.
HET IMPONDERABELE
.
Vlinder en ziel
In zijn publicatie ‘Antroposofie doen?’ besteedt de auteur, Jesse Mulder, ook aandacht aan de vrijeschool: ‘Vrijeschoolonderwijs doen?
In dit artikel kwamen zijn gedachten naar voren.
Nadat Mulder een hypothetische leerkracht heeft opgevoerd om duidelijk te maken dat het niet moeilijk is om aspecten van het vrijeschoolonderwijs ook toe te passen in niet-vrijeschoolonderwijs, stelt hij de vraag of er in dit geval ‘antroposofie gedaan’ wordt of niet:
‘Twee mensen kunnen precies dezelfde vertelstof in hun basisschoolklas hanteren, de verhalen misschien zelfs wel met eenzelfde enthousiasme vertellen. Maar toch is daarmee wat er ‘gedaan’ wordt niet in beide gevallen hetzelfde – niet in beide gevallen wordt er antroposofie gedaan.’
In verschillende pedagogische voordrachten bespreekt Steiner dit verschijnsel.
Dat doet hij bijna altijd met ‘de vlinder en de menselijke ziel’.
Toen ik zijn opmerkingen op me in liet werken, kreeg ik langzamerhand het gevoel dat er een appel werd gedaan op mijn moraliteit: hoe eerlijk ben je in wat je vertelt. Spel je het kind wat (iets moois) op de mouw, of is het jouw innerlijke eigendom. Hoe integer ben je. Hoe oprecht.
En dat – aldus Steiner – voelen de kinderen (en zij niet alleen).
Hij noemt wat zich op dit terrein tussen kind en oudere afspeelt het imponderabele, de onweegbare zaken.
Mulder zegt dan: ‘Zo beschouwd ligt de volgende conclusie nu voor de hand: Om te bepalen of ergens antroposofie gedaan wordt, is het niet voldoende om te bekijken wat er gedaan wordt; we moeten veeleer kijken naar waarom dat gedaan wordt.’
Maar daar zou ik nog aan toe willen voegen: HOE – met welke intentie – wordt het gedaan.
GA 310
Der pädagogische Wert der Menschenerkenntnis und der Kulturwert der Pädagogik
Voordracht 3, Arnhem 19 juli 1924
Die Differenzierungen in den menschlichen Lebensaltern
Fragenbeantwortung
Differentiëring in de leeftijdsfasen van de mens
Blz. 54 vert. 56
Und wiederum aufrichtig, innerlich aufrichtig muß man in dieser bildhaften Arbeit neben dem Kinde sein. Dazu aber gehört, daß man von allem, was man tut, tief innerlich durchdrungen ist. Das ist man nicht, wenn man nur ein klein wenig neben dem Kinde steht, sofort mit dem Gefühl da ist: Du bist ja riesig gescheit – das Kind ist riesig dumm. — Das verdirbt alle Erziehung, verdirbt auch beim Kinde das Autoritätsgefühl. Was soll ich denn in das Bild verwandeln, das ich da an das Kind heranbringen will? Ich habe dazu folgendes Beispiel zur Versinnlichung gewählt.
Man kann dem Kinde nicht wie dem erwachsenen Menschen von der Unsterblichkeit der Seele sprechen; aber man muß die Unsterblichkeit der Seele an das Kind herantragen, nur muß sie zum Bilde werden, und man muß – es kann eine Stunde dauern – das folgende Bild ausgestalten. Man kann dem Kinde klarmachen, was eine Schmetterlingspuppe ist und ihm sagen: Da fliegt später der fertige Schmetterling aus; die Puppe enthielt schon den Schmetterling, er war nur noch nicht sichtbar, er war noch nicht so weit, daß er ausfliegen konnte, aber er war schon darinnen. – Nun kann man weitergehen und sagen: In ähnlicher Weise enthält der menschliche Körper schon die Seele, nur ist sie nicht sichtbar; im Tode aber fliegt die Seele aus dem Körper aus; der
Unterschied zwischen Mensch und Schmetterling ist nur der, daß der Schmetterling sichtbar ist, die menschliche Seele nicht. – In dieserWeise kann man dem Kinde von der Unsterblichkeit der Seele sprechen, so daß es, seinem Lebensalter angemessen, durchaus eine richtige Vorstellung von der Unsterblichkeit bekommt. Nur darf man dann aber nicht so neben dem Kinde stehen, daß man sich sagt: Ich bin gescheit, bin Philosoph und beweise mir die Unsterblichkeit aus dem Denken heraus; das Kind ist naiv, ist dumm, und ich forme mir eben das Bild von dem herauskriechenden Schmetterling. – Wenn man so denkt, geht
En ook hier moet je bij dit werken in het beeldende eerlijk, waarlijk eerlijk bij het kind staan. Daartoe hoor je innerlijk diep doordrongen te zijn van alles wat je doet. Dat ben je niet als je maar een klein beetje bij het kind staat en meteen het gevoel hebt: ik ben geweldig slim, het kind is geweldig dom. – Dat bederft elke opvoeding. Het bederft ook het autoriteitsgevoel bij het kind. Wat moet ik dan omvormen tot een beeld dat ik het kind wil aanreiken? Ik heb om dit te verduidelijken het volgende voorbeeld gekozen.
Je kunt met een kind niet zoals met een volwassene over de onsterfelijkheid van de ziel spreken. Maar je moet het wel over de onsterfelijkheid van de ziel hebben, alleen moet dat tot beeld worden. En je kunt – dat kan wel een uur duren – het volgende beeld schetsen. Je kunt het kind duidelijk maken wat de pop van een vlinder is en je kunt hem vertellen: daar vliegt later de kant en klare vlinder uit; de pop bevatte al de vlinder, alleen was hij nog niet zichtbaar; hij was nog niet zo ver dat hij uit kon vliegen, maar hij zat er al in. – Nu kun je verdergaan en zeggen: op ongeveer dezelfde manier bevat het menselijk lichaam al de ziel, alleen is die niet zichtbaar; maar bij de dood vliegt de ziel uit het lichaam. Het verschil tussen mens en vlinder is alleen dat de vlinder zichtbaar is en de menselijke ziel niet.
Op deze manier kun je het kind over de onsterfelijkheid van de ziel vertellen; zo krijgt het een bij zijn leeftijd passende, volkomen juiste voorstelling van de onsterfelijkheid. Alleen mag je niet zo bij het kind staan dat je zegt: ik ben slim, ik ben filosoof en ik bewijs de onsterfelijkheid vanuit het denken; het kind is naïef en dom, en ik maak voor mezelf het beeld van de uitkomende vlinder. -Als je zo denkt, ga
Blz. 55 vert. 57
man am Kinde vorüber; dann hat das Kind nichts davon. Da gibt es nur eine Möglichkeit: Man muß selbst an das Bild glauben, man muß nicht gescheiter sein wollen als das Kind; man muß genau so gläubig neben dem Kinde stehen. Wie kann man das? – Wer Anthroposoph, Geisteswissenschafter ist, der weiß: das Auskriechen des Schmetterlings aus der Puppe ist selbst ein von den Göttern der Welt hingestelltes Bild für die Unsterblichkeit der Menschenseele. Er denkt nie anders, als daß die Götter hineingezeichnet haben in die Welt dieses Bild des auskriechenden Schmetterlings für die Unsterblichkeit der Menschenseele; er hat eine Naturanschauung, die geistig ist, und kann dem Kinde klarmachen, daß es so ist. Er sieht in allen niederen Stufen des Vorganges die abstrakt gewordenen höheren Vorgänge. Wenn ich nicht die
Vorstellung habe, daß das Kind dumm ist und ich gescheit bin, sondern
wenn ich vor dem Kinde mit dem Bewußtsein stehe, daß das so ist in der Welt und das Kind an etwas heranführe, woran ich selbst am allerintensivsten glaube, dann gibt es ein imponderables Verhältnis und das Kind kommt wirklich in der Erziehung vorwärts. Da laufen in das Erziehungsverhältnis fortwährend moralische Imponderabilien ein. Und darauf kommt es an.
je aan het kind voorbij; dan heeft het kind er niets aan. Er is maar één mogelijkheid: je moet zelf in dat beeld geloven, je moet niet slimmer willen zijn dan het kind; je moet precies zo gelovig bij het kind staan. Hoe kun je dat?
Wie antroposoof, geesteswetenschapper is, die weet dat het uitkomen van de vlinder uit de pop een door de goden zelf in de wereld geplaatst beeld is voor de onsterfelijkheid van de mensenziel. Hij denkt nooit anders dan dat de goden dit beeld van de uitkomende vlinder in de wereld hebben ingetekend als beeld voor de onsterfelijkheid van de mensenziel; hij heeft een manier om naar de natuur te kijken die geestelijk is en hij kan het kind duidelijk maken dat het zo in elkaar steekt. In alle lagere trappen van het proces ziet hij abstract geworden hogere processen. Als ik niet de voorstelling heb dat het kind dom is en ikzelf slim ben, maar als ik voor het kind sta met het bewustzijn dat het zo is en het kind iets bijbreng waaraan ik zelf het sterkst geloof hecht, dan bestaat er een niet waar te nemen verhouding, een imponderabele verhouding. En het kind gaat in de opvoeding echt vooruit. In het pedagogisch proces komen voortdurend morele imponderabilia, onweegbare zaken binnen. En daar gaat het om.
GA 310/54-55
Vertaald/Menskunde, pedagogie en kultuur/56-58
Meer over ‘het imponderabele’ in de artikelen over autoriteit
Vrijeschoolonderwijs doen? Alle plaatsen in de ped. voordrachten waarin Steiner over het imponderabele spreekt i.v.m. ‘vlinder en onsterfelijke ziel’.
Algemene menskunde: voordracht 9 – alle artikelen
Algemene menskunde: alle artikelen
Rudolf Steiner: alle artikelen op deze blog
Menskunde en pedagogie: alle artikelen
Vrijeschool in beeld: alle beelden
.
3189-3001
.
.
.
.