Tagarchief: seksualiteit

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (22-3)

.
Zie voor een inleiding 

SEKSUALITEIT (3)

Een klein eindje in de niet ruimtelijke wereld gaan…

In de twee vorige nummers is over seksualiteit geschreven. In het eerste stuk werd het mannelijke en het vrouwelijke belicht, in het tweede de homoseksualiteit.

Hugo Verbrugh richt nu het focus op twee andere aspecten van seksualiteit: het communicatieaspect en de incarnatiemogelijkheid voor nieuwe mensen. ‘Wat we in deze tijd meemaken is de totale loskoppeling van deze beide kanten.’

Antroposofie en seksualiteit worden niet vaak in één adem genoemd. Dat is om drie redenen opmerkelijk: ten eerste omdat het wel invoelbaar is dat deze twee onderwerpen niet gauw met elkaar in verband gebracht worden, ten tweede omdat er omgekeerd evenzeer aanleiding is om ze wel met elkaar in verband te brengen en ten derde omdat de negatieve, respectievelijk positieve aantrekkingskracht van de beide onderwerpen nauw met elkaar samenhangen. Reden genoeg dus voor een klein essay over de relatie tussen antroposofie en seks.

De eenvoudigste manier om aan het thema te beginnen is, zoals wel vaker, een stukje geschiedenis. Dan blijkt meteen al hoe sterk gemengd positief-negatief – deze beide termen uitdrukkelijk niet bedoeld als morele (dis)-kwalificatie! – de relatie is. Enerzijds lijken in het theosofische milieu waarin Steiner aan het eind van de vorige eeuw de eerste weerklank voor zijn ideeën en inzichten vond, opvattingen te hebben geleefd over seks en wat daarmee samenhangt, die we nu als uitgesproken progressief zouden bestempelen. Dezelfde mensen die in de theosofische beweging actief waren, openden bijvoorbeeld consultatiebureaus om adviezen te geven op het gebied van geboorteregeling. Dat hing zonder twijfel samen met de moderne ideeën over (vrouwen)emancipatie bij mensen als Annie Besant en andere theosofische voorlieden. Annie Besant werd in 1877 zelfs tot secretaris gekozen van de ‘Malthusian League’ – een voorloper van wat nu in Nederland de NVSH is – hetgeen in die tijd een scandaleuze toestand was. Dat is dus het positieve aspect. Anderzijds krijgt men, zich verdiepend in de historische ontwikkeling van de antroposofie, toch wel de indruk dat de mensen met wie Steiner in de loop van zijn werk in gesprek kwam niet uitzonderlijk geïnteresseerd waren in het onderwerp, wanneer we althans mogen afgaan op de overgeleverde schriftelijke versies van zijn voordrachten. Dit laatste voorbehoud is belangrijk. Er wordt namelijk terecht op gewezen dat men bij de duiding van de voordrachtsteksten altijd moet verdisconteren dat deze voordrachten in een concrete setting werden gehouden. Inhoud, uitwerking en ‘toonzetting’ waren afgestemd op de vragen, verwachtingen en weerstanden die bij zijn toehoorders leefden. Bij nauwkeurig lezen van voordrachtteksten, bijvoorbeeld die voor artsen, blijkt dat er wel degelijk heel wat verwijzingen naar ons onderwerp in voorkomen: Een probleem is alleen dat deze verwijzingen helemaal ingebed zijn in de antroposofie als geheel – weer een negatief aspect van de relatie tussen antroposofie en seks. Passages over seksualiteit en daarmee verband houdende onderwerpen zoals de man/vrouw-relatie zijn misschien nog moeilijker dan met andere onderwerpen het geval is los te maken uit de samenhang met de antroposofie als geheel zonder dat ze vertekend en verminkt worden. Allicht dat het daardoor kan lijken alsof de beide thema’s weinig met elkaar van doen hebben.

Spanningsveld

Maar ook zonder historisch perspectief is de relatie antroposofie-seks verwarrend; ze komt althans op de buitenstaander onduidelijk over. De opvattingen die onder antroposofen leven zijn immers niet goed in te delen in de starre schema’s progressief-conservatief. Verhalen die je af en toe in de krant leest over gereformeerde schoolbesturen die onderwijzers willen ontslaan omdat ze samenhokken zonder getrouwd te zijn, zijn in de vrijeschool ondenkbaar; maar de praktische consequenties van de antroposofische ideeën over abortus doen de leerlingen van Steiner net in de andere uiterste hoek van het links—rechts-schema belanden.

Intussen ligt de belangrijkste reden voor de antroposofische terughoudendheid inzake seks waarschijnlijk nog wel wat dieper. Antroposofie betekent een mensbeeld waarin de relatie tussen lichaam en geest tot de alleruiterste consequentie doordacht en – zover dat in ieders bereik ligt – bewust doorleefd wordt. Deze consequentie gaat uiteindelijk over in de mogelijkheid van een lichaamsvrij bestaan voor de mens. Een van de hoekstenen van de antroposofie is het idee dat na de dood een lichaamsvrij bestaan realiteit wordt terwijl in die toestand dan ook een, uiteraard wezenlijk veranderd, besef van de eigen identiteit behouden blijft. Steiner heeft hierover vele gedegen en gedetailleerde uiteenzettingen gegeven; wie de weg daartoe gevonden heeft, kan zich een nauwgezet en overtuigend beeld vormen van dit bestaan.

Het lijkt me vanzelfsprekend dat iemand die probeert dit idee in zijn leven in te bouwen anders gaat denken over seks dan iemand bij wie een dergelijk besef niet, of niet zo uitgesproken leeft. Seksualiteit manifesteert zich immers, naast vele andere aspecten, bij uitstek als een van de sterkste spanningsvelden tussen lichaam en geest. Het proces van losmaking van de geest van het lichaam na de dood is dus ook, in veel gevallen misschien vooral, een losmaking van de geest uit dit bijzondere spanningsveld. Nu is deze ‘losmaking van de geest’ na de dood niet een proces dat vanzelf gaat, integendeel. De traditionele voorstellingen over het vagevuur wijzen wat dit betreft onverbiddelijk in dezelfde richting als de uiteenzettingen van Steiner: het is een helse strijd die gestreden moet worden om de geest vrij te krijgen uit dit spanningsveld, en deze strijd is des te pijnlijker en moeizamer naarmate men zich in het leven hier daar minder op heeft voorbereid. Seksualiteit heeft als spanningsveld tussen lichaam en geest enkele bijzondere kenmerken. Het belangrijkste hiervan is dat dit spanningsveld in wezen de begeerte is naar het volwaardig mens zijn waarin het man/vrouw-verschil is opgeheven. Zo bezien zou seksualiteit omschreven kunnen worden als de herinnering aan de tijd van ons leven voor de zondeval, plus het verlangen om die staat weer te herstellen en de ervaring dat dit, althans ogenschijnlijk, mogelijk is in de seksuele ontmoeting.

Nu is er met de binding tussen lichaam en geest op het terrein van de seksualiteit iets bijzonders aan de hand. Seks is immers niet het enige dat onze geestelijke identiteit aan onze lichamelijkheid kluistert. Zonder eten en drinken, zonder lucht en warmte kunnen we als mens niet bestaan. Voor zover ons fysieke lichaam daarvan afhankelijk is, moeten we na de dood dus ook van deze vier levenskwaliteiten loskomen.

Met seks ligt het met deze lichaam-geest-binding in één opzicht wezenlijk anders dan met de genoemde vier elementaire kwaliteiten die ons fysieke lichaam in stand houden. Zonder deze vier kwaliteiten kan geen lichamelijkheid bestaan, maar voor seks geldt dat allerminst. Weliswaar is een mens altijd man of vrouw en is dus lichamelijk bestaan zonder seksualiteit in de zin van het besef van het man/vrouwverschil ondenkbaar, maar lichamelijkheid zonder seks in de zin van daadwerkelijke seksuele belevingen met een ander is theoretisch mogelijk en komt in de praktijk voor. Omgekeerd is seksualiteit zonder lichamelijkheid een wezenloze abstractie, doet zich althans in eerste instantie als wezenloze abstractie aan ons voor: het denkbeeld dat in een lichaamsvrij bestaan – na de dood of anderszins – iets als seksualiteit voorkomt lijkt me ongerijmd. Maar dit ongerijmde denkbeeld opent wel het perspectief op de vraag wat seksualiteit eigenlijk is.

Incamatiemogelijkheid

Seks(ualiteit) is herinnering aan de tijd voor de zondeval, heb ik hierboven geopperd. Ik laat in het midden of dit een sluitende definitie is of zelfs maar een algemeen aanvaardbare omschrijving. Het is met seksualiteit ongeveer als met bijvoorbeeld wijsheid en filosofie, met gezondheid of ziekte: iedereen weet voor zich zelf precies en in het algemeen ongeveer wat het is; voor de rest hangt het begrip dat je je ervan vormt sterk af van wat je er zelf in je leven van maakt.

Ik ga daarom niet proberen hier een andere, eventueel voor iedereen aanvaardbare karakterisering te geven, maar richt het focus nu op de samenhang tussen twee – of moeten we zeggen de twee? – aspecten waaronder seksualiteit zich aan ons voordoet: in haar communicatie-aspect tussen twee mensen, waarin liefde en erotiek een rol spelen, en de functie die de seksualiteit heeft in de incarnatiemogelijkheid voor nieuwe mensen*.

Essentieel is nu dat de opvattingen over de samenhang tussen deze beide aspecten van seks, en dus ook deze samenhang zelf, sinds ongeveer een eeuw sterk aan het veranderen zijn. Deze verandering tendeert onmiskenbaar in de richting van een steeds losser worden van de samenhang. De opvatting dat seksualiteit uitsluitend diende c.q. mocht dienen en dus geoorloofd was als ‘middel’ om nieuwe mensen hun incamatiemogelijkheid te geven, is bij mijn weten in geen enkele cultuur ooit verkondigd, laat staan gepraktiseerd. De verschillen in opvatting gingen en gaan bij mijn weten alleen over de wijze waarop en de mate waarin het goed c.q. geoorloofd is de incamatiefunctie te laten meespelen in de omgang met seks als communicatiemedium. Wat we nu in deze tijd** meemaken is een drastische verdere verschuiving van de opvatting over de samenhang en dus van de samenhang zelf in de richting van de uiterste consequentie: de totale loskoppeling van de beide aspecten.

Technology push

Voor de beleving van talloze mensen overal ter wereld is deze loskoppeling in één richting al een voldongen feit. Anticonceptie-ideologie en -praktijk maken dat het communicatieaspect van de seksualiteit volledig uitgeleefd kan worden zonder de functie van de incarnatiemogelijkheid in het bewustzijn te hoeven hebben. In omgekeerde richting is het intussen ook al bijna zo. Technisch is de vooruitgang hier bijna even ver als op het gebied van de anticonceptie. De maatschappelijke ‘vooruitgang’ tekent zich ook al af: reageerbuisbaby’s, spermabankkinderen, clonaal voortgebrachte nakomelingen en dergelijke zijn al lang niet meer alleen Science fiction producten. Het duurt misschien niet meer lang of ze zullen zelfs als verstrekkingen in het ziekenfondspakket worden gepropageerd.

Deze laatste conclusie is gebaseerd op een verschijnsel dat bekend staat als de ‘technology push’: de automatische, niet te stuiten aandrang die uitgaat van de uitvinders van technologische vindingen en producten om te bewerkstelligen dat hun vindingen en producten ook maatschappelijk aanvaard en toegepast worden. Over deze ‘technology push’ is de laatste tijd veel te doen. Met name wordt bediscussieerd of de maatschappelijke aanvaarding en toepassing werkelijk zo automatisch en onstuitbaar is als vroegere onderzoekers van het onderwerp ‘wetenschap en samenleving’, waaruit het begrip ‘technology push’ voortkomt, hebben aangenomen. Er is dus ruimte om ons af te vragen of we een oordeel kunnen en willen vormen over het gegeven dat de twee functies van de seksualiteit, die sinds de zondeval met elkaar samenhangen, thans meer en meer van elkaar gescheiden worden. En zo ja, hoe dit oordeel dan luidt.

Uitgangspunt voor deze oordeelsvorming is, dunkt me, het spijkerharde gegeven dat de mens ook in andere opzichten verandert – eigenlijk in alle opzichten voortdurend verandert.
Met dit gegeven komen we op een tweede hoeksteen van het antroposofisch mensbeeld. Het idee dat er zoiets bestaat als ‘de’ mens, eens en voor altijd geschapen als wezenlijk bestaand en dus statisch en onveranderlijk, is slechts één aspect van de mens. Het andere, dynamische en veranderlijke aspect, de mens die is geschapen met het doel zich zelf verder te scheppen, is precies even belangrijk. Alleen verdient dit aspect in onze huidige cultuur extra aandacht omdat deze cultuur helemaal wordt gedomineerd door de gedachte dat de mens in wezen onveranderlijk is en zich alleen in uiterlijk-mechanistische zin kan en moet aanpassen aan veranderende uiterlijke omstandigheden. De ‘technology push’ is een typische manifestatie van dit statische aspect. De mens volgt in zijn gedrag noodgedwongen, star ‘mechanisch’ de wetten van de technologie.

In het antroposofische mensbeeld is de mens uitdrukkelijk geen statisch gegeven. Hij is een synthese van beide aspecten, van het statische en het dynamische, heeft een vrijheidsmarge ten opzichte van de gevolgen van de techniek. Dat betekent dat zich hier een nieuw midden aftekent tussen de eenzijdig doorgevoerde ‘technology push’ die zegt ‘gaat heen en vermenigvuldigt u niet’, en het traditionele moralisme waarin seksualiteit niet los mocht worden gezien van de voortplanting, om dit onwoord nog eens te gebruiken.

Net zomin als we het traditionele moralisme hoeven te volgen, hoeven we ons niet willoos neer te leggen bij de door de technologie gepushte segregatie van communicatie- en incarnatieaspecten van de seksualiteit. We kunnen een middenweg zoeken tussen meedrijven op de maatschappelijke stroom en halsstarrig alleen maar ‘nee dat mag niet’ roepen. Hoe dat nieuwe midden eruit ziet weet ik ook niet, dat is inherent aan het nieuwe. Wat ik wel weet is dat, onder de oppervlakte van de actuele discussies over seksualiteit anticonceptie, man/vrouwrelaties en alles wat daarmee te maken heeft, dit de harde kern van het probleem is.

Brancusi of Lehmbruck?  ‘Liefdespaar’

Alles met alles

De gedachtegang vindt een volgende ankerplaats bij een derde hoeksteen van het antroposofisch mens- en wereldbeeld: de samenhang van alles met alles. Uit dat geheel van alle denkbare samenhangen die de antroposofie in de werkelijkheid onderkent haal ik er hier drie naar voren.

Ten eerste die van de mens en de wereld, van de ruimtelijke en de niet-ruimtelijk wereld.
Ten tweede die van denken, voelen en willen als de drie oerfuncties van de mens, en
ten derde die van het verleden met de toekomst, van de tijdsdimensie met de tijdloze werkelijkheid.

Het bijzondere van seks is nu dat dit niet alleen de herinnering is aan de tijd van voor de zondeval, maar ook het grootste en tegelijk het kleinste zich-als-eenheid-voordoende ervaringsgebied waarop we de samenhang van alles met alles kunnen beleven.

We bekijken eerst de middelste van de drie hierboven genoemde samenhangen, die tussen denken, voelen en willen. In wat alledaagser bewoordingen is dat de samenhang tussen alles wat je met je hersens kunt beredeneren en vervolgens met de rest van je lijf kunt doen, tussen wat je met je lichamelijke zintuigen allemaal kunt ervaren en vervolgens met je verstand uit die ervaringen kunt selecteren als datgene wat bij je hoort en waarvoor je dus verantwoordelijkheid wilt en kunt nemen, enzovoort, tot in de uiterste consequentie: de samenhang van alles met alles wat zich aan je voordoet, ook de samenhang tussen het meest abstracte bewustzijn en het meest concrete handelen.

Deze drieledige samenhang is ook die van het het waardevrije en het waardebepaalde, waartussen zich het spanningsveld van de moraliteit aftekent. Seks is in dit perspectief bezien bijna per definitie het gebied waarop het morele zich als oerfenomeen aan ons voordoet. Het morele definieer ik hier als datgene wat zich krachtens zijn aard zó aan ons voordoet dat we ons automatisch in meerdere of mindere mate, dat hangt van onszelf af – ervan bewust zijn dat we door ons handelen een ander beïnvloeden.

In verband met seksualiteit is die beïnvloeding van tweeërlei aard. Ten eerste de verantwoordelijkheid jegens de ander met wie je de seksuele relatie aangaat (de communicatiefunctie) en ten tweede de verantwoordelijkheid jegens het kind waar de vrouw in die relatie zwanger van kan worden (de incarnatiefunctie).

De derde hierboven genoemde samenhang – die tussen tijdloze voorgeschiedenis en actualiteit – brengt de zondeval in de sfeer van de concrete beleving. De zondeval is een realiteit van een hogere orde dan het gewone bewustzijn kan omvatten en die toch tot de dagelijkse werkelijkheid van ieder mens behoort. Het paradijsverhaal herinnert ons tot in de meest concrete lichamelijkheid eraan dat seks ontstaan is uit een mythe, uit een tijdloos gebeuren dat ieder moment tussen verleden en toekomst plaats vindt in het middengebied van het hier en nu, het midden tussen jezelf worden en jezelf ontkennen, tussen de peilloze verrukking van het daadwerkelijk eenworden met de ander en de even peilloze eenzaamheid wanneer het niet lukt die ander te bereiken.

Ten slotte: de eerste van de drie genoemde samenhangen, die van de ruimte en de niet-ruimte.
In dat verband kun je ervaren hoe de communicatie- en de incarnatiefunctie wezenlijk met elkaar samenhangen. Als je met elkaar naar bed gaat krijg je de mogelijkheid om samen uit de ruimtelijke dimensie even een klein eindje in de niet ruimtelijke wereld te komen. Dan moet je niet verbaasd zijn als je daar met z’n drieën uit terugkomt.

*Wat ik hier, op het eerste gezicht ietwat omslachtig, omschrijf ais ‘incarnatiemogelijkheid voor nieuwe mensen’ is verwant met wat in het gangbare Nederlandse spraakgebruik ‘voortplanting’ wordt genoemd. Ik meen echter dat deze uitdrukking zo misleidend is, dat we een nieuwe term nodig hebben om het ondeugdeiijke karakter ervan aan te duiden.

Als nieuwe term voor zo’n ondeugdelijk woord stel ik hierbij de uitdrukking ‘onwoord’ voor. Een onwoord is een uitdrukking die zich in ons taalgebruik genesteld heeft maar daar alleen maar schade aanricht, net als onkruid of ongedierte, en derhalve verdelgd, althans tot verdwijnen gebracht moet worden.

Voortplanting is – wanneer de uitdrukking in verband met de menselijke sfeer wordt gebruikt – een onwoord omdat je alleen van planten en dieren kunt zeggen dat ze zich voortplanten, dat wil zeggen exemplaren van de soort voortbrengen die niet wezenlijk verschillen van hun ‘ouders’. Ook bij mensen lijken de nakomelingen op hun ouders, maar dat is slechts één aspect van het proces waardoor mensen bewerkstelligen dat er nieuwe mensen komen – het andere aspect, namelijk dat deze nieuwe mensen principieel verschillen van hun ouders doordat ze iets wezenlijks nieuws meebrengen uit het voorgeboortelijk bestaan (waaruit alleen de mens stamt), komt in dit onwoord ‘voortplanting’ niet tot uitdrukking. Juist in deze tijd hebben we dit wezenlijk nieuwe harder nodig dan ooit tevoren in de geschiedenis. Uitdrukkingen die het bewustzijn daarvan versluieren zijn daarom schadelijker dan ooit. Vandaar mijn bezwaren tegen het onwoord ‘voortplanting’.

.
Hugo Verbrugh, Jonas 21, **08-06-1984

.

deel 1   deel 2

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

1672-1567

.

.

VRIJESCHOOL – Menskunde en pedagogie (22-1)

.

SEKSUALITEIT (1)

Dat er op het gebied van de seksualiteit zich grote veranderingen hebben voltrokken wat o.a. openheid betreft, moge duidelijk zijn.
In de jaren ’60 – ’70 van de vorige eeuw – er was op zeker ogenblik sprake van een ‘seksuele revolutie’ stond, wat het onderwijs betreft’ de ‘voorlichting’ wel op het programma.

De in die tijd bekende Prof. van den Berg was in zijn ‘Metabletica‘ tot de conclusie gekomen, dat voorlichting nooit de essentie kan overbrengen van wat seksualiteit tussen mensen kan betekenen.
Vanuit Zweden is de voorlichtingsgolf gekomen, waarbij het vooral ging om de ‘technische’ details.
Voor veel scholen en individuele leerkrachten bleef het een moeilijk onderwerp. De discussie spitste zich soms toe op: waar gebeurt die voorlichting, thuis of op school?
Veel ouders hadden graag dat het op school gebeurde en veel scholen vonden dat het typisch iets was voor de intieme sfeer van het gezin.

En dan was er nog het vraagstuk van de leeftijd.

In ieder geval: naast het noemen van bepaalde bijzonderheden – ik kon bijv. aan een klas veel kwijt toen ik over de geboorte van onze dochter vertelde – was er niet een bepaald ‘lesstofpakket’, zoals die er nu veel meer zijn.

Dat was weer anders in de bovenbouw. De leerlingen waren ouder geworden, konden meer begrijpen en zich inleven.

In Jonas, half de jaren 1980 verschenen er drie artikelen die de seksualiteit van verschillende kanten benaderden.

Die bevatten opvattingen die nog altijd bruikbaar kunnen zijn in situaties waarin ze in de klas aan de orde zouden kunnen komen.

Het tedere midden 

Zoeken naar diepere zingeving van seksualiteit

De seksuele revolutie lijkt voorbij. Oude voorstellingen hebben hun dwingende kracht verloren. Taboes zijn doorbroken. In principe zijn alle vormen van
seksueel gedrag door onze samenleving geaccepteerd.

Heeft de revolutie er echter toe geleid dat seksualiteit een zinvollere betekenis in het leven heeft gekregen? Er is voldoende reden daar ernstig aan te twijfelen.

Met het omwoelen van het oude is het nieuwe niet vanzelf gegeven. Aart van der Stel poogt een omgeploegd terrein opnieuw te ontginnen.

In de manier waarop wij met seksualiteit omgaan tekent zich een van de paradoxale kanten van ons moderne menselijke bestaan af. Hoewel, na de verstikkende vrijheid-blijheid seksuele revolutie onder aanvoering van de NVSH, de seksualiteit ‘bevrijd’ en – met name na de ontwikkeling van de anticonceptiepil – voor iedereen toegankelijk is, kun je nog steeds niet zeggen dat de mens zich in het relationele soepeler gedraagt. Seks lijkt geen probleem meer in onze samenleving, alles kan en alles mag, maar het omgekeerde is waar: heel veel mensen weten niet meer hoe zij hun mens- en partnerzijn staande moeten houden tegenover die overdonderende vrijheid en lijden seksueel schipbreuk.

Het onderhouden van een relatie is zo’n ingewikkelde aangelegenheid geworden dat de inmenging van een of andere therapeut bijna onontbeerlijk is geworden. Dat heeft natuurlijk met allerlei sociale ontwikkelingen te maken waar de seksuele revolutie maar een exponent van is.

Zij het op een ander niveau (niet meer het technisch-biologische, want daar weten we alles van): seks is voor de moderne mens een probleem gebleven. Met name de rol die seks speelt in het contact tussen mensen en de inbreng die het mogelijkerwijs zou kunnen hebben in verdieping van die relatie is onduidelijk geworden. Gaat het nu om het ter wereld brengen van nieuwe mensen of om een driftmatige vorm van vrijetijdsbesteding?

Er is zo rond de seksualiteit een merkwaardig vacuüm ontstaan, want de oude opvattingen (voortplanting, binnen het huwelijk, alleen heteroseksuele contacten zijn toegestaan) zijn doeltreffend om zeep geholpen, maar de echt nieuwe laten nog op zich wachten. De pil en andere moderne anticonceptiva hebben seksualiteit en voortplanting radicaal losgekoppeld, trouwen doet haast geen mens meer, en zeker niet om seksualiteit mogelijk te maken, en de opvattingen omtrent homoseksualiteit zijn drastisch verruimd. Natuurlijk voelt iedereen wel aan dat veel meer dan vroeger het relationele-sociale aspect van de seksualiteit op de voorgrond komt te staan.

Daarnaast blijft het een lichamelijke aangelegenheid.
Hoe kun je seksualiteit als lichamelijk gegeven (en het gevaar op dit moment is dat dit aspect als de enige bijdrage aan ons menselijk bestaan gezien wordt) nu binnen loodsen in het relationele gebied; dat bij uitstek een psychisch-geestelijke aangelegenheid is. Dat is een vraag waarmee je, meer dan in het huidige materialistische natuurwetenschappelijke denken, juist in de antroposofie mee uit de voeten kunt.Tenminste, je kunt vermoeden dat een andersoortig mensbeeld zoals dat in de antroposofie gehanteerd wordt openingen biedt om dit probleem te benaderen. Dat andersoortige uit zich hierin dat het antroposofische mensbeeld een totaalbeeld geeft van de mens in al zijn facetten; allerlei samenhangen aangeeft waar je ze niet direct ziet en vooral het doen en laten van een mens betekenis en zin aangeeft in de biografie, de levensloop. Op seks toegespitst betekent dat aangegeven zou moeten kunnen worden in welke relatie het lichamelijke aspect staat, tot het feit dat seks zich tussen mensen
afspeelt. Waarom is een mens seksueel, waar komt dat vandaan en wat doe je eigenlijk als je met elkaar naar bed gaat? Wat heeft mijn eigen lichamelijke bevrediging te maken met degene die dat mogelijk maakt? Wat voegt mijn partnerzijn toe aan mijn belevenissen? Waarom is seks alleen minder leuk dan met iemand samen?

Bij het beantwoorden van dit soort vragen heb je behoefte aan nieuwe ideeën, aan een plaatsbepaling van de seksualiteit in het menselijke bestaan op grond van een zingeving die dieper gaat dan het feit dat seks prettig of nodig is om het menselijke ras voort te laten bestaan. In dit artikel wil ik schetsen hoe vanuit het antroposofische mensbeeld tot zulke nieuwe ideeën gekomen kan worden.

Het hele verschijnsel seksualiteit kan niet los gezien worden van het feit dat wij als mensen geslachtelijke wezens zijn. Je bent een man of een vrouw en zoniet dan is er sprake van ernstige pathologie! Seks moet zich dus afspelen binnen de polariteit van het mannelijke en het vrouwelijke. De hier gemaakte overgang van man naar mannelijk en van vrouw naar vrouwelijk is niet per ongeluk. Ik hoop aan te tonen dat ieder mens een mannelijk en een vrouwelijk element in zichzelf verenigt. Bij een vrouw staat het vrouwelijke element op de voorgrond en wordt het mannelijke teruggehouden; bij een man is dat andersom. Het lijkt zinvol om in dit verhaal verder te spreken van het mannelijke en het vrouwelijke en dat losgekoppeld te zien van de persoon, voorlopig tenminste.

Wanneer we iets zinvols over seksualiteit willen zeggen dan moeten we dus eerst een scherp beeld hebben van wat je dan in het menselijk functioneren mannelijk en vrouwelijk noemt. Je kunt trouwens niet zomaar over het menselijk functioneren spreken: een mens functioneert op verschillende niveaus die elk hun eigen wetmatigheden hebben.

Een voor dit verhaal bruikbare indeling, ontleend aan de antroposofie, is die van lichaam, ziel en geest. Daarbij is het lichaam alles wat we in de fysieke wereld aan de mens kunnen waarnemen, de geest de impuls om dit aardeleven aan te gaan en de ziel dat wat ontstaat als biografie wanneer die impuls in het stoffelijke gestalte krijgt. Een mens functioneert dus op lichaams-, zielen- en geestelijk niveau. Laten we elk niveau eens apart bekijken; hopelijk ontstaat zo een duidelijk beeld over wat nu precies mannelijk of vrouwelijk genoemd moet worden.

Adam-Eva spanningsveld

Elke daad wordt voorafgegaan door een plan, een al dan niet lumineus idee. Zo ligt ook aan elk mensenleven een plan ten grondslag. Voordat de mens het aardse bestaan betreedt is hij als idee, als spiritueel wezen in de voorstelling en verwachting van de ouders aanwezig. Er is alleen nog maar sprake van een toekomstige mens zonder meer, elke geslachtsaanduiding is daarbij speculatief, wishful thinking. De toestand waarin een mens dan verkeert kun je vergelijken met de paradijselijke situatie waarin de mens nog heel intens met God verbonden is en de aarde buiten het paradijs nog niet kent.

Er is in het paradijsverhaal sprake van één mens, Adam (wat ‘mens’ betekent) die mannelijk-vrouwelijk geschapen is. Er zijn nog geen geslachten. Wanneer Eva geschapen wordt, geboren uit het midden, namelijk de rib van Adam, komt daar verandering in. De eenheid ‘mens’ ontwikkelt zich tot een spanningsveld Adam-Eva en daarmee potentieel tot de polariteit man(nelijk)-vrouw(elijk) die voor de mens betekenis krijgt als beide echtelieden van de boom van kennis van goed en kwaad gegeten hebben. Het belangrijkste effect van die verboden vrucht is namelijk dat ze zich van hun naaktheid, dat wil zeggen van hun lichaam, bewust worden en dit bedekken. Dat heeft niets te maken met preutsheid of plotseling invallende koude in het paradijs: je bedekken is je afscheiden van de buitenwereld. Je komt tot jezelf binnen die ‘huid’ die je om jezelf aanbrengt. Wanneer het zover is dat Adam en Eva zich van hun lichaam en de daarmee verbonden geslachtelijkheid bewust geworden zijn, hebben zij de langste tijd doorgebracht in het paradijs. Zij betreden nu de aarde, elk met een eigen taak. Adam moet ‘in het zweet zijns aanschijns’ de aarde bewerken en daar moeizaam voedsel aan ontworstelen. De aarde is het gebied waar Adam, de man, mee verbonden wordt. Uit die aarde moet iets levends tevoorschijn gebracht worden. De aarde moet als het ware door de man op een hoger plan gebracht worden. Hierin zou je een ‘opwaartse’ richting kunnen zien: het startpunt voor Adam, de mannelijke mens, is de aarde, strevend naar de hemel, zoals een plant het licht tegemoet groeit.

Edvard Munch ‘Ontmoeting in het wereldruim’

Tot Eva, de vrouw of het vrouwelijke, wordt gezegd, dat zij ‘met smart haar kinderen zal baren, dat haar begeerte zal uitgaan naar haar man (de aarde!), die over haar zal heersen…’ Eva heeft het in zich als mogelijkheid om nieuwe mensen in het aardse te laten nederdalen. (Laat niemand hieruit afleiden dat de vrouw dus veroordeeld is om haar leven alleen in de keuken en in de kinderkamer door te brengen.) Door Eva wordt iets geestelijks – de impuls van hierboven – aards. Het vrouwelijke is ‘neerwaarts’ gericht: vanuit het kosmische, niet-aardse, naar de stoffelijke wereld toe.

Daar waar de mens geestelijk wezen, paradijselijk mens is, is hij (!) in principe ongeslachtelijk. Het gebied van het culturele, het wetenschappelijke en het religieuze is evenzo ongeslachtelijk, of zou dat moeten zijn. Feministische kunst heeft mijns inziens dan ook alleen maar betekenis en zin voor zover zij laat zien dat op een oneigenlijke manier één van beide seksen, hier de mannelijke, zich meester heeft gemaakt van het geestelijke, culturele leven. Feministische kunst op zichzelf is onzin. Maar in het geestelijke ontstaat vanuit het ongeslachtelijke het geslachtelijke. Het is als aanleg, als blikrichting aanwezig.

Embryonale fase

Zoals boven al even werd aangeduid ligt de situatie op lichamelijk niveau totaal anders.
Als lichaam, en laten we voor de duidelijkheid voorlopig over het volwassen lichaam spreken, ben je direct als man of vrouw herkenbaar. De man is zwaarder gebouwd dan de vrouw, hoekiger, aardser zou je kunnen zeggen. De vrouw is ronder, heeft minder zware botten, is ‘wolkiger’, onaardser, kosmischer. Om het overdreven duidelijk te stellen: het beeld van het mannelijk lichaam is het skelet, het meest aardse deel van ons lichaam, het beeld van de vrouw is dat van zo’n mollig engeltje dat, met een trompetje aan de mond, zoveel frontpagina’s van muziekboeken etcetera siert. Het lichaam van de man tendeert naar het uitgevormde kristal, de vrouw houdt zich daarin terug, en blijft plastischer, vloeibaarder bijna.
Dat het vrouwelijke op lichamelijk niveau ook als kosmisch gezien kan worden, wordt nog eens duidelijk aan de manier waarop het lichaam in de embryonale fase zijn geslachtelijk uiterlijk krijgt.

In eerste instantie is er in het embryo sprake van bepaalde kiemcellen die nog niet als mannelijk of vrouwelijk te herkennen zijn. Zij worden gevonden in de nabijheid van de nier-in-wording, de oernier. Die kiemcellen ‘zakken af’ in het embryo, wanneer de nier naar beneden uitgroeit. Wanneer de oernier beneden, in het gebied van de anus is aangeland, worden in dat gebied hoopjes kiemcellen gedeponeerd. De nier trekt zich dan terug en laat de kiemcellen achter, die zich zullen ontwikkelen tot seksorganen. Het interessante is nu dat op de een of andere manier de mens-in-wording op dat moment besluit of ‘het’ als meisje of als jongen door het leven wil gaan: bij het meisje wordt het klompje kiemcellen tot eierstok en stijgt het geheel een beetje op in het lichaam (de eierstokken liggen uiteindelijk in de buik naast de baarmoeder) en bij het jongetje worden de kiemcellen tot zaadballen, die een afdalende beweging maken en wel zodanig dat deze organen buiten het lichaam in de balzak komen te liggen, zover mogelijk naar beneden dus. Eierstokken en zaadballen spelen een belangrijke rol in de vorming van hormonen, die het uiterlijk van de mens, mannelijk of vrouwelijk, gaan bepalen.

Natuurlijk kan hier als tegenwerping gemaakt worden dat al vanaf het allereerste begin, namelijk bij de versmelting van zaad- en eicel, besloten is of iemand een man of een vrouw zal zijn. Dat is ook zo, maar je kunt het niet zien! Het gaat er in de speurtocht naar de geslachten niet om iets te bewijzen, maar eerder is het de bedoeling een en ander uit waarneembare verschijnselen aannemelijk te maken.

Hormonen

Niet alleen de ligging in het menselijk lichaam drukt iets uit van de polariteit mannelijk – vrouwelijk, ook in het functioneren wordt dat duidelijk. De eierstokken functioneren ritmisch en produceren één maal per maand een eitje, dat zich heel passief gedraagt en zich eventueel laat bevruchten. We spreken als we het over de cyclus hebben nog van maanstonden als verwijzing naar het feit dat de duur van de cyclus en de omlooptijd van de maan in het ideale geval gelijk zijn.

De zaadbal kent zo’n ritme niet maar produceert onophoudelijk zaadcellen, die uiterst actief zijn en een hele lange weg moeten zwemmen om een bevruchting tot stand te brengen. Op lichamelijk niveau is mannelijk het equivalent van aards-actief en vrouwelijk van kosmisch-passief.

Op hormonaal niveau is het overigens niet zo dat een man alleen maar mannelijk hormoon, testosteron, produceert en een vrouw alleen maar vrouwelijke hormonen, oestrogeen en progestageen. Elk menselijk lichaam produceert alle sekshormonen, met name in de bijnieren. (Functioneel zijn de seksuele organen dus toch nog met de nieren verbonden!) Een man wordt dus uiterlijk het meest beïnvloed door zijn testosteron, terwijl oestrogeen en progestageen zich als het ware terughouden. Het is niet goed denkbaar dat die vrouwelijke hormonen er zó maar zijn. Het menselijk lichaam verspilt geen energie; hoe beter je het leert kennen hoe duidelijker dat wordt. Wanneer we nu dat menselijk lichaam opvatten als een samenwerkingsverband van het fysieke lichaam (een antroposofische term voor alles wat de amorfe, aardse substantie van het lichaam is) en het vormkrachtenlichaam (dat samenstel van krachten die aan die amorfe materie een vorm geven), dan wordt een mogelijkheid zichtbaar om zowel mannelijk als vrouwelijk hormoon te plaatsen.

Bij een man bijvoorbeeld werkt het testosteron door tot in het fysieke, tot in de uiterlijke gestalte; het vrouwelijke hormoon, dat wel aanwezig is maar zich, zoals gezegd, terughoudt, beperkt zich tot het vormkrachtenlichaam en treedt alleen in het functionele naar buiten. Dat functionele, in feite een hogere vorm van lichamelijkheid, wordt dan zichtbaar in bijvoorbeeld het gedrag of het denken. (Denken kun je beschouwen als het functioneren van vormkrachten die niet meer nodig zijn voor de vorming van het lichaam, maar gemetamorfoseerd zijn tot denkkracht.)

In het mannelijk lichaam zie je dus dat het uiterlijk mannelijke innerlijk en onzichtbaar wordt ‘goedgemaakt’ door een vrouwelijk element: een man heeft de neiging te denken in grote, soms onpraktisch vage verbanden met gebrek aan oog voor details; hij gaat graag in discussie en vertoeft zoveel mogelijk in de wereld van de ideeën. Natuurlijk moet je met dit soort beweringen ontzettend oppassen. Wat is in het denken van een man nu echt vrouwelijk, dat wil zeggen kosmisch, en wat is bepaald door dat wat we het rolpatroon noemen? Het is niet de bedoeling om hier een uitputtende psychologie te schetsen uitgaande van de hierboven beschreven polariteit, maar het is zeker mogelijk.

Lichaam en geest zijn eikaars tegengestelden. In het geestelijke is de eenheid het uitgangspunt en de polariteit de ontwikkelingsrichting. Op lichamelijk niveau is dat precies andersom, want wat je lijf betreft ben je primair man of vrouw, maar je hebt het in je om je geslachtelijkheid te overstijgen en naar de andere sekse toe te groeien, zoals aangeduid met het verhaal over de hormonen.

Versmelting van kwaliteiten

Met het beschrijven van de mannelijke en de vrouwelijke tendensen in het menselijk functioneren, het aards-lichamelijk-seksuele enerzijds en het geestelijk-inidividuele-liefdevolle anderzijds, heb je echter nog geen levend mens voor je. Integendeel, als je met een ander mens te maken hebt, ervaar je hem of haar als totaalwezen en is er geen sprake van óf het lichaam óf de geest. Die elementen splitsen zich pas bij analyse van een contact uit; dan ontdek je dat elk contact een mannelijk aspect heeft, de lichamelijkheid van je gesprekspartner – en een vrouwelijk aspect – wat zijn iemands motieven en beweegredenen in het leven, wat is zijn stuwende impuls. Elk mens is een versmelting van mannelijke en vrouwelijke kwaliteiten op een heel eigen individuele manier.

Dat laatste is overigens aan elk mens het enig interessante: de lichamen van ons allen verschillen maar op onderdelen als lengte, gewicht, huidskleur etcetera en de wil om op aarde te komen is ook voor iedereen gelijk en niet meer dan een uitgangspunt. Nee, wat doet iemand met die twee gegevens en hoe heeft hij die in de samensmelting tot een evenwicht gebracht, dat is boeiend! Elk echt contact moet er op gericht zijn om wederzijds iets van dat evenwicht boven water te krijgen, op welk niveau dat contact zich voltrekt. Het is daarbij interessant om te merken dat zo’n individueel evenwicht, de middenpositie tussen lichaam en geest, zijn stempel drukt op het hele functioneren van een mens, geestelijk, lichamelijk en emotioneel.

Hoe iemand zijn lichaam ‘gevormd heeft’ is ingekleurd door dat midden, denk maar aan de temperamenten die zich niet beperken tot het psychische maar ook lichamelijk duidelijk afleesbaar zijn. En in de kunst zie je dat terugkomen in het feit dat bijvoorbeeld de schilderijen van Rembrandt, hoe verschillend onderling ook, toch allemaal als van hem afkomstig herkenbaar zijn aan dat wat je een picturaal handschrift zou kunnen noemen. De mens smeedt uit de hem ter beschikking staande tegengestelde krachten een uiterst individueel evenwicht met een heel eigen kleur die door de hele persoon heen zichtbaar is en alle geledingen doortrekt: Rembrandt is Rembrandt in zijn waarnemen, aanvoelen van stemmingen en weergave daarvan. Misschien kunnen we met deze constateringen tot enig begrip komen van de problemen die er leven met betrekking tot de seksualiteit.

Materialistisch

‘Mannen willen te vaak vrijen en vrouwen willen dat te weinig’. Zo zou je het klachtenpatroon over het seksuele gedrag van de respectievelijke tegenpartijen kunnen samenvatten. Het blijkt moeilijk om op een wederzijds bevredigende manier in eikaars seksuele behoeften te voorzien, ook al zou je dat niet zeggen als je zo om je heen kijkt; zoals in het begin van dit artikel al geconstateerd springen de ‘moderne mensen’ nogal gemakkelijk bij elkaar in bed.

Edvard Munch ‘De kus’

Als je nagaat wat er in die ‘gemakkelijke’ relaties eigenlijk gebeurt, dan moet je concluderen dat geen van beide partijen echt los kan komen van het puur lichamelijke. Ieder ‘loopt zijn eigen hormonen achterna’. Het gaat om het bevredigen van de eigen behoeften en begeerten aan het lichaam van de ander. Kortom, we gaan er nogal materialistisch mee om.
Dat is trouwens niet zo gek want we leven in een zeer materialistische (is mannelijke) tijd. Alles draait om de materie; het hele natuurwetenschappelijke onderzoek is erop gericht om aan de stof elk denkbaar geheim te ontfutselen en dat te gebruiken om de materie te manipuleren. Ook de seksualiteit is hier niet aan ontsnapt getuige bijvoorbeeld het onderzoek van het seksuele gedrag van de mens in allerlei laboratoriumopstellingen door Masters en Johnson.

In denken en doen overheerst het fysieke dat in dit verhaal mannelijk werd genoemd. Deze tijd is een echte mannentijd, het mannelijk-aardse is, ook in het omgaan met ons lichaam, toonaangevend. Denk in dit verband ook aan medisch-wetenschappelijke verworvenheden als anticonceptie, vruchtwateronderzoek en reageerbuisbaby’s, waarmee het hele proces van de voortplanting gereduceerd is tot een technisch probleem.

Ook voor de antroposofie is het stoffelijke het uitgangspunt bij het verkrijgen van kennis over de aardse werkelijkheid. Wat de natuurwetenschap bij haar onderzoek boven water haalt aan feitenmateriaal wordt dan ook beslist niet afgewezen of ontkend. De antroposofie verschilt met betrekking tot die feiten uit de natuurwetenschap in haar manier van benaderen en interpreteren van de verschijnselen. In de fenomenologie, de leer der verschijnselen, gaat het dan niet alleen om feiten maar veel meer om processen: hoe gedraagt de plant of het menselijk lichaam zich, hoe verlopen organische processen in de tijd en hoe verhouden ze zich tot elkaar. Zo werkend krijg je langzamerhand een idee over datgene wat achter het materiële schuilgaat, wat de goudsbloem tot goudsbloem maakt, de man tot man en de vrouw tot vrouw. Je krijgt het vermoeden dat niet-materële, geestelijke krachten zich in het stoffelijke uitdrukken en er hun eigen vorm aan geven. De stof is het vehikel van onzichtbare, kosmische krachten. Wanneer je dus én de stof leert kennen in zijn eigen wetmatigheden én op zoek gaat naar datgene wat zich van die stof bedient, dan ben je pas écht materialistisch bezig!

Tedere midden

Het hele bovenstaande verhaal over het mannelijke en het vrouwelijke kun je beschouwen als een fenomenologische voorstudie om de seksualiteit ook echt materialistisch te benaderen. Hoe doe je dat dan? Allereerst door je te engageren met de stof, dat is je eigen lijf. Dat is het minst moeilijke gedeelte van het werk: je ziet aan je eigen lijf of het mannelijk of vrouwelijk is, je vindt het prettig om te vrijen, te strelen, gestreeld te worden en tot een hoogtepunt te komen. Seks is gewoon lekker en dat hoef je niet weg te drukken. Maar wil de seksualiteit echt een menselijk niveau bereiken dan moet er meer gebeuren. Dan moet je zoeken naar dat wat zich achter het lichamelijke verschuilt, bij jezelf en bij de ander. Daarvoor moet je je hormonen als het ware een beetje terugdringen. De ander, of die nu van hetzelfde of het andere geslacht is doet niet ter zake, moet tot zijn recht kunnen komen. Als vrouw kan je niet van een man verwachten dat hij net zo ‘kosmisch’ georiënteerd is als je zelf bent. Je moet begrip ontwikkelen voor het mannelijke aspect van het menszijn. En als man moet je temidden van het mannelijk-aardse plaats gaan maken voor het vrouwelijk-kosmische. Maar je moet nog verder! Het gaat niet alleen om de polen, de tegenstellingen, maar om het individuele midden zoals boven beschreven. Wat voor midden verschuilt zich achter dat lichaam van mijn partner, wie is dat eigenlijk?

Seks heeft zo zijn natuurlijke en zijn tegennatuurlijke kanten, tenminste bij de mens. In het genot ben je aards-egoïstisch op jezelf gericht, in je ‘fenomenologische arbeid’ kosmisch-liefdevol op zoek naar het individuele in de ander. Bovenal leer je natuurlijk in alle activiteiten die op de ander gericht zijn iets van je eigen persoon ervaren: ik ben seksueel actief en ik schep voor een ander ruimte.

In de seksualiteit wordt zo een mogelijkheid zichtbaar om op een aardse wijze de eigen geestelijke gestalte waar te nemen door het samengaan met een ander op een heel intieme manier. Daarbij past geen agressieve egoïstische zelfbevrediging maar tederheid, ruimte scheppen voor de ontmoeting. Tegenover de eigen geslachtelijke eenzijdigheid plaatst zich het tedere midden.

.

Aart van der Stel, Jonas 19, 11-05-1984

.

deel 2  deel 3

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

.

1670-1565

.

.

.