.
De tekst in blauw is van mij (phaw)
De kunstzinnige inrichting van een klas
Uit de vele pedagogische voordrachten weten we wat met ‘kunstzinnig onderwijs‘ wordt bedoeld.
M.n. dus de manier waarop de kinderen de lesstof wordt aangeleerd, aansluitend bij hun ontwikkelingsfase en ter ondersteuning van die fase.
Met het duidelijke voorbeeld van het leren van de tafels van vermenigvuldigen: het kind, 7 à 8 jaar heeft vanuit zijn innerlijk, behoefte aan (ritmische) beweging (het leeft meer in de wil, dan in het denken).
De getallenreeksen in een tafel die geleerd moeten worden, worden door het kind, klappend, lopend enz. bijna letterlijk, van nature opgenomen.
Dan is er nog het aspect van ‘bezig zijn met kunst’, d.w.z. dat er met een bepaald doel wordt geschilderd, getekend en geboetseerd.
Minder in het oog springend is de omgeving waarin het kind zich dagelijks bevindt, in eerste instantie dus het klassenlokaal.
Sommige scholen hebben hun ‘organische bouw‘ waarbij er rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en de vorm van het lokaal.
En daar hoort een bepaalde muurkleur bij. En daar weer een bepaalde kleur gordijnen.
Maar ook over ‘wat hangt er aan de muur’ gaf Steiner aanwijzingen.
En daarmee worden niet bv. de schilderwerkjes van de kinderen bedoeld.
Dat die ook op ‘kunstzinnige = meer esthetische manier’ opgehangen kunnen worden, kwam hier al eens aan de orde.
In dit verband kun je ook nog denken aan: hoe staan de planten ervoor; hoe liggen de bordkrijtjes bij het bord; hoe opgeruimd is de tafel van juf of meester en in het verlengde daarvan: de kastjes van de kinderen; hoe hangen hun jassen aan de kapstok, hoe staan hun regenlaarzen daaronder. En wat je nog meer kan bedenken.
In hun boek ‘Künstlerisches Gestalten mit Farben’ hebben Clausen/Riedel een heel schema opgenomen met wat er in de klassen aan beeldmateriaal kan hangen.
Ze doen dat in de kolom ‘Bildschmuck’ – de decoratie met de grotere afbeeldingen. Die kolom noem ik [1].
Ze hebben een 2e kolom met voorstellen voor grotere reproducties waarvan ze hierin naar kunstkaarten verwijzen. Die noem ik [2].
In een 3e kolom doen ze voorstellen voor ‘Friese’, een soort wissellijst of anderszins waarin kleinere afbeeldingen kunnen worden getoond die samenhangen met het jaarthema of met de lesstof en er is een suggestie om dat naar ‘meesterwerken’ te ‘vertalen’. Die kolom is [3].
Opmerkelijk is zeker ook dat je zou verwachten dat het belangrijkste muurmateriaal de voorstellingen zijn uit de vertelstof, m.a.w. dat die in kolom 1 zouden staan, maar die staan bij 3.
Ernst Weissert, Erziehungskunst jrg. nr 5/6 1952*
.
WAT HANGT ER AAN DE MUuR
.
De vraag in welke omgeving het kind opgroeit, hoe de ruimten
ingericht zijn waarin het de schooljaren doorbrengt is nu* nog belangrijker geworden dan voorheen. Tegenwoordig dringen zich al in zijn prilste kindertijd een veelheid aan visuele indrukken op. Die ervaringen veroorzaken een snelle waarneming; de intensiteit van de waarneming gaat daarmee al te gemakkelijk verloren.
Vragen die Rudolf Steiner in medisch en pedagogisch opzicht stelde, worden daardoor steeds duidelijkere vragen voor de tijd van nu. [dat geldt zeer zeker ook in 2024].
Kan je, door de ruimte op de juiste manier vorm te geven de vormende krachten in het van kind stimuleren; kun je door transparante kleuren in de ruimte rustgevend of stimulerend op het kind werken.
Wat beeldende inhoud heeft, krijgt een buitengewone betekenis.
Als het de ontwikkeling van het kind tijdens de leerjaren op de juiste manier begeleidt, kan het een therapeutisch effect hebben op de talloze beeldimpressies, op de magische fascinatie van moderne reclame en op de vele, eindeloze kunstzinnig waardeloze stroom van zoveel illustraties of tijdschriftinhoud.
Het is belangrijk om te kijken naar de ‘zintuiglijk-ethische‘ werking van het beeld
waar een kind een jaar lang in het betreffende leerjaar a.h.w. dromend bij aanwezig is.
Het is niet het juiste, om alleen maar beeldinhoud te nemen als illustratie bij de lesstof – bijvoorbeeld voor geschiedenis – en pas dan als de betreffende stof in de les aan de beurt komt. Dit leidt tot een intellectualisering van de beeldinhoud. Je kan waarnemen hoe de kinderen met een bepaalde trots naar de beelden kijken die bij hen horen, wanneer ze in een nieuwe klas komen.
Het gaat dus eigenlijk om een element dat veel dieper ligt, als het lukt die beelden te kiezen die bij de leeftijd horen.
Daarbij moet je behoedzaam te werk gaan en niet handelen vanuit een volwassenen-intellectualisme of een eenzijdige hobby. Het kan niet zo zijn dat je, omdat je er zelf enthousiast voor bent, een moderne stijl tot in de laagste klassen inbrengt; omgekeerd is heel goed mogelijk als vorm en inhoud van het beeld universeel menselijk zijn, zelfs in de lagere klassen, met de grootste onbevangenheid een van Gogh of een Frans Marc op te hangen.
Rudolf Steiner deed in de vergadering van de vrijeschool Stuttgart in 1923 voorstellen vanuit de menskunde, vanuit het waarnemen van wat er in het kind aan behoefte aan beelden bestaat.
Onderstaande gedachten worden aan de inhoud van dit onderdeel van die vergadering ontleend.
Door genuanceerd naar de zielentoestand van het kind in de verschillende klassen te kijken, zijn de aanwijzingen van Steiner anders dan de zeer lovenswaardige pogingen om beeldmateriaal in de scholen te gebruiken, zoals we dat zagen sinds het begin van de 20e eeuw.
[ ] Ze spreken kunstzinnig wel aan, maar er overheerst toch een gemoedelijk-illustratief element. Dit overheerst echter niet op elk leeftijdsniveau van het kind. In moderne scholen kun je ruimtes zien die door de leraar kunstvakken stijlvol zijn ingericht en op een gelijksoortige manier zijn gedecoreerd (bijvoorbeeld met de prachtige reproducties van de figuren in de dom van Naumburg e.a.);

maar in die klaslokalen krijg je wel het gevoel van een zekere esthetische oververfijning, een gevoel van ‘in het luchtledige’, geen verbinding met de praktijk.
Welke niveaus onderscheidt Steiner bij de beeldbeleving in de verschillende leeftijden.
Hij maakt een duidelijke scheiding tussen de tijd van 6 tot 12 jaar (klas 1 t/m 6) en wat de 13 – 18-jarigen (klas 7 t/m 12) vragen.
In de lagere klassen kan en moet in de voorstelling het thema, het illustratieve en het poëtische de boventoon voeren. Het kind neemt het beeld nog op vanuit de inhoud. En daarom moet hier het artistieke ontwerp het allerbeste zijn. Je mag omdat het je inhoudelijk aanspreekt vanwege dat ze op kinderlijk niveau gemaakt zijn, geen armzalige beelden ophangen.
In de hogere klassen is dan een onderscheid tussen het eigenlijk kunstzinnige en het esthetische van het beeld, steeds meer op zijn plaats en dat tussen de praktische zaken van het leven dat zich in kaarten, overzichtsplannen, technische tekeningen e.d. ook terecht een plaats in de klas moet krijgen zodat het gezien wordt.
Je zal hiervoor nauwelijks geschikte reproducties vinden.
Het spreekt voor zich dat in elk van deze klassen een grote reproductie van Rafael moet hangen. [dat vinden we in die vergadering niet]
Maar voor afbeeldingen van sprookjes, legende en van fabels die bij deze klassen horen, is er nauwelijks iets geschikts te krijgen. Dan zou het nog het allermooist zijn als in de betreffende klassen op de muren zelf een kleurrijke schildering zou komen waar de leerkracht steeds weer op terug kan komen, i.p.v. een ingelijste in de grond van de zaak, onkunstzinnige afbeelding aan de muur.
Weissert heeft het over een schildering op de muur. In veel scholen is dat ook gerealiseerd. Zie hier

Het is echt wel een belangrijke opdracht.
Bij alles klinkt de oproep van Steiner: de dingen mogen alleen niet de platen van een prentenboek zijn, maar ze moeten kunstzinnig gevormd zijn.
1e klas
Sprookjesbeelden
De aanwijzingen zijn verre van concreet. We hadden al: het moet niet op een prentenboek lijken.
Maar over welke prentenboeken gaat het. Uit Steiners tijd, maar hoe waren die dan. Anno nu hebben we prentenboeken met illustraties die duidelijk gemaakt zijn met ‘het kinderlijk niveau’. Je krijgt vaak de indruk dat de illustrator naar kindertekeningen heeft gekeken. In hun stijl wordt er dan geïllustreerd.
Is dat dan wat ‘rustig maakt of stimuleert?
Is het ‘esthetisch’.
Zou je zoiets ophangen?:

Steiner:
De vormgeving moet kunstzinnig zijn. Wanneer er geen kleurplaten zijn, dan liever zwart-witte die goed zijn, liever dan een slechte kleurplaat.
Met verschillende gezichtspunten van Steiner toog vrijeschoolleraar Max Wolfhügel aan het werk. Hij maakte veel religieuze voorstellingen, ook veel bordtekeningen.
Deze Christoforus lijkt mij op grond van de criteria heel goed in de 2e klas te passen:

In die tussentijd hebben vele illustratoren met en aan deze techniek verder gewerkt.
We vinden hier de ‘eis’ voor het kunstzinnige, het esthetische:
Roodkapje – Hilde Langen

Assepoester – Gabriela de Carvalho
Sneeuwwitje – Berthilde Günter
Deze reproducties – en vele andere – zijn te vinden bij ABC-boeken.
Dit is onmiskenbaar een bepaalde stijl. Moet alles wat je ophangt in de stijl zijn.
Volgens Steiner niet.
Bij Clausen vinden we voor de 1e klas alleen de aanwijzing: ‘kunstzinnige sprookjesbeelden’. [kolom 1]
Kolom 2: leeg
Kolom 3: sprookjes
2e klas
Fabels en legenden
Clausen [kolom 1] stelt voor: Franciscus met de vogels van Giotto:

En Franciscus met de wolf:
David Newbatt
Verkrijgbaar bij ‘De nieuwe Boekerij‘
Meer van deze kunstenaar.
Kolom 2: Meister Bertram, de schepping van de dieren:

In kolom 3: dierfabels, dierverhalen, legenden.
Het ligt dus voor de hand ze zelf te zoeken en gezien de kwaliteitseis van ‘kunstzinnig’, ‘esthetisch’ kom je dan weer snel uit bij de sfeer die bovenstaande sprookjesbeelden hebben.
Maar is dat dan ook niet te veel van hetzelfde?
Als je een fabel hebt verteld en een poos later hang je een passende reproductie op, zullen veel kinderen een herkennende reactie geven.
Maar ook omgekeerd: als er al een plaat hangt van een fabel en je gaat die ooit eens vertellen, zijn er ineens een paar kinderen die de illustratie ‘zien’.
Maar wat is passend:
Ik denk dat deze wat de kunstzinnigheid betreft, zeker geschikt is:
De hond en zijn spiegelbeeld
En deze:

Deze zou ik dan weer nooit doen:
De vos en de kraai
Ook voor ‘De zon en de noordenwind’ is er keus:



Weissert:
3e klas
In het 3e schooljaar ontstaat er in het kind een sterker zich richten op de buitenwereld. Maar eigenlijk heeft het vóór het 9e jaar nog geen begrip voor wat er aan gevoel in een beeldende voorstelling kan zitten, meer voor het het vegetatief-levende. Als beeldmateriaal stelde Rudolf Steiner voor om rekening te houden met dit gevoelsleven en voorstellingen van planten te geven, bloemen, stillevens. Je zou aan de plantenvoorstellingen van Dürer kunnen denken en in de geschiedenis van de schilderkunst zijn vele geschikte beelden te vinden. Ook met de bloemen van Van Gogh zijn mooie ervaringen opgedaan.
De schilder van planten zal in de regel een mens zijn die in zichzelf iets van de organische vormkracht laat opbloeien en het stille overgeleverd zijn in het waarnemen oefent, dat klaarblijkelijk bij de gevoelsstemming van de kinderen in deze klas hoort. Zo zou je de laat-middeleeuwse voorstellingen van planten kunnen gebruiken, de bloemstillevens van de Hollanders, het beeld van de bloem in de Biedermeiertijd, maar ook zeker iets moderns.
Weissert geeft wel enig houvast, maar noemt weinig concrete voorbeelden:
De bloemen van Van Gogh zijn duidelijk.
En ook bij Dürer vind je wat in aanmerking komt.
De Hollandse meesters.
De Biedermeiertijd
Bij ‘iets moderns’ en toch bij de criteria blijvend, vond ik dit.
Clausen: kolom 1
Van Gogh: de zaaier
Landschap met schoven
En meer, dat in verband kan worden gebracht met de heemkundeperiode: boerderij.
Vanuit de vertelstof: Oude Testament:
Meister Bertram: schepping en andere bijbeltaferelen, hier een paar samen, maar ze zijn er ook ‘los’:

Er zijn zoals bekend veel meer schilderingen met als thema het Oude Testament.
Clausen noemt ze niet, maar wat te denken van Michelangelo en Rembrandt!
Als andere mogelijkheid wijst Clausen steeds op kunstkaarten die vergroot zouden kunnen worden: [kolom 2]
De steengroeve van Bibémus van Cezanne.
Ik zou die eerder in klas 6 ophangen – mineralogie.

De eenzame boom van Friedrich:
Ik zie niet helemaal waarom dit in de 3e klas zou moeten/kunnen, eerder later, aardrijkskunde?
Dezelfde twijfel bij Altdorfer: Landschap met kerk:

Kolom 3: vertelstof, verhalen uit het Oude Testament; begin van wereld- en cultuurgeschiedenis; bij heemkunde: huizenbouw, akkerbouw, planten, dieren.
4e klas
Weissert:
In de 4e klas, na de ingrijpende verandering van het 9e levensjaar, is het op aanwijzing van Rudolf Steiner goed om afbeeldingen van de voelende wezens, de dieren, over te gaan. Belangrijk is het menskundige gezichtspunt: ‘Pas vanaf dit moment heeft het kind het gevoel dat het zelf gevoel heeft, ook al is het gevoel nog dof.’
Vaker sprak Steiner er al over hoe pas tussen het 9e en het 10e jaar het kind werkelijk een onderscheid gaat maken als het een koe ziet afgebeeld of die koe in een prentenboek een echte koe is of een speelgoedkoe van hout.
Ook hier worden we terugverwezen naar de empathische en objectieve stijl van afbeelden aan het begin van de moderne tijd, zoals weerspiegeld in de dierafbeeldingen van de Renaissance: de dierstudies van Dürer, Cranach of ook de Italiaanse kunstenaars.
Hier is de kans het grootst dat we kleinburgerlijk-naturalistische afbeeldingen van dieren tegenkomen, zoals die aan het eind van de vorige of het begin van deze eeuw zijn gemaakt.
Met de diervoorstellingen van Frans Marc hebben ze beslist positieve ervaringen, maar de leerkracht moet daarbij wel teen zekere mate van voorzichtige waarneming in acht nemen.
De reproducties van de dieren van Hans Jenny zijn zeer stimulerend.
Weissert is ook hier niet zo concreet, bv. bij ‘Italiaanse kunstenaars’ en wat is een ‘kleinburgerlijk-naturalistische afbeelding.
Bij Frans Marc komen we al snel uit bij zijn paarden.
Misschien heeft de ‘voorzichtige waarneming’ iets te maken m et welke paarden je dan zou nemen: de blauwe, bv. – hoe prachtig ook – staan misschien nog te ver af van de beleving van de kinderen en zou je voor een meer naturalistische kleur kunnen kiezen.
Van Jenny vond ik hier en daar wat:



Clausen [kolom 1]:
Zij geeft alleen ‘diervormen’ aan en noemt Franz Marc.
Bij kolom 2:
Mu-Ch’i: zittende gans:

Franz Marc:
Herten in het bos:

Drie herten:

De blauwe vos:

Van Macke noemt ze ‘De ezelrijder’:

Kolom 3: Germaanse sagen en mythologie. De dierenwereld m.b.t. de mens.
5e klas
Weissert:
Tussen het 10e en het 11e levensjaar, de 5e klas, moeten de muurdecoraties om mensen gaan, maar nog geen individuen, maar groepen, en door er gezamenlijk naar te kijken, kan je dan als de gelegenheid zich voordoet, praten over menselijk-sociale dingen.
Steiner stelt voor: reidansen, dans, een straat waar mensen elkaar ontmoeten.
Dat kan gevonden worden in zowel de Hollandse schilderkunst bij Pieter Brueghel, in familie-interieurs (Pieter de Hooch, Terborch, Vermeer e.a., als ook in de schilderkunst van de 19e eeuw die buitengewoon goede voorbeelden biedt (Romantici, Thoma, Böcklin enz.)
Specifieke voorbeelden geeft Weissert ook hier niet.
Bij Pieter Brueghel, de jongere, vind je wel groepen mensen, ook dansend:

Op zijn schilderingen is heel veel te vinden van wat mensen, ook kinderen, met elkaar en onder elkaar doen. Daar is vanuit ‘het sociale’ van alles over te vertellen.
Hier vind je familie-interieurs van Pieter de Hoogh; van Terborch; van Vermeer.
‘Romantici’ is een ruim begrip; bij Thoma en Böcklin zie ik geen voorbeelden van wie hierboven bedoeld is.
Clausen: kolom 1
Bij ‘mensengroepen‘ noemt zij Nolde.
(Ik vind er niet iets bij dat ik op zou willen hangen)
Kolom 2::
Cézanne: die Schnitter.
Maar van Cézanne vind ik die niet, wel der Schnitter, de maaier, maar dat is geen groep.
C.D.Friedricht: Hafen von Greiswald

Segantini: Am Pflug:

Kokoschka: London Tower Bridge:
Kolom 3:
Sagen uit de klassieke tijd; broederlijke verbondenheid met alle gebieden op aarde wekken.
6e klas
Weissert:
Vanaf klas 6 moet de individuele mens op de reproducties staan, bv. in het landschap of bij zijn werk, zo dat de blik van het kind tegelijkertijd op een landschap met zon of met regen gevestigd wordt.
In de Romantiek heb je bv. von Schwind, en beeldmateriaal uit de 19e eeuw, maar ook Van Gogh.
Je kan ook naar borstbeelden overgaan of naar koppen, zoals bv. Erasmus van Rotterdam door Holbein of van Dürer, de Holzschuber.
Hier komen we bij de markering toen Steiner zei dat het thematische hier ophoudt.
Het beeld moet nu eigenlijk het esthetisch-kunstzinnige brengen en daarom raadde Steiner aan met de allergrootsten te beginnen.
Als het niet anders kan, moeten we maar goede zwart-wit kopieën nemen.
[dat zal in onze tijd niet meer nodig zijn]
Moritz von Schwind: er zit wel e.e.a. bij wat aan de criteria zou voldoen, maar – en dat is de vraag bij meer genoemde werken – ga je dat in onze tijd nog ophangen en waar zijn dan alternatieven die ook geschikt zijn.
Erasmus van Holbein is een concrete aanwijzing:

evenals Dürer: Holzschuher:

Dan rijst toch wel sterk de vraag of je dit in een klas van 12-jarigen zou hangen en waarom? Ja, een kop, maar van een (voor ons) totaal onbekende.
Verder wordt weer Van Gogh genoemd en van hem vind je zeker iets wat hier kan.
Clausen: kolom 1:
Ook zij noemt Van Gogh, i.z. ‘De boer’:

En van Segantini: De schapenhoedster:

En ook van Segantini: Boot met schapen:

Kolom 2:
Pieter Brueghel de oudere:
De hooioogst:

Ze noemt ook de winter en de herfst, maar onder deze namen bestaan die schilderijen niet.
Er is wel: winterlandschap:

De terugkeer van de kudde (herfst):

De zomer:

Van Gogh: De oogst:

Kokoschka: Boten bij Venetië:

Monet: Vissers op de Seine:

Kolom 3:
Vertelstof uit de volkerenkunde; geschiedenis van Rome tot het begin van de 15e eeuw.
Met de criteria die Steiner in z’n algemeenheid hanteert, heb je wel enige richtlijnen, maar het is – dat blijkt wel bij bovengenoemde auteurs – niet eenvoudig om ‘objectief’ vast te stellen wat dan wel of niet geschikt is. En welke (beroemde?) schilders kies je.
Wat de lesstof betreft of het jaarthema of de vertelstof, ligt het onderwerp vaster, maar ook daarbij komt weer de vraag: wat kies je. En eventueel: van wie.
.
Toen Steiner er in de vergadering over sprak, zei hij niets over de kleuterklas.
Sinds jaar en dag hangt er in menige vrijeschoolkleuterklas het schilderij van Rafaels ‘Madonna met kind’.

Omdat er geen aanwijzingen zijn, alleen de algemene, komt er veel neer op de kunstzin en fantasie van wie de kleuters begeleidt.
.
Dit artikel is niet af. De voorbeelden zijn er, denk ik, enkele uit vele.
Clausens vondsten zijn in vele gevallen haar voorstellen.
Het is ook goed dat ‘de stof in beweging’ blijft.
Wat is er na Weissert en Clausen bij gekomen wat ook bruikbaar is.
Of, wat beslist niet.
Over de kunstzinnige inrichting van een lokaal: alle artikelen
Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog
Algemene menskunde: alle artikelen
Menskunde en pedagogie: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: alle beelden
.
3346-3148
.
.
.
.