Vertaling van bericht in ‘Das Goetheanum‘, 09-03-2026
Daar werd als bron gebruikt ‘Na Babel‘.
.
Een Noorse aanpak ter ondersteuning van risicovol spel bij kinderen
.
Risky Play, oftewel risicovol of wild spelen, is een begrip uit het pedagogisch onderzoek dat alle vormen van spelen omvat waarbij spannende onzekerheid en het nemen van risico’s een rol spelen. Een goed voorbeeld van risicovol spelen is klimmen in bomen, over rotsen of op hoge ladders. Voor ouders en verzorgers is het niet altijd gemakkelijk om naar hun kinderen te kijken terwijl ze wild spelen en erop te vertrouwen dat alles wel goed komt. De wens om hen te beschermen tegen mogelijk letsel is begrijpelijk. Zolang er echter geen direct gevaar bestaat, raden onderzoekers aan om de kinderen hun gang te laten gaan. Risicovol spelen is namelijk essentieel voor een gezonde lichamelijke, mentale en emotionele ontwikkeling. Verschillende studies hebben aangetoond dat kinderen het op een speelse manier aangaan van risico’s nodig hebben om ruimtelijk inzicht, motorische coördinatie, zelfvertrouwen en een tolerantie voor onzekerheid te ontwikkelen. Andere voordelen van risicovol spelen zijn verbeterde sociale vaardigheden, zoals het vermogen tot samenwerking en empathie, en een grotere emotionele veerkracht. Onderzoek toont ook aan dat kinderen beter in staat zijn om hun eigen vaardigheden in te schatten dan volwassenen vaak van hen verwachten.
Ellen Sandseter is hoogleraar aan de Koningin Maud-Hogeschool voor Vroegschoolse Educatie in Trondheim, Noorwegen, pionier op het gebied van risicovol spelen en bedenkster van de internationaal gehanteerde wetenschappelijke definitie ervan. Haar onderzoek heeft ook aangetoond dat een gebrek aan positieve vormen van risicovol spelen in de kindertijd er later bij jongeren toe kan leiden dat ze negatieve risico’s nemen, zoals winkeldiefstal. Al deze onderzoeksresultaten betekenen echter niet dat kinderen moeten worden aangespoord om op een bepaalde manier te spelen. Hoe een kind speelt, moet door het kind zelf worden bepaald, aldus Helen Dodd, kinderpsycholoog aan de Britse Universiteit van Exeter. Welke activiteit als riskant wordt ervaren, verschilt bovendien van kind tot kind. Mariana Brussoni, hoogleraar kindergeneeskunde aan de Canadese University of British Columbia, pleit ervoor dat barrières met betrekking tot risicovol spelen moeten worden weggenomen, zodat er pedagogische ruimtes ontstaan waarin kinderen uit hun comfortzone kunnen stappen en een leerzone kunnen betreden. Hiervoor is vooral in westerse landen een maatschappelijke mentaliteitsverandering en verder onderzoek nodig.
Welke mentaliteitsverandering dat dan zou moeten zijn, wordt niet vermeld. Misschien is omdenken van een ‘kenniseconomie’, met in het kielzog dat kennis op school het hoogste goed is, naar een veel grotere plaats van ‘bewegen’ in het onderwijs, een begin. In de lagere klassen bv. is ‘de evenwichtsbalk’ een vrij risicovol attribuut naar mate die hoger boven de vloer belopen moet worden. Op de schoolpleinen zou bewust de mogelijkheid tot klimmen en klauteren kunnen worden gecreëerd. Naast de al positieve gevolgen voor lichaam, ziel en geest, zouden ook nog expliciet van de onderste zintuigen de evenwichtszin en de eigenbewegingszin kunnen worden geoefend.
.
. hoe kan je de zgn. ‘onderste zintuigen’ helpen ontwikkelen
Voor het kind van 0 – 7 is m.n. de fysieke ontwikkeling van groot belang; ook daarna natuurlijk, maar in de 1e 7 jaar gebeurt er wel heel erg veel: een paar keer verdubbelen van het lichaamsgewicht bv. Dat kan en gaat op latere leeftijd (gelukkig!) niet meer. Een opvoeding c.q. schoolsysteem die de hele mens wil helpen ontwikkelen, zal ook veel aandacht besteden aan het ontwikkelen van de zintuigen die a.h.w. lichaamszintuigen zijn. We kennen ze uit de zintuigleer zoals Rudolf Steiner die verwoordde als: tastzin, levenszin, evenwichtszin en eigenbewegingszin.
In deartikelen over de zintuigenvind je vele aanwijzingen hoe je deze zintuigen in de opvoeding kan verzorgen. Er zijn vele (oude)spelletjesdie daarvoor heel geschikt zijn.
Hier volgen voorbeelden van wat je binnen en buiten kan doen om de kinderen hun zintuigen te laten oefenen. Voor het jongere kind is dat de allerbeste voorbereiding op het leren!
Het ligt voor de hand dat de nadruk soms eens ligt op het ene, dan weer op het andere zintuig. Meestal zijn het uiteraard combinaties.
Hier zie je allerlei materialen die een verschillende tastervaring geven. Het er ‘zomaar’ overlopen is al heerlijk. Maar je kan er nog meer mee: dan moeten de kinderen een blinddoek voor en via hun voeten ‘weten’ waar ze op staan. Dat ‘verinnerlijkt’ aanzienlijk. Het nadeel van deze opstelling is dan, dat de kinderen op zeker ogenblik weten waar alles ligt en dan is de werking nihil. Je zou dus losse bakken moeten hebben die je verwisselen kan. Die zijn er ook:
Als je hier met een blinddoek loopt, heb je nog houvast aan het touw. Zonder dat zou je misschien over de randen van de bak struikelen, maar dat hoeft niet: het oudere kind – klas 1 of 2 – kan ook dat goed met de voeten aftasten.
Als je hier als kind over loopt, wordt vooral de evenwichtszin aangesproken. Met blinddoek voor is deze al weer een stuk moeilijker.
Deze doet een behoorlijk appel op je evenwichtszin en eigenbewegingszin. Hiermee moet je inschatten waar je moet komen en dan moet je nog je evenwicht bewaren.
Voor de kleineren kan het zo:
Dit is weer een andere vorm van evenwicht oefenen
Een dergelijke balk kun je wanneer de kinderen in de 1e klas wat meer kunnen, bv. op de hoogte van een stoeltje leggen (begin en einde allebei op een stoeltje). Dan heb je een op- en afstapje nodig. Er zullen kinderen voor terug kunnen schrikken. Dan helpt het heel goed als je naast hen blijft lopen, terwijl ze bv. in het begin je hand vasthouden. Na verloop van tijd zullen ze die los durven laten, misschien maar een paar stappen. Hier kan je geweldig stimuleren. Ik had een kind in de klas dat het helemaal niet durfde. Maar hij werd er sterker in en mocht zelf aangeven hoe hoog de balk zou komen te liggen. Hij ‘veroverde’ a.h.w. de hoogte en overwon zijn angst. Hij liep op de hogere balk wel heel krom en ik moest altijd in de buurt zijn. Ik nam een stukje uit een verhaal waarin een koning – met kroon – een brug over moest. De koning(en) moesten natuurlijk koninklijk, d.i. rechtop, de brug over. Ook deze jongen rechtte door de kroon zijn rug. Kortom: het ging steeds beter. Voor de durfallen legde ik de balk op het tafeltje, later op 2 hoog. Natuurlijk altijd met de nodige veiligheidsmaatregelen. Weer op een lagere stand durfden sommigen achteruit of draaiden zich om. Balanceren op 1 been. Zelfs op 1 been voorzichtig springend vooruit! Er is in de 1e klas een heel jaar mee te werken.
Ook hier zijn weer allerlei varianten te bedenken:
.
0
Voor de evenwichtszin zijn deze blokken uitstekend; ook te maken van conservenblikjes:
Een trapje moeilijker zijn de stelten, die vaak een lage en een hogere opstap hebben:
De zintuigleer van Rudolf Steiner gaat niet uit van vijf, maar van twaalf zintuigen. Vier hiervan – de tastzin,levenszin, bewegingszin en de evenwichtszin – vormen de zogenaamde ‘onderste’ zintuigen, die je informeren over je eigen fysieke toestand. Na de tast- levenszin en evenwichtszin nu een bespreking over het functioneren van de bewegingszin.
.
Schaatsen! Dit jaar weer een voorbije droom. Jammer, want eigenlijk is schaatsen toch wel dé manier om Nederland te leren kennen. Wie zelf niet schaatst voelt zich desondanks vaak betrokken bij de typisch Nederlandse beweging die een echte winter met zich meebrengt. Het daarbij behorende vallen en opstaan wordt zelfs, onze handelsgeest getrouw, door een ieder vlot in klinkende munt vertaald: als je valt heb je een dubbeltje verdiend! Wie wel zelf schaatst kent het pure genieten van de beweging op zich, het gevoel van vrijheid dat veroverd werd dankzij een ooit moeizaam ingeprente, elk schaatsjaar opnieuw geoefende, maar dan ook bijna tot perfectie uitgevoerde wijze van voortbewegen. De volmaakte balans van een beheerst bewegend en zelfverzekerd schaatser is een fascinerend schouwspel. Die schaatser zelf ziet zijn bijna moeiteloze beweging beloond met een ervaring die niet in een optelsom van dubbeltjes uit te drukken valt: hij beweegt zoals hij wil, en leert daarin zijn beweegreden kennen in ruimere zin dan het kader waarin zijn schaatstocht staat. Misschien heeft zijn tocht een doel, misschien ook niet, hoe dan ook gaat het daar niet om: hij ervaart, al schaatsend, vooral zijn eigen beweging en daarin zijn wil om op weg te zijn. De tentoonstelling ‘Winter in Holland’ die de afgelopen maanden* in het Brabants Museum (’s Hertogenbosch) te zien was trok een record aantal bezoekers: in zes weken werd het aantal gehaald waar anders zes maanden voor nodig zijn. Hoewel het moeilijk aantoonbaar is, zou dit op een vorm van nostalgie kunnen wijzen waarvan het mij niet onwaarschijnlijk lijkt dat ervaring met schaatsen daarin een rol speelt. Hoeveel bezoekers van die tentoonstelling hebben zich ter plekke hun eigen vallen en opstaan, hun eigen ontmoeting met het Nederlands landschap… en met zichzelf, herinnerd? Dat laatste vooral lijkt me van belang: het functioneren van de bewegingszin op zich onttrekt zich goeddeels aan ons bewustzijn, maar door een beweging bewust te leren beheersen, ontmoet je jezelf. Voorwaarde is dan wel dat dit gebeurt in een kader dat door jezelf als zinvol ervaren kan worden. Er is alle reden om negatieve effecten te vrezen als dit niet het geval is: lopendebandwerk bijvoorbeeld, en vormen van dansen die tot mechanisch uitvoeren van een opgelegde beweging worden, zullen weinig bij kunnen dragen tot het beleven van de eigen beweegredenen en juist vervreemdend ten opzichte daarvan werken.
Het op de juiste wijze aanspreken en oefenen van de bewegingszin is van het grootste belang, niet alleen met betrekking tot fysieke gegevenheden. Wat wij bijvoorbeeld geneigd zijn te beschouwen als visuele waarneming, wordt in sterke mate meebepaald door levenszin, bewegingszin en evenwichtszin. Bij kinderen kun je dat duidelijk zien, als ze rennend, dansend, kortom bewegend, een ruimte verkennen. De volwassene zal eerder geneigd zijn een hem onbekende ruimte zonder zichtbaar te bewegen op zich in te laten werken, maar innerlijk beweegt hij met vorm en verhoudingen mee. Ook in de omgang met de ander speelt de waarneming van eigen (innerlijke) beweging mee in onze beoordeling van de situatie. Een gesprek is ruimte waarin je in meerdere of mindere mate bewegen kunt.
Dat het alleszins de moeite waard is om ook aan de bewegingszin alle kans te geven om ingeschakeld te worden zal duidelijk zijn. Bij kinderen is de behoefte daaraan op bijna elk moment zo zichtbaar aanwezig dat de opvoeder er als vanzelf aan tegemoet komt. Van simpele grijpoefeningetjes naar ‘klap eens in je handjes’ en, wat later, ‘wie komt er in m’n huisje?’ Daarop volgt een onuitputtelijk aantal zang-, dans- en bewegingsspelletjes waar ze nooit genoeg van lijken te krijgen, en die ook werkelijk belangrijk voor ze zijn. Houdt het bij het toegroeien naar volwassenheid op? Zeker niet. Het blijft zaak de bewegingszin niet alleen als een gegevenheid te beschouwen, maar het oefenen ervan bewust voort te zetten. Daartoe staan vele wegen open. Wandelen, fietsen, elke vorm van lichaamsbeweging biedt, zolang er geen verblinding door prestatiedwang optreedt, in principe de mogelijkheid om de eigen beweging als waarnemingsinstrument te scholen.
Ook elke vorm van kunstzinnig bezig zijn is natuurlijk een goede weg. Hoe gebondener de beweging (bijvoorbeeld bij het bespelen van een muziekinstrument, bij euritmie, bij arceren) hoe duidelijker de rol van de bewegingszin. Dan valt ook bij een ander soms uiterlijk waar te nemen hoe de bewegingszin als informatiebron functioneert. Kijk naar de handen van een geconcentreerd pianist, een fluitspeler, de aandacht waarmee het instrument aangeraakt wordt. Je kunt je voorstellen hoe door de uitvoerder datgene wat uitgedrukt wil worden mede via de beleving van de eigen beweging verstaan wordt. Er vindt een omkering plaats waarbij de beweging zelf zich lijkt te gaan uitspreken. Probeer maar eens rustig te gaan zitten arceren. Het vraagt geduld en concentratie om de schuine streepjes regelmatig op papier te krijgen, maar na een poosje gaat het bijna vanzelf, en dan komt er ook ruimte voor waarneming via de beweging, en mogelijk ontstaat er, ten slotte ook op het tekenpapier, een beeld. Welke beweging ook geoefend wordt, steeds opnieuw zal kunnen gebeuren wat hierboven als effect van het schaatsen beschreven werd: in de beheerste beweging leert de mens zijn eigen doel, zijn persoonlijke streefrichting kennen. Hij komt in contact met wat hij eigenlijk wil. Tezelfdertijd ontwikkelt hij een steeds verfijnder waarnemingsinstrument dat wel degelijk ook op de buitenwereld gericht kan worden.
De schaatser ontmoet niet alleen zichzelf, hij leert ook zijn land op een zeer wezenlijk niveau kennen. Zo ook de vogelwaarnemer die een vogel niet alleen vanuit het zien en horen, maar vanuit het meebeleven en herkennen van het voor die ene vogel karakteristieke bewegingspatroon herkent: hij dringt diep door in wat door F.H. Julius in zijn boek Dier tussen mens en kosmos ‘het beeldweefsel van de natuur’ genoemd wordt, en legt daardoor een heel eigen verbinding met zijn omgeving.