Tagarchief: klas 3 heemkunde

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (26)

.

KLEDING

leven O.T. 1111. Arabische sjeik
Deze Arabier draagt de wijde mantel met lange mouwen, de z.g. kumber (a). Hij heeft de hoofdbedekking der Bedoeïenen, een grote grijswitte, vierkante doek, die tot een driehoek is gevouwen, de z.g. keffiyeh (b). Een dik snoer of agaal (c) van wol of in elkaar gedraaide bokkenharen houdt de doek op het hoofd vast.

leven O.T. 1122. Herder uit het gebied bij Bethlehem
De herder draagt een onderkleed (a) en daarover de mantel of kumber (b); het onderkleed wordt vastgehouden met een gordel (c); op het hoofd heeft hij de keffiyeh (d) omsnoerd door een agaal (e). Op de scherpe verweerde steenbrokken loopt hij de voeten geschoeid met een soort sandalen (ƒ). Boven de gordel houdt hij in de armen een jonge geit met lange afhangende oren (vgl. Amos 3 : 12); de geit heeft lang zwart haar (verg. Hoogl. 6:5).

leven O.T. 1133. Aartsvaderlijke verschijning met mantel en stok
De man draagt een onderkleed (a) samengehouden met een gordel (b). Het onderkleed heet in de Statenvertaling wel rok (Gen. 37 : 3). Over dit kledingstuk is een bovenkleed (c) (opperkleed Deut. 22 : 12). ’s Nachts wikkelden de armen en de herders er zich in (Jer. 43 : 12) daarom mocht het niet langer dan tot de avond verpand zijn (Deut. 24 : 13). Bij de arbeid werd het veelal afgelegd (Matth. 24 : 18; Hand. 7 : 58). De hoofddoek (d) is een om het hoofd gewikkelde lap. Hij draagt eenvoudige sandalen met riemen (e). De staf (ƒ) van een manslengte voltooit de uitrusting van de man (Gen. 38 : 18).

leven O.T. 1144. Joodse gevangenen in lange hemdrok
De twee vrouwen (a, a) dragen een sluierdoek (b) die van het hoofd tot de enkels reikt. In de regel was de sluier open en bedekte het gelaat niet (Gen. 12 : 14; 24 : 15, 16); wilde men dat dit geschiedde, dan hield de vrouw die sluier voor het gezicht met de handen samen (Gen. 24 : 65). — Deze vrouwen dragen deze over de hemdrok (c; dat ook de mannen dragen, d). De hemdrok heeft korte mouwen (e). Wanneer men snel moest gaan, werd het aan de voorzijde opgebonden („gord uw lendenen” 2 Kon. 4 : 29) of „de lendenen opgeschort” (Exodus 12 : 11).

leven O.T. 1155. Boerenvrouw uit Samaria
in een wit lang kleed met lange mouwen, tob, (a), witte hoofddoek (b) en daarbovenop een draagring (c) om de waterkruik op het hoofd te dragen.

leven O.T. 1166. Egyptenaar met lendenschort 
Bij de Egyptenaar en in Babylonië was zeer algemeen het lendenschort (a). De vorm van het lendenschort had ook de zak, een uit geiten- of kameelhaar geweven grove doek, dat als teken van rouw werd gedragen, op de blote huid (Job 16 : 15) soms als enig kledingstuk (2 Kon. 20 : 31) soms onder het opperkleed (2 Kon. 6 : 30).

leven O.T. 117

7. 8. Sandalen

leven O.T. 118

Het schoeisel bestond uit sandalen met riemen (Gen. 14 : 23; Jes. 5 : 27; Mark. 1:7). Gewoonlijk waren deze gemaakt van leer, maar zeer eenvoudig en van weinig waarde (Amos 2 : 6). Wanneer men in huis kwam, werden de sandalen uitgetrokken, eveneens als men een heilige plaats betrad (Exod. 3 : 5; Joz. 5 : 15). Overigens was het barrevoets gaan een teken van rouw (2 Sam. 15 : 30; Ezech. 24 : 17, 23). De oude Assyrische sandalen, die hier afgebeeld zijn waren eigenlijk hielkappen (a), met op de wreef de riemen (b) (de z.g. schoenriemen).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1119-1040

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (25)

.

SCHEPEN

leven O.T. 1061. Filistijnse schepen
De Filistijnse schepen eindigden in een steil opstijgende voor- en achtersteven (a), versierd in de vorm van een zwanenhals (b). Het waren zeilschepen, die niet geroeid werden. De mast (c) heeft een mars of mastkorf (d). Op het onderste schip zijn twee Filistijnse krijgslieden (e); beiden hebben het voor de Filistijnen typische ronde schild (ƒ); de een draagt de eveneens voor dit volk kenmerkende dolk (g) in de rechterhand.

leven O.T. 1072. Fenicisch schip
De schepen hebben een gebogen vorm met nagenoeg gelijke steven. Aan de masten (a) ziet men de raas (b). Veel touwen, waarin de raas hangen zijn eveneens kenmerkend. Het schip heeft een hoog zetboord (plankenhek om het dak) dat bij hoge zee de deklast voor af glijden moet tegenhouden. De scheepsbouw van zulke schepen wordt beschreven in Ezechiël 27 : 5 v.v. Met cypressen van de Senir bouwden zij u al het houtwerk. Cederen van de Libanon namen zij om een mast te maken. Uit de hoogste van Basans eiken maakten zij uw roeiriemen. Bontgewerkt lijnwaad uit Egypte was uw doek om u als zeil te dienen.

leven O.T. 1083. Korenschip uit de dagen van Paulus
„Een korenschip, als waar Paulus mee reisde, stelle men zich niet te klein voor. Er zijn ons opgaven bewaard gebleven van zulke schepen met een inhoud van 2600 ton. Paulus’ schip bood plaats voor 276 man. De romp van het schip vertoonde voor de vorm van een kop, achter die van de staart van een vogel. Midden op het schip stond een grote mast, in de regel van cederhout (vgl. ook Ezechiël 27 : 5), op de voorsteven vond men nog een kleinere mast, tot bevestiging van een kleiner zeil. Het sturen geschiedde met behulp van twee grote roeiriemen, rechts en links aan de achtersteven bevestigd. Op het dek stond een houten huisje voor de stuurman, en een tempeltje met een godenbeeld. Het verblijf van de schipper lag in het achtergedeelte. De passagiers bivakkeerden op het dek.” (I. Snoek).

leven O.T. 1094. Zeelieden aan het werk bij opkomende wind
Een wandschilderij uit Pompeji toont hoe de zeilen werden opgehaald. In het midden is de hoofdmast; deze bestond uit één stuk; tot steun dienden sterke touwen, die van de scheepszijde naar de mars voeren. Aan de hoofdmast is een grote ra; daaraan hangt het zeil; om dat te versterken zijn er over heen genaaid banden van leer, die een hand breed zijn.

leven O.T. 1105. Het verankerde schip,
waarmee Paulus voer, op de morgen van de 14de stormdag. „De Engelse deskundige Smith heeft berekend, dat een schip, varende onder de omstandigheden, waarvan in Hand. 27 gesproken wordt, juist 14 dagen nodig heeft om van Kreta naar Malta te komen (vgl. Hand. 27 : 33 v.v.). Als zij het dieplood uitwerpen geeft het een diepte aan van twintig vademen (37 m.). Even later staan er nog slechts 15 vademen water, 27.75 m. Dat is ondieper. De vrees komt dan op dat het schip ergens op harde plaatsen terecht zal komen. Daartegen nemen de schepelingen hun maatregelen: vier ankers van het achterschip worden uitgeworpen. Vier zijn er noodig, omdat de ankers maar klein zijn, ongeveer 25 kg. En dan moeten de opvarenden wachten tot het dag wordt” (Snoek). De tekening geeft nu het schip in het morgenlicht.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1115-1036

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (24)

.

VAARTUIGEN

leven O.T. 1021. Assyrische goeffa
De Griekse geschiedschrijver Herodotus beschrijft als iets bewonderenswaardigs deze vaartuigen. „De vaartuigen, die zij hebben om langs de rivier naar Babylon te trekken zijn rond van vorm en geheel van leder (a). Want nadat zij bij de Armeniërs, ribben van wilgenhout hebben doen snijden, spannen zij daarover van buiten huiden tot bedekking, bij wijze van een bodem, zonder een achtersteven af te scheiden, of ze in een voorsteven samen te buigen, doch zij maken het vaartuig als een schild, rond van vorm, vullen het geheel met biezen, en laten het dan met waren beladen de stroom afgaan. Het vaartuig wordt gestuurd met riemen (b) door twee roeiers (c) die rechtop staan” (Herodotus I 194; vert. C. M.-van Deventer). Hier zijn echter vier mannen, die zitten. Gewoonlijk was de vracht vaten palmwijn; hier zijn (volgens Unger) schroeven (d) voor het vervoer van stierkolossen. — Deze goeffa’s dienden ook als veerbooten (een stad aan de Eufraat heet veer of overgang nl. Tifsah, 1 Kon. 4 : 24).

leven O.T. 103

leven O.T. 1042, 3. Assyrische kelek; 2. kelek uit de oudheid; 3. tegenwoordige kelek
„Wij weten, dat reeds in de grijze oudheid vlotten, keleks genaamd, gebruikt werden; wij zien ze afgebeeld op Assyrische reliëfs, die bij opgravingen voor de dag komen, en wel precies in dezelfde vorm, als ze nog heden gebruikt worden. Men vervaardigt vlotten van populierenstammen (a), die in de vorm van roosters op elkander gelegd worden. Daar echter de Tigris bij de vele stroomversnellingen dikwijls slechts een zeer geringe diepte heeft, kwam men al in de vroegste tijd op een geniaal middel om deze vlotten zo hoog mogelijk op het water te houden: men bevestigde onder deze populierenroosters een groot aantal met lucht gevulde ramsvellen (b), die maakten, dat het vaartuig bijna op de waterspiegel dreef. Met deze vlotvaart houdt zich een apart gilde bezig, de kelekdji’s (c) die met riemen (d) het vlot bewegen en sturen. Op de kelek is een „arke”, een huisje voor nachtverblijf op reis en voor de goederen.” (I. Guyer, Meine Tigrisfahrt).

leven O.T. 1054. Egyptische schepen
De tekening is een voorstelling uit de geschiedenis van Cheops. Deze wilde dat aan zijn hof een bekwaam tovenaar zou komen. Toen werden barken uitgerust opdat de zoon des konings deze tovenaar halen kon. Bij de ontmoeting worden veel hoffelijke woorden gesproken. De tovenaar wil meegaan en zegt: „Men geve mij een boot om mee te voeren mijn leerlingen en mijn boeken.” Toen gaf men hem twee schepen met hun equipage. Dit tafereel geeft de tekening weer. — De Nijl vermeldde in de oudheid van barken en allerlei andere vaartuigen. In de zangen van Ichnaton wordt het uitgeroepen in „De dag en de wateren”.

De barken zeilen de stroom op en eveneens de stroom af,
Iedere weg is open, omdat gij zijt opgekomen,
De vissen in de rivier springen voor u op,
En uw stralen zijn in het midden der grote zee.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1112-1033

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (23)

.

HET SCHRIFT (2)

leven O.T. 961. Potscherf met opschrift uit Samaria.
Onder een der kamers van het paleis van Achab werd in een rotskelder de hand gelegd op 75 fragmenten vaatwerk met Hebreeuwse opschriften in oud Hebreeuws schrift. Ze zijn geschreven met zwarte inkt met behulp van een kalam of schrijfstift. Deze potscherven zijn een soort van geleibrieven, die de wijn en de oliezendingen voor de koninklijke magazijnen begeleidden. Op deze „brief” staat: in het jaar 15 van Abiëzer aan Asa (zoon van) Achimelech [een consignatie van wijn voor] Baala [die woont in] El Ma’ttan.

leven O.T. 97 2. Ostracon of potscherf uit Teil ed-Doeweir (waarschijnlijk het Bijbelse Lachis)
Het schrift is met inkt geschreven (de inkt volgens het scheikundig onderzoek samengesteld uit een extract van galnoten en roet). Het is een „brief” aan de vestingcommandant van Lachis uit het jaar 588 voor Christus (dus kort voor de inneming door Nebukadnezar (Jer. 34 : 7). De brief is kruiperig.

Aan mijn heer Ja’oesj. Moge Jahwe aan mijn heer goede berichten doen horen, juist nu, juist nu. Wat is uw knecht, die een hond is, dat mijn heer aan zijn knecht denkt? Moge Jahwe diegenen ten verderve voeren, die op iets ingaan, waarvan zij niet weten! [Dat de mindere zich een hond noemt, komt ook in de Bijbel voor; zie 1 Sam. 24 : 15].

leven O.T. 983. Zegel van Gedalja
Dit zegel heeft eveneens het oud-Hebreeuwe schrift; er staat op:

van Gedaljahoe die over het huis (staat)

Het zegel is van Gedaljahoe (Jahwe is groot). Er zijn drie personen met de naam Gedalja: 1. zanger van David (1 Kron. 25 : 3); 2. tijdgenoot van Jeremia (Jer. 38 : 1); 3. zoon van Ahikam (2 Kon. 25 : 22). Deze derde is bedoeld. Hij heeft hier de titel: die over het huis staat, de paleisoverste, het waarnemend staatshoofd.

leven O.T. 994. „Vat” voor het bewaren van brieven
In de dagen van Jeremia werd wel geschreven op „een rol des hoeks” (Jer. 36 : 2) dat men met een mes kon stuksnijden (Jer. 36 : 23). Daarnaast bestond ook het kleitafeltje, waarop de letters werden aangebracht met een griffie (Jes. 8 : 1), een ijzeren griffie (Jer. 17 : 1). Zo moet men ook de koopbrieven voorstellen (Jer. 32 : 10) waarop dan nog een zegelafdruk werd aangebracht (Jer. 36 : 14). Deze brieven werden bewaard in een aarden vat voor brieven (Jer. 36 : 14); een voorbeeld daarvan vindt men in de ‘tekening naar een vondst in Thaänach.

leven O.T. 100

5. Egyptische schrijver:
hij schrijft „een aktestuk” en heeft behalve de „schrijfstift” in de hand, er ook nog een over elk der oren. Schrijvers van beroep, in dienst van vorsten of van kooplieden, komen in de oudheid voor (2 Sam. 8 : 17; Psalm 45 : 2; Jes. 33 : 18; Jer. 36 : 26).

leven O.T. 1016. Joodse Thora-schrijver
Een Thora-rol (met de 5 boeken van Mozes) wordt met buitengewone zorg vervaardigd; geschreven op perkament. De schrijver moet niet alleen goed kunnen schrijven, maar ook innerlijk voor het heilige werk van de Thora te schrijven, goed toegerust zijn.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1108-1029

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (17)

.

MAALTIJDEN
.
leven O.T. 45
1. Assyrische maaltijd
Enkele mannen zitten om de grote pot (a); één daarvan rechts, schept met een nap (c) het vleesnat, de bouillon, op: zo’n nap ging dan de kring rond. Voor de vaste spijzen gebruikte men, gelijk nog heden in het oosten, de vingers. •— De hoofdmaaltijden bij de Assyriërs waren ’s morgens en ’s avonds. — In de huizen der welgestelden riep de heer des huizes de dienaren toe: Brengt mij water (b); giet het op mijn handen; ik wil eten. — De hongerige eters smakten met de tong om hun begeerte tot uitdrukking te brengen en grepen met ijver naar de spijzen, die de dienaars brachten. – Na het eten waste men het gezicht met een handdoek af; daarna goot een dienstknecht water over de handen. Kleine honden, die veel in huis gehouden werden, liepen in de kamer rond en aten van „de kruimkens hunner heren.”
.

leven O.T. 46
2. Egyptische maaltijd
Bij a is een gedekte tafel; de man links houdt een blad met vijgen in de hand. De derde man is bezig een gans te verwerken (b); de andere rechts houdt een stuk vlees in de hand. De Egyptenaar bij c links gaat de vis, die hij in de hand heeft, eten; de man rechts drinkt uit een kruik. Ook de man links bij d eet vis. Onder die tafel bij d en die bij a zijn mandjes met druiven. De tafels tonen een volheid van spijs; merkwaardig is de afwezigheid van vorken; maar de handen en vingers doen dienst. Men zit op de grond; stoelen worden bij deze maaltijden niet benut.
.
leven O.T. 473. Gastmaal (naar een Fenicische uitbeelding,
gevonden op het eiland Cyprus). Een drietal volwassen personen ligt aan tafel; bij dit aanliggen aan tafel steunt ieder met de linkerhand op de hogere leuning van de divan. Twee ervan zijn mannen: zij dragen een puntige kegelvormige muts (a, b); zij hebben een puntbaard maar hebben een gladgeschoren bovenlip. De mannen zijn verder gekleed in een lange mantel. De derde figuur (c), is een vrouw; zij draagt een hoofddoek, die ook de wangen en de kin bedekt. De man rechts (a) draagt een kind op de knie, gehuld in een lange mantel; de ronde muts wijst erop, dat het een meisje is.

Dat men in de oudheid aan een tafel zat, leert men ook uit Richt. 19 : 6; 1 Sam. 20 : 5; en met name 1 Kon. 13 : 20. Wil iemand zijn gasten bijzonder eren, dan eet hij niet mee, maar staat er bij om te bedienen (Gen. 18 : 8). Het aanliggen wordt wellicht reeds genoemd in Amos 6 : 4; in de vert. van het Bijbelgenootschap leest men in Matth. 9 : 10 dat de tollenaars en zondaars mede aanlagen; eveneens Matth. 26 : 7; Marcus 6 : 22; 14 : 3, 18; Joh. 13 : 23; 21 : 20.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1079-1001

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – leven in het Oude Testament (16)

DE TENT; GEBRUIKSVOORWERPEN

leven O.T. 35.jpg1. Tent
Een tent is meest opgebouwd uit driemaal drie palen; in het midden de hoogste palen, terwijl de twee buitenste rijen kleiner zijn; deze palen zijn tevens met touwen aan elkaar verbonden. Het doek of weefsel werd strak uitgespannen en met „zelen” (6) (Jeremia 10 : 20) vastgemaakt aan „pinnen” (a) in de grond (Jesaja 54 : 2); die pinnen van zeer hard hout zijn ongeveer twee voet lang en worden door een hamer in de bodem gedreven (Richt. 4 : 21). De tent is bedekt met dekkleden, gevlochten van geitenhaar, dat zwart van kleur is (Hoogl. 4 : 1; 1 : 5).

leven O.T. 362. Lamp
Bij opgravingen komen vooral uit de graven zoveel aarden lampjes te voorschijn, dat men de ontwikkelingsgang kan vervolgen vanaf het nauwelijks voor zijn doel gemodelleerde open schaaltje, tot de meer praktische vorm met scherp toegeknepen tuit voor de oliepit, die in de Israëlitische tijd in gebruik was en de bijna gesloten vormen van het Hellenistische tijdvak. De afbeelding vertoont een
lampmodel uit de latere perioden, zoals men die zich ook voor de Nieuwtestamentische tijd mag voorstellen. De lamp moest onafgebroken branden (haar lamp gaat des nachts niet uit; Spreuken 31 : 18); de uitdrukking „zijn lamp zal uitgeblust worden” (Job 18 : 6) wijst op de dood en de ondergang.

leven O.T. 373. Haard uit Thaanach
Het afgebeelde voorwerp heeft men eerst wel aangezien voor een wierookaltaar. Het heeft de vorm van een piramide; bijna 1 m. hoog; aan de vier zijden heeft het gaten: die openingen zijn waarschijnlijk bedoeld als tochtgaten. Het geheel is uit klei gebakken. De wanden zijn versierd met leeuwenfiguren en sfinxen, een heilige boom en een voorstelling van een man, die een slang vasthoudt. Zo’n haard of kolenbekken was voor koning Jojakim. (Jeremia 36 : 22. De koning zat in het winterhuis in de negende maand; en er was een vuur voor zijn aangezicht op de haard aangestoken).

leven O.T. 384. Aarden vaten voor olijfolie
Ter bewaring van de olijfolie in huis dienden aarden kruiken. Deze hadden een aparte donkere plaats; licht en lucht maken de olie ranzig; daarom hebben de kruiken ook een betrekkelijk nauwe opening. Oliekruiken worden genoemd in 1 Sam. 10 : 1; 2 Kon. 9 : 1; Zach. 4 : 3.

leven O.T. 395. Aarden watervaten
Zulke aarden watervaten waren in de oudheid eveneens in gebruik (Joh. 2 : 6; 1 Sam. 26 : 11 „waterfles”; 1 Kon. 19 : 6; Gen. 24 : 16; Richt. 7 : 16).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas heemkunde: alle artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1075-997

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (15)

.

HANDWERK

leven O.T. 721. Lederbereiding (Egyptische voorstelling).
Links boven is een arbeider (a) die met een scherpe steen de haren van de huid schrapt; hij houdt de huid met de voeten vast. Daaronder is een arbeider, die riemen snijdt uit het leer (b); terwijl een ander het vel strak aantrekt (c). Daarnaast wordt de huid strak getrokken over een bok (d); een geprepareerde huid (e) is daarboven afgebeeld. Meer naar rechts is iemand, die doorgeeft, wat al klaar is (ƒ); er werden verschillende artikelen van leer vervaardigd bijv. sandalen (g); onderdelen van een bespanning (h) en omhulsels voor akte-stukken (i).

leven O.T. 732. Pottenbakker aan het werk bij de draaischijf
(Egyptische voorstelling). De eerste pottenbakker (a) heeft op de draaischijf (b) een leemklomp (c); hij vormt met zijn hand het inwendige van het vat. Enkele vaten (d, e, f, g, h, i) zijn al gereed. Een tweede pottenbakker (j) vormt de buitenkant van een vat; met zijn linkerhand houdt hij de bodem van het vat (k). Een derde pottenbakker (l) is juist klaar .gekomen met een vat (m); de laatste begint met een verse leemklomp (n): leem in de hand van de pottenbakkers (Jer. 18 : 6) hij maakt een werk op de schijven (Jer. 18 : 3).

leven O.T. 743. Pottenbakkers bij de oven (Egyptische voorstelling).
De eerste (a) vormt van leem een plat bord tussen zijn handen; een ander (b) maakt het vuur in de oven (c) heet; een derde (d) geeft de vormen aan de pottenbakker (e) die slechts met een gordelschort (ƒ) gekleed is; hij plaatst de vormen op de verhitte oven. Het aardewerk, dat gereed kwam, wordt door een arbeidster met een juk (g) weggebracht.

leven O.T. 754. Barbier aan het werk

leven O.T. 765. Scheermes van een barbier
De barbier oefende in de oudheid zijn beroep in de buitenlucht uit, onder de schaduw van een boom. De barbier bond het hoofdhaar om de schedel hoog op en sneed de haren bij de slapen kort af, of schoor deze. De klant zat tijdens de bewerking op een driepoot (a); daarvoor stond dan een zeepbekken (b). Voor scheren en haarsnijden benutten de barbieren een „scheermes van de barbieren” (fig. 5) dat zeer merkwaardig van vorm was en diende om „te laten gaan over het hoofd en over de baard” (Ezech. 5 : 1).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

.

1071-993

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (14)

.

WATER EN MELK

leven O.T. 681. Vrouw bij de bron
Het water, dat het meest op prijs gesteld wordt is levend water, het bewegende, frisse water van borrelende bronnen en beken (Hooglied 4 : 15). Een levendig tafereel is het, als de vrouwen bij de bron komen, „op de avondtijd, ten tijde als de putsters het water halen” (Gen. 24 : 11). Als zij naderen, hebben zij de ledige kruik op de schouder, als Rebekka (Gen. 24 : 15). De volle kruik (a) wordt op het hoofd gezet. De bron (b) op de voorgrond is in een diep in de bodem gegraven gat, dikwijls tot op de rotsbodem toe. De geulen in de bronrand zijn inkervingen ontstaan door de touwen van degenen, die de putemmers optrekken. De vrouw draagt een witte hoofddoek (c) die als sluier gebruikt kan worden (zij bedekt haar mond!). Voorts is zij gesierd met armband (d) en voorhoofdsiersel (e) en een enkelring (g), zij draagt een lang kleed, dat echter hier gegord is: het is wat opgetrokken tot aan de kniestreek, doordat zij het tussen de gordel (ƒ) heeft opgenomen.

leven O.T. 692. Emmer
De lederen putemmer (c) die men beter schepbuidel zou kunnen noemen, hangt aan een houten kruis (b) dat ten doel heeft de zak open te houden. In het midden van het houten kruis is het puttouw of scheptouw (a). Zo waren de emmers ook in de oudheid (Numeri 24 : 7, Jesaja 40 : 15).

leven O.T. 703. Waterdrager
Mannen dragen het water in lederen zakken (Jozua 9:4); een man, die een kruik draagt is een zeldzame figuur, die de aandacht trekt (Lukas 22 : 10). De lederen zak (a) wordt met een touw op de rug gedragen; de stukken van de poten (b) steken vreemd omhoog. De waterdrager draagt op het hoofd een gewonden doek (c); verder heeft hij een broek (d), een hemdachtig overkleed (e) en sandalen (ƒ). De met riempjes (Gen. 14 : 23) vastgemaakte sandalen waren in de oudheid het schoenwerk, die behoorden tot de normale kleding (1 Kon. 2:5; Ezech. 24 : 17, 23; 2 Kron. 28 : 15).

leven O.T. 714. Boterbereiding
In F. J. Bruijel, Bijbel en Natuur leest men: De zoete melk, zoals wij die kennen, wordt zeer weinig gebruikt, daar ze gedurende een groot deel van het jaar spoedig bederft. Zij is vrijwel alleen van belang voor jonge kinderen. Wanneer wij in het O. T. lezen over chalab (Statenvert. „melk”) moet in het algemeen gedacht worden aan een met behulp van stukjes lebmaag gestremde en door gisting verzuurde melk, min of meer te vergelijken met de ons bekende yoghurt. Uit deze chalab wordt de chem’a, boter, bereid. Daartoe neemt men drie stokken (a) die schuin in de grond worden gestoken en waartussen een zak, van geitenhuid (b) vervaardigd gevuld met chalab wordt opgehangen. Dan gaat de vrouw erbij zitten en de zak wordt nu het doel van de welgemikte vuistslagen. (Het werkw. drukken in Spr. 30 : 33 is beter te vertalen door „het stoten” of „het stompen”). Zo komt de inhoud in voortdurend schuddende beweging en dit „stoten” heeft de vorming van boter als gevolg. Naast de dikke verzuurde melk, kent men ook zoete gestremde melk. Door verwijdering van het water wordt kaas verkregen (Job 10 : 10 … en mij als een kaas doen runnen). De vrouw draagt een lang kleed, tob (c), een jakje (d) en een van voren open mantel (e); op het hoofd heeft zij de hoofddoek (ƒ) door een hoofdband vastgemaakt.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1067-989

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het OudeTestament (13)

.

AARDEWERK

.

leven O.T. 611. Grote kruik,
zonder oor en zonder hals, uit Jericho (voor-Israëlitische tijd tot ± 1600 voor Christus).

.

leven O.T. 622. Grote kruik met oor en handvat;
uit Jericho; voor-Israëlitisch. Kenmerkend is het handvat (a), dat horizontaal aan de zijde van het vat als een lap uitstulpt, met indrukken voor de vingers. Het oorspronkelijke doel van het handvat was een hulpmiddel te zijn bij het dragen op het hoofd.

.

leven O.T. 633. Kleine kruiken met oor,
uit Megiddo; voor-Israëlitisch.

.

leven O.T. 644. Mooi gevormde eivormige kruik
uit Jericho; vroeg-Israëlitisch; 16e—9e eeuw voor Christus.

.

leven O.T. 655. Kruik uit Tell Zakarije
(misschien het Bijbelsche Azeka). Vroeg-Israëlitisch. Deze kruik en die uit Jericho bewijzen tot welke hoogte de pottenbakkerskunst steeg; hierbij dient men rekening te houden met invloed van elders, misschien zelfs met import.

.

leven O.T. 666. Filistijnse kruik uit Gezer:
op een witte ondergrond met rode en zwarte verf beschilderd, gelijk deze „beugelkan” met vogelversiering.

.

leven O.T. 677. Flesje met ringen op buik en hals
(uit Thaanach; laat-Israëlitische periode; 9e—6e eeuw).

Het blijkt, dat het vaatwerk in de eeuwen van vorm verandert. Dus als men bij een opgraving potscherven vindt, kan men afleiden in welke tijd deze gemaakt zijn; en dus kan men de ouderdom van een nederzetting in een ruïneheuvel bepalen met behulp van de scherven. De kennis van de pottenbakkerskunst is daarom de onmisbare sleutel voor alle oudheidkundig onderzoek. De brokstukken van de aardewerkvaten hebben natuurlijk dan pas waarde, als deze één of ander van de typische elementen van de vorm weergeven (handvat, oor, buikwelving, halsrand) en versiering.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1065-987

.

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (12)

DE STAD EN DE MUREN

leven O.T. 561. Teil el-Hesi, een ruïneheuvel na gedeeltelijke afgraving.
Waar eens een oude stad was, verheft zich nu een ruïneheuvel. Zo’n ruïneheuvel heet in de Statenvertaling „hoop”; Jozua stelt Ai tot een teil of hoop (Joz. 8 : 28) en Jeremia zegt van Jeruzalem dat de stad herbouwd zal worden op haar hoop, op de ruïneheuvel (Jer. 30 : 18).
.
leven O.T. 572. Doorsnede van Teil el-Hesi,
waar de opgravers in opvolgende lagen de aanwezigheid van „acht steden” in onderscheiden tijden konden aflezen. Uit de cultuurresten kan men de ouderdom van een nederzetting bepalen. De stijl van het aardewerk is van belang: men kan aan de potscherven zien uit welke tijd een laag dateert. De opgraver Bliss vond in de 4e stad een kleitafeltje, dat men kon indelen bij de categorie van de Amarnabrieven en daarmee dateren als een product uit de 15e eeuw. Scarabeeën uit de 18e dynastie (zegelsteentjes in de vorm van een mestkever; typisch voor de Egyptische godsdienst) wezen er ook op, dat men zoeken moest in de richting van het jaar ± 1400 voor Christus. Zodat men de 4e stad, boven de aslaag a moet stellen rond 1400 voor Christus. Misschien is Teil el-Hesi het Bijbelsche Eglon (Jozua 10 : 3).
.

leven O.T. 583. Muur van Teil Beit Mirsim
(het oude Kirjath Sefer, „de boekenstad”, veroverd door Othniël; Richt. 1 : 12). De muren van de steden waren in die tijd een samengesteld bouwwerk, bestaande uit een wal van zand en puin, die aan de buitenzijde (a) is afgedekt door een bekleding van zware steenblokken. Aan de binnenzijde kan dan nog een tweede muur staan om de aarden vulling vast te houden.
De figuren van de man beneden en boven tonen duidelijk de hoogte van de muur; dit maakt verklaarbaar, dat de verspieders in benauwdheid spraken: de steden zijn groot en gesterkt tot in de hemel toe (Deut. 1 : 28).
.

leven O.T. 594. Poort geflankeerd door torens
In de stadsmuur van de kleinere steden was meest één poort [„de poort van de stad”, Luk. 7 : 12]. De deuren van de poort (d) waren met ijzer beslagen (Jes. 45 : 2). Ter weerszijden de poorttorens (a); volgens Prof. de Groot waren deze mogelijk 12 m. breed en sprongen een paar meter naar voren. De poorttoren had boven kantelen (b) (getand muurwerk); de tandvormige bovendelen zijn de tinnen ter verdediging. Boven de poort (c) was de plaats van de wachter (2 Sam. 18 : 24).
.

leven O.T. 605. Dubbele muur
Een stad als Jericho was omgeven door een dubbele muur; de binnenste (c) was 3,30—3,70 m. dik; en daarvoor een voormuur (a) (1,50—1,60 m. dik); zo’n voormuur heet in de Statenvert. ook wel „voorschans” (Jes. 26 : 1). Jeremia kon van Zion klagen: Hij heeft de voormuur (a) en de muur (c) tezamen treurig gemaakt (Klaagl. 2 : 8). De muren rusten op een grondslag van veldstenen; daarop was een muur van leemtegels. Op de hoek van de hoofdmuur is een sterke toren of burcht (b) de laatste plaats van de verdediging (Richt. 9 : 49, 51). Tussen de poort van de voormuur (b) en die van de binnenmuur (e) was de plaats tussen de twee poorten (2 Sam. 18 : 24). De poort is bij de bronvijver (g); het is een levensbelang, dat de stad water ter beschikking heeft en is dus bij een bron gebouwd (bijv. Rama; 1 Sam. 9 : 11). De uitbouwen (c) dienden als „schuttersplaatsen”.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1062-984

.

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (11)

.
GEZICHT OP DE STAD MEGIDDO

leven O.T. 55Gezicht op de stad Megiddo in de dagen van de eerste koningen (omstreeks de 10e eeuw voor Christus, gelijk de geleerden, die de ruïneheuvel Tell-el-Moetesellim opgraven, zich dit voorstellen).
Het grote gebouw (van a-c) noemen zij „het grote huis”; het was bij de noordoostelijke muur (waarbij men aanneemt, dat de „laag” waarin „het grote huis” voorkomt, dateert uit de 10e eeuw). Vermoedelijk was dit grote huis de standplaats van de commandant, mogelijk ook was het de residentie van de landvoogd Baäna (1 Kon. 4 : 12).
Bij dit grote huis was een geplaveide binnenhof (b); daar konden de soldaten zich verzamelen en over de trap naar de stadsmuur (g) gaan. Bij de trap is ook de uitkijktoren (c) van de commandant. De toren is opgebouwd uit bewerkte, effen gemaakte, hardsteen. Karakteristiek (dit is ook op de buitenmuur van de stad de bouwwijze) is de verhouding van een kopsteen naast twee strekse stenen, met een rij van strekse stenen in de volgende laag. — De muur van het grote huis is opgetrokken uit bewerkte steen; merkwaardigerwijze „drie rijen van gehouwen steen” (zie ook 1). Op een basis van onbewerkte steen (ƒ) was deze muur opgetrokken, gestut door cederen balken (e). Op de vloer van een binnenplaats vond men as van een verbrand huis; bij een brand werd het stenen metselwerk weinig aangetast, maar de houten balken werden een prooi der vlammen. De staande balken (e) droegen de balken van de zoldering (d). Het „grote huis” van Megiddo doet denken aan het paleis van Salomo: En het grote voorhof was rondom van drie rijen gehouwen stenen met een rij van cederen balken (1 Kon. 7 : 12). De bouwwijze van Megiddo is volgens de geleerden eenerzijds met die van Salomo te Jeruzalem te vergelijken, anderzijds met Hethietische bouwwerken. Het grote huis) van Megiddo vertoont ook gelijkenis met het paleis van Achab te Samaria. Het metselen en de gehele bouwwijze toont aan, dat het geschied is door bekwame vakmensen. — Bij de fundamenten heeft men het zeldzame geval geconstateerd van houten funderingen in de vorm van liggende balken. — Links van het gebouw is de grote zware stadsmuur van Megiddo; de breedte van de muur geeft op de kruin plaats voor de wacht en de verdediging. —• Van de muur gezien vertoont zich het stadsbeeld van huizen met platte daken op ongeveer dezelfde hoogte; en tussen de gebouwen vrij nauwe straten. — In de straat bij het grote huis ziet men een strijdwagen door twee paarden getrokken. In Megiddo zijn gevonden de beroemde paardenstallen van Salomo. Megiddo was een vesting: één van de wagensteden en „de steden der ruiteren” (2 Kron. 8 : 6; 1 Kon. 9 : 17—19) ; een vesting, die de sleutelpositie had tot de beroemde vallei van Megiddo. In die vallei zijn vele veldslagen geleverd; het woord Armageddon wordt wel vertaald als „Berg van Megiddo”. De leider van de opgraving heeft daarom zijn boek over hetgeen ontdekt was, genoemd: Nieuw licht van Armageddon.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1058-981

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (9)

.

HUIS IN UR UIT DE DAGEN VAN ABRAHAM

leven O.T. 51De tekening stelt een huis voor uit de dagen van Abraham, zoals de geleerde Woolley zich dit voorstelt op grond van opgravingen in het Bijbelse Ur.
Deze huizen, na 2100 gebouwd en verwoest in 1885 voor Christus, tonen hoe Abraham en zijn vaderen, in Ur een stad gekend hebben, die een hoge beschaving toonde: de huizen spreken van behaaglijkheid en weelde.
De ingezetenen van Ur woonden in huizen opgebouwd uit tegels, overdekt met een pleisterlaag en witte kalk. De vertrekken waren om een binnenplaats: daardoor kreeg het huis licht en lucht. Want langs de nauwe, hoekige, ongeplaveide straten hadden de huizen blinde muren zonder vensters. Door de voordeur ging men van de straatkant in een voorvertrek (v) waarin een watergoot was, opdat de bezoeker zich handen en voeten kon wassen en vandaar kwam men op de binnenplaats (b), of binnenhof. Deze was belegd met gebakken tichelsteen (a, a); het voegwerk was in Babylonië vaak asfalt; in de Statenvertaling genoemd lijm (Genesis 11 : 3). Terzijde, rechts was de trap (c) die naar de galerij (e) leidde, welke toegang gaf tot de vertrekken van de bovenverdieping. Het geheel werd afgedekt met een plat dak (ƒ), waarbij gezorgd was, het dak in de richting van de binnenhof een weinig te laten hellen. De galerij rustte op houten palen (p), die soms steunden op neuten (n).
[Ook de grote huizen der aanzienlijken in Israël hadden zulke palen, in de Statenvertaling genoemd balken (Hab. 2 : 11) of pilaren (Spr. 9 : 1)].
Op de vloer van de binnenhof staan twee grote kruiken (d), die blijkens het onderzoek van de vorm gemaakt zijn op de draaischijf van de pottenbakker (en dus niet uit de hand gevormd zijn).
Bij het onderzoek van de vloeren bleek, dat men vaak de doden hier begraven had onder een leemkist in de vorm van een omgekeerde badkuip. Deze gewoonte: iemand begraven in zijn huis heeft een parallel in 1 Samuël 25 : 1 en 1 Kon. 2 : 34. Prof. De Groot schrijft in zijn verklaring: Bij de opgravingen te Gezer en te Jericho heeft men dit ook geconstateerd; in Gezer voor de Kanaänitische, in Jericho zelfs voor de Joodse tijd.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1049-972

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (8)

.

HUIZEN

leven O.T. 48

1. Grotere huizen in een Oosterse stad.
Bij opgravingen heeft men op verschillende plaatsen gezien hoe binnenmuren (die de indeling van de woning in meerdere vertrekken aangeven) duidelijk zich onderscheiden van de zwaardere buitenmuren.
Sellin en Watzinger vonden in Jericho een huis met vijf kamers, gegroepeerd om een binnenhof en Macalister te Gezer een huis uit de latere Griekse tijd met twaalf vertrekken. Bij zo’n groot huis gaf de deur (a) toegang tot een vertrek, dat naar de binnenhof (b) voerde: zo’n binnenhof wordt in de Statenvertaling ook wel „voorhof” genoemd (Nehemia 8 : 17). Een galerij, rustende op balken of pilaren, omgaf de hof. De trap (d) voerde naar het platte dak; dit was omgeven door een borstwering (ƒ) in de Statenvert. “leuning” genoemd. (Deut. 22 : 8). Het huis links heeft nog een opkamer (h) op het dak; in het verhaal van Ehud genoemd een „koele opperzaal” (Richt. 3 : 20); overigens kwamen zulke optrekjes ook wel voor op het dak van meer eenvoudige huizen (1 Kon. 17 : 19). Een aanzienlijk huis kon voor het vrouwenvertrek een venster hebben met traliën (g) ; vgl. Richt. 5 : 28. Bij het bouwen werden vooral de hoekstenen (e) met grote zorg behouwen en samengevoegd om te zijn tot een hoofd des hoeks (Psalm 118 : 22).

leven O.T. 49

2. Een dorpshuis in Palestina.
Een boerenhuis in Palestina bestaat in de regel slechts uit één vertrek: alles woont op de vastgestampte vloer genoeglijk bijeen (2 Sam. 12 : 3). Alleen ligt het verblijf der dieren (b) iets lager: een paar ruwe treden in ’t midden geven toegang tot het verhoogde gedeelte (a) waar de mensen verblijf houden. Aan weerszijden van die treden zijn voederbakken of kribben (c), goed bekend bij het rund (d) en de ezel (e) gelijk Jesaja 1 : 3 zegt. Rechts de geit (ƒ), die om de melk gehouden wordt (Spr. 27 : 27). Op het midden van het verhoogde gedeelte is een vuurplaat, ’s nachts ligt men op de vloer met de voeten naar de vuurplaat (g) gekeerd. Daarom is het wel bezwaarlijk om in de nacht op te staan, teneinde aan een vriend drie broden te lenen (Lukas 11 : 7); want bij deze wijze van slapen loopt men gevaar op de anderen te trappen en de familie wakker te maken. De vrouw zit bij de handmolen (h). Het kind dat in de hangmat ligt, is in windselen (i) gewonden (Ezechiël 16 : 4).

leven O.T. 50

3. Instrument van lava voor het gladstrijken van een
muurbepleistering.
(Gevonden bij de opgraving van Teleilat Ghassoel in het Jordaandal).
De wanden van een „woning waren met leem en kalk bepleisterd” („dat de één een lemen wand bouwt en de anderen die pleisteren met loze kalk” Ezech. 13 : 10).

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL  in beeld: 3e klas heemkunde

1043-968

.

VRIJESCHOOL – 3e klas – het leven in het Oude Testament (7)

.

WERKTUIGEN
.

leven O.T. 401. Stenen messen
(a, b en c) uit de heuvel el ‘Oreme (aan het Meer Gennesareth). Aan de metaaltijd gaat de steentijd vooraf; deze vuursteenmessen zijn uit de jongere steentijd of neolithicum. Zulke vuursteenmessen gebruikte Jozua toen hij stenen messen nam voor de besnijdenis (Jozua 5:3). Ook Zippora nam een stenen mes voor de besnijdenis van haar zoon (Ex. 4 : 25).
.
leven O.T. 412. Mes
In de loop der geschiedenis gebruikte men messen van steen, brons of ijzer; het handvat is van hout of hoorn.

3. Priem
(o. m. gebruikt bij de zelfmarteling der Baälspriesters; 1 Kon. 18 : 28).

4. Sikkel
De sikkel werd gebruikt om het staande koren (Deut. 16 : 9) met de rechterhand af te snijden; in de linkerhand hield de maaier de halmen vast (Ps. 129 : 7; Jes. 17 : 5).

5. Hamer
De hamers waren vaak van behakte steen; het maken van een opening voor het houten handvat eist veel geduld. De hamer is in Israël het werktuig van de smid (Jes. 44 : 12).

6. Zaag
Zagen zijn gevonden gemaakt van steen, brons en ijzer. De zaag werd getrokken (Jes. 10 : 15) door de timmerman; echter ook bij dwangarbeid in tichelovens volgens 2 Sam. 12 : 31 naar de vertaling van Prof. de Groot: „De manschappen die erin waren liet hij wegvoeren en zette hen aan het werk bij de steenzagen, bij de ijzeren houwelen en bij de ijzeren bijlen.”
(2—6 naar R. A. S. Macalister).
.
leven O.T. 427. Stenen gewichten
(volgens foto van Prof. Böhl) gevonden bij de opgravingen in Teil beit Mirsim = Kirjath Sefer. Eerlijkheid met weegstenen was goddelijk voorschrift (Deut. 25 : 13; Spr. 16 : 11).
.
leven O.T. 438. Afwegen van gouden ringen
op een weegschaal volgens Egyptische voorstelling. Rechts de ringen (a) links het gewicht (b); deze gewichten (b en c) hadden een diervorm.
.
leven O.T. 449. Zonnewijzer,
een instrument dat de ware zonnetijd aangeeft door de richting waarin de schaduw van een stang op een vast vlak valt.

Een staande stift wierp de schaduw op een vlak, dat met behulp van een schaalverdeling, de lengte en de richting van de schaduw aangeeft. In het midden bij a is het gat voor de stift aangegeven; rechts ziet men bij b de schaalverdeling; links bij c: in een boot de godheid Re-Harmachis met valkenkop en scepter in de hand; voor hem knielt Farao Merenp’tha. Boven de godheid en de koning een zonneschijf met adders; daarnaast rechts en links ringen met de namen van de koning.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1041-966

.

VRIJESCHOOL – 3e klas: het leven in het Oude Testament (6)

.

JACHT EN VISSERIJ

leven O.T. 291. Jachtnetten (afb. op een monument te Hermel, in Syrië).
Een dier (a) dat bekneld raakt door een slagboom (b) en gevangen kan worden in een jachtnet (c) dat vastgehouden door twee stokken (d) over de kop van het dier kan worden geworpen. In Jesaja 51 : 20 is sprake van een dier (het Hebr. woord kan beduiden: antilope, of naar oudere opvattingen: onyx of wilde os) dat gevangen wordt in zo’n net; de profeet vergelijkt de in onmacht gevallen kinderen ermee, die op straat liggen gelijk een wilde os in het net. Zo’n jachtnet wordt uitgeworpen; de profeet Ezechiël spreekt Gods bedreigingen over Juda en zijn koning uit: Ik zal mijn net over hem heen werpen (Ezech. 12 : 13).

leven O.T. 302. Vogelvangst (Egyptische voorstelling).
Twee Egyptenaren trekken het slagnet (a) dicht waarin grotere en kleinere vogels gevangen zijn.
.
leven O.T. 313. Vissen met de angel (Egypt. voorstelling).
Een visser in lendenschort (a) heeft in de hand een hengelstok (b) waaraan een snoer (e) waaraan de angel is met het lokaas. (Verg. Jes. 19 : 8). Men viste niet alleen in de Nijl, maar ook in daartoe met sluizen afgesloten viswater („lustige staande wateren” Jes. 19 : 10).

leven O.T. 324. Vissers (Egyptische voorstelling).
De rustig voortvloeiende wateren van Egypte waren zeer visrijk; een veel opbrengende visserij was daarvan het gevolg: de Israëlieten in de woestijn behielden daaraan de herinnering („wij gedenken aan de vissen, die wij om niet aten, Numeri 11 : 5). Men ving met de vishaak (angel), men trachtte de vissen te steken met de speer, of men gebruikte een fuik, of een sleepnet. Aan lange touwen (a) werd het net (b) bezwaard met zinkstenen (c) neergelaten en daarna opgetrokken.

leven O.T. 335. Visvangst aan het Meer Gennesareth
Op de achtergrond rijst de rotswand uit het water: hier is het bergland van Golan of Gaulanitis (a). Links zien wij een visser in het water staan; hij staat bij de zegen, waarvan de kurken (b) op het water drijven. Op de voorgrond trekken de vissers de zegen (c) in. Het is bij dit net, dat niet van alle vissen hier en daar een enkele vangt, maar dat over een grote oppervlakte alle vissen omvat, dat het koninkrijk der hemelen vergeleken wordt in Matth. 13 : 47. De vissers waren in de oudheid licht gekleed, ja ze legden hun gewaad af (Joh. 21 : 7); wij lezen van Petrus dat hij zijn kort hemd, zoals nu nog de vissers dragen van zich wierp en in zee sprong.

leven O.T. 346. Visser met het werpnet
(a); een rond net;  ca 4 m. wijd; dat met een zwaai over het water wordt geworpen. (Ezech. 26 : 5; Matth. 4 : 18; Joh. 21 : 6).
.

Overzicht: het leven in het Oude Testament

3e klas: Alle heemkunde-artikelen

VRIJESCHOOL in beeld: 3e klas heemkunde

1037-962

.