.
VAN LIJDENSTIJD NAAR PASEN
Werk als oefenweg
We fietsen achter elkaar, want het fietspad is maar smal. In een wijde boog rijden we achter de bushalte langs. Ongeduldig ronkend en brommend staat daar een bus te wachten tot alle reizigers ziJn ingestapt. ‘Kijk mam!, roept ineens mijn zoon. ‘Daar sta ik nou later ook te wachten met zo’n grote bus.’ Hij keert zijn glunderend gezicht naar me toe. ‘En dan mag jij ook wel eens bij mij instappen!’ Dat is een heerlijk vooruitzicht. Jongens van acht hebben zo hun eigen idee van de toekomst. Niet alleen buschauffeurs of tramconducteurs blijken benijdenswaardige mensen – ook plaatsen waar met machines wordt gewerkt, hebben een eigenaardige aantrekkingskracht. De wasserij is zo’n plaats waar ze graag komen.
Terwijl ik sta af te rekenen bij de toonbank, zijn de kinderen de werkruimte ingelopen. Daar staat een reusachtige strijk- en vouwmachine opgesteld. De kinderen blijven geboeid staan kijken naar enkele witte servetten, die door grote warme rollen glad gewalst worden, en daarna op lopende banden statig verder zeilen. Onderweg worden de witte lappen via ingewikkelde klepjes tweemaal gevouwen. Het geeft telkens een venijnig, typisch machinaal klik-klakgeluid. Tenslotte belanden ze op een tafel aan het andere einde waar ijverige dames het wasgoed uitzoeken en op stapels leggen. Het is zo fascinerend wat daar gebeurt, dat het mijn zoon de uitspraak ontlokt: ‘Ik ga later in de wasserij werken.’
Hij kent niet of nauwelijks de achtergrond van wat hij daar ziet gebeuren. Wat is het dan dat hem daarin aanspreekt? Is het iets dat wij door ons te veel weten er niet meer in herkennen? Het is mij wel duidelijk, dat een kind met andere ogen kijkt naar al die verschillende mogelijkheden van bezig-zijn in de wereld. Het herkent er iets in dat van hogere orde is, juist omdat het niet meer ‘weet’ dan het ziet.
De werkende mens.
In deze technische tijden zien de kinderen nauwelijks meer hoe de gewoonste dingen om hen heen tot stand komen. Oude ambachten worden uitgeoefend in verborgen hoeken van de samenleving. Soms worden ze op markten of straatfeesten tentoongesteld, als museumstukken, weggehaald uit de eigen omgeving. Dat doet wat onwerkelijk aan. Zodra de kinderen zelf in een werkplaats binnengaan, is de ervaring diep en blijvend. De smid die de paarden beslaat, de pottenbakker met om zich heen werkstukken in allerlei stadia, de timmerman waar het harsig ruikt naar vers hout, en de bakker waar de werkplaats vol ligt met broodjes in wording.
Als er in de buurt een huis wordt gebouwd, is dat een unieke plaats om vele ambachten tegelijk ‘in werking’ te zien. De kinderen zien hoe de metselaar zijn specie mengt en het schietlood hanteert. Ze vergeten nooit meer het typische heldere klink-klankgeluid als de troffel op de baksteen slaat. Ze zien de muren groeien, en ze leven mee als de zware steunbalken voor het dak op hun plaats worden gelegd. Ook de dakbedekker wordt bewonderd, die handig en vlug de dakpannen in elkaar haakt.
In een werkplaats als de wasserij is het de ingenieuze machine die de kinderen boeit. Maar wat is dat anders dan bewondering voor degene, die zo’n machine kan bedenken en maken? Niet de zichtbare mensen die ermee werken, krijgen de aandacht. Deze geldt indirect de onzichtbare ‘maker’.
Bij de buschauffeur gaat de bewondering uit naar degene die zo’n kolos van een wagen schijnbaar moeiteloos door nauwe straten stuurt. Het is of er in het kind de vreugdevolle zekerheid leeft, dat zo iets te leren is. En zo ga je dan langzamerhand vermoeden, dat ieder kind een onbewust weten in zich draagt waarom hij hier op aarde is gekomen. Wat ziet hij namelijk om zich heen, dat hem zo intens boeit? Dat is de werkende mens.
Jan Luiken
Enige eeuwen geleden was er een Hollander die de toenmalige ambachten tot onderwerp maakte van zijn etskunst. In 1694 verscheen een bericht in de Amsterdamse Saturdaagsche Courant:
‘Tot Amsterdam bij Jan Luyken, plaatsnyder, word uitgegeven een Boek, genaemt het Menselyk Bedryf, bestaende uyt 100 kopere plaetjes van ambachten, konsten, hanteeringen en bedryven, met versen toegepast op het Gemoet.’
Het is of de schrijver/etser ieder ambacht even omhoog tilt als een kristal tegen het licht, zodat het aardse werk ‘door-licht’ wordt. Bij ieder ambacht beschrijft Jan Luiken een beeld van de ontwikkelingsmogelijkheden van de ziel, waardoor dat speciale beroep ineens een dimensie erbij krijgt. Een enkel voorbeeld.
De Kaarsemaaker
Verliest het minst,
Om groote winst
Terwyl het vuur de Kaars verteerd,
Soo word het huis met-licht vereerd;
Dat was het doelwit in het maaken:
o Aardse mens van vlees en bloed,
God wil het Licht uit uw Gemoed,
Door’s lichaams sterven en versaaken.
Het aardse lichaam werd ‘het minste’ geacht in vergelijking met de ziel en de geest van de mens. Over het temmen en bedwingen van dat lichaam met al zijn hartstochten en driften spreekt het lied van de zadelmaker.
De Saalemaaker
Uw eigen dier,
vereist bestier
‘t Geweldich, trots en weelich Paard,
Word nochtans van den Man bereeden,
Beloomd, besaadeld en Bedaard:
Soo most de Geest, door hooge reeden,
Zijn wilde dier, van vlees en bloed,
Betemmen, om een Eeuwich goed.
De strengheid van de calvinistische levensopvatting, doortrokken van zondelast en schuldbesef, dempt alle levensblijheid. Het is of de calvinistische mens in de lijdenstijd blijft steken en nooit aan de verlossing toekomt, nooit de vreugde van Pasen kent.
Jan Luiken noemt wel ergens het ‘Nieuw Jerusalem’ als stralend eindpunt van een lange weg.
In de Openbaring van Johannes staat een prachtige beschrijving van deze gouden stad, genoemd naar het aardse Jeruzalem:
‘En hij leidde mij in het geestgebied op een berg, groot en hoog, en toonde mij de heilige stad Jeruzalem…’ (Openb. 21).
De twaalf poorten en de twaalf fundamenten worden beschreven. Het is een merkwaardige stad, want het bouwwerk heeft de vorm van een kubus: ‘haar lengte en haar breedte en haar hoogte zijn gelijk.’
Vanouds hoort het vierkant bij de aarde. Ook het beeld van een stad is een menselijke aangelegenheid.
De evangelist Johannes ziet in zijn geweldig visioen dat er door mensenhanden gebouwd wordt in hemelse streken. Hoe kunnen we ons dat voorstellen?
Het werk als oefenweg
Als we ons verdiepen in de sprookjes, kunnen we ontdekken dat de verschillende beroepen die daarin voorkomen, een heel bepaalde functie vervullen in het verhaal.
De jager, de visser, de houthakker, de kleermaker, de schoenmaker – ze hebben allen hun geheel eigen karakter. Niet wat de houthakker persoonlijk is, maar wat hij doet is bepalend. Dat geeft vorm en richting aan het verhaal. Omgekeerd kan je ook zeggen: vele sprookjes geven het beeld van een wordingsproces, van een weg van lijden, van schuld en boete, en van een uiteindelijke verlossing. Maar er zijn oneindig veel mogelijkheden om die weg te beschrijven. Die weg is vanuit de schoenmaker gezien anders dan vanuit de houthakker, en weer anders vanuit de soldaat. Het is of ze verschillende facetten zijn van hetzelfde kristal. Elk vlak vangt het licht op een andere wijze. Er is geen werk zonder strijd en geen strijd zonder leed. Maar zonder leed ook geen verlossing, zonder lijdenstijd geen Pasen. In het typisch oud-Hollandse beroep van de turfsteker kunnen we dat herkennen.
De Veender
’t Is ongezien
Doch ’t kan geschien
Van onder ’t water word geheeven,
Een Stof, om Vuur en Vlam te geeven,
Tot nul en teegenweer der Kouw:
Soo most de Mens Materi vissen,
Van onder’s leevens kommernissen,
Tot Vreugd, die Eeuwig gloorien souw.
Ieder werk kun je zien als een ontwikkelingsweg, en daarbij doet het er minder toe wat je doet. Belangrijk is hoe je het doet, wat je ervan maakt en wat je er zelf aan doormaakt. En daardoor komt ‘ongezien’ iets vrij, dat een steentje bijdraagt voor de bouw van de gouden stad.
De verrukkelijke tuin van het paradijs was een geschenk van de goden. Maar toen Adam ‘stevig op zijn voeten’ mocht gaan staan, kwamen zijn handen vrij om te werken. Na de zondeval werd dat vermogen tot opdracht: ‘In het zweet uws aanschijns zult ge uw brood eten’. De aarde wacht op verlossing. Er wordt op ons gerekend.
Marieke Anschütz, ‘Jonas’16, 4 april 1980
Palmpasen/Pasen: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
3e klas: heemkunde
129-124
.


