VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner in Utrecht (2)

.

RUDOLF STEINER IN UTRECHT

Op 21 februari 1921 – dus bijna precies 100 jaar geleden, hield Rudolf Steiner een voordracht in Utrecht en op 24 februari 1921 een tweede.

Van de laatste – een pedagogische – bestaat bij mijn weten geen officiële vertaling en daarom heb ik deze destijds op deze blog vertaald:

Opvoedings-, onderwijs- en praktische levensvragen vanuit het standpunt van antroposofische geesteswetenschap

Evenals de vragenbeantwoording

Een initiatiefgroep in Utrecht verzamelt zich morgen -21 februari 2021 – rond de plek waar de 1e voordracht werd gehouden en heeft zich bezonnen op het laatste deel van de Grondsteenspreuk.
In het najaar wil men aan de voordrachten meer aandacht besteden.
De voordracht van 21 februari heb ik nog niet in de Gesamt Ausgabe (GA) kunnen vinden.
Het Studiecentrum voor Antroposofie in Utrecht publiceerde de voordracht in 1996 in het Duits.
Deze is nu hier te vinden.
In 1996 verscheen van de Antroposofische Vereniging in Utrecht dit artikel:

VOORWOORD

Deze uitgave wordt met gepaste bescheidenheid aan de lezer gepresen­teerd. Het oorspronkelijke plan, namelijk het schrij­ven van een geschiedenis van de antroposofische beweging in Utrecht en het uitgeven van de voordrachten die Rudolf Steiner in Utrecht gehouden heeft, zowel in duitse als vertaalde versie, is maar gedeeltelijk gerealiseerd.

Samuel Jonas van der Sloot heeft in het eerste deel van zijn artikel “Rudolf Steiner in Utrecht” een korte schets gegeven van de geschiedenis van de antroposofische beweging in Utrecht. Een naar volledigheid strevende geschiedschrijving kon wegens de tijddruk niet gerealiseerd worden. Het ligt wel in het streven van de schrijver die geschiedschrijving in de toekomst alsnog te realiseren. In het tweede en derde deel geeft hij een antropo­sofische visie op Utrecht en Nederland. Daarbij heeft hij een aantal keer ge­bruik moeten maken van uitspraken die aan Rudolf Steiner worden toegeschreven, maar die niet met zekerheid aan hem toegeschreven kunnen worden. Daar­voor heeft hij de term “apocriefe uitspraak” geïntrodu­ceerd, zodat de lezer op het onzekere karakter ervan gewezen wordt.

Cees Leijenhorst heeft de twee voordrachten van Rudolf Steiner verzorgd. Het is niet gelukt de voordrachten te verta­len, maar ook dat ligt nog in het streven voor de toekomst.

RUDOLF STEINER IN UTRECHT

Samuel Jonas van der Sloot

1  De antroposofische beweging in Utrecht

Rudolf Steiner hield in 1921 twee voordrachten in Utrecht. De voordracht van 21 februari gaf een algemene intro­ductie in de antroposofie, de voor­dracht van 24 februari ging over socia­le problemen en opvoedingsvraag­stukken.

De voordracht van 21 februari vond plaats in de kleine zaal van het gebouw in park Tivoli. Park Tivoli lag aan de Kruis­straat op de plaats waar nu woningen gebouwd zijn, tegenover cultuurcentrum Parnassos. De voor­dracht van 24 februari vond plaats in het gebouw “Kunsten en Wetenschappen” aan de Maria­plaats. Het gebouw stond op de plaats waar ooit het schip van de Mariakerk heeft gestaan. De Maria­kerk was de voet van het Utrechtse kerkenkruis. Toen de kerk leeg kwam te staan heeft het conservatorium het schip van de kerk in gebruik genomen als zaal.

De tournee waar de Utrechtse voordrachten een onderdeel van waren, was georganiseerd door Pieter de Haan, een jonge antro­posoof die in Utrecht woonde. In zijn woning (Park­straat 45) was het ‘Algemene secretariaat van de Antroposophi­sche Vere­niging en Bond voor Drieledige Indeling van het Sociale Orga­nisme’ gevestigd, dat de organisatie voor de tour­nee in handen had. De twee voordrachten in Utrecht waren dus voor de organi­sator een thuiswedstrijd.

Pieter de Haan organiseerde ook mee aan de Antroposofisch-weten­schappelijke cursus die een jaar later in Den Haag plaats vond. In de commissie van voorbereiding zat nog een tweede persoon uit Utrecht, Maddy (Madeleine) van Deventer. Haar naam is samen met de naam van haar man, Henk van Deventer, terug te vinden op een lijst uit 1924 van artsen die zich aangesloten hadden bij de medische sectie van de Vrije Hogeschool voor Geesteswe­ten­schap. Ook daarop staat vermeld dat ze in Utrecht woonden.

De aanwezigheid van Pieter de Haan en de van Deventers in Utrecht zijn de eerste tekenen van antroposofisch leven in de stad. Weliswaar had Ita Wegman op 30 augustus 1902, na een examen van twee dagen, in Utrecht een gymnastiekdiploma ge­haald, maar onmiddellijk daarna reisde ze door naar Berlijn waarmee ze haar tweejarige bezoek aan Nederland afsloot (daar­voor had ze op Java gewoond). Van een groots antroposo­fisch (toen nog theosofisch) leven in de stad getuigt Ita Wegmans korte bezoekje dus niet, vooral omdat ze naar alle waarschijn­lijkheid Rudolf Steiner pas in Ber­lijn ont­moette.

De groep rondom Pieter de Haan en de van Deventers bestond nog halverwege de jaren dertig toen mevrouw Vreugdehil in Utrecht voor apotheker ging studeren. Zij had op de middelbare school een leraar Nederlands gehad, mijnheer Van der Poel, die antropo­soof was. Tijdens haar studie in Utrecht zocht ze hem op in Soest­dijk en ging gedurende twee jaar regelmatig bij hem langs. Ze leende boeken van hem en hij gaf haar een introduc­tie in de antroposofie. Aan het eind van de twee jaar kreeg ze van hem de karmabanden mee, zes boeken met voordrachten over karma en reïncarnatie die Rudolf Steiner in 1924 had gehouden. Eigen­lijk wilde ze de boeken niet lenen, omdat ze niet het gevoel had er klaar voor te zijn, maar Van der Poel drong aan, dus ze nam ze toch mee. Het was de laatste keer dat ze hem zou zien, kort daarna overleed hij.

De bezoeken aan Van der Poel was het enige contact met een antropo­soof dat mevrouw Vreugdehil in die tijd had. Na zijn dood zocht ze aansluiting bij de christengemeenschap in Zeist, maar dat werd geen succes, dus na een tijdje hield ze op naar de dien­sten te gaan. Ze had echter wel gezien dat de bijbel die de Christen­gemeenschap gebruikte vertaald was door mijn­heer Ogilvie, die in Amsterdam woonde. Tijdens de Tweede Wereldoor­log schreef ze aan Ogilvie. Die schreef een brief terug met adres­sen van antropo­sofen in Utrecht.

In de oorlog kreeg ze contact met Liesa Valk, die cursussen volgde bij mijnheer Van Goudoever. Liesa Valk had een antropo­sofische kleu­terklas. Ook Mimie Blankenburg had in die tijd een kleuterklas in Utrecht. Zij gaf daarnaast heileuritmie. Haar man, Jaap Blankenburg, had een boekwinkel.

In de oorlog werd onder leiding van de christengemeenschap­-priesters Ogilvie (Amster­dam) en Piet Muller (Zeist) twee maal het kerstspel opgevoerd, in een lokatie vlak bij sterrenwacht Zonnenburg. Verder hebben in die tijd Johanna en Elisabeth Knottenbelt één of twee euritmie­opvoeringen verzorgd in een lokatie aan de Kromme Nieuwegracht.

Het antroposofische leven vanaf de Eerste Wereldoorlog tot en met het einde van de Tweede Wereldoor­log moet dus rijk en veelzijdig zijn geweest. Wanneer we bedenken dat de Antroposo­fi­sche Vereniging in die tijd maar een paar honderd leden had, dan moet de groep antropo­sofen in Utrecht in die tijd verhou­dings­gewijs groot zijn geweest.

Na de oorlog viel volgens mevrouw Vreugdehil de antroposofi­sche beweging in Utrecht uit elkaar. Iedereen zocht iets nieuws en verhuisde naar andere plaatsen. Zelf verhuisde ze naar Den Haag.

In die tijd kwamen de pro­blemen in de Vereni­ging in volle hevigheid terug. De Antropo­sofische Vereniging in Neder­land was in 1935 uit de Algemene Antroposofische Vereniging gezet, wat tot de nodige discussies had geleid. Na de Tweede Wereld­oorlog veroorzaakten Marie Steiner en Albert Steffen een nieuwe golf van pro­blemen. Centraal stond daar­bij de vraag wie het beheer mocht voeren over de nalatenschap van Rudolf Stei­ner. Aange­zien Marie Steiner een testament kon overleggen, won zij de juri­dische strijd, maar omdat de rest van het bestuur zich niet kon vinden in haar beheervoering mocht zij de boeken die ze uitgaf niet meer in het Goetheanum verkopen en werd haar het leven in Dornach onmoge­lijk gemaakt.

Mevrouw Vreugdehil werd lid van een afdeling van de Neder­landse Vereniging, maar werd ook tegelijkertijd lid in Dor­nach. Op een gegeven moment vertelde een ander lid, mevrouw Barents, haar over het bestaan van de Vrije Hogeschool voor Geestes­wetenschap en de esoterische uren die in het kader van de Hogeschool gegeven werden (de klasse-uren). Mevrouw Vreug­de­hil stelde daarover vragen aan de voorzitter van de Neder­land­se groep, mijnheer Van Wageningen. Die wilde echter om ondui­delijke redenen haar vragen niet beantwoorden. Toen werd ze op uitno­diging van me­vrouw Barents lid van de Albert Stef­fen­groep en ging bij mevrouw Barents ook de klasse-uren vol­gen.

De Albert Steffengroep was gestart in een restaurant in Amersfoort, maar moest al snel op zoek naar een andere ruim­te, omdat de eigenaar van het restaurant vond dat ze niet genoeg con­sumpties nuttigden. Omdat ze in Amers­foort niets vonden, werd de zoektocht in Utrecht voortgezet. Daar werd een ruimte in een kerkje aan de Oude Gracht gevonden dat goed voldeed. Op die manier kreeg Utrecht een eigen afdeling van de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap.

In de groep die in Utrecht de klasse-uren volgde zat wonder­lijk genoeg niemand uit Utrecht zelf. De groep be­stond uit mensen die zich niet konden vinden in de zelfstan­di­ge koers van de Nederlandse Vereniging en die lid waren van de Algemene Antroposofi­sche Vereniging. Ze kwamen overal vandaan: Leeuwar­den, Hilversum, Schoorl, Amsterdam, Den Haag en het oosten van het land.

In 1976 nam mevrouw Vreugdehil het lezen van de klas­se-uren in de Utrechtse groep over en deed dit tot 1988. Daarna was de groep, die voorna­melijk uit oudere mensen be­stond, te klein geworden en werd opgehe­ven. De groep werd in de Nederlandse Vereniging afge­schilderd als de zwarte kousen­kerk van de antroposofie, wat naar alle waar­schijn­lijkheid jonge leden afgeschrok­ken heeft lid te worden. Mevrouw Vreug­dehil heeft de klasse-uren nog twee jaar in Maastricht en daarna nog twee jaar in Den Haag gelezen, en is er daarna mee gestopt.

Hoewel het Utrechtse antroposofische leven in de tijd na de Tweede Wereldoorlog zeer bescheiden moet zijn geweest, zijn er toch altijd mensen in de stad actief geweest. Zo is er sprake van een Utrechtse groep waarin mijnheer en mevrouw Engels­man, mevrouw Tempelton en mevrouw Bokhorst actief waren. De groep kwam maandelijks bij elkaar en bestudeerde de antro­posofie.

Eind jaren zeventig kwam er meer bewe­ging in het antroposo­fische leven in Utrecht. Er waren een aantal natuurvoedings­winkels opgezet, onder andere de Groene Waterman aan de Springweg (Binnenstad) en de Zaailing aan de Gild­straat 64 (Wittevrouwen). Mensen ontmoetten elkaar in deze winkels en maakten plannen, wat resulteerde in het opzetten van een Infor­matiecentrum voor antroposofie en de uitgave van een blad, de Berichten. Er werden cursussen en voordrach­ten geor­ganiseerd, het kerstspel werd ingestudeerd, leesgroepjes werden opgezet, kortom, een stroom van nieuwe activiteiten overspoelde de stad.

Maar de antroposofische beweging in Utrecht bleek in sterke mate een karaktertrek te bezitten die volgens Rudolf Steiner eigen is aan de Neder­landse volksziel: als het eb is komt er een vlakte van nieuw land en daarmee van nieuwe mogelijkheden open te liggen, dat vol enthousiasme veroverd wordt, maar zodra de vloed weer opkomt, is dat nieuwe land even snel ver­dwenen als het ontstaan was en is er van het enthousiasme weinig meer over. Het blad, dat be­doeld was als kwartaalblad, heette al snel drie keer per jaar uit te komen en haalde na de drie nummers van 1980 nog één nummer in 1981. Daarna zal waar­schijnlijk een crisis ingetreden zijn. In de lente van 1982 schreef Kees Bogert een praatpapier “Antro­posofie in Utrecht”, voor de bijeenkomst op 25 juni over dit onderwerp. Gezien het feit dat er na die tijd niets meer gehoord is van het informa­tiecentrum, kunnen we alleen spreken van een kortstondige opleving van het antroposo­fische leven.

Toch verslond de opkomende vloed niet alles. In de eb-perio­de van 1980 tot 1982 hadden een aantal ouders van het nieuwe land gebruik gemaakt door er een terp op te bouwen: er had zich een initi­a­tiefgroep ter oprichting van een Vrije School gevormd. Hoewel het nog tot 1984 zou duren voor het tot een daadwerke­lijke oprichting van de Vrije School Utrecht zou komen, heeft de school toch in 1994 haar tienjarige bestaan gevierd.

Sinds de jaren zestig waren in Utrecht twee artsen werkzaam vanuit de antroposofie, waaronder mijnheer Bordewijk, die in 1992 zijn praktijk beëindigde. Toen de antroposofische inter­nist Diederik Houwert in 1983 een lezing hield ontstond er echter de behoefte aan versterking van de antroposo­fisch-medische impuls in de stad. Er werd een initiatiefgroep ge­vormd die via Houwert contact legde met Casper Post Uiter­weer. Die vestigde in februari 1985 zijn praktijk in de Buys Ballot­straat. Casper verza­melde een enthousiaste groep om zich die met man en macht begon te werken aan het opzetten van een Therapeuticum. We kunnen hierin een tweede terp zien.

Wanneer we de winkels met natuur­voeding en het ook in de beginjaren van tachtig opgerichte B.D.tuinbouw­bedrijf de Aardvlo als een derde terp zien, dan krijgen we toch het beeld van een antro­posofi­sche beweging die zich in de jaren tachtig stevig begint te vestigen in Utrecht.

Een andere antroposofische eend in het bijt van de Utrechtse vijver mag zeker niet ongenoemd blijven. Cees van der Sloot was in de jaren zeven­tig in Utrecht gaan wonen. In 1982 richt­te hij met Percy Tjong-A-Hung de Stichting voor de Kinderen op. Vanaf 1982 tot 1989 is de Stichting actief geweest in Utrecht. Cees verzamelde ook een groep mensen om zich, die op anderen soms fanatiek over kwam en die een grote door­stroom kende. Er werd een hele reeks aan activitei­ten ont­plooid, onder andere werd een vegetarische hapjeskraam op het Neude geopend en de Stichting had aan de Oude Gracht 68 een pand, waarin onder andere de Lohengrinbibliotheek geves­tigd was.

De kern van de groep rondom Cees bestond uit zijn vrouw Jolande, waar hij in september 1983 mee getrouwd was, en John Vinks, die Cees waarschijnlijk in 1984 ontmoet had. Jolande was lid van de Hogeschool voor Geesteswetenschap en volgde vanaf 1986 de klasse-uren bij me­vrouw Vreugdehil. Het was het laat­ste rondje van twee jaar dat mevrouw Vreugdehil gaf. Toen ze in 1988 stopte, organiseerde de Stichting voor de Kinderen in het seizoen 1988-1989 meditatieve leesavonden van de klas­se-uren, die in 1988 door uitgeverij Cagliostro waren uitgege­ven. Aan deze openbaar toegankelijke leesavonden deden Jolande van der Sloot, Cees van der Sloot, Jonas van der Sloot, John Vinks en Loes van Alphen mee.

In de zomer van 1989 verhuisden Cees, Jolande en John, gebukt onder de onheilsvoor­spellingen over de ondergang van West-Europa, naar Argentinië. Loes van Alphen trok met Erik Brinkhorst weg uit Neder­land. Jonas van der Sloot bleef als enige in Utrecht wonen.

Een nieuw hoofdstuk voor het antroposofische leven werd in 1986 op initiatief van Casper en Hanny Post-Uiterweer geopend. De ledenavond werd opgericht. Er kwamen ongeveer dertig mensen bij elkaar op de oprichtingsbijeenkomst. Daarna ging een iets kleinere groep van start met wekelijkse bijeenkomsten. In september 1996 zal de groep zijn tienjarige bestaan beleven.

Deze nieuwe fase in het antroposofische leven werd in 1991 beant­woord vanuit de Vrije School Utrecht. Frans Joling, een leerkracht van de Vrije School Utrecht, nam het initiatief tot het opzet­ten van een studiecentrum, aangezien de ledenavond geen noemens­waardige activitei­ten naar buiten toe ontplooide. Daar bracht het studiecentrum verande­ring in. Met veel vuur werd in sep­tember 1991 het eerste programma gelan­ceerd. Al spoedig volgden andere initiatieven, zoals het opzetten van een blad (de Agenda voor antroposofische activiteiten in Utrecht) en een bibliotheek (Pharos, bibliotheek voor Antropo­sofie). De mensen in het studie­centrum zochten ook het contact met andere initiatieven. Uit de samenwer­king met de leden­avond werd een jaarfeesten­groep geboren (Akkerwinde, ter bewustwor­ding van het jaarverloop). De pogingen om een breed plat­form voor overleg tussen de verschillende initi­atieven op te zetten mislukte echter. Daarna werd gestreefd in ieder geval een aantal initiatieven onder één dak te brengen in de Utrechtse afdeling van de Antroposofische Ver­eniging. Een Binnenblad werd opge­richt dat de leden moest informeren over de gebeurte­nissen in de Utrechtse afdeling en dat samen met de Agenda aan de leden toegestuurd werd. Maar ook na deze periode van eb, waarin met veel enthousiasme het vrijgekomen land bestormd werd, begon in het begin van 1995 de vloed weer op te komen. Of deze periode van activiteiten een terp op zal leveren, moet nog blijken.

2  Een antroposofische visie op Utrecht

Utrecht is een heilige stad. In het begin van de elfde eeuw is er een kruis van kerken in de stad gebouwd, waarmee in de stad het Hemelse Jeruza­lem afgebeeld werd. Men was er van overtuigd dat aan dit Hemelse Jeruzalem een kruisvorm ten grondslag lag, omdat het aardse Jeruzalem geheiligd was door het kruis dat op Golgotha stond.

Het is opmerkelijk dat het Romeinse kamp waar Utrecht uit ontstaan is, ook een kruisvorm had, dat op dezelfde manier georiënteerd was als het kerkenkruis. Dat is te verklaren uit het feit dat de Romeinen hun kampen oriënteerden naar de windrichtingen, en dat het kerkenkruis, net als veel kerken, met de kop van het kruis naar het oosten gericht was.

De twee loka­ties waar Rudolf Steiner zijn voordrachten hield, vormen samen met het huis van Pieter de Haan drie punten van een kruis, dat iets groter is dan het Utrecht­se kerken­kruis, maar verder op dezelfde manier in de stad ligt. Het vierde punt van het kruis ligt in de buurt van het Wolven­plein. Het is waarschijnlijk niet meer dan een opmerkelijk toeval, maar omdat de voordracht van 24 februari op een loka­tie plaatsvond die een historische verbinding heeft met het kerkenkruis, drong de vergelij­king zich op.

Utrecht wordt altijd in één adem genoemd met de drie andere grote steden van Neder­land: Amsterdam, Den Haag en Rot­terdam. De vier steden vormen het leeuwedeel van de randstad. Utrecht is in dit rijtje veruit de kleinste stad. Aan de drie grote steden valt op dat Amsterdam een sterk cultureel leven heeft, dat in Den Haag de politiek zetelt en dat Rotterdam leeft van de econo­mi­sche activiteiten van de haven, die de grootste van de wereld is. Op basis daarvan zou men kunnen zeggen dat in Amsterdam, Den Haag en Rot­terdam de ziel van Neder­land op drie­voudige wijze tot uitdruk­king komt. Wanneer we de geleding met het menselijke lichaam willen vergelijken, dan kunnen we zeggen dat Am­sterdam de maag van Nederland is, omdat het culturele leven altijd voor de voeding van het leven van een volk zorgt, dat Den Haag de longen van Nederland zijn, omdat het sociale leven dat door de politiek geordend wordt geba­seerd is op de afwisseling van geven en nemen, en dat Rotter­dam de hersenen van Nederland zijn omdat de economie bestaat uit logische processen die van de grondstoffen uit de natuur goederen maken.

Wanneer we naar Utrecht kijken, springt vooral het geeste­lij­ke leven van de kerk in het oog. De nadruk ligt daarbij op de vraag hoe het leven in morele zin gevoerd moet worden. Wanneer we dit vergelijken met de andere drie steden, dan kunnen we zeggen dat Utrecht het zelfbewustzijn of het ik van Nederland tot uitdrukking brengt. Dit komt tot uitdrukking in de Domto­ren, een symbool voor de oprichting van de ruggegraat, waarmee de mens zich van het dier onderscheidt. Een ander symbool voor het ik is het menselijke hart. Het beeld van Utrecht als hart van Nederland duikt regel­matig in de media op.

Het ik is een centrum, maar wordt door Rudolf Steiner ook gekarakte­ri­seerd als een open ruimte die door de goddelijke wezens uitgespaard wordt, zodat de mens daar zich­zelf kan zijn. De kwaliteit van het ik zien we op verschillende manie­ren terug in de stad.

Een goed voorbeeld is het klasse-uur, waarover in het vorige hoofdstuk gesproken werd. Van overal uit Nederland kwamen mensen in Utrecht bij elkaar om een geestelijke scholing door te maken, maar niemand kwam uit Utrecht zelf. Als beeld daar­voor zouden we een cirkel kunnen teke­nen, met allemaal pijlen die van buiten naar het middelpunt van de cirkel wijzen, maar die aan de rand van de cirkel stoppen.

Hetzelfde fenomeen zien we bij een culturele activiteit die een belang­rijke rol heeft gespeeld in de opleving van Utrecht in de laatste vijftien jaar: Het Festival aan de Werf. Eén van de medewerkers schreef dat het zo opvallend was dat geen van de medewerkers van de staf uit Utrecht kwam of in Utrecht woonde. We zouden hier dus dezelfde tekening kunnen tekenen als bij het klasse-uur.

Het ik is het jongste deel van de mens, het is nog in zijn kinderstadi­um. Daardoor kan het dwalen, fouten maken, vooral op moreel gebied. In de geschiedenis van Utrecht zien we daar verschillende voorbeelden van. Het pijnlijkste daarvan is dat de NSB, de Nederlandse variant van de natio­naal-socialistische partij van Adolf Hitler, zijn hoofdkantoor aan de Maliebaan in Utrecht had. Het natio­naal-socialisme schijnt in Utrecht ook het meest ver­breid te zijn geweest. Een zwaardere dwaling op moreel gebied is nauwe­lijks voor te stellen en het geeft aan wat er gebeurt wanneer de open ruimte van het ik niet door menselijke kracht gevuld wordt. Dan kruipen andere krachten door het gat wat dan ont­staat de wereld binnen.

Een opvallend fenomeen is de opleving van Utrecht vanaf begin jaren tachtig. Wanneer we naar die tijd terug kijken kunnen we zeggen dat toen de antroposofische beweging werke­lijk een voet aan de grond kreeg in de stad.

Maar ook andere symptomen wijzen op een verandering in de geestelij­ke atmo­sfeer van de stad. In januari 1979 vond bij­voorbeeld de eerste bezetting van het oude Tivoli aan het Lepelenburg plaats. Daaruit groeide het poppodium dat in 1982 het pand aan de Oude Gracht kreeg en dat nu tot de grootste poppodia van Nederland gerekend mag worden. De jongeren die deze actie ondernamen gaven als reden op dat ze een feestruim­te nodig hadden, omdat er volgens hen “in Utrecht niets te doen was voor jongeren”. Het symboliseert de ommekeer die sindsdien in de stad heeft plaatsgevonden. Niemand zal tegen­woordig meer op het idee komen Utrecht te karakteriseren als een stad waar niets meer te doen is.

In het Utrechts Nieuwsblad van 2 juni 1993 stond een artikel met de kop: ‘Utrecht wenst zelfbewust imago’. Het artikel opende als volgt: “Zelfbewust en duidelijk. Dat moet het imago zijn van de stad Utrecht. Volgens het vandaag verschenen gemeentelijk communica­tieplan moeten de verschillende partijen en instanties in de stad in wisselwerking met het stadsbestuur bepalen wat de realiteit van Utrecht is en welke toekomstige identiteit daarbij hoort. Volgens het communicatieplan is die richting: vooruit naar een zelfbewuste toekomst met als kern kansen, groeimoge­lijkheden, zelfbewustzijn en daadkracht.” Deze zinnen laten niets aan duidelijkheid te wensen over. Ze kenmerken de daadkracht van het gemeen­tebestuur, wat zich uit in het feit dat Utrecht zich onlangs vrij gemaakt heeft van haar artikel-12 status. Die status krijgt een stad wanneer ze niet in staat is finan­cieel op eigen benen te staan en gehol­pen moet worden door de over­heid. Daar zitten natuur­lijk veel beperkingen voor de bewe­gingsvrijheid van de stad aan vast.

Tegelij­kertijd met het weer op eigen benen komen te staan is het kolossale Utrecht Centrum Project gelanceerd. Dit plan probeert een oplossing te bieden voor de problemen rondom Hoog Catharijne. Het is iedereen duidelijk dat Hoog Catharijne niet gezond is. De revitalisatie die op het moment plaats­vindt drukt uit dat de vita (het leven) ver te zoeken is. Een be­lang­rijk onder­deel van de revitalisatie is het verande­ren van het dak, zodat het daglicht binnen kan komen. Een ander be­langrijk onder­deel is het her­kenbaar­der maken van de in- en uitgangen. Het zijn pogingen om iets duis­ters open te maken.

Joseph Beuys, een Duits kunstenaar en antroposoof, drukte het belang van een station voor een stad uit in de kreet: “Macht Bahnhof-mysteriën!” Hij wilde er op wijzen dat de mysteri­n, waarin de mensen hun geestelij­ke ontwikkeling doormaken, vandaag de dag plaatsvinden op straat, in alle openbaarheid. Dat Hoog Catharijne zich tussen de binnenstad van Utrecht en het station heeft geschoven, is een alarmerend gegeven. Dat daarbij één van de grachten droog­gelegd is, kan die alarmeren­de toon alleen maar versterken. Wanneer het Utrecht Centrum Pro­ject daadwerke­lijk iets kan verbeteren aan die omstandighe­den dan is er veel gewonnen voor de stad. Er zou dan een evenwicht tussen de oude binnenstad en het moderne zakencen­trum rondom de jaarbeurs kunnen ontstaan, waarbij het station het raakvlak tussen die twee is.

Er doet een anekdote de ronde waarin een antroposoof op het station van Utrecht aan Rudolf Steiner vroeg of de antroposo­fie in Utrecht een kans zou maken. Rudolf Steiner zou daar­bij naar het oosten hebben gewezen en gezegd hebben dat de antro­posofie daar een kans zou maken. Het ontstaan van het antropo­sofische centrum in Drie­ber­gen-Zeist zou een bevesti­ging van de anekdo­te zijn, maar de vraag is natuurlijk hoeveel histori­sche gewicht de anekdote heeft. In ieder geval drukt het op het moment een bestaand probleem uit. Het antro­posofische leven in de stad wordt in haar ontwikke­ling regel­matig ge­stoord door het feit dat Drieber­gen-Zeist zo’n belang­rijk antroposofisch centrum is.

In een andere apocriefe uitspraak zegt Rudolf Steiner dat de antroposo­fie het in Utrecht zo moeilijk zou krijgen vanwege de sterke invloed van de kerk in de stad. We kunnen ons voorstel­len dat die uitspraak in het­zelfde gesprek op het station gedaan is. Het is opvallend dat het kerkelij­ke leven sinds de jaren zeven­tig sterk terug aan het lopen is, wat niet alleen in Utrecht zo is, maar wel een groot effect op Utrecht heeft. Er ontstaat vrije ruimte voor andere initiatie­ven en het is opvallend dat de ontplooiing van die andere initiatieven gepaard gaat met een algehele opleving van de stad. Met name New Age is sinds die tijd zeer prominent aanwezig in Utrecht.

Begin volgende eeuw is het duizend jaar geleden dat het initiatief voor het kerkenkruis in Utrecht genomen werd. Duizend jaar is in de christelij­ke esoterie een belangrijk getal, er wordt een samenhangende periode mee aangeduid die afgesloten wordt door een crisis die overwonnen moet worden. In het overwinnen van de crisis wordt de basis gelegd voor de volgende periode. Utrecht moet zich dus af gaan vragen hoe het in de toekomst verder wil. Zal de stad haar heilige karak­ter kunnen behouden? De kerken hebben de afgelopen dui­zend jaar bepaald, maar de vraag is of we ook voor de volgende duizend jaar onze hoop op de kerken moeten stellen, aangezien die sterk aan het leeglo­pen zijn. Wellicht is die leeg­loop zelfs een teken van het einde van de duizend jaar die Utrecht achter zich heeft.

Daar komt bij dat Nederland in de tussentijd een eigen volksziel heeft gekregen (zie het derde hoofdstuk). Het ker­kenkruis is ontstaan naar aanleiding van de dood van de Duitse keizer Koenraad II in Utrecht, door de kronieken uit die tijd ‘een stad in Frie­sland’ ge­noemd. De Friezen waren een germaan­se stam en Neder­land, in ieder geval het noordelij­ke deel, werd gezien als een onderdeel van Duitsland. Aangezien die situatie is veranderd halverwege de duizend jaar van het kerkenkruis, zal een her­nieuwde afdruk van het Hemelse Jeruza­lem in Utrecht een aan de nieuwe situatie aangepaste vorm moeten krijgen. In de stad van het ik zal de ziel van het volk gespiegeld moeten worden, zodat het volk een zelfbewustzijn kan ontwikke­len.

Nu is deze eeuw in Utrecht een ontwikkeling ingezet, die met de bouw van het Universi­teitscentrum in de Uithof een voorlo­pige afronding heeft gekregen. Het midden van de stad wordt beheerst door de grachtengor­dels, waar het sociale leven plaatsvindt. Stijgen we van de Domtoren op en vliegen we drie kilometer naar het oosten dan komen we in de Uithof, waar het wetenschappelijke leven zich geconcentreerd heeft. Vliegen we drie kilometer naar het westen, dan komen we in het industrie­gebied van Utrecht uit. Deze drieledigheid heeft hetzelfde karakter als de drieledig­heid van Amsterdam, Den Haag en Rotter­dam.

Wellicht dat het Nieuwe Jeruzalem niet alleen een kruisvorm in zich draagt, maar ook een driegele­ding. In dat geval zou de stad met zelfbe­wustzijn haar taak op moeten pakken en een idee moeten krijgen op welke manier ze uitdrukking kan geven aan die structuur, die zich potentieel al in de stad aan het verwerke­lijken is. Net zoals in het Neder­landse landschap de molens als kruisvormen aan de horizon stonden, maar de moderne molens drie wieken hebben, zo zou wellicht het nieuwe ‘kerken­kruis’ in Utrecht niet een vier- maar een drieledige vorm moeten krij­gen.

3  Rudolf Steiner in Nederland en de Nederlandse volksziel

Om een idee te krijgen van het belang van Rudolf Steiners aanwezig­heid in Nederland moeten we eerst een idee krijgen van het karakter van het Nederlandse volk en van de rol die inge­wijden spelen in het leven van volkeren.

De Nederlandse volksziel is in de vijftiende eeuw zelfstan­dig gewor­den. Tot die tijd was ze een deel van de Duitse volksziel. Rudolf Steiner zei daar op 9 juni 1910 in een voor­dracht in Oslo het volgende over: “Als wij nu een volk bekij­ken, dan zien we als zijn eerste machthebber de aartsen­gel. In hem werkt de tijdgeest met zijn bevelen en de aartsen­gel geeft dan deze bevelen door aan de engelen en deze weer aan de afzon­derlijke mensen. Omdat men gewoonlijk alleen ziet wat dichtbij is beschouwt men van dit ingewik­kelde samen­spel de rol van de aartsenge­len als de belangrijk­ste. Het kan echter ook gebeuren dat de tijdgeest ernstigere, belang­rijkere beve­len moet geven, dat hij iets van de aartsen­gel moet afne­men. Hij moet soms een deel van het volk afzonde­ren, zodat vervuld kan worden wat de tijd eist, wat zijn opdracht is. In zo’n geval zonderen bepaalde volksge­meenschap­pen zich van andere af. Daar krijgt de tijdgeest duidelijk de overhand over het werken van de aartsen­gel. Zo iets deed zich voor toen het Hollandse volk zich afsplitste van de basis die het met het Duitse volk gemeen had. Holland en Duitsland hadden oor­spron­kelijk dezelfde aartsengel en de afsplitsing vond plaats omdat de tijdgeest op een bepaald ogenblik een deel van het volk apart nam en daaraan een taak gaf, die voerde tot de belang­rijkste opdrachten van de huidige tijdgeest. Alles wat u in de ge­schiedenis van Holland kunt lezen – geschiedenis is welis­waar slechts een uiterlijke uitdrukking, een schijn van datge­ne wat werkelijk vanuit het innerlijk bekeken gebeurt – is alleen maar een weerspiegeling van dit innerlijke gebeuren. We zien dus uiterlijk deze afsplitsing van het Hollandse volk van het algemeen Duitse voltrekken. De innerlijke betekenis is echter dat de tijdgeest een instru­ment nodig had om zijn taak overzee te kunnen volbrengen. De hele opdracht van het Hol­landse volk is een taak van de tijdgeest geweest en het werd afgesplitst om de tijdgeest in staat te stellen in een bepaal­de tijd iets belangrijks met dit volksdeel uit te voeren.”

De missie van het Nederlandse volk is dus zijn taak overzee. Dat verwondert ons niet wanneer we naar de vaderlandse ge­schiedenis kijken. De drang om te gaan varen en koloniën te stichten beheerste het hele volk. Het V.O.C. kreeg overal in de wereld een voet aan de grond. New York is door Nederlan­ders gesticht. Suriname, Kaapstad en Indonesië zijn lange tijd in Nederlandse handen geweest. En de Nederlanders waren als enige welkom in Japan. Wanneer we die punten met elkaar ver­binden dan ontstaat ongeveer een cirkel op de wereldkaart, met in het middel­punt Amsterdam.

Een apocriefe uitspraak van Rudolf Steiner luidt dat Chris­tiaan Rozen­kruis in de geestelijke wereld overleg gevoerd heeft men de groepsziel van de haringen en die gevraagd heeft van de Oostzee naar de Noordzee te verhuizen. De reden om dat te vragen was omdat de Nederlanders moesten gaan varen. De haringvangst in de Noordzee was inderdaad een belang­rijke stimulans voor het Neder­landse volk om te gaan varen.

Christiaan Rozenkruis is één van de grootste ingewijden die de mens­heid kent. Wanneer we bovenstaande uitspraak serieus nemen dan moeten we dus concluderen dat hij heel concreet meegeholpen heeft aan het werk van de tijdgeest en het ont­staan van het Nederlandse volk.

Een andere apocriefe uitspraak van Rudolf Steiner luidt dat Chris­tiaan Rozenkruis in de Gouden Eeuw Rembrandt inspireerde tot zijn onderzoek naar licht en duisternis. Rembrandt zou zelfs een portret van Christiaan Rozenkruis geschilderd hebben (‘Man in wapenuitrus­ting’ of ‘Alexander de Grote’). Wanneer we ook deze uitspraak serieus nemen dan moeten we concluderen dat Christi­aan Rozenkruis in de Gouden Eeuw be­trokken was bij de ontplooiïng van de Nederlandse volksziel. Het was de tijd van de Republiek; van grote namen als Rem­brandt, Vondel, Huygens en Spino­za. Nederland was een vrij land waar mensen als Des­cartes en Comenius heenvluchtten om in vrijheid te kunnen werken.

Een derde apocriefe uitspraak van Rudolf Steiner luidt dat Christiaan Rozenkruis in zijn incarnatie als de graaf van Saint Germain (eind achttiende, begin negentiende eeuw) in Den Haag gewoond heeft. Dat is ongeveer de tijd dat Goethe en Schiller hun stukken schreven over de oorlog tussen Neder­land en Spanje en daarbij Nederland bejubelden als het land van de vrijheid. In de laatste akte van Faust II laat Faust een stuk zee inpolde­ren om een nieuw, vrij land te scheppen; als dat ontstaan is, heeft hij zijn onrustige streven tot een voor hem bevre­digend einde ge­bracht. Dit land doet sterk denken aan de inge­polderde delen van Neder­land.

We kunnen door de uitspraken van Rudolf Steiner het idee krijgen dat Christiaan Rozenkruis zich door de loop van ver­schillende eeuwen bezig gehouden heeft met het Nederlandse volk.

Wanneer we de overzeese missie van Nederland opvatten in de zin van het doen van ontdekkingsreizen en het stichten van een we­reldom­span­nend rijk dan kunnen we concluderen dat die taak zijn langste tijd gehad heeft. Het grote rijk over­zee bleek niet tegen erosie be­stand. In Japan heeft Neder­land nooit echt een kolonie kunnen stichten (wat waarschijn­lijk ook nooit de bedoeling was). New York, in zijn eerste jaren Nieuw Amster­dam geheten, werd na een aantal jaar aan de Engel­sen verkocht voor Surina­me. Kaap­stad bleef langer in Neder­landse handen, lang genoeg om het Neder­lands als taal daar te laten aarden, maar uitein­delijk viel ook dat in Engel­se han­den. Na de Tweede Wereldoor­log viel defini­tief het doek voor het overzeese rijk: Indone­sië vocht zich vrij en in 1975 verwierf Surina­me de status van zelfstan­digheid. De paar kleine eiland­jes die over bleven zijn voor dit verhaal het noemen niet waard.

Maar hoe moeten we nu verder? Keert Nederland weer terug in de schoot van het Duitse volk? Door de Tweede Wereld­oorlog is zoveel weerzin tegen de Duitsers ontstaan dat daar geen kans op be­staat. Maar wanneer Nederland als zelfstandig volk verder wil heeft het wel een nieuwe missie nodig.

Wellicht kunnen we op een nieuwe missie wat licht werpen wanneer we realiseren dat ook Rudolf Steiner een groot inge­wijde was en in Neder­land gewerkt heeft. Dat was weliswaar in een tijd dat de missie van Nederland nog overzee lag, maar we zouden zijn activiteiten op kunnen vatten als een voorbe­rei­ding, net zoals Christi­aan Rozenkruis ter voorbe­reiding zijn vraag stelde aan de groeps­ziel van de haringen.

Wanneer we met dit oog de aanwezigheid van Rudolf Steiner in Neder­land overzien dan kan ons in eerste opzicht een teleur­stelling overvallen: het grootste deel van de tijd onder­scheidt zijn verhouding tot Nederland zich niet van zijn verhouding tot andere landen.

Daar komt echter verandering in wanneer de Kerstbijeenkomst van 1923 nadert. Rudolf Steiner neemt in 1923 een aantal besluiten die zijn werk­wijze radicaal veranderen. En vanaf dat moment liggen de opvallen­de verbindingen van Rudolf Stei­ner met Nederland voor het oprapen.

Een voorbeeld van zo’n verbinding is dat hij in het bestuur van de nieuwe Antroposofi­sche Vereniging twee Neder­landse vrouwen opneemt, Ita Wegman en Elisabeth Vreede. Een ander voorbeeld is dat hij erg tevreden is met het feit dat Zeylmans van Emmichoven de voorzitter wordt van de Antro­poso­fische Vereni­ging in Nederland (in plaats van de in het eerste hoofd­stuk genoemde Pieter de Haan, die door een aantal leden naar voren was geschoven). Met die benoeming lukte in Nederland iets wat in een aantal andere landen niet lukte, namelijk dat de door Rudolf Steiner voorgestelde voorzitter ook gekozen werd.

Maar het meest opvallende voorbeeld zijn de karmavoordrach­ten die Rudolf Steiner in 1924 hield. In deze enorme reeks voordrachten stuurde hij aan op het onthullen van de karmische achtergronden van de antropo­sofische beweging. In juli bezocht hij Nederland omdat er een groot congres in Arnhem georga­ni­seerd was. Hij gaf daar ook drie karmavoor­drachten, en gaf daarin een wending aan de hele reeks. Hij begon te spreken over de aarts­engel Michael, die in 1879 tijdgeest was gewor­den. Hij sprak over de strijd van Michael met de draak en hij deed de voor­spelling dat de antroposofen aan het einde van de eeuw opnieuw zouden incarneren om aan de strijd van Michael met de draak deel te nemen, die dan in alle hevig­heid zou ontbran­den en die beslissend zou zijn voor de rich­ting die onze cultuur inslaat.

Dit thema bleef Rudolf Steiner tot aan zijn dood in maart 1925 behan­delen. Hij had aan de jongere generatie om zich heen, waar Zeylmans van Emmichoven een representant van was, beloofd dat hij zou proberen weer jong te worden. Dat die belofte erg letterlijk uitpakte en dat hij eerst dood moest gaan om weer opnieuw te kunnen incarneren, zal men daar­bij toen niet gereali­seerd hebben, Rudolf Steiner zelf mis­schien ook niet.

De geschiedenis van de Nederlandse Vereniging vertoonde na de dood van Rudolf Steiner opmerkelijk genoeg hetzelfde pa­troon als de Neder­landse volksziel een aantal eeuw eerder: de Ver­eniging verzelfstandigde zich tegenover de Algemene, voor­na­me­lijk Duitse vereni­ging. En ook hierin kunnen we de hand van de tijdgeest vermoeden.

De vraag die voor verder onderzoek open ligt is of er wel­licht een verband is tussen de situatie waarin Utrecht zich bevindt door het aflopen van haar duizend jaar kerkenkruis, de nieuwe missie van de Nederlandse volksziel, de strijd van Michael tegen de draak en de reïncar­natie van de antroposofen in deze tijd.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.