worden opgebouwd uit een verzameling beweeglijke beeld-elementen. De nabootsing wordt geoptimaliseerd door het aantal lichtpuntjes (pixels) te vergroten, wat toch vooral een kwantitatief, en veel minder kwalitatief, effect heeft.
_______________________________________________________

Gebeurtenissen moeten vervolgens worden afgeleid uit snel wisselende scènes. De onnatuurlijke werking daarvan ervaren we nog bij het bekijken van oude ‘stomme’ films en tekenfilms. Iedereen weet ook uit ervaring (maar het is ook wetenschappelijk onderbouwd) hoe de ongewone beweeglijkheid van die beelden onze aandacht sterk afleidt, ongeacht de inhoud ervan.
Van deze elektromagnetische stralingsverschjjnselen wordt nu echter niet gebruik gemaakt voor de overbrenging en reproductie van geluid, maar voor het opwekken van lichtverschijnselen Dit geschiedt als volgt: De in de buisvoet opgewekte, binnenin de buis naar voren stralende elektro-magnetische impulsen worden gebundeld en gericht. En wel worden ze gericht op het beeldvlak van het televisietoestel. Het bundelen van deze zogenoemde kathodestralen heeft tot gevolg, dat een zeer smalle stralenbundel het resultaat is, die op het beeldvlak een klein lichtpuntje doet oplichten. Het richten ervan geschiedt door zeer sterke elektromagneten, die zich bij de buisvoet bevinden. Door de veranderende inwerking van de in veldsterkte wisselende elektromagneten op de in de buisvoet
opgewekte, naar het beeldvlak gerichte kathodestralenbundel verandert deze gedurig van richting en bestraalt daardoor steeds andere punten van het beeldvlak. En dit vindt heel nauwkeurig plaats, op een wijze, die nu kort zal worden beschreven.
Door de richtende invloed van de genoemde sterke elektro-magneten aan de voet van de beeldbuis wordt de naar voren gerichte kathodestralenbundel zodanig geleid, dat hij in een razend snel tempo horizontale lijnen op het beeldvlak
‘beschrijft’, van links naar rechts, en vlak onder elkaar. Doordat bovendien de straling van die kathodestralen telkens wordt onderbroken, bestaat elke horizontale lijn uit een groot aantal punten, getroffen door de kathodestralenbundel Deze punten nu lichten op het beeldvlak als lichtpuntjes op, omdat het beeldvlak aan de binnenzijde, waar de kathodestralen het treffen, zijn bedekt met een stof, die op elektrische inwerking reageert met fluoresceren. Dus op elke plaats van het beeldvlak, die door de kathodestralen wordt getroffen, fluoresceert de lichtgevende stof en verschijnt voor de televisiekijker een lichtgevend puntje (zo ‘dik’ als de dikte van de kathodestralenbunde1 is). De kathode-stralen bestralen nu op elke horizontale lijn van het beeldvlak 800 puntjes, en ze beschrijven 625 horizontale lijnen onder elkaar op het beeldvlak*).
*) Deze getallen gelden uiteraard voor een bepaald type toestel, dat
dan correspondeert met een bepaald type televisiezender.

Dus er ontstaat een beeld, doordat er 625 x 800 puntjes op het beeldvlak worden ‘uitgezet’ die fluorescerend licht geven. Dit ‘uitzetten’ duurt 1/25 seconde. Daarna is het 1/25 seconde donker (de kathodestraling wordt onderbroken) en dan begint het razendsnelle proces opnieuw, zodat in 1/25 seconde een nieuw beeld verschijnt. Men moet zich even indenken, dat in één seconde 25 x 625 x 800 punten door de kathodestralen (die daartussenin even zo veel malen worden onderbroken!), die vanuit de voet van de beeldbuis in die buis het beeldvlak aan de binnenkant treffen, worden bestraald, en dit in een volstrekt regelmatige volgorde. Een ongehoorde technische prestatie.
Wanneer nu deze kathodestralen steeds met dezelfde intensiteit het beeldvlak zouden beïnvloeden, zou elk puntje dezelfde lichtsterkte hebben, en zou het beeldvlak op enige afstand de indruk van een egaal belicht vlak maken. De nuancen van licht en donker, en daarmee de uiteindelijke beeldvorming, worden pas veroorzaakt, doordat de kathodestralen hij het treffen van de 625 x 800 punten per beeld op nauwkeurig gedoseerde wijze in sterkte wisselen. Dit lijkt een nog groter technisch wonder. Er ontstaan daardoor hel verlichte, minder helle en eventueel zelfs totaal donker blijvende plekken.
In 1/25 seconde wordt zo één compleet beeld op het beeldvlak ’beschreven’. Dan is het 1/25 seconde donker. Daarna wordt in weer 1/25 seconde een nieuw beeld beschreven, dat iets verschilt van het vorige. Het effect van deze techniek is, dat op het beeldscherm beweging wordt voorgetoverd. Men maakt hiertoe gebruik van een ander principe, dat bij de film toegepast wordt, al vele tientallen jaren. Het zal de lezer bekend zijn, dat een filmopnameapparaat een groot aantal opeenvolgende foto’s maakt, kort na elkaar. Draait men die foto’s nu weer met het filmprojectieapparaat af, met tussen elke twee foto’s een onderbreking van de belichting, dan ontstaat, indien het proces van het afdraaien en belichten van de foto’s en de daartussen liggende licht-onderbrekingen maar snel genoeg plaatsvindt, sneller dan 16 maal per seconde, de illusie van een voortlopende beweging.
Uiteraard moet een film net zo snel worden afgedraaid als hij wordt opgenomen, anders ontstaat een versnelde of vertraagde film.

Bij deze techniek maakt men gebruik van het fenomeen van de beeldnawerking in ons oogzintuig. Een optische gewaarwording werkt namelijk in onze ogen ongeveer 1/16 seconde na. Bij het zien van een vloeiende beweging merken wij hier niets van. Maar zouden wij in staat zijn, bij het kijken naar een vloeiende beweging onze ogen doelbewust en regelmatig meer dan 16 maal per seconde te openen en te sluiten, dan zouden wij die beweging nog vloeiend menen te zien, door de beeldnawerking in onze ogen tijdens die korte momenten van gesloten houden van de oogleden.
Net als bij de film, wordt nu op de televisie-ontvanger het zoëven razend snel door de kathodestraal getekende beeld weer uitgewist (doordat de kathodestralenbundel even ophoudt te stralen) en daarna het volgende beeld, dat ondertussen een weinig gewijzigd is, weer getekend. Het is nog nodig, op te merken, dat bij elk geprojecteerd beeld voldaan is aan de wetten van perspectief en zo voort, zodat tevens bij de projectie een illusie van ruimtelijkheid wordt opgewekt.
Men kan overigens dit technisch gebeuren zien, door dicht bij het beeldscherm te gaan zitten, er zo’n beetje langs te kijken, en zich nu niet bezig te houden met wat er aan beelden wordt geproduceerd, maar met het technische gebeuren zelf. Dan ziet men duidelijk de strepen, de puntjes. Nog duidelijker wordt dit, als er storing optreedt in de weergave, of als het toestel pas is aangezet.
Het is wellicht gewenst, even stil te staan bij de vraag hoe het buitengewoon gecompliceerde gebeuren dat hierboven is beschreven, in het televisietoestel wordt opgewekt. In principe op dezelfde wijze, als bij de radio-overdracht, reageert het televisie-ontvangtoestel via de televisieantenne op elektro- magnetische golven die door de televisie-zendinstallatie de ruimte ingestuurd
worden.
Ook hier een ‘draag-golf’, die nu niet door impulsen vanuit een microfoon wordt gemoduleerd bij de uitzending, maar door impulsen vanuit een lichtgevoelige elektrische installatie die de uit te zenden taferelen in elektromagnetische verschijnselen omzet. Ook hier moet het ontvangtoestel op de draaggolven worden afgestemd. Voor verdere bijzonderheden over de televisie-zend- en ontvangtechniek moet worden verwezen naar speciale werken op dit gebied.

Schijnlicht en schijnbeelden bewerkstelligen

schijnbewegingen in een schijnruimte
In deze paragraaf bespreekt Wilmar eerst de overeenkomsten
en, vooral verschillen tussen televisie-techniek en filmtechniek.
Daarna komen beschouwingen over het wezen van het licht,
waardoor de beschouwing raakvlakken krijgt met de
antroposofische opvattingen over het licht
en over de relatie tussen het licht en het ontstaan van het visuele zintuig.

Na de inleidende beschouwingen over de werking van ons gezichtsvermogen enerzijds, en over de techniek van de televisieprojectie anderzijds, kunnen wij ons nu gaan bezighouden met de vraag, welke de invloeden van het televisiefenomeen op onze ogen en op onze gezichtswaarneming zijn. Na de kennisname van het bovenstaande zal men het ermee eens kunnen zijn, dat in eerste instantie de televisieoverdracht is te kenschetsen als een soort minderwaardige filmprojectie. Want: bij de filmprojectie wordt minstens 16 maal per seconde een compleet ‘plaatje’ op het scherm geprojecteerd. Het plaatje verschijnt dan telkens ineens in zijn geheel, en valt ook weer in zijn geheel weg. Laten we nu nog even de eigenlijke televisieprojectie voor wat het is, en beschouwen we enkel de werking van een bioscoopprojectie op ons oog. Bij de film wordt de illusie van beweging verkregen door de snelle opvolging van telkens iets gewijzigde beelden. Men krijgt daardoor de illusie van actie en
perspectief, dus actie in de ruimte. Doch onze ogen zijn tijdens het kijken naar de film, gedoemd tot een functie, die geheel en al tegennatuurlijk is.
Dat, wat anders de ogen doen: het actieve bewegen, het zoeken van de juiste scherpe instelling, het betastende bezien van de dingen langs de erop gerichte oogassen en met behulp van de scherpinstelling, het gewaarworden van de relatie tussen wat er van plaats verandert en de omgeving door het waarnemende
ervaren van wisselende diepte in het optische beeld; al die activiteiten, die eerder werden beschreven bij de functies van ons gezichtsvermogen, worden overgenomen door de cameraman met zijn camera. Die kijkt voor ons, met zijn wisselende instelling en positie bij het film-opnemen. En wanneer dan de film wordt afgedraaid, zien we inderdaad het werk van de cameraman, maar … onze ogen zijn veroordeeld tot een constante instelling op een constante afstand naar een constant object: het projectiescherm. Ze blijven werkeloos. De oogspieren bewegen zich nauwelijks, de lens niet, de pupilwijdte weinig, evenmin de elementen van het netvlies. Al die voor actieve werkzaamheid aangelegde organen van het oog bevinden zich tijdens het staren op het projectiescherm in een toestand van ingespannen verstarring, van uitsluitend passief opnemende
nerveuze actie met bijna totale uitschakeling van de motorische.
Dit maakt dan ook het film-kijken voor de ongeoefende, incidentele bioscoopbezoeker zo vermoeiend*. Het oog is bij het kijken naar een film in een volstrekt onfysiologische, ja zelfs anti-fysiologische, dus pathologische situatie.
Voorzover de televisieprojectie principieel met de filmprojectie overeenkomt, geldt, wat hier uitgesproken wordt, dus ook voor de televisie. Maar daar komt, zoals we gezien hebben, nog iets zeer belangrijks hij. Want, elk apart beeldje ontstaat immers niet ineens, in zijn geheel, maar wordt door de kathodestralenbundel telkens in 1/25 seconde op 625 x 800 puntjes ‘getekend’, ‘geschreven’.
__________________________________________________
* ‘… film-kijken … vermoeiend.’: Met de verbeterde filmtechniek zal dit argument minder geldig zijn. Een gevoel van ‘uitputting’ dat men ook nu nog na een overweldigende filmervaring bemerkt kan natuurlijk ook andere oorzaken hebben. Je kunt je afvragen of er een soort visueel equivalent bestaat voor ‘lawaaidoof’.

_______________________________________________________Deze discontinue, uit die vele lichtpuntjes opgebouwde beeldprojectie ervaren wij weliswaar al spoedig niet meer bewust als zodanig, indien wij op een redelijke afstand van het scherm gaan zitten, en er bovendien nog andere lichtbronnen in de kamer zijn. Maar men mag zich niet ontveinzen, dat de werking op de ogen er een is, die in hoge mate tegennatuurlijk, onfysiologisch
is.
En tenslotte, waar we reeds terloops op hebben gewezen, hebben we nog het soort licht, dat door het televisiebeeldscherm wordt uitgestraald, in aanmerking te nemen. Het is een lichtsoort, opgewekt door elektromagnetische energie. Ons ‘gewone’ licht straalt meestal uit van gloeiende gassen [zonlicht*), gaslicht, petroleum-, kaarslicht], of van gloeiende metalen (de gewone elektrische lampen). Dit gloeien is een werkelijk gloeien, door de hoge hitte van de gloeiende substanties. **)
*) tenminste volgens de theorie der fysica.*
**) Dat alle lichtverschijnselen ‘in werkelijkheid’ elektromagnetische
golfverschijnselen zijn, is een opvatting van de natuurwetenschap.***
Men herleidt het fenomeen licht tot een vorm van elektromagnetische energie met golfkarakter. Deze theorie, waarvan de waarheid hier in het midden moet worden gelaten, heeft geleid tot een technische toepassing in de televisietechniek Het televisiebeeld-licht is daardoor inderdaad in waarheid elektromagnetische energie met lichtkarakter.
Intussen is de elektromagnetische theorie van het licht geenszins onomstotelijk bewezen. Wel is het waar, dat één van de manifestaties van het licht elektromagnetisch van karakter is. Maar daarmee is het licht (met zijn veel meer omvattende kwaliteiten) nog niet omgrensd.
De stelling, die in deze beschrijving wordt geponeerd, is, dat van het licht één kwaliteit, de elektromagnetische wordt benut in de televisie-techniek, terwijl de andere kwaliteiten daarbij worden geëlimineerd.
_______________________________________________________
*‘… tenminste volgens de theorie der fysica’ en
*** ‘een opvatting van de natuurwetenschap’. Hiermee wordt door Wilmar waarschijnlijk verwezen naar de controverse tussen Newton en Goethe over de eigenschappen van licht (en kleuren).
_______________________________________________________Bij het oplichten van het beeldscherm van het televisie-apparaat daarentegen hebben we te maken met fluorescentie, opgewekt door de kathodestralen. We bevinden ons in het gebied van het elektro-magnetisme, zoals bij de radio voor het geluid, hier nu voor het licht.
Is hiertoe het oog gebouwd? Althans het menselijk oog? Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Het is duidelijk, dat het oog bij de televisie kennis maakt met een lichtkwaliteit, waarvoor het niet is geschapen. En met een beeldkwaliteit, die het tot werkeloosheid doemt (de vaste, verstarde instelling op een bepaald vlak). En met een bewegingskwaliteit, die eveneens het oog tot inactiviteit veroordeelt. De televisie tovert ons door schijn-licht op een schijn-beeld schijn-beweging in een schijn-ruimte voor.
Men kan uit het tot nu toe beschrevene dus wel zonder veel nadenken of twijfelen de conclusie trekken, dat het fenomeen televisie voor het normale menselijke oog een zware belasting, ja zelfs een bedreiging vormt, doordat het zo totaal tegengesteld is aan datgene, wat het oog onder natuurlijke omstandigheden aan zintuiglijke indrukken te verwerken krijgt, en waarop het in zijn bouw en functie is ingesteld, waarvoor het is ‘geschapen’.
Wij moeten echter nog verder gaan in onze beschrijving van de confrontatie van het zien met het fenomeen televisie. We hebben namelijk niet alleen met de fysiologische kanten* van de inwerking op onze ogen te maken, maar ook met de psychische factoren, die bij de optische waarneming een rol spelen.
_______________________________________________________
* ‘… niet alleen met de fysiologische kanten …’. in plaats van ‘fysiologische’ zou misschien het woord ‘zintuiglijke’ beter zijn geweest. De vergelijking wordt dan gemaakt tussen ‘perifere’ en ‘centrale verwerking’ van de beelden, en niet tussen ‘fysiologisch’ en ‘psychisch’. Deze laatste vergelijking zou een uitgesproken dualistische benadering inhouden, zoals die destijds weliswaar domineerde, maar door Wilmar verder in zijn betoog juist niet wordT nagestreefd.

Wat ziet ons oog van de dingen? De oppervlakte, de buitenkant.
(Wij roerden dit feit reeds terloops aan bij de bespreking van het horen, in het vorige hoofdstuk [bladzijde 30 regel 28]).
Wij zijn bij het zien aangewezen op wat zich van de dingen aan ons oog voordoet* naar buiten toe, we zien de schijn van de dingen. Bij elke gezichtswaarneming komt dan het denkende oordelen, dat op grond van het optische beeld tot het wezen der dingen tracht te komen. Wij zien niet alleen slechts een buitenkant, maar tevens is er bij het zien primair nog geen scheiding tussen dat, wat bij het ding of wezen behoort, er deel van uitmaakt, en wat niet. Een triviaal voorbeeld: een mens zit op een stoel. Het oog kan onder omstandigheden niet uitmaken, of de persoon en de stoel één geheel zijn, of twee van elkaar gescheiden dingen. Daartoe moeten andere zintuiglijke functies meehelpen, en het oordeel tenslotte uitspraak doen!
Een ander
voorbeeld: een kleine kleuter grijpt nog naar de maan, die door
de vensters schijnt. Ook hier is de gezichtsgewaarwording nog niet aangevuld met, en gecorrigeerd door het oordeel**.

________________________________________________________________________________
*‘Wij zijn bij het zien aangewezen op wat zich van de dingen aan ons oog voordoet’: Filmtechnisch kan dat ook een voordeel zijn, waarmee bekwame regisseurs weldoordacht een enkele expliciete beleving kunnen bewerken. Het verschil, of de mogelijke overeenkomst, tussen de waargenomen wereld en de ‘werkelijkheid’ is een der grote thema’s uit de geschiedenis van de filosofie. ‘Waarneming’ wordt in het Historische Wörterbuch der Philosophie van Ritter omschreven als ‘das Gewahrwerden sinnlich vermittelter Gegebenheiten’. Vrij vertaald: het in zich zelf gewaarworden van hoe de werkelijkheid zich ‘geeft’, zich aan ons voordoet door bemiddeling van de zintuigen die hierbij rechtstreeks als mediatoren functioneren.
**‘… nog niet aangevuld met, en gecorrigeerd door het oordeel.’
Goethe: ‘Die Sinne trügen nicht, das Urteil trügt’, Niet onze zintuigen
‘bedriegen’ ons, ons oordeel over wat we menen te zien, ‘bedriegt’ [tussen aanhalingstekens omdat ‘trügen’ niet helemaal het zelfde is als ‘bedriegen’]. De zogenoemde ‘optische illusie’ zou daarom misschien beter als ‘optisch-cerebrale illusie’ betiteld kunnen worden.
________________________________________________________________________________

Zien en de ontwikkeling van het waarnemen

De ontwikkeling van het visuele systeem is bij de mens niet alleen
afhankelijk van biologische factoren, zoals aanleg,
maar wordt in belangrijke mate ook bepaald door de aard van de prikkels die het aangeboden krijgt.

Bij het zich ontwikkelende kind is er bij het oog, en daarmee bij het zien, sprake van een zeer ingewikkelde psychofysiologische functie, begeleid door de groeiende ervaring en de daarop berustende herinnering, een functie, die zich langzamerhand in de loop van jaren gaat ontwikkelen tot een integrerend bestanddeel van het zieleleven en de persoonlijkheidsstructuur.

Deze ontwikkeling van het psychofysiologische zien bij het kind
bereikt, evenals wij dat op blz. 49 regel 12-14 bij het horen vermeldden, een zekere afsluiting omstreeks de puberteit. Dan zijn de ogen als zintuigorganen tot een zekere afronding van hun ontwikkeling gekomen; de oordeelsfunctie in het psychische vlak is zover gefundeerd, dat zij zich van nu af aan verder
zelfstandig kan en moet gaan ontplooien. Na het begin van de puberteit is dan ook het blootstellen van de ogen (en de ziel) van jongens en meisjes aan het fenomeen televisie niet beter en niet slechter, dan het voor volwassenen is. Hoe goed en hoe slecht het voor de mens na het 14e, 15e jaar is, kan gemakkelijk worden geconcludeerd uit het hierboven beschrevene. Afgezien van de principiële kant ervan, is het dan ook een kwestie van dosering.
Uiteraard is twee uur televisie kijken voor een volwassen mensenoog (en mensenziel) schadelijker dan één uur televisiekijken, gezien de aard van het medium.

We hebben ons dus nu nog af te vragen: wat zijn de extra gevaren en beschadigende factoren van het televisiekijken voor de kleuter, en voor het schoolkind vóór de puberteit? Om dit te kunnen beantwoorden, moeten wij de factoren bespreken, die de normale, gezonde en harmonische ontwikkeling van menselijke zintuigen als het oog (en het oor) bewerkstelligen.

Zoals bij alle functies van het zich ontwikkelende kind gaat het hier om de individuele aanleg, de erfelijke dispositie, en de invloed van het milieu. Van de eerste twee kunnen we hier afzien. We kunnen ons in verband met ons onderwerp ertoe beperken, onze aandacht op de milieufactoren te richten, op de invloeden van de omgeving.
De ogen ontwikkelen zich*, behalve door aangeboren individueel en erfelijk bepaalde, zogenoemde endogene invloeden, óók onder invloed van alles wat het oog bij zijn functie treft.
Het oog ontwikkelt zich aan het licht**, aan alle optische indrukken. Door het niet gebruiken van een oog of beide ogen raakt het gezichtsorgaan ten achter of zelfs blijvend defect. Zo ook door een verkeerd gebruik. Het is hier niet nodig en zou bovendien te veel plaatsruimte vergen, om dit aan de hand van
voorbeelden aan te tonen. Men zou er de leer- en handboeken voor de oogheelkunde voor kunnen raadplegen.
________________________________________________________________________________

* ‘De ogen ontwikkelen zich … óók onder invloed van alles wat
het oog bij zijn functie treft.’ Hier anticipeert Wilmar treffend op een van de grote moderne nieuwe inzichten in de cognitieve neuro-wetenschappen. Veel meer dan men vroeger meende ontwikkelt zich het zenuwstelsel, ook structureel, in wisselwerking met invloeden van buiten, met wat uit de omgeving ‘erin’ komt – en dat geldt vrijwel zeker ook voor de zintuigen. Zie hiertoe de Nabeschouwing.

**‘Het oog ontwikkelt zich aan het licht, aan alle optische indrukken.’ Treffend is de ervaring met kinderen die een aangeboren visueel defect hadden dat na enkele jaren alsnog kon worden gecorrigeerd (zie Nabeschouwing blz. 118 regel 22-28). Het ontbreken van ‘herinneringsbeelden’ blijkt dan een veel grotere handicap dan men aanvankelijk zou vermoeden. Hun nieuwe gezichtsvermogen was niet alleen erg onvolmaakt, maar bracht hen ook heel wat minder geluk dan men aanvankelijk zou vermoeden.
________________________________________________________________________________

 

Gevolgen van televisie-kijken door kleine kinderen
psychologische, sociale en maatschappelijke effecten

Ontwikkeling en veroudering zijn in een aantal opzichten elkaars
spiegelbeeld. In de wetenschap van de veroudering geldt het adagium:
‘Use them or loose them’: hersenfuncties (zoals geheugen) die niet
worden gebruikt gaan vaak definitief verloren. In veel opzichten geldt
dat ook voor de vroege ontwikkeling. Een aantal functies, waaronder
die der zintuigen, lijken al op jonge leeftijd door intensief gebruik tot
ontwikkeling te moeten komen. Voor het oog geldt dat als het kind
niet in zijn eerste twaalf à veertien jaar letterlijk leert zó te kijken en
te zien als het oog mogelijk maakt, op langere termijn desastreuze
gevolgen ontstaan voor de manier waarop de mens de wereld waarneemt en ermee omgaat.

Na al wat hier over het principe van de televisieoverdracht is beschreven, kan het echter duidelijk zijn, dat door veel televisie-kijken de normale, gezonde harmonische ontwikkeling van de ogen ongunstig wordt beïnvloed, wordt belemmerd, en dat er blijvende schade te verwachten is. Immers hij het televisiekijken ontbreekt dat zeer gecompliceerde spel van op elkaar afgestemde activiteiten van de verschillende organen der ogen, die in het begin van dit hoofdstuk zijn beschreven. Daardoor blijft een tijdens de kinderlijke ontwikkeling onontbeerlijke oefening van de groeiende ogen bij het televisiekijken achterwege. En het is typisch voor het menselijk wezen, dat alle vermogens, die niet oefenend worden onderhouden, kwalitatief en kwantitatief achteruitgaan. Dit geldt in het bijzonder voor die vermogens, die
nog in ontwikkeling zijn; hier is dan niet alleen sprake van achteruitgang van wat al aanwezig was, maar bovendien van verkommering van nog luimerende eigenschappen, die zich nog moeten ontwikkelen. Echter moet men niet verwachten, dat de gevolgen zich op korte termijn zullen tonen. Integendeel: de gevolgen van tekorten*en van schade, die op jonge leeftijd zijn veroorzaakt, kunnen zich pas veel later, tientallen jaren later
manifesteren.
________________________________________________________________________________
‘… de gevolgen van tekorten … tientallen jaren later … .’
Wilmar onderbouwt dit niet, maar geeft wel een toetsbare stelling.
________________________________________________________________________________

De gevolgen op korte termijn zijn er echter ook; zij liggen meer in het psychische vlak. Wij constateerden, dat televisie als fenomeen bestaat uit schijnlicht, dat schijnbeelden oproept, die in schijnbare beweging zijn in een schijnruimte. Door deze optische illusies te moeten verwerken komen kleuters in een merkwaardige schijnwereld terecht, die hen boeit en fascineert, maar waarbij men niet moet menen, dat zij er aanvankelijk dat
mee kunnen aanvangen, wat men zou veronderstellen. Pas als kleuters zo ver gebracht zijn, dat zij plaatjes als afbeeldingen herkennen* dan zullen zij deze psychische verwerving, die in de loop van de kleuterjaren aanwezig zal zijn, ook kunnen aanwenden voor het televisiekijken. Bovendien moet men wèl bedenken, dat het perspectief in de beelden pas op veel latere leeftijd in de gezonde kinderziel ten opzichte van plaatjes en afbeeldingen een rol zal gaan spelen. De ontvankelijkheid voor perspectivische verhoudingen, en het vermogen tot perspectivisch tekenen komen namelijk omstreeks het 11e– 12e
jaar ter beschikking. Men beschouwe maar eens de kleuter- en kindertekeningen van de eerste schooljaren. Men is tegenwoordig in de kinderpsychologie al wel zo ver, dat men het schijnbaar onbeholpene van de kindertekeningen, het vertekende vanuit het volwassen naturalistische standpunt, niet meer interpreteert als technisch onvermogen op tekengebied, maar dat men er gevolgtrekkingen uit maakt, die duiden op de wijze, waarop het kind zijn wereld werkelijk ziet.
________________________________________________________________________________
* Pas als kleuters zo ver gebracht zijn, dat zij plaatjes als afbeeldingen herkennen, …’: Dit geldt voor de ontwikkeling van het individu, maar ook voor de historische ontwikkeling van de beeldende kunst. Er bestaat een veelheid aan beschouwingen over de wijze waarop de kunst niet alleen een afspiegeling is van ‘cultuur’, maar ook van ‘beschaving’. Bekende voorbeelden zijn de ontwikkeling van het perspectief en het ontstaan van de abstracte kunst. Zie ook de paragraaf over de rotstekeningen in de grotten van Lascaux in de Nabeschouwing 2.3., blz. 160.
_______________________________________________________

Men denke aan de verwantschap van kindertekeningen met die in de moderne kunst, maar ook met die uit de prehistorische kunst. Men maakt er zich bij de interpretatie van die kunstvormen ook niet meer van af met ze steeds een gebrek aan technisch kunnen toe te schrijven!
Kortom, het perspectivisch weergeven van het beeld treedt op tijdens een bepaalde fase in de kinderlijke ontwikkeling, die op een bepaald moment bij gezonde evenwichtige kinderen aanvangt. Het televisie-kijken (en het te vroegtijdige filmbezoek) forceert, verhaast, accelereert dit proces in zijn ontstaan en ontwikkeling. En het is de kinderpsychologie, die constateert, dat een geforceerde, versnelde ontwikkeling óók schadelijk is.
Er is nog een aspect, dat vermelding verdient. Dit beweegt zich echter alreeds op de grens van wat inhoud van het gebodene op het televisiescherm (en het filmdoek) is. Toch moet het hier worden vermeld. Een typische hantering van televisie- en filmopnametechniek is het maken van zogenoemde close-ups. Dat wil zeggen details van een geheel worden van dichtbij ‘bekeken’ en dus relatief sterk vergroot weergegeven. De interpretatie van close-ups is echter iets, wat bij kinderen al een aanzienlijke mate van analyserend en symboliserend vermogen vooropstelt. Het vereist ook een zeker ontwikkeld abstractievermogen. Deze
vermogens behoren echter pas na het 9e tot 10e jaar te worden aangesproken en ontwikkeld, en ze komen normaliter in en na de puberteit volledig ter beschikking. Het te vroeg in de kinderleeftijd aanspreken en activeren van analyserende en abstraherende krachten in het denken en oordelen doet de nog in een levende fantasiewereld wevende ziel van kleuters en kinderen in de eerste lagere schooljaren verdorren en verarmen.
Het maakt overigens op de oplettende beschouwer een groteske indruk, hoe jonge kinderen soms close-ups interpreteren — in hun onvermogen ze te zien, zoals ze zijn bedoeld. Men kan daarbij ervaringen opdoen, die tot nadenken stemmen, en bewijskracht hebben voor wat hier wordt geponeerd.

Maar, zoals gezegd, we bewegen ons met dit onderwerp al in het gebied van de inhouden van het gebodene op de televisie, en gaan daarmee verder, dan wat de opzet van deze beschouwingen bedoelt te geven*
Televisiekijken is een activiteit, die dus gericht is op schijnbeelden in een schijnruimte, in schijnbare beweging ontworpen door schijnlicht. Zij zijn onbegrijpelijk, wanneer ze niet worden begeleid door de reeds tot herinneringsvoorstellingen geworden ervaringen (naar analogie van een plaatje, dat onbegrijpelijk is, als men niet al weet, dat het iets voorstelt, en bovendien ook ongeveer, wat het voorstelt).
Bij het televisiekijken komt alles aan op het onmiddellijke begeleiden van de beelden met herinneringsvoorstellingen uit de ervaringswereld. Anders is het een bizar toverkijkspel** met hier en daar een flits van iets, wat aan bekende dingen doet denken.
Zo ziet het er voor kleine kleuters uit. Dat maakt het voor hen zo fascinerend. Inderdaad leren zij er een wereld door kennen, maar wat voor een wereld! Hun ogen zijn tot passiviteit gedoemd, zij zien niets reëels, niets concreets, niets tastbaars, proefbaars.
_______________________________________________________

*‘… we bewegen ons met dit onderwerp al in het gebied van de inhouden van het gebodene op de televisie, … deze beschouwingen bedoelt te geven.’ Hier komt een belangrijk aspect van het betoog van Wilmar aan de orde dat tot dusver nog geen aandacht heeft gekregen, en dat anno 1964 wellicht zo behandeld – of beter gezegd: niet behandeld – kon worden als hier (niet) gebeurd is, maar dat in deze
tijd veel aandacht verdient. Zie onze Nabeschouwing blz. 151.

** ‘… bizar toverkijkspel …’: In de film ‘Stanno tutti bene’ [‘Ze maken het allemaal goed’, Giuseppe Tornatore, 1990] laat de regisseur zien hoe dat kan werken: een grootvader (een mooie rol van Marcello Mastroianni) kijkt met verbijstering naar een peuter (of een baby?) in een kinderstoel die naar een draaiende wasmachine zit te kijken en lijkt te menen dat hij niet naar ronddraaiend wasgoed kijkt, maar naar televisiebeelden. Zou hij wellicht de hele wereld op deze wijze bezien? Zie in verband met de wasmachine ook blz. 165 en 182!
_______________________________________________________
Wat zij zien, spreekt niet, maakt geen geluid, want het geluid uit het apparaat komt langs een heel andere, mechanisch-elektro-magnetische weg tot hun bewustzijn. Voor jonge kinderen, die hun weg in de wereld moeten leren gaan, is het een noodzaak, de verschillende zintuigelijke gewaarwordingen op elkaar te leren afstemmen, in onderlinge ontwikkeling met elkaar in harmonie te brengen. Deze ontwikkeling wordt door technische apparaten als televisie niet gestimuleerd, maar integendeel in verwarring gebracht. Na al het voorgaande, kan dit de lezer nu duidelijk zijn.

… in de exacte betekenis van het woord geestdodend’

Een van de gevolgen van televisie kijken door kleine kinderen
dat in de gangbare discussies over televisie in onze cultuur ten
onrechte hoegenaamd geen aandacht krijgt, is het feit dat
kleine kinderen door te vroeg te veel televisie geen eigen
actieve verhouding ontwikkelen tot wat ze zien.

Het televisiefenomeen heeft als zodanig nog een bepaald aspect, dat op deze plaats bespreking verdient. Een zeer wezenlijk kenmerk* van het zien is het individuele ervan. Iedere mens ziet zijn eigen beeld van de wereld. Ieder heeft ziende zijn eigen standpunt. Dit is wezenlijk voor het gezichtsvermogen. Terwijl de fysiologische werkzaamheid van de ogen geheel op activiteit is ingericht en gericht, wordt deze wijze van functioneren als het ware consequent gecompleteerd door de zoëven genoemde karakteristiek.
_______________________________________________________

*: ‘Een zeer wezenlijk kenmerk van het zien is het individuele ervan.’… : Misschien nog wel het grootste struikelblok dat door de neurowetenschappen niet kan worden opgelost is hoe een zintuigprikkel tot een ‘subjectieve waarneming’ kan worden. Men meent in een aantal fysiologische parameters weliswaar over exacte parameters voor de waarneming te beschikken, maar de subjectieve waarneming zelf blijft ontoegankelijk voor die wetenschap. In de filosofie van de neurowetenschappen wordt het begrip ‘qualia’ gebruikt, om datgene aan te duiden wat alleen voor de waarnemer toegankelijk is en nooit
voor de onderzoeker van waarnemingen.
_______________________________________________________

Twee mensen zien twee verschillende aspecten van de wereld. Dit moet men letterlijk opvatten. (Ook hierin verschilt het zien van het horen). Wat gebeurt er nu bij het televisiekijken? De cameraman* vertegenwoordigt voor alle toeschouwers het collectieve standpunt, het uitgangspunt, van waaruit de televisievoorstelling door allen gelijkelijk wordt opgenomen. Alle toeschouwers zien hetzelfde (schijn-)beeld. Voor volwassenen** is dit weer niet zo erg. Zij kunnen zich de relativering bewust blijven.
Maar voor kinderen, vooral jonge kinderen heeft dit tot gevolg:
een collectieve opname van wat ze toch realistisch nemen. Alle kinderen, die de voorstelling zien, zien precies hetzelfde. Door de aard van het medium zijn ze er passief aan overgeleverd, kunnen er niet een individuele actieve verhouding toe hebben.
En voorzover het tot conversatie over het geziene en beleefde komt, valt er niet veel te vertellen, immers het blijft bij het constateren van wat allen, precies eender, gezien hebben.
Televisie is voor het jonge kind in de exacte betekenis van het woord geestdodend. En dat, terwijl de kindergeest voor het aardeleven wil en moet worden gewekt.
_______________________________________________________

* ‘De cameraman … standpunt, … door allen gelijkelijk wordt opgenomen’. Het woord ‘standpunt’ is in de huidige televisie-opnametechniek met veelal (mee)bewegende camera’s betrekkelijk, maar dat doet niets af aan de kritiek van Wilmar.
Of de beelden
vervolgens ‘door allen gelijkelijk worden opgenomen’, valt naar huidige inzichten te betwijfelen. De cognitieve psychologie zal eerder onoverbrugbare individuele subjectieve verschillen benadrukken.
** ‘ … volwassenen … kunnen zich de relativering bewust blijven.’ Sommige moderne films pakken dit aspect doelbewust creatief op (bijv. S1m0ne van Andrew Niccol, met Al Pacino [2002]).
Denk ook aan de fascinerende mix van realistische filmbeelden en animaties, waarmee men in de huidige filmwereld onze werkelijkheid ‘verrijkt’ met het onmogelijke (wat wel wordt aangeduid met ‘roto-scoping’. Ze documenteren een kenmerk van Wilmars betoog dat we nog eens willen beklemtonen, te weten de mix van ondubbelzinnige totale afwijzing van radio en televisie voor kleine kinderen met oprechte waardering voor wat de moderne media aan waardevols te bieden hebben voor volwassenen.
_______________________________________________________

Televisie-kijken schadelijk voor kinderen?

In een concluderende paragraaf merkt Wilmar schijnbaar terloops op
dat het televisiebeeld door zijn bijzondere lichtkwaliteit schadelijk
kan zijn. Sociaal-psychologisch is er het risico dat kinderen door veel
televisiekijken op inadequate manier deel gaan uitmaken van een
schijncollectiviteit. Dit zou kunnen leiden tot een ongezonde
verhouding tot de werkelijk bestaande collectiviteit.

Het was de opzet van deze beschouwingen over televisie, het fenomeen als zodanig te confronteren met de fysiologische en psychologische aspecten van het zien, terwijl daarbij géén aandacht werd besteed aan de waarde en de pedagogische betekenis van wat de televisie aan inhouden biedt, of zou kunnen bieden. Het ging ons dus om de werking van het medium, en wel speciaal de werking van dit medium op het opgroeiende kind vóór de puberteit.
Wij hebben daarbij geconstateerd, dat dit medium in het geheel niet is aangepast aan de eisen en behoeften van het menselijk gezichtsvermogen. En dat het daardoor direct schadelijk is te noemen in zijn werking op en beïnvloeding van de zich nog in ontwikkeling bevindende ogen en hun werkzaamheid bij het
kleine kind vóór de puberteit. Want het bevredigt en voedt de optische waarnemingsfuncties niet, maar dwingt ze tot krampachtige, gespannen passiviteit (hoe paradoxaal dit ook moge klinken – het kan uit de beschrijving duidelijk zijn geworden).
De lichtkwaliteit van het televisiebeeld* is al even onnatuurlijk, kan door zijn bijzondere stralingskarakter zelfs schadelijk zijn.
De beeldvorming is door zijn puntvormige samenstelling uiterst vermoeiend en zelfs schadelijk voor de eigenlijke netvliesfuncties van de ogen, eerst recht voor de zoveel kwetsbaarder kinderogen.
_______________________________________________________
* ‘De lichtkwaliteit van het televisiebeeld….die…., zelfs door zijn bijzondere stralingskarakter schadelijk kan zijn.’ Dit is een zwaarwegende kritiek. Voorlopig kunnen we slechts bevestigen dat een te grote hoeveelheid licht schadelijk kan zijn voor het oog op dezelfde wijze als een te grote hoeveelheid geluid dat is voor het oor.
_______________________________________________________

In plaats van met een visuele werkelijkheid, wordt het kind door televisie geconfronteerd met een verbeelding van die werkelijkheid, die de kinderziel nog niet kán aanspreken, omdat zij er de rijpheid nog niet voor heeft verworven. Vanuit psychologisch standpunt bezien, worden verschillende activiteiten van het kind als het ware tot een geforceerde geboorte en ontwikkeling gedwongen.
Van deze verschillende activiteiten werden genoemd het symboliserende voorstellen, het perspectivische ruimtebeleven, het zich bij het televisie-kijken moeten steunen op reeds ‘vastgespijkerde’ visuele herinneringsvoorstellingen als grondslag voor een uiterlijk visueel wereldbeeld. Dit geldt ook voor het\ gedwongen aangesproken worden van een analytisch oordelen*, zoals dat door de wijze van opnemen van de taferelen (close-up, flash-back en dergelijke) wordt bevorderd. Dat is een functie, die zeker vóór het 10ejaar, feitelijk ook nog vóór het 13e, 14e jaar sluimerend zou moeten blijven, althans niet bewust zou moeten worden gestimuleerd door de opvoeders. Al deze genoemde factoren dragen er bovendien nog toe bij, dat kinderen die zich over kunnen geven aan veel televisiekijken, in hun voorstellingswereld deel gaan uitmaken van een voor de
kinderziel eigenlijk onduldbare collectiviteit.
Wij hebben voor deze stelling argumenten opgesomd, zowel van de psychologische alsook van de kant van de zich nog in ontwikkeling bevindende kinderlijke visuele vermogens.
_______________________________________________________
14-15: ‘… het gedwongen aangesproken worden van een analytisch oordelen …’. Op blz. 71 noteerden wij bij regel 18-19 hoe Wilmar in zijn analyse onder meer voortbouwt op wat Goethe samenvatte in zijn maxime ‘Die Sinne trügen nicht, das Urteil trügt’. Deze formulering zou de indruk kunnen wekken dat zintuigwaarneming in een soort ‘eenrichtingsverkeer’ vooraf gaat aan de oordeelsvorming. In werkelijkheid bepalen zintuigwaarneming en (bewuste en onbewuste) oordeelsvorming elkaar wederzijds. En dat is niet alleen de essentie
van Wilmars betoog, maar ook de conclusie die volgt uit moderne neurowetenschappelijke bevindingen. Zie Nabeschouwing.
_______________________________________________________Zulk een dwingen*van de kinderzielen in een keurslijf van een
collectiviteit vormt mede een grondslag voor een later massabewustzijn, en is een medewerkende factor voor een onvoldoende individuele opbouw van een eigen wereldbeeld en
van een eigen individuele oordeelsvorming. Het moet nogmaals gezegd worden: een van de kostbaarste veroveringen van de tot een individualiteit opgroeiende mens is zijn eigen individuele wereldbeeld, dat hij zich heeft gevormd op grond van eigen individuele ervaring, mede door een gezonde ontplooiing van eigen zelfstandig waarnemende zielefuncties. Alleen op die grondslag is een later in de volwassenheid bewust aanpassen aan en tolerant zijn voor de eveneens individuele wereldopvattingen van anderen mogelijk, van uit volle individuele vrijheid.
Het kan de lezer duidelijk zijn geworden, dat uit de voorafgaande beschouwingen de conclusie moet worden getrokken, dat

televisie
voor kleuters taboe moet zijn;
voor het schoolkind onder de 10 jaar zeker schadelijk is;
voor het schoolkind vóór de puberteit een beter te
vermijden belasting in zijn ontwikkeling is.

Uiteraard moeten hierbij ook de conclusies gevoegd worden, die in het vorige hoofdstuk bij de bespreking van de radio werden getrokken. Want de radio-overdracht is een integrerend bestanddeel van de televisie-uitzending.

Wij menen dan ook, uitsluitend op grond van psycho-fysiologische argumenten, het gebruik van televisie in huiskamer en lagere school voor kinderen vóór de puberteit onvoorwaardelijk te moeten afwijzen. En wel geheel afgezien van de inhoud.
_______________________________________________________
* ‘Zulk een dwingen van de kinderzielen … ‘. Eens te meer wordt duidelijk hoe moeilijk in de visuele sfeer de fysiologische aspecten zijn te scheiden van de inhoudelijke. Leidt een klap op het oog immers niet ook tot ‘het zien van sterretjes’?
_______________________________________________________
Wat de televisie voor oudere jongens en meisjes en voor vol
wassenen waard is, kan aan het eigen gezonde oordeel en waarnemingsvermogen der oudere kinderen en volwassenen worden overgelaten, zeker voorzover men zich tot de gezichtspunten en beschouwingen beperkt, die in dit geschrift zijn uitgewerkt. Zij spreken voor zichzelf. En men kan dan weten, wat de waarde en de onwaarde van dit medium is, en zich er dienovereenkomstig op instellen.

1 Samenvatting en conclusie

De fenomenen radio en televisie werden in de voorafgaande hoofdstukken gekarakteriseerd met betrekking tot hun technische eigenschappen en bijzondere eigen aard.
Getracht werd, afgezien van de inhouden, die erdoor worden geboden, een indruk te geven van hun werking op het menselijke horen en het zien. Hiervan uitgaande werd bijzondere aandacht besteed aan de invloeden, die deze media uitoefenen op het horen en zien bij kinderen, bij wie deze zintuigfuncties en hun
organen zich nog in ontwikkeling bevinden, en dientengevolge kwetsbaarder zijn.
De beschouwingswijze, die hier werd ontwikkeld, kan tot resultaat hebben, dat ingezien wordt, dat deze media in akoestisch respectievelijk optisch opzicht in het geheel niet kunnen voldoen aan de eisen, die men aan een gezonde en hygiënische milieu-beïnvloeding van het opgroeiende kind mag en moet stellen.
Het is vanzelfsprekend, dat daarmee niet in het minst de grote en steeds onontbeerlijker hulp kan worden onderschat, die van deze media kan worden verwacht bij het onderwijs op middelbare scholen en universiteiten, en andere scholingsinstituten voor oudere jeugd en volwassenen, alsmede de rol, die deze media spelen hij informatie op cultureel terrein en bij berichtgeving, en zovele andere mogelijkheden, die in de wereld der volwassenen reeds bestaan en nog zullen ontstaan.

Verantwoording

Een wijze van beschouwen, zoals die aan dit geschrift ten grondslag ligt, kan men een fenomenologische noemen. De geestelijke vader ervan was Goethe*, en zij is door Rudolf Steiner** op veelomvattende wijze in diens geesteswetenschap, de
Antroposofie, gebruikt. Zonder de fundamenten van Goethe’s wetenschappelijke methodiek en van de antroposofische geesteswetenschap zouden deze beschouwingen niet zijn ontstaan. Verder dank ik de anatomisch-fysiologische gezichtspunten omtrent het menselijk horen en zien aan A. Soesman, arts. Wegens het gestelde doel is veel, wat verder uitgewerkt en verdiept zou kunnen worden, vooral wat betreft de beschouwingen over het geluid en over het licht, slechts fragmentarisch gebleven. Dit moge tot slot met nadruk worden opgemerkt.

Literatuur

**Dr. Rudolf Steiner: De opvoeding van het kind in het licht der Anthroposofie. Uitg. Vrij Geestesleven, Zeist.
**Dr. R. Steiner: Voordrachtenreeksen op paedagogisch
gebied, gehouden voor leraren van Vrije-Waldorfscholen
(Stuttgart, Bern, Basel, Arnhem, Ilkley, enz.).
A. Soesman***, arts: Zien en Horen. (tijdschrift Vrije
Opvoedkunst”, mei 1957 17e jaargang, no. 4).
E. Aisberg. Zo … werkt de radio. (Kluwer, Deventer
1957). Zo… werkt de televisie (idem 1963).
E. M. Blanken, F. C. Haalebos, L. Kiestra, M. Stibbe.
Kindertekeningen. (W. de Haan, Phoenix-Pocket).
_______________________________________________________
*: ‘ … Goethe …’: zie Documentatie
**‘… Steiner … ‘: zie toelichting in Documentatie
*** ‘A. Soesman’: zie Documentatie en Over de auteurs blz. 235 / 13.
_______________________________________________________

Nabeschouwing: materiaal voor de discussie


De mens is het wezen dat alles moet leren. Meer dan enig ander levend wezen staat hij open voor alles wat vanuit zijn omgeving tot hem komt. Zijn wezenskenmerk is openheid naar de wereld, ‘Weltoffenheit’, zoals het wordt benoemd in de wijsgerige antropologie, de filosofische reflectie op de mens. Deze
‘Weltoffenheit’ houdt hij zijn hele leven lang. In de kinderjaren is ze maximaal. Dan leert het kind – en het leert vooral door nabootsing.
Op zich zelf is dit niets nieuws. Het kind was altijd al in hoge mate maakbaar. De Jezuïeten plachten te zeggen dat het er niet toe deed wat er met iemand na het zevende levensjaar zou gebeuren, als zij maar tot die tijd toezicht hadden op de
opvoeding. Maar vanaf het midden van de 20e eeuw heeft zich een nieuwe ‘bemiddelaar’ aangediend waarmee we de controle over die opvoeding in toenemende mate moeten delen. Deze nieuwe ‘bemiddelaar’ is de televisie, in ruimere zin het geheel van audiovisuele media en informatie- en communicatie-technologie.
Daarover gaat het boekje van Frits Wilmar over de invloed van radio en televisie op kleuters en kleine kinderen.

Dit boekje verscheen in 1964. Intussen zijn we eraan gewend geraakt dat auteurs die kritische vragen stellen over de werking van de media op kinderen een hoofdschuddend onthaal krijgen als waren deze auteurs behoudzuchtige zeurders die elke vernieuwing afwijzen.
Maar in Wilmars analyse ligt de zaak op een unieke manier anders. In zijn benadering ontmoeten we niet behoudzucht en angst voor het nieuwe, als wel op een onbevangen belangstelling voor deze nieuwe fenomenen, die hij in een tegelijk breder en meer gefocust perspectief dan andere auteurs onderzoekt.

Praktisch alle commentatoren richten de aandacht eenzijdig op de mentale ontwikkeling van het kind in verband met televisie.

verder op 28-3

 

 

 

 

,