Tagarchief: judasoor

VRIJESCHOOL – Over planten en dieren

.

Op de vrijeschool krijgen de kinderen in de 4e klas een bijzondere vorm van dierkunde en in de vijfde van plantkunde.

In de eerste klassen is het vertellen over planten en dieren anders van aard.

Niet dat er daarna nooit meer over planten en dieren wordt gesproken. In tegendeel. De leerkracht zal in de natuur veel kunnen vinden ‘wat groeit en ons altijd weer boeit’.

Hoe kun je als leerkracht nu net die weetjes weten die je niet zo afstandelijk bij Wikipedia vindt, maar die in een bepaalde sfeer van betrokkenheid zijn verteld.

Vaak kom je dan uit bij o.a. columnisten in een krant of tijdschrift die kort en bondig en net minder afstandelijk vertellen over een verschijnsel in de natuur.

Een tijdlang verzamelde ik zijn artikelen die in het AD verschenen:

Inhoud:

Egel1
Egel2
Eik
Judasoor
Krokus
Naaldbomen
Spar
Vlier
Vlier

.

Het is maar vurenhout en toch zo mooi

DE ROOSJES VAN DE  SPAR

Misschien hebt u wel net zo’n diepe minachting voor vurenhout als de degelijke vaderlandse meubelmaker die we eens in een Frans bergbos ontmoetten. Vol ontzag stond hij voor een imposante groep sparren van ruim 35 meter hoogte en met een respectabele stamomvang. Maar zijn bewondering verkeerde op slag in een soort welwillend beschouwen van iets minderwaardigs nadat ik had gezegd dat dit nu de bomen van het vurenhout waren. En het kwam niet over zijn lippen, maar zijn hele gezicht drukte het uit: vurenhout bah!

Wanneer u er precies zo over wilt denken, mij best. Dan stel ik alleen voor dat u uw minachting even naar de achtergrond schuift en dat we niet zozeer naar een stuk aanstaand vurenhout alswel naar een springlevende boom gaan kijken, naar een ook in veel Nederlandse bossen doodgewone spar, een meer of minder ver opgegroeide kerstboom.

Noorderling

Misschien goed om er even bij te vertellen dat hij van nature eigenlijk niet bij ons thuishoort. Hij is een boom van Skandinavië, van Noord-Europa en Noord-Azië, en hij beslaat ook een groot gebied boven de loofhoutgrens in de Midden-Europese gebergten. Het lijkt wel of hij iets heeft tegen het wat zachtere klimaattype van West- en Zuidwest-Europa; maar niettemin laat hij zich in onze cultuurbossen, parken en tuinen toch redelijk goed kweken (al brengt hij het hier zelden tot woudreus.

Waar alom het jonge groen naar buiten puilt, blijven de sparren niet achter. Ze zijn alleen wat minder opvallend in hun voorjaarsuitingen doordat ze toch al zomer én winter groen zijn. Kijk echter eens goed naar wat er in deze dagen (voorjaar) met hun knoppen gebeurt. Ze bestaan uit een aantal als kleine dakpannen over elkaar liggende schubben en de onderste ervan beginnen zich nu naar buiten te buigen. Maar hét letterlijke openbarsten wat je van zoveel andere knoppen ziet, dat blijft hier achterwege.

Anders

Er gebeurt iets heel anders. Een dichte bos sappig lichtgroene naalden, gegroepeerd rondom een nog onzichtbare jonge loot, schuift naar buiten. En op zijn top neemt hij het hele „roosje” van de wasachtig okerbruine schubben mee. Waarna het maar van de rust, ofwel de windstilte in het bos afhangt hoe lang dit kleine sieraad nog zal blijven zitten voordat het in zijn geheel afvalt.

Ja, en dan kan zo’n sparrenloot weer een jaar of wat voort met zijn groen. Hoevéél jaren? Dat valt van tevoren nooit precies te zeggen; zeker drie à vier, maar het komt ook voor dat sparrennaalden negen jaar oud worden, ~ dat hangt van allerlei omstandigheden af.

Twee rijen

En let eens op in de komende maanden: ze blijven niet zo netjes naar alle kanten van hun jonge takjes uitstralen, doch buigen zich geleidelijk naar links en naar rechts. Uiteindelijk blijkt dan dat ze min of meer in twee rijen staan. Dat zal wel zijn om een zo gunstig mogelijke belichting te krijgen in het van nature niet zo lichte bos.

Wanneer u er toch bent, let dan ook even op de stand van de knoppen aan de hele boom.

Aan de recht omhoog groeiende top staan ze keurig in kransen en de jonge takken groeien dus naar alle kanten. Maar op de takken zelf staan de knoppen voornamelijk links en rechts; beter voor de belichting van de jonge loten aan dat simpele vurenhout.

Buiten kijken met Kees Hana

Meer over de spar en de naaldbomen:

Zie ook bij Grohmann; 202122bij Wikipedia; bij  fijnspar; bij ‘bomen overleven (verschil sparren-dennen); bij waterwereld(wetenswaardigheden, ook over kerstboom).

0-0-0

FEESTELIJKE VLIEREN EN MYSTIEK GEBRUIK

Het staat weer te gebeuren en terwijl u dit leest is het grote feest mogelijk al begonnen; bet feest van de bloeiende vlieren. Letterlijk overal in den lande. In woestijnachtig droge duinen net zo goed als in bet sappigste polderland — en waar die vlieren ook staan (behalve in de zeewind die ieder jaar hun toppen weer dood waait), het worden in de loop der jaren altijd reuzen die in de voorzomer honderden platte schermen van geelachtig witte bloempjes dragen. En die dan „een uur in de wind” ruiken, maar met al hun geurigheid toch erg weinig insecten lokken.

Kortom: opvallende verschijningen, die vlieren! En het is nog niet zo lang geleden dat zelfs stadskinderen wisten hoe je uit de tweejarige loten van zo’n struik leuke fluitjes kon maken door er het merg uit te kloppen of te peuteren. Of ook diezelfde vlierloten, in mootjes gesneden, te gebruiken als pen op de rieten pijlen van je pijl-en-boog. Ik vrees dat tegenwoordig veel te weinig vaders (en grootvaders!) de lieve jeugd attent maken op dergelijke mogelijkheden en dat dit de waardering voor de vlier niet ten goede komt.

Heilige struik

De „heidense” stammen die lang geleden onze streken bewoonden, hebben de vlier wel degelijk op zijn verdiensten bekeken, natuurmensen als ze waren. Ze hebben natuurlijk opgemerkt hoe de jonge bladspruitjes gewoonlijk al in februari verschijnen, ze hebben misschien iets gevoeld aangaande de levenskracht in het sappige jonge blad en de vervaarlijk snel groeiende nieuwe loten met hun eigenaardige, weke merg. Of ze hebben geneeskracht vermoed in de sterk geurende bloesem en de bijna zwarte bessen in de herfst. Wie zal het zeggen.

Maar hoe dan ook, de vlier is destijds tot een heilige struik verklaard. Zij zou de woonplaats zijn van Vrouw Holle, de Witte Vrouw, die haar bescherming en bovennatuurlijke krachten verleende. En aangezien de vlieren hun activiteiten al in februari beginnen te ontplooien, werd er oudtijds aan het begin van die maand een groot feest gevierd ter ere van de Witte Vrouw Holle — een feest dat nog voortbestaat als Maria Lichtmis (2 februari). Zo is er bij de kerstening wel vaker met groot psychologisch inzicht aansluiting gemaakt op bestaande en diep gewortelde gebruiken.

Tegen reuma

Niet alleen van dat oude feest zijn echter nog de sporen terug te vinden, ook de naam van Vrouw Holle is verwerkt in tegenwoordige plaatselijke namen voor de vlier. Hier en daar in Zuid-Limburg wordt hij nog „holderteer” genoemd en dat is een verbastering van het oud-Duitse „Holluntar”. Daar is Holle al in te herkennen; en „tar” is niet anders dan een overoud Germaans woord voor boom, sterk veranderd terug te vinden in het Engelse tree.

Dat bepaalde delen van de vlier lang als geneeskrachtig te boek hebben gestaan (en nog wel staan), ligt wel voor de hand. Het verse jonge blad en vooral de fijngewreven schors van de jonge loten zijn eeuwenlang befaamd geweest als middelen tegen reumatiek. |

En vlierbloesemthee zal ook vandaag de dag nog wel als huismiddeltje tegen verkoudheid  en griep worden gebruikt. Drogisten verkopen de gedroogde bloesem tenminste nog. Ja, en waarom ook eigenlijk niet? De werking van de thee is flink zweetdrijvend en dat is toch waarom het gaat volgens de gangbare mening!

Geen honing

Ondanks de sterke geur van de (levende) bloesem lokt hij weinig insecten, zoals gezegd. Dat zal wel komen door het ontbreken van honing. Maar insectenbezoek of niet, de zomerse bloemtrosssen worden altijd bessentrossen tegen de herfst.

De pal naast elkaar zittende bloempjes zullen elkaar wel bestuiven met hun ver naar buiten gebogen meeldraden. Wel en als het op deze manier „goedkoop” zonder honing kan, waarom dan de overbodige productie van dit kostbare goed, ben je als mens geneigd te zeggen.

Buiten kijken met Kees Hana

Over vrouw Holle o.a. hier

Vlier bij genezing

 0-0-0

Wat zou het eigenlijk kunnen zijn dat ons bepaalde schepselen in de levende natuur een extra warm hart doet toedragen? Ik weet het nog altijd niet, maar het is me in de loop van de tijd wél duidelijk geworden dat bijna geen natuurliefhebber eraan is ontkomen. Of het nu gaat om wilde vaderlandse orchideetjes, om gezellig ’pratend’ overvliegende ganzen of doodgewone kruisspinnen of wat ook, je komt mensen tegen die er hun hart aan hebben verpand. Voor mezelf zou ik zover niet willen gaan, want er zijn te veel dieren en planten die een grote plaats in mijn hart hebben — maar toch, zo’n doodgewone, ordinaire vlier, ergens moeizaam voor zijn bestaan vechtend in het duin of overdadig van weelde bij een Zuid-Hollandse boenstoep, die is het voor mij wel heel erg. En ik hoop dat u dit een beetje met me kunt meevoelen.

VLIER HEEFT NATUURGETROUWE OORTJES

Het begint al met de bij winterkou verschijnende paarsbruine spruiten, dan in mei de glorieuze bloesem (maar die vind ik niet lekker ruiken en ik hou niet van vlierbloesemthee), vervolgens in de nazomer de glimmend zwarte bessen (voor de vogels, niet voor mij). Tenslotte, laat in de herfst de wonderlijke groeisels aan stammen en takken: de judasoren.

Deze eigenaardige namaakoren, van buiten fluwelig donkerbruin en aan de binnenkant glad violet-grauw, precies aanvoelend als een echt (en altijd koud) oor met twee ten opzichte van elkaar beweegbare huidjes, deze soms prachtige oorimitaties hebben de vlier – en dan vooral die van het duin – alleen maar nodig om erop te groeien.

Paddenstoelen eten we al sedert jaar en dag, maar onze 16de eeuwse voorvaderen, waaronder een beroemd kruidkundige als Dodonaeus, hielden het op gom van de vlier zelf. Leest u maar na in Dodonaeus’ Cruydtboeck: „De Gomme die wt de struycken van Vlier somtijts vloeydt / is meestendeel. Auris Sambuci dat is Vlier oore geheeten: van ander Iudae auricula, dat is Judas oor.”

En daar hebben we dan weer het aloude en eigenlijk nog steeds bestaande verschijnsel van de onbegrepenheid die met een ongunstig klinkende naam wordt opgescheept.

Geswollen huyge

Overigens zou Dodonaeus geen goed kruidendokter zijn geweest als hij niet ook had vermeld tegen welke ongemakken zijn ’vlier-gom’ wel was te bezigen. ”De Gomme van Vlier / dat is Judasoor heeft oock een tsamen-treckende ende droochmakende cracht. Twater daer zij sommige uren in geweyckt is geweest / in den mont genomen / en daer mede gespoelt / verdrijft de beginnende ontstekingen ende verhittingen van den mont en amandelen: ende maect de geswollen huyge smal en cleyn”.

Verder zag deze medicus er blijkbaar niet veel in, want na te hebben vermeld dat judasoren tot harde korsten kunnen verdrogen, waarna ze door water (regen) .. weer in hun oorspronkelijke weke toestand terugkeren, zegt hij alleen maar „van smaeck zijnse heel laf / ende ghelijck een ghesoden vel oft leer”.

Dat is weinig aantrekkelijk zo op het eerste gezicht. Maar ik vraag me altijd af of deze smaakloosheid niet met geëigende middelen zou zijn op te peppen. Dit omdat een neef van onze judasoren, en dan een die er bedrieglijk veel op lijkt, in China nog altijd veel wordt gekweekt voor de consumptie. Op gekapte stammen van ik weet helaas niet welke boom. Maar wat ik wel weet, is dat ze in het vroegere Indië op de pasar te koop lagen als ‘koeping tikoes” ofwel muizenoren – niet zo verwonderlijk als u weet dat in Azië voedingsmiddelen van een gelatineuze consistentie bijzonder geliefd zijn.

Schilderachtig

Wat tenslotte de (wetenschappelijke) naam van de Judasoren betreft, die sloot tot voor kort keurig aan bij het Latijn van Dodonaeus: Himeola auricula-Judae. Hierin is himeola een verkleining van het Latijnse himea, dat is schenkkan(netje) en auricula de verkleining van auris – oor. Het geheel zat dus wel schilderachtig in elkaar – maar helaas, het is nu verouderd en volgens de in de biologie geldende wetten op de nomenclatuur moet het zijn Auricularia auricula, het op een oortje lijkende oortje. Oorvervelend als u het mij vraagt

Judasoor

Wonderen van de natuur – Kees Hana

.

0-0-0

DE EIK HOUDT HET LAATST ZIJN BLAD

Een najaarsstorm, een paar stevige rukwinden en de laatste dorre bladeren warrelen van de bomen als een opgejaagde bende spreeuwen uit de kersenboomgaard. Alles wat tot de bladverliezende bomen en struiken behoort, is binnen een week of wat kaal.

Eiken schijnen het het langst vol te houden. Bi.i ons in de tuin staat er zo eentje. Zolang als ik hem ken, houdt ie de hele winter een gedeelte van zijn blad vast. Na een fikse februa-risstorm in de vorige winter had ie nog steeds één blad en dat hield de weerbarstige nog vast toen de knoppen al aan het uitlopen waren.

En ik in mijn onschuld maar menen dat het een wintereik was. De naam zegt het immers al: wintereik, ook in de winter rijk. Maar vandaag heb ik hem met het bomenboekje in de hand eens goed bekeken. Laat het nou een zomereik zijn. Voor de zifters: een zomereik hééft extra korte bladsteeltjes, de bladen zijn boven het midden op hun breedst en hebben links en rechts vijf onregelmatig gevormde bladlobben. Het kunnen er ook vier zijn, want geen blad is helemaal precies gelijk.

Bomenboekje

Rare boom, zo’n zomereik. Kan wel duizend jaar oud worden, zegt men. Toen de Spaanse Armada zo jammerlijk op de Ierse oceaankust te pletter liep, was het met Spanje als zeevarende natie gedaan.

Smeekschriften

Was dat niet het jaar 1588? Die hele vloot was van eikenhout gebouwd en in het moederland was geen eikenboom meer te vinden.

Opdracht van de ’onoverwinnelijken’ was trouwens Engeland als zeevarende natie uit te schakelen door alle eikenbossen te verbranden. Dat is niet gebeurd, maar bepaald roerend zijn de smeekschriften van de beroemde admiraal Nelson aan zijn koning om vooral maar eikenbossen aan te planten.

Nelson wist het al. Eiken zijn trage groeiers. Die in mijn tuin heeft ondanks zijn tien jaren nog te weinig hout geproduceerd om er een roeispaan van te bouwen.

Morsdood

Na de droogte van afgelopen zomer, heeft ie trouwens nog voor een verrassing gezorgd door het aanmaken van nieuw blad. Dat late blad ziet er nu nog tamelijk fris uit, maar het voorjaarsblad is morsdood: helemaal bruin en uitgedroogd zit het aan de twijgen. Door sommige bladeren kun je de hemel zien. Het bladgroen is verdwenen, aldus een charmant skeletje achterlatend. Toch kost het nog een flinke ruk zo’n blad te verwijderen.
Als ik verder inzoom op het eikje zie ik dat heel wat van die met was bedekte gladde twijgjes met ‘armbandjes’ zijn versierd. Het zijn de eieren van de ringelrupsvlinder.

In gave spiraaltjes zijn ze op de takjes afgezet. Per spiraal zo’n tweehonderd en meer eieren, vastgekleefd met een teerachtige stof die wel model gestaan lijkt te hebben voor twee-componentenlijm. Zo vast zitten die pieren.

Ik vind het maar een erg goede manier van de ringelrupsvlinders – onopvallende kleine nachtvlinders, verre familie van de zijderups – om te zorgen dat hun soort de winter doorkomt. Eitjes leggen, sterven en als de dagen lengen verschijnen de weesjes,
onbezorde harige vreters die zich aan het eind van de zomer gezellig in groepsverband inspinnen. Dan krijg je die bekende rupsennesten, die je overigens niet alleen op eiken vindt, maar ook op meidoorns, appels en andere struiken en bomen.

Wie ze vindt, moet die eitjes eens met een goede loep bekijken. Elk eitje apart is een zeer gaaf kunstwerkje.

Ringelrups - Malacosoma neustria - Waarneming.nl
‘armbandje’
Ringelrupsvlinder

Op stap met Jan van Gelderen

Grohmann over de eik
Meer: eik

0-0-0

NAALDBOMEN

.

De naaldbomen

Deze tijd van het jaar (winter) is zeer geschikt om eens beter te kijken naar de naaldbomen. Zo rond deze tijd heeft bijna iedereen wel wat takken in huis van de den of de spar.
De naaldbomen behoren tot de oudste boomsoorten. Men heeft al in het carboongesteente afdrukken gevonden. Hun ouderdom lijken ze wel in zich te dragen, want als je een dennenbos ingaat, proef je iets van een oeroude sfeer. Er heerst ook altijd een ingetogen stilte, waarbij je het gevoel krijgt, dat je die niet verstoren mag. Ook een zekere duisternis en plechtigheid vind je er, waardoor zo’n bos een heel eigen karakter heeft. In een dennenbos komen haast geen andere planten voor. De vogels zoeken juist loofbos op om te nestelen, in de naaldbossen kunnen ze niet genoeg schuilplaatsen vinden. Naaldbomen worden alleen niet in de poolgebieden en in de woestijnen gevonden. Kou kunnen ze echter wel veel beter verdragen dan de loofbomen. Als we langer naar de naaldbomen kijken, kunnen we ons voorstellen dat juist een plaats hoog in de bergen en vlak onder de hemel uitgesproken past bij deze soort bomen. De stam groeit vanuit de aarde recht naar boven, terwijl de takken in kransen naar beneden neigen. Als we op een kleine boom neerkijken, zien we een cirkelvorm, omdat alle buitenste takken ongeveer even lang zijn. Van boven af lijkt één krans van takken haast wel een ster.

De naalden rond de takjes lijken ook vaak op sterretjes. Zelfs in de omgeving van de naaldbomen vinden we vaak sterretjes terug, namelijk in de sneeuwkristallen. Zou deze geaardheid naar de hemel en de sterren, misschien de ingetogen en rustige stemming teweeg brengen? De zon met haar uitbundige lichtstralen, waardoor bloemen en kleuren ontstaan, heeft niet zoveel invloed op deze bomen. Het zijn meer de saturnuskrachten die werken in de naaldbomen. De naalden zijn een duidelijke uiting van het naar binnen gekeerde, dat we veelal vinden bij planten, die onder invloed staan van saturnus.

De naalden hebben hun bladmoes opgerold en samengetrokken. Alleen de hoofdnerf is nog over. Doordat de zonnekrachten niet zo’n invloed hebben, vallen de naalden ook niet ieder jaar af (behalve bij de larix), maar kunnen ze ongeveer 3 jaar oud worden. Het lijken haast wel stengeltjes geworden te zijn. Ook de bloeiwijze verschilt sterk van de andere bomen. Een boom krijgt mannelijke- en vrouwelijke kegels. Deze zijn nog erg klein en hebben dan nog een roodachtige kleur. Het stuifmeel wordt opgevangen en de schubjes sluiten zich. De kegel groeit en verandert van kleur en wordt groen. Pas in april van het volgende jaar wordt de kegel bevrucht. Het stuifmeel is al die tijd in een bepaalde vorm aanwezig geweest. In het derde jaar zijn de zaadjes rijp. Het kegeltje is dikker geworden, wat ingedroogd en verhout. Bij droog en zonnig weer in het voorjaar kun je de schubben horen openknappen! Het zaadje komt naar buiten en wordt door vleugeltjes gedragen. Bij deze bloeiwijze zien we eigenlijk kleur noch geur optreden. Ook dat lijkt bij de naaldbomen naar binnen gekeerd te zijn, want geur kennen ze in elk geval wel. De etherische oliën (die geurstoffen bevatten) vinden we hier terug als verborgen lichtkracht in het hars en in de olie, die in kleine kliertjes in de naalden zit. Harsen zijn kleverige stoffen, die niet oplossen in water (wel in alcohol) en die verharden, als ze in contact komen met de lucht. We kennen nu nog veel van die verharde harsen, als barnsteen (amber) van hele oude tijden. Een harssoort waarbij de geur een sterke rol speelt is die van wierook (geen naaldhout). Van harsen kan met behulp van etherische olie ook balsem gemaakt worden, iets wat de Egyptenaren al kenden en gebruikten.

Waarom nu juist een naaldboom als kerstboom gekozen is, is niet duidelijk te zeggen. Toch moet het wel mogelijk zijn om iets van de symbolen terug te vinden. Een naaldboom lijkt, omdat ze het hele jaar door groen is, niet door een ‘doods’ proces te gaan, zoals de andere bomen. Het altijd groene geeft het idee van levensboom.

Het idee van de kerstboom is ook nog niet zo oud. Pas sinds ongeveer 1850 kwamen de eerste kerstbomen naar Nederland. Volgens verhalen is de kerstboom in de Elzas voor het eerst als symbool gebruikt. Er bestaan veel legenden over, maar een van de meest voorkomende is dacht ik toch wel die van de houthakker, monnik of eenzame man, die op Kerstavond in het donkere bos loopt en waar de sneeuw op hem dwarrelt. Mistroostig loopt hij in de eenzaamheid rond, tot hij bij een boompje komt waar licht vandaan komt. Hij loopt er heen en het lijkt of het boompje zelf straalt. In een andere versie ontmoet hij een engel en, omdat het dennenboompje er het dichtste bijstaat, besluit hij dat mee te nemen naar huis. Thuis zet hij het neer en tooit het met kaarsen.

Deze kaarsen in de kerstboom brengen de lichtglans en warmte, die anders bloemen aan een plant geven. Op deze manier kunnen we het vrij worden van de innerlijke lichtkracht beleven. Tegenwoordig kunnen we vaak kerstbomen kopen met wortels er nog aan. Het is de bedoeling, dat we die boom na kerstmis in de tuin planten, maar het lukt niet vaak de boom in leven te houden. Daar zijn verschillende oorzaken voor te vinden. De boom komt van buiten en gaat zo de warme kamer in, zonder overgang en als Kerstmis voorbij is, van de warme kamer naar buiten de kou in. Wij kunnen daar ook niet tegen en trekken een jas uit of aan. Zo’n boom heeft ook een geleidelijke overgang nodig. Zet hem daarom zeker 2 a 3 weken op een tussenplaats, bijvoorbeeld garage of bijkeuken en laat de temperatuur geleidelijk toe- of afnemen. Geef zo’n boom ook volop licht en besproei hem regelmatig. Dat de boom water nodig heeft is waarschijnlijk overbodig te vermelden.

Een andere reden kan zijn, dat de grond niet geschikt is. Naaldbomen hebben vaak geen haarwortels (heel fijne wortels, die vocht en voedsel opnemen), maar leven samen met schimmels. Deze schimmels zorgen voor voedsel van de naaldbomen, en de afgevallen naalden dienen weer als voedsel voor de schimmels. Omdat de naalden zolang niet afvallen, bestaat er grote kans, dat de schimmel sterft, waardoor de boom geen voedsel krijgt. Toch lukt het vele mensen wel hun boom een aantal tot vele jaren te houden. Gebruikt u bij het planten in ieder geval een zure grond (bosgrondmengsel). Verder kan niemand voorspellen of de boom blijft leven.

De kerstbomen die over het algemeen als dennenbomen verkocht worden, zijn feitelijk geen dennen-, maar sparrenbomen! Een den herkent men, doordat twee naalden uit één schubje komen (soms ook meer). Bij een spar is het er altijd maar één per schubje (solo-spar, duo-den, legio-larix).

Irene Bordewijk, Jonas 02-12-1977

N.B.

Wanneer u de stille ingetogenheid van een naaldbos wilt ervaren, dan zijn er een paar, die ik u wil aanraden. Het zijn aangeplante ‘pineta’ (park met uitsluitend naaldbomen). Pinetum ter Borgh (tussen Anloo en Eest, Drente) – altijd geopend.
Pinetum De Horstlanden, Hengelosestraat, Enschede – werkdagen 9-17 uur.
Pinetum Blijdenstein, Van der Lindenlaan 25, Hilversum – apr./okt 10-12/14-16 uur. Pinetum De DennenhorstJJoslaan, Lunteren -altijd geopend.
Pinetum De Belten, Wildenborchseweg 15. Vorden – alleen na afspraak.
Van Gimborn Pinetum, Babberichseweg 23, Zevenaar, Gld.

0-0-0

Ik had het geluk om tijdens het opleidingsjaar voor vrijeschoolleerkrachten in  1969-1970, les te krijgen van de bioloog en natuurkundige Frits Julius. 
In onderstaand artikel komt je iets tegemoet van de zijn waarnemingsgave, tevens van een trant van beeldend vertellen die voor ons leerkrachten zo belangrijk is. Niet dat wij ook zo lyrisch hoeven te spreken als we de kinderen iets willen leren over de verschillende planten en/of dieren, de manier waarop Julius dat hier doet, kan wel een inspiratie zijn.

.

De krokus


Vroeg in het jaar, wanneer de gure winden telkens nog de liefelijke lenteglimlach, waarmee de aarde de Hemel wil begroeten, verjagen, trachten zich reeds vele groene sprietjes uit het donker van de bodem vrij te maken en aarzelend het lichtrijk te zoeken. Soms boren ze zich zelfs een opening in het dood-witte kleed, dat als tere pluisjes uit de hemel neer kwam dalen en daaronder tot een dicht doek werd aaneengeweven.

Al heel vlug komen de sneeuwklokjes, maar ze worden spoedig door de krokusjes gevolgd.

Toen wij zelf als kinderen nog maar heel weinig ver boven het oppervlak der aarde uitstaken en de hele wereld, maar vooral ook de kleinste dingetjes, met de grootste innigheid en met een eeuwige vraag in de ogen bekeken, vonden wij, dat zij erg veel op elkaar leken, de blaadjes van de sneeuwklokjes en die van de krokusjes: ze deden immers precies hetzelfde. Maar toen werd ons gezegd, dat krokusblaadjes een mooie witte streep in het midden hebben en sneeuwklokjesbladen effen groen zijn.

Later, toen onze blik veel van zijn toverkracht verloor, toen de dingen en zelfs de planten nuchter werden en hun heerlijke hemelse gebabbel staakten, toen leerden wij nog wel andere verschillen kennen. De krokusblaadjes zijn wat hol gebogen en ze komen met een risje tegelijk uit de bodem. Zij trekken een ietwat slordige vliezige schede een eindje mee omhoog. De sneeuwklokjes hebben steeds maar twee blaadjes, hun schede is netjes van vorm en schuift niet zo ver mee naar boven. Wanneer de fijne witte bloempjes van de sneeuwklokjes tussen de blaadjes opgedoken zijn en reeds een tijdje hebben gebengeld in de wind, dan komen ook de krokusbloemen uit de grond. Zij gedragen zich of zij van hun voorgangers het bloeien leerden en of zij zelf bovendien nog heel wat nieuws hebben verzonnen, want alles gaat bij hen veel geweldiger. Tussen de groene staketsels van de bladeren rijzen ze nu op met paarse of witte kopjes. Rustig gaan ze voort, wat sneller, bij zoel weer, wat trager als het koud is. Keert de vorst nog eens terug, dan blijven ze zelfs geheel en al stil staan te wachten. Ten slotte staan ze daar als ovale kolfjes, door een kleurige steel omhoog gehouden.

Nu lijken ze wel doodongeduldig. Wanneer maar even het zonnegoud door het doffe nevelgordijn, dat de hemel omfloerst, heen komt sprankelen, kieren zij van boven wat open. En uit die opening straalt weer diep gouden gloed op, als van een andere zon, daarbinnen verborgen. Zodra het gordijn voor het hemelvenster weer dicht wordt getrokken, verdwijnt niet alleen het hemelgoud daarboven, maar ook het bloemgoud daar binnen wordt zorgvuldig afgesloten. Maar hoe zou nu die ruimte binnenin die bloem wel zijn? Gedempt licht, teer getint als in een tempel. Een wand zo zuiver als marmer en teerder dan het fijnste porselein. Soms is die wand diep paars, soms heel blank en vaak is hij blank en paars naast elkaar. Maar dan rijst de kleur ook in heerlijke aderen van onderen af tot langs het gewelf omhoog. En midden in deze ruimte staat een gouden zuil als een heerlijk altaar in het midden van een heiligdom.

Een mensenmaaksel, zelfs het mooiste, is dood en verstoken van iedere mogelijkheid tot sterven naar groei en omvorming. Hier daarentegen is alles vervuld van een drang naar buiten, alles wacht tot de wanden zullen wijken, want dan kan de zuil zijn gloed vrijuit ten hemel laten vlammen. Dan zal als bij voltrekking van een plechtige handeling, alle heerlijkheid van het hemelse lichtrijk in deze offerruimte neerdalen.

Eindelijk! Een dag waarop het hemelgordijn tot diep op de horizon wordt neergeschoven en een zoele wind de kilheid tot zelfs uit de donkerste hoekjes weet weg te vagen. Hoe innig is de jonge lentezon! Is het niet of zij met haar lichtgesprankel over de bodem rondwaart om te luisteren, wat de aarde haar met sprietjes en met bloempjes, met openspringende knopjes wil toe fluisteren?’

Dat is de dag van de krokussen! Nu staan zij daar en slaan de wanden van hun bloemgebouw ver uiteen. Hun innerlijkheid, eerst zo teer, vlamt nu op als in vurige geestdrift. En de gouden stijl, die bovenaan tot drie stempels uiteenzwiert, hij verheft zich tot zijn hoogste gloed en praalt nu temidden van de zonnezoelte.

O, dat veldje! De bodem is nog grijs en kaal, maar van afstand tot afstand laait ons zulk een bloem als een vlam tegemoet. Het lijkt wel een veelstemmig gejubel, dat uit de stilte zachtkens gaat opklinken. Nu schijnt zelfs de geringste terughouding zoek. Zou er ooit een overgave, ooit een zaligheid groter kunnen zijn dan deze?

En toch: deze planten vergooien zich nooit. Zij zijn niet lichtzinnig als zo vaak de onbezonnen jeugd. Zij lokken uit het licht alleen de donkere hommels naar zich toe, die zwaar zoemend van ernst hun harige lijven voortdragen. Zie hoe driftig ze duwen en dringen! Zie hoe ze met hun woeste kracht de teerheid der bloem dreigen geweld aan te doen! Eigenlijk zijn ze zo goedmoedig, maar ze moeten wel wat wroeten om tot de bloembodem neer te kunnen duiken en daaronder in drie donkere holen de nectar te zoeken.

Al lijkt het ook of de krokusbloemen heel hun innerlijk uitstorten in het licht, toch doen zij dit nooit zonder voorbehoud. Zelfs wanneer de zon hun volop tegemoet komt, houden zij hun nectar toch nog diep in hun schoot verborgen. Zo blijft dit kostbare vocht voor onwaardige indringers beter behoed, dan alle tempelschatten uit de oudheid ooit waren. En zodra de zon zich weer met sluiers omhult, of wanneer zij ’s avonds in de aarde neerdaalt schuiven zij hun wanden langzaam toe. Iedere nacht staan zij daar weer met hun heiligdom gesloten.

En dan lijkt het wel of zij even mat als voor de bloei zouden willen schijnen, maar de kleurengloed is niet meer te dempen en straalt nu zelfs door de dofheid der wanden heen.

Onder de bodem gaat het veel rustiger toe, maar toch gebeuren daar veel merkwaardige dingen. Daar wordt ieder jaar een vaste knol, met meel geladen, gevormd. In het voorjaar, bij het uitlopen, wordt deze opgeteerd tot er slechts een weke weerzinwekkende massa over is, maar na de bloei wordt bovenop de oude weer een nieuwe knol gesmeed. Deze stuurt aldra stevige wortels omlaag, die zich eerst in de bodem verankeren en die zich daarna samentrekken, tot de jonge knol op de plaats van de oude komt te liggen.

Al die heerlijkheid van de krokusbloem is mede een getuigenis van de verhevenheid van haar land van oorsprong, van de hoge alpenweiden. Daar lukt het de zon, ondanks de felheid van haar licht, pas laat in het jaar de grond van het sneeuwkleed te bevrijden. Heel langzaam wijkt dit terug rondom de eerste donkere plekken. Als een streling zijn deze voor het oog, dat gewond is door het schelle sneeuwlicht. Maar dan is het ook alsof er een hemels gejubel verrijst, eerst stil, maar geleidelijk steeds luider. Zo groot is de heerlijkheid van al die bloemen, die bijna onmiddellijk uit de bodem ontluiken, van al deze liefelijke sterrenvormen, van deze betoverende kleuren!

Lager tegen de hellingen en onderin het dal, waar de bodem meer kracht heeft, is het alsof in de vaste stammen van de bomen de aarde omhoog rijst om de hemel veel ruig woekerend leven tegemoet te dragen. Hierboven heerst het licht, en het plaatst met wonderbaarlijke edelsmeedskunst de bloemen gelijk fonkelende stenen in het doffe materiaal van de aarde.

Hoe zou de krokus anders kunnen doen, dan ieder voorjaar opnieuw haar verwantschap met deze toverwereld te tonen door haar bloemen op te laten vlammen in het licht van de hoogte? Hoe zou zij die voorjaarszon kunnen weerstaan? Elke dag verrijst zij wat hoger en opent zij haar bronnen van glans nog meer en steeds meer laat zij haar wezen in eindeloze stromen van licht naar buiten vloeien. Als een ontluikende bloem is zijzelf. En zij verlokt de krokus te doen als heel de aarde: de openbaring van haar glorie te beantwoorden met een echo van heerlijke schoonheid.

Maar nauwelijks is de bloei voorbij, nauwelijks is de vlam van de overgave uitgebrand, of de krokusplant wendt zich tot de diepte. Zoals eerst de bloem gelijk een kleine zon de grote zon tegemoet straalde, zo wordt nu in de aarde een ding als een kleine aarde gevormd. En zoals dit ding zich tegenover de grond om zich heen afrondt, zo is eens in een ver verleden de aarde in de kosmos vereenzaamd geraakt. Eerst leek de krokus wel uitbundig te zijn als een jongeling, die vervuld is van geestdrift en gloeiende idealen. Hij zou wel in één sprong het hoogste willen bereiken. Maar nu, nu zij haar knol vormt, lijkt zij wel bezonnen te zijn als een oudere mens, die in smarten geleerd heeft hoeveel geleden moet worden eer dat ook maar iets in het leven verwerkelijkt kan worden.

Te midden van de ijle schoonheid van de bovenwereld vlamde de krokus krachtig op, zonder zichzelf te verliezen; te midden van de duistere dichtheid van de bodem smeedt zij nu voor zichzelf sterke werktuigen, zonder zich voor altijd van de omgeving af te sluiten. Konden wij slechts iets van dit verheven evenwicht in ons zelf en in onze samenleving verwerkelijken! De krokus toont ons een beeld van het edelste en sterkste, waarnaar ieder, die waarlijk streeft, zou moeten reiken.

Maar niet alleen van de weg van de enkele mens spreekt de krokus, ook van de gang van de hele aarde. In het laaien van haar bloem draagt zij een voorspelling van de tijd, waarin al de aardse dingen tot een nieuw geeststadium zullen opvlammen. Of eigenlijk zou men niet van een voorspelling, maar van een voorspiegeling moeten spreken: wat eens in de verste verten der tijden moet geschieden, voltrekt de krokus reeds nu in beeld. En in de verdichting van haar knol bootst de krokusplant steeds weer de gang van het aarde-verleden na. Steeds opnieuw wordt uit de ijle bewegelijke substanties een hard rond ding verdicht. En wanneer dit ding een tijd gerust heeft en eenzaam is geweest, wordt een deel door de opbloei van al dat schoons, dat tot ons spreekt van de dingen van de toekomst, opgeteerd, terwijl een ontbindende rest terzijde wordt gestoten.

Zo worden in het voorjaar beelden voor ons geplaatst van heel de aarde-ontwikkeling en van de mens te midden van dit geheel. Deze beelden zijn zeer liefelijk, maar toch spreekt er een machtige maning uit tot de mens, die klopt aan de poort van de toekomst: ‘Alleen hij zal deze deur zien opengaan, die de hoogste geestdrift voor al wat worden wil, laat opvlammen uit de diepste trouw aan al het gewordene’.

Frits Julius in Jonas, 23-01-1971

0-0-0

EGEL

Egelstelling – Het zal wel een dikke dertig jaar [artikel is uit de jaren 1970] geleden zijn dat deze fraaie term de woordenschat van onze taal is komen verrijken. En hoe groter de fanfares waarmee het in de destijds schamele kranten verscheen, hoe hoopvoller je onder elkaar gniffelde, hoe sterker gespannen je door alle storingen heen luisterde naar het ietwat gammele en  degelijk verstopte restant van je radio. Want je wist: hoe „sterker” de egelstelling, hoe groter de omsingelde Duitse troepenmacht. Dat gaf dan weer een beetje moed

Maar nu iets heel anders: Hoe kwamen die mensen op het woord? Het moet wel afkomstig zijn geweest van iemand die gewend was goed uit zijn ogen te kijken in de natuur, van iemand die wist hoe een opgerolde egel zijn stekels naar alle kanten kan uitzetten om aldus een soort onneembare veste te worden. In tijden van gevaar, maar ook in perioden van verhoogde kwetsbaarheid zoals de winterdag.

Scharrelen

Van de zomer nog hoorden we vriend (of vriendin, maar dat kun je aan de buitenkant niet zien) egel nogal eens ’s avonds scharrelen. Bepaald luidruchtig was hij of zij dan bezig tussen dor blad en ruigte in de tuin, gewoonlijk in de zo diepe schemering dat ook „onze” ransuil het tijd vond om (geruisloos) op jacht te gaan, richting spreeuwenbosje.

Maar in het najaar kwam er verandering. Geen gestommel en gerommel meer tussen het blad. Maar toen de buurman op een avond thuiskwam, zag hij in vrijwel donker een egel slepen met een rietstengel. Voorzichtig heeft hij de sjouwerman of -vrouw gevolgd en hij zag hem of haar binnen gaan in het al lang leegstaande kippenhok. De volgende avond wij daar samen op wacht, en jawel, er werd weer ijverig gezeuld met riet, stro en stukjes krantenpapier.

De rest vermoedt u natuurlijk al: Er is daar in een hoek van die aftandse kippenwoning een hoge koepel van stro, veertjes, dorre bladeren en stukjes papier verrezen. Een echte egelstelling waarin je door het nauwe toegangsgat de bewoner kon zien liggen; natuurlijk opgerold en met uitgezette stekels.

Het was inmiddels goed guur geworden. Voorzichtig met een stokje tegen de slaper of slaapster duwen had geen enkel gevolg. Dus was het egeltje zijn lange slaap, zijn winterslaap ingegaan; en dat is iets heel anders dan de gewone dagelijkse slaap. Want bij het beginnen van zo’n winterslaap – altijd in goed dikgegeten toestand – daalt de temperatuur van het dier tot ver beneden de normale waarde van omstreeks 35 gr.C. Zijn hartslag en ademhaling worden véél trager en voorlopig is zijn temperatuur gelijk aan die van zijn omgeving, misschien een graad of zes. zeven.

Krijgen we echte kou en zal het ook in dat oude kippenhok misschien gaan vriezen, dan wordt de egel ook kouder. Maar….zijn temperatuur komt nooit onder de 5 gr. C. In deze toestand blijft hij als het ware op een laag pitje verder leven, heel zuinig zijn vetvoorraad opgebruikend. Totdat het misschien al te bar wordt met de kou. Dan kan er iets merkwaardigs gebeuren.

Heel langzaam (in 2 à 5 uur) wordt de egel wakker. Door hevige spierbeweging in de vorm van sterk rillen, vijzelt hij onbewust zijn temperatuur op tot 35 gr. En zo, weer even helemaal gewoon levend, gaat hij op zoek naar een betere schuilplaats. Om daar opnieuw in winterslaap te vallen tot de lente komt.

Maar veel jonge egels, met weinig reservevoedsel, redden het niet. Die sterven in een koude winter. Broodmager en letterlijk uitgeleefd.

Kees Hana, buiten kijken

0-0-0

EGEL

Egels vertrouwen teveel op hun stekels, zeggen ze

Het leek of er niets aan de hand was met de egel die ik zojuist had aangereden. Het was mijn schuld. Bij het schijnsel van de koplampen stond ik hem te bekijken. Een mooi volwassen dier, iets meer dan een kilo. Geen uiterlijke kwetsuren, zelfs geen druppeltje bloed uit zijn bek. Egelvlooien sprongen op mijn handen. Die hadden onmiddellijk in de gaten wat ik niet wilde geloven: hun gastvrouw was dood. De teken achter de oren van mijn slachtoffer hielden nog even vast. Met teken moet je een beetje voorzichtig zijn. Die houden ook van mensenbloed. Egelvlooien niet. Na een kleine verkenning op mijn huid verdwenen ze dan ook in het gras.

Toen ik stond te overleggen wat ik met het dier moest doen — mee naar huis nemen, aan de kinderen laten zien en een rituele begrafenis onder de vlierstruik laten verzorgen, of gewoon in het gras leggen — kwam een veel kleiner egeltje uit de berm scharrelen: Een miezerdje, dat me kennelijk wel rook — neusje omhoog en snuffelend de omgeving aftasten – maar me niet zag.

Toen ik een keer hard op de grond stampte, rolde miezerdje zich onmiddellijk op tot de bekende stekelbal. Egeltjes horen goed en zijn nogal schrikachtig.

Het dode dier legde ik in het gras en Scharminkeltje, dat helemaal niet zo schuw was, nam ik tussen jas en trui mee naar huis. We proberen hem daar met meelwormen, rupsen, vette spinnen, melk en havermout nog klaar te krijgen voor de winterslaap. U hoort nog van Scharminkeltje en ons.

Heel wat

Het zal niemand ontgaan zijn dat er in deze tijd van het jaar heel wat egels op onze verkeerswegen aan hun einde komen. De vraag hoe dat nu mogelijk is, kent heel wat antwoorden. Het is bekend dat egels zich graag bij wegen ophouden omdat die – hoe tegenstrijdig dat ook klinkt – een flinke hoeveelheid voedsel opleveren. Voedsel dat bovendien niet gevangen hoeft te worden, omdat het snel en pijnloos is gedood door het verkeer. We denken aan slakken, kevers, kikkers, hagedissen en al wat er verder nog maar onder de wielen kan komen.

Een ander antwoord is, dat egels nogal kouwelijk zijn aangelegd. De rugstekels – ze zijn een tot anderhalve, centimeter lang – bieden weinig isolatie en dat geldt ook voor de spaarzame beharing onder de stekels en van de buik. Wat is er voor een egel dan lekkerder om ’s nachts rond te scharrelen op een weg die de warmte van de dag nog vasthoudt.

Egelstelling

Een derde verklaring lijkt nogal voor de hand te liggen.
Buiten grote roofvogels en bunzings – beide zeldzaam in ons land — hebben egels geen natuurlijke vijanden. Bij naderend gevaar rollen ze zich op en zetten hun rugstekels op.
Wie doet ze wat? Een opgerolde egel is ongenaakbaar. Behalve voor auto’s. Egels zouden zoveel vertrouwen in hun „egelstelling” hebben, dat ze zich domweg oprollen bij een aanstormende auto. Toch geloof ik er niet in. De egel die ik aanreed, rende als een in paniek geraakte poes – en met net zo’n snelheid – naar de verst verwijderde berm. Andere egels die in de loop der jaren voor mijn koplampen zijn opgedoemd deden het precies eender.

Er doen heel wat misverstanden de ronde over egels. Ze vrijen bijvoorbeeld lang zo voorzichtig niet als het bekende mopje ons wil doen geloven.
En ze paren ook niet staande met de buiken naar elkaar toe zoals de oude volksverhalen zeggen. Bij de paring heeft het vrouwtje haar stekels plat liggen en dan kan er niets anders gebeuren dan dat er na een goede maand jongen komen. Die hebben al stekeltjes, maar die liggen in de weke huid verborgen. Niets aan de hand.

Bij de koeien

Egels zouden koeien melken. Het is een verhaal dat ik onlangs nog hoorde van een veehouder bij ons in de buurt.
Toch is het niet waar. Maar egels zoeken graag in de buurt van een grazende koe. Een grazende koe is zo’n onruststoker dat talloze insecten voor hem weg springen. Die zijn dan weer makkelijk te vangen voor de egel. Het is zelfs niet waar dat alle egels verzot zijn op melk. Aan de andere kant… een doodserieuze bioloog heeft bekend gemaakt dat egels gaarne drinken, uit een door hem ter beschikking gestelde kunstspeen! 

Zo schijnt de fabel dat egels op hun stekels gevallen appels naar hun hol brengen ook een grond van waarheid te hebben. Er bestaan in ieder geval twee foto’s, gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften waarop een egel met een appel op zijn rug staat afgebeeld.

Zoek het maar uit. Als u overdag eens goed gaat zoeken onder de heggen bij u in de buurt vindt u uw studie-object wel. 

Op stap met Jan van Gelderen
Egel dragen appel op de rug - 64477335

 

0-0-0

 

 

 

Plantkunde: alle artikelen

Vrijeschool in beeld: 5e klas: plantkunde

.

3522-3308

.

.

.

.