Tagarchief: klei

VRIJESCHOOL – Handvaardigheid (4-1)

.

G. Veenman, vrijeschool Zeist, nadere gegevens ontbreken
.

HANDVAARDIGHEID
.

Vanaf de vroegste periode in de mensheidsgeschiedenis heeft men altijd het handwerk beoefend. Door waarnemingen ontmoeten wij de resultaten en wij kunnen door het denken verbanden leggen, wat de mens bewoog vorm te geven aan het gegeven materiaal. Bij de gebruiksvoorwerpen waarvan in de musea de prachtigste voorbeelden te vinden zijn, is het meestal duidelijk wat de maker voor ogen stond. Alhoewel de versieringen moeilijkheden konden opleveren als men leest, hoe verschillend de opvattingen hierover zijn.
Bij: beelden wordt het al moeilijker, omdat het beeld iets toont dat nog meer omhulling heeft. Sommige culturen geven aan dat hun scheppingen zijn ontstaan met de krachten van hemel en aarde. De Grieken geven eigenlijk een zuiver beeld hoe vanuit aarde en hemel gewerkt kon worden. De Griek had het vermogen om de scheppingskracht waarmee hij alles tot stand bracht, te beleven als komende vanuit ’t lichamelijke en van goddelijke wezens.

Wat vroeger als noodzaak voor direct gebruik in hout, ijzer, steen en brons zichtbaar is geworden, beleven wij nu als kunst.

De ontwikkeling heeft ertoe geleid dat scheppingskracht en leven steeds meer van elkaar vervreemdden. In deze tijd is het de kunstenaar die vanuit zijn zelfstandig bestaan probeert aan te geven wat hem bezighoudt, maar de kunst is niet meer opgenomen in het leven van de maatschappij. Wel doen wij alle pogingen de kunst tot de bevolking te laten doordringen, maar het blijft bij de beschouwing van de maker. Het oude handwerk, dat als ambacht werd uitgeoefend, wordt ook niet meer gezien als kunst, maar toegepast voor het werk. Nu kennen wij het onderscheid tussen gebruiksvoorwerp en kunstproduct. Door de invoering van machinale werkmethoden voltrekt zich de scheiding tussen industrie en handwerk. Het lange tijd aan een werkstuk bezig zijn is niet meer mogelijk. Door de taak die de machine heeft overgenomen, wordt de maker niet meer in staat gesteld ontwerper en uitvoerder tegelijk te zijn. Hiermee wordt ook de scheiding tussen kunstwerk en handwerk duidelijk.

De ambachtsman beschouwde het resultaat van zijn arbeid als zijn werk. Hij herkende dit werk als iets van hemzelf. In de handvaardigheid is deze houding tegenover het werkstuk weer terug te vinden. Daarom is het van belang dat de leerling weer begrip krijgt voor het zelf vervaardigen van een werkstuk. Het leren dat ieder werkstuk een eigen karakter heeft en dat het met hem verbonden is, moet in deze tijd opnieuw veroverd worden.

Bij de handvaardigheid met de leerlingen gaat het om de ontwikkeling van vermogens die in elk kind aanwezig zijn. De handvaardigheid vertoont veel aspecten, die zo typisch zijn voor het ambachtelijke werk. Immers, de leerling kan ontwerper en uitvoerder zijn van z’n eigen werkstuk. De kenmerken van vroegere culturen – het omgaan met ’t gegeven materiaal – vinden zij terug in de beperking van het gereedschap en het omgaan met ruw en ongevormd materiaal. De leerling krijgt gelegenheid aan materiaal vorm te geven hetgeen onvolledig of in de verbeelding aanwezig is. Bij klei is geen afstand door gereedschap, maar zijn ’t de handen, die direct contact met het materiaal mogelijk maken. Hoewel bij hout het gereedschap een zekere afstand schept, merkt men dat hier de waarneming en de activiteit weer verbinding geven met het materiaal. In de handvaardigheid merkt men dat het juiste begrip voor het materiaal en de logische vorm nodig zijn. De weg om dit te veroveren ontstaat als de leerling zich met zijn gevoelsleven met het werk kan verbinden. Als dit lukt, wordt de leerling geconfronteerd met de wetten van het materiaal en het gereedschap en is zijn inspanning nodig om tot vorm te komen.
De ontmoetingen die de leerling aangaat, zijn met de materialen uit de wereld. Bij klei heeft men een ongevormde massa, die tot vorm moet komen. Het is overigens een volgzaam materiaal, waardoor je direct met de handen kan ervaren hoe uit klei (aarde) een vorm tot leven kan komen. Bij hout denkt men onmiddellijk aan zijn afstamming, de boom. Men ervaart aan de taaiheid of weerbarstigheid de structuur, en de inspanning, die nodig is om tot een vorm te komen. Het betekent meestal volhouden tot alles klaar is. Bij de koperbewerking, die nog op bescheiden wijze wordt uitgevoerd, beleeft men dat het materiaal door activiteit beheerst wil worden. Het roept op tot contact en warmte van het gegeven. Zoals getracht is duidelijk te maken, is het de leerling, die door activiteit probeert de aardestof te bewerken. Zonder zijn ledematen komt dit niet tot stand. De benen zijn om voort te bewegen en het gewenste te bereiken. De armen, handen en vingers kunnen door allerlei verworvenheden de gaven van de aarde bewerken, technisch en kunstzinnig.

Wij zijn ervan uitgegaan vroegere culturen te karakteriseren met hun specifieke kenmerken van het handwerk, dat door industrialisatie het handwerk verdween en in de handvaardigheid ontwerp en uitvoering weer centraal zijn komen te staan.
In de les heeft men te maken met de mens, die tot activiteit wordt gebracht en een ruw of vormloos materiaal tot vorm moet zien te brengen. Men merkt dat de leerling in beweging komt van binnen naar buiten en van buiten naar binnen, en tenslotte, na veel inspanning, komt een vorm tot stand. Er is dan veel gebeurd tussen hem en zijn werk.

Nu, wanneer een mens hard loopt dan wordt hij warm. We gaan transpireren, de temperatuur stijgt. Dit gaat natuurlijk snel voorbij. Maar het betekent dat alles zich in warmte afspeelt. Wij weten dat als de mens zich koud voelt en zijn ledematen niet warm zijn, hij moeilijk een muziekinstrument kan bespelen.

Het warm worden bij de handvaardigheid door het in beweging zetten van ’t lichaam is noodzakelijk. In het heen en weer gaan tussen leerling en materiaal ligt een krachtenspel. Het lichamelijk bezigzijn – iets maken, iets eigens – geeft de mogelijkheid dat het werk als iets nieuws beleefd wordt. Een mens die zelfstandig het land bewerkt, kan merken dat hij krachten geeft en tegelijk ervaren hoe gezond deze uiteenzetting met de aarde is.
Ligt in dit oude ambacht niet veel scheppingskracht in de donkere aarde verborgen?

Mogen wij dan zeggen dat het omgaan met aardestof – klei, hout, koper – een relatie geeft, die de leerling de aarde en zichzelf beter doet verstaan? En is het gezond worden aan aardestof niet een uitdrukking van ontwikkeling?
..

Handvaardigheid: alle artikelen

Handen en intelligentie

1271-1186

.

VRIJESCHOOL – Handenarbeid (3)

.

Margrit Jünemann, Weledaberichten nr. 107  dec.1975

.

DE BETEKENIS VAN DE KUNSTZINNIGE BEZIGHEID EN DE HANDARBEID VOOR HET SCHOOLKIND
.

In een laantje in een kleine West-Europese stad hebben schoolkinderen een vlooienmarkt geïmproviseerd. Het is zondagmiddag, de mensen gaan uit wande­len met hun kinderen en bekijken de daar uitgestalde curiositeiten. Een man achter een tafel met daarop enige klompen boetseerklei nodigt de voorbijkomende kinderen uit te komen boetseren. leder van hen kan voor niets een klomp klei krijgen, als hij er iets uit maakt. Het beste kunstwerk, zo laat hij weten, krijgt een prijs.

Binnen enkele minuten zitten jongens en meisjes van verschillende leeftijd om de tafel, en elk van hen probeert op zijn manier iets te maken uit die voor hem liggende vochtige grauwe massa. Zo rolt bijvoorbeeld een klein meisje haar stuk klei zo lang heen en weer tot het lang en dun is. Ze maakt een slang. Haar buurmeisje worstelt met de haar onbekende massa, het blijft aan haar vingers hangen. Een magere jongen van een jaar of twaalf bouwt uit stukken een toren op, die hij vervolgens versiert. Die toren lijkt tenslotte op de kerktoren van de stad. Het rondere en gezettere kind naast hem maakt zijn kleiklomp kogelrond, drukt hem dan plat, zet er vijf stukken aan en roept: een schildpad!

Met dat kleien worden de kindergezichten zienderogen levendiger. Als het lukt vorm aan de klei te geven stralen hun ogen van vreugde en verrassing. Ook zij die nog niet zo goed met het materiaal overweg kunnen, hebben plezier in dit ongewone werk. Als zij allen klaar zijn, bekijken ze elkanders kunstwerken. Een tienjarig meisje krijgt ten slotte de prijs voor haar vogeldier.

Wat nu bij de verschillende werkstukken opvalt, is dat verscheidene kinderen gepoogd hebben de oude torens en poorten van de stad na te maken. De op­groeiende kinderen dragen de architectuur daarvan klaarblijkelijk als onbewuste indruk in zich. Ook laat zich vaststellen, bij allen, een tekort aan gevoel om in een vorm iets uit te drukken, niet zozeer in het ‘wat’, doch in het ‘hoe’. Wanneer we bedenken dat talloze kinderen tegenwoordig in een omgeving moeten op­groeien, die op utiliteit is gericht en gemechaniseerd en geautomatiseerd is, verder, dat hun op school weinig gelegenheid wordt geboden om hun scheppen­de vermogens aan het werk te zetten (want voornamelijk wordt alleen hun intellect in beslag genomen) dan begrijpt men dat dit nervositeit ten gevolge heeft, een chaotisch wilsleven en een vroegtijdige verharding van het voorstellingsvermogen.

Om deze tendensen, die vooral in deze tijd de mensheid zo bedreigen, tegen te gaan, voerde Rudolf Steiner het kunstzinnige element in de pedagogie in. Dit was in 1919. Van het eerste schooljaar af worden de leerlingen van de vrijescholen door oefeningen in schilderen, tekenen en boetseren als het ware voorbereid om geleid te worden naar de cultuurtechnieken die zij moeten leren: het lezen, schrijven en rekenen. Door de gehele schooltijd heen wordt geoefend in schilderen en tekenen, in het omgaan met klei en hout en met zachtere materialen zoals wol en stof, dit alles afgestemd op de leeftijdsgroepen, zoals door Dr. Steiner aangegeven. Onder leiding van de leraar leert elk kind de hindernissen te overwinnen, die elk materiaal met zich brengt, en ontwikkelt daaraan zijn scheppende vermogens. Zoals het kind voor de schoolleeftijd in het spel en geheel vrij omgaan met de dingen om hem heen zijn wereldje opbouwde, zo kan het nu zijn intenties in de stof zelf tot uitdrukking brengen, en ervaart daarbij iets van de rijkdom en de eigen aard van kleuren en vormen. Het kind ontplooit zich, verrijkt zijn gevoelens en zijn voorstellingsver­mogen, verbindt zich met de wereld. Het gaat er bij deze handarbeid en kunst­vakken, die in de basisschooljaren voor een deel in de uitgesproken vaklessen, voor een deel ook bij het hoofdonderwijs door de klassenleraar worden gegeven — zoals b.v. schilderen en tekenen — niet om een onderwijs-surrogaat, maar om oefeningen die zulke krachten in de mens tot ontplooiing brengen, die hij in zijn latere leven voor zijn beroep nodig heeft en die hem in staat stellen zijn taken in het leven, uit eigen initiatief, te vervullen. Door de kunstzinnige bezigheden in de school wordt de kloof tussen spel en werken overbrugd. Want in de kunst leert de mens om de beide werelden, de wereld van de geest, van de voorstelling, van de fantasie, en de wereld van de stof en haar wetmatigheden met elkaar te verbinden. Door de technische moeilijkheden van het materiaal te leren overwinnen, versterkt de leerling zijn wil en ervaart tevens dat alleen wanneer zijn voorstelling zijn gevoelens én de materie zich verbinden, iets nieuws, iets gevormds kan ontstaan.

.

Handenarbeid: alle artikelen

Kunstzinnig onderwijs

Menskunde en pedagogie: alle artikelen

Vrijeschool in beeldalle beelden

 

 

 

827-761

.