Tagarchief: 3e klas heemkunde

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (31)

.

WAPENS

.

leven O.T. 136

1. Hethiet
Deze krijgsman heeft een volle baard, maar geen knevel. Kenmerkend is de zeer lange neus. Het lange hoofdhaar is in een haarvlecht in de hals (a). De hoge spitse muts (b) heeft een versierde rand: het voor- en achterstuk eindigt in een hoorn (c). Het bovenlichaam is bedekt met een hemdrok (d), daarover met brede gordel een schort tot over de heupen. Aan de voeten heeft hij schoenen (e), die naar voren snavelvormig uitloopen. Als wapen heeft hij een zwaard (ƒ), een lange speer (g) en het Pontische schild (h).]\

leven O.T. 137

2. Hethietische strijdwagen
Aangenomen wordt, dat de strijdwagen in Israël via de Hethieten is gekomen (vgl. 1 Kon. 10 : 29). Er stonden drie personen op de strijdwagen: de paardenmenner (a) de schilddrager (b) en de eigenlijke kampvechter (c). (Daarentegen hadden de Egyptenaren maar twee personen op de wagen). De derde man was dus de voornaamste; merkwaardig is het, dat het Hebreeuwse woord voor ,hoofdman” (bijv. in 2 Kon. 7 : 2; 9 : 25) wel als „derde man” verklaard wordt.

leven O.T. 138

3. Egyptische wagen (prinsen uit het huis des konings in hun wagens).
De wagen bood plaats voor twee personen; soms echter (gelijk in de tweede wagen) zijn er drie mannen: degene, die de paarden ment en twee personen; maar dit was zelden het geval, behalve in triomfstoeten, wanneer twee prinsen de koning volgen in hun wagen.

leven O.T. 139

4. Dolk en schild uit Sichem 
Fellahs (boeren) uit Balata hebben aan de voet van de berg Ebal ongeschonden graven gevonden. De vondsten hieruit zijn bronzen voorwerpen, wapens en sieraden. Het belangrijkste van deze voorwerpen is een groot sikkelvormig zwaard: koper ingelegd met goud; een prachtstuk, dat, wat techniek betreft, de invloed van Egyptische kunst vertoont. De technische term voor dit wapen is het Grieksche woord harpè. Nu heeft men zulke pronkwapens als het afgebeelde ook wel gevonden in het graf van de vorst van Byblos (het Bijbelse Gebal; Ezech. 27 : 9). Het zijn pronkwapens uit de graven van koningen of vorsten en het is wel opmerkelijk, dat reeds de eerste vondst uit de heuvel van Sichem een dergelijk pronkstuk heeft opgeleverd (Prof. Böhl). Van de harpè ontbreekt het handvat. — De dolk is gemaakt van brons.

leven O.T. 140

5. Zwaar bewapende Israëliet
(naar een schilderij van Tj. Bottema in de platenserie van Prof. J. de Groot) met a. schild, b. speer en helm.

leven O.T. 141

6. Lichtbewapende Israëliet
(naar een schilderij van Tj. Bottema in de platenserie van Prof. J. de Groot) met a. slinger, b. pijlkoker.

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1148-1069

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (30)

.

STRIJDMIDDELEN

leven O.T. 1251. Zeeslag der Egyptenaren tegen de Filistijnen
Rechts staat de Farao Ramses III (1198—1167) als boogschutter. Over het korte schort draagt hij een lang bovenkleed, waarvan de onderzijde maar door een enkele lijn is aangegeven. In de onderste rij worden Filistijnen als gevangenen weggevoerd. Daarboven zijn drie rijen van schepen. De Egyptische schepen hebben roeiriemen. De Filistijnsche schepen missen roeiriemen; het zijn zeilschepen; de zeilen zijn (evenals op de Egyptische schepen) gereefd. De Filistijnen hebben als wapen dolken en lansen: zij kunnen dus alleen vechten op korte afstand. De kunstenaar heeft door de vele pijlen rechts willen aantoonen, dat de overwinning voor de Egyptenaren verzekerd is.

leven O.T. 126

2. Thoetmosis IV in de slag
De koning staat vol majesteit op zijn strijdwagen, die getrokken wordt door twee steigerende hengsten. Boven het hoofd van de koning is de giergodin Nechbet (a); de koning is in „de schaduw der vleugelen”. De Farao heeft in de ene hand een strijdbijl (b); in de andere een boog (c); hij draagt twee pijlkokers; aan de bovenarm draagt hij armringen. Hij drijft de vluchtende Aziaten met hun typische volle baarden voor zich uit; zij hebben als wapens pijlen en bogen, dolken; zij trachten zich te beschermen door rechthoekige schilden, maar hun „schilden, bogen, dolken” kunnen hen niet bevrijden.

leven O.T. 1273. Egyptische soldaten uit de tijd van Ramses III (1198—1167)
Zij dragen lans, schild en zwaard. Het Egyptische schild (a) is lang, onder recht, boven afgerond. De soldaten zijn afwisselend bewapend met dolken of sikkelzwaarden; de 1e en 6e man (misschien „korporaals”) dragen een stokje. Er is in de Bijbel sprake van verbranden der schilden („het schild van Saul, niet meer „gezalfd” met olie 2 Sam. 1 : 21) vgl. Jesaja 21 : 5. Daaruit kan men afleiden dat de schilden der Israëlieten, evenals van andere volken, bestonden uit hout met leer overtrokken, of uit enkele lagen leer op elkander. Het zwaard en de lans behoren tot de uitrusting van zwaarbewapenden.

leven O.T. 1284. Egyptisch schubbenpantsier
Het pantsier behoorde oorspronkelijk niet tot de uitrusting van de doorsnee man, maar werd gedragen door vooraanstaanden (Goliath 1 Sam. 17 : 5; Saul 1 Sam. 31 : 4; Achab 1 Kon. 22 : 34). Pas Uzzia bereidde voor het hele leger pantsieren (2 Kron. 26 : 14). De pantsieren van de soldaten waren een soort leren jukken door metalen plaatjes bedekt.

leven O.T. 1295. Ramses II verovert Askelon
De stad is omgeven door een dubbele muur (a, b). De Egyptenaren rukken op: zij dragen ovale schilden, (c). In het middenvak ziet men de poort (d) een soldaat slaat met een bijl (e) de houten deur. Rechts en links zijn stormladders (ƒ) een soldaat gaat naar boven met de dolk (g) in de hand en het schild op de rug. De mannen op de bovenste muur houden de handen omhoog; zij smeeken om genade; de man links houdt al een brandend rookvat (h) in de hand als teken van onderwerping. De man rechts laat zijn kind, de man links laat zijn vrouw van de muur af vallen.

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1142-1063

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament – (28)

.

KARAVANSERAI OF HERBERG

leven O.T. 124Karavanserai of herberg 
In het Oude Testament is op enkele plaatsen sprake van een herberg of karavanserai, waar men overnacht (Gen. 43 : 21; Ex. 4 : 24; Jeremia 9 : 2). In het Evangelie van Lukas lezen wij in het kerstverhaal dat „voor hen lieden geen plaats was in de herberg” (Luk. 2:7). Een karavanserai is een groot, vierkant gebouw, rondom een binnenplaats waar hier gezadelde kamelen zijn; op de binnenplaats is meest een overdekte put, waar de lederen zakken gevuld kunnen worden. Deze karavanserai heeft om de binnenplaats een zuilengalerij: onder de bogen ziet men de dieren. Een stenen trap (d) leidt naar boven: op een vloer van houten balken is daar een verdieping (a) waar kleine kamertjes zijn als logeervertrekken in de herberg voor de reizigers. Over de balustrade hangen matrassen, die als „bedden” gebruikt kunnen worden.

Wat nu de herberg betreft, bedoeld in Lukas 2 : 7, daarover zijn de meningen verdeeld. Wij lezen in het boek van I. Snoek, In Bethlehem en Nazareth (bl. 149, 150): „Sommigen denken bij dit „herberg” aan de gewone oosterse herberg. Volgens hen konden Jozef en Maria geen plaats vinden in het overdekte gedeelte, en moesten zij een plek zoeken op het open stuk, in de binnenhof. De meeste uitleggers verwerpen deze opvatting. Wat is dan wel de betekenis van herberg in Lukas 2 : 7. Daarbij zijn er 3 opvattingen:

a. De herberg zou zijn het huis, waar Jozef als Bethlehemiet eigenaar van was, en dat tijdens zijn afwezigheid tijdelijk aan anderen verhuurd was. Bij Jozefs terugkeer in Bethlehem nam hij daar toch tijdelijk zijn intrek; het was zijn herberg. Toen voor Maria de ure kwam, kon zij in het overvolle huis niet blijven; zij trok zich terug in dat deel van het gebouw, dat als stal gebruikt werd.

b. Elk huis, waar een vreemde tijdelijk zijn intrek nam, was voor hem een herberg. In Lukas 2 : 7 moeten wij denken aan een gewone fellahwoning. In zulk een boerenwoning is een verhoogd deel, waar de mensen, en een lager deel, waar de dieren verblijf houden. Daar, in dat lagere gedeelte, zou voor Jozef en Maria een plaatsje zijn geweest. Aan weerszijden van het trapje, dat naar boven leidt, zijn voederbakken (plaats 5; 2c); één daarvan zou de kribbe geweest kunnen zijn. — Beide groepen van uitleggers leggen er de nadruk op, dat vers 6 zegt: „als zij daar waren”; niet „als zij daar kwamen”. Maria en Jozef kunnen vóór de geboorte al geruime tijd in Bethlehem vertoefd hebben, en dan is het verblijf in een huis voor de hand liggend.

c. De voorstelling der traditie: de geboorte had plaats in een grot, als schaapskooi gebruikt. Het is in Palestina niets ongewoons, dat mensen de nacht in een stal doorbrengen; zulk een warme stal was een betere verblijfplaats voor Maria in de toestand, waarin zij zich bevond, dan de herberg. Wanneer wij ons houden aan de traditie, kunnen wij ons de gang der dingen als volgt voorstellen: Jozef en Maria komen in Bethlehem. Alle huizen zijn vol. Ook in de herberg is geen plaats. Men wijst hen de grot, als schaapskooi benut. Voor deze opvatting pleit, dat de engel straks tegen de herders zegt, dat zij het kindeke zullen vinden in de kribbe, de hun bekende kribbe, in de stal, waarheen zij gewoon waren hun schapen te drijven. Zo zegt ook Dalman:. „De oeroude traditie kan zeer wel het juiste getroffen hebben.”

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1129-1050

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (27)

.

ANDERE MIDDELEN VAN VERVOER

leven O.T. 1191. Vrouwen op reis
Assyrisch relief uit het paleis van Sanherib. De bekende geleerde Alfred Jeremias geeft dit plaatje om aanschouwelijk te maken, hoe men zich voorstellen kan de reis genoemd in Gen. 12 : 6. En Abraham is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem. Oorspronkelijk waren de wielen één rond hout; van later tijd zijn pas de spaken in de wielen. Uit die latere tijd zijn ook deze tweewielige wagens; de bouw ervan geschiedde door wagenmakers, welke vooral onder de Elamieten gevonden werden. De twee vrouwen voor dragen beide een sluierkap, maar het gelaat is onbedekt; een ervan heeft een kruik.

leven O.T. 1202. Filistijnsche ossenkarren
De Filistijnen zijn herkenbaar aan hun vederhelm (a) die met een snoer of band bevestigd is; aan de helm is verbonden een halsbedekking. De Filistijnen zijn gewapend met lansen (b) en dolken (c). Zij worden hier voorgesteld in strijd met Egyptenaren. Het schild (d) der Filistijnen is rond. De ossenkarren (e) waarop vrouwen en kinderen zich bevinden, worden door vier ossen getrokken. De wagen of kar is vierhoekig, gemaakt van hout, of gevlochten takken. Als wielen dienen ronde houtschijven (ƒ). De vrouwen in de wagen houden de kinderen omhoog, smeekend om erbarmen. Dat een Filistijnsche wagen van hout is (1 Sam. 6 : 14) en door runderen wordt getrokken, vindt men ook in het bekende verhaal over de terugkeer van de ark (1 Sam. 6:7).

leven O.T. 1213. Wagens van Takkari
(een Aziatisch volk in de berichten der Egyptenaren). Zij rijden in karren met zware schijfwielen (a) getrokken door een vierspan ossen (b). De ene drijver met de stok in de hand drijft de ossen aan; de ander, die achterom ziet heeft een rond schild (c). De wagen is met een vierkante houten wand omgeven. In de wagen staat een vrouw, die een kind aan de bovenarm vasthoudt.

leven O.T. 122

4. Zadels van de kameel
Reeds in de dagen der aartsvaders is sprake van gezadelde kamelen (Gen. 37 : 25). De koningin van Scheba kwam te Jeruzalem met een zeer zwaar heir, met kemelen, dragende specerijen (1 Kon. 10 : 2). Behalve van lastkemelen spreekt de Bijbel ook van snelle kemelen (Jesaja 66 : 20; 60 : 6). Gewoonlijk legt een rijkameel 5—6 km. per uur af en loopt dan 8 tot 10 uur per dag en dat weken lang. Dat houdt geen paard vol. Om de last goed op te laden, wordt gebruik gemaakt van eigenaardige zadels; twee lange stokken aan weerszijden van het dier dienen om het draagvlak te vergroten. De kameelzadels worden dikwijls bewaard in de vrouwenafdeeling van de tent (Gen. 31 : 34).

leven O.T. 1235. Weg tussen steenmren
De handelslieden trokken langs grote internationale karavaanwegen (Genesis 37 : 25) en de eenzame reiziger langs een holle weg (Numeri 22 : 24) die door de wijngaarden loopt met een muur aan deze en een muur aan gene zijde. Tuinen, boomgaarden, wijngaarden en soms de groepen olijfbomen en vijgebomen zijn omsloten door een muur (a) (jedar). De jedar wordt opgebouwd van onbehouwen stukken steen. Deze los-ongestapelde muren zijn vaak vol stoffige gaten, die welkome schuilplaats voor slangen bieden (Prediker 10 : 8). De jedar wordt in de Bijbel gebruikt als beeld van Gods bescherming (Ezra 9 : 9; Micha 7 : 11); het deel van de goddelozen vergelijkt David met een muur die door de winterstormen is vernield (Ps. 62 : 4).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1125-1046

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (26)

.

KLEDING

leven O.T. 1111. Arabische sjeik
Deze Arabier draagt de wijde mantel met lange mouwen, de z.g. kumber (a). Hij heeft de hoofdbedekking der Bedoeïenen, een grote grijswitte, vierkante doek, die tot een driehoek is gevouwen, de z.g. keffiyeh (b). Een dik snoer of agaal (c) van wol of in elkaar gedraaide bokkenharen houdt de doek op het hoofd vast.

leven O.T. 1122. Herder uit het gebied bij Bethlehem
De herder draagt een onderkleed (a) en daarover de mantel of kumber (b); het onderkleed wordt vastgehouden met een gordel (c); op het hoofd heeft hij de keffiyeh (d) omsnoerd door een agaal (e). Op de scherpe verweerde steenbrokken loopt hij de voeten geschoeid met een soort sandalen (ƒ). Boven de gordel houdt hij in de armen een jonge geit met lange afhangende oren (vgl. Amos 3 : 12); de geit heeft lang zwart haar (verg. Hoogl. 6:5).

leven O.T. 1133. Aartsvaderlijke verschijning met mantel en stok
De man draagt een onderkleed (a) samengehouden met een gordel (b). Het onderkleed heet in de Statenvertaling wel rok (Gen. 37 : 3). Over dit kledingstuk is een bovenkleed (c) (opperkleed Deut. 22 : 12). ’s Nachts wikkelden de armen en de herders er zich in (Jer. 43 : 12) daarom mocht het niet langer dan tot de avond verpand zijn (Deut. 24 : 13). Bij de arbeid werd het veelal afgelegd (Matth. 24 : 18; Hand. 7 : 58). De hoofddoek (d) is een om het hoofd gewikkelde lap. Hij draagt eenvoudige sandalen met riemen (e). De staf (ƒ) van een manslengte voltooit de uitrusting van de man (Gen. 38 : 18).

leven O.T. 1144. Joodse gevangenen in lange hemdrok
De twee vrouwen (a, a) dragen een sluierdoek (b) die van het hoofd tot de enkels reikt. In de regel was de sluier open en bedekte het gelaat niet (Gen. 12 : 14; 24 : 15, 16); wilde men dat dit geschiedde, dan hield de vrouw die sluier voor het gezicht met de handen samen (Gen. 24 : 65). — Deze vrouwen dragen deze over de hemdrok (c; dat ook de mannen dragen, d). De hemdrok heeft korte mouwen (e). Wanneer men snel moest gaan, werd het aan de voorzijde opgebonden („gord uw lendenen” 2 Kon. 4 : 29) of „de lendenen opgeschort” (Exodus 12 : 11).

leven O.T. 1155. Boerenvrouw uit Samaria
in een wit lang kleed met lange mouwen, tob, (a), witte hoofddoek (b) en daarbovenop een draagring (c) om de waterkruik op het hoofd te dragen.

leven O.T. 1166. Egyptenaar met lendenschort 
Bij de Egyptenaar en in Babylonië was zeer algemeen het lendenschort (a). De vorm van het lendenschort had ook de zak, een uit geiten- of kameelhaar geweven grove doek, dat als teken van rouw werd gedragen, op de blote huid (Job 16 : 15) soms als enig kledingstuk (2 Kon. 20 : 31) soms onder het opperkleed (2 Kon. 6 : 30).

leven O.T. 117

7. 8. Sandalen

leven O.T. 118

Het schoeisel bestond uit sandalen met riemen (Gen. 14 : 23; Jes. 5 : 27; Mark. 1:7). Gewoonlijk waren deze gemaakt van leer, maar zeer eenvoudig en van weinig waarde (Amos 2 : 6). Wanneer men in huis kwam, werden de sandalen uitgetrokken, eveneens als men een heilige plaats betrad (Exod. 3 : 5; Joz. 5 : 15). Overigens was het barrevoets gaan een teken van rouw (2 Sam. 15 : 30; Ezech. 24 : 17, 23). De oude Assyrische sandalen, die hier afgebeeld zijn waren eigenlijk hielkappen (a), met op de wreef de riemen (b) (de z.g. schoenriemen).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1119-1040

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (25)

.

SCHEPEN

leven O.T. 1061. Filistijnse schepen
De Filistijnse schepen eindigden in een steil opstijgende voor- en achtersteven (a), versierd in de vorm van een zwanenhals (b). Het waren zeilschepen, die niet geroeid werden. De mast (c) heeft een mars of mastkorf (d). Op het onderste schip zijn twee Filistijnse krijgslieden (e); beiden hebben het voor de Filistijnen typische ronde schild (ƒ); de een draagt de eveneens voor dit volk kenmerkende dolk (g) in de rechterhand.

leven O.T. 1072. Fenicisch schip
De schepen hebben een gebogen vorm met nagenoeg gelijke steven. Aan de masten (a) ziet men de raas (b). Veel touwen, waarin de raas hangen zijn eveneens kenmerkend. Het schip heeft een hoog zetboord (plankenhek om het dak) dat bij hoge zee de deklast voor af glijden moet tegenhouden. De scheepsbouw van zulke schepen wordt beschreven in Ezechiël 27 : 5 v.v. Met cypressen van de Senir bouwden zij u al het houtwerk. Cederen van de Libanon namen zij om een mast te maken. Uit de hoogste van Basans eiken maakten zij uw roeiriemen. Bontgewerkt lijnwaad uit Egypte was uw doek om u als zeil te dienen.

leven O.T. 1083. Korenschip uit de dagen van Paulus
„Een korenschip, als waar Paulus mee reisde, stelle men zich niet te klein voor. Er zijn ons opgaven bewaard gebleven van zulke schepen met een inhoud van 2600 ton. Paulus’ schip bood plaats voor 276 man. De romp van het schip vertoonde voor de vorm van een kop, achter die van de staart van een vogel. Midden op het schip stond een grote mast, in de regel van cederhout (vgl. ook Ezechiël 27 : 5), op de voorsteven vond men nog een kleinere mast, tot bevestiging van een kleiner zeil. Het sturen geschiedde met behulp van twee grote roeiriemen, rechts en links aan de achtersteven bevestigd. Op het dek stond een houten huisje voor de stuurman, en een tempeltje met een godenbeeld. Het verblijf van de schipper lag in het achtergedeelte. De passagiers bivakkeerden op het dek.” (I. Snoek).

leven O.T. 1094. Zeelieden aan het werk bij opkomende wind
Een wandschilderij uit Pompeji toont hoe de zeilen werden opgehaald. In het midden is de hoofdmast; deze bestond uit één stuk; tot steun dienden sterke touwen, die van de scheepszijde naar de mars voeren. Aan de hoofdmast is een grote ra; daaraan hangt het zeil; om dat te versterken zijn er over heen genaaid banden van leer, die een hand breed zijn.

leven O.T. 1105. Het verankerde schip,
waarmee Paulus voer, op de morgen van de 14de stormdag. „De Engelse deskundige Smith heeft berekend, dat een schip, varende onder de omstandigheden, waarvan in Hand. 27 gesproken wordt, juist 14 dagen nodig heeft om van Kreta naar Malta te komen (vgl. Hand. 27 : 33 v.v.). Als zij het dieplood uitwerpen geeft het een diepte aan van twintig vademen (37 m.). Even later staan er nog slechts 15 vademen water, 27.75 m. Dat is ondieper. De vrees komt dan op dat het schip ergens op harde plaatsen terecht zal komen. Daartegen nemen de schepelingen hun maatregelen: vier ankers van het achterschip worden uitgeworpen. Vier zijn er noodig, omdat de ankers maar klein zijn, ongeveer 25 kg. En dan moeten de opvarenden wachten tot het dag wordt” (Snoek). De tekening geeft nu het schip in het morgenlicht.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1115-1036

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (24)

.

VAARTUIGEN

leven O.T. 1021. Assyrische goeffa
De Griekse geschiedschrijver Herodotus beschrijft als iets bewonderenswaardigs deze vaartuigen. „De vaartuigen, die zij hebben om langs de rivier naar Babylon te trekken zijn rond van vorm en geheel van leder (a). Want nadat zij bij de Armeniërs, ribben van wilgenhout hebben doen snijden, spannen zij daarover van buiten huiden tot bedekking, bij wijze van een bodem, zonder een achtersteven af te scheiden, of ze in een voorsteven samen te buigen, doch zij maken het vaartuig als een schild, rond van vorm, vullen het geheel met biezen, en laten het dan met waren beladen de stroom afgaan. Het vaartuig wordt gestuurd met riemen (b) door twee roeiers (c) die rechtop staan” (Herodotus I 194; vert. C. M.-van Deventer). Hier zijn echter vier mannen, die zitten. Gewoonlijk was de vracht vaten palmwijn; hier zijn (volgens Unger) schroeven (d) voor het vervoer van stierkolossen. — Deze goeffa’s dienden ook als veerbooten (een stad aan de Eufraat heet veer of overgang nl. Tifsah, 1 Kon. 4 : 24).

leven O.T. 103

leven O.T. 1042, 3. Assyrische kelek; 2. kelek uit de oudheid; 3. tegenwoordige kelek
„Wij weten, dat reeds in de grijze oudheid vlotten, keleks genaamd, gebruikt werden; wij zien ze afgebeeld op Assyrische reliëfs, die bij opgravingen voor de dag komen, en wel precies in dezelfde vorm, als ze nog heden gebruikt worden. Men vervaardigt vlotten van populierenstammen (a), die in de vorm van roosters op elkander gelegd worden. Daar echter de Tigris bij de vele stroomversnellingen dikwijls slechts een zeer geringe diepte heeft, kwam men al in de vroegste tijd op een geniaal middel om deze vlotten zo hoog mogelijk op het water te houden: men bevestigde onder deze populierenroosters een groot aantal met lucht gevulde ramsvellen (b), die maakten, dat het vaartuig bijna op de waterspiegel dreef. Met deze vlotvaart houdt zich een apart gilde bezig, de kelekdji’s (c) die met riemen (d) het vlot bewegen en sturen. Op de kelek is een „arke”, een huisje voor nachtverblijf op reis en voor de goederen.” (I. Guyer, Meine Tigrisfahrt).

leven O.T. 1054. Egyptische schepen
De tekening is een voorstelling uit de geschiedenis van Cheops. Deze wilde dat aan zijn hof een bekwaam tovenaar zou komen. Toen werden barken uitgerust opdat de zoon des konings deze tovenaar halen kon. Bij de ontmoeting worden veel hoffelijke woorden gesproken. De tovenaar wil meegaan en zegt: „Men geve mij een boot om mee te voeren mijn leerlingen en mijn boeken.” Toen gaf men hem twee schepen met hun equipage. Dit tafereel geeft de tekening weer. — De Nijl vermeldde in de oudheid van barken en allerlei andere vaartuigen. In de zangen van Ichnaton wordt het uitgeroepen in „De dag en de wateren”.

De barken zeilen de stroom op en eveneens de stroom af,
Iedere weg is open, omdat gij zijt opgekomen,
De vissen in de rivier springen voor u op,
En uw stralen zijn in het midden der grote zee.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1112-1033

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (23)

.

HET SCHRIFT (2)

leven O.T. 961. Potscherf met opschrift uit Samaria.
Onder een der kamers van het paleis van Achab werd in een rotskelder de hand gelegd op 75 fragmenten vaatwerk met Hebreeuwse opschriften in oud Hebreeuws schrift. Ze zijn geschreven met zwarte inkt met behulp van een kalam of schrijfstift. Deze potscherven zijn een soort van geleibrieven, die de wijn en de oliezendingen voor de koninklijke magazijnen begeleidden. Op deze „brief” staat: in het jaar 15 van Abiëzer aan Asa (zoon van) Achimelech [een consignatie van wijn voor] Baala [die woont in] El Ma’ttan.

leven O.T. 97 2. Ostracon of potscherf uit Teil ed-Doeweir (waarschijnlijk het Bijbelse Lachis)
Het schrift is met inkt geschreven (de inkt volgens het scheikundig onderzoek samengesteld uit een extract van galnoten en roet). Het is een „brief” aan de vestingcommandant van Lachis uit het jaar 588 voor Christus (dus kort voor de inneming door Nebukadnezar (Jer. 34 : 7). De brief is kruiperig.

Aan mijn heer Ja’oesj. Moge Jahwe aan mijn heer goede berichten doen horen, juist nu, juist nu. Wat is uw knecht, die een hond is, dat mijn heer aan zijn knecht denkt? Moge Jahwe diegenen ten verderve voeren, die op iets ingaan, waarvan zij niet weten! [Dat de mindere zich een hond noemt, komt ook in de Bijbel voor; zie 1 Sam. 24 : 15].

leven O.T. 983. Zegel van Gedalja
Dit zegel heeft eveneens het oud-Hebreeuwe schrift; er staat op:

van Gedaljahoe die over het huis (staat)

Het zegel is van Gedaljahoe (Jahwe is groot). Er zijn drie personen met de naam Gedalja: 1. zanger van David (1 Kron. 25 : 3); 2. tijdgenoot van Jeremia (Jer. 38 : 1); 3. zoon van Ahikam (2 Kon. 25 : 22). Deze derde is bedoeld. Hij heeft hier de titel: die over het huis staat, de paleisoverste, het waarnemend staatshoofd.

leven O.T. 994. „Vat” voor het bewaren van brieven
In de dagen van Jeremia werd wel geschreven op „een rol des hoeks” (Jer. 36 : 2) dat men met een mes kon stuksnijden (Jer. 36 : 23). Daarnaast bestond ook het kleitafeltje, waarop de letters werden aangebracht met een griffie (Jes. 8 : 1), een ijzeren griffie (Jer. 17 : 1). Zo moet men ook de koopbrieven voorstellen (Jer. 32 : 10) waarop dan nog een zegelafdruk werd aangebracht (Jer. 36 : 14). Deze brieven werden bewaard in een aarden vat voor brieven (Jer. 36 : 14); een voorbeeld daarvan vindt men in de ‘tekening naar een vondst in Thaänach.

leven O.T. 100

5. Egyptische schrijver:
hij schrijft „een aktestuk” en heeft behalve de „schrijfstift” in de hand, er ook nog een over elk der oren. Schrijvers van beroep, in dienst van vorsten of van kooplieden, komen in de oudheid voor (2 Sam. 8 : 17; Psalm 45 : 2; Jes. 33 : 18; Jer. 36 : 26).

leven O.T. 1016. Joodse Thora-schrijver
Een Thora-rol (met de 5 boeken van Mozes) wordt met buitengewone zorg vervaardigd; geschreven op perkament. De schrijver moet niet alleen goed kunnen schrijven, maar ook innerlijk voor het heilige werk van de Thora te schrijven, goed toegerust zijn.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1108-1029

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (22)

.
 SCHRIFT (1)

leven O.T. 90

leven O.T. 91

leven O.T. 921, 2. Kleitafeltje gevonden bij de opgraving in Sichem
 Bij de opgraving in Sichem zijn twee spijkerschrifttafeltjes gevonden. „Hoewel klein en onaanzienlijk en bovendien lastig te ontcijferen zijn zulke inscripties voor onze kennis van het leven en denken der oude Kanaänieten in de eeuwen voor de intocht der Israëlieten van het allergrootste belang. Beide tafeltjes zijn op de voor- en achterzijde beschreven. …Het tweede (hier afgebeelde) is een zakenbrief. De toon is enigszins indringerig. De schrijver vraagt om de zending van koren en beste olie, zooals hij die drie jaar geleden ook al eens ontvangen had, en vraagt, of het zijn schuld is, dat hij geen bericht krijgt, terwijl toch ook zijn agenten reeds herhaaldelijk geschreven hebben.” (Prof. Dr F. M. Th. Böhl).

leven O.T. 933. Israëlstèle
gevonden in de ruïnes van de dodentempel van Farao Merenptha bij Thebe. Dit inschrift, in hiëroglyphenschrift, wordt Israëlstèle genoemd, omdat het de naam Israël noemt. Bovenaan ziet men in de tekening twee helften: in het midden de god Amon onder de gevleugelde zonneschijf, die de koning met de rechterhand het
sikkelzwaard reikt en in de linkerhand de schepter houdt. De koning is getooid met de krijgshelm. Achter de koning staat rechts de god Horus met valkenkop, links de godin Mut. Daaronder is het inschrift van Merenptha. Het is een lied „om alle landen tezamen te laten weten (Merenptha’s overwinning in alle landen) en de schoonheid zijner daden te tonen.” Het is gedateerd op de 3e dag van de 11e maand van het 5e jaar van Merenptha’s regering, dus omstreeks 1228 voor Christus. In dit lied beroemt de koning er zich op:

Israëls lieden zijn weinig; zijn zaad bestaat niet meer.

[Het is een fotografische reproductie; met een vergrootglas zijn de hieroglyphen goed te zien.]

leven O.T. 944. Bijl van Ras Sjamra met opschrift in alfabethisch spijkerschrift
Bij de opgravingen van Ras Sjamra in Fenicië zijn vele interessante dingen gevonden, die licht verspreid hebben over de Feniciërs in de tijd van Mozes; zo is gebleken, dat het alfabetisch schrift ouder is, dan men tot nu toe aannam. Men vond hier een alfabet van 29 letters; de ontcijfering is verrassend snel gegaan. Het schrift is eenvoudig vergeleken met het spijkerschrift.

leven O.T. 955. Samaritaansche rol
Aan de beide einden is een houten staaf, „boom des levens” genoemd, bevestigd, die onder uitloopt in een mooi bearbeide punt en bovenaan een versiering heeft (siertoren of kroon a). Om deze beide staven is de rol gewonden, zó, dat het reeds gedurende de loop van het jaar gelezene deel der rol om een staaf gewikkeld is, het nog te lezen deel om de andere. Om de wetsrol hangt een manteltje (b) van zijde of kostbare stof vervaardigd.
De Pentateuch der Samaritanen is in het Hebreeuwsch geschreven. Deze taal geldt voor hen als de heilige taal, als de taal der wet. Het letterschrift is evenwel niet het bekende kwadraatschrift, maar vertoont meer overeenkomst met de oud-Phoenicische lettertekens.
In de oudheid heeft het boek de vorm van een rol. Zo vinden wij het ook in de H. Schrift (Ezra 6:2; Psalm 40 •: 8; Jesaja 8:1; Jeremia 36; Ezech. 2 : 9; Zach. 5 : 1).

.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1101-1022

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (21)

.

HERDERS; SCHAPEN; PAARDENSTAL

leven O.T. 841. Herder met stok en staf 
De stok (a) is gewoonlijk van eikenhout; ± 60 c.m. lang, met een knop ter grootte van een goed uitgegroeide sinaasappel. Met behulp van een band kan de stok aan de gordel bevestigd worden of hij hangt als een rijzweep aan de pols. De staf (b) meet van 4 tot 6 voet en is gewoonlijk gemaakt van een tak van een olijfboom, die geschild wordt. De staf dient de herder bij het beklimmen van de rotsen, om takjes en bladeren af te slaan, om treuzelende of vechtende geiten te bestraffen en eindelijk om erop te leunen, wanneer hij wacht houdt over zijn kudde. De herder draagt een lang onderkleed (c) een soort mantel (d) een hoofddoek (e) vastgehouden met een band (ƒ); over het onderkleed een gordel (g); in de rechterhand de slinger.
leven O.T. 852. Slinger
Deze is gewoonlijk gevlochten van wol en heeft in het midden een 5 a 6 c.m. breed extra gevlochten gedeelte, waarin de steen komt te liggen in het midden van de holligheid des slingers (1 Sam. 25 : 20). Als slingerstenen werden gebruikt de kleine „gladde stenen” (1 Sam. 17 : 40) die men ’s zomers in de droge beddingen van de uitgedroogde rivierlopen opzocht en dan in de „tas voor de slingerstenen” (vert. Prof. de Groot) opborg (Bruijel).
leven O.T. 863. Herdersknaap met slinger
Als men de steen in de slinger gedaan heeft, steekt men de middelvinger van de rechterhand door het oog van de ene lus, houdt het andere, iets langere en smallere eind met dezelfde hand en slingert nu de slinger boven het hoofd. De kunst is, het snoer op het goede ogenblik los te laten, zodat de steen het doel treft.

leven O.T. 874. Herdersknaap de fluit bespelend
Bij de herdersknapen is het een geliefkoosde bezigheid om de kudde te kalmeren door op een schalmei (a) te blazen. Zij maken deze van riet. Er zijn 6 openingen; de knaap gebruikt van beide handen daarom drie vingers om te bespelen. In de Bijbel wordt er gewag van gemaakt als men het fluiten der herders tussen de kudden hoort (Richt. 5 : 16).
leven O.T. 885. Schaapskooien
De schaapskooien dienen om de kudden in de zomernachten een verblijf te verlenen. Een muur van los opgestapelde stenen is feitelijk de beschutting. Deze kooien moeten dan beschermen tegen „dief en rover” (Joh, 10 : 1). In de muur is een opening „de deur in de schaapskooi” (a). Voor deze deur ligt de deurwachter, gewoonlijk een der herders, ’s Morgens doet de deurwachter de deur open en de herders roepen de schapen (Joh. 10 : 2, 3).
leven O.T. 896. Paardenstallen van Salomo in Megiddo
Van Salomo wordt gemeld, dat Salomo had „schatsteden, en wagensteden en steden der ruiteren” (1 Kon. 9 : 17—19). Salomo kocht paarden en wagens uit Egypte (1 Kon. 10 : 28) en voerde die naar het noorden, om te verkopen aan de koningen van de Hethieten en de Syriërs (1 Kon. 10 : 29). Het vervoer geschiedde over de handelsweg, waaraan Megiddo lag. Bij de opgravingen zijn hier gevonden de stallen van Salomo. De stallen hadden de vorm van een lange hal, met afdelingen voor de paarden aan weerszijden van de middengang. Het dak werd gedragen door 2 rijen stenen pilaren; tussen die pilaren stonden stenen kribben. In de pilaren waren gaten, waardoor men een touw kon halen om de dieren vast te binden.
.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1096-1017

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (20)

.

WIJNGAARDEN; OLIJVENPERS

leven O.T. 77 - 00041. Wachthut in de wijngaard
In de vruchttuinen (bijv. in de komkommerhof Jes. 1 : 8) en de wijngaarden heeft men in de tijd van het rijp zijn en de oogst priëelachtige gebouwtjes: een takkendak op palen. Het is de wachthut (b) op de wachttoren (a) die in de wijngaard voorkomt (Jesaja 6 : 2) waar vaak de gehele familie ten tijde van de oogst in de hut woont: het hutje in de wijngaard (Jesaja 1:8). De hut komt in de Bijbel ook voor als zinnebeeld van bescherming (Ps. 27 : 5). Een hut kan instorten en vervallen; daarop doelt de belofte in Amos 9 : 11.

leven O.T. 802. Druivenoogst; druiventreden (Egyptische voorstelling).
Rechts is een priëel van wijngaardranken (a); daaronder staan de plukkers (b) die de druiventrossen (c) afsnijden. Links is de wijnpersbak (d) waarin de mannen staande de druiven treden (e). Beneden loopt de wijn uit de wijnpersbak in een kuip (ƒ); de wijn werd dan later in de kruiken (g) gebotteld.

leven O.T. 813. Treden in de druivenpers.
In de oudheid was bekend „persen treden” (Neh. 13 : 15) en beroemd is de uitdrukking in het sehone visioen van Jesaja: Waarom zijt Gij rood aan Uw gewaad? en Uw klederen als van een, die in de wijnpers treedt? Ik heb de pers alleen getreden (Jes. 63 : 2, 3).
Behalve de wijnpersbak (a) is er ook een wijnbak (b) (Jes. 5 : 2) de trog, waarin de getreden most of wijn vloeit; in de Statenvert. ook wel genoemd kuipen (Jer. 48 : 33). Het druivenpersen kan gebeuren doordat men een zwaar voorwerp door middel van een hefboom op de druiven drukt; of doordat mensen met blote voeten in de wijnpersbak treden (a). Uit de wijnpersbak vloeit de getreden wijn in een lagere trog of kuip, (b) die als een goot hier voor de wijnpersbak loopt.

leven O.T. 824. 5. Olijvenpers
De olijfolie in de dienst Gods werd gebruikt
1. als „olie tot de luchter”;
2. als „olie der heilige zalving”;
3. als onderdeel van het spijsoffer.

De olie tot de luchter en de zalfolie wordt omschreven als „zuivere gestoten olijfolie”;
voor het spijsoffer als „gestoten olie” (Ex. 27 : 20; 29 : 40; Lev. 24 : 2; Num. 28 : 5).
Om deze olie te verkrijgen werden de allerfijnste olijven uitgezocht. Deze werden dan in een stenen mortier gekneusd tot een brijachtige massa en daarna in een korf gedaan. De olie, die dan uit de korf druppelt, en dank zij de voorzichtige bewerking, in het geheel niet vermengd is met bestanddelen van het vruchtvlees of van de pit is de „zuivere gestoten olie”. Deze is blank en walmt bij de verbranding niet. Door nu de inhoud van de korf met stenen te bezwaren of onder de balk te plaatsen, verkrijgt men een tweede, ook nog uitnemende kwaliteit, de „gestoten olie”.
Om olie voor dagelijks gebruik te verkrijgen werd de olijvenbrij verder uitgeperst, waarbij ook de pitten verbrijzeld werden. Zo leverde de olijf al de olie af, die echter nu vermengd was met bestanddelen van vruchtvlees en pitten, dus veel minder zuiver was.
Dit geschiedde in een olijvenpers (a). Een rond zwaar stenen onderstuk was uitgehold, zodat er een cirkelvormige goot in was, waarin een zware ronde steen (b) door middel van een hefboom (c) gewenteld kon worden.
In de Bijbel is over dit olijvenpersen niets te vinden dan een verwiizing in Job 24 : 11 „tusschen hun muren persen zij olie uit”. [Bruijel],

leven O.T. 83

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1091-1012

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (17)

.

MAALTIJDEN
.
leven O.T. 45
1. Assyrische maaltijd
Enkele mannen zitten om de grote pot (a); één daarvan rechts, schept met een nap (c) het vleesnat, de bouillon, op: zo’n nap ging dan de kring rond. Voor de vaste spijzen gebruikte men, gelijk nog heden in het oosten, de vingers. •— De hoofdmaaltijden bij de Assyriërs waren ’s morgens en ’s avonds. — In de huizen der welgestelden riep de heer des huizes de dienaren toe: Brengt mij water (b); giet het op mijn handen; ik wil eten. — De hongerige eters smakten met de tong om hun begeerte tot uitdrukking te brengen en grepen met ijver naar de spijzen, die de dienaars brachten. – Na het eten waste men het gezicht met een handdoek af; daarna goot een dienstknecht water over de handen. Kleine honden, die veel in huis gehouden werden, liepen in de kamer rond en aten van „de kruimkens hunner heren.”
.

leven O.T. 46
2. Egyptische maaltijd
Bij a is een gedekte tafel; de man links houdt een blad met vijgen in de hand. De derde man is bezig een gans te verwerken (b); de andere rechts houdt een stuk vlees in de hand. De Egyptenaar bij c links gaat de vis, die hij in de hand heeft, eten; de man rechts drinkt uit een kruik. Ook de man links bij d eet vis. Onder die tafel bij d en die bij a zijn mandjes met druiven. De tafels tonen een volheid van spijs; merkwaardig is de afwezigheid van vorken; maar de handen en vingers doen dienst. Men zit op de grond; stoelen worden bij deze maaltijden niet benut.
.
leven O.T. 473. Gastmaal (naar een Fenicische uitbeelding,
gevonden op het eiland Cyprus). Een drietal volwassen personen ligt aan tafel; bij dit aanliggen aan tafel steunt ieder met de linkerhand op de hogere leuning van de divan. Twee ervan zijn mannen: zij dragen een puntige kegelvormige muts (a, b); zij hebben een puntbaard maar hebben een gladgeschoren bovenlip. De mannen zijn verder gekleed in een lange mantel. De derde figuur (c), is een vrouw; zij draagt een hoofddoek, die ook de wangen en de kin bedekt. De man rechts (a) draagt een kind op de knie, gehuld in een lange mantel; de ronde muts wijst erop, dat het een meisje is.

Dat men in de oudheid aan een tafel zat, leert men ook uit Richt. 19 : 6; 1 Sam. 20 : 5; en met name 1 Kon. 13 : 20. Wil iemand zijn gasten bijzonder eren, dan eet hij niet mee, maar staat er bij om te bedienen (Gen. 18 : 8). Het aanliggen wordt wellicht reeds genoemd in Amos 6 : 4; in de vert. van het Bijbelgenootschap leest men in Matth. 9 : 10 dat de tollenaars en zondaars mede aanlagen; eveneens Matth. 26 : 7; Marcus 6 : 22; 14 : 3, 18; Joh. 13 : 23; 21 : 20.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1079-1001

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – leven in het Oude Testament (16)

DE TENT; GEBRUIKSVOORWERPEN

leven O.T. 35.jpg1. Tent
Een tent is meest opgebouwd uit driemaal drie palen; in het midden de hoogste palen, terwijl de twee buitenste rijen kleiner zijn; deze palen zijn tevens met touwen aan elkaar verbonden. Het doek of weefsel werd strak uitgespannen en met „zelen” (6) (Jeremia 10 : 20) vastgemaakt aan „pinnen” (a) in de grond (Jesaja 54 : 2); die pinnen van zeer hard hout zijn ongeveer twee voet lang en worden door een hamer in de bodem gedreven (Richt. 4 : 21). De tent is bedekt met dekkleden, gevlochten van geitenhaar, dat zwart van kleur is (Hoogl. 4 : 1; 1 : 5).

leven O.T. 362. Lamp
Bij opgravingen komen vooral uit de graven zoveel aarden lampjes te voorschijn, dat men de ontwikkelingsgang kan vervolgen vanaf het nauwelijks voor zijn doel gemodelleerde open schaaltje, tot de meer praktische vorm met scherp toegeknepen tuit voor de oliepit, die in de Israëlitische tijd in gebruik was en de bijna gesloten vormen van het Hellenistische tijdvak. De afbeelding vertoont een
lampmodel uit de latere perioden, zoals men die zich ook voor de Nieuwtestamentische tijd mag voorstellen. De lamp moest onafgebroken branden (haar lamp gaat des nachts niet uit; Spreuken 31 : 18); de uitdrukking „zijn lamp zal uitgeblust worden” (Job 18 : 6) wijst op de dood en de ondergang.

leven O.T. 373. Haard uit Thaanach
Het afgebeelde voorwerp heeft men eerst wel aangezien voor een wierookaltaar. Het heeft de vorm van een piramide; bijna 1 m. hoog; aan de vier zijden heeft het gaten: die openingen zijn waarschijnlijk bedoeld als tochtgaten. Het geheel is uit klei gebakken. De wanden zijn versierd met leeuwenfiguren en sfinxen, een heilige boom en een voorstelling van een man, die een slang vasthoudt. Zo’n haard of kolenbekken was voor koning Jojakim. (Jeremia 36 : 22. De koning zat in het winterhuis in de negende maand; en er was een vuur voor zijn aangezicht op de haard aangestoken).

leven O.T. 384. Aarden vaten voor olijfolie
Ter bewaring van de olijfolie in huis dienden aarden kruiken. Deze hadden een aparte donkere plaats; licht en lucht maken de olie ranzig; daarom hebben de kruiken ook een betrekkelijk nauwe opening. Oliekruiken worden genoemd in 1 Sam. 10 : 1; 2 Kon. 9 : 1; Zach. 4 : 3.

leven O.T. 395. Aarden watervaten
Zulke aarden watervaten waren in de oudheid eveneens in gebruik (Joh. 2 : 6; 1 Sam. 26 : 11 „waterfles”; 1 Kon. 19 : 6; Gen. 24 : 16; Richt. 7 : 16).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1075-997

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (15)

.

HANDWERK

leven O.T. 721. Lederbereiding (Egyptische voorstelling).
Links boven is een arbeider (a) die met een scherpe steen de haren van de huid schrapt; hij houdt de huid met de voeten vast. Daaronder is een arbeider, die riemen snijdt uit het leer (b); terwijl een ander het vel strak aantrekt (c). Daarnaast wordt de huid strak getrokken over een bok (d); een geprepareerde huid (e) is daarboven afgebeeld. Meer naar rechts is iemand, die doorgeeft, wat al klaar is (ƒ); er werden verschillende artikelen van leer vervaardigd bijv. sandalen (g); onderdelen van een bespanning (h) en omhulsels voor akte-stukken (i).

leven O.T. 732. Pottenbakker aan het werk bij de draaischijf
(Egyptische voorstelling). De eerste pottenbakker (a) heeft op de draaischijf (b) een leemklomp (c); hij vormt met zijn hand het inwendige van het vat. Enkele vaten (d, e, f, g, h, i) zijn al gereed. Een tweede pottenbakker (j) vormt de buitenkant van een vat; met zijn linkerhand houdt hij de bodem van het vat (k). Een derde pottenbakker (l) is juist klaar .gekomen met een vat (m); de laatste begint met een verse leemklomp (n): leem in de hand van de pottenbakkers (Jer. 18 : 6) hij maakt een werk op de schijven (Jer. 18 : 3).

leven O.T. 743. Pottenbakkers bij de oven (Egyptische voorstelling).
De eerste (a) vormt van leem een plat bord tussen zijn handen; een ander (b) maakt het vuur in de oven (c) heet; een derde (d) geeft de vormen aan de pottenbakker (e) die slechts met een gordelschort (ƒ) gekleed is; hij plaatst de vormen op de verhitte oven. Het aardewerk, dat gereed kwam, wordt door een arbeidster met een juk (g) weggebracht.

leven O.T. 754. Barbier aan het werk

leven O.T. 765. Scheermes van een barbier
De barbier oefende in de oudheid zijn beroep in de buitenlucht uit, onder de schaduw van een boom. De barbier bond het hoofdhaar om de schedel hoog op en sneed de haren bij de slapen kort af, of schoor deze. De klant zat tijdens de bewerking op een driepoot (a); daarvoor stond dan een zeepbekken (b). Voor scheren en haarsnijden benutten de barbieren een „scheermes van de barbieren” (fig. 5) dat zeer merkwaardig van vorm was en diende om „te laten gaan over het hoofd en over de baard” (Ezech. 5 : 1).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1071-993

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (14)

.

WATER EN MELK

leven O.T. 681. Vrouw bij de bron
Het water, dat het meest op prijs gesteld wordt is levend water, het bewegende, frisse water van borrelende bronnen en beken (Hooglied 4 : 15). Een levendig tafereel is het, als de vrouwen bij de bron komen, „op de avondtijd, ten tijde als de putsters het water halen” (Gen. 24 : 11). Als zij naderen, hebben zij de ledige kruik op de schouder, als Rebekka (Gen. 24 : 15). De volle kruik (a) wordt op het hoofd gezet. De bron (b) op de voorgrond is in een diep in de bodem gegraven gat, dikwijls tot op de rotsbodem toe. De geulen in de bronrand zijn inkervingen ontstaan door de touwen van degenen, die de putemmers optrekken. De vrouw draagt een witte hoofddoek (c) die als sluier gebruikt kan worden (zij bedekt haar mond!). Voorts is zij gesierd met armband (d) en voorhoofdsiersel (e) en een enkelring (g), zij draagt een lang kleed, dat echter hier gegord is: het is wat opgetrokken tot aan de kniestreek, doordat zij het tussen de gordel (ƒ) heeft opgenomen.

leven O.T. 692. Emmer
De lederen putemmer (c) die men beter schepbuidel zou kunnen noemen, hangt aan een houten kruis (b) dat ten doel heeft de zak open te houden. In het midden van het houten kruis is het puttouw of scheptouw (a). Zo waren de emmers ook in de oudheid (Numeri 24 : 7, Jesaja 40 : 15).

leven O.T. 703. Waterdrager
Mannen dragen het water in lederen zakken (Jozua 9:4); een man, die een kruik draagt is een zeldzame figuur, die de aandacht trekt (Lukas 22 : 10). De lederen zak (a) wordt met een touw op de rug gedragen; de stukken van de poten (b) steken vreemd omhoog. De waterdrager draagt op het hoofd een gewonden doek (c); verder heeft hij een broek (d), een hemdachtig overkleed (e) en sandalen (ƒ). De met riempjes (Gen. 14 : 23) vastgemaakte sandalen waren in de oudheid het schoenwerk, die behoorden tot de normale kleding (1 Kon. 2:5; Ezech. 24 : 17, 23; 2 Kron. 28 : 15).

leven O.T. 714. Boterbereiding
In F. J. Bruijel, Bijbel en Natuur leest men: De zoete melk, zoals wij die kennen, wordt zeer weinig gebruikt, daar ze gedurende een groot deel van het jaar spoedig bederft. Zij is vrijwel alleen van belang voor jonge kinderen. Wanneer wij in het O. T. lezen over chalab (Statenvert. „melk”) moet in het algemeen gedacht worden aan een met behulp van stukjes lebmaag gestremde en door gisting verzuurde melk, min of meer te vergelijken met de ons bekende yoghurt. Uit deze chalab wordt de chem’a, boter, bereid. Daartoe neemt men drie stokken (a) die schuin in de grond worden gestoken en waartussen een zak, van geitenhuid (b) vervaardigd gevuld met chalab wordt opgehangen. Dan gaat de vrouw erbij zitten en de zak wordt nu het doel van de welgemikte vuistslagen. (Het werkw. drukken in Spr. 30 : 33 is beter te vertalen door „het stoten” of „het stompen”). Zo komt de inhoud in voortdurend schuddende beweging en dit „stoten” heeft de vorming van boter als gevolg. Naast de dikke verzuurde melk, kent men ook zoete gestremde melk. Door verwijdering van het water wordt kaas verkregen (Job 10 : 10 … en mij als een kaas doen runnen). De vrouw draagt een lang kleed, tob (c), een jakje (d) en een van voren open mantel (e); op het hoofd heeft zij de hoofddoek (ƒ) door een hoofdband vastgemaakt.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1067-989

.

.