.
Lili Chavannes, Jonas 11., 27 januari 1978
.
AUTORITEIT EN GEZAG
KINDEREN ACCEPTEREN ZOALS ZE ZIJN
.
‘Wie let op wat een kind van deze leeftijd – tussen zeven en veertien jaar -werkelijk vraagt, oefent vanzelfsprekend autoriteit uit omdat hij merkt dat het kind diep tevreden is als het gehoorzamen mag. Maar veel tijdgenoten passen datgene wat voor volwassenen juist is, toe op alle leeftijden. De volwassene moet in vrijheid een oordeel kunnen vormen als hij daarvoor voldoende grondslagen krijgt in kennis van feiten en omstandigheden en de verwerking onder de knie krijgt. Maar het kind is geen kleine volwassene en heeft geen oordeelsvermogen. Als het kind beneden veertien jaar oordeelt, doet het dat uit wat het van de omgeving opneemt aan gedachten, emoties, gewoonten. Het kind laten oordelen voordat het veertien jaar is, betekent de grondslag te leggen voor een onvrij oordeel in het latere leven’.
Vooral dit stukje uit het veelomvattende artikel over het Kind tussen zeven en veertien jaar van J. Knijpenga in het kerstnummer van Jonas* zette mij aan het denken. In de kerstvakantie heb ik er meer over gelezen en vooral heb ik geprobeerd na te gaan hoe ik voel en handel in dit opzicht tegenover onze kinderen. Vanzelfsprekend autoriteit uitoefenen blijkt me niet makkelijk af te gaan.
In bijna alle voordrachten van Rudolf Steiner over de leeftijdsperiode tussen tandenwisseling en puberteit wordt de kwestie van autoriteit en gehoorzaamheid aan de orde gesteld. Auroriteit is het steekwoord voor de opvoeder van het kind tussen zeven en veertien. Het woord autoriteit heeft in onze tijd een negatieve blijklank en dit op zichzelf is al symptomatisch. Gezag heeft voor mijn gevoel een betere klank, er klinkt in mee dat het uit de kern komt van wie het uitoefent. Als bijvoegelijk naamwoord is hij nog duidelijker: ‘hij spreekt met gezag’ betekent iets heel anders dan hij spreekt autoritair. Van de opvoeder tegenover het kind wordt gezag gevraagd, ik-vervuld, echt.
Als een kind gehoorzaamt, leeft ‘op gezag’ van zijn ouders of opvoeder, hoeft het niet direct zijn eigen oordeelsvermogen aan te spreken, het hoeft niet zijn eigen weg te kiezen. Dat is niet goed voor hem. Het klinkt nogal apodictisch. Waarom niet? Waarom moet een kind niet te vroeg, niet vóór ongeveer z’n twaalfde jaar oordeelsvermogen ontwikkelen? Het is in tegenspraak met de gangbare opvattingen van onze tijd, waarin kinderen zo vroeg mogelijk tot zelfstandigheid opgevoed moeten worden. Het vormen van een eigen oordeel, het leren kiezen, wordt juist op alle mogelijke manieren aangemoedigd en niet alleen door de manier waarop de leerstof wordt aangeboden, vaak met een multiple choice systeem. Ook door het speelgoed en dan vooral het zogenoemde verantwoorde speelgoed dat immers dikwijls ontworpen is op grond van heersende pedagogische opvattingen – meer dan menig ander lelijk, maar betrekkelijk onschuldig plastic auto of pop.
En wat doet bijvoorbeeld een puzzel? Als iets het oordeelsvermogen aanspreekt is het wel een puzzel. Stukje voor stukje beoordelend op vorm, kleur en voorstelling moet het kind er een geheel van maken, waarvan hij innerlijk geen beeld heeft – hoogstens een plaatje als voorbeeld. Alle stukjes op zich zijn nietszeggende fragmentjes waarvan je niet kunt zien wat erop afgebeeld wordt. Hoe moet een kind zich daarmee verbinden? Ja, het ene stukje is hem liever dan het andere, maar helemaal niet op grond van bruikbaarheid, maar omdat het hoofd erop staat of iets anders dat als beeld herkenbaar is. Wat kan je als volwassene ongeduldig worden als je ernaast zit en het hem toch zélf wilt laten doen. Vinden kinderen puzzelen leuk? Vaak wel, maar dan: hoe bepalend is dat criterium?
Anti-autoritair
Behalve in de school en de speelgoedwinkel hebben ook bij bewuste ouders in het begin van de zeventiger jaren verlichte, anti-autoritaire ideeën opgang gemaakt. Men is ervan teruggekomen, dat wel, maar toch heeft deze korte golf diepe invloed gehad op de houding van ouders tegenover hun kinderen. Of je wilt of niet, je bent erdoor beïnvloed en dat heeft op zijn minst een stuk onzekerheid in dit opzicht bewerkt. Hierop kom ik later terug. Vanzelfsprekend ligt de zaak voor mij niet.
Zoals ik al schreef heeft Rudolf Steiner veel over dit onderwerp
gesproken. Vooral de volgende gedachte trof me en maakte me enthousiast. Wil het oordeelsvermogen opbouwend en gezond kunnen functioneren bij de volwassen mens, dan moet het in nauwe verbinding staan met de liefdekrachten in die mens; oordeelsvermogen en vermogen tot liefde moeten als het ware in dezelfde laag aangelegd zijn om zo bevruchtend op elkaar in te kunnen werken. Een oordeel, kritiek, is alleen dan terecht als het gedragen wordt door wel-willendheid. Een oordeel zonder liefde breekt af, is vernietigend, doet afbreuk aan wat beoordeeld wordt en uiteindelijk ook aan jezelf.
Het oordeelsvermogen dat te vroeg aangesproken wordt, vóór het twaalfde jaar, wordt dan aangelegd in een ontwikkelingslaag van het kind, waarin de liefdekrachten nog geen actieve rol spelen. Het oordeelsvermogen, dat in die periode al ontwikkeld wordt, krijgt dan te maken met nog ongeremde levenskrachten, die sterk op het eigen ik geconcentreerd zijn. Dan bestaat het gevaar dat in het oordeelsvermogen een stuk destructiviteit mee aangelegd wordt. Ondertussen is er een verschil tussen oordeelsvermogen en oordeelskracht. Oordeelsvermogen, en dat wordt in het bovenstaande steeds bedoeld, is het vermogen om je juiste oordelen te vormen en daarvoor je goede gronden te hebben. Dan is de vraag: ‘wat vind je er zelf van, en waarom?’ De oordeelskracht is de kracht waarmee ja of nee gezegd wordt, de kracht waarmee je je met een bepaald oordeel verbindt, ongeacht de juistheid ervan. Dit laatste moet wel ontwikkeld worden door het kind tussen zeven en veertien. Het is een uiting van geestelijke levenskracht en wordt sterk aan duidelijke beelden, zoals die bijvoorbeeld in de volksprookjes en ook in veel verhalen uit het Oude Testament te voorschijn komen. De heks, de wolf zijn het kwade, van top tot teen. De koning, de prins of prinses daarentegen zijn het goede. Er is geen grijs middengebied waarin juiste oordelen gevormd moeten worden om de goede weg te kunnen kiezen. De keus is opperduidelijk. Het zijn sterke beelden, waaraan de kracht van het oordeel groeien kan.
Ja of nee ontwikkelen
Samenvattend kan je zeggen dat tussen tandenwisseling en puberteit het erom gaat, de kracht waarmee het kind ja of nee zegt te ontwikkelen: de inhoud ervan is nog niet belangrijk. Dit gebeurt door het kind krachtige afgeronde beelden voor ogen te stellen die het in hun geheel kan aanschouwen, overzien. Pas in de volgende levensperiode, als de puberteit begint, komt de inhoud van het oordeel en het waarom ervan aan de beurt. De liefdekrachten, die dan ontwaakt zijn, verbinden zich met het groeiend oordeelsvermogen en maken het oordeel opbouwend, waar.
Tot zover de denkmatige omspelingen van het citaat uit Knijpenga’s artikel. Nu volgen nog wat meer gevoelsmatige reacties en een poging, die te verwoorden. Waarom houdt het me zo bezig? Wat roept het bij me op? Enerzijds enthousiasme: voelen dat je warm loopt voor iets dat je als waar herkent, dat met jou te maken heeft, omdat je er nu aan toe bent. Aan de andere kant ook veel vraagtekens en een gevoel van verwardheid over waar de praktijk van de dagelijkse omgang met je kinderen nu eigenlijk aanrakingspunten heeft met die aantrekkelijke theorie. Waarom vind ik het zo moeilijk ‘vanzelfsprekend autoriteit uit te oefenen’ ? Niet dat ik het niet graag zou willen, maar het lukt me eenvoudig zo vaak niet. Al zoekend vond ik twee oorzaken.
De eerste heeft te maken met het zinnetje van Knijpenga ‘maar veel tijdgenoten passen datgene wat voor volwassenen juist is, toe op alle leeftijden’.
Vooral de vrouw komt, als ze kinderen krijgt, in een totaal andere
situatie. Daarvoor een leven tussen volwassenen, daarna, vooral de eerste tijd, een tamelijk geïsoleerd bestaan tussen kinderen. De oordelen, wat is goed ? wat is verkeerd? die je je vormt, worden in het verkeer met volwassenen vaak samen gedragen; je zoekt gelijkgestemde mensen op en wisselt daarmee van gedachten. Je steunt op een stukje collectiviteit. In de eerste tijd met je kleine kinderen ben je veel alleen. Contact met vrouwen in dezelfde situatie zoek je op, maar blijkt vaak schaars te zijn. En wat gebeurt er? Je gaat praten met je kinderen alsof het volwassenen zijn, je overlegt met ze over deze mogelijkheid of die, zonder je te realiseren dat jij degeen bent die het overzicht hebt het juiste oordeel te vormen, en de kinderen niet. Al heel vroeg begint dat. Wil je appelstroop of pindakaas? Thee of limonade? Zullen we deze kant opgaan of die? Het maakt hen in feite niets uit, ze vinden allebei even lekker, even fijn.
Jezelf
Eigenlijk stel je de vraag niet aan de kinderen, maar hardop aan jezelf. Het is moeilijk om de verantwoordelijkheid echt helemaal alleen te dragen, jezelf de vraag innerlijk te stellen, de voor- en nadelen af te wegen en te doen wat je het beste lijkt. ‘Willen jullie naar het Amsterdamse bos of naar het Thijssepark?’ vraag ik hardop en denk zelf na wat het beste is: zijn ze toe aan bloemen bekijken of aan lekker uitwaaien? En als ik dan tot een andere keuze kom dan de kinderen, zijn de poppen aan het dansen en heb ik mezelf in een moeilijk parket gebracht. Je komt voor de dag met je mooie argumenten, maar wat maken die nu voor indruk op de kinderen? Zij kozen het Thijssepark – voor hun vandaag het fijnste: geen bloemen kijken, maar lekker op de bruggetjes stampen.
Dat is het eerste: helemaal alleen moet je oordeelsvermogen opbrengen, zeker in die situaties die het kind niet kan overzien of waarin hij niet vrij is om te kiezen – omdat ik de keus eigenlijk al gemaakt heb. Pindakaas of appelstroop? Maar de appelstroop zit al op m’n mes – ja en dan wil ze natuurlijk pindakaas!
Autoriteit
Het tweede is moeilijker onder woorden te brengen. Het heeft te maken met het verschil in klank tussen autoriteit en gezag. Bij het woord autoriteit zie ik, enigszins overdreven, een streng gezicht en een wijzende of vermanende vinger. De politieagent: zo moet jij het doen, maar ik sta boven de wet.
Dat dit niet de goede manier is om met kinderen om te gaan is duidelijk. Zo duidelijk, dat de neiging tot anti-autoritair opvoeden begrijpelijk wordt. Niet alleen in de cultuur, maar ook bij jezelf. Alles lijkt beter dan op deze manier, jezelf buiten schot houdend, autoritair zijn. Maar de stap van het anti-autoritaire ideaal – het respecteren van het kind in zijn individualiteit en vrijheid – naar ‘laat hij het zelf maar uitzoeken, laat hem z’n gang maar gaan’ is klein en vlug gezet. Het makkelijke ervan is, zo in negatieve zin opgevat, dat je niet zelf mee hoeft te doen. Je kunt zelfs iets anders doen!
Hier ligt het verschil met gezag. Iemand die voor mij gezag heeft zie ik op de rug, niet met een wijzende vinger, maar zelf bezig met waarin hij gezag heeft.
Wil je vanzelfsprekend gezag uitoefenen tegenover je kinderen dan vraagt dat een onvoorwaardelijk engagement, een onvoorwaardelijk je begeven in de relatie tot dat kind en in de situatie waarin het staat. Je kunt niet buiten schot blijven.
Iemand kwam me ophalen, ’s avonds om acht uur. Ze was nog vergeten iets te zeggen en vroeg of ze naar huis mocht opbellen. ‘Ja Maarten, met mamma. Ik ben nog vergeten je te helpen herinneren aan je medicijn.. .acht korrels uit het doosje op de kast.. .met een slokje water.. .als je nu de telefoon neerlegt ga je naar de kast, je pakt het doosje en je neemt acht korrels.. .niet eerst iets anders doen. Dag, slaap lekker.’ Ik zag dat ze niet hier was, aan mijn telefoon, maar daar, naast haar zoon en hem begeleidde in wat ze van hem vroeg. En ik denk dat hij het inderdaad gedaan heeft.
.
*Niet op deze blog
Opvoedingsvragen: alle artikelen
Ontwikkelingsfasen: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: alle beelden
.