.
CARNAVAL ONTMASKERD
Het was in de kersttijd. Ik was in de keuken bezig de avondmaaltijd voor te bereiden. In de kamer waren de kinderen aan het knutselen met papier en karton. De afgelopen dagen hadden ze vele malen gedeelten van het kerstgebeuren gespeeld, geheel volgens eigen versie en regie. Plotseling vloog de deur open en er sprongen twee gestalten naar binnen. Het waren de twee oudste dochters van 9 en 10, met grijnzende duvelsmaskers. Ze dansten met sluipende slangbewegingen om mij heen, stootten enkele oergeluiden uit en verdwenen toen weer even geluidloos en vlug als ze gekomen waren. Ietwat verbijsterd stelde ik vast dat deze vertoning een nabootsing moest zijn van de ‘duvel van de echte-lien’ uit het Oberufer Paradijsspel, dat door de leraren van de Vrije School elk jaar voor de kinderen wordt opgevoerd. Naast alle lichte gestalten van het kerstspel wilde het donker ook zijn plaats!
Sacrale oorsprong
Wat is een masker? Het is een gezicht dat het eigen gezicht verbergt. Het is de strakke onbewogenheid van een vastgelegde gelaatsuitdrukking, die de beweeglijkheid van het levende mensengelaat bedekt. Op mysterieplaatsen, bij rituele dansen, bij heilige handelingen werden, en worden in sommige culturen nog steeds, maskers gedragen. Groot en indrukwekkend, vaak angstaanjagend met grote ogen en tanden, en een open mond waar soms een lange tong uithangt. Alsof daarmee uitgedrukt wordt dat er niet met menselijke tong gesproken wordt door de persoon die het masker draagt. In de tweede eeuw voor Christus begonnen de Romeinse toneelspelers maskers te dragen, een wijze van aankleding die zij, zoals zoveel, hadden overgenomen van de Griekse tragediespelers. Deze maskers heetten in het oude latijn ‘personae’, een woord dat afgeleid is van het werkwoord ‘personare’, hetgeen betekent: erdoorheen klinken. Wat moest daar dan doorheen klinken?
Evenals in Midden-Europa het toneel ontstaan is uit de paasliturgie in de christelijke kerken, heeft ook het Griekse toneel een sacrale oorsprong, namelijk de grote Dionysosfeesten die in maart gevierd werden. In Dionysos beleefden de oude Grieken de aarde, die in de lente uit haar winterslaap wordt gewekt tot nieuw leven. De gezongen dialoog tussen de godheid en zijn gezelschap satyrs, het koor van bokkengezellen, werd later uitgebreid met meer personen, en ook met gesproken tekst. In de aankleding heeft de tragedie (het woord betekent eigenlijk ‘bokkenlied’) nog lang het sacrale element behouden. De spelers droegen hoge toneellaarzen, een pruik en een masker van linnen. Merkwaardige maskers met lange, gestileerde lokken, vaak een ‘wijdingsband’ om het voorhoofd, en een wijdopen mond, zodat de stem van de speler goed hoorbaar was. Door dit alles moeten de spelers er zeer indrukwekkend hebben uitgezien, niet naar menselijke maar naar goddelijke maat, en dat was ook de bedoeling. Zij waren middelaar, instrument, het bovenaardse moest door hen heen klinken. Zoiets vraagt een opofferen van de eigen emoties, een leren beheersen van de persoonlijke gevoelens, een dienstbaar maken van jezelf aan de hogere machten. Ik neem aan dat de spelers een bepaalde oefentijd moesten doormaken die te vergelijken is met een inwijdingsweg. Voordat je in staat was de stem van de godheid door je heen te laten klinken, moest je geschoold zijn.
Behalve deze jaarlijks terugkerende opvoeringen waardoor de toeschouwers op bepaalde wijze naar hun ziel gelouterd werden (de zg. catharsis), waren er ook optochten, heilige ommegangen. Op vele drinkschalen uit ± 500 voor Chr. zijn afbeeldingen te vinden van de Dionysosfeesten in Athene. Daarop zie je het beeld van de god omgeven door wijnranken, in een schip op wielen, dat rondgereden werd tijdens de optochten. Ook in de Griekse kolonies, zoals Marseille in Zuid-Frankrijk, werden deze feesten ieder jaar in het begin van de lente gevierd, tot in de christelijke tijd toe. En van daaruit maakte de ‘scheepswagen’, deze ‘carrus navalis’ zijn zegetocht door Europa, en bleef bewaard tot op de huidige dag in het grote zottenfeest van carnaval.
Een oorspronkelijk godsdienstig feest werd tot volksgebruik. Bij de verbreiding van het Christendom heeft de kerk getracht het godsdienstige element weer toe te voegen aan de heidense gebruiken. In de vastennacht om 12 uur klonk de roep: ‘Maskers af!’ en dat betekende het einde van de feestroes. Vanaf Aswoensdag begon de periode van inkeer en boetedoening.
De tijd van het elkaar zinvol in evenwicht houden van carnaval en vastentijd is echter voorbij. Het zijn beide ‘holklinkende vaten’ geworden. De maskers zijn afbeeldingen uit de onderwereld geworden in plaats van uit de ‘bovenwereld’! Herkennen we dan nog iets in dit verschijnsel van verkleden en maskers, dat ons vertrouwd is? Als we naar kinderen kijken, weten we het weer. Als kind deden we dat graag, steeds weer een ander kleed om, een andere ‘persona’ opzetten. Er zijn kinderen die heel gemakkelijk van de ene rol in de andere overstappen. Bij anderen gaat dat wat moeizamer. Het is of ze proberen de wereld om hen heen vanuit een steeds wisselend gezichtspunt te bekijken, en deze daardoor leren kennen. Zodra er ook nog kleren en hoofddeksels aan te pas komen, wordt de overgave aan de rol groter. Vooral in de kersttijd als de kinderen zich met behulp van eenvoudige gewaden in de gestalten van het kerstgebeuren mogen inleven, benadert wat je daar voor je ogen zich ziet voltrekken, de sacrale oorsprong van het toneel. Het past de volwassene om zich dan met heilige schroom ‘onzichtbaar’ te maken. Wie dat niet kan, wie zich innerlijk niet kan terughouden, zal hoogstens een uiterlijk goed verlopend toneelstukje zien, maar het wonder gaat aan hem voorbij.
Het masker bezield
Het masker verbergt iets dat ook verborgen wil of moet blijven. Jonge kinderen hebben nog niets te verbergen. Ze hebben nog geen maskers nodig om een ander te kunnen spelen. Het hoofd kan bedekt worden met een muts of een kroon, maar het gezicht blijft open. Het kind is nog direct doorlaatbaar voor ‘andere stemmen’. Vanaf het 10e jaar verandert dat. Het eigen gevoelsleven gaat zich ontplooien, en dan is het fijn om je hoofd eens helemaal in een dierenkop te mogen verbergen, of je ogen die je kwetsbare ziel verraden te verstoppen achter een masker. En hoe is het met ons volwassenen? Dragen wij een masker of zijn wij ‘onszelf’? En wat is dan dat ‘onszelf’ en in hoeverre is het verwerpelijk om een masker te dragen? In de loop van ons leven kiezen we een bepaalde vorm van werkzaamheid, een bepaald ‘beroep’ in de ruimste zin van het woord. Dat beroep, die werkzaamheid vereist een bepaald gedrag, en in het begin kan de poging om zich dat gedrag eigen te maken nogal overdreven aandoen en zelfs enigszins komisch werken. Het nieuwe kleed past nog niet zo goed, en het gewichtige gezicht is nog zo onwennig. Het hangt dan van je eigen wil tot ontwikkeling af of je dat ‘masker’ dat je ook als een soort bescherming draagt, langzamerhand kunt bezielen, van binnenuit tot leven weet te brengen. Dat is een lange weg. Het kost immers vele jaren van ons leven om de grote menselijke deugden tegen de verdrukking in te ontwikkelen. Iedere dag kent zijn nederlagen en overwinningen wat dat betreft. Maar dan blijkt in bijzondere levensomstandigheden of het iemand gelukt is om zich aan het masker te ontwikkelen, al of niet bewust. Want dan pas merk je of je staande blijft, als het beschermende masker af gaat.
Marieke Anschütz, ‘Jonas’ 8 februari 1980.
.
Carnaval: alle artikelen
Jaarfeesten: alle artikelen
VRIJESCHOOL in beeld: jaarfeesten
.
77-74
.
Pingback: CUE ontwikkelt » Ont-wikkelen, authenticiteit, vrijheid | Impressie Table 3 april
Pingback: CUE ontwikkelt » Impressie Table 12 maart